Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

Na

ni : zie nini.

nu : zie bij kanuragan.

no : K.N. tusschenw. ei! kijk!

nah : I. tusschenw. toch! ach!. II. een voorzetsel voor eigennamen van vrouwen.

nèhake : zie wènèh.

nahên : Kw. 1. zie tahên. 2. vervolgens, daarna.

nohan : naam van een vogel, die op vrachten aast.

nuhun : zie suwun.

naur : zie saur.

naindi : zie sahid.

naut : zie saut.

naas : 1. K.N. geen werk verrigten, niets doen. -2. ongeluk [Ar. [nanas], ongelukkig gesternte, ongelukkig voorteeken, ongeluk]. naasing kaki, de dag van het overlijden van iemand's grootvader. naasing bapa, de dag van het overlij van iemands vader. Beide worden voor onheilspellende dagen gehouden.

niasat : zie siyasat.

naosi : zie saos.

niaya : en niayani, zie aniaya.

non : en anon, zie ton.

nana : in ora nana, zie ora.

nini : K.N. een klein meisje; een oude vrouw; N. [ook nyai N., êmbah K., eyang K.h.] grootmoeder; ookj nini of ni K.N. een veorzetsel vóór eigennamen of benamingen van vrouwen, gelijkstaande met kyai en ki, vóór die van mannen [=jalma tuwa wadon en biyangne ing biyung, Sd. nènè, Ml. [nenek], grootmoeder]. ninèkmu, uw grootmoeder. nini rôndha of ni rôndha, de weduw. ni rara, de maagd. nimbok voor ni êmbok. -kumini, een meisje dat zich als een oude vrouw aanstelt, een nufje.

nanah : K.N. etter [Sd. Ml. id.]. ananah, etteren.

nènnèr : zie nènèr.

nonnor : zie nonor.

--- 89 ---

nannas : zie nanas.

ninnis : zie ninis.

nènnès : zie nènès.

nonnop : zie nonop.

nênnêm : zie nêm.

nenemman : zie nom.

nonnomman : zie nom.

nanning : zie naning.

ninnang : zie ninang.

nonnong : zie nonong.

nancang : zie cancang.

nincing : zie cincing.

nènèr : K.N. met een klein net visschen [z.v.a. nèsèr van sèsèr, in Kawi ook anèr, De grondvorm is dus sèr].

nonor : K.N. niet duidelijk zien, een zwak gezigt hebben.

nandêr : zie sandêr.

nendra : Kw. slapen [=sare. Skr. nidrå, slaap].

nindita : Kw. hoog, verheven; overtreffen [=linuwih of liwat luwih].

nunut : K.N. meêgaan, denzelfden weg gaan [van anut gronvorm tut]. -nunuti, met iemand meê gaan. dinunuti l.v.

nantun : zie tari.

nuntên : zie tuli, III.

nuntun : zie tuntun.

nonton : zie ton.

nêntak : zie sêntak.

nuntak : K. [mutah N.] overgeven, braken, vomeren. sarat nuntak, braakmiddel, vomitief. anuntak êrah, bloed spuwen.

nuntagi : K.N. iets duidelijk inzien, goed begrijpen.

nantang : zie tantang.

nanting : zie tari.

nanas : K.N. ananas [Ml. [nanas] of [ananas], Sd. dhanas]. -annannas of ngênnannas, als een ananas zijn.

ninis : K.N. lucht scheppen, in de frissche lucht gaan, zich verkoelen [=lêlinggihan ing jaba. De grondvorm is tis].

nènès : K.N. ongedwongen, vrij zijn in het spreken; welsprekend, spraakzaam.

nonop : K.N. een schuilplaats zoeken.

nundhês : K.N. vragen, onderzoeken.

nandhêg : K.N. iets neêrleggen, bewaren.

nandhang : zie sandhang.

nanjir : 1. op een paal steken. -2. zie tanjir.

nanjuk-nanjuk : K.N. struikelen, over iets vallen; uit onbedachtzaamheid zondigen.

nunjêl : K.N. iemand achterna zenden.

nunjêm : K.N. in iets indringen, zich in iets verdiepen; zich voor iemand vernederen.

nanjangi : en nanjangakên, zie sanjang.

nênêm : zie nêm.

neneman : zie nom.

nomnoman : zie nom.

naning : K.N. rangschikken, verdeelen.

ninang : K.N. onjuist, annaauwkeurig [Het wordt verklaard door beda].

nonong : K.N. een spits voorhoofd hebben.

nunung : K.N. lokken; lokaas.

nacah : zie cacah.

nucuh : zie cucuh.

