Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

Wurdhênbug T. Rurdha

Javaansch. Woordenboek

T. Roorda

I

Erste druk

--- [III] ---

VOORBERIGT

Tot een billijke beoer-[...]Naskah rusak (dan di tempat lain). deeling van het Woordenboek, dat hier den be-[...] der Javaansche taal wordt aangeboden, is het noodig te weten, op welk ee-[...] ontstam is. De heer Gericke, in het einde van het jaar 1825 door [...] Nederlandsch Bijbel-genootschap naar Java afgevaardigd, om daar de Javaansche taal [...] beoefenen, ten eind zich in staat te stellen tot een vertaling van den [...] die taal, was bij zijn instru-[...] ook bepaaldelijk opgedragen, een Spraakkunst en wordenboek van die in dien tijd in Europa nog geheel onbekende taal te ver-[...] en reeds in 1831 verschenen als eerste vrucht van zijn studie, ter Landsdrukkerij, [...] gronden der Javaansche taal, met een daarachter gevoegd Leer- en Leesboek, en [...] den lijst alleen tot gebruik bij dit Leer- en Leesboek geschikt en beste-[...] grondslag voor zijn samen te stellen Woordenboek kon de heer Ger-[...] gebruik maken van een door den heer Bruckner hen meêgedeelde verzamening van eenige duizenden Javaansche woorden met hier en daar bijgevoegde vertallingen het Engelsch: maar tot verdere bouwstoffen moest hij gebruiken de verklaringen die bij van de in zijn studien hem voorkomende onbekende woorden ontving, eerst van [...] in de Javaansche taal bij uitstek bedrevenen het Winter, Translateur voor de Javaansche taal te Soerakarta, en vervolgens van meer [...] eletterde en in hu-[...] noedertaal bedrevene Javanen. Maar zoo begrijpt [...] beoefenaar van vreemde talan ligt, hoe veel gebreken en misslagen in de op deze wijze verzamelde bouwstoffen noodzakelijk mo-[...] Javaansche woorden door Javanen gegevene verklaringen wa-[...] van de algemeene beteekenis of het ware begrin [...] van den zin en de beteekenis van een [...] zoo als dat telkens in een bepaalden zamenhang voorkwam; omschrijvingen, [...] door menschen, die eerst langzamerhand.

--- [IV] ---

in dit voor hen bagewone en hoogst moeijelijke werk geoefend moesten worden. Menigvuldg vooral moesten de onnaauwkeurige of geheel verkeerde verklaring [...] worden bij de verouderde of [...] alleen maar in poëzie gebruikelijke Kawi-woorden, die voor den Javaan zelf, die ze voor den heer Gericke verklaren moest, vreemde woorden waren, waarvan hij zelf de beteekenis slechts bij overlevering kende, of ook wel, en dikwijls misschien, uit den zamenhang, of uit gelijkheid van klank met andere woorden, giste of raadde. Vele van deze verkeerde verklaringen konden bij het terugkomen op hetzelfde woord verbeterd worden; maar vele, eenmaal verkeerd in het Woordenboek opgeromen bleven verk eerd; te meer, daar de heer Gericke zelf, eenmaal een verkeerde opvatting van een woord ontvangen hebbende, natuurlijk langen tijd in die verkeerde opvatting blijven moest. In September 1838 met tijdelijk verlof in Nederland teruggekeerd, bracht de heer Gericke een in het net geschreven afschrift van zijn op die wijze verzamelde bouwstoffen door een Javaansch woordenboek mede om die als een vrucht van zijn studie bij het Hoofdbestuur van het Nederlandsch Bijbelgenootschap over te leggen. Door het gebruik van dit Woordenboek, gepaard met het mondeling onderrigt dat de heer Gericke mij gedurende zijn verblijfte Amsterdam wel wilde geven, werd mij de gelegenheid geopend, om de Javaansche taal iets [...] dan oppervlakkig te beoefenen: en toen ik, nu weldra vijf jaren geleden, geroepen [...] aan de hier opterigtene Koninklijke Akademie de Javaansche taal te onderwijzen [...] aan Zijn Excellentie den Minister van Koloniën te kennen, dat hiertoe een goed [...] Woordenboek der Javaansche taal een allereeste vereischte zou zijn; maakte Zijn Excellentie bekend met het door mij gebruikte handschrift van het door den heer Gericke verzamelde Woordenboek, en deed het voorstel, om van Gouvernements wegen den heer Gericke uit te noodigen, zijn toestemming te geven tot den uitgaaf van dit zijn Woordenboek, en tot dit einde een met alle later door hem gemaakte aanteekeningen vermeerderd afschrift over te zenden. Op de meest vereerende wijze, tegelijk met de toezending van de ridderorde van den [...] derlandschen Leeuw, werd deze uitnoodiging gedaan; en de heer Gericke, ofsch-[...] verwijderd van [...] zijn arbeid reeds voor openlijke mededeeling door den druk geschikt [...] zich evenwel verpligt aan die uitnoodiging te voldoen, en zijn medewerk [...] de zoo heilzame bedoelingen van het Gouvernement niet te onttrekken. Hij zond mij tot het bedoelde einde, zoo spoedig hem zulks mogelijk was telkens bij vierdegedeelten, een nieuw vermeerderd afschrift van zijn werk, na het eerst

--- V ---

nog, wat vroeger niet geschied was, in een, bij een Woordenboek der Javaansche taal zoo nood [...] etymologische orde gerangschikt te hebben, zoo goed althans, als dit bij een eerste omwerking in die orde, en bij dadelijke afzendim van ieder afgewerkt vierde gedeelte, geschieden kon: maar hij zond het mij toe met uitdrukkelijk en dringend verzoek in het belang der wetenschap, om daarin te veranderen en te verbeteren al wat ik noodig zou oordeelen.

En aan dit verzoek heb ik mij niet willen onttrekken. Ik heb er daarom bij de bewerking voor de pers in veranderd en verbeterd, en er bijgevoegd, al wat ik noodig of nuttig rekende. Het was hier toch niet te doen, om het werk van een Auteur uit te geven, maar om een werk te leveren zoo goed en bruikbaar en nuttig voor den beoefenaar der Javaansche taal, als mij dit mogelijk was. Waar ik dus de opgegeveme beteekenis van een woord met zekerheid verheteren kon, daar heb ik dit gedaan; andere mij met zekerheid bekende beteekenissen, en een groot aantal, ligt een paar duizend, woorden, er bijgevoegd. Ik heb daarbij getrouw gebruik gemaakt van de vele belangrijke bijdragen tot de kennis der Javaansche taal, door de heeren Winter en Wilkens in het Tijdschrift voor Neêrlands Indië geleverd; als ook van vele schriftelijke mededeelingen over beteekenissen van in mijn studiën mij voorgekomene mij onbekende woorden en spreekmanieren, mij door den heer Winter op mijn vragen gedaan. Ook in de etymologische rangschikking der woorden onder hun grondwoorden of grondvormen heb ik verbeterd, wat ik verbeteren kon: maar, daar ik het werk van den heer Gericke slechts bij vierde gedeelten ontying, en de dringende behoefte aan het werk elk uitstel van den druk verbood; zo heb ik ook dit gedeelte van het werk niet tot die volkomenheid kunnen brengen, die ik wenschte. Het voornaamste echter van hetgeen in dit opzigt nog aan het werk ontbreekt, en door mij kon verholpen worden, heb ik trachten te verhelpen, deels door verwijzingen bij afgeleide woorden naar de grondwoorden of grondvormen, en omgekeerd (en dikwijls heb ik mij ook tot zulke verwijzingen moeten bepalen, [...] genoodzaakt te zijn, groote gedeelten van het werk geheel over te schrijven), [...] in de Bijvoegsels en verbeteringen achter het werk. Hierin heb ik ook opgenomen, wa-[...] de reeds afgedrukte gedeelten later nog bij te voegen of te verbeteren vond. De gebruiker van dit Woordenboek zal dus wel doen, met, vóór het gebruik, die bijvoegels en verbeteringen op de plaats, waar zij behooren, al is het slechts met teekens en merken, in zijn exemplaar ana te teekenen.

Verder heb ik in de opgaaf van de taalsoort, waartoe ieder woord behoort, piet alleen [al...]

--- VI ---

[...leen] verbeterd, wat ik te verbeteren vond, maar ook tusschen twee haakjes [ ] de in de andere taalsoorten gebruikelijke woorden er bijgevoegd; voor zoo ver en [...] mij dit namelijk mogelijk wa-[...]. In een Javaansch Woordenboek is deze vergelijking de onderschei slene taalsoorten naar mijn oordeel een onmisbaar vereischte. Hij, die de Javaansche taal wil leeren kennen, moet bij elk woord niet alleen weten, tot welke taalsoort het behoort, maar daarbij tevens de woorden, die in andere taalsoorten daarvoor in gebruik zijn, voor den geest hebben; en dit kan bij alleen leeren doordien hij in het Woordenboek, dat hij gebruikt, telkens het verschil van spraakgebruik in de onderscheidene taalscorten nevens elkander opgegeven vindt. Zoo alleen zal hij het ook nevens elkander in het geheugen geprent kunnen krijgen. Dat echter ook in dit opzigt dit Woordenboek nog zeer veel te wenschen overlaat, daarvan ben ik volkomen overtuigd.

Voorts heb ik bij de als Arabisch door den heer Gericke opgegevene of mij bekende woorden deze in Arabische letters er bijgeschreven, en waar de opgegevene beteekenis niet overeenkwam, of deze verbeterd, of het verschil er bij aangeteekend. Ook heb ik de beide het naast aan het Javaansch verwante talen, het Maleisch en het Soendasch, en voorts het Sanskritsch, waaruit zoo vele woorden in het Javaansch, vooral in de Kawi-taal, ontleend zijn, overal bij de bewerking vergeleken: ik vrees echter zeer, dat mij hierbij veel zal ontgaan zijn. Bij menig woord, dat klaarblijkelijk uit het Sanskritsch ontleend is, heb ik de vergelijking met opzet achterwegen gelaten, omdat de opgegevene beteekenis, die trouwens bij vele Kawi-woorden als zeer onzeker te beschouwen is, met de beteekenis in het Sanskritsch, volstrekt niet overeenkwam. Misschien had ik echter beter gedaan met dit verschil van beteekenis toch er bij aan te teekenen.

Eindelijk heb ik ook nog uit twee door onbekende Javanen zamengestelde glossaria van Kawi-woorden de meeste daarin voorkomende woordverklaringen in dit Woordenboek opgenomen, en die zangeduid door het teeken =, of, waar de verklaring met de [...] den Heer Gericke opgegevene volstrekt niet overeenkwam, door de woorden: Het wordt verklaard, of: ook verklaard, door.

Omtrent de in dit Woordenboek gevolgde alphabetische volgorde der woorden moe-[...] gemerkt worden, dat de nya midden in een woord vóór, en dus boven, een [...] Tjå of Djå op de plaats der na te zoeken is. -In de volgorde der woorden, di-[...] alleen in klinkers verschillen, zijn, vooral in den beginne, eenige misslagen bij de, verbetering der drukproeven on opgemerkt gebleven, die ik den gebruiker van het werk verzoek te willen verschoonen en te verbeteren.

--- VII ---

De werkwoorden, die met een na, nya, ma, nga, en ngra of ngla beginnen en niet onder deze [...] Woordenboek te vinden zijn, beschouwe men, zoo als de meeste van die werkwoorden, als gevormd van woorden, waarvan de eerste letter een ta, sa, pa, ha en ra, of la, is. Indien zij van een woord, dat met een andere letter aanvangt, gevormd zijn, dan heb ik, om het opzoeken gemakkelijken te maken, die werkwoorden onder de letters, waarmeê zij beginnen, in het Woordenboek opgeteekend, en naar de grondwoorden, waarvan zij afgeleid zijn, verwezen.

Ten slotte maak ik van deze gelegenheid gebruik, om den beoefenaar der Javaansche taal te verzoeken, van de vroeger, voor de allereerste behoefte bij het onderwijs in de Javaansche taal door mij zamengestelde Woordenboekjes achter het bij de tweede uitgaaf der Javaansche Spraakkunst van Cornets de Groot gevoegde Leesboek, en achter de Javaansche gesprekken in de onderscheidene taalsoorten voortaan geen gebruik meer te maken, en de vele daarin voorkomende misslagen als stilzwijgend door dit Woordenboek verbeterd te beschouwen.

DELFT,

9 Maart, 1847.

T. ROORDA.

--- [0] ---

VERKORTING

Ar. ... beteekent Arabisch.

b.v. ... beteekent bij voorbeeld.

Ch. ... beteekent Chineesch.

d.i. ... beteekent dat is.

eig. ... beteekent eigenlijk.

eign. ... beteekent eigennaam.

gew. ... beteekent gewoonlijk.

Holl. ... beteekent Hollandsch.

id. ... beteekent idem, hetzelfde.

K. ... beteekent Kråmå.

K.N. ... beteekent Kråmå en Ngoko.

Kw. ... beteekent Kawi.

l.v. ... beteekent lijdende vorm.

M.l ... beteekent Maleisch.

N. ... beteekent Ngoko.

Pers. ... beteekent Persisch.

poët. ... beteekent poëtisch.

Port. ... beteekent Portugeesch.

Sd. ... beteekent Soendasch.

Skr. ... beteekent Sanskritsch.

T.D. ... beteekent T?mboeng doesoen.

Tj. Sengk ... beteekent Tjondrå Sengkålå.

T.P. ... beteekent T?mboeng pasisir.

Vrg. ... beteekent Vergelijk.

z.v.a. ... beteekent zoo veel als.

--- 1 ---

ha : Kw. verzekeren, bevestigen [= angèstokakên].

hi : tusschenw. van vrees of schrik: hi!

hu : Kw. groot, aanzienlijk [= agung].

he : I. N., ipun, K., aanhechtselaan naamwoorden, dat den zin van een bezittelijk voornaamwoord van den derden persoon heeft: er van; van hem, van haar, van hen, of zijn, haar, hun; en dat tevens dient, om (even als ing, K.N.) een naamwoord met een volyend naamwoord als bepaling te verbinden. Zie de Spraakkunst. II. z.v.a. hèh, b.v. heallah.

hah : tusschenw. van afkeuring: ach! foei!

hèh : tusschenw. eh! ei! hei! komaan! welaan! hoor eens! [Het wordt gebruikt, als men iemand aanspreekt of toeroept].

haha : Kw. vreugde, blijdschap [= suka].

ehe : benaming van het tweede jaar van een Windoe.

hihi : Kw. verhinderen, beletten, tegengaan [= amênging].

huhu : Kw. [...], geluid [= suwara]; waarschijnlijk een na[...]bootsing van het geluid.

ahad : of akhad, Ar. [Ahad], een; de eerste. dina Ahad, of enkel Ahad, de eerste dag (der week), Zondag. [Het wordt ook wel verkeerd Ngahad, geschreven].

hahut : K.N. een boom met den wortel uit den grond rukken.

ihtiyar : K.N. verzinnen, een list bedenken [= budidaya, Het is waarschijnlijk een verbastering van het Ar. [ihtiyaar], dat hetzelfde beteekent].

hahos : of ahos, zie aji, III.

ihsan : Ar. [ihsaan], weldaad, gunst.

ail : Ar. bet, stomp; bekrompen van verstand; laf zijn in het spreken [Waarschijnlijk verbastering van het Ar. [jahiil], onwetend, dom, dwaas; laf].

aul : z.v.a. alul [?]

ahli : Ar. Pers. [ahli], volk, geslacht, familie; in het algemeen menschea, die tot iemand of iets behooren. Zoo in zamenstellingen, als ahli waris, K.N. erfgenaam, bloedverwant; ahli adap, scherpregter; ahli têpsir, uitlegkundige, uitlegger van den Koran; ahli kitab, schriftgeleerde; ahli bèt, iemand die de opbrengsten van zijn onderdanen ontvangt; ahli swarga, hemeling.

aub : ook ub, K.N. schaduw, lommer, van groote voorwerpen; scherm, schutting,

--- 2 ---

scherming; schaduwrijk, lommerrijk. -ngaub, ergens onder schuilen. -ngaubi, be schaduwen, beschutten, beschermen. -kauban, een plaats of persoon, die beschaduwd, beschermd wordt. -pangauban, een boom of iets dat schaduw of bescherming verleent, schuilplaats.

aogêm : zie ogêm.

aèng : K.N. [vrg. arang, N., awis, K., en anèh, K.N.] zeldzaam, vreemd, ongewoon; schadelijk.

ana : N., wontên, K., ontên, Md., ergens zijn, wezen, aanwezig zijn, zich bevinden, plaats hebben. anaa ing nagari, muwahana adesa ingadesa, hetzij het plaats hebbe in de hoofdplaats, hetzij in een of ander dorp. ana ing dalan, N., wontên ing margi, op weg, op den weg. yèn katêmu ana wong kang nginêp, indien het gevonden wordt bij den persoon, die overnacht. anane, N., wontênipun, K., het aanwezen, de aanwezigheid, er van. saanane, N., sawontênipun, K., al wat er is, zoo veel er is, zoo velen er zijn. -anadene, N., wontên dene of wontên dening, gewoonlijk wondene of wondening, ook wel wondèntên en wontên dèntên, K., een voegwoord, dat men door voorts, en meestal het best door nu, en in tegenstellingen door maar, kan vertalen (z.v.a. het Fransche or en het Latijnsche autem). -ana manèh, N., wontên malih, K., er is, of er zijn, nog meer. -ana apa, wat is er? -ana ngapa, waar-[...] -ana têka, wat gebeurt er? -nganani of ngahanani, doen zijn, daarstellen. -nganakake, N., ngwontênakên, K., doen ontstaan, voortbrengen. -kahanan, N., kawontênan, K., bestaan, wezen, gesteldheid, toestand. kahananingsun, mijn wezen.

anu : K.N. deze of die, dit of dat; aanduiding van een persoon of zaak, waarvan men den naam onbepaald laat; b.v. tuwan anu, de heer N. [Ml. [anu], hetzelfde. Skr. anoe, een atoom. Zie ook bij kanuragan].

êni : I. Kw. zand [= wêdhi]. II. K.N.; ngêni, padi (rijst) snijden, oogsten. -ngênèni, zich met padi-snijden bezig houden. -panèn, de rijstoogst. -ani-ani, een soort van mes waarmeê de padi gesneden wordt. -ngani-ani, de padi snijden.

ênu : Kw. straat, weg [= dêlanggung en margi]. ing ênu, op den weg.

êne : Kw. deze, dit [= iki].

ina : K.N. gebrek, lichaamsgebrek; zedelijk gebrek, misdaad; nalatigheid; onedel [= kurang [...]Naskah sobek. en cacad, Ml. [hina] Skr. hina, gebrekkig onedel]. inane dhewe, N., inanipun piyambak, K., zijn eigen schuld. margaina, de vrouwelijke schaamdeelen, moedermond. ina mripat, gebrek aan de oogen, oogziekte. -ngina, kleinachten, minachte. kaina, [...] iets verdacht of beschuldigd worden. -nginakake, iemand de schuld van iets geven, betichten. -kainan, nalatighaid; nalatig, onachtzaam.

ini : Kw. bode van een godheid [= kongkonan dewa].

--- 3 ---

uni : I. Kw. te voren, voorheen, eertijds [= rumiyin]. ing nguni, voormaals. wingi uni, de voorledene tijd, vroeger. II. N., ungêl, K., geluid, klank, het luiden; inhoud; b.v. unining layang, N., ungêling sêrat, K., de inhoud van een brief. -umuni, gew. muni, N., mungêl, K., geluid geven, luiden; inhouden. -ngunèni, iemand naar een geluid doen luisteren, iets dicteren. -ngunèkake, N., ngungêlakên, K., een geluid veroozaken, doen klinken, een klok luiden, het geschut lossen; hardop lezen. -unèn-unèn, N., ungêl-ungêlan, K., iets dat een geluid verwekt; de onderscheidene inhoud, b.v. van geschriften. -ngunèk-unèkake, iemand berispen.

enu : Kw. uitmunten, overtreffen; meer [= luwih].

anèh : K.N. [vrg. aèng, K.N.] vreemd, zeldzaam, aardig. tiyang anèh, een ongewoon mensch (iemand die zich door ongewone teekens aan het lichaam onderscheidt). anèh jalukan, een ongewoon verzoek. -nganèh-anèhi, bevreemden, vreemd en zeldzaam voorkomen; vreemd, bevreemdend.

inah : K.N. uitstel, geduld, uitstel van betaling; anjaluk inah, of anuwun inah, uitsten vragen, uitstel van betaling verzoeken. -nginah-[...], iemand uitstel verleenen. -nginahake, N., nginahakên, K., uitstellen, uitstel given.

aniaya : en ook, als of het een werkwoord met het voorzetsel ha ware, niaya of ook niyaya, K.N. mishandelen, onderdrukken (Ml. [aniyaya] Skr. anyâja, onbehoorlijkheid, ongeregeldheid, wanorde). dipun niaya, l.v. -niayani, iemand mishandelen, onderdrukken. -kaniaya, wreed, [Sd. kanyaya, wreed; kwellen, plagen, onderdrukken]. -nganiaya, mishandelen; dikaniaya, dipun kaniaya of kinaniaya, l.v. -panganiaya, mishandeling, wreede behandeling.

anon : zie ton.

anon-anon : K.N. benaming van een klasse van beambten in de dienst van den Soesoehoenan, die de belasting, Tak?r-toeroen genaamd, niet betalen. Tot deze klasse behooren de geestelijken, de schrijvers en de koop- en handwerkslieden in de dienst van den Vorst.

anir : zie nir.

inir : zie nir.

anor : zie sor.

enari : Kw. droefbeid, hartzeer [= prihatin].

anak : K.N. [putra, K.h., nam. als men van een kind van een meerdere spreekt] kind [in betrekking tot de ouders], hetzij zoon of dochter; ook jong van een beest [Ml. [anak]]. Anak lanang, zoom; anak wadon, dochter; anak kuwalon, stiefkind. -anak-anak, een kind baren, kinderen verwekken. -nganak, iemand kind noemen. -nganak-anak, vader van een kind zijn. -manak, K.N. telen, jongen werpen; N. [babar, K.] baren, van een vrouw. -nganaki, kinderen verwekken, in staat om kinderen te verwekken; iets nabootsen. -

--- 4 ---

nganakake, 1. een kind bij een vrouw verwekken; 2. op rente uitzetten; rente betalen. -kumanak, voortaelen, zich zelf voortplanten. kanak-kumanak, zich zeer vermenigvuldigen. -anakan, iets in het klein, een nabootsing van iets, namaaksel, copie van een geschrift, afschrift, ook. N. [vrg. uyahan, en bungahan] rente van een kapitaal. gunung anakan, N., rêdi anakan, K., een heuvel. sêgara anakan, N., sêgantên anakan, K., een kleine zee, zeeboezem. -anak-anakan, een pop, kinderpop; anak-anakan gadhing, een elpenbeenen pop. -Andere afleidingen zie men onder sanak, Zie ook kamanak.

ênêk : K.N. walgen, misselijk worden [hetzelfde als umor]. -munêk-munêk, op het punt zijn van over te geven [hetzelfde als mungkuk-mungkuk].

ênok : K.N. [vrg. êbèng en êndhuk] jong meisje, juffer.

enak : N. [eca, K.] aangenaam van smaak, smakelijk, welsmakend, lekker; gerust, rustig, op zijn gemak; raadzaam [Ml. [enak]] -ngenaki, N. [ngecani, K.] het een ander aangenaam of gemakkelijk maken. -menakake, of ngenakake, zich gemakkelijk maken. -kaenakan, N. [kaecanan, K., kanikmatan, K.N.] een aangename smaak; verversching. -kapenak, N. [sakeca, K.] zich aangenaam, wel gevoelen. -kapenakên, N. [sakecanên, K.] telekker. -ngapenaki, N. [nyakecani, K.] veraangenamend, verkwikkend. -ngapenakake, veraangenamen, verkwikken.

unadika : K.h.; ngunadika, bij zich zelf spreken [micara ing ati of ngandika salêbêting galih].

aniti titi : zie titi.

anis : zie nis.

ênas : zie nas.

aniwêh : Kw. bewaken, beschermen.

inawagata : Kw. dubbel, verdubbeld [= tinikêl].

ênal : K.N. de prop van een geladen [...]weer.

anala : 1. Kw. vuur, vurig [= latu en manah, Skr. anala, een naam van Agni of vuur]. -2. eign. van een Poenggåwå van vorst Soegriwå, den koning der apen, in de Råmå.

anila : 1. Kw. de wind [= angin, Skr. anila]. -2. eign. van een der hofgrooten van vorst Soegriwå, den koning der aper in de Råmå.

inalutan : Kw. zamenspanning, vereeniging.

inêp : N. [sipêng, K.]; nginêp, N. [sipêng of nyipêng, K.] overnachten. -nginêpi, N. [nyipêngi, K.] ergens of bij iemand overnachten. kainêpan, l.v. van de plaats, waar, of de persoon, bij wien men overnacht. -nginêpake, doen of laten overnachten. -panginêp, het overnachten. -panginapan, de plaats waar men overnacht.

anapon : z.v.a. pon.

ani-ani : zie êni.

êniyodi : eign. van de vrouw van Narådå.

anam : K.N.; nganam, bamboe vlechten. -anaman, vlechtwerk van bamboe.

--- 5 ---

anèm : zie nom.

anom : zie nom.

ênêm : zie nêm.

anamarawan : Kw. overeenkomst, contract, verbond, belofte [= prajangjean].

anoman : eign. van den neef en een der hofgrooten van vorst Soegriwå, den koning der apen, in de Råmå (Skr. Hanoemân).

ênêb : K.N.; ngênêb, inhouden, b.v. zijn gramschap; verzwijgen; zich weêrhouden; zich inhouden.

inêb : K.N. een luik, waarmeê een venster of deur gesloten wordt; het sluiten van een deur of venster. -minêb, digt, gesloten zijn. -nginêb, sluiten, digtmaken. -nginêbi, iets sluiten. kainêban, digtgemaakt, gesloten. -nginêbake, N., -kên, K., iets digtmaken, sluiten.

anèng : in poëzie voor ana ing.

ênêng : zie nêng.

êning : zie ning.

unang : Kw. gerucht. -unang-unang, een gerucht, dat zich overal, naar alle kanten verspreidt. -kaonang of kaunang, bekend, berucht, vermaard. -kaunang-unang, zeer, alom vermaard. -konangan of kunangan, K.N. bespeurd, betrapt worden.

uning : verkorting van uninga.

onang : z.v.a. onêng, -onang-onang, benamind van een wijze van spelen op de Gam?llan.

onêng : ook nêng, Kw. een groot verlangen, groote begeerte; droefheid. [= kangên].

uninga : K. [wêruh, N.] kennis; kennen, weten; gewaar worden, bemerken, zien. suka uninga, aparing uninga, nêdhani uninga, ngaturi uninga of ngunjuki uninga, kennis geven, berigten. -nguningani, K. [ngawruhi, N.] van iets kennis nemen. kauningan of kuningan, bekend, ter kennis gekomen of gebracht. -ngauningani, van iets kennis nemen. -nguningakakên, iemand iets aanwijzen, doen weten, opgeven, een zaak ophelderen. -NB. In plaats van uninga, wordt ook wel verkeerd muninga geschreven.

anco : K.N. een vischnet, dat aan een staak is vastgemaakt. -nganco, daarmeê visschen.

unce : K.N. bloemkrans. -ngunce, een krans van bloemen maken. -uncèn-uncèn, een bloemkrans.

êncèh : K.N. een soort van porseleinen waterpot.

incih : K.N. ngincih, op iets doelen; iemand zijdelings teregtwijzen, een waarschuwing geven. -ngincih-incih, herhaaldelijk iemand waarschuwen.

ancur : K.N. tot gruis gemaakt; lijm, stijfsel, cement. -ngancur, zamen lijmen. -ngancur-ancuri, iemand verklikken.

ancak : K.N. een vierkant van bamboe gevlochten mandje.

ancik : K.N. een optrap. b.v. van een stoep, een sport van een ladder. [De grondvorm is cik, zie ciki]. -ancik-ancik, een voetbank, voetstuk, onderstel. -ngancik, op iets treden. -nganciki, iets betreden, den grond met de voeten drukken. ingancikan,

--- 6 ---

l.v. van de plaats of den grond, die betreden wordt. -ngancik-anciki, iets onder de voeten zetton, onderschuiven, onderplaatsen.

êncik : benaming der Maleijers te Soerakarta [Te Batavia noemt men voorname inlanders, die men den titel van [tun], toean, niet geven wil, [êncik] of [êncik]]. wong êncik lan koca, Maleijers en Mooren.

uncêk : K.N. kleine boor, fret of els. -nguncêki, daarmeê boren, een gat in iets maken.

encok : K.N. zinking, jicht.

êncak ênci : K.N. uit vreugde allerhande bewegingen maken.

ancak agra : eign. van een Boetå.

êncot : K.N.; ngêncot, zich in allerhande bogten draaijen.

uncat : en nguncati, z.v.a. oncat en ngoncati.

oncat : K.N. zich uit den weg maken, ontsnappen, uitwijken, afwijken. -ngoncati, iets, b.v. een slag, ontwijken, ontduiken; zich door uitvlugten trachten te redden, uitvlugten maken.

uncal : K.N.; nguncali, werpen, iemand iets toewerpen, b.v. een touw. -nguncalake, N., -kên, K., werpen, iets naar iets toewerpen.

ancala : zie acala en cala.

onclang : K.N. in de hoogte werpen en weêr opvangen.

ancêp : K.N.; ngancêp, ietswasthechten, in iets steken; iemand in een post zetten. -ngancêpake, N., -kên, K., in den grond heijen; iemand in een post bevestigen.

incup : K.N.; ngincup, iets tusschen de vingers nemen.

ancog-ancog : K.N. I. steun, steunsei, schrang. II. lomp, boersch, onbeleefd. -ngancog-ancok, zich lomp gedragen, onbeleefds zijn.

incang : K.N.; ngincang, de wenkbraauwen ophalen, zich boos toonen.

èncèng : K.N.; èncèng-èncèng, een schuinsche rigting. -mèncèng, ook mencong, scheef. -pèncèng, scheef, schuinsch. -pencong, een schoffel waarmeê de grond gezuiverd wordt.

anuraga : zie bij kanuragan.

inuk : Kw. Turksch koren [= jagung].

unuk : eign. van een persoon, die in de zondvloed omgekomen is volgens de Ambiå.

anda : I. Kw. dronken, beschonken zijn. II. een oog; benaming van een soort van edelgesteenten.

ande : zie de, I.

êndi : N. pundi, K., wie, wat? welk, welke. ing ngêndi of ngêndi, N., ing pundi, of pundi, K., waar? alwaar. mênyang ngêndi, N., dhatêng pundi, K. waarheen? saka ngêndi of têka ngêndi, N., saking pundi, K., van waar? waar van daan? ing ngêndi-êndi of ngêndi-êndi, ing pundi-pundi, K., waar ook.

indu : I. K.N. Indisch; wong Indu, eer Indiaan; tanah Indu, Indiën. -II. Kw. schrift in goud gesneden of gegraveerd.

ônda : Kw. I. een edelgesteente [= sotya]. -II. wind [Het wordt ook verklaard door pêtêng, Skr. andha, duisternis].

--- 7 ---

andah : Kw. overtreffend, schoon, schtterend

andèh : z.v.a. andoh, zie adoh

endah : Kw. fraaij, schoon [= bagus en luwih, Ml. [indah] voortreffelijk, uitstekend], luwih dening endah zeer fraai, endah warni, schoon van gestalte, ayu endah, een schone vrouw

andèn : zie de, 1º

andon : Kw. zonder ophouden, gedurig voortgaan, aanboudend [zie ook don], andon rêsmi, zich aanboudend in mingenot vermaken - ngandon of ngêndon, iets zonder ophouden verrigten

andini : eign. der koe waarop Bathara Guru rijdt [Het wordt verklaard door sapi swarga, de hemelkoe, Skr. Nandi, vr. Nandini, eign. van den stier van Siwa.

andra : Kw. ronddwalen, omzwerven

endra : Kw. 1º. hoog, verheven, endrapati zeer, uitermate -2º. een berg, wanneer die uit de verte gezien wordt, volgens de Dasanama (= gunung) -3º. een vorst (= ratu) - 4º. eign. van Bathara Endra (Skr. Indra). endraloka of endrabuwana de verlijfplaats of wereld van Endra, Endra's hemel [= panggènaning Bathara Endra] - kaendran of kendran de woning of residentie van Bathara Endra [= kadhatone Bathara Endra, Skr. Indraloka, hetselfde], -endrasapa, wind; naam van een wapen; ook naam van een paard van Arjuna [Skr. capa, een boog], - endrakila, naam van een berg, waarop Arjuna als kluizenaar geleefd heeft (Skr. Indrakila, naam van een fabelachtigen berg; van kila, een staak, post, pilaar] - endrasara, naam van een wapentuig [vrg, sara] - endrajala, Kw. een vermetel booswicht, een koningsmoordenaar, een voornaam dief; een hemelsch wapentuig [=maling en panah, Skr. indrajala, misleiding, bedrog, krijglist

ôndra : Kw. overal; in menigte, -ôndrapati, zeer, uitermate -ôndrawina, vreugdebedrijf, feest [= gunêm sarta mêmanganan, vrg. drawina].

andêr : KN. benaming van een soort van dakspar of dakstut van een Javaansch huis.

undur : KN. achterwaartsche beweging, teruggang, terugdeinzing [Sd. Ml. id. l]. saunduripun, met zijn teruggang. - mundur, een achterwaartsche beweging maken, teruggaan, terugdeinzen. - ngundur, uit een betreking of post ontslaan, afzetten. -pangundur, afzetting. - ngunduri, terugzenden, iemand uit een post ontslaan. -ngundurake, N., -kên, K., iemand achteruit doen gaan; van iets afbrengen, iets afraden. -kondur of kundur, K. h. [mantuk, K., mulih, N.] terugkomen, te huis komen. - konduran of kunduran, K.h. naar zijn woning teruggebracht; K.N. een vrouw die in het kraambed overleden is. -undur-undur, K.N. een vijl; ook een soort van groote spin.

andaru : zie daru

undêran : K.N. he middenpunt van iets; de kop van een zweer; in een kriag, in de rondte.

indrajit : eign, van een zoon van zorst Dasamuka [Skr. Indrajit].