--- 90 ---

nocoh : zie cocoh.

nocor : zie cocor.

nacak : zie cacak. III.

nêcêk : zie cêcêk.

nucuk : zie cucuk.

nècèk : zie cècèk.

nocok : zie cocok.

nucèkake : zie suci.

nacad : zie cacad.

nicil : zie cicil.

nucul : zie cucul.

nècèl : zie cècèl.

nocol : zie cocol.

nacap : zie cacap.

nêcêp : zie cêcêp.

nucup : zie cucup.

nicipi : z.v.a. ngicipi.

nocog : zie cocok.

nacab : zie cacap.

nêcang : zie sêcang.

nra : of nar Kw. mensch [nra = jalma en nar = manungsa. Skr. nrê]. -nrêpa of narpa, vorst [=ratu, Skr. nrêpa, zamegest. uit nrê en pa, vorst]. -nrapati, narpati of nrêpati, vorst [=ratu, Skr. nrêpati, zamegest. uit nrê en pati, heer, Vrg. narapati, onder nara].

nrê : zie nra.

nir : ook ênir Kw. zich verliezen, vergaan, verloren gaan, verdwijnen; als Tj. Sêngk. nul [=ilang of ical en ora. In het Sanskrit is nir, of vóór andere letters nis (zie nis), een onafscheidelijk voorzetsel, dat zonder beteekent: en zóò komt het ook voor in eenige Kawiwoorden, vooral in eigennamen. Voorbeelden kan men hier beneden vinden, zooals nir wikara, nir wèsthi]. -ngênirakên, doen verdwijnen.

nor : zie sor.

nara : Kw. man, mannelijk [Skr. n a r a, mensch, man; vrg. nra]. -narendra, een vorst [=ratu. Skr. narêndra, zamengesteld uit nara en endra]. -naranata, een vorst [zamengesteld uit nara en nata]. -naradipa een vorst [Skr. narâdhipa, zamengest, uit nara en adhipa, heer, meester]. -nareswara, of ook nariswara, magthebber, gebieder, vorst [=ratu, Skr. narêsjwara, zamangesteld uit nara en isjwara, bestierder]. narapati, een vorst [Skr. narapati, zamengesteld uit nara en pati, heer. Vrg. nrapati, narpati en nrêpati, onder nra].

nare : zie sare.

nari : zie tari.

nêru : Kw. vervolgen, achternaloopen.

niru : zie tiru.

nora : zie ora.

nori : K.N. papegaai [Sd. Ml. nuri, Vrg. luri].

narah : zie sarah.

narendra : zie nata.

nêranyam : K.N. stout, ondeugend, onbeleefd.

nronthong : K.N. regt door heên.

naraca : Kw. I. een wang, balans, weegschaal [Ml. [neraca]; Skr. nârâtji, een goudschaal, fijne balans]. II. pijl, pijlen [Skr. nârâtja, een ijzeren pijl, eig. manverslinder]. naraca bala, een volk

--- 91 ---

van pijlen d.i. een menigte pijlen [=panah kang mêtu ewon].

nracak : zie racak.

narêcêl : K.N. in menigte voor den dag komen; velen, een menigte.

nracag : en nricig, K.N. tegen een muur of een hoogte opklimmen.

nricig : zie nracag.

naraka : K.N. de hel [Sd. noraka, Ml. [neraka], Skr. naraka]. naraka Buda, de hel der Boedidten.

nêrod : K.N. haast maken, zich haasten.

narada : eign.van een Djawåtå, anders Kanékåpoetrå genaamd [Het wordt verklaard door Dewa Kêbayan. Skr. Nårada].

naradipa : zie nara.

nêrat : zie sêrat.

nratas : K.N. door een door, geheel; vereenigd; met.

nêrutus : K.N. een spoor volgen.

nêrutuli : K.N. iemand achterna zenden.

naros : zie tari.

nêrasah : zie sarasah.

nariswara : zie nara.

narasama : eign. van een vorst van Màndå-råkå, gewoonlijk Salya genaamd.

narawantah : Kw. aanhoudend met pijlen schieten; ook benaming van een soort van pijlen.

nirwèsthi : zie wèsthi.

nirwikara : zie wikara.

narawôngsa : naam van een boek, behelzende het verhaal van de gedaantewisseling van Déwå Côndra-Kirana.

narawung : zie sarawung.

nrêpa : zie narpa, zie nra.

nirpringga : zie pringga.

nrapati : nrêpati, en narpati, zie nra.

narapati : zie nara.

nirmala : zie mala.

narampang : zie sarampang.

narambahi : zie sarambah.

nêrêg : zie sêrêg.

nirig : zie sirig.

nuraga : zie bij kanuragan.

nirbinta : eign. van den Patih van Wirata in de Brata-yuda [Het wordt verklaard door ilang wêdine. In Kawi is bita = wêdi, Skr. bhita, vrees, bevreesd. nirbinta, is dus hetzelfde als nirbita, en zoo wordt de naam van dien Patih van Wirata ook door anderen geschreven].

nirbraja : zie braja.

nirbita : eign. van een vorst van Nusa-Baron; ook benaming van een soort van troepen [zie bij nirbinta].

nurbuwah : zie nubuwah.

nurbuwat : zie nubuwah.

nirbaya : zie baya.

nêrithik : K.N. veel, een menigte.

nêruthuk : K.N. bedelen.

nrang : z.v.a. nyêrang [zie sêrang] en trajang. -nrangbaya N., nrangpringga K., benaming van een thans niet meer bestaande soort van soldaten of lijfwacht van den Susuhunan [Het wordt verklaard door narajang pakèwêd].

narang : K.N. iets ophangen.

--- 92 ---

nurung : zie surung.

nèrèng : K.N. op zijde gaan.

narungku : Kw. voortgaan, volharden; een bestendig gebruik van iets maken; iets in bewaring houden.

narêngi : zie sarêng.

nèk : zie mênèk.

naka : Kw. z.v.a. kênaka. 1. nagel [= kuku, Skr. nakha. -2. goud [=êmas. In deze tweede beteekenis is het woord in het Sanskritsch niet in gebruik, maar wel kanaka].

nika : niki, niku, zie ka.

neka : Kw. verschillend, allerhande [Skr. naika; zameng uit het ontkennend voorzetsel na en neka, een]. neka-neka of nekawarni, verschillende kleuren of veelkleurig, bont [=warna-warna].

nèki : Kw. grooten eerbied betoonen [vrg. tèki].

nikèn : zie kèn.

nakur : K.N. met de voorpoten in den grond woelan.

nakurta : Kw. I. kwaad doen, mishandelen [=ganggu-ganggu]. II. te vreden stellen, bevredigen.

nêkak : en nêkêk, K.N. iemand dij de keel vatten, knellen, wurgen [vrg. tênggak].

nêkêk : zie nêkak.

nêkuk : K.N. ombuigen, omdraaijen, krom maken.

nakèkakên : zie takon.

nakokake : zie takon.

nakoda : of nangkoda, K.N. een bevelhebber van een schip, een koopman in het groot, die zelf met een schip meêvaart [Sd. nangkodha, Ml. [nakhuda] of [nakhauda], Pers. [naakhaudah]

nêksi : zie sêksi.

niksa : zie siksa.

nêksèni : zie sêksi.

nak-sanak : zie sanak.

nakula : ook wel nangkula, eign. van den vierden der vijf zonen van Pandhu [Skr. nakula].

nukma : zie sukma.

nikmat : Ar. [ni'mah], K.N. genot, geneugte; gunst, genade, welbehagen [Ml. id.]. -kanikmatan, zaligheid; verversching; zalig.

nêkung : Kw. zich voorover buigen, bukken om te bidden [=ananêdha ing Gusti Allah]. -panêkung, de gebogene houding bij het gebed; het bidden, gebed [=olèhe nanêdha ing Pangeran].

nadi : Kw. I. voortreffelijk, uitmuntend [vrg. adi]. II. rivier, rivierwater [Skr. nadi, rivier]. III. tuin.

nadar : K.N. een gelofte [Ar. [nadzar], Ml. id.]. aduwe nadar, onder een gelofte zijn. angluwari nadar, een gelofte volbrengen, betalen.

nêdya : zie sêdya.

nadyan : of najan, en gew. sanadyan of sanajan, K.N. ofschoon, hoewel, alhoewel; al is het.

nadamah : Ar. [nadaamah], berouw. ari nadamah, de jongste dag, de dag van het jongste gerigt.

nta : zie ta. II.