--- 8 ---

andik : Kw. vurige oogen; een driftig gelaat [= aningali kados duk].

anduk : Kw. naderen, nabij komen [Het wordt verklaard door angênani en anuduk, De grondvorm is duk, l.v. dinuk, Zie ook beneden]. - dumuk zie beneden.

andaka : zie daka

andika : 1º. Md. voornw. van den 2den persoon; zie: dika. 11º. K.h. [wicantên, K., cêlathu, N., atur, K.N.] het spreken, wat iemand zegt, gezegde, woord, andikaning nabi , het woord van een profeet. - sandika, al wat U zegt! zoo als U beveelt!. - nyandikani, tot iemand of op iets sandika, zeggen. -ngandika, zeggen, spreken. -ngandikani, tot iemand spreken, iemand aanspreken. ingandikan, aangesproken worden, gelast worden. -ngandikakake of -kên, hetzelfde [Dit wordt dikwijls als passief daarvan gebruikt, in den zin van gelast worden]. pangandika, het gesprokene, het woord, pangandikaning Allah, het woord van God. - mangandikani, tot iemand spreken, iemand toespreken. -mangandikakakên, over of van iets of iemand spreken.

andêl : K.N. geloof, vertrouwen. andêl-andêl, een steun, een persoon, waarop men zich verlaat. ngandêl, gelooven, vertrouwen. kandêl = kaandêl, iets ofiemand waarop men vertrouwen, waarop men zich verlaten kan. ngandêli, op iemand vertrouwen. ngandêlake, N. -kên, K., op iets vertrouwen. -andêlan, ligtgeloovig. -piandêl, grond van vertrouwen. -kumandêl, vertrouwend; vertrouwen.

andul : naam van een kruipgewas of slingerplant.

indêl : Kw. het stil zijn, zwijgen. -mindêl, stil zijn, zwijgen. -ngindêl, K.N. doen stollen, van olie of vet. -kèndêl, K. 1º. [lèrèn, N.] stil houden, ergens ophouden, uitscheiden, rusten; 2º. [mênêng, N.] zwijgen. -ngèndêli, ergens stilhouden, met iets uitscheiden, laten rusten; van een zaak zwijgen. -ngèndêlakên, doen stilhouden; laten uitscheiden; iemand tot staan brengen; doen zwijgen, tot zwijgen brengen.

indiya : z.v.a. indu, Zoo in nèdêrlan indiya, Nèdêrlandsch Indiê.

andum : zie dum.

andaga : Kw. met den voet tegen iets stooten. K.N. muiten, een opstand verwekken.

andang : N. in weêrwil van, niettegenstaande; desniettegenstaande [of Kw. vervolgens, daarna = tumuli, zie dang.

undang : K.N.; ngundang [nimbali, K.h.] roepen, ontbieden. -ngundangi, iemand roepen, uitnoodigen. kaundangan of kondangan, geroepene of uitgenoodigde personen. -pangundang, geroep

andong dhadhapan : eign. van een priester in Manik-Maya

anta : zie ta

anti : N., antos, K.; nganti, N. ngantos, K., 1º. wachten; 2º. tot aan toe. kanti, N.,

--- 9 ---

kantos, K., kantya, Kw., gewacht worden; en tot aan toe. -panganti, N., pangantos, K., het wachten. -ngantèni of ngêntèni, N., ngantosi of ngêntosi, K., op iemand of iets wachten, afwachten, opwachten. -ngantèkake, N., ngantosakên, K., doen of laten wachten, uitstellen. -panganti-anti, N., pagantos-antos, K., hoop, verwachting. -antenan, N., antosan, K., het wachten op elkander.

antu : K.N. 1º. een booze geest, spook [Sd. Ml. id.]. antu griya, een huisduivel. antu wana, een boschduivel. antu laut, een zeeduivel. 2º. het mannetje van een soort van stinkmuizen (Cêlurut) dat in den donker naar vuur gelijkt.

unta : K.N. een kameel [Ml. id., Sd. onta

untu : K.N. [waja, K.h.] tand, tanden [Sd. Ml. id.] untu ôndha, sport van een ladder.

ônta : K.N. water dat een flaauwen smaak heeft. -ôntakusuma, Kw. veelkleurig, bont; een uit driehoekjes van verschillende kleuren zamengestelde huis; naam van een huis, door Bathara Endra aan Arjuna geschonken, die dezen in staat stelde om te kunnen vliegen. -ôntasena, eign. van een zoon van Wrêkodara. -ôntaboga, eign. van den vorst der slangen, de Godheid van de zevende verdieping der aarde.

anut : Kw. volgen, zich naar iemand voegen, gehoorzamen. K.N. zich laten medevoeren, zich laten medeslepen, zich laten vervoeren, zich overgeven, involgen, opvolgen. Het grondwoordis tut. nog overig in tutwuri, tutwuntat en tutpungkur, Kw., tutwuri, N., tutwingking, K., achterna, achterop, volgen, aku tutwurinên. volg mij achterna [vrg. ook atut, tutut, tumut, en atut ]. -manut, zich voegen, volgen; een model, en raad volgen. -ngênut, een voorbeeld of voorschrift volgen. -katut, medegesleept, medegevoerd worden. katutan, hetgeen waardoor iets meegevoerd wordt. -patutan, een persoon, dien men volgt, voorganger, leidsman, raadsman.

antianta : =atianta, zie ati

intên : K.N. edelgesteente, juweel, diamant [Sd. Ml. id.]. intên bum, een edelgesteente van een donkeren glans.

ontên : zie ana

untar : Iº. K.h. [wudun, K.N.] puist, zweer, bloedvin. -untarên, bloedvinnen hebben. IIº. Kw. het vlammen van vuur. -untar-untar, brandend heet

untir : K.N.; nguntir, draaijen, verdraaijen, omdaaijen, b.v. den hals, wringen.

antara : N., antawis, K., tusschen beiden; tusschenruimte, tusschentijd; gissing, meening; ook antara, Kw. het luchtruim [=awang-awang, Ml. Skr. id.]. wis antara, N., sampun antawis, K., reeds een geruimen tijd. tan antara dangu, Kw., botên antawis dangu, K., niet lang daarna. saantara, N., saantawis, K., naar gissing. -kaantara, N., kaantawis, K. naar gissing, ongeveer geschat. -ngantarakake, N., ngantawisakên, K., een tusschenruimte van tijd voor iets stellen.

--- 10 ---

antariksa : of ôntariksa, Kw. het uitspansel [Skr. antarixa]. ngôntariksa, in de hoogte, hoog.

ôntarêja : eign. van een zoon van Wr?kodårå.

êntrag : K.N. houding, gedrag.

antuk : Iº Kw. verkerijgen, erlangen, bekomen. Lagyantuk kalih tèngsu, juist kreeg het twee maanden; d.i. er waren juist twee maanden verloopen. -pikantuk of pakantuk, K. [pakolèh, N.] verkrijgen, erlangen, bekomen, magtig worden; bevindingvan een zaak; nut; overdragtelijke beteekenis van een woord. -mikantuki, K. [makolèhi, N.] baten. -makantukakên, of mikantukakên, doen verkrijgen, doen erlangen; op een voordeelige wijze aanleggen, in orde brengen. IIº K. [ulih, N.] terugkomst, tehuiskomst. -mantuk, K. [mulih, N., kondur, K.h.] terugkomen, te huis komen, naar huis keeren; tot een vorigen staat terugkeeren. -ngantuki, terugzenden, naar huis zenden. -ngantukakên, doen terugkeeren; naar huis geleiden, naar huis brengen; teruggeven.

êntèk : N. [têlas, K.] ten einde, opzijn. -ngêntèk, N. [nêlas, K.] opmaken, niets overlaten. -ngêntèkake, N. [nêlasakên, K.] iets geheel opmaken, niets laten overschieten.

antaka : Kw. flaauwte; dood [= mati, of pêjah, Skr. antaka, een naam van JAMA, den vorst des doods. Vrg. taka]. prapta ing antaka, in een flaauwte gevallen, gestorven zijn. -kantaka, in een flauuwte gevallen [= kalêngêr, of kalêmpêr].

êntut : K.N. [sarib, K.h.] een veest, wind. -ngêntut, een wind laten. -kapêntut, bij het bukken onder een last een wind laten.

antos : zie anti

êntas : N. [ook lagi, N., sawêg, K.] pas, zoo even, kortelings. -mêntas, K.N. pas, zoo even, kortelings; uit het water stijgen, aan wal gaan. -ngêntas, iets uit het water ophalen, aan wal brengen; uit het vuur halen; opruimen; een meisje uithuwelijken. -ngêntasi, iets opruimen. -êntasan, de plaats, waar men uit een vaartuig aan wal stapt, landingsplaats.

antawis : zie antara

antal : K.N. langzaam. -antal-antalan, zeerlangzaam. -ngaptalake, langzaam maken.

antol : K.N. de onderlage van een ledikant, van een rustbank, enz.

êntul : K.N. een lokker, lokaas.

untal : K.N.; nguntal, door de keel slikken, inslikken, opslikken. -nguntali, iets opslikken. kauntalan, iets dat men door de keel geslikt heeft.

antêlu : zie têlu

luntêl-luntêlan : K.N. zamengewikkeld, gerold.

antêp : K.N. vast, zeker; trouw [De grondvorm is têp, van daar ook têtêp]. -ngantêp, iemand iets stellig afvragen, sterk op iets aandringen. -kantêp, vast, onbeweeglijk, onverzettelijk. -ngantêpi, bij iets glijven; vast op iets staat maken. -mantêp, standvastig, [standvas...]

--- 11 ---

[...tig,] getrouw; vast op iets staan. -kaantêpan, of kantêpan, getrouwheid, standvastigheid.

antup : K.N. de angel van een bij, scorpioen, enz. -ngantup, met den angel steken. -ngantupi, meervoud.

intip : K.N. iets dat zich op den bodem van een pot vast zet; het onderste van iets [Sd. korst, zoo als van gebak]. -ngintip, 1º. aanbranden van spijzen in een pot. -2º. door een gat kijken; naar iets luisteren, iemand begluren [Sd. id.]

untap : K.N. iemand vergezellen. -untap-untapan, velen die op elkander volgen, achter elkander gaan. -nguntapakên, iemand achtervolgen met het oogmerk om hem kwaad te doen; iemand dooden.

êntyarsa : Kw. uitgeput, krachteloos, gevoelloos.

antiga : zie tiga

antêb : K.N. zwaar, wigtig (van een last). -ngantêb, iets zwaar maken; b. v. ngantêb ambithi, een zwaren vuistslag geven. -ngantêbi, op iets of iemand iets zwaars neêrwerpen. -ngantêbake, N., kên, K., iets zwaars op iets neêrwerpen of laten neêrvallen.

untab : K.N.; muntab, aanhoudend te voorschijn komen. -untaban, velen die aanhoudend te voorschijn komen.

antêng : K.N. weinig beweging maken; stil, zedig, bedaard.

ênting : N. [vrg. êntèk] ten einde, op zijn. -ngênting, op maken.

unting : K.N. aan een touw geregen; een tros, bos. -untingan, een benaming voor een wijze van het te droogen zetten van de padi.

untung : Ml. Sd. winst, voordeel. -kauntungan, K.N. voordeel, geluk, voorspoed, welvaart.

anting-anting : K.N. oorring, een klein versiersel in de ooren [Sd. Ml. id.].

ontang-anting : K.N. een eenig kind.

unus : K.N.; ngunus, uit de schede trekken, b.v. een zwaard.

andhe : zie angdhe

êndha : K.N. verzuim, verwaarloozing. -ngêndhakake, N., -kên, K., verzuimen, verwaarloozen [Zie ook onder êndhak].

indha : K.N. zich naar één zijde buigen. -ngindhani, iets, b. v. slagen of steken, ontduiken.

undha : K.N.; ngundha, iets in de hoogte werpen en weêr opvangen; een vogel aan een touw laten vliegen en weêr naar zich toe trekken. -undha-usuk, verdieping; trapsgewijze; naar gelang, naar evenredigheid van. -ngundha-usuki, overtreffen.

undhi : K.N. ngundhi, z. v. a. undha, ngundha, -undhi umbul, een bal waar kinderen meê spelen, een kaatsbal.

ôndha : K.N. ladder. -ngandhani, op een ladder klimmen.

ondhe : K.N. voorbeeld, model.

andhih : of êndhih, K.N.; ngandhih, of ngêndhih, iemand van een plaats verdringen, een plaats doen verlaten; uit een post ontzetten. kandhih, lijd. vorm.

êndhih : zie andhih

undhuh : K.N.; ngundhuh, bloemen of vruchten plukken; [pluk...]

--- 12 ---

[...ken;] vogelnestjes uithalen. ngundhuh mantu, een schoondochter plukken. Zoo wordt de eerste ontvangst van een schoondochter in het huis der ouders van den jong getrouwden man genoemd. -pangundhuh, het plukken. -ngundhuhi, zich met het plukken van bloemen of vruchten bezig houden.

ondhan : K.N. uitrusten.

andhan-andhan : K.N. lang golvend haar.

andhèr : K.N. in reijen geschaard zitten; in groote menigte op een plaats verzameld zijn.

êndhak : K.N. krom gebukt; zich bukken, een onderdanige houding toonen. -mêndhak, zich inschikkelijk betoonen; ook benaming van den ring onder aan het gevest van een kris [vrg. uwêr] mêndhak-mêndhak, zich aanhoudend bukken, zich zeer onderdanig toonen. -ngêndhakakên, iemand doen bukken, tot onderdanigheid dwingen [Zie ook onder êndha].

êndhuk : K.N. [vrg. êbèng, en ênok] een jong meisje, juffer.

êndhèk : of èndhèk, N. [andhap, K.] laag, nederig; laagland. -kèndhèk, overwonnen, ten onder gebracht.

indhak : zie undhak.

undhak : N., indhak, K., vermeerdering, toevoeging, opslag, verhooging, b. v. van pacht. -mundhak, N., mindhak, K., vermeerderen, toenemen, vorderen. mundhak-mundhak, N., mindhak-mindhak, K., gedurig toenemen, groeijen. -ngundhaki, N., ngindhaki, K., iets vermeerderen, aan iets toevoegen, vermenigvuldigen. -ngundhakake, N., ngindhakakên, K., vermeerderen, verhoogen. -undhakan, N., indhakan, K., toevoegsel. -undhak-undhakan, K.N., ook wel indhak-indhakan, K., trap; graad.

undhuk : K.N. 1º. het stuk hout, waaraan een schaaf vastzit. - 2º. schaduw; een schut-dak, waaronder zich personen bevinden, om bij het spietsen van een tijger dezen aan te porren, wanneer hij op de hem aangelegde lansen niet wil inloopen. -3º. naam van een zeevisch.

èndhèk : zie êndhèk.

andhaku : K.N. zich door list of geweld iets toeëigenen.

andhut : K.N.; ngandhut, iets op den buik onder den gordel of het kleedje dragen; een zaak geheim houden. kandhut= kaandhut, lijd. vorm. -kandhutan, een kind in den moederschoot.

êndhut : K.N. leemaarde, slijk, modder; de hel der Boedisten.

indhit : K.N.; ngindhit, iets onder den arm dragen.

undhat : K.N.; ngundhat-undhat, wijten, verwijtingen doen, berispen. -pangundhat-undhat, verwijting, tegenwerping, tegenbedenking.

êndhas : N. [sirah, K., mastaka, K.h.] het hoofd [In Kawi ook dhas, hetgeen dus de grondvorm schijnt te zijn]. K.N. de kop van een beest. -tawon êndhas, of tawon dhas, K.N. een groot soort van bijen, hommel.

èndhèl : Kw. achter iemand gaan; een bediende [= pangiring].

andhap : K. [êndhèk, N.] laag, nederig [Sd.

--- 13 ---

id. In Kawi ook dhas, hetgeen dus de grondvorm schijnt te zijn]. ing ngandhap, of ngandhap, en sangandhap, K. [ing ngisor, of ngisor, en sangisor, N.] onder, beneden. kaandhap, of kandhap, en kaandhapan, of kandhapan, K. [kasor, en kasoran, N.] te onder gebracht, overwonnen. -ngandhapakên, K. [ngêndhèkake, N.] verlagen, lager maken; [ngasorake, of ngêsorake, N.] verlagen, vernederen. -pangandhap, hij die onder een ander staat, in rang op iemand volgt. -mangandhap, K. [mangisor, N.] naar beneden, benedenwaarts, nederwaarts. -andhapan, een laag, verachtelijk voorwerp, als: een varken, een hond. -andhap-asor, K.N. nederig, ootmoedig, demoedig [Sd. id.].

andhêpès : N. over iets heên leunen [vrg. dhêpès].

êndhêm : N.; ngêndhêm, tegen iemand een wrok hebben. -êndhêm-êndhêman, tegen elkander verbitten zijn.

andhêmi : K.N. regt voor iets uitkomen, zonder omwegen, rondborstig. -ngandhêmi, geheel op iets of iemand vertrouwen; zich door niets aan iets laten hinderen.

ôndhamoi : benaming van een rang bij de vroegere Javanen.

andhêman : K.N. de kuil tusschen de twee borsten van een vrouw; de horst van een beest.

andhêg : K.N. het stilhouden. -mandhêg, stil houden, staan blijven. -ngandhêg, doen staan, weêrhouden; goederen of personen aanhouden. kandhêg, door iets tegenghouden, gestuit worden; ophouden, stil houden. botên mawi kandhêg, onophoudelijk. kandhêg kampiran, zie bij ampir, -pangandhêg, aanhouding, enz. -ngandhêgi, iemand tot staan brengen, ophouden, in den loop stuiten, in den we treden. -andhêg-andhêg, iets waartegen men stuit; dwarsboom, sluitboom.

êndhog : N. [tigan, K.] ei, eijeren [Sd. id]. êndhog iwak, N. [tigan upam, K.] kuit van visch. -ngêndhog, N. [nigan, K.] een ei, eijeren leggen.

undhagi : K.N. houtwerker, timmerman. -ngundhagèni, bekwaam zijn tot iets.

êndhêg-êndhêg : K.N. hef, droessem.

indhang : of endhang, K.N. bij iemand een bezoek afleggen. indhang-indhang, of endhang-endhang, herhaaldelijk bezoeken afleggen. -ngindhangi, of ngindhangi, dikwijls bezoeken.

indhing : K.N. een stuk linnen, dat de vrouwen bij haar maandelijksche reiniging gebruiken.

indhung : K.N. een vrij mensch, burger. wong ngindhung-indhung, vrije lieden, burgers, de burgers. ngindhung, als vrij man, als burger leven. -pangindhung, een vrij man, burger. -ngindhungi, ergens als vrij man of burger gaan leven.

undhang : K.N. algemeene last, algemeen bevel [Ml. id.] undhang-undhang, proclamatie, publicatie. aundhang-undhang, proclameren, een proclamatie houden. layang undhang, of layang undhang-undhang, N., sêrat undhang, of sêrat undhang-undhang, K., een open bevelschrift, schriftelijke proclamatie, publicatie. -kondhang, of kundhang, Kw. algemeen

--- 14 ---

bekend, vermaard [=kasuwur ing akèh]; ook steun, toeverlaat. kinundhang-kundhang, overal bekend gemaakt. -ngundhangi, gelasten, bevelen, aan velen. -ngundhangake, N., -kên, K., een bevel algemeen bekend maken.

undhung : K.N. opeenstapeling, ophooping. -ngundhung-undhung, opstapelen, ophoopen. -undhung-undhungan, stapel, hoop.

endhang : K.N. 1º. zie indhang, 2º. de vrouwelijke bediende van een Panditå, een vrouw die een afgezonderd leven leidt, een non [para nyaining pandhita].

endhong : K.N. iets dat over den schouder gedragen wordt, als. een degenkoppel, pijkoker.

andhungan : K.N. iets dat men oplegt om te bewaren, voorraad.

andhêng-andhêng : K.N. zwartevlekopde huid, doodvlek.

inja : K.N. uitslag op het hoofd.

onjo : Kw. hoog, boven; overtreffen, te boven gaan.

ônja-ônja : K.N. op het hoofd staan met de voeten naar boven; een soort van kleine Boetås. -ngônja-ônja, op de handen loopen, met de beenen omhoog.

anjrah : Kw. in menigte op den grond verspreid liggen [= warata, De grondvorm is jrah].

unjaran : K.N. vrij, los, ongebonden. -unjar-unjaran, een gevangene transporteren, zonder hem te binden.

unjuk : Iº. K.h. [atur, K.N.] voorstel, aanbieding, aanbod, mededeeling; het zeggen; wat iemand zegt, tot een aanzienlijke [Ml. id.]. -munjuk [matur, K.N.] spreken, zeggen. -konjuk [katur, K.N. Jaangeboden; aan.- ngunjuki, aanbieden, mededeelen. ngunjuki uninga, kennis geven. -ngunjukakên [ngaturakên, K.N.] iets aanbieden, voordragen, indienen; iemand voorstellen, aandienen. -paunjukan [paturan, K.N.] een schriftelijke verklaring. -unjuk-unjuk [atur-atur, K.N.] geschenk; geschenken aanbieden. -unjuk-unjukan, hetgeen men aan iemand aanbiedt. IIº. K.; ngunjuk [ngombe, N.]. drinken. -ngunjuki, iemand te drinken geven, drenken. -ngunjukakên, [ngombèkake, N.] iemand iets laten drinken. -unjuk-unjukan [ombèn-ombèn, N.] een drank. -pangunjukan [pangombèn, N.] drinkbeker, kop om uit te drinken, karaf. Een karaf, pangunjukan, genaamd, in een gouden of zilveren kom, behoort tot de onderscheidingsteekenen van den vorst, de prinsen en de voornaamste ambtenaren.

ênjêt : N. [apu, K.] kalk; fijne toebereide kalk, die bij de sirih gebruiktwordt. -ngênjêti, iets met kalk bestrijken, b. v. een sirih-blad.

onjotan : K.N. een pleisterplaats. -onjot-onjotan, vaudeeene naar de andere pleisterplaats.

Injil : Ar. Injiil het Evangelie. kitab injil, K.N. het boek der Evangeliën, het Nieuwe Testament.

unjal : K.N.; ngunjal, een nest maken; dikwijls op dezelfde plaats verschijnen, van den een op den ander overgaan. -ngunjal ambêkan, een zucht slaken.

--- 15 ---

anjola : K.N. van schrik of onsteltenis opvliegen [zie jola].

anjêlok : K.N. van een hoogte afspringen.

anjum : z. v. a. ngêjum.

anjog : K.N. ergens op uitkomen, op uitloopen, b. v. van een weg of van een water; tot, naar.

enjing : K. [esuk, N.] vroeg in den morgen, de ochtend. ing ngenjing, in de vroegte. wayah enjing, de morgenstond. kala wau enjing, heden ochtend. sabên enjing, elken morgen. benjing-enjing, morgen vroeg, morgen ochtend. dintên enjingipun, de volgende dag. enjingipun, of ing ngenjingipun, des anderen daags 's morgens.

anjang-anjang : K.N. latwerk, staketsel.

ênya : N. tusschenw. komaan! welaan! ziedaar!

ênyu : zie nyu.

inya : K.N. zoogvrouw, min.

anyar : N. [enggal, K.] nieuw, versch [Sd. id.]. wong anyar, een nieuweling, vreemdeling. anyar-anyar, nieuwwelings, kortelings. -anyaran, onverwachts, plotseling. -panganyar-anyar, vernieuwing: benaming van het geld (gewoonlijk een half jaar pacht), dat, wanneer een dorpshoofd door zijn zoon wordt opgevolgd, door dezen aan den Loerah-tabon betaald wordt. -nganyarake, nieuw maken, vernieuwen.

anyut : Kw. wegdrijven, verloren gaan [Ml. [hanyut]. -nganyut, iets laten drijven, wegwerpen. nganyut tuwuh, een einde aan zijn leven maken door zich te laten uithongeren of op dergelijke wijze.

ênyêt : K.N. met de vlakke hand op iets drukken. -ngênyêt-ênyêt, gedurig drukken.

anyêp : K.N. koud, koel, frisch. banyu anyêp, koud, frisch water.

anyang : naam van een boom waarvan de wortels tot medicijn dienen. -nganyang, N. [ngawis, K.] bieden, dingen. -panganyang, N. [pangawis, K.] iemand die afdingt.

inyong : ik, mij; wij ons. Dir voornaamwoord is alleen in de westelijke districten, vooral ing Bagelen en Banyumas, in gebruik, en wordt gerekend tot het Ngoko te behooren. Zie de Spraakkunst.

unyêng-unyêngan : een merkteeken in het haar der paarden, bestaande in een scheiding van het haar, zoo als op den kruin van 's menschen hoofd. Er zijn verschillende benamingen voor zulke teekens naar de verschillende plaatsen waar zij zich bevinden. De Javaan hecht er een goede of slechte beteekenis aan.

inum : Kw. of K.N.; nginum, drinken [Sd. id. Ml. miinum]. -inuman, drank, zoo als wijn, jenever, enz. [Sd. id.].

anugraha : zie nugraha.

egtheenthe. : een soort van lansen.

anthuk : K.N.; manthuk, met het hoofd knikken. manthuk-manthuk, bij aanhouedendheid met het hoofd knikken. -nganthuki, iemand met het hoofd knikken. -nganthuki, iemand met het hoofd toeknikken.

ênthik : K.N. een kind. -ênthik-ênthikan, de pink, kleine vinger.

inthuk : K.N. Iº. een staljongen, die het geringste werk verrigt; een gemeen mensch.

--- 16 ---

IIº. dik, vet, zwaarlijvig. -minthak-minthuk, of minthuk-minthuk, zich vet mesten.

unthuk : K.N. schuim van water. -munthuk, schuimen.

ênthok ênting : K.N. een groot hoofd op een klein lichaam, een soort van dwerg.

inthil : benaming van een gebak van rijstmeel gemaakt.

ênthung : K.N. de pop van een rups.

ènthèng : K.N. ligt, niet zwaar, gemakkelijk, om te dragen; zich dragelijk, wel gevoelen. -ngènthèngake, iets ligt, gemakkelijk maken.

enthong : K.N. een rijstlepel.

ênthêng-ênthêng : K.N. zwoel, warme, drukkende lucht.

anung : zie nung.

eca : K. [enak, N.] aangenaam vansmaak, welsmakend, lekker; gerust, rustig, op zijn gemak; raadzaam. -ngeca-eca [ngenak-enak, N.] regt op zijn gemak; zich regt op zijn gemak zetten. -ngecani [ngenaki, N.] het een ander aangenaam maken. -sakeca [kapenak, N.] zich aangenaam, wel gevoelen. botên sakeca, zich onwel gevoelen. -sakecanên [kapenakên, N.] te lekker. -nyakecani, [ngapenaki, N.] veraangenamend, verkwikkend. -kaecanan, K. [naenakan, N., kanikmatan, K.N.] verversching.

ece : K.N. een soort van mossel.

uci-uci : K.N. een gezwel aan het lichaam.

icir : K.N. 1º. bij kleine deelen, weinig. -2º. fuik, vischkorf.

acara : zie cara.

êcrah : zie crah.

ocar-acir : of kocar-kacir, K.N. vermorsen, verkwisten; verkwistend. -ngocar-acir, verkwisten, vermorsen, op den grond gooijen.

acak : K.N.; ngacaki, aanstroomen, tegen iets aanstroomen.

ucik : K.N.; ngucik, reeds ontvangen hebben, maar nog meer eischen.

êcis : zie cis.

ical : zie ilang.

icul : zie ucul.

ucal : ongebruikelijk; ngucali, K. [ngulati, N., ngulari, K.N.] zoeken, naarietszoeken. -ucal-ucalan, tweepersonen, dieelkanderzoeken.

ucul : K.N. los, niet vast. Men zegt ook, doch zeldzamer, icul. [Beide zijn verlengde vormen van cul, vrg. cucul]. ucul gêdhong, benaming van een kind, als het veertig dagen oud geworden is, omdat het dan niet meer gezwachteld wordt. -ngucul, los gaan, los komen, ontsnappen. -nguculi, losmaken, ontbinden, slaken; op iemand een pijl doen losgaan. -nguculake, N., -kên, K., los laten, beesten los laten loopen.

acala : Kw. berg [Skr. acala, een berg, eigonbeweeglijk]. ing acala, op een berg [Het woord wordt ook, doch minder goed, ngacala, geschreven, daar dit eig. een verkorting van ing acala is; ook, alsof de a een voorzetsel ware, dat niet wezenlijk tot de beteekenis van het woord vehoorde, cala. Anderen schrijven verkeerd ancala, of ook ngancala. Cala, en ancala, wordt beide door gunung verklaard.

--- 17 ---

ucal-ucal : en ucal-ucalan, zie olah.

êcap : zie cap.

ucap : K.N. taal, spraak, verhaal [Ml. id.]. -ngucap, spreken, verhalen, aanspreken. kaucap of kocap, gesproken, verhaald. -pangucap, het spreken; aanspraak. -pocapan, personen, die met elkander spreken; zamenspraak, gesprek. -ucap-ucap, blaam. -ngucap-ucapake, N., -kên, K., iemand in opsraak brengen, blameren.

acum : K.N. verbleekt, vuil van kleur. Men vindt ook cum.

acêng : K.N. stijfheid, van het membrum virile [vrg. kacêcêng]. -ngacêng, stijf worden.

ucêng : K.N. naam van een soort van kleine visschen. -ucêng-ucêng, een lemmet, pit in een lamp; een lont. -ngucêng-ucêngi, van een lamppit voorzien.

acungan : K.N. een agent, gemagtigde.

hru : Kw. een pijl [= panah, of jêmparing, ook= runtik, Vrg. êru, en ru]. -hrudaksana, naam van een wapen van Wisnu.

èr : Kw. Iº. water [= nganyu]. èrtawa, helder, drinkvaar water. -èrnawa, de zee, oceaan [= sagantên]. -ngèrnawa, of mangèrnawa, naar de zee gelijken. IIº. edelgesteente. èr kêmbang, èr laut, èr bumi, èr gni, èr thathit, benamingen van verschillende soorten van edelgesteenten. IIIº. wachten [= anganti]. èr rên, gebiedende wijs.

or : K.N. een tegenzin in iets hebben.

ari : Kw. Iº. jongere broeder of zuster [= adhi, zie ri, IIº.] IIº. vorst, vorstin [= ratu, zie ri, IIIº.] IIIº. de dag [= dina, Ml. hari; Skr. hari, de maan, de zon. Vrg. ri, IIº.]. Bathara Ari, de Batårå van den dag, d. i. Batårå Surya, de Zon. -arimurti, bijnaam van Krêsna als incarnatie van Wisnu [namanipun Bathara Wisnu, Skr. hari, schoon, fraai, en murti, lichaam, gestalte]. -arinadamah, zie nadamah, -ariloka, en aribawana, of arubuwana, de tijd hirnamaals, de eeuwigheid; het rijk des lichts, de toekomende wereld, de hemel [= panggènaning Bathara Guru, swarga].

are : K.N. opene vlakte [Sd. id.] -ngare, opene, vlakke grond.

êri : zie ri.

êru : K.N. iets met drift verrigten; zich ligt over iets boos maken; gulzig zijn in het eten [= srêngên, duk, en runtik, ook= jêmparing, Vrg. hru en ru].

ira : een aanhechtsel aan naamwoorden, dat den tweeden of derden persoon van het bezittelijk voornaamwoord uitdrukt. Zie sira.

iri : Iº. Kw. dáár, ginds. IIº. K.N.; ngiri, sterk op iets aandringen, iemand aansporen, aanmoedigen.

ura : K.N. overal, naar alle kanten verspreid [= warata]. -ngura, zich naar alle kanten verspreiden.

ure : K.N. los van elkander, niet zamen verbonden [ver...]

--- 18 ---

[...bonden] [Ml. [urai]]. mas ure, stofgoud. rema ure, loshangend baar. -ngure, los laten hangen, b. v. het haar. -urean, iets dat los van elkander hangt, niet zamen verbonden is.

ora : (hora), ook wel, vooral in poëzie, nora, N. [botên, K.] neen, niet. ora-orane, [botên-botênipun, K.] volstrekt niet. aja tan ora, [sampun tan botên, K.] het moet volstrekt. ora nganggo, [botên ngangge, K.] niet gebruiken; zonder. api ora, ontveinzen, voorgeven iets niet gedaan te hebben, iets niet weten. oraa, (orahå) hoe komt het toch? oranana, z. v. a. ora ana, met tusscheningewoegden. -ngorakake, verijdelen, ontveinzen. -ora, moet eigenlijk, gelijk de uitspraak ook bewijst, orak, geschreven worden. Van hier ook het verkorte rak, N. [botên, K.] niet? is het niet? immers.

ori : K.N. een soort van bambu met doorns.

arah : N. [angkah, K., purih, K.N.] streven, begeerte, verlangen; toeleg, oogmerk, doel [= sêdya]. -ngarah, beoogen, het op iets toeleggen, streven, trachten, pogen. -pangarah, het streven, poging, toeleg. -ngarahi, naar iets streven, trachten, begeeren, verlangen. -ngarah-arahi, zeer naar iets streven, verlangen, alle pogingen in het werk stellen. -arahan, het voorwerp, waarnaar gestreefd wordt; roofgoed, tot de oorlogsdienst gepreste manschappen.

arih : ongebruikelijk [De grondvorm is rih, Vrg. ririh]. -pangarih, K.N. 1º. vertroosting, opbeuring. 2º. een koppelaar of koppelaarster. Zoo wordt ook de vrouw genoemd, die de bruid naar de bruidskamer geleidt, en vervolgens ook den bruidegom noodigt daarheen te gaan. -ngarih-arih, bedaren, bevredigen, stillen, liefkozen, vertroosten. -pangarih-arih, troost. -ngarih-arihi, sussen.

aruh : ongebruikelijk. ngaruhi, en gew. ngaruh-aruhi, K.N. iemand aanspreken, toespreken.

êrah : zie rah.

êrèh : zie rèh.

êroh : zie roh.

uruh : K.N. schuim. -muruh, schuimen, schuimbekken.

eruh : zie eroh.

eroh : of eruh, K.N. weifelend, besluiteloos, verlegen.

orèh : Kw. schudding, beweging.

ara-ara : K.N. een vlak open veld, onbebouwde vlakte; heide, woestijn, wildernis.

ara-uru : of ura-uru, Kw. verward; onstuimig; uit elkander loopen [Sd. uru-ara, en Ml. [hiru-hara], verwarring, oploop; vrg. ruara].

ari-ari : of ariyari, N. de nageboorte [Sd. de baarmoeder; tali ari-ari, de navelstreng].

aru-ara : zie ruara.

ura-ura : K.N.; ngura-ura, een deuntje zingen, zingen. -uran-uran, een deuntje, gezang, lied.

ura-uru : zie ara-uru.

êrèhning : zie rèh.

--- 19 ---

ariaya : zie riaya.

aran : in poëzie ook ran, N. [ook jênêng, N.; nama, en wasta, K.] naam. -ngaran, noemen. karan, en ingaran, genoemd worden, genoemd. -ngarani, noemen, een naam geven. kaaranan, bij zijn naam genoemd worden.

arèn : K.N. de Aren of palmboom.

irèn : K.N. iets van zich afschuiven, op een ander overdragen.

urun : K.N. met iemand in iets deelen of deelnemen; bijstand bieden. -nguruni, bijdragen. -urunan, deelgenoot, compagnon.

èrên : Kw. ik, mij; wij, ons.

arina : Kw. het wijfje van den reebok, een hinde [= kidang, Skr. harina, een hert].

arini : eign, van een Widådari.

aruna : Kw. de zon [= srêngenge, Skr. Arina, een naam van de zon].

erunatiki : Kw. beest, beesten.

èrnawa : zie èr.

arcamana : Kw. het gezigt wasschen.

urur : Kw. een lang uitgestrekte wolk, volgens de Dåså-nåmå [= mega].

arka : Kw. de zon [Skr. arka]. Hyang Arka, de Zonnegod.

arak : Iº. K.N. een geleide [Ml. statelijke optogt, statelijke begeleiding of inhaling]. -ngarak, geleiden, vergezellen. Zoo noemt mende optogt, waarbij de bruidegom naar het huis der ouders van de bruid begeleid wordt, om deze afte halen. -pangarak, begeleiding. -arak-arakan, in troepen op elkander volgen. IIº. N., awis, K., een sterke drank van stroop of de melassen van suiker en ketan bereid, arak [Sd. Ml. id.].

êrak : of erak, K.N. een heesche, schorre stem hebben; heesch, schor.

urak : K.N. de uitvaardiging van een bevel; een wachtbriefje, wachtlijst. -nguraki, bevel geven. -urakan, een gemeen mensch, ietmand van de laagste klasse. -pangurakan, benaming van den Noordkant buiten de Alunalun.

urik : K.N. een dunne ijzeren stang, waarmede men iets uitholt.

erak : zie êrak.

orak-arik : K.N.; ngorak-arik, alles door elkander werpen.

arda : Kw. 1º. zeer, uitermate, buitengemeen [= kaliwat]. -2º. kwaad, ondeugend, stout [vrg. rêda] -ardacôndra, benaming van een slagorde in de Bråtå-yudå. -arda dêdali, naam van een soort van pijlen. -ardawalika, naam van een gouden vogel met een slangekop, die tot de vorstelijke staatsie behoort; en eign. van den vorst der slangen.

ardi : zie rêdi.

urdi : Holl. order, last, bevel [= pangaja].

irid : K.N.; ngirid, voorgaan om iemand den weg te wijzen; begeleiden, leiden. -pangirid, voorganger, begeleider, leider, aanvoerder, voorpost; het begeleiden. apa ngirid, met begeleider zijn; begeleider hebben. rata apa ngirid kapal sakawan, een wagen met vier paarden er voor.

ardana : Kw. schatten, gereed geld.

urdênas : Europ. ordonnans.

--- 20 ---

ardacôndra : zie arda

hrudaksana : zie hru.

arda dêdali : en arda walika, zie arda.

ardaya : Kw., droefheid.

arta : K.N. schatten, rijkdom, bezittingen; ook [dhuwit, N., yatra, K.] geld [=kawibawan, Sd.Ml. id.; Skr. artha].

arti : N., artos, K. meening, beteekenis, begrip [Ml, id.; Skr. artha]. -ngêrti en mangêrti of mangarti, N., ngêrtos, mangêrtos, of mangartos, K., begrijpen, verstaan. -pangarti, N., pangartos, K., verstand, begrip. -ngêrtèkake, N., ngêrtosakên, K., te verstaan geven, verklaren.

arit : K.N., een grasmes, een groot krom mes, een soort van snoeimes of zeis, dat tot snijden van gras en andere dingen gebruikt wordt. arit bapang, een groot soort van kapmes. -ngarit, met een Arit gras snijden. -ngaritake, N., -kên, K., gras voor paarden of andere beesten snijden. -pangarit, een grassnijder.

irit : K.N. bij kleine deelen.

urat : K.N. 1º. een pees [Sd. Ml. id.]. -2º. de schaamdeelen [Ar. Ml. urat].

urit : K.N.; nguriti, bezaaijen met rijst, zoo als die nog in de aren zit. -uritan, eijeren, vóórdat zij gelegd zijn; een zwangere vrouw; rijstveld dat nog niet beplant is.

urut : K.N., 1º. langs, in een regte lijn. -2º. over het lichaam strijken, het lichaam wrijven [Sd. Ml. id. Vrg. turut]. urut parêdèn, langs het gebergte. -ngurut, den loop der gebeurtenissen volgen in een verhaal. kaurut en kurut, l.v. kaurut sadaya, met vermelding van alle bijzonderheden, van woord tot woord. urut-urutan, een volgreeks, b.v. van geslachten.

artati : de Kawi-benaming der zangwijze Dangdang-gulå.

artos : ngêrtos, mangêrtos, pangartos, en ngêrtosakên, zie arti.

arsa : K. [ook ajêng, K.; arêp, N.] wil, verlangen, begeerte; zullen, aanstaande; voornemens zijn. -ing ngarsa, of ngarsa, vóór, in tegenwoordigheid van. -karsa, het begeerde; wil, verkiezing, begeerte, oogmerk, plan. akarsa, willen, begeeren. -ngarsa-arsa, zeer verlangen, naar iemand verlangen, op iemand wachten. -ngarsani, iets verlangen, begeeren. dikarsani, l. v. -ngarsakakên, iemand genegen zijn; iemand of iets verkiezen. kakarsakakên, of dipun karsakakên, lijd. vorm.

aras : Iº. K.h.; ngaras, [ngambung, K.N.] ruiken; zoenen. ngaraspada, de voeten kussen. -ngarasi, iemand zoenen. -pangaras, kus, zoen. IIº. aras, of ngaras, Ar. 'arsy, troon. bale aras, of bale ngaras, troonzetel.

aris : Kw. zacht, bedaard, langzaam, deftig [= alon, en rèrèh, vrg. riris].

arus : K.N. Iº. behoorlijk, betamelijk van gedrag [Ml. harus; vrg. alus, en rurus]. IIº. vischreuk, stank in 't algemeen.

êrès : verbastering van ht woord arrest; ngêrès, arrsteren, in arrest houden, arrest geven.

--- 21 ---

êros : zie ros.

iras : K.N.; ngiras, te gelijker tijd; twee dingen te gelijk doen, twee functies tegelijk bekleeden.

iris : K.N.; ngiris, snijden, afsnijden, doorsnijden [Ml.id.]. keris, bijongeluk gesneden worden. -irisan, een afgesneden stuk.

irus : K.N. een in de keuken gebruikelijke scheplepel, gemaakt van een klapperdop met een houten steel [Ml.id.].

uras : K.N.; nguras, met water schoon maken, zuiveren, uitspoelen.

urus : K.N. regt, juist; in reien geschikt; behoorlijk, betaamlijk [= tata, Ml. id.]. -urus-urus, een purgeermiddel.

aras-arasên : K.N. een tegenzin in iets hebben, afkeerig zijn van den arbeid.

arwah : zie ruwah.

irawan : eign. van den jongsten zoon van Arjuna.

erawan : ook rawan, eign. van den persoon, die vóór het aangaan van de Brata-yuda geofferd geworden is.

erawana : eign. van een Widådari; en van den olifant, waarop Bathara-Endra rijdt [Skr. Êrâwati, bliksem]. Ook eign. der vrouw van Bala-dewa, een dochter van Salywa, vorst van Môndaraka.

ariloka : zie ari.

arêp : N. [ajêng, en arsa, K.] willen, begeeren. ing ngarêp, of ngarêp, vóór, in tegenwoordigheid van; vooruit. -karêp, wil, begeerte, verlangen, lust, neiging, bedoeling. karêpe dhewe, uit eigen beweging, vrijwillig. -ngarêp-arêp, verwachten, verlangen. -pangarêp-arêp, hoop, verwachting. -ngarêpi, naar iets of iemand verlangen. karêpan, of kinarêpan, de zaak of persoon, die begeerd wordt. karêpan, ook begeerte, lust. -ngarêpake, aan iets de voorkeur geven, verkiezen. -karêpèn, N. [kajêngipun, K.] laat het maar; opdat. karêpèn apa, waarom? [vrg. kêrbèn, en cikbèn].

arip : K.N. vaak hebben, slaperig zijn [Ml. id.]. -karipan, door de vaak overmeesterd worden.

êrêp : K.N. het ondergaan der zon [vrg. sêrêp].

irup : K.N. naauw. -ngirup, in het naauw brengen.

urap : K.N. vermenging. -ngurap, vermengen. -urap-urap, een mengsel.

urip : N. [gêsang, K.] leven; het leven. -nguripi, iemand het leven schenken, in het leven laten. kauripan, of kuripan, in het leven gehouden. -koripan, vroegere benaming van het distrikt Grobóggan. -nguripae,nguripake. levend maken. -panguripan, iets dat levend maakt of tot onderhoud van het leven dient; levensonderhoud. Zoo wordt ook een halfvolwassen kip genoemd, die tot de offerhanden van een Tingk?b-feest behoort.

urup : K.N. ruiling, verwisseling. [= liru,

--- 22 ---

Ml. id.]. -ngurup, verruilen. korup, l. v. [= kaliru]. -urup-urup, bij ruiling, afwisseling, beurtelings. -urupn, hetgeen in ruil gegeven wordt.

èrèp : K.N. vrees, vreezen [= ajrih, en ering].

ardha : Kw. z. v. a. arda.

arja : zie rêja.

arjwa : zie rêju.

arjuna : ook wel rêjuna, Iº. eign. van den derden zoon van Pandu; en naam van een berg in het oostelijk gedeelte van Java; ook Kawi-benaming van den R?jåså-boom [Skr. Arjuna]. Arjuna Wijaya, of Arjuna Sasrabau (de duizendarmige Arjuno) eign. van den vorst van Mahispati (Sabrang). IIº. Kw. water dat zich in de holte van een steen verzamelt, volgens de Dåså-nåmå.

arya : of ariya, titel van een jongeren broeder van den vorst. Tegenwoordig wordt echter deze titel ook aan de onechte zonen en aan de kleinzonen van den vorst gegeven [Skr. aryå of ârja, achtenswaardig, achtbaar, iemand van een goede familie, iemand van de derde kaste]. arya bangah, eign. van een zoon van den laatsten vorst van Pajajaran. -riya, is een verkorting van ariya, en radèn mas riya, is de titel van een achterkleinzoon van den vorst, wanneer hem niet de titel van Pangéran verleend wordt. Dezelfde titel voert de oudste zoon van een dochter van den vorst, die met een onedele gehuwd is, terwijl haar overige zonen radèn riya genoemd worden. -kariyan, de woning van een Riå.

ariya : zie arya.

ari-ari : zie ari-ari.

arêm : zie rêm.

arum : K.N. geurig, welriekend [= wangi, en awangi, Ml. [harum of haruum] Men vindt ook rum, en dit is waarschijnlijk de grondvorm]. sang arum, een schoon meisje, een jonge vrouw.

êram : K.N. gebrokene takken; gebrokene wapens.

êrum : zie rum.

eram : K.N. verbaasd, verwonderd zijn, zich verwonderen [waarschijnlijk verbastering van het Ar. [hairan]. -ngerami, ngeram-erami, en ngeram-eramake, N., -kên, K., inverbazing zetten; verbazing wekkend. kaeraman, door iets in verbazing gezet; verwonderd. -kaeramên, zeer verbaasd, zeer verwonderd zijn. -pangeram, wonder, wonderbaar. -pangeram-eram, zeer wonderbaar, groot wonder. -pangeraman, wonderdaad.

èrêm : en orêm, K.N. duister; onzeker, verlegen zijn.

orêm : zie èrêm.

arima : Kw. een tijger [= macan of sima, Ml. hariimau

irim-irim : naam van een kleine groene bloem [sêkar tunjung kang alit].

arimurti : zie bij ari.

urmat : ormat, of kurmat, K.N. eerbied, hulde; eer bewijzen, salueren [Sd. Ml. id.; Ar. hurmat]. -ngurmati, iemand eeren, eerbiedigen, eerbied betoonen, achten. kaurmatan,

--- 23 ---

geëerbiedigd; eerbiedenis, respect, eerbiedige groete. -pakurmat, het eeren, het eerbiedigen. -pakurmatan, eerbetooning, eerbiedenis, eerbiedige groete.

arimba : eign. van een vorst der reuzen van Pringgådani.

arimbi : eign. der zuster van Arimbå, de vrouw van Wr?kodårå.

arga : Kw. een berg [= rêdi, Het wordt ook verklaard door aji, en pangaos, waarde, prijs. Deze beteekenis heeft het in het Sd. en Ml.; Skr. argha, Jav. rêg]. ing arga, op een berg. arga kusuma, een berg van bloemen. -ngarga, naar een berg gelijken.

irig : K.N. een zeef van bambu gemaakt [Ml. iiriq]. -ngirigi, daarmede zeven [een ander ngirigi, en ngirigakên, zie onder kirig].

urug : K.N.; ngurug, gelijken grond maken, aanaarden, dempen, met aarde aanhoogen Ml. uuruq]. -ngurugi, iets dempen, met aarde aanhoogen of ophoogen. -pangurug, ophooging van den grond. -urug-urugan, iets wat aangeaard, gedempt is.

orêg : K.N. schudding, beweging; opschudding, oproer [Vrg. korag].

Arab : z. v. a. ngarab.

arob : zie rob.

êrob : zie rob.

irib : K.N. gelijk zijn. sairib, geheel gelijk zijn. -mirib, en ngirib, gelijken. -ngirib-irib, gelijk maken, nabootsen. -iriban, het gelijk gemaakte; een verzinsel, leugen.

irub : K.N.; ngirub, iets omsingelen, insluiten om te vangen, bijv. visschen in het water; naar iets grijpen; zich iets toeëigenen.

urub : K.N. vlam. -murub, vlammen (van vuur); flonkeren.

arubiru : K.N. rustverstoring, overlast. -ngarubiru, rustverstoren, overlast doen.

aribawana : en aribuwana, zie ari.

arang : N., awis, K., schaars, zelden [De grondvorm is rang]. arang-arang, N., awis-awis, K., zeer zelden, zeer schaarsch, zeldzaam, wijd uit elkander. arang kranjang, veelvuldig, in menigte. -karangên, N., kawisên, K., te ruim, te wijd uit elkander. -ngarang-arangi, schaars beginnen te worden. -larang, N., awis, K., schaarsch, zeldzaam; duur [Ml. schaars, zeldzaam, en verbieden; Sd. rarang of larang, duur]. -kalarangên, te duur. -nglarangi, N., ngawisi, K., verbieden. -larangan, N., awisan, K., wat verboden is, verboden goed; verbod. -rang-rangan, K.N. doorschijnend, een fijne doorzigtige stof, gaas, floers.

arêng : K.N. (doove) kool, houtskool [Sd. Ml. id.]. arênging gadhing, ivoorzwart. kayu arêng, N., kajêng arêng, K., ebbenhout.

aring : K.N. tot bedaren gebracht, vreedzaam, te vreden, voldaan zijn. -ngaring-aringi, te vreden stellen, sussen. -ngaringake, N., -kên, K., tot bedaren brengen.

êrèng : zie rèng.

êrong : zie rong.

irêng : N. [cêmêng, K.] zwart. -ngirêngake,

--- 24 ---

zwart maken. -irêngan, een zwart voorwerp. lêmah irêngan, zwarte grond, een onbebouwd veld, rijstveld na den oogst, zoolanger geen gewas op staat. môngsa irêngan, de tijd, wanneer de velden zwart (niet beplant) zijn.

iring : K.N. zijde, flank. -iringan, afheling; de kant, rand van iets; bezijden [Ml. id.] ing ngiringane, of ing ngiringanipun, aan zijn zijde, nevens hem. -iring-iring, en èrèng-èrèng, helling, de voet van eenen berg. -ngiring, begeleiden, vergezellen, tot eerbewijs of staatsie [Ml. [iring] id.] kang ngiring-iring, het gevolg, de stoet. kering, vergezeld. -umiring, of miring, op zijde liggen, overhellen, overhangen. -ngiringi, iemand vergezellen. -ngiringake, N., -kên, K., iemand begeleiden; op zijde leggen. -pèrèng, zie beneden.

irung : N. [grana, K.] de neus [Sd. id., Ml. [idung]] lènging irung, neusgaten.

urang : K.N. garnaal, een zeer klein soort van kreeften [Sd. id., Ml. [udang]]. urang watang, een kreeft. -urang-urangan, 1. naam van een vogel, die op visschen aast. 2. het zwart in de oogen.

uring : K.N.; nguring-uring, iemand verwijtingen doen; berispen; verbitterd. -muring-muring, of murang-muring, vertoornen, kwaad, op iemand zijn; toorn; gemelijk. -muring, naam van een soort van kleine muggen. urung : K.N. kleur. -Ook z. v. a. durung, -urung-urung, een bedekte geut of waterleiding; twee reijen troepen op gelijken afstand van elkander.

ering : K.N. beschroomd, bedeesd, verlege; schroom, ontzag. -ngeringi, ontzag inboezemen, beschroomd maken. keringan, en kineringan, gevreesd, door anderen ontzien, ontzaglijk; ontzag.

arungan : K.N. veel te doen hebben, met moeijelikheden te worstelen hebben.

èrèng-èrèng : zie iring.

orang-aring : naam van zeker blad.

orong-orong : naam van een beestje dat zich op den grond ophoudt en een tjilpend geluid maakt; het geluid zelf.

aku : en ngakoni, zie ku.

ika ; iki, en iku, zie ka.

eka : Kw. één, eenheid [= siji, of satunggil, Skr. êka]. ekapraya, eensgezindheid, eendragt; eenstemmig [= tunggal manah]. saeka, zie beneden. -ngeka, tot één brengen, één maken. ngekawarna, eenvormig maken.

akèh : zie kèh.

ukih : ook ungkih, K.N.; ngukih, of ngungkih, aandringen, sterk aandringen. kokih, of kongkih, l.v. [= ngalih saking panggenan]. ukih-ingukih, tegen elkander aandringen.

akèn : en akon, zie kon.

ukantên : zie ukara.

akir : Arb. aakhir, het laatste; de toekomst. jaman akir, de toekomende, eeuwe, de toekomende wereld. ing akiripun, in de toekomst.

êkar : K.N. het ontloken zijn van bloemen [vrg. êgar, en sêkar] -mêkar, ontluiken, bloeijen.

êkor : K.N. jonge luizen; allerlei ongedierte.

--- 25 ---

ukir : K.N.; ngukir, graveren, bloemwerk of andere figuren in hout of metaal snijden [Sd. Ml. id.]. -pangukir, graveur, beeldhouwer. -ukiran, K.N. een beeld van hout of steen, beeldhouwwerk; N. [landheyan, K.] gevest van een kris of dolk.

ukur : K.N. het meten; afgemeten, bepaald; bestemming, lot; slechts, maar, alleen [Sd. Ml. id.]. -ngukur, meten. -ngukuri, afmeten, bepalen. -ukuran, maat, maatstok, meetroede; middelmatig.

ukara : N., ukantên, K., eerbiedig in de uitdrukking, beleefd zijn in het spreken of schrijven. ukara môntra, lofprijzing, lofzang.

ikêr-ikêr : K.N. boordsel, kraag.

ekrak : K.N. een gevlochten mand.

akherat : Arb. [aakhirat], het toekomende leven, de eeuwigheid, in tegenoverstelling van dunya. ngakherat, z. v. a. ing ngakerat.

akrab : Arb. [aqraba], nader; nadere of naaste bloedverwant.

akir balèg : z. v. a. akil balèg.

akik : K.N. agaatsteen [Sd. Ml. akit].

akêkrana : K.N. zich aan den kant van een bosch of berg met der woon vestigen; [pamburonan, N., pambujêngan, K.] jagt.

ikêt : N. [dhêsthar, K.; vrg. sêrban, en udhêng] een hoofddoek, zoo als de Javanen dien dragen voor een tulband. -ngikêt, zamen binden; een gedicht of opstel maken, dichten, opstellen [Ml. [ikat], [mengikat]]. kaikêt, ook K.N. z.v.a. kabônda, N., kabêsta, K. gekneveld.

ikut : K.N. de voorhuid. mawi ikut, met de voorhuid, niet besneden, onbesneden; een heiden.

ekatana : z. v. a. katana[?].

iktiyar : Arb. ikhtiyaar, verkiezing [vrg. istiyar]. -ngiktiyari, verkiezen.

aksi : Kw. oog, oogen, gezigt [= mata, of mripat, Skr. axi]. -ngaksi, zien. -kaaksi, gezien worden, zigtbaar.

èksi : ngèksi, kaèksi, of kèksi, Kw. z. v. a. aksi, ngaksi, kaaksi, [kaèksi, en kèksi, = katon, Skr. ixa, zien].

akas : K.N. stijf, onbuigzaam; onverzettelijk, standvastig. -akas adhangan, vlug van leden; gedienstig.

êkas : zie kas.

akasa : zie kasa.

aksara : N. [sastra, K.] een letter van het alphabeth; de letteren, wetenschap [Sd. Ml. id.; Skr. axara]. putusing aksara, volleerd in de letteren zijn.

aksama : Kw. vergiffenis, kwijtschelding [= pangapura].

ikwan-ikwan : Kw. een afkeer van iets hebben.

akal : K.N. verstand, rede, beleid, vernuft; schrander, listig, loos; list, schranderheid [Ar. [aql]; Sd. Ml. id.] ngakal, schrander zijn. -ngakali, schranderheid, list gebruiken.

akil : K.N. meerderjarig,huwbaar, van een meisje [Ar. 'aaqil verstandig]; en akil balèg, meerderjarig, meerderjarigheid, van een jongeling, bij de Javanen in het viftiende jaar [Ar. 'aaqil baaligh; Ml. id.].

--- 26 ---

êkol : zie kol.

ikal : K.N.; ngikal, ophaspelen, opwinden [Ml. iikal, krullen, viechten]. -ikalan, een haspel.

ukêl : K. [gêlung, N.] haarwrong; het haar in een haarwrong opgemaakt hebben. -ngukêl, een haarwrong maken; iemand in het haar pakken.

okol : K.N. gespierd, sterk. -ngokol, sterk zijn.

iklas : Ar. ikhlash, K.N. zuiverheid, opregtheid van bedoeling. -ngiklas, een zuiver oogmerk hebben. -ngiklasake, N., -kên, K., iets zuiver maken, zuiver te voorschijn doen komen; een zuiver oogmerk aan den dag leggen.

akal bakal : z. v. a. cakal bakal.

akil balèg : zie akil.

ukup : I. Kw. wierook, reukwerk [Sd. Ml. id.]. -ngukupi, bewierooken. -paukupan, of pangukupan, een mand, die gebruikt wordt bij het berooken van kleêren met welriekend poeder. II. K.N. een buikband of gordel van galon of zijde, die tot de Javaansche dienstkleeding behoort.

akyan : Ar. [a'yan], oogen, de oogen.

ukum : of khukum, Ar. [hukm], K.N. vonnis, straf, gerigt; voornamelijk het priesterlijk geregt, de priesterlijke regtbank [Sd. Ml. id.]. khukuming surambi, het geregt van de Surambi. ukum kisas, doodvonnis. -ngukum, straffen. -ngukumi, vonnissen, regtdoen. -ukuman, de straf die een gevonnisde ondergaat. -paukuman, straf. paukuman badan, lijfstraffe.

ikmat : Ar. hikmat, wijsheid [Ml. id.]. ngèlmu ikmat, de wijsbegeerte.

aking : K.N. droog, dor; verdorren, verflenzen. -ngakingake, N., -kên, K., droogmaken, iets droogen.

akung : K.N. ingetrokken; trotsch.

ukung : K.N. het geluid van een tortelduif. -ngukung, zulk geluid maken of daarnaar gelijken.

ada : Kw. en K.N. 1. regt overeind staan [= adêg]. 2. begin, beginnen [= wiwitan]. 3. vooral, gebeurtenis, zaak [Ml. ada, aanwezig zijn, zich bevinden, plaats hebben, enz.]. sada, zie beneden. -adan, Kw. = wiwit, en miwiti, Zie ook bij dan.

adi : Kw. en K.N., ook adya, Kw. voortreffelijk, uitmuntend [= luwih, en bêcik, of luwih bêcik. Sd. ade, goed, hupsch; waard, dierbaar; Skr. âdi, uitmuntend, de of het eerste. Vrg. ook nadi]; ook naam van de tweede der vier Windu's. -adi-adi, zeer uitmuntend; zich veel laten voorstaan, trotsch, hoogmoedig zijn [= luwih-luwih]. -adiwarna, een schoone gedaante [= rupa kang luwih bêcik]. adiningrat, de eerste der aarde, bijnaam van Surakarta en Jokyokarta. En zoo is dit woord, ook bij verkorting di, menigvuldig in gebruik in zamengestelde eigennamen, als Adinagara, Padmadipraja, enz.

adu : N., abên, K., gevecht, strijd, twist [Ml.id.]. adu arêp, zich in elkanders tegenworrdigheid bevinden. adu têngah, het middelpunt [mid...]

--- 27 ---

[...delpunt] raken. -ngadu, N., ngakên, K., tegen elkander laten strijden, vechten, pleiten; ophitsen, opstoken om te strijden. ngadu jago, N., ngabên sawung, K., hanen laten vechten. ngadu kasêktèn, of ngabên tadigdayan,kadigdayan. zijn heldenkrachten tegenelkandermeten. -pangadu, N., pangabên, K., het plaats hebben van ngadu of ngabên. -ngadu-adu, aanhitsen, twist stoken. -ngadoni, iemand iets bewisten. -ngadon-adoni, partijen tegen elkander verhooren. -adon, N., abênan, K., hetgeen tot een strijd of gevecht betrekking heeft; tot den strijd gereed of bekwaam zijn. jago adon, N., sawung abênan, K., een haan, die tot vechten gebruikt wordt, een vechthaan, kemphaan. -padu, N., pabên, K., twist, strijd, krakeel, geschil. apadu of pêpadu, N., apabên, K., twisten, strijden, geschil hebben. pinadu en pinabên, lijd. vorm. -padon of pêpadon, N., pabênan, K., personen die met elkander twisten, twistende of strijdende partijen; met een ander of met elkander geschil voere.

ade : Kw. vreugde veroorzaken [Het wordt verklaard door agawe. Vrg. ande. Het grondwoord is dan de].

idu : K.N. [kêcoh, K.h.] speeksel, spog. idu bang, ook dubang, rood speeksel (van het Sirih kaauwen). andubangi, met Sirih-speeksel iets rood maken. saidu, 1/32 Jung. -ngidu, spuwen. -ngidoni, op iets of iemand spuwen, bespuwen. -ngidokake, uitspuwen. -paidon, of pangidon, kwispeldoor.

uda : Kw. water [Skr. uda. Vrg. udaka]. -udan, zie beneden.

adah : Kw.= wêwulang.

adoh : zie doh.

idah : zie edah, II.

edah : I. Kw. verschil, onderscheid. II. edah, of idah, Ar. 'iddat, uitstel.

uda-uda : K.N., I. naar iets raden gissen [Vrg. udakara]. -II. zich matigen, inhouden; matig. -nguda-uda, matigen.

adan : I. Ar. adzaan, K.N. de aankondiging van het uur des gebeds, het begin van een gebed. -ngadani, het uur des gebeds aankondigen. II. Kw. zie ada, en dan.

adon : zie adu.

idin : K.N. toestemming, vergunning, verlof; goedkeuring [Ar. idzn, Ml.id.]. nyuwun idin, verlofverzoeken. -ngidini, of ngidèni, toestemmen, verlof geven. kaidinan, of kaidèn, lijd. vorm.

udan : N. [jawah, K.] regen; regenen [Sd. Ml. ujan of huujan; van uda, Kw. water]. udan dêrês, stortregen. udan awu, zie awu. udan uwuh, zie uwuh. -ngudani, op iets regenen, beregenen. kudanan, kodanan, of kaudanan, beregend, doorden regen getroffen, nat geworden. -ngudanake, laten regenen. -udan-udanan, K.N. naam van een soort van soldaten van den Susuhunan en den Kroonprins van Surakarta.

edan : K.N. gek, krankzinnig. wong edan, N., tiyang edan, K., een gek, krankzinnig mensch. satêngah edan, halfgek. -ngedan, [-...]

--- 28 ---

[...ngedan,] zich gek toonen; zich als een gek gedragen. -ngedanake, iemand voor gek verklaren. -ngedani, iemand gek maken. kaedanan, of kedanan, gek gemaakt (door liefde), gek geworden; verliefd, versot. -edan-edanan, personen, mannen of vrouwen, die zich als gekken aanstellen en groot misbaar maken, in den stoet van een bloed verwant van den vorst bij de plegtige optogt na de voltrekking van een huwelijk.

udani : Kw. kennis; kennen, weten; bemerken, zien [= wêruh]. awèh udani, kennis geven. -ngudanèni, kennis van iets dragen of nemen, iets weten; iemand van een zaak onderrigten [= ngawruhi].

adon-adon : K.N. het deeg waaruit iets gebakken wordt.

adiningrat : of beter adiningrat, zie adi.

êdir : zie dir.

idêr : K.N. omloop; een persoon die met koopgoederen rondgaat [Sd. Ml. id.]. -midêr, rondgaan. midêr-midêr, overal rondgaan. -ngidêri, om een plaats heên gaan; een kring besluiten. kaidêran, kèdêran, of kidêran, in een kring besloten, omgeven. -ngidêrake, N., -kên, K. om een plaats heên leiden. -idêran, omloop, kreits.

udur : ongebruikelijk. udur-uduran, K.N. redetwisten, om gelijk te hebben. -kudur, Kw. redetwisten, woorden wisselen.

udara : Kw. buik [= wêtêng, Skr. udara]. -saudara, en maudara, zie beneden.

adrês : dêrês.

Idris : of Id-ris, Ar. idriis, eign. van Henoch in den Koran en bij de Mohammedanen.

udrasa : of udrayasa, Kw. weenen van groote droefheid [= nangis sangêt, en prihatos].

adrêswa sadana : naam van een tooverformulier, waardoor men zich onzigtbaar maakt.

êdrèl : zie drèl.

udrayasa : zie udrasa.

udrêg : K.N. elkander heên en weêr trekken, worstelen. -udrêg-udrêgan, worsteling.

adrêng : Kw. zeer; aandrang; sterk op iets aandringen, dringend verlangen [= bangêt]. adrênging manah, nieuwsgierigheid. -kadêrêng, dringend verlangd worden; ook peinzen, nadenken.

êdak : K.N. trotsch, hoogmoedig. -ngêdag, zich trotsch gedragen; willekeurig handelen.

êduk : zie duk.

idak : idêk of idêg, K.N.; ngidak, ngidêg, of ngidêg, met den voet op iets treden, trappen; vertrappen. kaidak, kedak, kèdêk, of kèdêg, bij ongeluk getrapt worden. -pidak, met de voeten op iets treden. wong pidak, een gemeen mensch. pidak pêdarakan, iemand van het laagste gemeen. -midak, met den voet op iets trappen. kapidak, lijd. vorm.

idêk : zie idak.

udaka : Kw. water dat zich in een kom bevindt, volgens de Dasanama [= toya. Skr. udaka, water].

udakara : N., udakawis, K., gissen, vermoeden; [ver...]

--- 29 ---

[...moeden;] naar gissing, motrent [Vrg. uda-uda].

udakawis : zie udakara.

udud : N., ngudud, [ngêsês, K.] tabak rooken [Ml. uduq, rooken, bijzonder amfioen rooken]. -ududan, hetgeen gerookt wordt, de tabak.

udadi : Kw. de zee, oceaan [= sagantên. Skr. udadhi].

adat : K.N. gebruik, gewoonte [Ar. 'aadat; Sd. Ml. id.] adate, gewoonlijk.

aditya : Kw. dezon [= srêngenge, Skr. âditya].

adas : K.N. anijs [Sd. Ml. id.].

adus : zie dus, I.

êdus : zie dus, II.

udawa : eign. van een Patih van Dwarawati.

adil : of ook ngadil, K.N. het regt, geregtigheid; regtvaardig [Ar. 'aadil; Sd. Ml. id.]. -ngadili, regt doen, regt spreken. -pangadilan, regterlijke uitspraak; geregt, gerigt; regtbank; het regt.

adol : N. [sade, K.] verkoopen, als koopman [De grondvorm is dol]. -ngêdol, iets verkoopen. dolên, geb. wijs. kaêdol, en didol, lijd.v. -ngêdoli, vele dingen verkoopen; aan iemand iets verkoopen of te koop aanbieden; te koop stellen. -ngêdolake, voor een ander verkoopen. -pangêdol, verkoop. -dodol, [sadean, K.] het een of ander verkoopen. -dodolan, goederen, die verkocht worden, koopwaren, koopgoederen.

udal : K.N. borrelen, uit den grond opborrelen. -ngudal, opwellen, van een gedachte. -kodal, zie beneden. -udalan, wel, fontein.

adal-adal : K.N. de eerste, voorste zijn in het gaan. -adal-adalan, naam van een verdicht of fabelachtig dier, zooals men zegt een soort van olifant.

adul-adul : K.N. overanderenspreken, kwaadspreken, achterklappen [Vrg. wadul]. -pangadul-adul, kwaadsprekendheid, laster.

adilaga : Kw. slagveld [= luwih prang, en panggenanipun prangan. Vrg. laga]. ngadilaga, zich op het slagveld bevinden [=satêngahing paprangan kang luwih].

adap : Ar. Ml. adab of aadab, beschaafdheid, beleefdheid; zeden [Sd. adhêp].

edap : K.N. een wonder, iets wonderbaars.

idêp : K.N. ooghaar, het haar van de oogleden.

adipati : een titel bij de Javanen, dien men het best door Hoofdregent of Opperlandvoogl zou kunnen vertalen [Skr. adhipati, heer, vorst, van adhi, over, en pati, heer]. Men zegt ook bij verkoting dipati. Radèn adipati, of bij verkorting dèn dipati, is de titel van den Rijkbestierder van Surakarta en Jokyokarta. -pangeran adipati, zie pangeran, -kadipatèn, N., kadospatèn, K., het paleis of gebied van den Kroonprins of Pangeran Adipati Anom.

adya : zie adi.

udaya : Kw. dezee, oceaan [= sagara, of sagantên. ook= pucuk, inggil, en lambunging gunung. Skr. uddhaya, die of dat drinkt;

--- 30 ---

udaya, opgang der zon en planeten, en de ooster bergen, waarachter de zon opgaat].

udyana : Kw. een tuin [= taman, Skr. udyâ-na een tuin, een vorstelijk park]. -udyanawana, z.v.a. udyana, en naam van een tuin.

adi-adi : zie adi.

idayat : Ar. Goddelijke ingeving [misschien het Ar. hidaayat, leiding, leiding op den regten weg. Sd. idhayat, voorspoed, geluk, voordeel, winst].

Adam : eign. Adam.

êdum : zie dum.

êdom : of dom, K.N. naald. -ngêdom, naaijen. -ngêdom-êdom, heimelijk uitvorschen. -ngêdomi, en dondomi, andondomi, of dom-domi, andomdomi, iets naaijen, veel steken met de naald doen. -dondoman, een naad; ook een distel.

udamamah : Ar. [?] bedreven zijn; een goed geheugen hebben.

adimênggala : eign. van een Patih van Ngawangga.

adêg : K.N. stand, het staan, het regeren; oprigting, stichting van een rijkszetel; [jumênêng, K.h.] aanstelling [De grondvorm is dêg, vrg. dêdêg]. -ngadêg [jumênêng, K.h.] staan, opstaan; regeren, gezag voeren. -umadêg, of madêg [jumênêng, K.h.] staande, in een staande houding, staan; regeren, gezag voeren. -ngadêgi, op iets oprigten; bij iets tegenwoordig zijn; over iets staan, het gezag voeren. -ngadêgake, of ngêdêgake, N.,-kên, K., doen staan, stellen, oprigten, overeind zetten, opzetten; aanrigten; aanstellen, installeren. diadêgake, of ook didêgake, N., dipun adêgakên, K., l.v.-adêg-adêgan, K.N. aanstelling, b.v. van een ambtenaar. -pangadêg, een stel kleêrên.

idêg : zie idak.

adbuta : zie atbuta.

adang : of adang, zie dang.

ata : Kw.= kunêng, byatita, tan ucapên.

ati : I. N. [manah, K., galih, K.h.] het hart, gemoed; ook zin, verstand; de lever; en K.N. het weeke hart of merg in sommige boomen [Sd. ate, Ml. hati]. sajroning ati, in het hart. aja dadi atimu, trek het u niet aan, neem het niet kwalijk. -atèn, in zamenstellingen, als kakon atèn, [kakênan manah, K.] wrevelig van gemoed, ongeduldig. cugêtan atèn, [cugêtan manah, K.] ligt geraakt. -atèn-atèn, n. [mêmanahan, K., gêgalihan, K.h.] aard, geaardheid, van personen; K.N. het binnenste van de Bambu. -ati-ati, k.N. gelukkig: alleen in de taal van het dagelijksche leven. -ngati-ati, N., ngatos-atos, K., op zijn hoede, behoedzaam, omzigtig, voorzigtig. dingati-ati, wees voorzigtig, pas op! diati-ati, of ingati-ati, N., dipun atos-atos, of ingatos-atos, K., met voorzigtigheid gedaan worden, opgepast worden. -pangati-ati, N., pangatos-atos, K., behoedzaamheid, voorzigtigheid.

--- 31 ---

II. ati, Kw. uitermate, bijzonder, over, zooals in overgroot [= luwih. Skr. ati]. -pati, en kapati, N., patos, en kapatos, K., z.v.a. ati, Kw.; b.v. ora pati sugih, niet bijzonder rijk, niet overrijk. kapati-pati, N., kapatos-patos, K., uitermate, zeer. -atyanta, of ati anta, en mati anta, Kw. bovenmatig [Skr. atyanta]. -ati bisana, Kw. zeer uitstekend (= kaliwat luwih, Skr. atibhîsana, zeer vreeslijk. Zie bisana).

atu : zie tu.

ita : Kw. mensch.

oti : Kw. aardworm, regenworm.

atah : Kw.= bêcik.