--- 93 ---

nata : I. Kw. koning, vorst; als Tj. Sêngk. één [ratu, Skr. nåtha]. II. K.N. zie tata.

nate : zie tau.

niti : I. Kw. leiding, bestiering; de wetenschap van goed bestuur, beide van onderdanen door vorsten en grooten, en van zijn eigen zeden en gedrag [Skr. nîti]. niti nagara, naam van een boek; en eign. van een persoon. nitipraja, naam van den hoofd-jêksa en tijdelijken voorzitter van de Pradata te Jokjokarta; ook naam van een boek. nitisastra, zedekunde; een zedekundig werk [Skr. nîtisjâstra]. -paniti sastra, hetzelfde. II. K.N. zie titi.

nutu : K.N. rijst in een blok stampen. -panutu, een persoon, die rijst stampt.

natar : K.N. I. opgaan, opklimmen. II. z.v.a. latar.

natur : K.N. een kind zijn behoefte laten doen.

nitra : Kw. schrijven. nitraning sastra, K.N. spraakkunst. -panitra, het schrijven of een schrijver.

netra : Kw. oog [=mripat en paningal, Skr. netra]. panetra, oogen hebben. sanetra, een oogenblik.

natkala : zie tatkala.

notol : z.v.a. nêtêl, zie têtêl.

nutphah : Ar. glans [? [nuthfah]beteekent drup, druppel].

nitya : of netya, Kw. het oog, gezigt, gelaat [=mripat, ulat en paningal, maar ook =tan pêgat en langgêng. Skr. nitya, onafgebroken, bestendig, eeuwig, en naitya, bestendigheid, eeuwigheid]. sanitya of sanetya, een oogenblik; ook z.v.a. sanityasa, aanhoudend, gedurig, gestadig, altoos; en alle, alles.

netya : zie nitya.

nityasa : ook netyasa, Kw. gedurig, aanhoudend, onafgebroken [Skr. nityasjas, van nitya; zie nitya]. sanityasa of sanetyasa, aanhoudend, gedurig, gestadig, altoos.

netyasa : zie nityasa.

notog : zie tog.

nêtêgi : K.N. bedekken, digtmaken [zie ook bij têtêg].

nas : gewoonlijk ênas K.N. vast, zeker. -ngênês, vaststellen, bestemmen, bepalen. kaênês, bepaald, vastgesteld. -nastiti en nastapa, zie beneden.

nis : Kw. verdwenen, verloren; verborgen zijn [=ilang en ora. Het verschilt niet van nir, zie nir]. -anis, weggaan, een plaats verlaten, verdwijnen; als Tj. Sêngk, nul.

nêsu : verkorting van nêpsu.

nusa : of nungsa, ook nuswa en nusya, Kw. eiland [=pulo, Sd. id.]. nusa kambangan, een boven water drijvend eiland; ook naam van een eiland ten zuiden van Java. Nuswa Jaw, het eiland Java.

nusu : zie susu.

nasêh : Kw. naderen. inasêh, genaderd [=pinaran. Het is de Kawische l.v. van den grondvorm asêh, hetzelfde, naar het schijnt, als angsah].

--- 94 ---

nisih : zie sisih.

nusuh : K.N. suffen, dutten, door ouderdom kindsch worden [Zie ook susuh].

nosoh : K.N. rijst stampen, ontbolsteren.

nusahi : zie susah.

nusun : zie susun.

nasar : zie sasar.

nêsêr : zie sêsêr.

nisir : zie sisir.

nèsèr : zie sèsèr.

nasrahi : zie sasrah.

nasarani : K.N. een Nazareêr, d.i. een Christen [Ar. [nashraaniy], Ml. id.].

nusuri : zie susur.

nasak : zie sasak.

nasoka : K.N. voor altoos ophouden kwaad te doen, zich grondig en voor altoos bekeeren [Ar. [nashuuhah], opregte, zuivere, inzonderheid van een opregte bekeering].

nisakake : en -kên. zie sisan. II.

niskara : Kw. [=kabèhe]. saniskara, alles, wat ook [=sakabèhe].

nêsaki : en nêsêki, zie sêsak.

nèsèt : zie sèsèt.

nosotakên : zie sosot.

nastiti : K.N. naauwkeurig, stiptelijk, juist; duidelijk, klaar, helder; waar, opregt [zamengesteld uit nas en titi]. -nastitèkake N., -akên K., iets in een helder licht stellen, een zaak met juistheid verrigten.

nastapa : Kw. vasten, zich onthouden, boete doen [Ml. id.; zamengesteld uit nas en tapa].

nuswa : zie nusa.

nêsêl : zie sêsêl.

nisil : K.N. iets met den snavel of de tanden pellen.

nusul : zie susul.

nêsêp : zie sêsêp.

nisipake : en -kên. zie sisip.

nusup : zie susup.

nusya : i. zie nusa. 2. z.v.a. nusu, zie susu.

nasag : K.N. tegen den draad snijden of zagen, ruig maken; strijdig met de gewoonte iets doen.

nêsêg : zie sêsak.

nusug : zie sosog.

nosog : zie sosog.

nasib : Ar. voorgaan in het bidden [?].