êtèh : zie tèh.

êtoh : zie toh.

etuh : Kw. het water of vocht dat zich in vruchten bevindt, volgens de Dasanama.

atèn : en atèn-atèn, zie ati.

atanapi : zie tanapi.

atra : zie tra.

atri : zie tri.

atêr : K.N. geleide, begeleide; Kw. ook z.v.a. ngatêr, iemand vergezellen, begeleiden, uitgeleide doen. têrên, gebiedende wijs. -ngatêri, iets medegeven; iets brengen. -ngatêrakên, iemand of iets begeleiden, vergezellen, of brengen. têrna, gebiedende wijs. -atêr-atêr, leider, noemt men een kogel, dienmen op een geweer laadt, om een grooteren kogel, dienmener op wil passen, des noods er weêr uitte schieten. Zoo noemt men ook het op zich zelf niets beteekend voorzetsel ha, of een woord, waaraan men geen beteekenis hecht. -ngatêr-atêri, zulk een atêr-atêr, bij het beproven van een nieuwen kogel aanwenden.

atur : K.N. [unjuk, K.h.] voorstel, aanbod, verklaring, opgaaf, verslag, alles wat men aan een meerdere te kennen geeft, tot een meerdere zegt [Het grondwoord is tur, dat in Kawi voor atur, en ook voor matur, en ngaturi, gebruikt wordt. Van daar ook tutur. Sd. ml. atur, schikken, regelen, in orde brengen]. -umatur, gew. matur, spreken, zeggen, nam. tot een meerdere. -kaatur, of katur, aangeboden; ter kennis gebracht, aangegeven; het aangeboden worden; aan, b.v. in opschriften van brieven en bij groetenissen. -ngaturi [nyaosi, en ngunjuki, K.h.] iemand iets aanbieden, mededeelen; voorstellen, uitnoodigen, noodigen. ngaturi uninga, kennis geven. kaaturan, of katuran, of ingaturan, l.v.; hetgeen aangeboden wordt; een uitnoodiging. -ngaturake, N., -kên, K., iets aan iemand aanbieden, voorstellen, voordragen, indienen; iemand aandienen. -aturan, hetgeen men aanbiedt, voorstelt, mededeelt, berigt, enz. -paturan, een schriftelijk berigt, verslag; schriftelijke opgaaf of verklaring. -atur-atur, geschenk, dat men een meerdere aanbiedt; geschenken aanbieden; ten geschenke iets aanbieden. -ngatur-aturi, gasten noodigen.

atèr : K.N. kalm van hart, bedaard, zachtmoedig. -ngatèri, en ngatèrake, N., -kên, K., kalm maken, kalmeren.

--- 32 ---

êtir : I. K.N. voorpost; pion in het schaakspel [vrg. tir]. II. Holl. teer.

ètèr : K.N. een koopman in het klein, een kramer, winkelier.

otêr : Kw. geraas, getier, gedruisch [= rame].

atruh : zie truh.

atari : Kw.= mêngkono.

utara : Kw. het noorden [Ml. id.; Skr. uttara]. Ook eign. van den derden zoon van den vorst van Wiratha. -utara sêgara, (de noordelijke Oceaan) of ook enkel utara, naam van de woonplaats van Bathara Wisnu.

atrap : en êtrap, zie trap.

êtuk : zie tuk.

itik : K. [of K.h., tuma, N. of K.N.] een luis.

otèk : K.N. een soort van gierst.

utak :of utêk, K.N. de hersenen, het brein [Sd. Ml. id.].

utêk : zie utak.

utik-utik : K.N. iets dat zeer klein is; de kleine man; het gemeene volk.

atut : K.N. eensgezind, eendrachtig; eensgezinheid, eendracht [Het grondwoord is tut, vrg. anut, tutut, tumut, en patut]. -ngatut, volgen, gedwee zijn, zich schikken. katut, medegevoerd, medegesleept. -katutan, hetgeen waarmeê iets anders medegevoerd wordt. -ngatutake, N., -kên, K., eensgezind maken.

otot : K.N. zenuw, pees; kracht, sterkte, gespierdheid. otot wêsi, pezen van of als ijzer.

atas : K.N. duidelijk, klaar; wettig, met alle regt, met erkend regt; met voorkennis van. ingatas danam, met voorkennis van den Vorst. Zoo ook atas têrang, -ingatase, N., ingatasipun, K., ten opzigten van, betreffende, wat aangaat, nopens. -ngatas, onderzoek doen naar de waarheid of wettigheid, navraag doen. -ngatasake, N., -kên, K., iets laten ophelderen, wat de juistheid of wettigheid betreft.

atis : K.N. koud, in een hoogen graad [De grondvorm is tis, Sd. tihis, en tiris]. -ngatisi, verkoelend, de koude koorts veroorzakend. -katisên, van koude bibberen. lara katisên, de koude koorts, de koude koorts hebben.

atus : I. K.N. honderd [Sd. Ml. ratus]. satus, een honderdtal, honderd. rongatus, N., kalih atus, K., twee honderd. satuse, N., satusipun, K. de honderd er van, de honderd stuks. rongatuse, N., kalih atusipun, de tweehonderd er van, de tweehonderd stuks. -atusan, honderden, bij honderden. -nyatus, iederhonderd, elk honderd. nyatus dintên, benaming van een offerhande voor een overledene op den 100sten dag na zijn overlijden. -nyatusi, van iemands overlijden den honderdsten dag vieren. -diatusi, n., dipun atusi, K., honderd personen bij aangewend worden, ddor honderd personen gedaan worden. -ngatusake, N., -kên, K., honderd maken, honderd noemen. -panatus, [-panatu...]

--- 33 ---

[...s,] benaming van een rang van Mantri, beneden een panèwu. II. zie êtus.

atos : K.N. hard. De grondvorm is tos, doch wordt allen van hout gebruikt; kayu tos, hard hout; en daarenboven van goederen in de beteekenis van kostbaar: barang tos, K.N., dandanan tos, N., dandosan tos, K., kostbaarheden. -ngatosake, N., -kên, K., hard maken, harden, b.v. ijzer.

êtus : of atus, K.N. droog, van iets waar eenig vocht aan of in geweest is. -ngêtus, droogen, door afvegen, uit te laten druppelen, te droogen leggen, enz. -ngêtusake, N., -kên, K. iets met iets droog maken of afdroogen; voor iemand droogen. -pangêtus, het plaats hebben van ngêtus.

utus : K.h. [kongkon, N., kèngkèn, K.]; ngutus, iemand zenden, uitzenden, afvaardigen [Ml.id.]. -ngutusi, om iemand zenden. utus-ingutusan, over en weêr zenden. -utusan, en putusan, zendeling, bode, gezant, afgezant, afgevaardigde, gezantschap. aputusan, een bode of boden zenden.

atasangin : Ml. [atasangin], eign. bovenwindsch; Maleische benaming van de landen westelijk van Java.

atwi : Kw.= isi.

atawa : of utawa, N., utawi, K., of; ook zoo wel als, als ook, en [Sd. atawa, Ml. [atau], of; Skr. athô, en ook; atha-wâ, of; ook uta-wa, of. Men zou dit voegwoord allen als onderscheidend (disjunctie) voegwoord behooren te gebruiken; doch de Javanen zelf nemen dit weinig in acht.

utawi : zie utawa.

atal : K.N. geele, op de zwavel gelijkende, kleiaarde, die als verwstof gebruikt wordt, en waarvan men de Borèh, een blanketsel, maakt.

atul : K.N. gehard, onvermoeid, in het loopen, rennen of draven, door gewoonte, van paarden; ongevoelig voor beleedingen. -ngatulake, N., -kên, K., een paard gehard maken, maken dat het lang kan uithouden.

util : K.N.; ngutil, kleinigheden stelen op een pasar. -ngutili, bestelen.

atap : K.N. rei, in reijen geschaard [of Kw.= sap-sapan, bij lagen op elkander, ook in reijen achter elkander]. -ngatap, rangschikken, regelen.

atêp : K.N., 1. dek voor daken van huizen, waartoe te Surakarta en elders een soort van stroo, de steel van de Alangalang, gebruikt wordt. Aan de stranden gebruikt men daartoe Nipah-bladen. Kw.= sirap, houten dakpannen. -2. een daarmeê gedekt dak [Sd.Ml.id.].

atos : ook wel atob, geschreven, K.N. [sêgu, K.h.] oprispen; oprisping. -ngatopake, N., -kên, K., de lucht, die men oprispt, iemand aanademen. -diatop-atopake, maken dat men oprispt, moeite doen om op te rispen.

êtup : êtub, of gew. atub, Kw. of K.N. van alle kanten omsingelen, van alle kanten tegelijk iemand aanvallen; van alle kanten komen

--- 34 ---

opzetten. atub, ook een boom die veel vruct draagt. -katub, en tinub, zie beneden.

otipati : eign. van Bathara Guru.

atya : Kw. z.v.a. ati, hart, gemoed, enz.

atyanta : zie ati, II.

ati-ati : zie ati.

atyêng : Kw.= wêdi, bevreesd.

atma : Kw. 1. ziel; 2. kind; 3. gevolglijk of eindelijk [= nyawa, urip, anak, têmah, en wusana, Skr. âtmâ, ziel, leven; zoon; zorg, poging, verstand]. atmajiwa, levensziel [Skr. Jîwâtmâ].

atam : K.N. het zakelijke van hetgeen men gelezen heeft, in het geheugen hebben. -ngatamake, N., -kên, K., het zakelijke van hetgeen men leest in het geheugen brengen of trachten te houden.

itêm : Ml. [itam], zwart; K.N. een fijne zwarte steen, die als toetssteen gebruikt wordt.

utama : K.N., utami, K. best, voortreffelijk, volmaakt, deugdzaam [Sd.Ml.id.; Skr. uttama]. -kotama, hetzelfde. -ngutamakake, N., ngutamèkakên, K., volmaken, iemand of iets deugdzaam maken of tot volkomenheid brengen. -kautaman, K.N., kautamèn, K.,het best; volmaaktheid; deugd. -utamôngga, Kw. hals, keel; hoofd [= gulu. zamengesteld uit utama, en ôngga. Skr. uttamângga, het hoofd].

utami : zie utama.

atmaka : Kw. 1. ziel (= nyawa). -2. dood [= pati].

atmaja : Kw. kind, zoon [= anak, Skr. âtmaja].

utamôngga :zie utama.

atag : K.N.; ngatag, aansporen, aanmoedigen. -pangatag, het plaats hebben van ngatag.

atub : zie êtup.

atob : zie atop.

êtub : zie êtup.

atbuta : Kw. vreeslijk, schrikverwekkend, geweldig, uitermate [= bangêt. Skr. adbhuta, verwonderlijk, verbazend. Het moet dus adbuta, geschreven worden]. -katbuta, z.v.a. atbuta, Men vindt ook kotbuta.

atibisana : zie ati, II.

êting : K.N. lantaarn.

êtong : zie tong.

itung : N., etang, K., het tellen, rekening; getal [Sd.Ml.id.]. -ngitu, N., ngetang, K., tellen, optellen, rekenen, berekenen. -ngitungi, N., ngetangi, K., iets optellen, opsommen. -itungan, N., etangan, K., optelling, getal. layang itungan, N., sêrat etangan, K., rekening. -itung-itungan, N., etang-etangan, K., met elkander rekenen, afrekenen. -pangitung, N., pangetang, K., rekening, berekening; overleg, overweging. -pitung, of petung, N., petang, K., berekening, uitrekening. -metung, N., metang, K., berekenen. -mitungi, N., metangi, K., uitrekenen; de kwade dagen berekenen en daaruit iets kwaads voorspellen; iemand van eenig kwaad verdacht houden.

--- 35 ---

utang : N. [sambutang, en nyambut, K.] een geldschuld; geld leenen [Sd.Ml.id.]. diutang, l.v. kang utang, K.N. de persoon die geld schuldig is, de schuldenaar, debiteur. -ngutangi, te leen geven; van iemand leenen. -ngutangake, voor een ander leenen. -potang, K.N. een schuldeischer, crediteur; schuldvordering. apipotang, of apiutang, een schuldvordering hebben. utang apipotang, of utang apiutang, en potang apipotang, of potang apiutang, leenen en borgen, debiteren en crediteren, debet en credit. -motangake, N., -kên, K. [ook nyambutakên, K.], aan iemand geld leenen; borgen. -utangan, het geleende geld. -kapotangan, verschuldigd, onder een schuld of verpligting gebracht; verpligting.

etang : ngetang, enz.; zie itung.

As : Kw. een woordje zonder beteckenis [Skr. âs, interj. o!]

asa : Kw. magt, sterkte. sahasa, metmagt, sterk, magtig [= rosa, en kawasa].

asu : N. [sêgawon, K.] hond. asu lanang, een reu. asu wadon, een teef. asu alas, een wilde hond. asu banyu, een otter. asu ajag, zie ajag. -ngasu, naar een hond gelijken, bij een hond vergelijken, iemand een hond noemen.

aso : K.N. [lèrèn, N., kèndêl, K.] uitscheiden, rusten, uitrusten, verpoozen, toeven, vertoeven; wapenschorsing. -ngasokake, N., -kên, K., doen of laten rusten.

isi : K.N. wat ergens in is, inhoud, vulsel; kern, pit van een vrucht; inhouden [Ml.id.; Sd. êsi]. -ngisèni, vullen, aanvullen, invullen; inschenken. -isèn-isèn, hetgeen ergens in is; inboedel. -ngisèn-isèni, vullen. -pangisi, inhoud, volheid.

isu : esu, en ngisu, Kw. een pijl [esu, en ngisu= panah. Skr. isu].

iso : K.N. de darmen van een beest.

esu : zie isu.

asah : gew. angsah, K.N.; ngasah, gew. ngangsah, slijpen, wetten, aanzetten, scherpen [Sd. ngasah, Ml. [asah of hasah]]

asêh : zie bij nasêh.

asih : of sih, K.N. gunst, genegenheid, liefde; gunstig; beminnen. -kasih, of kêkasih, begunstigde, gunsteling, lieveling. -ngasihi, een gunst bewijzen, begunstigen; beminnen; toegenegen, liefderijk. kasihan, K.N., dikasihi, n., dipun kasihi, K., l.v. sinihan, en kinasihan, begunstigd; lieveling. sih-sinihan, elkander beminnen. -ngasih-asih, om een gunst smeken; liefkozen, vleijen. -pasih, liefde, genegenheid. -pasihan, of pasiyan, gunstbewijs; de huwelijksliefde van nogjong getrouwden, in de wittebroodsweken zijn.

êsah : zie sah.

isih : N., taksih of têksih, K., nog, nog steeds, voortdurend. Ook misih, N., maksih, of mêksih, K. [Sd. masih. De grondvorm is sih, Vrg. ijih]. -ngisèhake, doen voortduren, bestendigen.

asin : K.N. zoutachtig, ziltig, brak, gezouten; pekel [Sd.Ml.id.]. banyu asin, zeewater.

--- 36 ---

iwak asin, gezouten vleesch of visch, pekelvleesch, haring. -ngasin, inzouten, inpekelen. -masin, ingepekeld zijn.

isin : N. [lingsêm, K., wirang, K.N.] beschaamd, zichschamen, schaamte [Sd.id.] -isinan, bedeesd, blode, bleu; bleu zijn. -ngisini, of ngisin-isini, beschamen, beschaamd maken. -ngisinake, beschaamd maken, onteeren.

isnèn : Arb. [itsnain], twee. dina Isnèn, N., dintên Isnèn, K., en gew. dina Sênèn, N., dintên Sênèn, K., of ook enkel Isnèn, en Sênèn, Maandag [Sd.Ml.id.]. asar : Arb. 'ashr, de tijd des gebeds, om half vier des namiddags.

asri : zie sri.

asru : zie sru.

asor : K.N. [êntèk, N., andhap, K.] laag, onder, beneden [De grondvorm is sor]. asor pêrangipun, onderliggen in den strijd, den strijd verliezen. andhap-asor, zie andhap, -asoran, ootmoed, nederigheid. -kasor, ten onder gebracht, overwonnen. -kasoran, een overwonnen vijand of overwonnen land; overwonnen worden. -ngasorake, of ngêsorake, N., -kên, K., verlagen, bernederen, verootmoedigen.

êsri : zie sri.

êsir : zie sir.

êsur : zie ngêsur.

usar : I. Holl. huzaar. II. K.N. smeersel. -ngusari, besmeren, over iets heên srijken. -ngusarake, N., -kên, K., met iets besmeren of bestrijken.

usir : of ungsir, K.N.; ngusir, of ngungsir, achterna zetten, vervolgen, verjagen [ngusir, =ngêsuk, en amburu, Ml. uusir id.].

usur : Arb. ['usyur, een tiendegedeelte. -pangusur, of yatra pangusur, het geld, dat ten bedrage van 10 ten 100 van zijn vordering de winner van een regtzaak voor proceskosten betalen moet, anders yatra panglubar, genaamd.

asrah : zie srah.

usrêk : K.N. in rep en roer, in drukke beweging zijn. -ngusrêk, veel beweging maken.

isarat : zie sarat.

asrêp : K. [adhêm, N., isis, K.N.] koud, koel, frisch; aangenaam, verkwikkend. -ngasrêpi, iemand verkwikken. kasrêpan, verkoeld, afgekoeld. -ngasrêpakên, koel maken, verkoelen. -kasrêpên, de konde koorts; te koud.

asrama : Kw. kluis, hermitage, verblijf van een Tapa of kluizenaar [Skr. âsarama]. asrami, z.v.a. asrama, [Skr. âsrami, tot een hermitage behoorende].

asrang : K.N. met haast tegen iets aanloopen, onverhoeds op iets stooten [grondvorm sêrang].

asrêng : zie sêrêng.

asring : K. [sok, N., kêrêp, K.N.] dikwijls, dikwerf, vaak, menigmaal, herhaaldelijk. Ook sring, in poëzie. asring-asring, zeer dikwijls.

asok : K.N. schenken, gieten; storten, betalen, b.v. pacht [De grondvorm is sok]. -ngasok, of ngêsok, uitstorten, uitgieten; betalen, geven. kasok.

--- 37 ---

uitgestort; uitgeput, krachteloos. -umasok, of umêsok, schenkende, gietende zijn. -ngasoki, of ngêsoki, iets schenken, ingieten; iets uitstorten, uitgieten; iets storten, betalen. -pasokan, storting van geld, betaling van pachtpenningen; termijn van een half jaar. -sosokan, of asosokan, storten, betalen.

êsak : of sak, K.N. [of K.; sêrik, K.N. of N.] hartzeer, grief; droefheid, verdriet [zie sak IV]. sak ing manah, gevoelig. -mêsakake, N., -kên, K. medelijden hebben met iemand. -ngêsakake, N., -kên, iemand hartzeer veroorzaken; deren.

êsuk : of suk, K.N.; ngêsuk, iemand in alle rigtingen vervolgen.

êsok : ngêsok, nêsoki, zie asok.

usuk : K.N. dakspar, sparrib. -undha-usuk, zie undha.

esak : Kw. behoorlijk, betamelijk, welvoeglijk. ora esak, onbetamelijk, het betaamt niet.

èsêk : K.N. schor, heesch [M.id.].

esuk : N. [enjing, K.] de vroege morgen, ochtend, vroeg [Ml.id.; Sd. isuk].. besuk esuk, morgen vroeg, morgen ochtend. dhèk wingi esuk, gisteren ochtend. mau esuk, heden ochtend. esuke, des anderen daags 's morgens. -sesuk, morgen ochtend. sesuke, den volgenden morgen.

osik : K.N. beweging, overweging, gedachte. osiking manah, de overweging van het hart, gedachte. -mosik, zich bewegen; overleggen. mosik sajroning ati, bij zich zelf overleggen. -kosik, bewogen, aan het wankelen gebracht. -ngosikake, N., -kên, K., in beweging brengen, de aandacht gaande maken.

usada : Kw. geneesmidde [= têtômba. Skr. ausadha]. -ngusadani, een geneesmiddel toedienen.

asta : K. [of liever K.h., tangan, n. of liever K.N.] de hand, de arm van den elleboog af tot aan de uiterste punt van den middelsten vinger; lengtemaat, een el [Ml.id., Skr. hasta]. -ngasta, of angasta, iets met de hand verrigten; K.h. [nyêkêl, n., nyêpêng, K.] in de hand houden, vatten, opvatten.

èstu : K. [ook yêktos, K., tamtu, en yêkti, N.] zekerheid, waarheid; in waarheid. saèstu, overeenkomstig de waarheid; zeker, waarlijk, waarachtig; voorwaar. -ngèstokake, N., -kên, K., verwezenlijken, bevestigen; huldigen, goedkeuren, gehoorzamen. -pangèstu, Kw. zegen, zegening [= pandonga jumurung].

asat : K.N. droog, uitgedroogd (van een rivier of zee); opgedroogd, opdrogen (van water). -umasat, opgedroogd. -ngasat, droogmaken, uitdroogen, afdrogen. -kasatan, grooten dorst hebben, smachten. -pasatan, een kleed, dat men na het baden aantrekt.

astana : Kw. begraafplaats [Sd. graf, grafstede,

--- 38 ---

tembe; Skr. âsthâna, verblijf, verblijfplaats; Ml. Pers. paleis. Vrg. stana].

astra : Kw. scherp, puntig; een wapen [= sanjata, Skr. astra, een wapentuig, een zwaard, boog, enz.]. bramastra, of brama astra, zie brama. -astra lungiyan, K.N. de berekening bij het aangaan van een huwelijk.

èstri : K. [wadon, en wedok, N.] vrouw, hetgeen tot een vrouw of hat vrouwelijk geslacht behoort, vrouwelijk [Sd.id., Ml. [istri], Skr. strî. Vrg. sêtri, beneden]. putra èstri, een dochter. kapal èstri, een merrie. sêgawon èstri, een teef. -ngèstri, een vrouw nemen. -èstrèn-èstrènên, K. [wêwadonên, N.] veel werk van vrouwen maken, geheel aan de vrouwen overgegeven zijn; onkuisch. -pawèstri, vrouw, vrouwen. -pawèstrèn, de vrouwelijke schaamdeelen. -paèstrèn, K.N. hoogland (têgal), dat rondom een woning ligt. -ngèstrèni, Kw. een zaak goedkeuren, bevestigen, huldigen, gehoorzamen [= angidèni]. kaestrenan of kaèstrèn, lijdende vorm.

istidrat : zie istijrat.

istipar : Arb. de aanhef van een gebed [misschien verbastering van [istighfar], het vragen om vergeving of genade, door te zeggen: God vergeve!

istijrat : of beter istidrat, Arb. [istidraaj] het vermogen van een ongeloovige om wonderen te doen; een wonder van een ongeloovige.

istijab : Ar. 1. [istiijaab], het verdienen; het noodig oordeelen; aanneming, goedkenring. -2. [isti'jaab] wonder.

istiyar : en ngistiyari, verbastering van iktiyar, en ngiktiyari. -ngistiyarakên, laten kiezen.

astagina : naam van een tooverbeker in de Manikmaya.

istingarah : Ar. gissing, vermoeden [isti'aarat beteekent het leenen, te leen vragen; het gebruiken van een woord in een overdragtelijke beteekenis; leenspreuk].

êsis : Seth, eig. van een zoon van Adam.

êsês : ngêsês, 1. K.N. door de tanden sissen. 2. K. [ngudud, N.] tabak of sigaren rooken. 3. K. [nyêrèt, N.] opium rooken, amfioen schuiven [vrg. sês, beneden].

isis : K.N. [adhêm, n., asrêp, K.] koel; een frissche koelte. -ngisis, 1. laten luchten, zich verkoelen [= nadhah angin]. -2. de slagtanden ontblooten, laten zien. -3. Kw. zich aan het gevecht onttrekken, de vlugt nemen. -kesisan, 1. K.N. aangewaaid, aangeblazen worden; lucht scheppen. 2. Kw. door zijn volk verlaten worden, alleen gelaten zijn [= tininggal ing bala].

usus : K.N. darm, darmen [Ml.id.]. -ngusus, de darmen uit het lichaam halen. -usus-usus, band, lint.

aswa : Kw. iets waarop men rijdt [= têtunggangan, en jaran, Skr. asywa, een paard]. aswanikumba : eign. van een zoon van Kumbakarna in de Rama, en van een stuk geschut op de Alun-alun van de Kraton te Surakarta.

--- 39 ---

asli : zie asal.

asal : ook wel angsal, K.N. wortel, oorsprong, beginsel; afkomst, afstamming, geslacht [Sd.Ml.id., Ar. ashl]. -asli, of ook asêli, z.v.a. het voorgaande [volgens een andere uitspraak van hetzelfde Arabische woord].

asil : K.N. inkomst, opbrengst, winst, voordeel [Sd.Ml.id., Ar. haashil]. -kasilan, bevoordeeld; inkomsten. -paasilan, inkomsten, voordeelen.

êsol : zie sol.

usul : K.N. sprekenzonder gevraagd te worden.

asêli : zie asal.

Islam : Ar. Islaam, het Islamisme, de mohammedaansche godsdient; Muzelman zijn, Muzelman worden. wong Islam, N., tiyang Islam, K., een Mohammedaan, een Muzelman. -ngislamake, N., -kên, K., Muzelmanmaken, iemand tot de mohammedaansche godsdient bekeeren.

asalingga : Kw. de top van een berg, volgens de Dasanama.

êsop : zie sop.

usap : K.N. [zie sausap]; ngusap, over iets heên strijken; vegen [Sd.id.] -usap tangan of sap tangan, K.N., usap asta, K.h., een handdoek, zakdoek. -ngusapi, iets afvegen; uitwisschen. -ngusapake, n., -kên, K., met iets afvegen. -usap-usap, lap, dweil. -ngusap-usap, wisschen, streelen.

asma : K.h. naam [Ar. [asmaa'], het collectie meervoudvan [ism], naam]. asmaning Allah, de naam van God.

èsmu : zie sêmu. asêm : K.N. zuur, wrang [Sd.Ml.id.]. wit asêm, Tamarinde-boom. -asêman, iets dat een wrangen smaak heeft; een bitter lijden, wederwaardigheid; de tusschenruimte tusschen de vingers.

êsêm : zie sêm.

usum : K.N. jaargetijde, saizoen [Sd.id. Vrg. ungsum].

èsêm : K.N. glimlach, vriendelijke lach; grimlach. -umèsêm, Kw., gew. mèsêm, glimlachen; grimlachen, meesmuilen. -ngèngsêmi, iemand vriendelijk toelachen; grijnzen, toegrijnzen.

asmara : of ook sêmara, 1. eign. van een Dewa, nam. van Kamadewa, den god der liefde [Skr. Smara]. 2. verliefdheid en mingenot, bijslaap [= rêsmi]. Ook 3. gevecht, oorlog [= pêrang, en prangan, Skr. samara]. asmaradana, naam van een zangwijze. asmaragama, een gebed of wensch bij de uitoefening van den bijslaap. -ngasmara, met iets ingenomen zijn. -ngasmarani, op iemand verliefdzijn. kasmaran, Kw. of. K.h. [= kedanan, en lênglêng, K.N.] verliefd, geheel met iets ingenomen, verzot zijn; wellustig, wulpsch.

asag : K.N.; ngasag, een nalezing houden. -asagan, hetgeen op een veld na den oogst liggen blijft.

asab : K.N. overeenkomstig, betamelijk; het betaamt.

astha : Kw. acht [= wêwolu, Skr. asta]. -asthabrata, naam van een geschrift. asthi : z.v.a. èsthi.

--- 40 ---

istha : Kw. gedaante, voorkomen, gelijkenis; aanduiding; gelijk, gelijkend [= wêwangunan].

èsthi : Kw. I. begeerte, wensch; gevoelen, gedachte [= budi, Skr. isti, wensch, begeerte]. saèsthining manah, de geheele wensch van het hart. -ngèsthi, begeeren, wenschen; zich aan iets herinneren; op iets zinnen, over iets nadenken. kaèsthi, of kèsthi, onverwogen, overdacht; gezien worden, zigtbaar; een vast voornemen, besluit [kèsthi= cipta]. -pangèsthi, gedachte, overleg, gepeins [= ciptaning galih]. II. olifant [= gajah].

asung : zie sung.

ising : N., ngising, [wawratan, en bobotan, K.] zijn behoefte doen, stoelgang hebben.

usung : K.N.; ngusung, en ngusungi, met zijn belenverdragen, goederen vervoeren [Ml.id.]. -ngusung-usung, goederen van de eene plaats naar de andere brengen.

awa : I. eign. Eva [Ar. [hawaa]]. II. begeerte, drift, lust [Ar. [hawaa]]. III. K.N. kwaad, slecht; toorn, boosheid; kwaadheid. IV. lucht, de lucht [Ar. [hawaa']]. padhang hawa, het licht van de lucht, het daglicht.

awi : z.v.a. wi.

awu : K.N. asch [Ml. abuu of haabuu]; ook graad van bloedverwantschap. udan awu, aschregen, motregen; overal, algemeen. -pawon, stookplaats, haard, oven, keuken, kombuis [Sd. id.]. -kêlawu, of kulawu, N., kêlabêt, K., aschkleur, grijs, graauw, vaal.

awe : K.N.; ngaw, met de hand wenken, toewenken. ngawe-awe, herhaalde malen, aanhoudend, wenken. -pangawe, wenk.

ewa : K.N. afkeer, tegenzin, misnoegen; verfoeijen. ewadene, en in Krama ook ewadentên, evenwel, desniettegenstaande, intusschen. ewasapunika of ewadene sapunika, ewasêmantên en ewamangkana, evenwel, nogtans. -ngewani een afkeer van iets hebben, haten. -ewan, afkeerig, stuursch. -pangewan-ewan, voorwerp van verachting, haat en afkeer.

èwu : K.N. duizendtal. sèwu, een duizendtal, duizend. rongèwu, N., kalih èwu, K., twee duizend. wadana sèwu, een der vier wadana jawi, zoo genaand, omdat hij vroeger het beheer had over een landstreek in Bagêlèn, urut sèwu genaand. -nyèwu, anyèwu, elk, ieder duizend. -ewon, duizenden, bij duizenden. -nyewoni, benaming van een offerhande voor een overledene op den duizendsten dag na zijn overlijden. -panèwu, z. ben.

uwa : I. zie wa, III. II., Kw., hoo ook, welke ook, wat ook. -kowan, K.N. onbepaald, onzeker.

uwi : zie wi.

awèh : N. [suka, en parêng, K., paring, K.h.] geven, aanbieden; toestaan, toestemmen, bewilligen, inwilligen; maken, veroorzaken [De grondvorm is wèh]. awèh wêruh, kennis geven. awèh ati, minzaam. -nguwèhi, [nyukani, K., maringi, K.h., ngaturi, K.N.] iemand iets geven; aanbieden, schenken. dak wèhi,

--- 41 ---

ik zalhet u (of hem) geven. diwèhana, men moet u (of hem) geven. wineyan, l.v.; gift, geschenk. -nguwèhake, iets geven aan iemand; overgeven, uitreiken. wèhêna, geb.w. -wèwèh, N. [nyênyukani, K., pêparing, K.h.] iets, het een of ander, geven; gift, aalmoes. -mèwèhi, geven. kawewehan, gift, geschenk. -mèwèhake, iets geven aan iemand of laten geven. -wewehan, gift, aalmoes, geschenk. -pawèwèh, gift, gave, geschenk.

awoh : zie woh.

uwuh : I. K.n. zie wuh. II. Kw.; nguwuh, roepen [= ngundang]. -nguwuh-uwuh, herhaaldelijk, bij aanhoudendheid roepen [= ngundang-undang].

uwoh : zie woh.

ewah : en ngewahi, zie owah.

èwêh : Kw. [vrg. ewuh] moeijelijk; moeijelijkheid; moeite, verdriet, zwarigheid. -kèwêhan, in moeijelijkheden gewikkeld zijn. ewuh : N., èwêd, K.; ook kewuh, en kewoh, in poëzie; moeijelijk, bezwaarlijk. -pakewuh, N., pakèwêd, K., moeijelijkheid, zwarigheid, bezwaar, hindernis. -ngewuhi, en ngèwêdi, bemoeijelijken, moeijelijkheid veroorzaken. kewuhan en kèwêdan, bemoeijelijkt, in moeijelijkheid gewikeld. -ngewuhake, en ngèwêdakên. moeijelijk maken. -makewuh, en makèwêd, moeijelikheid maken, zwarigheden in den weg leggen. -makewuhi, en makèwêdi, het iemand moeijelijk maken, lastig vallen. -ngewuh-ewuh, en ngèwêd-èwêd, de een of andere moeijelijkheid veroorzaken. -ngewuh-ewuhi, en ngèwêd-èwêdi, iemand eenige moeijelijkheden veroorzaken. -ewuh-ewuhan, en èwêd-èwêdan, de moelijelikheden die het geven van een feest veroorzaakt; een feest, een partij. -ewuh-aya, moeijelijkheid, zwarigheid.

owah : N., ewah, K., verandering, veranderend, veranderen; afwijkend, afwijken; verbijsterd van verstand, zinneloos [Sd.id.,Ml. [ubah]; vrg. obah]. ora owah-owah, N., botên ewah-ewah, K., onveranderlijk, eeuwig. -ngowahi, N., ngewahi, K., iets veranderen, verstellen, verbeteren.

awan : I. N. [siyang, K.] dag, in tegenoverstelling van nacht en morgen of avond, het midden van den dag, middag. -kawanên, te veel op het midden van den dag. II. Kw. weg. straat [= dêdalan, waarschijnlijk van Skr. awa, gaan]. -ngawan, een weg betreden, een weg gaan.

owèh : K.N. kwijl.

awon : zie ala.

iwèn : K.N. gevogelte. pitik iwèn, pluimvee.

uwan : K.N. grijs haar, grijsheid, grijsaard [Ml. [uban] of [huban]]. -uwanên, grijs haar hebben.

ewan : zie ewa.

ewon : zie èwu.

awun-awun : K.N. nevel, mist [vrg. bun].

awra : zie wra.