nisab : K.N. een tiende gedeelte van de opbrengst aan den priester geven [Ar. [nishaab], een hoeveelheid vee of goed, waarvan tienden betaald moeten worden].

nasabi : zie sasab.

nistha : K.N. schandelijk, ongeoorloofd, ongepast, schaamteloos [Sd. Ml. id.; Skr. nistya, iemand van een verworpene of barbaarsche caste]. -kanisthan, schande, schaamteloosheid.

nisthip : z.v.a. nistha.

nisthaga : naam van een onbekend boschwild.

nawa : Kw. 1. negen [=sanga, Skr. nawa]. 2. een helderen glans verspreiden. nawarêtna, een schitterend edelgesteente [=intên, Skr. nawaratna, naam van de negen kostbaarste edelgesteenten, de parel, robijn, topaas, diamant, samaragd, enz.].

--- 95 ---

nawu : K.N. een plaats water leeg scheppen; het water laten afloopen, om met de handen visschen te vangen.

nuwun : zie suhun.

nawur : zie sawur.

nawat : zie sawat.

nuwut : zie suwut.

niwata kawaca : of bij verkorting niwata, eign. van een Vorst der Boetas van Ngima-himataka [Skr. niwatakawatja].

nawala : of nuwala, Kw. een open brief, bevelschrift, lastbrief, schriftelijke bepalingen, wetten, voorschriften van den Vorst [=layang piyagêm]. nawala dalêm, een vorstelijke lastbrief. nawala patra, een brief op Lontar of Kropak (palmblad) geschreven.

nuwala : zie nawala.

nwab : Kw. z.v.a. nèb, zie nyèb.

nawung : I. Kw. toen, tijdens; tegelijk, gelijktijdig. II. zie sawung.

nala : Kw. het hart [=ati, Skr. nåla, een buis, pijp; slagader, de pols]. Nala Garèng, eign. van een bediende der Pandawas.

nila : 1. Kw. blaauw, donker-blaauw; een donker-blaauwe wolk; Amethist. 2. N. cêlêngan en cêlêpan K.] indigo, een verfstof [Skr. nilå, donker-blaauw, indigo, saffier, een edelgesteente; Sd. saffier; Ml. [nila], donker-blaauw, indigo, en [nilam], saffier]. Nilakantha, een naam van Batara-Goeroe [Skr. nilå-kantha, een naam van Siwa]. Nilasuwarna, eign. van een zoom van Djanaka. Nilapati, eign. van een dochter van Djanaka. Nilapracôndha, Kw. een regenwolk, die door wind voortgedreven wordt [=mêndhung dadi angin].

nuli : zie tuli, III.

nuluh : zie suluh.

nêluhi : K.N. een licht verspreiden, helder maken, schijnen, verlichten; vervrolijken [=prabawaning cahya].

nilani : zie sêla.

nalendra : z.v.a. narendra.

nalar : K.N. aanleiding, oorzaak; beleid, verstand, rede, overleg; gaardheid, imborst; de toedragt of omstandigheden van een zaak [Ar. [nazhar], beschouwing, betrachting, overweging, consideratie]. nalar saking, uit overweging van, uithoofde van, wegens. kurang nalar N., -kirang nalar K., onwijs. bubrah nalare N., bibrah nalaripun K., radeloos, wanhopig worden. -analar en nalarake N., -kên K., de bijzonderheden van iets vermelden, een zaak omstandig verhalen.

nalirah : Kw. verhaal.

nêlorong : K.N. met een speer of harpoen naar iets werpen.

nêluk : zie cêluk.

nalika : K.N. tijdens, ten tijde dat, toen, wanneer; terwijl [=môngsa en tatkala]. ing nalika en nalikane N., nalikanipun K., hetzelfde. sanalika of ing sanalika, ter zelfder tijd, op hetzelfde oogenblik. ing sanalika punika, op dat oogenblik. -katalika, hetgeen op dien tijd gebeurd is, toen.

nalikuri : K.N. acht op iets of iemand slaan.

--- 96 ---

nilakrama : Kw. iemand beleefdelijk vragen.

nalasah : zie salasah.

nêlasih : zie sêlasih.

nalusur : K.N. met de hand over iets heên strijken.

nêlosor : K.N. het kruipen op den buik van een slang; kruipgewas.

nalêsêb : of nêlasab, K.N. egens tusschen indringen, zich tusschen iets verbergen.

nêlasab : zie nalêsêb.

nalisib : K.N. op zijde gaan, uitwijken, ontwijken.

nulya : zie tuli, III.

nalaya : zie sulaya.

nêlimpang : zie simpang.

nilib : zie silib.

nêlôngsa : K.N. berouw over iets hebben, spijt gevoelen; vergiffenis vragen; zich zelf iets te verwijten hebben [=calathu rumôngsa ing kaluputan]. -panêlôngsa, berouw, spijt, leedwezen.

napa : en nênapa, zie apa en sapa.

napu : zie sapu.

nêpi : zie sêpi.

napih : zie sapih.

niphro : verbastering van miphro, Mevrouw.

nepak : zie nyepak.

niphkah : Ar. [nafaqah], uitgaven, uitgaven voor levensonderhoud; bepaaldelijk het onderhoud, dat de man volgens het Mohammedaansche regt vervligt is zijn vrouw te geven.

naptu : Ar. de geheime beteekenis van een eijfer, van een letter of van een dag [Ar. [nafts], blazing, uitblazing, bezwering, betoovering].

nêptu : zie sêptu.

naput : zie saput.

nêpatani : zie supata.

nêpsu : K.N. [ook srêngên, K.N., duka K.h.] drift, hartstogt, toorn, gramschap; toornig, boos [Ar. [nafs]]. nêpsu bangêt N., nêpsu sangêt K., woedend, razend; woede. -nêpsoni, kwaad op iemand zijn, iemand berispen. -kanêpson, vergramdheid.

napas : I. K.N. ros, roodachtig, voskleur van een paard [Sd. id.]. II. Ar. [nafas], de adem; lust, drift, hartstogt. nangèkake napas, de hartstogten opwekken.

niphas : K.N. het baden van een vrouw na de maandstonden of na de bevalling [Ar. [nifaas], bloedvloeijing na een bevalling].

napung : K.N. deel aan een gevecht nemen.

nepangi : K.N. met de voeten schoppen.

nêdha : K.N. welaan! kom aan! [zie têdha].

nodhi : K.N. voorstellen, een voorstel doen.

nidham : z.v.a. nyidham.

nêdhêng : zie sêdhêng.

nêja : zie sêdya.

niji : zie siji.

nuja : naam van een roode bloem.

neje : zie seje.

nojoh : zie cojoh.

najan : zie nadyan.

nêjèni : zie saji.

nujèni : zie suji.

najis : Ar. [najis], vuil, onrein, onheilig [Ml. id.].

--- 97 ---

nujus : van een vrouw, het huis zonder voorkennis van den man wegens huislijk ongenoegen verlaten [Ar. [nusyuuz], weêrspannigheid van een vrouw tegen haar man].

nujwa : zie tuju.

nujum : K.N. planeet [Ar. [nujuum], sterren, het gestarnte]. juru nujum, en ook enkel nujum, een sterrewichelaar, astroloog [Ml. id]. -panujuman, strerrewichelarij.

naya : Kw. het gelaat; glans, kleur [=ulat, cahya en rupa].

nayuh : Kw. de haud omhoog houden, naar de hoogte reiken [vrg. ngayuh].

niyah : niyahi, zie niyat.

nayaka : ook niyaka Kw. de eerste, voornaamste; een hoofd, aanzienlijke, groote; raadsheer, hofgroote; een voornaam diamant [=pangarêp, punggawa en tumênggung. Skr. nåjaka, leidsman, geleider; een hoofd; een bevelhebber; het middelste juweel van een halssieraad].

niyaka : zie nayaka.

niyat : ook niyah K.N. voornemen, oogmerk, doel, bedoeling, plan [Ar. [niyyat], Ml. id.]. aniyat, een oogmerk hebben, voorhebben, van zins zijn. -niyati ook niyahi, iets bedoelen, iets ten oogmerk hebben. kaniyatan, besluit, voornemen, oogmerk; aanslag.

niyata : Kw. werkelijk, waarlijk, inderdaad [=nyata. Sd. klaarblijkelijk; openbaar].

nayuti : zie sayut.

niyaya : zie aniaya.

niyaga : N., niyagi K., een gamêllan spelen. -niyagakake N., niyagakakên K., voor iemand op de gamêllan spelen.

niyagi : zie niyaga.

nayogya : zie yogya.

nayabi : zie sayab.

niyang : Kw.; niyangakên, rigten, mikken. niyangakên jêmparing, met een pijl mikken.

nêm : somtijds ênêm, en als bepaling achter een zelfstandig naamwoord geplaatst, nênêm. K.N. zes [Ml. [nam of enam]]. kaping nêm of ping nêm, de zesde; zes maal. -ngênêm, elk zes. -ngênêmi, een offerhande doen voor een vrouw, die voor de eerste maal in de zesde maand van haar zwangerschap is. -kanêm, de zesde (bij vijf andere). kanêm sigajung, zesdehalf djoeng. -nêmbêlas, zestien. -ngênêmbêlas, elk zestien. ngênêmbêlas tèng, zestiendehalf dubbeltje.