--- 42 ---

awêr : K.N. een touw. -ngawêri, iets vastbinden. ingawêran, vastgebonden worden. -awêr-awêr, bedekking, omwindsel; schort, voorschoot.

awur : Sd. strooijen, bestrooijen, bezaaijen [De grondvorm is wur. vrg. wuwur]. awur-awur, K.N. strooijen, zaaijen. -kawur, en mawur, zie beneden.

awor : en amor, K.N. vermengd, vereenigd met iets of iemand anders [De grondvorm is wor]. -ngawor, en ngêmor, vermengen, onder een mengen, bij een voegen, vereenigen. kawor, winor, dipun wor, kamor, en dimor, l.v. -pangêmor, menging. -pamor, gemengd metaal. -ngêmori, onder iets mengen, met iets vereenigen. kamoran, l.v. -kaworan, waarmeê iets vermengd of vereenigd is; bezwangerd. -ngworake, N. -kên, K., iets onder iets anders mengen of met iets anders vereenigen. -momor, zich vermengen, vereenigen. -momor, zich vermengen, vereenigen. -mowori, met iets het een of ander vermengen of vereenigen. kawoworan, of diwowori, l.v. -woworan, of momoran, vermenging, mengsel. -wowor sambu, misverstand (van sambu, voor saambu, van denzelfden reuk of geur). -momor sambu, geuren met elkander vermengen; iets metelkander verwisselen.

uwar : K.N., nguwari, iets uitstrooijen; bekend maken, bevelen. -uwar-uwar, iets overal bekend maken [= undhang-undhang, Sd. afgekondigd, bekend gemaakt; instelling, gebod].

uwêr : K.N. een ring onder om het gevest van een kris; een dorpswoord in plaats van mêndhak, rawur-awur, zie awur.

awrat : K. [abot, N., antêb, K.N.] zwaar, wigtig, zwaarwigtig; zwaarte [De grondvorm is wrat, Sd.Ml. bêrat]. -kawrat [kamot, N.] bezwaard, beladen, belast; [kasêbut, K.N.] bevat, begrepen. Kawrat ing dalêm sêrat, bevat in den brief. -ngawrati, bezwaren. Dipun awrati, l.v. -kawratan, bezwaard, overladen. -ngawrat-awrati, overladen. -ngawratakên, vcerzwaren. -wawrat [bobot, N.], zwaarte, gewigt; hetgeen iemand dragen kan; een weegschaal; overweging; [mêtêng, N, bobot, K.h.] zwanger, metjong (van een beest), zwanger zijn. ing sawawrat, ovenredig. -mawrat, wegen; afwegen, naar evenredigheid bepalen. mawrating tindak, de stappen van iemand nagaan, iemands gedrag beoordeelen. kawawrat ing parentah, door de regering naar evenredigheid bepaald. -mawrati, laden, beladen, belasten; zwanger maken. -mawratakên, iemand met iets belasten; [angêtêngake, N], bezwangeren, bevruchten. -wawratan, vracht, lading, last; zwangerschap; het kind waarvan de vrouw zwanger is; [ngising, N.], zinjn behoefte doen.

awak : N. (sarira N., badan, K.N.], lichaam, lift [Sd. id.], awake dhewe, N., awakipun piyambak, K. zijn eigen lichaam, hij zelf. awak prau, N., awak baita, K., het hol van een schip; ook het scheepsvolk [Ml. id.]. -ngawaki, iets in eigen persoon verrigten. -ngawaki pêrang, in eigen persoon ten strijd trekken. -kawakan, met iets belast zijn. -pangawak, [-pangawa...]

--- 43 ---

[...k,] een plaatsvervanger, gemagtigde. sumêngka pangawak braja, als een pijl opstijgen, een spreekwijzevoor; met lichaamen ziel ten hemel varen. -ngawakake, iemand in een zaak betrekken; bij een lichaam vergelijken; tot een lichaam maken. -awak-awak, gelijkend, even als; het lichaam wasschen, zonder het hoofd en de voeten nat te maken; invatting, lijstwerk, lemmer.

awuk : zie wuk.

iwak : N. [ulam, K.] visch, vicesch. iwak loh, riviervisch. iwak sêgara, zeevisch. iwak wêdhus, schapevleesch. iwak asin, zie asin. Amèk iwak, vischen.

uwak : I. zie wa, III. II K.N. gescheurd; geschorscht; verwaarloost. -nguwakake, N., -kên, K., scheuren, schorchen; verwaarloozen.

uwok : zie wok.

uwèk-uwèk : zie wèk-uwèk.

awad : K.N., voorgeven, veinzen. -awad-awad, bij herhaling voorgeven, veinzen, hutchelen. -pawadan, veinzerij, huichelarij, schijnheiligheid. pawadan alim, de schijnheiligheid van een priester. -ngawadake, N., -kên, K., iets voorgeven.

awud : zie awut.

uwêd : K.N., drukte. -nguwêd-uwêd, drukten.

èwêd : ngèwêd, ezn., zie ewuh.

awèt : K.N., duurzaam, onverslijtbaar, onverganklijk. ora awèt, N., botên awèt K., verganklijk.

awit : K.N. begin, oorzaak, reden; dewijl, omdat, vermits [De grondvorm is wit, zie ook wiwit]. sawit, van het begin af; geheel, al, alle, alles, geheel en al. awitipun sakit, het begin der ziekte. awitipun pêjah, de oorzaak van den dood. awit têk of awit saking, wegens, uithoofde van; ook betrekking hebben tot iets, tot iets behooren. awit dene of awit dening, vermits, dewijl, omdat. -kawit, begin, aanvang; beginnende van, van af. sakawit, het geheel, van het begin af gerekend. yatra sakawit, de geheele som. -ngawiti, iets van voren af aan beginnen. kawitan, oorsprong, oorzaak, aanleiding.

awut : of awud, K.N.; mawut of mawud, zich verspreiden, verstrooijen. -ngawut-awut, uitstrooijen, verstrooijen, verspreiden, verkwisten.

iwit : K.N. spaarzaam, zuinig, huishoudelijk.

uwat : I. Kw. sterk, stevig. II. K.N. het persen van een barende vrouw.

uwit : zie wit II.

uwot : zie wot.

awas : K.N. duidelijk, klaar, scherp ziende; doorzien, voorzien, voorspellen [= wruh durung winarah. De grondvorm is was]. ngawasake, N., -kên, K., met naauwkeurigheid beschouwen, scherp op iets zien, zich van iets overtuigen. -wawas, Kw. helder zien [= wit nêrangakên paningale]. -mawas, K.N. naauwkeurig zien, staren, aanzien, aanschouwen, aanstaren; mikken, doelen. wawas-winawas, [wawas-wi...]

--- 44 ---

[...nawas,] elkander aanzien. -pamawas of pangwawas, het plaats hebben van mawas. -pangawasan, bezwering, b.v. van een wapentuig, om er zeker meé te treffen, [doch waarschijnlijk wordt dit woord beter pangawasan, geschreven, zoodat het afgeleid is van kawasa, en eigenlijk met magt bekleeding beteekent].

awis : zie arak en arang. ngawis zie anyan. awisan zie arang en warangan.

uwas : K.N. huiverig, twijfelmoedig; aarzelen. uwas-uwas, voortdurend huiverig.

uwis : zie wis.

uwus : I. N. zie wus. II. uwus, Kw. en wuwus, Kw., K.N. het spreken, wat iemand zegt [wuwus = pangucap en pangandika]. muwus, zeggen, spreken; verhalen [=calathu]. winuwus, l.v. -pamuwus, het spreken. -nguwus-uwus, K.N. bitse taal voeren, verwijten. -panguwus-uwus, verwijting.

uwos : zie wos.

awal : Arb. [awwal] het eerste, de aanvang [Sd. Ml. id.]; de vroege morgen, oehtend; de tegenwoordige tijd, thans.

uwal : K.N. los, niet vastgebonden; los gaan, los komen. -nguwalake, N., -kên, K., los laten.

owêl : K.N. [vrg. eman] jammer, te bejammeren, beklagenswaardig, jammerlijk. -ngowêl, beklagen, bejammeren. -pangowêl, bejammering, medelijden.

awag : K.N.; ngawag, oppervlakkig, onvoorzien. -awagas, gissing. iku mung awagan bae, dat is slechts een gissing.

awig : Kw. kunnen, in staat zijn [vrg. wignya].

awibawa : zie wibawa.

uwang : zie wang.

uwong : zie wong.

awang-awang : K.N. het luchtruim [vrg. tawang, en wang]. Ook onbegrensd. sêgara awang-awang, de onbegrensde oceaan. -ngawang, in de lucht zweven. -ngawang-awang, zich in de hoogte verheffen. -awang-awangên, in de lucht zweven.

awang-uwung : Kw. de ledige ruimte, vóódat de wereld geschapen was.

uwang-uwang : Kw. blanketsel van het voorhoofd [=paès].

ul : Kw. een glans verspreiden.

ala : N., awon K., kwaad, slecht, gemeen; leelijk. wong ala N., tiyang awon K., een slecht mensch, een booswicht. rupa ala N., warni awon K., een lelijkefiguur. ngalani, en ngawoni, iemand kwaad doen; iets bederven. -ngalakake, en ngawonakên, iemand verongelijken , schenden, lasteren. -piala, en piawon, het kwaad, iets kwaads, eenig kwaad.

alu : K.N. een rijststamper [Sd. Ml. id.]. -alu-alu, naam van een thans onbekend wapentuig, waarschijnlijk een soort van knods of strijdkolf. -alu gora, naam van een strijdknods.

alo : K.N. [T.D.; kaponakan N., kapenakan K.] neef, nicht.

ila : gew. ila-ila K.N. een oud herkomen, oud gebruik, overlevering, oude stelregel.

--- 45 ---

ili : K.N. I. [liru N., lintu K.] in ruil geven, in de plaats stellen. -ngilèni [nglironi N., nglintoni K.] verwisselen, verruilen; [nêmpuhi N., nêmpahi K.] schadeloosstellen, ontgelden. -ilenan, schadevergoeding, schadeloosstelling. II. op het water drijven; loop, afloop van water, afwatering. -mili, vloeijen, drijven. -ngili, voortdrijven; van de eene plaats naar de andere vlieden. -kèli, door het water voortgedreven worden, wegdrijven; drijven, vlieten. -ngilèni, een afleiding aan het water geven, een veld onder water zetten. -ngilèkake N., -kên K., doen drijven; water doen afloopen, afleiden. -ilèn-ilèn, afleiding, waterleiding. -ngèli, op het water drijven. -ngèlèkake N., -akên K., op het water laten drijven, laten voortdrijven.

ilu : K.N. [vrg. idu en ilêr] speeksel, zever, kwijl. -milu N. [dhèrèk en tumut K.] medegaan, verzellen, vergezellen, volgen; meêdoen. Men vindt ook mèlu, -ngiloni K.N. de partij van iemand nemen, iemand bijstaan. -ilon-ilonên K.N. of N. [dhêdherekan K.] partijdig, eenzijdig. -kèlu, onwillekeurig medegevoerd worden, zich laten medevoeren.

ula : N. [sawêr K.] slang [Ml. ula, Sd.orahi]. -ngula, als een slang kruipen. -ula-ula, de ruggestreng, ruggegraat.

uli : zie wuli.

ulu : Kw. het eerste, voornaamste; hoofd, aanvoerder; gevest [Sd. Ml. id.]. Ook K.N. naam van een leesteeken boven een letter, waardoor de vokaal i beteekend wordt. -ulu-ulu, de opperste, voornaamste. -ulon K.N. hoofdeneinde. -pangulu, opperpriester, hoogepriester. pangulu banyu of pamulu banyu, de aanlegger van een dam; ook de belasting die aan hem betaald wordt, om genot te hebben van het gebied van den afgedamde water. -pangulon, het gebied van den Mas Pangulu. -ngulu en kolu zie beneden onder de nga en ka.

elo : Holl. el, elle.

alih : en ngêlih zie ngalih.

êluh : zie luh.

êloh : zie loh.

ulah : zie olah.

ulih : N. [antuk K., kondur K.h.] terugkomst, tehuiskomst. -mulih, terugkeeren, naar huis gaan. -ngulihake, doen terugkeeren, naar huis brengen; terugzenden, teruggeven. -pulih zie beneden.

olah : of ulah K.N. bewerking, bereiding, beoefening [ulah = tingkah]. -ngolah of ngulah of ook aolah, bereiden, bewerken, beoefenen; spijzen gereed maken. ngolah siti, den grond bearbeiden. ngolah pamicara, een redevoering houden. ngolah sêmu, zich vriendelijk toonen. angolah sarira, werk van het lichaam maken, opschikken. olah kasagêdan, beoefening van kunsten. olah sastra, de latteren beoefenen. olah mukti, naar geluk streven. -olah-olah K.N., ucal-ucal [ucal-u...]

--- 46 ---

[...cal] K.D., koken. olah-olahan K.N., ucal-ucalan K.D., kooksel, gereed gemaakte spijzen, geregten. -pangolah, het toebereiden van spijzen; een kok. -solah, en polah zie beneden.

olih : olèh.

olèh : ook wel olih, gescheven N. [angsal en pikantuk K.] verkrijgen, erlangen, bekomen, magtig worden [Ml. id.]; ook [angsal en gew. gèn K.] een hulpwoord, om van een werkwoord een naamwoord te vormen, dat gelijk staat met een door middel van het voorzetsel pa, pa, van een werkwoord afgeleid naamwoord (zie bij ênggon); b.v. lolèhmu ngombèkake,olèhmu ngombèkake. uw drenken. olèh gawe, een werk gedaan krijgen, in iets slagen, saolèh-olèhe, op de een of andere wijze, of wat er ook van komen moge. -ngolèhake, doen verkrijgen, bezorgen. -pakolèh, het verkrijgen, nut, voordeel; verkrijgen, bekomen. -makolèhi, nut hebben, baten. -olèh-olèh, een geschenk, dat men voor iemand van een reis medebrengt. -olèh-olehan, wat men van iets krijgt, opbrengsten.

alih-alihan : zie ngalih.

ala-ulu : naam van een berg in het Pajajaransche.

ali-ali : zie ali-yali.

alu-alu : zie alu.

êla-êla : Kw. roem, lof. -ngêla-êla, prijzen, roemen.

ila-ila : zie ila.

aluamah : K.N. kwaad, toornig [Zie echter luamah].

alun : K.N. golf, baar [=ombaking sêgara Ml. id.]; ook een loopend gerucht, doch altijd in een ongunstigen zin. -alun-alun, en groot vierkant plein voor het paleis van vorsten en regenten [Sd. Ml. id.]; ook slecht gerucht, slechte naam. wong kang kalêbu alun-alun ing durjana, iemand die in een slecht gerucht staat.

alon : K.N. langzaam, zacht [Het grondwoord is lon]. -alon-alonan of lon-lonan, langzamerhand, allengskens. -nglonloni, ietslangzaam doen; langzaam gaan; vertragen. -ngalonake N., -kên K., iets langzaam laten doen.

ulun : Kw. onderdaan; ik, mij, wij, ons [=kawula. Zie de Spraakkunst].

ulon : K.N. stem, geluid. Zie ook onder huhu.

ilèn-ilèn : zie ili.

ilon-ilonên : zie ilu.

alur : ongebr. [Ml. groef, vore]. -aluran K.N., het spoor van iets, dat langs den grond gesleept is, karrespoor, karbouweweg [Ml. alur-aluran id.]; velen die achter elkander gaan; ook een getrouwde vrouw [Het wordt verklaard door sundêl].

êlêr : zie lêr.

êlar : zie lar.

êlur : K.N. een kleine soort van worm, aardworm. Vrg. lur en ulêr.

êlèr : zie lèr.

--- 47 ---

ilar : K.N.; milar, op zijde springen [Een ander milar, zie bij wilar].

ilêr : K.N. [vrg. ilu] specksel, kwijl, zever. -ngilêr, kwijlen.

ilir : waaijer. -ngiliri, waaijen, met een waaijer wind maken.

ular : ongebr.; ngulari K.N. [ngulati N., ngucali K.] zoeken. -ular-ular, naaigaren.

ilèr : naam van een gewas.

ulêr : K.N. worm [vrg. êlur, Ml. ular, slang; ook worm, rups]. ulêr wulu, rups. ulêr nilan, een lange, harige rups. -ngulêr, zich als een worm krommen. -ulêr-ulêr, de ringen aan den loop of de lade van een geweer, waarin de laadstok gestoken wordt. -ngulêr-ulêri, een geweer van zulke ringen voorzien; kromme vingers maken; iets ontvreemden, stelen. -ngulêr-ulêrake N., -kên K, een geweer met ringen voor den laadstok laten voorzien.

ulir : K.N. schroef, kurketrekker. -ngulir, schroeven, draaijen.

ulur : K.N.; mulur, langer worden, zich uitrekken; voortgaan, voortgang hebben. -ngulur, langer maken, rekken, uitrekken. -ulur-ulur, lint, band; stijgriem.

elur : K.N. krielen, wemelen [van mieren]; in groot getal achter elkander loopen; velen, die dezelfde rigting naar een plaats nemen.

ular-ular : zie ular.

aluran : zie alur.

alok : of êlok K.N. roepen, schreeuwen [grondvorm lok]. alok-alok, aanhoudend roepen. -kalok, vermaard, beroemd. -umalok of umêlok, aan het schreeuwen zijn. -ngalokake of ngêlokake N., -kên K., iets uitroepen, algemeen bekend maken, uitventen; iemand iets toeroepen.

êlak : Holl. zegellak [Sd. Ml. lak. id].

êluk : K.N. kromte, bogt. -ngêluk, buigen.

êlèk : N. [wungu K.] het openhouden der oogen, wakker zijn. -mêlèk, de oogen open houden of hebben, waken, wakker zijn, niet slapen. -ngêlèkake, iemand de oogen openen, ziende maken.

êlok : zie alok.

ilok : K.N. goed, deugdzaam [vrg. elok].

ulêk : K.N. [Ml. uleq; mulêk, inde rondte draaijen, warlen. -ulêkan, draaikolk, maalstroom; wervelwind.

uluk : K.N. rijzen, in de hoogte gaan; ook aanvangen. uluk salam, het eerst groeten. -muluk, zich in de hoogte verheffen, in de hoogte vliegen; rijzen, stijgen. -nguhuk, opligten, opheffen, verheffen [zie ook Tijdschrift voor Ne?rl Indi?. V. 1. p. 601]. -ngulukakên, iets in de hoogte doen gaan.

elik : K.N. tegenzin, afkeer, afkeerig, een afkeer hebben, versmaden; inzonderheid van den tegenzin, die dikwijls jong getrouwden, nadat zij met elkander gehuwd zijn, tegen elkander hebben. -ngelikake, tegengaan, verhinderen, door vermaning van het kwaad terughouden.

èlèk : N. kwaad, slecht.

--- 48 ---

elok : K.N. wonderbaar [Ml. [elok], voortreffelijk, uitmuntend, schoon, Vrg. ilok]. -kaelokan, wonder, mirakel.

alad : z.v.a. ulad of alat.

alud : Kw. [De grondvormis lud, Zie ook anglud]; ngalud, volgen. -ngaludi, iemand volgen. kaludan, gevolgd, voortgedreven worden. -lumud, volgen, geleiden.

ulad : K.N. glans, schijn van vuur, vlam, -mulad, vlammen, branden.

iladuni : of ngiladuni, voorzegging [Men houdt het voor een. Arabisch woord: maar wat woord mag dat zijn?]. ngèlmi iladuni, de wetenschap der voorzegging.

uladara : K.N. een landlooper; schooijer. -nguladara, of ngulôndara, dolen, zwerven, omzwerven, een vagabondsleven leiden.

aldaka : Kw. berg, volgens de Dasa-nama.

alat : 1. z.v.a. walat. 2. K.N. [verg. alad] do weêrkaatsing van het licht, glans, schijn, weêrglans. -ngalat-alat, een groot vuur dat een uitgebreiden glans verspreidt.

alit : K. [cilik, N.] klein, gering, onaanzienlijk. tiyang alit, een gering persoon, de kleine man, het gemeene volk. manungsa alit, een gewoon mensch. alit manahipun , klein van hart, kleinhartig. -pangalit, een mindere. -ngalitakên, klein maken. ngalitakên manah, ontmoedigen.

alot : zie lot III.

êlêt : zie lêt.

ilat : N. [lidhah, K.] de tong [Sd. id.].

ulat : 1. K.N. [rai N. of K.N. wadana K.h.]gezigt, aangezigt, gelaat. -mulat, ook ngumulat en mulati, zien [mulat en mulati =aningali]. -ulatan, het voorwerp dat gezien wordt, de afstand zoo ver het gezigt reikt. -polatan, gezigt, uitzigt. II. K.; ngulati, N. [ngucali K., ngulari K.N.] zoeken.

ulêt : K.N. gemengd, vermengd; verwikkeld. -ngulêt, kneden, door elkander knedén. -ulêt-ulêtan, buikpijn; buikpijn hebben.

alas : N. [wana, K.] bosch, woud. ayam alas, een boschhaan. asu alas, een wilde hond. setan alas, een boschduivel. -alasan, wild; b.v. jaran alasan, een wild paard. -alas-alasan, naar een woud gelijken; een klein bosch.

alis : N. [ron en imba K.] wenkbraauw, de wenkbraauwen [Sd. Ml. id.]. ngincang alis, de wenkbraauwen ophalen (een uitdrukking van toorn).

alus : K.N. fijn, fraai, netjes, sierlijk [Sd. Ml. id. Vrg. lus. rurus en arus; ook de ziel. alus pambêkanipun, bescheiden. têmbung alus, minzaam. jisim alus, een fijn, aetherisch lichaam.

êlas : zie las.

êlus : zie lus.

ulês : K.N. bekleedsel, omslag, couvert [Ml. id.] doodkleed, lijkkleed; en [ook dhasar K.N.; rupa N., warni K.] kleur; b.v. ulêsipun kapal, [kapa...]

--- 49 ---

[...l,] dekleur van een paard. ulês bantal N., ulês lêmpir K., ulês kajang sirah K.h., een kussensloop. -ngulêsi, omkleeden, een lijk bekleeden, in linnen wikkelen. ulês-ulês, geheel bedekt.

èlês : Holl. els.

aluwan : Ml. [alauan] of [halauan], de voorstevenvan een schip.

aliwawar : Kw. plotseling verschijnen, komen opdagen. Ook benaming van een storken wind, stormwind [angin kang ngentirakên watu].

ali waris : z.v.a. Ahli waris. zie Ahli.

alul : Ar. [?] bekwaam, bedreven. alul iman, in de zaken van het geloof bedreven zijn [misschien wel Ar, [ahlul imaan], menschen van het geloof].

Allah : K.N. God [Arb. Allah; Sd. Ml. id.]. Allah tangala, of Allahu tangala, Arb. Allahu tangala, de hooge God, God de allerhoogste.

alpa : Kw. onwetend, dom; onverschillig; leugen, bedrog [=kurang, ina, lali, kêsèd, cidra. Ml. achteloos, vergeetachtig; verzuimen; Sd. ontrouw; Skr. alpa, kwaadheid, slechtheid, bedrog [=ala, cidra, asor en lali].

alap : K.N.; ngalap, nemen [=amèk en ngamèk]. ngalap bojo, een vrouw nemen, trouwen. kalap, l.v. [=kapêndhêt]; ook inalap Kw. l.v. [=ingamèk]. -ngalapi, iemand iets ontnemen, berooven. -pangalapan, wegneming, ontvoering, schaking. alas pangalapan, benaming van een bosch, waaralles weggenomen wordt en verloren gaat. -ngalapakên, iets laten wegnemen. alap-alap, naam van een roofvogel, een valk of gier [Sd. een gier]. -alap-alapan, iets dat dat men neemt.

alêp : of alêb, Kw. fraai, bevallig.

alip : Ar. Aliph, naan van de eerste letter van het Arabische alphabet, en van het eerste jaar van een Windu. -alip-alipan, Kw. de eerste beginselen van een kunst of watenschap.

ulap : K.N. 1. verbaasd, bevreesd; vrees. II. wegwerpen, -ngulapi, iets uit den weg ruimen, van iets ontdoen. ngulapi kalilis, een hindernis uit den weg ruimen. -ulap-ulap, riem, lederen omwindsel. III. ngulap Kw. begluren, bespeiden [ngulap-ulap = ningali].

alupi : z.v.a. palupi.

alpèrès : Port. alferes, een vaandrik, een sous-luitenant.

alpa daya : zie alpa.

ilapat : Ar. een gezigt, verschijning; teeken [?].

alap-alap : zie ulap.

ulap-ulap : zie ulap.

alip-alipan : zie alip.

uliya : Kw. een priesterorde.

aliyali : of ali-ali N. [lèpèn K., kalpika, K.h.] een ring aan den vinger, een vingerring [Sd. ali]. -ngalèn-alèni, een ring om den vinger doen.

--- 50 ---

alam : ook ngalam, Ar. ['aalam], de wereld, het heelal [Ml. id.]; ook eeuw, leefijd, tijdperk [Sd. id.]. paku alam, eign, een van den Sultan van Jokjokarta, onafhankklijken prins in het Jokjokartasche; eig. spijker der wereld. -alam-alaman, hetgeen tot deze wereld, den tijd behoort; tijdelijk, wereldsch.

alêm : K.N. prijs, lof, aanbeveling [Sd. id.]. -malêm, roemen, loven, prijzen, aanprijzen, aanbevelen. -alêman, vleijerij. -pangalêm, lof, roem, lofverheffing, lofspraak. -pangalêman, lof.

alim : I. Ar. [haliim], zachtzinnig. zachtaardig; bedaard. II. Ar. ['aalim], geleerd, een geleerde, priester [Sd. Ml. id.]. -ngalimi, iets met bedaardheid verrigten.

alum : K.N. verwelkt, verflensd, verbleekt; verwelken.

êlom : K.N. een bleek gelaat.

ilam : K.N. het been, dat het hoofd met de ruggestreng verhindt.

ulam : K. [iwak N.] visch, vleesch. ulam loh, riviervisch. ulam sêgantên, zeevisch. ulam maesa, buffelvleesch. ulam menda, schapevleesch. mêndhêt ulam, visschen. -ulam-ulaman, onderscheidene vleeschen, vleeschspijzen, vleeschgeregten.

ulama : of ngulama K.N. ook wel ngulami K., Ar. ['ulamaa'], een geleerde, een doctor, voornamelijk een Godgeleerde; zeer bedreven zijn.

ulêg : K.N.; ngulêg, fijn stampen, fijn malen, tot gruis maken, verwen of medicijn op een steen wrijven. -ulêg-ulêg, het wertuig, waarmede iets tot gruis gemaakt wordt, een stamper.

alugora : zie alu.

alêb : zie alêp.

ilab : k.N. een enkele.

alub-alub : K.N. een proef nemen, beginnen. -ngalub-alubi, den bruidegom en de bruid een weinig van de wenkbraauwen en van de haren in den nek en aan het voorhoofd afscheren, een gebruik in den avond voor den trouwdag.

ulu balang : K.N. zendeling, bode, afgevaardigde [liever voorvechter; = pangarêp prang, Ml. id.].

alang : I. Kw. kruipen. II. K.N. dwars over, de breedte van iets [Ml. id.]. -ngalangi, dwarsboomen, dwarsdrijven; verhinderen, belleten; tegenhouden. kalangan, verhinderd, gestuit worden; hindernis. -ngalang-alangi, iets op eenigerlei wijze of op alle mogelijke wijze tegengaan; tegenhouden, belleten, hinderen, dwarsboomen. kaalang-alangan of kalang-alangan, beletsel, hinderpaal. ngalangakên, iets in den weg leggen. -palang, en pêpalang, dwarshout, dwarsboom, dwarsbalk; hinderpaal. -malang, dwars, over dwars [Sd. id.]; dwarsboomen, beletten, niet toestaan, weigeren. wali malang, een dwarsboomende Wali, d.i. een Wali, die zijn toestemming tot een huwelijk niet geven wil. pinalang l.v. -pamalang, het beletten, verhinderen, tegengaan. -malangi en mêmalangi [vrg. mambêngi, iemand of iets verhinderen, tegenhouden, dwarsboomen. pinalangan, l.v. -alang-alang [-alang-a...]

--- 51 ---

[...lang] N. [kambêngan K.] een soort van lang rietgras, dat tot het dekken van huizen gebruikt wordt; een daarmee gedekt dak. -kumapalang, aarzelen, twijfelen; uitstellen.

aling : K.N. scherm; festoen. -ngalingi, bedekken, verbergen; beschermen. kalingan, bedekt, verborgen. -alingan, een bedekte, beschermde plaats. -aling-aling, scherm, schutsel, behangsel. -ngaling-alingi, iets goed bedekken, naauwkeurig verbergen; goed beschermen, beschutten, behangen.

êlung : of lung K.N. knop, scheut, loot, van een tak. -ngêlung, als een scheut zijn; b.v. jôngga nglung ing gadhung, een hals als de scheut van de Gadhungplant, d.i. zoo fijn en slank.

êlèng : of lèng K.N. een get in den grond. -anglèng, een get in den grond maken.

êlong : of long K.N. vermindering, aftrekking. -ngêlong, korten, verminderen, aftrekken. kalong, afgetrokken, verminderd; vermindering. -ngêlongi, iets verminderen; afhouden, aftrekken.

ilang : N., ical K., verdwijnen; verdwenen, verloren, to zoek geraakt; verlies [Ml. id.]. -ngilangi N., ngicali K. iets verliezen; iemand ontwijken, zich aan iemands navorsching onttrekken. kaelangan of kelangan N., kaicalan, kecalan of kaecalan K., de persoon die iets verloren beeft, iets kwijt geraakt is; een verlies lijden. dina kailangan, de dag des doods, het doodenrijk. jaman kailangan, de tijd der verdwijning, d.i. de andere wereld. -nginganglakengilangake. N., ngicalakên K., iets laten verliezen of verloren gaan; doen verdwijnen, iets uit den weg ruimen, vernietigen. -prailang, het verliezen, verlies.

iling : ongebr. [Ml. gadeslaan, achtgeven]; ngiling-ilingi K.N., bezigtigen. iling miling, links en regts om zich heen zien.

ulang : ongebr. [Ml. aanhouden, herhalen, heen en weêr gaan]; ulangan K.N., iemand die dikwijls van plaats of heer verwisselt; een landlooper, schooijer; zwerven.

ulêng : K.N. omvatten; met elkander worstelen, van vrouwen. -ngulêng, in het haar vatten; het haar om de hand te omvatten. -ulêng-ulêngan, in de rondte draaijen, velen die rond of door elkander loopen; opstand, verwarring.

uling : K.N. een soort van groote waterslang.

ulung : I. zie wulung. II. grondvorm van ngulung K.N. overgeven, overreiken. kaulung, l.v. -ngulungi, iemand iets overreiken, toereiken, overgeven. -ngulungake N. , -kên, iets aan iemand aanreiken, toereiken, uitreiken, overgeven; iemand overleveren, uitleveren. -mulung, overgereikt.

eling : N. [èngêt en emut K.] zich herinneren, indachtig zijn of worden, gedenken, herdenken; omdenken, bedachtzaam zijn; tot zich zelf komen, uit een flaauwte bijkomen, -ngèlingi, zich iets herinneren, aan iets denken. kaelingan of kèlingan, indachtig gemaakt, herinnerd worden; herinnering, geheugen. [ge...]

--- 52 ---

[...heugen.] -ngelingake, indachtig maken, in het geheugen roepen; herinneren, waarschuwen. -elingan, goed van geheugen. -peling of pêpeling, herinnering, waarschuwing. -pangeling, aandenken, gedachtenis. -ngeling-eling, zich bezinnen, verbeelden. -pangeling-eling, he

alang-alang : zie alang.

apa : N., punapa K., napa Md., wat? ook, vóór een zin geplaatst, een cenvoudig vraagwoord, dat zleechts een vraag te kennen geeft, en dan in het Hollandsch niet vertaald wordt [Ml. id.]. apa-apa N., punapa-punapa K., wat ook. apa-apa N., ook naam van een gewas. ora apa-apa N., botên punapa-punapa K., niet met al, niets. apadene N., punapa dene, punapa dening of of ook punapa dentên K., voorts, als ook, als mede, apa manèh N., punapa malih, voorts, en verder, en wederom. punapaa K., napaa Md. [genea of yagene N.] watmoet het? waarom? -ngapa N., nênapa Md., naar iets vragen, zeggen "Wat is het?" Ook voor ing apa, -ngapakake N., mupapakakên K., wat doen? wat iemand doen? wat met iets doen? b.v. anakke kuwe arêp kokapakake, wat wilt gij mijn kind daar doen? -ngapak-ngapakake N., munapak-munapakakên K., wat of wat ook doen; in entkennende zinnen, niets doen; b.v.iku aja kokapak-kapakake, doe dien niets. -kapan K.N. wanneer? [Ml. id.]. -sapa zie beneden.

api : I. Ml. [api] of [apii] vuur. api-apim of api-yapi K.N. zich bij een vuur warmen. -prapèn, pêrapèn of parapèn K.N., vuurplaats, komfoor, vuurtest, fornuis, smeltfornuis. II. K.N. gew. api-api of api-yapi, veinzen, voorgeven, voorwenden, buichelen, den schijn van iets aannemen; geveiusdheid; voorwendsel; kwanskwijs [Sd. id.]. api ora , veinzen iets niet te weten. -apèk-apèk, geveinsdheid, huichelarij; kwanskwijs.

apu : K. [ênjêt N.] toebereide kalk [Sd. id.]. -ngaponi, met kalk bestrijken.

êpe : zie pe.

ipe : K.N. zwager, schoonbroeder, schoonzuster [Ml. [ipar]]. kaipe, tot schoonbroeder aangenomen.

upa : K.N. een kruimel gekookter rijst [=sêga kang ijèn-ijèn]. priyayi jaga upa, een persoon, die geen traktement ontvangt, maar van de overgeschotene brokken leeft. -upajiwa, kostwinning. -ngupajiwa, de kost winnen. -pangupajiwa, kostwinning.

apoh : of apuh K.N.; ngapoh of ngapuh, wringen, drukken, persen; melken [Het grondwoord is poh of puh].

apuh : zie apoh.

êpih : K.N. de milt [of de maag].

upih : K.N. de schil, die onder de bladen van den Pinang-boom groeit en den boom geheel omgeeft. Men maakt er bakjes van of gebruikt het ook om iets in te wikkelen [Ml. id.].

epah : zie opah.

--- 53 ---

èpèh : K.N., inhalig, baatzuchtig; iegenbelang; eigenbelang, baatzucht.

opah : N., epah K., belooning, dagloon, werkloon [Ml. [upah]]. -ngopahi N., ngepahi K., beloonen, vergelden. -opahan N., epahan K., loon, maakloon.

apa-apa : zie apa.

api-api : zie api.

apan : K.N. en, voorts; te weten, namelijk [Zie ook pan en mapan].

apèn : en ngapèni, zie opèn.

ipun : zie e

opèn : K.N., ook apèn K., zich met de zaken van anderen bemoeijen; bemoeial. ora opèn N., botên opèn K., onbezorgd, onverschillig [openan, Sd. gebabbel]. -ngopèni, zich om iets, als een zaak van aangelegenheid, bezig houden. ora ngopèni N., botên ngopèni K., geen acht op iets slaan, veronachtzamen, verwaarloozen; onverschillig. ngopèn-opèn, het toezigt houden over iets of iemand; op last van een ander iets doen.

apuntên : zie apura.

upacantên : zie upacara.

upacara : K.N., ook wel upacantên K., teekens van onderscheiding, eeretekens, rijkssieraden, insigniên; staatsie, praal, pracht [Ml. id.].; Skr. upacara, bedienig, b.v. van betel, enz.].

êpur : N. gelijk staan, niet winnen of verliezen [zie pur].

opor : K.N.; ngopor, vleesch aan het spit braden.

apura : K., apuntên K., vergeving, vergiffenis, verschooning, genade [ampura, Sd. [ampun] Ml.]. jaluk apura N., nyuwun apuntên K., verschooning vragen, zich verontschuldigen. -ngapura N., ngapuntên K., vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, verschoonen. apura-ingapura N., apuntên-ingapuntên, elkander vergeven. -pangapura N. pangapuntên K., vergiffenis, kwijtschelding, genade. nyuwun pangapuntên, vergiffenis vragen.

êpring : zie pring.

apik : K.N., keurig, zindelijk, netjes; kiesch; deugdzaam; keurigheid, kieschheid.

apèk : of êpèk N.; ngapèk of ngêpèk, en amèk, ook ngamèk [ook ngamèt en jupuk N., mêndhêt K.] nemen; afnemen; aannemen, adopteren; in ontvangst nemen; halen [De grondvorm is pèk]. pèkên of êpèkên geb. wijs. dipèk l.v. kowe dakpèk anak, ik zal vuur halen. amèk iwak, visschen. -pamèk of pangamèk, afneming, ontneming; ontleening. -apèk-apèk zie api II.

êpak : I. zie pak. II. K.N.; ngêpak, veel tegelijk koopen; veel tegelijk verkrijgen.

êpèk : zie apèk.

êpok : K.N. het onderste, benedenste, laatste [laat...]

--- 54 ---

[...ste] in een vat. -pok-pok, tot het laatste toe, geheel en al.

ipak : K.N.; ngipak, in hetwater plassen. -ipak-ipak, een golvende beweging van het water. -ngipak-ipak, aanhoudend in het water plassen.

ipuk : K.N.; ngipuk, overreden, bepraten, overhalen.

èpèk : K.N. een smalle buikgordel met gespen, die over den paningsêt gedragen wordt, en tot de oorlogskleeding behoort. -ngèpèki, omgorden, een Èpèk om den buik doen. -èpèk-èpèk, de vlakkehand, palm, handpalm.

opak : K.N. naam van een soort van gebak, een soort van groote, dunne koekjes [Ml. id.].

epok : K.N. Sirih-kist [Ml. id.]. Zulk een Sirih-kist behoort tot de onderscheidingsteekenen van den kroonprins en van alle ambtenaren tot een Panèkêt toe.

èpèk-èpèk : zie èpèk.

upaksi : of upêksi zie upiksa.

upiksa : Kw., upaksi of upêksi K., kennis [upaksi = wêruh Skr. upêxâ, verwaarloozing, veronachtzaming, minachting, enz.; en upaksi, dat men, geloof ik, niet Kråmå, maar Kawi, noemen moet, is zamangesteld uit Skr. upa, bij, en axi, oog, doch in deze zamenstelling, zoo veel ik weet, niet in gebruik. upiksa, schijnt even als piksa (zie beneden) met pariksa of priksa, onderzoek, verward te zijn]. atur upêksi, kennis geven, berigten. -ngupiksani, onderzoeken, beoordeelen.

upados : zie upaya.

apti : Kw. [=arêp]; ngapti, willen, begeeren. kapti, begeerte, verlangen, wensch. ngapti-apti, verwachten, verlangen; wenschen, hopen.

apit : K.N. naam van de elfde maand van het Mohammedaansche jaar, gewoonlijk Dulkangidah gemaand. -ngapit, van beide zijden, tusschen twee insluiten [Ml. [apit] id.]. kaapit ing taun, om het derde jaar. Als iemand zijn kinderen b.v. in de jaren Alip en Jimawal uittrouwt, wordt dit kaapit ing taun, genoemd, omdat het jaar Ehe tusschen die beide jaren inkomt; en dit wordt voor onheilspellend gehouden. -apit-apit, aan weêrskanten, van beide zijden. -ngapi-apit, zichaan weêrskanten van iets bevinden.

êpot : of pot K.N. het neêrleggen van een ambt; de verwisseling van een jaar.

upêt : K.N. een brandende lont.

upêti : of upêtya Kw.schatting, verpligte opbrengst; schatpligtig [Ml. id.]. angsung upêt, schatting betalen, schatpligtig zijn.

ipat-ipat : K.N. bezwering, betoovering, vervloeking, vloek [=supata]. -ngipat-ipati, bezweren, betooveren, vervloeken.

upat-upat : K.N. de punt van een zweep.

uput-uput : K.N. [ook umun-umun K.N., of het eerste K. en het tweede N.] vroeg of den dag, vroeg in den morgen.

upêya : zie upêti.

apês : K.N. stomp, bot; onbekwaam, ongesschikt; zwakheid; toeval, ongeval, ramp, onheil; ongelukkig, rampzalig; kwetsbaar [Het wordtverklaard door kêkurangan]. -ngapêsake

--- 55 ---

N., -kên K., rampen veroorzaken. -kapêsan, door tegenspoeden getroffen, ongelukkig gemaakt; wisselvallig.

apus : K.N. I. leidsel, teugel, toom. apus buntut, staartriem. apus dhadha of apus gulu, borstriem. dhudhuk apus kapêndhêm, een begraven leidsel opgraven, oude koeijen uit de sloot halen; een zaak die vergeten was weèr in herinnering brengen. nyêkêl apus N., nyêpêng apus K., den teugel houden, mennen. II. naam van een soort van bamboe. III. valschheid, bedrog. -ngapusi, iemand misleiden, verschalken, bedriegen; valsch. -apus-apusan, bedrog; bedrieglijk handelen. -ngapus-apusi, doorslepen.

êpas : zie pas.

upas : I. N. [wisa K., racun K.N.] vergift, venijn [Ml. id.]. -ngupasi, vergeven, vergif ingeven, vergiftigen. II. K.N. Holl. oppasser. Zoo wordt een bode of bediende van een Resident genoemd.

upsir : of upêsir, Holl. officier.

apsari : Kw. een hemelsch wezen van het vrouwelijk geslacht, een hemelnimf [=widadari, Skr. apsarå].

aphal : N., aphil K., in het geheugen bewaren, van buiten kennen; van buiten leeren. -[Ar. [hafzh en haafizh], Ml. id.]. -kapil K.N., iets, dat men van buiten geleerd heeft, opzeggen; iets herhalen, op nieuw zeggen. -ngapal-apalake N., ngapil-apilakên K., iets van buiten opzeggen.

apil : zie apal.

êpal : zie pal.

êpul : K.N. vereenigd.

upil : K.N. drooge vuiligheid in den neus.

ipil-ipil : K.N. bij kleine deelen, bij beetjes bijeenverzamelen.

opèl-opèlan : K.N. een veld -of boschhoen, patrijs.

apuy : Kw. vuur.

upaya : K.N. vond, list, middel [Ml. id., Skr. upâya]. amèt upaya, eene list gebruiken. mamrih upaya, op eene list bedacht zijn. upaya sandi, een geheime list. -ngupaya K.N. of N., ngupados K., zoeken, opzoeken; opsporen, vervolgen. -pangupaya K.N. of N. pangupados K., uitvinding, hedenking van een middel; opsporing, vervolging. -ngupadosi K. [golèki N.] naar iets of oemand zoeken, opzoeken. -ngupadosakên, voor iemand zoeken, opsporen.

apyun : K.N. onbereide opium, amfloen, heulsap [Ar. Ml. [aphyun] Vrg. madat].

opyak : K.N. ruchtbaar maken, een gerucht verspreiden.

api-api : zie api.

apêm : K.N. een soort van koek, pannekoek van rijstmeel gebakken [Ml. id.]. -ngapêm, zoodanigen koek bereiden.

upama : N., upami K., gelijkeni, vergelijking, voorbeeld [=patandhingan Sd. Ml. id., Skr. upamâ]. saupama N., saupami K., bij voorbeeld; in geval, bijaldien. -ngupamakake N., ngupamèkakên K., een gelijkenis maken, bij iets vergelijken.

--- 56 ---

upami : zie upama.

apêg : K.N. de reuk van zweet, zweetlucht.

êpang : K.N. de tak van een boom [zie pang].

êpung : naam van een struikgewas met vergiftige dorens.

adhi : N. [rayi K.] jongere broeder of zuster. Zoo noemt bij de Javanen de man ook zijn vrouw [Sd. id.]. Ook bij verkorting dhi, en in de taal van het Noorderstrand adhik [Ml. [adi] of [adik]].

adho : zie dho.

adhuh : K.N. zucht, weeklagt, uitdrukking van droefheid; ach! helaas! [Sd. Ml. id.]. Ook dhuh, ach! helaas!. -ngadhuh, jammeren, kermen, weeklagen. -pangadhuh, gejammer, gekerm.

udhun : K.N. nederdaling, afdaling; vermindering. udhun siti, benaming van een offerhande, die gegeven wordt, wanneer een kind den ouderdom van zeven maanden bereikt heeft, zoo genaamd, omdat bij de Javanen een kind eerst op dien ouderdom met de voeten op den grond gezet mag worden, om te leeren loopen. -mudhun of mêdhun, afgaan, afstijgen, dalen, nederdalen; afkomen, nederkomen. -ngudhuni, tot iemand of naar een plaats nederdalen. kaudhunan, de persoon tot wien, of de plaats naar welke men nederdaalt. -ngudhunake of ngêdhunake N., -kên K., naar beneden brengen, vergezellen, geleiden; doen nedergaan, afstijgen; een last afladen.

udhar : K.N. los, niet vastgebonden [vrg. wêdhar en wudhar. Sd. losmaken, ontbinden] -ngudhari, losmaken, ontbinden.

adhik : zie adhi.

udhik : K.N. [Ml. het bovenland; mudhik, tegen den stroom opvaren, een rivier opvaren [Sd. Ml. id.]. -ngudhikake N., -kên K., een vaartuig tegen den stroom oproijen. -udhik-udhik, gelt te grabbel gooijen; grabbelen. -udhik-udhikan, gegrabbel.

odhak : T.P. neen, nien [vrg. ora].

adhakan : K.N. iets dat zich in de nabijheid bevindt [vrg. mêdhak].

udhik-udhik : zie udhik.

udhêt : K.N. een soort van sjerp of lange strook wit linnen of roode zijde, die devrouwen, die aan het hof in dienst zijn, om den hals dragen, en naar voren laten neèrhangen. De oedêt van prinsssen is van gele zijde en wordt mandhala giri, genoemd.

udhèt : naam van een soort van kleine visch, die zich in de modder ophoudt.

odhot : K.N.; ngodhot-odhot, uithalen.

adhos : K.N. dun, mager; ,vermagerd [zie dhos].

udhil : of odhil N. ontvangen, verkrijgen. -ngudhili of ngodhili, treffen, raken [Het wordt verklaard door nguwisi].

odhis : zie udhis.

adhêp : K.N. vóór, in tegenwoordigheid van [Ml. id.]. -ngadhêp, voor iemand staan; het oog op iemand vestigen. angadhêp, iets voor zich hebben. -madhêp, het oog op iets gevestigd hebben. -ngadhêpsi,ngadhêpi. iemand naar de oogen zien; oppassen, bedienen. -ngadhêpakên, zich aan iemand overgeven.

--- 57 ---

idhêp : N. [ook wêruh N., uninga en pirsa K.] kennis; kennen, weten; zien; meenen, vermeenen. idhêp-idhêp, te weten, als het ware. -pangidhêp, meening.

idhup : Ml. [idup] of [hidup], leven [Sd. irup vrg. urip]. -pangidhup, het leven; levend makend, leven gevend.

adheyan : K.N. de telgang van een paard [Sd. adhehan].

adhêm : N. [asrêp K., isis K.N.] koud, koel, frisch, aangenaam. adhêm ati, zich aangenaam, welgevoelen. -umadhêm of umêdhêm, koud zijnde. -ngadhêmi of ngadhêmake, verkoelen, verkwikken. -kadhêmên, het te koud hebben. lara kadhêmên, de koude koorts, de koude koorts hebben. -adhêman, koelte. kalih adhêman, twee koelten, d.i. twee morgenstonden, is een uitdrukking voor een afstand van twee dagen gaans van het woonhuis van een vrouw of meisje, dat zich in het huwelijk begeven wil, naar de verblijfplaats van haar Wali.

idham : K.N. met lusten zijn, van een zwangere vrouw [Ml. id.].

edhum : K.N. schaduw; schaduwachtig.

êdhag : K.N.; ngêdhagake N., -kên K., verzuimen b.v. de wacht of dienst.

udhêg-udhêg : K.N. een afstammeling in het zesde geslacht, het kind van een warèng.

adhang : K.N. op weg tegen komen [Ml. beloeren, belagen, bespieden: vrg. dhang]. -ngadhang op weg afwachten, op iets of iemand wachten; naar iemand of iets verlangen; heloeren, begluren. ngadhang-adhang, op weg staan afwachten. -ngadhangi, iemand met een oogmerk op weg afwachten, bijv. om hem kwaad te doen, of om hem den weg af te snijden. -kadhang, zie beneden.

adhèng : K.N. gelegen, te pas komen.

udhêng : K. Does. [dhêsthar K., ikêt N.] hoofddoek. audhêng, een hoofddoek dragen.

edhang : K.N. de juiste helft, ieder de helft, een gelijk aandeel.

aja : N. [sampun K.] dat niet; het zij niet; het moet of mag niet [vrg. aywa]. ajana, dat er niemand zij. aja sing kali, sanajan sêgara, laat staan een rivier, al is het een zee. aja ta, dat toch niet. aja tan ora, zie tan.

aji : I. Kw. vorst, koning [= raja en ratu]; ook ji [Skr. ji, overwinnaar]. Tj. sêngk. één. sang aji, de vorst. II. Kw. een tooverspreuk, tooverformulier, dat de kracht heeft om iets te weeg te brengen, dat alleen door bovennatuurlijke krachten teweeggebracht kan worden, toovermiddel. III. N., aos K., prijs, waarde van iets; van waarde, kostbaar [=akèh rêgane, naar de waarde er van. -ngajèni N., ngaosi K., waarderen, schatten, op prijs stellen; roemen, prijzen; eeren, eerbiedigen. ora ngajèni N., botên ngaosi, niet achten, verachten. ora kêna diajèni N., botên kenging dipun aosi K., onschatbaar. kajèn K.N. gewaardeerd, geprezen; geêerd; eer, aanzien.

--- 58 ---

ora kajèn N., botên kajèn K., ongeêerd, onwaardig. -pangaji N., pangaos K., prijs, waarde, gehalte. kang pangaji, hetgeen van waarde is. -ngajèkake N., ngaosakên K., het bidden der priesters op de graven der vorsten in de maand Ruwah. IV. aji of khaji K.N., ook kaos K., iemand die de bedevaart naar Mekka gedaan heeft, een bedevaartganger, pelgrim [Ar. [haaji]; Sd. Ml. id.]. munggah aji N., minggah aji K., de bedevaart doen, ter bedevaart gaan. V. aji N., aos K.; ngaji N. en ngaos K., leeren, onderwezen worden, zich oefenen [Sd. Ml. id.].

aju : N., ajêng K., het voorwaarts gaan, het voorwaarts rukken, het naderen. -maju, voorwaarts, voorwaarts gaan, naderen, nader bij komen, aanrukken [Sd. id.]. maju-maju, aanhoudend voorwaarts gaan. maju têlu N., maju tiga K., driehoek. maju pat N., maju sakawan K., vierkant. -majokake N., majêngakên K., doen naderen, nader brengen. -ngajokake N., ngajêngakên K., naderen, laten aanrukken; ook naderen, genaken.

iji : K.N. een enkele [Sd. id.]. saiji-ijia, laat het een enkele zijn, slechts één enkele. maesa sèkêt nêm iji, buffels, zes en vijftig stuks. -ijèn K.N. enkel, alleen, afzonderlijk. aprang padha ijèn N., aprang sami ijèn K., ieder afzonderlijk, man tegen man vechten. -ngijèni K.N. één voor één, ieder afzonderlijk iets doen; b.v. sami ngijenan margi, zij moeten elk een afzonderlijken weg gaan. kaijenan, door slechts één persoon verrigt worden. -ijèn-ijenan, ieder afzonderlijk, van velen gezegd. -siji, zie beneden.

ijo : N., ijêm K., groen [Ml. id.; Sd. ejo]. -ngijokake N., ngijêmakên K., groen maken, groen verwen. -ijoan en ijêman K.h. [wirasa en uni N. en ijêman en ungêl K.] de zin, inhoud van een gesprek of brief. -paijoan an paijêman, idem.

uja : K.N.; nguja, los laten, den teugel vieren; iemand zijn zin geven.

ijih : en ijèh, z.v.a. isih N. nog, alsnog.

ijoan : zie ijo.

êjin : of êjim Ar. [jinn], een geest, genius, daemon [zie jim].

êjun : z.v.a. jun.

ijèn : zie iji.

ajar : K.N. leeren [Sd. Ml. id.]; ook een Boedaleeraar [=pandhita gunung]. ajar-ajar, zich oefenen. -ngajar, leeren, onderwijzen. dipun ajar, onderwezen worden. -majar, spreken, uitleggen, verklaren. -ngajaraken, kastijden, straffen. -pangajaran, een kunst; ook de woningvan een Boeda-leeraar.

ajur : K.N. gesmolten, verteerd, tot gruis vergaan; afgedragen, versleten [Sd. id.]. -umajur, [-umajur...]

--- 59 ---

[...,] gesmolten zijnde. -ngêjur, smelten, vergruizen. kaêjur l.v. -ngêjur-êjur, fijn, tot gruis maken, verbrijzelen. -ajur-ajèr of ajèr-ajur, in elke gedaante veranderen.

ajèr : K.N. I. bedaard, te vreden gesteld. II. dun, vloeibar, gesmolten. -ngajèr, dun maken, smelten. -ngajèrakên, een stof vloeibaar maken.

êjor : zie ngêjori.

ijir : K.N. rekenen, verrekenen, vereffonen. -mijir, tellen. -ijir-ijiran, verrekening, vereffening.

ujar : I. z.v.o. ujêr. II. K.N. taal, rede, spraak; hetgeen gezegd wordt [Ml. id. Zie ook jar]. -ngujari, iemand aanspreken. ngujar-ujari, iemand herhaaldelijk aanspreken. -ujaran, spreekplaats, spreekgestoelte. -mojar, Kw. zeggen, spreken [=sabda en ngandika].

ujêr : K.N. immers, trouwens, zeker, voorwaar [zie jêr en vrg. ujar].

ujur : K.N. uitgestrektheid, lengte; rei, gelid. -ngujurakên, in de lengte doen voortgaan; uitrekken, uitstrekken; een voortgang doen nemen, voortzetten. -kojar, regt, billijk. -mujur, zie beneden.

ajrih : K. [wêdi N., ook wêdos K] bang, bevreesd; vreezen; vrees, bevreesdheid. -ngajrihi, bevreesd maken, vrees aanjangen. -ngajrih-ajrihi, op allerlei wijze bevreesd maken. -kaajrihan of kajriyan, bevreesdheid, vrees.

ejrah : Ar. [hijrah], de vlugt van Mohammed van Mekka naar Medina in het jaar 622 van onze tijdrekening, het begin der Mohammedaansche jaartelling, die daarnaar de Hejra (ook wel Hegira geschreven) genoemd wordt. Ook K.N. het tellen, rekenen. -ngejrah, tellen, berekenen.

ojok : ongebr.; ngojok-ojoki K.N. opstoken, ophitsen, aanhitsen. -pangojok-ojok, opstoking, ophitsing.

ujud : K.N. gedaante [Ml. [ujud]. Het is verbastering van wujud, Zie beneden].

ajat : Ar. offermaaltijd, offer, offerhande [Ar. [hadiyyah], geschenk, offer].

ojat : Ar. faam, gerucht, praatje [Is het misschien het Ar. [uhduutsah]?]. agawe ojat, een gerucht verspreiden, iemand in opspraak brengen; praatjes maken. kaojat, verhaald worden; berucht, vermaard.

ujwala : ook ujyala, geschreven, Kw. glans, schijn [=cahya, murub en prêbawaning ulat, Skr. ujjwala, helder schijnend, vlammend, enz.]. -ngujyala, een glans verspreiden.

ajal : Ar. [ajl], oorzaak. 2. Ar. [azal], eenwigheid. 3. Ar. [ajal], vastgesteld termijn, het door God bepaalde levenseinde, stervensuur [Ml. id.]. -ajal kamula, geboorte. wong ajal kamulaning tanah, een inboorling des lands, landskind [In deze uitdrukking schijnt. ajal hetselfde als asal, en dus het Ar. [ashal], oorsprong, afkomst, te zijn]. ngajal, gestorven, overleden.

ijol : of ojol N. [vrg. lambang]

--- 60 ---

het in ruil geven, verriling, verwisseling. -ngijoli of ngojoli [nglambangi K.] verruilen, verwisselen, in de plaats geven. -ngijolake of ngojolake, iet verruilen.

ngojol : zie ijol.

ajap : K.N.; ngajap, verlangen, begeeren [ajap = ngarêp-arêp]. -pangajapan, een sterk verlangen, een groote begeerte.

ujyala : zie ujwala.

êjam : zie jam.

êjim : zie êjin.

ijêm : en ijêman, zie ijo.

ajag : K.N. vervolgen, jagen; op iets treden. asu ajag N., sêgawon ajag K., een wolf [Sd. ajag een boschhond, wilde hond].

ajêg : K.N. zich gelijk blijven, bestendig, onveranderlijk; staan blijven [vrg. jêjêg, De grondvorm is jêg]. sajêg, het aanzijn, de leeftijd; zoo lang als; b.v. sajêgmu urip, zoo lang als gij leeft, in uw gansche leven. En zoo ook sajêgku of ing sajêg kula, zoo lang als ik leef; zoo oud als ik ben. -pajêg Kw. onveranderlijk, zonder beweging [=kang nora kêna owah, kukuh en tugur. apajêg = akukuh en atugur]. -pajêg N. pacht, zie beneden.

ajug-ajug : K.N. het voetstuk van een lamp.

ujug-ujug : K.N. onverwachts aankomen.

ijab : I. Ar. [ijaab], sluiting van een koop, toeslag, sluiting van een huwelijk; bevestiging. ijab kabul, toestemming. -ngijabakên, een huwelijk doen sluiten, in den echt vereenigen laten. II. Ar. [i'jaab], het baren van verwondering; verbazing, verbazend. saijab-ijab of wis ijab, gansch verbazend, d.i. buitengemeen [=saiba-iba].

ujub : K.N. een vermetel mensch.

ajang : K.N. het aanzitten bij een schotel. tunggal ajang, gezamentlijk aanzitten.

ajêng : K. I. zie aju. II. [Kråmåvorm van ayun. ook arsa K., arêp N.] bereidwillig, geneigd, willen, verkiezen, begeeren. ngotên ajêng, niet verkiezen, verwerpen. Het grondbegrip is vóór, vóór zich; vandaar ing ngajêng, en gewoonlijk ngajêng, vóór, in tegenwoordigheid van; vooruit, voorop; in 't eerst; aanstaande (maand b.v.). Zoovooral ngajêng punika. radèn ajêng of bij verkorting dèn ajêng, titel der dochters van den tweeden rang en der kleindochters van den vorst, die, wanneer zij gehuwd zijn, den titel van radèn ayu, krijgen. mas ajêng, titel der vrouw van een Mas Ngabèhi. wadana ngajêng, dezelfde als de wadana galadhag. -kajêng, verkiezing, begeerte, verlangen, wil, wensch. sakajêng, eens van wil, eenstemmig. kajêngipun piyambak of ook enkel kajêngipun, uit eigen verkiezing, vrijwillig. kajêngipun ook [karêpèn N.] laat het maar!. -ngajêngan of ing ngajêngan vóór; van voren, aan de voorzijde; het front. -ngajêngakên, naar iets verlangen, iets begeeren (kinajêngakên, lijd.

--- 61 ---

vorm); ook het front, de voorzijde, naar iets toegekeerd hebben, het uitzigt hebben, b.v. op den tuin, van een kamer gezegd). -ajêng-ajêngan, tegen een ander, of tegen elkander, over. -pangajêng, de voorste, eerste; voornaamste; het hoofd, de aanvoerer; voorganger; voorhoede. kapêngajêng, voorbarig. -pikajêng, begeerte, verlangen. -kajêngan, en gewoonlijk pikajêngan, begeerte, lust, verkiezing. -ngajêng-ajêng, verlangen, verwachten, hopen. -pangajêng-ajêng, verlangen, verwachting, hoop.

ujung : K.N. I. punt, hoek, uithoek [Ml. id.]. II. op elkander schieten, naar elkander gooijen. III. benaming van een soort van reebokken. IV. ujung of ngujung, de knie of voet kussen, een soort van eerbewijs. Het kussen der voeten geeft een dieperen eerbied te kennen, dan het kussen der knieën. -ngujungi, iemand de knie of voet kussen.

ijêngandika : zie jêng.

ayu : I. K.N. schoon, van een vrouw, fraai, bevallig, aardig, voortreffelijk [=bagus en wong wadon kang bêcik rupane]. wong ayu, een schoone vrouw. radèn ayu of bij verkorting dèn ayu, titel der dochters van den vorst van den eersten rang, zoo lang zij ongehuwd zijn (gehuwd krijgen zij den titel van ratu); alsook van haar dochters en kleindochters, en van een Radènajêng (zie bij ajêng), wanner zij gehuwd is. -bok ayu zie bok. -kumayu of kêmayu, zich mooi voordoen. -kradèn ayon, de woning van een Radèn ayu. II. Kw. z.v.a. rahayu [=salamêt of wilujêng en arja].

ayo : payo of mayo N. [suwawi K., dawêg Md., sumôngga K.h.] tusschenw, kom aan! welaan! [Ml. id.] -ayon K.N. elkander tot iets aansporen, uitnoodigen om elkander te helpen. -payon, hetzelfde. -ngayoni, proberen, bevroeven, wagen.

iya : ook wel ya N.[inggih K., gih Md.] alzoo; insgelijks, desgelijks, ook; ook zoo; ja; goed zoo; zoo dan [Ml. [iya], ya].

ayah : Kw. ijzer; ijzeren [Skr. ayah].

uyah : N. [sarêm K.] zout; zoutachtig, ziltig [Sd. id.] -ngayahi, zouten, inzouten, inpekelen. -uyahan [vrg. bungahan] de renten van een kapitaal, interest.

uyuh : N. [sêne K., turas K.h.] urien, pis, water. -nguyuh, het water lozen, wateren. lara nguyuh, het graveel. -nguyuhi, wateren, tegen iets wateren.

ayahan : K.h. [pagaweyan N., padamêlan K.] werk, dienst, las van een vorst of aanzienlijk persoon. ayahan dalêm, de dienst van den vorst, een vorstelijke last. -Men vindt ook ngayahan [=parentahing ratu].

ayan : K.N. de vallende ziekte, epilepsie; geraakt.

ayun : Kw. 1. [aju N., ajêng K.] het voorwaarts gaan, het naderen. 2. [arêp N., ajêng, en arsa K.] willen, begeeren [=arêp, De grondvorm is yun]. ing ngayun of ngayun, vóór, in tegenwoordigheid van [=

--- 62 ---

ing ngarêp]. -kayun, begeerte, verlangen [=karêp]. -ngayuni, naar iets verlangen. -ayunan, vóór, in tegenwoordigheid van [=arêpan]. -ngayunan, de plaats vóór het front. -ngayunakên, tegen over elkander. -ngayunakên, zich naar voren neigen, naar voren uitzien. -ngayun-ayun, verlangen, verwachten, hopen [=angarêp-arêp].

ayon : zie ayu.

iyan : K.N. een van Bamboe gemaakte schotel, waarop heete rijst gekoeld wordt. -ngiyan, de rijst daarop laten koelen.

uyun : K.N. bij een, bij elkander. -nguyuni, bijeenbrengen, verzamelen; regelen, schikken; beschemer. -nguyun-uyun, iets naauwkeurig daarstellen of zamenstellen.

ayar : K.N.; ngayar, padi droogen.

ayêr : K.N. de ronde maken; een oppasser. -ngayêr, iets nagaan, het opzigt over iets hebben. ngayêr-ayêr, een gedurig toezigt hebben over iets.

ayak : K.N.; ngayak, zeven, wannen, ziften [Sd. Ml. ayak, id.]. -ngayaki, iets ziften. -pangayakan, een zeef.

iyèk : zie iya.

uyêk : K.N.; nguyêk, bij een schrapen, op een hoop brengen; met de hand over iets heên strijken.

ayid : K.N. glad, glibberig.

oyod : K.N. wortel. -oyod-oyodan, wortels.

ayat : Ar. [aayah], teeken, wonderteeken; een spreuk o vers van den Koran; een Godlijk orakel [Ml. id.] -ngayati K.N. naar iemand of iets de hand (of iets, dat men in de hand houdt) uitstrekken. -ngayatake N., -kên K., iets uitgestrekt houden naar iemand of iets.

aywa : of ayya ook ywa Kw. dat niet, van het moet niet, het zij niet [=aja].

uyêl : K.N. in elkander, door elkander. -uyêl-uyêlan, geheel en al door elkander gewikkeld, in elkander geslingerd.

ayap : K.N.; ngayap, een voornaam persoon omringen. ingayap, omringd worden. -pangayap, het gevolg van een aanzienlijk persoon.

ayya : zie aywa.

ayam : K.N. een hoen, een volwassen kip [Sd. Ml. id.], ayam alas N. [sata wana K.] een boschhaan. -ngayam K.N. een kip nabootsen. -ayam-ayaman, een veldhoon, patrijs.

ayêm : K.N. rustig, bedaard; gerust, te vreden; ook in de zon gedroogd vleesch. -ngayêm, zich te vreden, gelaten, onderworpen gevoelen. -ngayêmake, N., -kên K., iemand tot bedaren brengen, laten uitrusten, te vreden stellen. ngayêmake awake N., ngayêmakên sariranipun K., zich uitrusten. -pangayêm-ayêm, een middel waardoor iemand tevredengesteld wordt.

ayom : ook iyom K.N. schaduw, lommer; lommerrijk; bescherming [Sd. iyêm]. -ngayom ook ngiyom, beschaduwen; beschermen. -ngayomi [ook wel ngayumi, geschreven] [ge...]

--- 63 ---

[...schreven]] iets oftemand beschaduwen, beschermen. kayoman, beschaduwd, beschermd. -pangayom, het beschermen. -pangayoman, bescherming; onderhoud.

iyom : zie ayom.

êyêg : zie iyêg.

iyêg : of êyêg K.N. zamenvoeging; zamenspanning; het eens zijn.

oyag : of oyêg en oyog K.N. zich bewegen; beweging, schudding; ontsteltenis, ontroering. botên oyag K. [ora obah N.] onbeweeglijk. -ngoyag of ngoyêg en ngoyo, schudden, bewegen; onstellen, ontroeren. ngoyag-oyag of ngoyog-oyog, aanhoudend schudden, bewegen.

oyêh : zie oyag.

oyog : zie oyag.

uyab : K.N. een jeuking over het geheele lichaam.

iyab-iyaban : K.N. naar alle kanten, naar alle rigtingen.

hyang : ook yyang en somtijds yang, geschreven Kw. (waarschijnlijk verkorting van eyang) God, voornamelijk als titel van een Godheid; b.v. hyang maha wisesa, God, de Almagtige. hyang guru, God Guru; hyang mulya, God, de Volmaakte. Hyang maha luhur, God de Allerhoogste. hyanghyang, aan een God gelijken, goddelijk. -kahyangan, gewoonlijk kayangan geschreven, een Godenverblijk, het verblijf van een hyang, ook het verblijf van een geest.

ayêng : K.N. rondgaan, omzwerven. -mayêng, rondgaan. -ngayêngi, om een plaats heên haan, omgeven. -ngayêng-ayêngi, overal rondgaan. -ayêngan, omzwerving; dolen.

uyang : K.N. 1. overal, op alle plaatsen. 2. een jeuking of hitte over het geheele lichaam, de heete koorts.

uyêng : K.N.; muyêng, in de rondte draaijen, in een kring zich bewegen; zoo veel als mubêng.

eyang : K.h. [êmbah K., kaki of nini N.] grootvader of grootmoeder; ook een eeretitel, dien b.v. de vorsten van Surakarta en Jogjokarta aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indiën geven [Sd. id.].

êm : tusschenw. hem! eh!

am : K.N. alles wat aan de veldgewassen nadeel toebrengt, zoo als muizen, sprinkhanen, of andere insecten, meeldaauw enz. [Skr. ama en âma, onrijp; ziekte; enz.].

im : Kw. een fijne, dunne wolk [=mega, Skr. hima, koud; vorst; sneeuw]. -ima-ima, een dunne, fijne, ligte wolk; volgens de Dåsånåmå, een dunne wolk, die de maan bedekt [Het wordt ook verklaard door gara-gara]. -imantaka, een wolk; volgens de Dåså-nåmå, een wolk die op het water drijft. Ook naam van een land. -imaka pura, een wolk; volgens de Dåså-nåmå een wolk die een kring om de zon maakt. Ook naam van een land. -ima maya, een fijne, naamwelijks zigtbare wolk. -ngimagiri, naam van een plaats, waar vorstelijke graven zijn.

uma : eign. van de vrouw van Batårå Guru.

umi : Ar. moder [Ar. [ummiy]mijn moeder; moeder!]

--- 64 ---

amèh : K.N. versleten, verrot; slijten, verslijten.

êmèh : zie mèh.

êmoh : zie moh.

imah : zie umah.

umah : N. 1. emah K., gewoon zijn; gewoon. 2. umah, gewoonlijk. omah N. [griya K., dalêm K.h.] woning, huis [Sd. imah, Ml. [rumah]]. omah-omah N., emah-emah of imah-imah K., gevestigd, gehuisvest, getrouwd zijn; ook [gêgriya K.] women, kang omah-omah, bewoner; inwoner. wong omah-omah, bewoner van een huis; getrouwde lieden. -ngomahi, ergens women, bewonen. -ngomahake, huisvesting verleenen. -ngomah-omahake N., ngimah-imahakên K., doen trouwen, uithuwelijken. -pomahan of paomahan ook paoman N., pemahan K. [en gew. pagriyan K.] woonstede, de plaats waar een huis staat, hetgeen tot een huis behoort. -somah N., semah K. [bojo K.N., garwa K.h.], huisvrouw, echtgenoote, vrouw. -semahan N., semahan K., getrouwde lieden, echte lieden. sêsomahan, met elkander gehuwd zijn.

emah : zie umah.

omah : zie umah.

ima-ima : zie ima.

imah-imah : zie umah.

emah-emah : zie umah.

amèn : T.P. steeds, altoos [Het wordt verklaard door alot.].

Amin : Ar. [amiin], amen [Sd. Ml. id.]. -ngamini, amen op iets; beamen, toestemmen, bevestigen.

Iman : Ar. [iimaan], geloof, het geloof [Sd. Ml. id.]. nandhang iman, het geloof aannemen, Mohammedaan worden. -ngimani, het werk van een priester verrigten, voorgaan in het gebed [verbasterd, van Ar. [imaam], vorganger in het gebed]. -ngimanke N., -kên K., iemand tot het geloof bekeeren; gelooven, aan het geloof gehoorzaam zijn. -pangimanan, de plaats der geloovigen, een tempel; of de plaats waar de Imam in de Moskee staat en waarheen de Mohammedanen zich rigten bij het gebed.

uman : K.N. aandeel, lot; Kw. verkrijgen. -ngumani, iemand zijn aandeel geven. -nguman-uman, iemand verwijtingen doen, uitschelden. -panguman-uman, verwijting.

eman : K.N. [of N., owêl K.N. ] jammer, te bejammeren, jammerlijk, beklagenswaardig, -ngeman, beklagen, bejammeren. -pangeman, de persoon, die medelijden toont; medelijden.

umuni : zie muni.

amun-amun : K.N. mist, nevel.

umun-umun : K.N. [vrg. uput-uput] vroeg op den dag, vroeg in den morgen.

umênêng : zie mênêng.

umancur : z.v.a. mancur.

umintar : z.v.a. mintar.

imantaka : zie ima.

Amir : Ar. [amiir], vorst, Emir.

amor : zie awor.

êmar : of êmir K.N. huiverig, bevreesd, bekommerd [zie mar].

--- 65 ---

êmêr : K.N. een metalen plaat aan den borstriem van een paard of op de borst van een jong meisje.

êmir : zie êmar.

êmur : K.N. mirrhe [Ar. Ml. [mur]].

umur : K.N. [yuswa K.h.] leeftijd, ouderdom [Sd. Ml. id., Ar. ['umr]]. umurmu pira, hoe oud zijt gij? -ngumur, oud zijn; b.v. sampun ngumur kalih taun, reeds twee jaar oud zijn.

umor : K.N. walgen, misselijk worden [hetzelfde als ênêk].

amrih : K.N. pogen, trachten, streven, bedoelen, beoogen [=anêdya. De grondvorm is prih]. -ngamrih, op iets het oog hebben. kaprih, gepoogd; bedoeling. -pamrih, bedoeling, streven [=sêdya en nêdya]. mamrih K.w. z.v.a. amrih.

amrik : K.N. een geur die zich verspreidt [arum en gônda kang wangi, Vrg. mrik].

umrêk : K.N. levendig, groot gedruisch, gejoel, vele stemmen die zich tegelijk laten hooren.

umarêk : z.v.a. marêk.