nèm : zie nom.

nom : gew. anom of ênom N., nèm, gew. anèm of ênèm K., jong, jeugdig [Sd. id.]. mas ênom, grof goud, goud van slecht allooi. -anoman N., aneman K., jonkheid, jeugd. -nonoman N., neneman K., jeugdig; jeugd. -ngênomake N., ngênèmakên K., jong maken, verjongen. -kanoman K.N. naam van een soort van poortwachters in de Kraton te Soerakarta. kanoman kadospatèn, naam van beambten in dienst van den kroonprins.

nama : ook wel nami K. [ook wasta K., aran en jênêng N.] naam, benaming [Ml. [nama], Skr. nåma].

--- 98 ---

nama of anama, genaamd zijn, heeten. -namani of namakakên, noemen, iemand een naam geven. kanamanan of kanamakakên, genoemd worden [Een ander namakakên, zie onder tama, II.].

nami : zie nama.

namun : zie samun.

namar : zie samar.

namur : zie samur.

namakakên : zie nama en tama.

namudana : zie samudana.

namadi : z.v.a. nyamadi.

numpu : K.N. bijeen drijven, bij elkander brengen.

nampan : Kw. schenkbord, presenteerbord [=patadhahan].

nimpuna : eign. van een Boetå, die ook Kålå-Srênggi genoemd wordt.

nimpuni : zie impun.

nimpar : zie simpar.

nampurnakakên : zie sampurna, II.

nampak : zie nampêk.

nampêk : of nampak K.N. raken, treffen, tegen iets aanraken; tegen, van den wind. -nampêkakên muka, met iets het gezigt raken. -nampêki, iets raken, op iets neêrvallen; iets verbergen, bedekken.

nimpang : zie simpang.

nêmbah : zie sêmbah.

nambêr : zie sambêr.

nêmbur : zie sêmbur.

nambrama : zie sambrama.

nimbrung : Kw. deel aan een gevecht nemen.

nimbok : zie bij nini.

nêmbadani : zie sêmbada.

nèmbèl : K.N. stoppen, lappen [vrg. tambal].

nêmbêlas : zie nêm.

nambang : I. K.N. iemand iets in den weg leggen; belleten, hinderlijk zijn. II. Kw. duizendtal. sanambang, duizend [sanêmbang = sèwu].

nambung : of nambong, I. N. zich onkundig houden, voorgeven iets niet te weten, onnoozelheid voorwenden. II. nambung zie sambung.

nambong : zie nambung I.

numbang : zie sumbang.

naming : zie amung.

namung : zie amung.

naga : K.N. een groote slang, een draak; ook eign. van Ônta-boga [= ula gêdhe of sawêr agêng. Ml. [naga]; Skr. någa, een slang, in het bijzonder de cobra capella; ook naam van een godheid, die de gedaante heeft van een slang met een menschelijk aangezigt]. Nagagini, eign. van een dochter van Ônta-boga. nagasari, nagasantun, nagapuspa, naga puspita, en nagasinom, namen van een heester, die schoone bloemen draagt, de accacia aurea of calophyllum nagasari [nagapuspa = nagasari en nagasantun = kayu papêthetan ing taman. Ml. [naga sasra] id.; Skr. Någapoepa, ook Någa, Kêsjara of Någakêsjara genaamd]. Nagapasa, naam van een fabelachtig wapentuig [Skr. Någapåsja, een wapen van Waroena, den god der zee].

--- 99 ---

nugi : zie ugi.

nigèni : K.N. iemand mistrouwen, wantrouwen.

nagri : zie nagara.

nagara : N., nagari, ook wel nagri K., hoofdplaats, rijkszetel, residentie van den vorst; een stad; een land, rijk [Sd. nagara of nagari, Ml. [nagari], id.; Skr. nagara m., nagari, vr., stad]. -panagara N., panagari K., een landschap.

nagari : zie nagara.

nugraha : K.N. zegen, heil, voorspoed, welvaart [= kaluwiyan, Ml. [anugerah], Skr. anoegraha (anoegrahah) gunst, zegen. De ware vorm van het woord is dus anugraha]. kanugrahan, begunstigd, gezegend; zegen; hoogheid, heerlijkheid [=kaluwiyan].

nigêg : zie sigêg.

nigang : zie tiga.

nèb : Kw. z.v.a. nyèb.