Emarêtna : eign. van een Widådari [zamengest. uit rêtna, en Skr. hêma, goud, en eign. van een hemelnimf

umrêtuk : z.v.a. mrêtuk.

umrês : K.N. graas van den wind; groote luidruchtigheid.

amrêm : zie mêrêm.

umiring : zie iring.

amuk : K.N. een verwoede, woedende anval [Ml.id.; vrg. muk]. -ngamuk, een woedenden aanval doen; verwoed, in arren moede aanvallen, razend rondloopen, en alles, wat vookomt, vermoorden. kaamuk of kamuk, l.v. -pangamuk, het verwoed, in arren moede aanvallen; de persoon die op die wijze aanvalt.

amèk : en ngamèk, zie apèk.

umuk : K.N. een zaak vergrooten, grootspraak; snoeven, brallen, zwetsen. komuk, faam, gerucht; beroemd.

umok : K.N. springvloed.

imakapura : zie ima.

amad dalêm : van het Ar. [amad], eindpaal, levenseinde, en dalêm, paleis, vorst, dus de eindpaal van het leven der vorsten, worden de vorstelijke graven in het Surakartasche en Jogjokartasche genoemd. De sleutelbewaarder dier vorstelijke graven heet juru kunci amad dalêm, of ook bij verkorting amad dalêm.

umadêg : zie adêg.

amêt : K.N. een gewigt van 100 Katis of 125 ende ponden.

amit : K.N. [vrg. mit] het afscheid nemen (een meerdere van een mindere). -pamit, afscheid; afscheid nemen (een mindere van een meerdere). jaluk pamit N., nyuwun pamit K., afscheid verzoeken, verlof vragen om heen te gaan. -mamiti, van iemand afscheid nemen. -pamitan, personen, die van elkander afscheid nemen; van een ander of van elkander afscheid nemen.

amèt : N.; ngamèt [ook ngamèt en jupuk N., mêndhêt K.] nemen, wegnemen. pinèt, lijd. vorm [De grondvorm is dus pèt. Vrg. amèp].

amot : N. [awrat K.] belast, bezwaard; inhouden, bevatten; het juiste gewigt, de juiste

--- 66 ---

grootte hebben [De grondvorm is mot. Vrg. bot en Sd. Ml. muwat, laden, beladen, enz.]. -kamot, bezwaard, beladen, belast; bevat, begrepen. -ngêmoti, beladen, bevrachten. -ngamotake of ngêmotake N., -kên K., met iets beladen, bevrachten. kaêmotakên of dipun motakên l.v. -momot K.N., belast, beladen, bevracht; ook duldzaam, verdraagzaam zijn [Sd. lastdier]. -momoti N. [mawrati K.] laden, beladen, bevrachten; bezwangeren. -momotan N. [wawratan K.] last, vracht, lading; zwangerschap.

umat : Ar. [ummah], volk; gezindte [Ml. id.]. umating nabi, het volk van den propheet. umating Allah, het volk van God.

emut : K. [ook èngêt K., eling N.] indachtig worden, gedenken; zich herinneren; herinnering; tot zich zelf komen, uit een flaauwte bijkomen. -ngemuti, aan iets denken. kaèmutan of kemutan, indachtig gemaakt, indachtig zijn; herinnering. -ngemutakên, iemand iets herinneren, in herinnering brengen; iemand waarschuwen. -pemut, herinnering, waarschuwing. -memuti K.N. iets tot gedachtenis of herinnering aanteekenen, aanteekening van iets houden. -pemutan K.N., gedachtenis, aanteekening tot herinnering, nota, register.

umêtu : zie wêtu

umatur : zie atur.

amês : zie umês.

amis : K.N. vischreuk, stank, kwade reuk; ongeregeldheid, verkeerdheid; stinken [Ml. id.] amis bacining nagara, de ongeregeldheden der hoofdflaats of van het rijk.

êmas : zie mas.

umês : of amês K.N. vochtig, nat.

umus : eign. van een vorst in de Ambiå.

umasuk : z.v.a. masuk.

umêsat : z.v.a. mêsat.

umèsêm : zie èsêm.

imawan : naam van een berg [Skr. himawân, het Himálajagebergte].

amla : K.N. zuur, wrang; de vrucht der Tamarinde [Skr. amla, zuur; âmla, de Tamarinde-boom; amlaphala, de Tamarinde-vrucht].

amal : K.N. bezitting, eigendom, losse goederen [zie mal].

amlêk : z.v.a. mulêk.

amlas : zie wêlas.

umalês : zie walês.

ampo : K.N. een soort van kleiaarde, die, gebakken zijnde, door de Javanen gegeten wordt.

êmpa : ongebr.; êmpan K.N. het scherp, van een zwaard, de snede van een mes, een scherpe punt. -ngêmpakake N., -kên K., 1. de snede van een mes over iets laten gaan, afsheren. 2. bezigen, gebruiken. 3. opsteken, aansteken, b.v. een sigaar.

êmpu : K.N. een aardvrucht, waaraan jonge vruchten van dezelfde soort zitten; de voornaamste van een soort; vele telgen, een talrijk kroost bezitten; ook een voorzetsel vóór eigennamen van vermaarde personen der oudheid, voornamelijk vóór die van dichters, als: Êmpu Ramadi of Êmpu

--- 67 ---

Rama Adi, eign. van een Godheid, den Vulcanus der Boedisten. Êmpu Sêdhah, eign. van den dichter der Brata-yuda. Êmpu Kano, enz. -saêmpu Kw. één, een enkele.

impi : N. [supna K.]; ngimpi, droomen [Ml. [mimpi], Sd. nimpi, droomen, ngimpi, droom, gedroomd]. kaimpi of kèmpi l.v. -ngimpèkake, iets droomen; in den droom verschijnen. -impèn, droom. -pangimpi, droomt. -pangimpèn, hetgeen men droomt, verschijning in den droom.

amèp : z.v.a. amèk.

ampah : K.N.; ngampah, beletten, tegengaan, tegenhouden, verhinderen. -ngampahi, iemend iets beletten. ingampahan, lijd. vorm. -pangampah, tegenhouding, tegenwerking, verhindering.

ampuh : in poëzie ook ampoh K.N. giftig, vergiftig, venijnig, boosaardig; ongelukkig, rampzalig. -ampuhan of ampuwan, regen met wind in het gebergte [=swarane barat ing gunung]; het gedruisch van een volksmenigte; groote ramp, een straf van God [Ml. [ampuh], onder water staan; [ampuhan], een watervloed, zondvloed, overstrooming].

ampoh : zie ampuh.

umpah : K.N.; ngumpah-umpah, iemand uitschelden, een kwaden naam geven.

êmpe-êmpe : K.N. het doorzijpen van vochtigheid uit een onrijpe kokosnoot.

ampun : Ml. [ampun], vergiffenis [Jav. apura N., apuntên K.].

êmpan : zie êmpa.

êmpun : zie sampun.

impun : K.N. bijeen, verzameld, bij elkander. -ngimpun, bijeen verzamelen. -ngimpuni, in Kawi ook nimpuni, iets bijeen verzamelen, bijeen brengen. kanimpunan, Kw. bijeen verzameld, vereenigd.

impèn : zie impi.

êmpon-êmpon : K.N. medicinale wortelen.

ampar : K.N.; ngampar, vliegend voorbijgaan; van den bliksem, vliegend voorbijschieten. -amparan, een zetel van een vorstelijk persoon, doch minder in rang dan de dhampar van den vorst [Ml. [hampar], spreiden, uitspreiden; [hamparan] sprei, tapijt].

ampêr : zie tampêr.

ampir : K.N.; mampir, ergens aangaan, aangieren, een plaats aandoen. -ngampiri, een plaats aandoen; bij iemand aangaan. kaampiran, de plaats, die men aandoet. kandhêg kampiran, wordt gezegd van iemand, bij wien iemand, bij wind iemandstilhoudt en aangaat. -ngampirake N., -kên K., iemand aanhouden.

impur : K.N. kromme beenen; mank loopen. -paimpur, hetzelfde; iemand die kromme beenen heeft, krombeen; een scheldwoord.

èmpêr : K.N. gelijk, gelijkend, gelijkenis. -mèmpêr, gelijken, gelijk zijn. -ngèmpêr, gelijk doen; iets als voorbeeld volgen; op iets toepassen, vergelijken. -ngèmpêr-èmpêr, nabootsen. -ngèmpêr-èmpêri, op de een of andere wijze iets gelijken.

èmpèr : K.N. het benedenste gedeelte; de voorgallerij, voorgevel van een huis. -ngèmpèr, beneden, naar beneden.

--- 68 ---

ampêru : K.N. gal; bitter [Sd. id.; Ml. [empedu] of [hempedu]. Vrg. pampêru].

êmprit : K.N. een musch.

êmpuk : K.N. zacht, malsch, week, poezelig, mollig [zie puk].

umpak : K.N. voetstuk, pedestal, onderlage, fondament. -ngumpak, onderllegen, onderzetten; een fondament leggen.

umpuk : K.N.; ngumpuk, ophoopen, opstapelen. -umpuk-umpuk, bij hoopen, hoopsgewijze. -ngumpuk-ngumpuk, zich bij hoopen opstapelen.

ampak-ampak : K.N. nevel, damp, mist op de bergen [=kukusing gunung].

ampêt : K.N.; ngampêt, iets inhouden, verkroppen [Ml. [ampat] of [hampat], zich bedwingen. -mampêt, hinderen, tegengaan; ophouden met vloeijen. -pangampêt, verkropping.

umpêt : K.N.; ngumpêt, verhergen, gehein houden. -umpêtan, zich verbergen, verschuilen. -ngum pêtake N., -kên K., iets verbergen, een zaak geheim houden, bedekken; smokkelen.

êmpis : K.N.; mêmpis-mêmpis, hijgen, buitenadem zijn. -kêmpis-kêmpis, hetselfde. pating karêmpis, algemeen gehijg, van velen die hijgen.

impês : K.N. een blaas, de blaas van een buffel, waarin de Javanen olie doen. -ngimpês, bij zulk een blaas vergelijken.

ampuwan : zie ampuh.

ampil : K.h. [slir K.N.] een bijwijf, bijzit. -ngampil K.N. iets dragen, dat een vorst of vorstelijk persoon toebehoort, iets voor een vorst dragen of in de hand houden. sing ngampil gegaman, kang ngampil dêdamêl K. een wapendrager. -kampil en ngampili, zie beneden. -ampilan, de rijkssieraden, die voor en achter den vorst door vrouwen gedragen worden; pracht, praal. -pangampil, wapendrager van den vorst.

ampèl : K.N. een soort van bamboe.

êmpal : K.N. naam van een geregt van vleesch. -êmpal-êmpalan, gestold, dik bloed.

êmpol : K.N. het vleeschachtig gedeelte van een jonge kokosnoot: zie pol.

umpal : Kw. raud, zoom. -ngumpali, een zoom maken.

êmplok : K.N.; ngêmplok, den mond vullen; in den mond stoppen. -êmplokan, een mondvol. saêmplokan, een mondvol, een beet.

umpluk : K.N. waterbel, waterblaas.

êmplèk-êmplèkan : K.N. gebak, koek.

ampeyan : Kw. de uiterste omtrek van iets, het laagste gedeelte; de voeten; de grenslanden van een gebied; de bijzit van een voornaam persoon [=sêlir].

ampêg : K.N. aamborstig, aamborstigheid, engborstigheid; kuchen, kuch.

ampang : K.N. een flaauwe, laffe smaak; flaauw van smaak.

amping : of ampung K.N.; ngampingi of ngampungi, bedekken, beschermen, bewaken. ngampingi sarira, zich zelf beveiligen. -ngamping-ampingi, [-ngamping-a...]

--- 69 ---

[...mpingi,] van alle zijden bedekken, beschermen. -ampingan of ampungan, zich verschuilen, verbergen. akarya ampingan, zich achter iemand of iets verschuilen. -amping-ampingan, zich van alle zijden bedekken, geheel verschuilen.

ampung : zie amping.

êmping : K.N. onrijpe rijstkorrels braden, om gegeten te worden. -ngêmping, een voorschots nemen. -ngêmpingi, een voorschot geven, voorschieten. -êmpingan, vooeschot.

ompong : N. [gutuk K., kêmpong K.N.] tandeloos, zonder tanden [Sd. id.]

umijil : zie wijil.

umiyat : of amiyat, z.v.a. miyat.

amyang : Kw. algemeen verspreid.

umyang : zie umyung.

umyung : en umyang Kw., umung K.N., suizen, ruischen, gonzen; gegons, geruisch, gedruisch [=rame, swara kang rame, swaraning wong akèh bêbarêngan].

amêm : K.N. ingetogen, zich ingetogen, stil houden; weinig spreken [=abêtah en alot pêclathone].

Imam : Ar. [imaam], voorganger, voorganger bij de openbare godsdienst, priester [Ml. id.]. Imam gêdhe of Imam agêng, een hoogepriester.

umum : of ngumum K.N. algemeen verspreid, algemeen bekend zijn [Ar. ['umuum], het algemeen zijn, algemeenheid]. -ngumumake N., -kên K., algemeen verspreiden.

ima maya : zie ima.

amba : K. ik, mij; mijn; wij, ons; eig. dienstknecht [=kawula, Ml. [hamba]; zie de Spraakkunst].

ambu : N., ambêt K., reuk; [K.h. gônda] geur [Sd. ambê]. sambu, van denzelfden reuk og geur. wowor sambu, en momor sambu, zie onder awor, -mambu N., mambêt K., rieken, een reuk van zich geven; muf. -ngambu N., ngambêt K, ruiken. kaambu N., kaambêt K., geurig. -ngamboni, aan iets ruiken. -pangambu, de reuk, het zintuig de reuk.

imba : I. z.v.a. emba. II. z.v.a. wimba. III. naam van een boom. roning imba, de bladen van den Imbä. IV. K. [ook ron K., alis N.] wenkbraauw, wenkbraauwen.

umbe : zie ombe.

emba : K.N. gelijken, gelijkenis, vergelijking; wedergade. -emba, gelijken, gelijk zijn [=mèmpêr]. -ngemba, gelijk maken, nabootsen; toepassen.

ômba : N. [wiyar K.] breed, ruim, wijd, uitgebreid; breedte, ruimte, uitgebreidheid. ambane, de breedte er van. -ngambakake, breed maken, wijder maken, verwijden. -ambanan of amban-ambanan, met een ander of met elkander wedijveren of zien, wie iets (b.v. de borst) het breedste heeft. -kaamban, to breed.

ombe : ook wel umbe N.; ngombe [ngunjuk K.] drinken. -ngombèni of ngombèkake, te drinken geven, drenken. -ombèn-ombènan, drank, hetgeen gedronken [ge...]

--- 70 ---

[...dronken] wordt. -pangombèn, waaruit men drinkt, drinkbeker of kop om uit te drinken, drinkbak, drinkpoel.

umèb : z.v.a. umob.

umob : en umèb K.N. zieden, de golvende beweging van kokend water; beweging van een volksmenigte.

ambah : K.N.; ngambah, treden, wandelen; betreden, bewandelen. ngambah sagara, dezee bevaren. ngambah awang-awang, door de lucht gaan. -ngambahake N., -kên K., doen of laten treden. -ambah-ambah of ambah-ambahan, heerschend, van een ziekte, algemeen heerschende ziekte.

êmbah : K. [eyang K.h., kaki of nini N.] grootvader of grootmoeder.

êmbuh : N. [kilap K.] niet weten, onkundig zijn: zie buh.

imbêh : zie imbuh.

imbuh : ook imbêh en wimbuh N., imbêt K., vermeerdering, vermenigvuldiging, toevoeging [wimbuh = wuwuh, Sd. emboh]. -mimbuh, van zelfs vermeerderen, toenemen. -ngimbuhi of mimbuhi, vermeerderen, bijvoegen, bijdoen.

ambaung : K.N. het huilen van een hond: zie baung.

ambên : K.N. gordel, buikriem van een paard. ambên gendhong, oversingel. -ngêmbêni, omgorden, omwinden, een buikriem omdoen.

ambèn : K.N. zit-of rustbank, rustbed, of slaapplaats van gevlochten bamboe.

êmban : ook ban K.N. een persoon, die een kind in een doek op zijde draagt; een voogd of voogdes, opziener, beschermer van een kind; kindermeid, verzorgster van een kind [Ml. de over den linker schouder geslagen doek of sluijer, waarin een kind gedragen wordt]. De zonen van den Vorst hebben gedurende hun kindsche jaren elk twee of meer zulke Êmbans; de dochters insgelijks, mennelijke en vrouwelijke. Zij worden onderscheiden in êmban ngajêng en êmban kundhang. -ngêmban, een kind in een doek op zijde dragen. ngêmban timbalan, een bevel overbrengen. -ngêmbani, voogd zijn van een minderjarig kind; voor een onvermogende zorg dragen; voor iemand pleiten; juweelen of diamanten inzetten. -êmbanan, het goud of zilver, waarin diamanten of juweelen ingezet worden.

êmbun : en êmbun-êmbunan, z.v.a. bun-bunan zie bun.

êmbèn : K.N. overmorgen.

ambancèr : K.N. fraai, schoon: zie bancèr.

ômbra : K.N.; ngômbra, zich uitbreiden, vermenigvuldigen.

ambar : K.N. amber [=ilêring iwak lodan, Sd. ambêr, Ar. Ml. [nganbar]. -ngambar, den geur van amber verspreiden, aan den geur van amber gelijken.

ambèr : K.N. overstroomen, uitstroomen; zich uitbreiden: zie bèr.

imbar : K.N. het afleggen van een eed op den Koran. -ngimbar, op den Koran een eed afleggen, bih den Koran zweren. kaimbar en diimbar of dipun imbar, een eed bij den Koran afgenomen worden. -pangimbaran, naam van een

--- 71 ---

verhevene plaats in de Moskee, vóór den voorlezer van den Koran.

umbar : K.N. los, vrij. -ngumbar, los laten, laten loopen; in vrijheid stellen. -umbaran, toomeloos; los rondloopen; een los, ongebonden, vrij leven leiden.

ombèr : K.N. wijd, ruim, uitgestrekt; van den tijd, iets dat nog in het verschiet is, nog lang moet duren.

ambara : êmbara, of umbara K.N. [=awang-awang Skr. ambara, het luchtruim, de dampkring]. -ngambara, in de lucht zweven; nergens een vast verblijf hebben, omzwerven, omdolen [=lunga tanpa sêdya of lunga nora karuwan kang pinaranan].

êmbara : zie ambara

umbara : zie ambara.

ambruk : K.N. nederstorten, voorover op den grond neêrvallen; instorten; zich op den grond nederwerpen [vrg. bruk]. -ngambrukake N., -akên K., iemand op den grond doen vallen.

ambrol : K.N. het doorbreken van een dijk of dam [vrg. brol].

ambak : K.N. onbetamelijk, ongeoorloofd. ambakne, een tusschenwoord, meestal zonder beteekenis. -kambak, zie beneden.

ambêk : K.N. ademen; het ademen; inborst, geaardheid; verlangen, begeeren, begeerte [=ati en kalakuhan. Vrg. bêk]. ambêk lampus, verlangen naar den dood. -ambêkan, de adem, ademtogt [Sd. id.]. pêdhot ambêkan, buiten adem, ademloos. cêkak ambêkan, aamechtig. -pambêkan, inborst, geaardheid, karakter. alus pambêkan, beleefd, bescheiden. -mambêk zie ambêg.

ambik : K.N. nemen.

êmbok : K.N. [ibu K.h.] moeder. êmbokne, zijn moeder. Zie bok.

umbak : zie ombak.

umbuk : K.N.; ngumbuk, bij hoopen neêrleggen, opstapelen. angumbuk-umbuk, bij hoopen op elkander. -umbuk-umbukan, stapel.

ombak : of umbak K.N. golf, haar [Ml. id.]. ombak-ombak, golven, baren. -ngombak, golven.

êmbek-êmbekan : K.N. elkanders krachten beproeven, een kans iemand wagen.

ambêt : zie ambu.

êmbat : K.N. dunheid, rankheid. -êmbatan, een draagstok van bamboe [anders rêmbatan].

imbêt : zie imbuh.

èmbèt : k.n.; ngèmbèt, iemand in een zaak betrekken, medepligtig verklaren. kaèmbèt of kèmbèt l.v. -pangèmbèt, een medepligtige; medepligtigheid.

ambus : K.N.; ngambus, het snuiven van een beest [Ml. blazen]. ambusên bae, snuif er slechts aan.

êmbês : K.N. nat, vochtig, van water doordrongen, doorweekt; drassig, drabbig.

ambal : K.N. maal, keer [Sd. ambal taraje, sport of trede van een trap]. ambal kaping tiga, drie herhaalde malen. -ngambali, herhalen. -

--- 72 ---

ambal-ambalan, keerop keer, herhaaldelijk; een trap.

ambil : Ml. [ambil]; ngambil, nemen, weg nemen [=ngamèk]. -ngambili, iets weg nemen.

êmbêl : K.N. moeras, drasland [vrg. êmbag].

imbal : K.N. loon, belooning, vergelding. -imbalan, afwisseling; wedervergelding; een last ontvangen, en dien aan een ander overdragen. -imbal wêcana of imbalan wêcana Kw. en imbal pangandika of imbalan pangandika K.h. redewisselen, zamenspreken.

umbêl : N. [gadhing K.] snot [Ml. id.].

umbul : K.N. het oprijzen, opstijgen; opborrelen uit den grond; wel, fontein; ook hoofd, aanvoerder. -mumbul, oprijzen, opstijgen. mumbul-mumbul, gedurig stijgen, rijzen. -ngumbul, opborrelen. kombul, in de hoogte gevoerd of geworpen; opgevijzeld worden; in aanzien komen. -ngumbulake N., -kên K., omhoog doen rijzen, in de hoogte werpen. ngumbul-umbulake, bij herhaling doen opstijgen of in de hoogte werpen. -umbul-umbul, een wimpel, veldteeken, banier: een soort van lange wimpel, die aan een bamboe opgestoken wordt [Ml. id.].

ambêlèh : z.v.a. nyambêlèh zie sambêlèh en bêlèh.

amblêk : K.N. inzakken, instorten.

amblês : K.N. in den grond zinken; door iets heên dringen [zie blês].

amblong : K.N. een gat in den grond maken.

ambyar : K.N. uit elkander gaan, van iets, dat in vele stukken breekt.

ambyur : zie byur.

ambyuk : K.N. zich in menigte naar een plaats begeven [zie byuk].

ambêg : K.N. het stil staan. -mambêg of mambêk, stilstaan (van water).

êmbag : K.N. drasland, moeras [vrg. êmbêl].

êmbêg : K.N. nat, met water vermengd. êmbêg-êmbêg, natte toepijs bij de rijst.

umbag : K.N. trotsch, vermetel; grootspraak, snoeverij, snorkerij, vermetelheid.

ambêng : K.N. omringen, omsingelen, rond om heen insluiten. -ambêngan, een omsingelde plaats; een groote schotel met rijst, waaruit velen, in een kring zittende, tegelijk eten; offer, offerhande. -ngambêngi [vrg. ngalangi] belleten, tegenhouden, verhinderen. -kambêngan, een dam, dijk, in het water; opstoppen (van een waterleiding); ook K. [alang-alang N.] een soort van lang rietgras, dat tot het dekken van huizen gebruikt wordt; een daarmeé gedekt dak. -mambêng K. [malang K.N.] tegenhouden, beletten. -mambêngi, tegenhouden,beletten, hinderen, verhinderen, dwarsboomen. kapambêngan l.v. -pambêngan, verhindering, stuiting, hinderpaal, beletsel.

ambung : de reuk, het ruiken [vrg. ambu]. -ngambung K.N. [ngaras K.h.] ruiken, met de punt van den neus iemand aanraken, in plaats van ons zoenen met de lippen. ngambu suku, de voeten kussen. -ngambungi, aan iets ruiken, iemand zoemen. -pangambung, een zoem, een kus. -

--- 73 ---

pangambungan, de plaats die gekust wordt, de wang.

imbang : Kw. =inggir en timbang. -imbang-imbang K.N. op gelijken afstand van elkander, parallel. -imbangan, parallel met een ander staan. -imbang-imbangan, gelijkheid in rang.

êmbing-êmbing : K.N. de navelstreng van een pas geboren kind, nageboorte.

amêng : zie amung

aming : zie amung.

amung : of namung K.N., aming of naming, ook wel amêng K., slechts, alleen, alleenlijk, enkel [zie ook mung]. botên amung, niet dan. -ngamungake of ngêmungake N., ngamingakên K., het or bij laten, niets er aan toe of afdoen.

among : K.N. het opzigt over iemand houden; een kind oppassen [de grondvorm is mong]]. Among Praja (z.v.a. Rijksvoogd) eign. van dentijdelijken Hoofd-djêksa, den voorsitter der Pradata te Soerakarta. -ngêmong, oppassen, bedienen; zorg voor iemand dragen, beschermen. -momong of mongmong, het oog op iemand houden, een kind oppassen, verzorgen, beschermen. -momongan, hetgeen waarover men het opzigt heeft. ingkang darbe momongan, hij die het opzigt over anderen bezit; een hoofd, zaakbezorger, procureur. -pamomong of pamongmong, opziener, oppasser, voogd van een kind.

umung : zie umyung.

èmêng : K.N. verdriet, verlegenheid [=susah pakewuh ing pênggalih]. -ngèmêngi, iemand verdriet veroorzaken; iemand in verlegenheid brengen. kaèmêngan of kèmêngan, in onaangename omstanddigheden verkeeren [=kèwuhan en susah kaworan bingung].

omong : K.N. praat, kout [Sd. id.]. -omong-omongan, met elkander praten, kouten.

among praja : zie among.

amêng-amêng : K.h. [dolan K.N.] uitgaan, wandelen; kuijeren, uit rijden gaan, zich vermaken, zich uitspannen door spelen of iets anders.

age : of agya en gage ook gege Kw. haastig, spoedig, gaauw [=kêbat, De grondvorm is ge]. gage-gage, te haastig, te spoedig, voorbarig. toya gege, een water, waarmeê een kind gewasschen wordt, om het spoedig te doen groeijen. -anggage of anggege, spoed maken, zich haasten.

iga : K.N. rib, ribben [Sd.id.].

uga : N., ugi, ook wel nugi K., insgelijks, ook, desgelijks, tevens; toch [Sd. oge, Ml. juga]. padha uga N., sami ugi K., eenerlei.

ugi : zie uga.

agahan : K.N. gretig, gulzig; voorbarig.

agni : zie gêni.

agra : Kw. de bovenste top of punt van iets; de eerste, voornaamste, aanzienlijkste [pucuk, landhêp, pangarêp en pucuking gunung. Vrg. gra]. agraning ardi, de top van een berg. ngagra, op den top [=ing pucuk].

agar : K.N.; ngagar, twee stukken hout tegen elkander wrijven, om vuur te maken; een kris uit de schede trekken, dreigen.

--- 74 ---

agor : K.N. een zware stem; een dof onduidelijk geluid. agor-agor, een aanhoudend dof geluid.

êgar : K.N. het ontluiken van een bloem [vrg. êkar]. -mêkar, ontluiken. -ngêgarakên, doen ontluiken; uitbreiden, uitzetten, bijv. een regen- of zonnescherm. ngêgarakên asta, de handen uitbreiden.

ugêr : K.N. een paal, waaraan iets vastgebonden wordt; een steun, hoofd, aanvoerer; een anker, steunpaal van een schip. sêrat ugêr, schriftelijke aanteekening van een aanklagt en vande verklaring van den aangeklaagde bij de Pradata. lugêr-ugêr, een vaste steun. -ngugêr, aan een paal vastbinden. -ngugêri, een voor de regtbank gebrachte zaak schriftelijk aanteekenen. -paugêr, het geld, dat voor een sêrat ugêr betaald wordt. -paugêran, de plaats waar de verklaring der procesvoerende personen of getuigen aangeteekend wordt; een steun, een hoofd.

egar : zie enggar.

ugrasena : eign. van Sêtadjid in zijn jeugd [Skr. oegrasêna].

agrêng : en agrong K.N. donker, zwart. agrong, ook een boven het water uitstekende rots. -agrong-agrong, hoog, groot, verheven.

agrong : zie agrêng.

agèk : N. juist, pas, op het oogenblik.

êgas : Kw. een lengte maat, waarschijnlijk een el [zie gas].

agal : K.N. rauw, grof; onbeschaafd, lomp; zonder omwegen, regt voor de vuist.

agêl : K.N. een wertuig waarmeê de Kapok (boomwol) gezuiverd wordt; de draad van de schors van den Waroe-boom, waarvan een soort van grof linnen vervaardigd wordt.

ugêl : ongebr. [Sd. gewricht]. -ugêl-ugêl, K.N. het gewricht dat de hand met den arm verbindt.

ogèl : K.N. zich bewegen. -karogèl, met de hand bewegen, zwaaijen. pating karogèl, zich naar alle kanten bewegen, zich in allerhande bogten wringen of draaijen. -ngarogèl of ngrogèl, een kronkelende beweging maken, zooals het kruipen van een slang.

agul-agul : K.N. moed, dapperheid; benaming der voorvechters in den oorlog [=prawira].

ogal-agil : K.N. omwippen, omkantelen. wot ogal-agil, de brug die naar het doodenrijk leidt.

ugal-ugalan : K.N. zich als een gek kleeden of gedragen.

agop : Kw. eindigen, ophouden. tan agop, niet ophoude, onophoudelijk.

agya : zie age.

agnya : Kw. bevel last [Skr. âdjnjâ]. -ngagnya, bevelen, gelasten. ingagnya, lijd vorm.

agêm : I. K.h. [anggo N., angge K.], gebruik; kleeding, dragt. -ngagêm, gebruiken, bezigen, gebruik van iets maken, zich van iets bedienen, een kleed aandoen, aantrekken, zich kleeden. kagêm, gebruikt, gedragen. -agêman, hetgeen men aantrekt, kleed, kleeding, gewaad. -agêm-agêman, gewaad. [ge...]

--- 75 ---

[...waad.] -pangagêman, gebruik; dragt, kleeding.-piyagêman K.N. een acte van aanstelling; een huurcedel, huurcontract, pachtbrief. II. K.N. iets tusschen den eersten vinger en duim houden [De grondvorm is gêm, zie gêgêm]. -kagêm z.v.a. kagêgêm [=kagêgêm en kapasthi

ugêm : K.N.; ngugêmi, vertrouwen, gelooven.

ogêm : Kw. overleg. aogêm, overleggen.

agama : ook gama. 1. Kw. gang, loop, bedrijf [Skr. gama, gang, marsch, weg]. 2. agama N., agami K., godsdienst, religie [Skr. âgama, aankomst, aannadering, en een werk over godsdienst of godsvereering]. agama Islam, de mohammedaansche godsdienst. panata gama (regelaar van de godsdienst) een der titels van den Susuhunan van Surakarta.

agami : zie agama.

agag : K.N.; agag-agag, dreiging. -ngagag-agag, dreigen. -ngagagi, iemand met iets dreigen.

agêng : K. [van agung Kw.; gêdhe N.] groot; hoog in rang, verheven, aanzienlijk, edel; groot aantal, menigte [zie ook gêng]. -tuwan agêng, een groot, aanzienlijk heer. dintên agêng, een groote dag, feestdag. manah agêng, groothartig. sastra agêng, hoofdletters, kapitale letters. agêng-agêng, de grooten, aanzienlijken. -ngagêng, zich groot vertoonen. -ngagêngakên, grootmaken, vergrooten. -kagêngan, zie kagungan. - kagêngên, te groot. -pangagêng, de groote, voorname, aanzienlijke, een hoofd.

agung : kw. 1. z.v.a. agêng K.; zie gung. 2. zie anggung.

êgong : ie gong.

ugêng : K.N. bij een voornemen blijven, volharden.

ugung : K.N.; ngugung, toegeven, iemand zijn zin geven. kaugung of kogung, l.v. -ngugungi, aan iemand toegeven.

ub : zie aub.

èb : Ar. en K.N. verborgen, geheim [=samar. anders gaib, Ar. [ghaib]].

aba : Kw. stem, geluid; bevel, commando [Skr. aba, geluid geven]. -kaba, bevel. -ngabani, commanderên, gelasten, bevelen. dipun abani of kaabanan, l.v.

êbe : z.v.a be, naam van het zesde jaar van een Windu.

iba : K.N. te meer, te grooter, te langer.

ibu : K.h. [êmbok K.N.; vrg. biyung] moeder [Sd. Ml. id.].

ibe : K.N. garnaal.

abuh : K.N. opgezwollen; gezwel; zwellen.

ibah : Ar. [hibaa], een gift, een geschenk.

ebah : zie obah.

obah : N., ebah K., beweging, zich bewegen, in beweging zijn, zich vervoeren [Sd. id.; Ml. [ubah], veranderen van iets afgaan: vrg. owah]. obah als Tj. Sêngk. zes. ora obah N. [bo tan oyag K.] onbeweeglijk. ngobah-obahi N., ngebah-ebahi K. en ngobahake N.,

--- 76 ---

ngebahakên K., in beweging brengen, schudden. -ngobah-obahake N., -ngebah-ebahakên K., gedurig bewegen. -obahan, N., ebahan K., beweging, schudding.

abahan : K.N. materialen, bouwstoffen, gereedschappen, toebehooren. wontên ing abahan, in gereedheid zijn. -abah-abah, 1. z.v.a. abahan. abah-abah tênunan, een weefstoel. -2. N. [kanbil K., lapak K.N.] een Javaansch zadel, paardetuig. -ngabah-abahi N. [ngabili K., nglapaki K.N., ngêpapani K.h. opzadelen; iemand een pak slagen geven, toetakelen.

abah-abah : zie abahan.

abên : ngabên en pabên, zie adu.

abon : I. K.N. het geld waarvoor een buffel gekocht wordt [vrg. kêbo]. abon-abon, allerhande vleeschspijzen. maesa abon, heeten de tot de offerhanden van den Vorst zijnde Wadana's geleverd moeten worden. II. z.v.a. abên.

êbun : zie bun.

ibnu : Ar. [ibnu], zoon, kind.

abra : K.N. overal, in het ronde, wijd en zijd verpreid [=warata. Zie ook bra]. abra puspa, naam van een paard in de Brata-joeda.

ibra : of ebra K.N. de vernietiging van een regtsvordering, wegens het niet verschijnen van den aanklager [=ora dadi. Ar. [ibraa], kwijtschelding, vrijstelling].

ebra : zie ibra.

abar : K.N. de vleugelen uitbreiden, met de vlerken slaan, twee hanen, die zich tot den strijd gereed houden [=jago tarung]. -ngabar, met de vleugelen slaan, vechten.

abêr : K.N. los, slap; zacht, langzaam.

abir : K.N. een lang zwaard.

êbur : K.N. verdwijnen, wegraken [vrg. bur]. -ngêbur, doen vergaan, smelten, te niet doen. kabur, door den wind weggedreven worden, verstuiven. -ngêburake N., -kên K., wegblazen, wegwaaijen.

ibêr : en ibur K.N. het vliegen, vlugt [Sd. ibêr, id.]. ibêr-ibêr, vlugschrift, vliegende brief, bekendmaking, een gerucht dat zich snelverspreidt. sêrat ibêr, een zendbrief. aksara ibêr, loopend schrift, in tegenoverstellingvan het staand schrift-mibêr en mibur, vliegen, omvliegen, wegvliegen. kèbêr, door den wind weggedreven worden, verstuiven. -ngibêrake N., -kên K., in de vlugt zetten, doen vliegen.

ibur : zie ibêr.

ebor : K.N. een werktuig om goud uit de rivieren of den grond te halen. -ngebor, goud in het water of in den grond zoeken. -eboran, hetgeen tot het goud zoeken behoort. wong ahli ebor, iemand die in het zoeken van goud bedreven is. -pangeboran, mijn, goudmijn. -ngebor-ebori, noemt men het geven van een offerhande bij gelegenheid dat een vrouw voor de eerste maal in de tweede maand van haar zwangerschap is.