nabi : I. K.N. proopheet [Ar. [nabiy]; Sd. Ml. id.]. -kanabèn of kanabeyan, het ambt of de waardigheid van propheet. II. Kw. de navel; als Tj. Sêngk. één [= wudêl en têngah-têngah, Skr. nåbhi].

nêbar : zie sêbar.

nabrang : zie sabrang.

nêbak : zie cêbak.

nabda : zie sabda.

nêbut : zie sêbut.

nubuwah : nurbuwah of nurbuwat, Kw. vorstelijke glans, luister [nurbuwat = cahya saking nugrahaning Pangeran Kang Luwih, Misschien is het het Ar. [nubuwahah], het vermaard, beroemd zijn, of [nubuwwah], de waardigheid van een propheet, en heeft men ook nurbuwah voor nubuwah gezegd, omdat het Ar. [nuur] licht beteekent].

nêbal : K.N. van den regten weg afwijken; ongehoorzaam zijn.

nablèk : z.v.a. nyablèk.

nablêg : K.N. mokken, morren; stug, weêrbarstig zijn.

nabag : K.N. een omtuining, omheining maken.

nèthèl : K.N. optornen, losmaken [De grondvorm is thèthèl].

nêng : Kw., ênêng N. [kèndêl K.] het zwijgen; stilte, rust. -nêng Kw., umênêng, gew. mênêng N. [kèndêl K.] zwijgen; zich stil houden; ophouden. -ngênêngi, iemand tot zwijgen brengen, den mond stoppen. -ngênêng-ênêngi K.N. sussen. -ngênêngake N. [ngèndêlakên K.] doen zwijgen, schorsen; staken, stremmen; iets stil laten zitten. II. zie onêng.

ning : I. Kw. z.v.a. ing. II. ning, êning en wêning Kw. [=padhang, padhang kang nora kawoworan], suci en cipta kang nora kawoworan], ngêning K.N. klaar, helder, zuiver, rein [Ml. [hening] en [bening]; b.v. banyu bêning, klaar water. -ngêningake N., -kên K., klaar helder maken, tot klaarheid brengen. ngêningakên tingal of ngêningakên cipta, het oog of de gedachte louteren, van al het eindige aftrekken en tot het oneindige verheffen.

nung : of anung Kw. uitmuntend, voortreffelijk, buitengemeen, verheven [anung = luwih, dhuwur [dhu...]

--- 100 ---

[...wur] en utama]. tiyang anung, een buitengemeen mensch. nung-anung, de voornaamste personen, de hoogte adel.

nanga : zie sanga.

nônga : zie sanga.

nangoni : zie sangu.

nangcang : zie cancang.

ningcing : zie cincing.

nôngka : naam van een vrucht, de zuurzak, Nangka [Sd. Ml. nangka]. kajêng nangka, Nangka-hout, Nangka-boom, (artocarpus integrifolia).

nungka : K.N. iemand achterna zenden; volgen.

nungku : 1. gedurig, aanhoudend. 2. zich geheel voorover bukken; een aandachtige houding in het gebed aannemen [=mênêng].

ningkah : I. Ar. [nikaah], huwelijk; huwen, trouwen [Sd. nikah]. -ningkahake N., -kên K., een huwelijk tot stand brengen, doen of laten huwen, in den acht vereenigen. -paningkah, voltrekking van een huwelijk; huwelijksvoor-waarde. II. zie tingkah.

nangkoda : zie nakoda.

nangkula : zie nakula.

nungkêmi : zie sungkêm.

nungkêbi : K.N. zich verschuilen, verbergen.

nangting : zie tari.

nungsa : zie nusa.

nangsah : zie mangsah.

ningsêti : zie singsêt.

ningsal : zie singsal.

nangsang : zie sangsang.

nungsang : zie sungsang.

nungsung : zie sungsung.

nongsongi : zie songsong.

nanglêd : zie tangguh en tanglêd.

nôngga : zie sôngga.

nênggih : zie inggih.

nêngguh : z.v.a. nênggih (zie inggih). -anêngguh-nêgguh, iets vasttellen, bepalen.

nanggêni : K.N. pal staan, zijn man staan.

ninggil : K.N. iets uit de hoogte doen neêvallen.

nanggal : of nênggala, naam van een werpspies met weêrhaken [Het wordt verklaard door gêgaman].

nênggalang : K.N. beletten, verhinderen, tegengaan [vrg. nanggulang, bij tanggulang].

nanggung : benaming den Arenboom [zie ook taggung].

nunggèngtaya : K.N. klein achten, minachten [= angi rahina].

nanging : of ananging ook anging, en in poëzie ook nging [welk laatste dus de grondvorm schijnt te zijn] K.N. doch, echter, maar.