--- 77 ---

obar : K.N.; ngobar, branden [vrg. obong]. -obaran, wat verbrandt wordt; brand (in een bosch). -kobaran, brand.

obor : K.N. fakkel, toorts, flambouw [Sd. id.]. -ngobor, een fakkel gebruiken. -ngobori, met een fakkel bijlichten, een zaak toelichten.

obêr-abir : K.N. lichamen die een glans van zich geven.

abrit : zie abang.

ibarat : Ar. [ibaarah], uitlegging, verklaring, gelijkenis, voorbeeld [=upama, Ml. id.]. -ngibaratakên, door een gelijkenis een zaak opheldere, een gelijkenis maken.

ubrês : K.N.; ngubrês, overal vervolgen.

obrol : K.N. verzinsel, leugen. -ngobrol, eenleugens vertellen. -obrolan, elkander leugens vertellen. -obrol-obrolan, gezwets, praat, leugens.

ubarampe : (uitgesproken als twee woorden uba en rampe) benaming van geschenken, in kippen of kapoenen bestaande, die door de op de dorpen wonende Ngoelama's op de Garêbêg's voor den vorst ebracht worden [Het eerste woord is misschien he Ar. [hubay] geschenken, het plur. coll. van [hubwah.]

abrag-abrag : K.N. huisraad, meubels. abrag-abrag pawon, keukengereedschap.

abuk : K.N.; ngabuk, zich iets toeëigenen; een ander bedriegen. -abukan, het toegeeigende goed.

êbuk : I. K.N. [tan agawe N., tanpa damêl K.] nutteloos. II. Holl. boek [zie ook buk]. êbuk Walandi, een Hollandsch boek. -ngêbuki, iets boeken, aanteekening van iets houden.

ibêk : K.N. [zie bij kêbak]; ibêkan, volheid, menigte.

ubêkan : K.N. door elkander, heên en weêr loopen; algemeen bekend zijn [vrg. kubêk].

abdi : K.N., abdya Kw., dienaar, onderdaan [Ar. Pers. [ibad], -ngabdi, dienen, onderdanig zijn. -ngabdèkake N., -kên K., iemand dienstbaar maken. -pangabdi, dienst, dienstbaarheid. -pangabdèn, slavernij.

êbod : K.N. de geheele afdoening van een schuld: zie bod.

ubêd : en ubêd-ubêd K.N. zwachtel [vrg. bêbêd]. -ngubêd-ubêd en ngubêd-ubêdi, zwachtelen, omzwachtelen, omwinden, (een wond) verbinden. -ngubêdake N., -kên K., iets om tets heen winden.

abadi : Ar. doen ontstaan, een oorsprong doen nemen [Ar. [badi'], eerste voortbrenger van iets, schepper].

ibadah : zie ibadat.

ibadat : of ibadah, Ar. ['ibaadah], godsdienst, eeredienst, godsdienstige vereering [Ml. id.]. -ngibadah, de godsdienst uitoefenen, godsdienstoefening houden.

abdas : Pers. [aabdast], de plegtige, door de Muhammedaansche godsdienst voorgeschrevene wassching vóór de verrigting van het gebed; het water, waarmede men zich vóór het gebed wascht.

--- 78 ---

abdya : zie abdi.

abot : N. [awrat K.] zwaar, wigtig, zwaar van gewigt; zwaarte; gewigt [De grondvorm is bot. vrg. amot]. -ngêboti, zwaar maken, bezwaren. diboti, l.v. -kabotan, te zwaar geladen, overladen. -kabotên, te zwaar. -ngêbotake, verzwaren. -bobot, zwaar wegen; gewigt, zwaarte van iets; K.h. [wawrat K., mêtêng N.] zwanger, zwanger zijn [Sd. id.]. ing sabobot, evenredig. ambobot, de zwaarte van iets bepalen, afwegen; overwegen; K.h. zwanger zijn. -bobotan, last, vracht; gewigt; weegschaal; zwangerschap; K. [iook wawratan K., ngisng N.] ontlasting, stoelgang; zijn behoefte doen.

ibut : K.N. een soort van schoenen, die boven op den voel vastgebonden worden. -ngibut, met zijn tweën op één, of met een grooter aantal op een kleiner, aanvallen [vrg. but]. dibut l.v.

ubêt : K.N. omheen geslagen.

ebat : K.N. verwonderd, verwondering, verwonderlijk [=ngunguning ati. Ar. Ml [hebat], vrees, ontzag]. -ngebati, verwondering baren, in verwondering brengen; in verbazing zetten [=adamêl ngungun ingkang ningali].

obat : Ml. [ubat], geneesmiddel; N. [sêndawa K] buskruid [Sd. Ml. id.].

obat-abit : K.N.; ngobat-abit, zwaaijen, zwenken. -mobat-mabit, zwaaijen, heên en weêr slingeren, om zich heen slaan. -ngobat-abitake N., -kên K., met iets heên en weêr zwaaijen.

abewara : eign. van een hoofd van Sarwanti-pura.

oblo : K.N. een ontuchtig mensch, een hoer. -ngoblo, in ontucht leven, hoererij plegen.

êbol : K.N. de aars, de aarsdarm.

ubal : K.N. het uitbarsten, uitbreken van een groot vuur. -mubal, uitbarsten, uitbreken, doorbreken; zich vertoone, in menigte te voorschijn komen. -ngubal, uithalen, uittrekken; gedurig meer meer te voorscijn brengen.

iblis : Ar. [ibliis], eign. van den duivel, Satan (Ml. id.].

ubaya : N., ubanggi K., tijdsbepaling, bepaling van een zekeren tijd, termijn; belofte, verbintenis, voorwaarde [ubanggi = sêmaya]. ubaya ngabên, tijdsbepaling voor een verhoor. ubaya bayar, bepaling van den tijd, waarop iemand, die een proces verloren heeft, zijn verlies betalen moet. ubaya ebra, aanzegging, dat een eischer in een zaak, die gedurende drie regtzittingen niet verschenen is, van zijn eisch vervallen zal zijn verklaard, indienhij gedurende nog drie zittingen niet voor de regtbank verschijnt. sêrat ubaya dhêndha, schriftelijke verklaring van den Djêksa ban een gedaagde, dat hij, indien de gedaagde, die in drie regtszittingen niet voor den regtbank komt, alsdan gehouden zal zijn een boete te betalen. sêrat ubaya suwak, schriftelijke verklaring van denzelftden, dat hij in zijn ambt geschorst

--- 79 ---

zal worden, indien hij den gedaagde in een bepaalden tijd niet voor het geregt doet verschijnen. -ngubaya N., ngubanggi K., een tijd bepalen; afspreken, beloven. -ngubayani K.N., iemand een tijd bepalen; uitstel geven. ubayan, elkander beloven, onderlinge afspraak.

abyor : Kw. overal, algemen.

êbyar : K.N. het doorbreken van een licht, het aanbreken van den dag; zigtbaar worden; zie byar.

ubyar : Kw. fonkelen, lichten, schijnen.

Abiyasa : eign. van den grootvader der Pandawas en Korawas.

ubyung : K.N. zamenvloeijen, zich vereenigen.

Abimanyu : eign. van een zoon van Ardjoena.

êbêg : K.N. geheel vol.

èbèg : K.N. de twee kleppen of schilden aan weêrskanten van een Javaansch zadel. -ngèbègi, van zulke kleppen voorzien. -ngèbègake N., -kên K., van zulke kleppen laten voorzien.

abab : K.N. de adem, ademhaling. -ngababi, met den mond blazen. kababan, aangeblazen worden.

ubub : K.N. wind maken [Ar. [hubuub], het blazen van den wind]. -ngububi, wind met een blaasbalg maken; vuur aanblazen. -ububan (een houten) blaasbalg.

abang : N., abrit K., rood [Ml. id. Vrg. bang]. abang tuwa N., abrit sêpuh K., karmozijn. -ngabang N., ngabrit K., of ngabangake N., ngabritakên K., rood maken, rood verwen.

êbang : K.N. belofte, tot belooning, toezegging. -ngêbang, tot belooning belooven, toezeggen. -ngêbang-êbang, iets stellig beloven, groote belofte doen [=ngêngudang].

êbung : K.N. scheut, jonge spruit.

êbèng : K.N. een jong meisje, juffer: zie bèng.

ubêng : K.N. omtrek, omloop, kring, rondte. -mubêng, rondgaan, rondloopen, in de rondte gaan, omgaan, omsingelen, omloopen, om heen draaijen; in het rond. -kobêng, in de rondte gedraaid; in de rondte gevoerd worden; duizelig. -kubêng, omtrek, kring. -ngubêngi, omgaan, omrijden, omringen. -ngubêngake N., -kên K., draaijen. -ubêngan, rondzwerven, omzwerven, omdolen; een landlooper, schooijer. -ubêng-ubêngan, om elkander heên draaijen.

obong : N. [bêsmi K.] zich verbranden. -ngobong, verbranden, in brand steken. kaobong of kobong, verbrand [Een ander kobong zien beneden]. -ngobongi, iets verbranden, iets in brand steken. kobongan, iets dat verbrand, afgebrand is; een verlies door brand lijden [Een ander zie beneden]. -ngobongake, doen branden. -obongan, hetgeen verbrand wordt, brand in een bosch. -obong-obongan, een plaats die afgebrand is. -pangobongan, de plaats waar iets verbrand is, ook: het verbrande.

ubanggi : zie ubaya.

obang-abing : K.N. slingeren, zwaaijen [Vrg. obat-abit].

--- 80 ---

athuk : K.N. verenigd, zamen. -ngêthukake.N., -kên K., koppelen, onderhandelen, bemiddelen. -ngêthuk-êtukake N., -kên K., overeenbrengen, bemiddelen. -ngêthuk-êthukake N., -kên K., overeenbrengen, bemiddelen.

ithik : N. weinig [vrg. Sd. êtik, vrg. thithik]. ingik-ingik, elk oogenblik, gedurig. -ithik-ithik, kittelen.

uthik : K.N. schermen. uthik-uthik, iets aanraken. -nguthik, met de punt van een stok iets aanraken. -panguthik, een vuurschop.

athak-athak : K.N. sluiten, belemmeren, digt maken.

uthuk-uthuk : K.N. morgenschemering, dageraad.

ethok-ethok : K.N. veinzen, huichelen.

athik-athikan : K.N. kraakbeen.

uthut : zie nguthuti.

uthêl-uthêl : K.N. bijkans ten einde zijn.

athi-athi : K.N. haarlok, krul.

uthêm-uthêm : K.N. een opgezwollen gezigt.

ithêng : K.N. pikzwart [Sd. idhêng, Ml. [hitam], zwart].

êthing-êthing : K.N. medelijden, barmhartig.

ing : 1. een voorzetsel voor bepalingen van plaats, tijd, wijze hoe en middel waardoor: te, in, op, door, enz. 2. [e N., ipun K.] een aanhechtsel aan een naamwoord tot verbinding met een volgend naamword als bepaling. Zie de Spraakkunst.

èng : z.v.a. ing.

angi : K.N. het koud maken van gekookte rijst [vrg. ngingi].

ingu : K.N. ngingu, den kost geven, onderhouden. -ngingoni, iemand den kost geven, voeden, onderhouden, er tamme beesten op na houden. -ngingokake N., -kên K., met iets onderhouden. -ingon, kost, onderhoud, voeder. -ingon-ingon, personen of tamme beesten, die men den kost geeft.

angên : ongebr. [Sd. gemoed, hart; Ml. denken, willen]. angên-angên K.N. het zinnen, nadenken, aandacht, gepeins, overleg; verlangen, begeerte; de (vijf) zinnen [Sd. zorg, toezigt]. -ngangên-angên, op iets zinnen, denken, nadenken. -ngangênake N., -kên K., overeen zaak denken. -kangên, verlangen, begeerte.

angin : K.N. wind [Sd. Ml. id.]. -ngangini, aanwaaijen, van den wind. kanginan, door den wind aangewaaid of weggevoerd worden.

angèn : 1. K. zie angon. 2. Kw. het oog op iets vestigen.

angon : N., angèn K., weiden, hoeden [Sd. id.]. diangon, diêngon of dingon N., dipun angèn, dipun êngèn of dipun ngèn K., l.v.; ngonên, geb. wijs [De grondvorm is dus ngon]. -ngêngoni N., ngêngèni K., beweiden. -pangon, N., pangèn K., herder, herderin. -pangonan N., pangènan K., weideplaats, weide, weiland.

ingan : I. Kw. grens, perk [=wangên]. II. K.N. weverspoel [=bêkakase wong angulur lawe]. III. K.N. zich schuil houden; zijn pligt ontduiken.

ingon : zie ingu.

--- 81 ---

angun-angun : Kw. woest, wild, dapper; een wilde buffel [=galak].

angur : N. [luwung K.] liever, liever willen [Sd. Ml. id.; zie ook ngur, en vrg. anguk].

ingêr : K.N.; ngingêr, omdraaijen. kèngêr K.N. [of N., kongsul K.N. of K.] verrekt, verstuikt, verlamd; verrekken, verstuiken. -mingêr, omdraaijen. mingêr-mingêr, van de eene zijde naar de andere draaijen.

angrèh : zie rèh.

angrik : K.N. het krijschend geluid van een krekel of Buta [panjêlèhing buta. zie kêrik].

angrok : zie rok.

angrêt : Kw.. zacht, langzaam.

angrês : I. zie rês. II. K.N. wemelen, krielen, krioelen.

angrap : K.N. hard loopen; met drift spreken [zie ook ngêrap]. -ngrapake N., -kên K., hard doen loopen; b.v. een paard.

angrêm : K.N. bestendig op dezelfde plaats blijven zitten. babon angrêm, een kip die broeit.

ôngka : K.N. getalmerk, cijfer, nommer [Sd. Ml. Skr. angka, id.]. angkaning warsa, jaartal. Angkawijaya, bijn. van Abimanyu. -ngangkani, cijferen, nommeren.

anguk : K.N. liever, bij voorkeur.

angok : K.N. het afnemen of zakken van het water van een rivier.

angkah : K. [arah N., purih K.] streven, poging, begeerte. -ngangkah, streven, trachten, pegen. -ngangkah-angkah, aanhoudend trachten, geduldig afwachten. -ngangkahi, naar iets streven. -piyangkah, oogmerk bedoeling. -pangangkah, het streven, poging, toeleg.

angkuh : K.N. 1. plan, oogmerk, voornemen [=arah vrg. angkah]. -pangangkuh z.v.a. pangangkah. II. grootsch, trotsch, hoogmoedig; trotschheid, hoogmoed; pochen [=dhiri]. -piangkuh of piyangkuh, trotschheid, hoogmoed.

ungkih : zie ukih.

angkêr : K.N. iets dat verboden, schadelijk is [vrg. sangkêr]. -ngangkêri, iets verbieden, iemand van iets terughouden. -angkêran, een verboudene plaats, of een plaats die men niet naderen mag.

ungkur : K.N. het omdraaijen, den rug wenden. saungkurku, als ik den rug wend, na mijn vertrek. -pungkur N., pêngkêr K., achter den rug, van achteren; en z.v.a. het voorgaande. sapêngkêripun, achter hem; en na zijn vertrek. -mungkur N., mêngkêr K., zich omdraaijen, een zaak loochenen, ontkennen. -kapungkur N., kapêngkêr K., achter den rug; geppasseerd, verleden. -ngungkurake N., -kên K., iemand ofiets den rug toedraaijen, verlaten. -pungkuran N., pêngkêran K., derug, de achterzijde; de plaats achter een huis.-pungkur-ungkuran, elkander den rug toedraaijen, ieder een afzonderlijken weg gaan, elkander verlaten.

angkara : Kw. brandend, heet; toorn, kwaadheid.

angkrik : K.N. op iemand liggen.

êngkak : K.N. een kraai, een raaf. êngkak-êngkak, krassen.

êngkuk : naam van een vogel, naar het geluid, dat hij maakt, aldus genoemd.

--- 82 ---

ingkêd : K.N. het intrekken, b.v. van zijn woord. -mingkêd, van iets, b.v. van zijn voornemen, afzien. -ngingkêdi, intrekken. -ngingkêdake N., -kên K., doen intrekken. -pangingkêd, intrekking.

angkat : K.N. het opligten, opbreken, op reis gaan, afreizen [Sd. Ml. id.]. -umangkat of mangkat, zich op reis begeven, afreizen, vertrekken. -ngangkat, opligten, optillen, verheffen. ngangkat nama, iemand een hoogeren naam oftitel geven. kaangkat of kangkat l.v. -ngangkatake N., -kên K., opreis laten gaan, laten vertrekken behoort; keeren van vertrek; b.v. têlung angkatan, drie keeren van vertrek. panggonan angkatan, de plaats van waar men gewoon is te vertrekken, velen, die zich op reis begeven. -pangangkat, verheffing.

angkus : K.N. een puntige haak, waarmede een olifant wordt aangespoord. -ngangkus, een olifant daarmede aansporen.

êngkas : K.N. [of N., malih K.] wederom, op nieuw, nog. sapisan êngkas N. [sapindhah malih K.] nog een keer, nogmaals, andermaal.

ungkil : K.N.; ngungkil, met een spaak of iets dergelijks opligten [ml. id.].

ungkul : K.N.; ngungkuli, overtreffen, te boven gaan; boven iets of boven iemands hoofd houden. kongkulan, overtroffen worden, voor een ander onderdoen.

engkol : K.N. een gebogen arm; een omweg.

êngklèk : K.N. op een been huppelen.

angklung : K.N. een muziekinstrument bestaande uit een raam, waarin eenige aan het boveneinde schuins afgesnedene bamboezen pijpen naast elkander staan, die, als zij bewogen worden, een schel geluid geven.

angkup : K.N. een nog niet ontloken blad, knop, uitspruitsed.

ingkêm : K.N. het digtmaken, sluiten. -mingkêm, zich sluiten. -ngingkêmi, iets digtmaken, sluiten; bijv. den mond of de lippen.

êngkab : K.N. het openen. -mêngkab, zich openen.

ungkab : K.N. het opligten. -ngungkabi, het deksel, b.v. van een schotel of pot, opligten.

angkêb-angkêb : K.N. deksel, luik, deur, poort.

ingkang : zie kang.

ingkêng : zie kang.

ongkang-ongkang : K.N. op een hoogte zitten en de beenen laten hangen.

angêt : K.N. I. gerust, veilig. II. laauw, warm [Sd. id.; Ml. warm]. banyu angêt, laauw water. -angêt-angêtan, iets dat laauw is.

angot : K.N. op nieuw to voorschijn komen weder instorten (van een ziekte).

êngêt : K.N. mot, mijt.

ingêt : K.N.; ngingêtake K., -kên K., zien [=ningali].

èngêt : K. [ook emut K., eling N.] indachtig zijn of worden, gedenken, herdenken, zich hernneren, tot zich zelf komen; uit een flaauwte bijkomen [Sd. Ml. [ingat]]. -kaèngêt, voorbedachtelijk. -ngèngêt-èngêt, aanhoudend de gedachten op iets gevestigd

--- 83 ---

houden, zich verbeelden. -ngèngêtakên, indachtig maken, iemand iets herinneren, waarschuwen. -kaèngêtan of kèngêtan, indachtig gemaakt, herinnerd worden; herinnering geheugen. -pèngêt en pêpèngêt, herinnering, waarschuwing. -mèngêti, herinneren, indachtig maken. -pangèngêt, aandenken. -pangèngêt-èngêt, herdenking, geheugen, herinnering, gedachtenis. -pangèngêtan, gedachtenis, iets dat ter herinnering dient.

ungsi : K.N.; ngungsi, de toevlugt nemen, een schuilplaats zoeken. -ngungsèni, tot iemand zijn toevlugt nemen. -ngungsèkake N., -kên K., een schuilplaats voor iets zoeken, door de vlugt redden. -pangungsèn, toevlugtsoord, toevlugt.

ôngsa : Kw. [banyak K.N.] een gans [Ml. [angsa] of [kangsa], Sd. gangsa, Skr. hangsa].

angas : K.N. twijfelachtig, onzeker.

angus : K.N. roet [Ml. aanbranden, schroeijen].

êngês : K.N. aandoenlijkheid, b.v. van een lied, dat gezongen wordt. -ngêngêsake N., -kên K., aandoenlijk maken.

ingas : naam van een grooten boom [Ml. id.].

ungas : K.N. het zien [vrg. ungal]. -ngungasake N., -kên K., laten zien, vertoonen [=ngatokake, en ngatingalakên]. -kongas, zie beneden.

angsah : K.N. I. het aanrukken, aanvallen op den vijand. -umangsah of mangsah, aanrukken, aanvallen op den vijand. -nangsah Kw. hetzelfde. -ngangsahi K.N. tegen iemand oprukken, op iemand aanrukken. -ngangsahake N., -kên K., een aanval laten doen, laten aanrukken. II. angsah, ngangsah, zie asah.

ingsun : ook sun N. ik, mij; mijn; wij, ons, onze. Dit voornaamwoord gebruikt alleen de vorst, wanneer hij in zijn vorstelijke waardigheid tot zijn onderdanen spreekt of schrijft. In sommige westelijke districten, zooals in Bagelen, en in poëzie, wordt het in gesprekken, als men Ngoko spreekt, algemeen en zonder onderscheid van rang gebruikt. In het Bantamsche zegt men isun, -kumingsun, zich grootsch vertoonen; tretsch, eergierig.

angsana : zie sana.

ungsir : zie usir.

ingsarat : z.v.a. isarat zie sarat.

ingsêr : K.N.; ngingsêr, verplaatsen, verwijderen, verdrijven, op de vlugt drijven. kèngsêr l.v. -mingsêr, plaats maken, uit den weg gaan.

angsrog : K.N. met de voeten den grond of iets raken.

ingsêk : zie ingsêg.

angsok : zie sok.

angsal : I. z.v.a asal. II. K. [ook pikantuk K., olèh N.] verkrijgen, erlangen, bekomen, magtig worden. Ook [gew. gèn K., olèh N.] een hulpwoord om van een werkwoord en naamwoord te vormen, dat gelijk staat met een door het voorzetsel [pa]Tulisan Jawa. pa, van een werkwoord afgeleid naamwoord [Zie bij ênggon]. Bij een woord, dat een vasthechting beteekend, z.v.a. ons aan, aan vast; bij woorden, die huwen beteekenen, z.v.a. met.

--- 84 ---

angsal damêl, in een werk of een onderneming slagen. -ngangsalakên, iemand iets doen verkrijgen, bezorgen; aan iets vasthechten. -angsal-angsal, een geschenk dat men van een reis tehuis komende medebrengt.

angsul : ongebruikelijk. ngangsuli z.v.a. mangsuli (van wangsul) K. antwoorden, beantwoorden. -angsulan z.v.a. wangsulan, antwoord. -angsul-angsul, wederantwoord; tegengeschenk.

ungsum : K.N. de tijd der rijpheid der vruchten [vrg. usum].

ingsêg : ook wel ingsêk, gescheven K.N. gesnik. -mingsêg, snikken. mingsêg-mingsêg, aanhoudend snikken.

angsang : K.N. kieuw, kieuwen van een visch [Sd. asang, Ml. [isang] of [hisang]].

ingwang : Kw. voornaamwoord van den eersten persoon; ik, mij; mijn; wij; ons, onze [=aku vrg.ita, 3., en zie de Spraakkunst].

anglo : K.N. een test waarin vuur gedaan wordt; vuurtest [Ml. id.].

angèl : K.N. bezwaarlijk, moeijelijk, ongemaklijk, hachelijk, hard, drukkend. -ngangèli, het iemand moeijelijk maken. kangelan, in moeijelijkheid gebracht; moeijelikheid; hachelijkheid, bezwaar.

ungêl : zie uni.

angluh : zie angloh.

angloh : en angluh K.N. getroffen, van iets aangedaan zijn. angloh sayah, geheel vermoeid zijn. angloh gêrahên, door de hitte geheel afgemat zijn.

anglar : zie lar.

anglir : zie lir.

anglur : K.N. regte lijn, front [vrg. lur].

anglèr : Kw. effen, vlak, gelijke grond; K.N. een Sawahveld, nadat het voor de tweede maal geploegd is, eggen, totdat het voor de beplanting gereed is [Het wordt verklaard door amratakake, Vrg. lèr].

anglêk : K.N. I. dikke, taaije slijm; opgezwollen. II. geheel overtuigd van iets zijn.

anglud : K.N. volgen, medegesleept worden; mede aangedaan zijn [De grondvorm is lud. Vrg. alud]. anglud nangis, medeweenen. anglud sapuruge, iemand in alle rigtingen volgen, overal medegesleept worden. -ngêlud, navolgen, achtervolgen, vervolgen. -pangêlud, achtervolging, vervolging.

anglês : K.N. I. zich ver uitstrekken. II. den moed laten zinken, moedeloos, terneêr geslagen. III. z.v.a. anglès [Het wordt verklaard door anyamar en namar].

anglès : [ook anglês] K.N. zich onbemerkt van een plaats verwijderen, stilletjes heên gaan zonder afscheid te nemen.

anglêp : Kw. zuiver, schoon [=rêsik].

angling : zie ling.

ungap : K.N. over iets heên zien, iemand over het hoofd zien; zich boven anderen verheffen of laten hooren. -ngungap, een uithoek, kaap.

angdhe : ook andhe Kw. voorbeeld, model [=upama].

--- 85 ---

angum : K.N. in het water doopen; in het water staan.

angge : zie anggo.

anggo : N., angge K. [agêm K.h.] gebruik, dragt, kleeding [Sd. id.]. -nganggo N., ngangge K., gebruiken, bezigen, gebruik van iets maken, een kleed aandoen, aantrekken, zich kleeden. Ook [mawi K.] met. ora nganggo N. [botên mawi K.] zonder. kaanggo of kanggo N., kaangge of kangge K. l.v. -anggon N., anggèn K. wat men aantrekt, kleeding. -anggon-anggon N., anggèn-anggèn K., kleeding, dragt, gewaad. -nganggon-anggoni N., nganggèn-anggèni K., kleeden. -nganggokake N., nganggèkakên K., iets iemand aantrekken; iemand of iets tot iets gebruiken. kanggokake en kanggèkakên l.v. -panganggo N., pangangge K., gebruik; kleeding, kleed, gewaad. -manganggo N., mangangge K., zich kleeden in het gewaad van een ander.

ingga : zie saingga.

inggu : K.N. duivelsdrek. asa foetida [Sd. Ml. id.].

ôngga : Kw. I. water [=banyu]. II. lichaam; voorbeeld, gelijkennis; vorm, gedaante [=badan of sarira, Skr. angga, een lid; het lichaam; een hulpmiddel; enz.]. angganipun, bij boorbeeld. -ônggadara, benaming van een wapendrager van den Vorst. Ônggajali, eign. van een zoon van Bramakêndali.

ênggih : zie inggih.

inggah : zie unggah.

inggih : K., gih of ênggih ook nênggih Md. [iya N.], alzoo, insgelijks, desgelijks, ook; zoo; ja; goed zoo; zoo dan. -nginggihi, ja op iets zeggen, iets voor waar verklaren, bevestigen. -singgih, zie beneden.

unggah : N., inggah K., het opklimmen, in de hoogte gaan, opgaan. -munggah N., minggah K., opgaan, stijgen, klimmen, opklimmen, optrekken. munggah ing dharat N., minggah ing dharat K., aan land stijgen, landen. munggah aji N., minggah aji K., ter bedevaart gaan. -ngunggahi N., nginggahi K., beklimmen, tegen iets of iemand opgaan, optrekken; een vrouw die zich zelf een man ten huwelijk aanbiedt. nginggahi prang, ten strijde optrekken. ngainggahi kraman, tegen oproerlingen in het veld trekken. -ngunggah-unggahi N., nginggah-inggahi K., een man ten huwelijk vragen (van een vrouw). -ngunggahake N., nginggahakên K., naar de hoogte doen gaan; optrekken, opvijzelen; ergens op brengen; een zaak voor een hoogere regtbank breugen; in rang verhoogen. unggah-unggahan N., inggah-inggahan K., het wasschen van het hoofdhaar in het begin der vasten.

anggi-anggi : of anggi-yanggi K,N. kruiden, kruiderijen, specerijen, droogerijen, geneeskruiden.

anggèn : zie ênggon.

ênggèn : zie ênggon.

ênggon : N., ênggèn K., plaats, plek [Sd. id.]. ênggon of gon [gew. olèh] N., gon of anggon [ook wel angsal] [ang...]

--- 86 ---

[...sal]] K., een hulpwoord, om van een werkwoord een naamwoord te vormen, dat gelijkstaat met een door het voorzetsel pa, pa, van een werkwoord afgeleid naamwoord, en dat gebruikt wordt, wanneer men spreektvan een plaats, tijd of wijze, waarop iets plaats heeft; b.v. ngantos lami gènipun wontên satêngahing wana, lang was hij haar wond; muwun gènipun ngandika, zij weende bij haar spreken (terwijl zij sprak). saênggon-ênggon N., saênggèn-ênggèn K., op alle plaatsen, overal. -manggon N., manggèn K., zich ergens plaatsen, ter neêr zetten, wonen, gelegen zijn. -nganggoni of ngênggoni N., nganggèni of ngênggèni K., een plaats bezetten, ergens zich neêrzetten. kanggonan N., kanggenan K., waar of bij wien zich iets bevindt. -panggona N., panggenan K., de plaats waar iemand of iets is of staat. -kapanggonan N., kapanggenan K., bezet, betrokken, bewoond. -iyagene en gew. yagene of geneya of yageneya N. [punapaa K.] waarom?

anggana : Kw. slechts, maar, alleen, zelf.

anggro : K.N. brullen: zie gêro.

anggar : K.N. een riem of band, waarin een kris gedragen wordt. -kaanggar, in een riem of band gestoken.

anggêr : K.N. steun, een paal die tot steun dient [=pikukuh]; bepaling, instelling, wet; verzekering. layang anggêr N., sêrat anggêr K., wetboek. layag anggêr gêdhe N., sêrat anggêr agêng K., het groote wetboek: naam van een zeker wetboek. anggêr en anggêre of anggêripun, als maar, mits. -nganggêri, een bêpaling omtrent iets maken, vaststellen, bepalen. -anggêr-anggêr, vaste instelling. -anggêr-anggêran, wetsbepalingen. sêrat anggêr-anggêr of sêrat anggêr-anggêran, een wetboek, schriftelijke wetschepalingen. -panganggêran, vastelling, bepaling; gewoonte, gebruik, wijze.

anggur : K.N. I. wijn [Sd. Ml. id.; Pers. [anguur], uwit anggur of wit anggur, wijnstok. woh anggur, wijndruif, druiven. II. nganggur, niets te doen hebben; geen werk doen, ledigzijn; vrij, ledig, zonder werk. -angguran, een ledigganger, lediglooper, iemand die aan geen vaste werkzaamheden gebonden is; vrij.

anggèr : of ênggèr of gèr, Kw. heer, gebieder, gebiedster [=bêndara en guru] Dit woord gebruiken de Javanen, wanneer zij hun kinderen, die een hoogere bestemming, dan zij zelf hebben, aanspreken.

inggar : Kw. I. zie enggar. II. weggaan, heengaan, vertrekken.

unggar : Kw.; ngunggar, opligten.

enggar : ook egar en inggar Kw., verheugd; vreugde, blijdschap [=bungah]. -ngenggar-enggar, vreugde verwekken, verlustigen.

anggara : Kw. Dingsdag [=Sêlasa. Skr. Anggåra, naam van de planeet Mars]. Anggara Kasih, een Dingsdag Kliwon: een dag, die door de Boedisten voor heilig gehouden werd en nog door de Javanen daarvoor gehouden wordt; zoodat een maand, waarin zulk een dag niet voorkomt, voor een ongeluksmaand wordt.

--- 87 ---

anggrah-anggrah : onbeduidend, van geen belang.

anggris : zilver, alleen achter reyal in gebruik: reyal anggris, een reaal zilver.

Inggris : of Enggris, Enggelsch [Sd. Ml. id.].

Enggris : zie Inggris.

onggok : K.N. Sago.

anggit : K.N. gedicht, opstel. -nganggit, bloemen rijgen, een bloemkrans vlechten; verzen maken, dichten; een opstel maken, opstellen [Ml. [anggit], aan elkander rijgen; Sd. nganggit, auteur, schrijver. ingkang nganggit, de opsteller, schrijver. nganggit-anggit, verdichten. -anggitan, bloemkrans, gedicht; opstel; verdichting [Sd. zamenstel, zamenstelling]. panganggit, opstelling, dichting; opstel, gedicht; opsteller, auteur, dichter.

inggat : K.N. het heimelijk de vlugt nemen. -minggat, zich heimelijk weg maken, wegloopen [Sd. id.]. -nginggati, ontduiken, ontvlugten. kainggatan, de persoon wien iets ontvoerd is. -nginggatake N., -kên K., doen ontvlugten, ontvoeren, schaken. -inggatan, vlugteling. -inggat-inggatan, de plaats waar een vlugteling zich ophoudt.

anggèsthi : eign. van een Bagawan.

anggal : K.N. ligt, gemakkelijk.

inggal : zie enggal.

inggil : K. [dhuwur N.] hoog, verheven, hoogte. ing nginggil of nginggil, boven, over, boven op. dhatêng nginggil of dhumatêng nginggil, naar boven, opwaarts. siti inggil of titinggil [lêmah dhuwur N.] hooge grond, naam van een verhevene plaats in de Kraton vóór het paleis van den vorst, waar de vorst verschijnt, wanneer hij zich op Garêbêg aan zijn onderdanen vertoont. -panginggil, wat boven iets is, hooger in rang. -manginggil, zich in de hoogte begeven; naar boven, bovenwaarts, opwaarts. nginggilakên, verhoogen, verheffen. -inggilan, een verhevenheid, hoogte,

unggul : K.N. boven anderen uitsteken, de boven ste zijn; overwinnen, overwinning. unggul ing jurit of unggul ing pêrang, zegepralen. -ngunggul, over anderen heen neêrhangen. -ngunggulakên, naar boven, naar de overwinning streven. -kaunggulan, overwinning. -unggul-unggulan, elkander trachten te overtreffen.

enggal : ook wel inggal geschreven, I. K. [anyar N.] nieuw, versch. tiyang enggal, een nieuweling, vreemdeling. -ngenggalakên, vernieuwen. II. K. [of liever K.N., doch meestal slechts in Krama gebruik; kêbat en gêlis N.; rikat K.N.] vlug, spoedig, gaauw, gezwind, haastig, rasch, snel, dra, fluks. enggal-enggal, voorbarig. -enggal-enggalan, met spoed; zeer gaauw, met groote haast. -ngenggalakên, bespoedigen, haast maken; haast doen maken, iemand tot spoed aanzetten.

anggêp : K.N. handeling, gebruik, behandeling. -nganggêp, handelen, gebruiken, behandelen; voor iets houden, als iets beschouwen; erkennen; in iets berusten. kaanggêp of kanggêp, [kanggê...]

--- 88 ---

[...p,] in aanzien staan, van invloed zijn, invloed hebben. -panganggêp, wijze van handelen, behandelen; behandeling, gebruik.

anggop : K.N. ophouden, rusten.

unggyan : en onggyon Kw. plaats.

onggyon : zie unggyan.

anggi-yanggi : zie anggi-anggi.

anggung : (ook wel agung) K.N. bestendig vertoeven, steeds bij hetzelfde staan blijven; bestendig, gestadig, steeds [Het wordt verklaard door pijêr].

anggèng : z.v.a. munggèng.

angot : K.N. den mond wijd open zetten, gapen; iemand toesnaauwen.

anging : zie nanging.

ingong : Kw. ik, mij; wij, ons [=aku]; zie ngong.