Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

--- 101 ---

ci : Kw. rivier [=kali, Sd. ci, water, rivier].

cah : verkort. van cahya [cahya en praba].

cèh : Kw. oogziekte [=bèlèk].

cai : naam van een eetbare plant, die van China naar Java is overgebracht.

cao : naam van een drank, die door de Chinezen uit den wortel van den Djanggêlan bereid wordt.

cihna : zie cina, II.

caos : I. K. nachtwacht [z.v.a. saos]. -nyaosi, de nachtwacht houden. II. K.N. gereedheid [z.v.a. saos]. -sumaos, gereed zijn. -nyaosi, in gereedheid brengen. -nyaosake N., -akên K., iets in gereedheid laten brengen.

cahya : K.N. glans, luister; het gelaat [= ulat, Sd. cahaya, ca-hya of cah-ya, [Ml. cahaya of caya], id.; Skr. tjhâjâ, glans, luister; licht. Vrg. caya].

cana : Kw. spreken; taal [= cêlathu, Skr. tjana, een geluid maken].

cina : I. N. of beter K.N., cintên, K.d., Chineesch [Sd. Ml. id.; Skr. Tjina]. wong Cina N., tiyang Cina K., tiyang Cintên K.d., een Chinees. tanah Cina, China. -pacinan K.N., de buurt of wijk der Chinezen. II. cina of cihna K.N., bewijs, kenmerk, teeken [Ml. Cinna], id.]. cihna bêkti, een eerbewijs, eereteeken. -nyina, een kenmerk, teeken, bewijs opleveren; ook een bewijsstuk, het corpus delicti in regten. kacina of kacihna, aan een teeken erkend worden, bewezen zijn. kênyina, overtuigd. -pracihna Kw. teeken, bewijs.

cênela : of canela K.N. muil , slof, pantoffel [Ml. id.; Port. chinella].

canang : K.N.een soort van betel of Sirih, die op groote feesten aan de gasten aangeboden wordt.

cênêng : K.N. nyênêng, iets zachtjes tot zich trekken [vrg. cènèng].

cênèng : naam van een kleine rijsmaat.

cènèng : K.N.; nyènèng, trekken, wegtrekken; aan iets, b.v. aan een touw, trekken, luiden [vrg. cênêng].

cancut : of cangcut K.N. de kleêren ophalen, opstroopen of opzchorten, om iets met meer vaardigheid te kunnen verrigten.

cancala : Kw. bliksem; moeijelijkheid, gevaar [= thathit en kewuhan, Skt. tjantjala, de bliksem; en trillend, schuddend, onstandvastig].

cancang : of cangcang K.N.; nancang of nangcang, aan een paal of boom vastbinden. -nancangi of nangcangi, aan iets, zooals een paal of boom, vastbinden. -cancangan of cangcangan, de paal of boom waaraan iets vastgebonden wordt; en anker, ook naam van een distrikt in het oostelijk gedeelte vsn Java. -panancang, vasbinding, verbintenis,

--- 102 ---

vereeniging; een touw of band waaemeê men een beest ergens vast bindt.

cincing : of cingcing en nincing K.N. het kleed ophaten, opschorten, wanneer men door het water gaat, of om het niet morsig te maken [Ml. id.].

cancingan : K.N. juist van pas, gelegen komen.

concong : K.N.; nyoncong, een lans vellen.

candu : 1. Ch. toebereide opium, opium, die voor het gebruik door koken met water week of sapperig gemaakt is [Ml. id.]. -2. K.N. naam van een soort van olie.

côndra : Kw. I. een raadsel. -nyôndra, een raadsel opgeven. II. afbeelding, afschildering; gedaante, kleur; versiering, schilderij. cinôndra, gekleurd, geschilderd worden; in een gedaante gebracht [= kinawi]. côndrasangkala zie sangkala. III. de maan; een maand; als Tj. Sêngk. één [=sasi, Skr. tjandra, de maan, als planeet of als Godheid beschouwd; en cândra, een maand, een maanmaand]. sangang côndra, negen maanden. côndrakirana, eign. van de dochter van den vorst van Kadiri, de schoone gemalin van Panji, vorst van Jênggålå.

cundrik : naam van een soort van Kris, die door de priesters van Boeda gebragen werd. -nyundrik, met e Cundrik steken.

côndradimuka : of côndragumuka Kw., zieden water, waarin de zielen der afgestorvenen, die gezondigd hebben, gedaan worden; de hel der Boedisten.

candrôsa : of côndrasa, naam van een wapen, dat de gedaante van een zeis heeft [gêgamaning buta]; ook van een slagorde in den vorm van de maan, als zij drie of vier dagen oud is [Skr. candrahåsa, een sabel; het zwaard van Råwana].

candrama : z.v.a. côndra [Skr. candramå, de maan].

côndramawa : naam van een beest, dat de gelaante van een kat heeft.

côndragumuka : zie côndradimuka.

cundaka : of cudaka Kw., bode, zendeling; spion, verspieder; boodschap [=kengkenan en utusan].

cantên : zie catur.

cintên : zie cina.

cantrik : een leerling van een Boedå-piester. -nyantrik K.N., aanhoudend met de voeten stampen; b.v. van een paard dat op stal staat.

cintraka : zie cintaka.

cantuka : Kw. een kikvorsch.

cintaka : of cintraka Kw. onheil, ongeluk, ramp; vloek, verwensching; ook naam van een vogel [=cilaka, Ml. cintaka], naam van een vogel]. kêna ing cintaka, door den vloek of een onheil getroffen.

candhi : I. Kw. een begraafplaats; een graf, mausoleum; tempel [Ml. grafnaald, mausoleum; Skr. tjandi, een naam van Bathari Doega]. candhi sela, een steenen tempel. nyandhi, een lijk op een steenen heilige plaats bijzetten. II. K.N.; nyandhi, boven het hoofd houden, iets met diepen eerbied ontvangen.

cêndhe : K.N. een zijden gebatikte stof, een gebloemd zijden kleedje [Ml. id.].

--- 103 ---

cundha : Kw. een pijl, een wapen. cundhamani, naam van een wapen [=panah luwih]. -pracundhamani, edelgesteente; soldaat; boschhaan; ook naam van een wapen [=sêsotya en prajurit].

candhana : K.N., ook candhani K., Sandelhout [Sd. Ml. id.; Skr. candana]. wit candhana, Sandelboem. kayu candhana, Sandelhout. watu candhana n., sela candhani K., naam van een fijne witte steen, een soort van marmer. nyela cêndhani, als marmer zijn. candhana sari, naam van een berg.

candhani : zie nandhana.

candhak : K.N. het vatten, opvatten; het vervolg van iets [Sd. nemen, aannemen]. -nyandhak, vatten, aanvatten; grijpen, aangrijpen; pakken, aanpakken; vangen; achterhalen, bereiken; bevatten, begrijpen. kacandhak, gevat, achterhaald, in handen gevallen, gevangen, gekregen, terug gevonden worden. -candhak cêkêl N., candhik cêpêng K., achterhalen en inbeslag nemen, goederen aanhouden.

candhik : K.N. bosje, van Sirihbladen gezegd.

cêndhak : of cêndhêk K.N. kort, ineengedrongen. -nyêndhak, korten, verkorten. -nyêndhakake N., -kên K., iets korter maken. -kacêndhakkên, te kort.

cêndhêk : zie cêndhak.

cêndhèk : K.N. laag, klein van postuur.

cundhuk : het zamentreffen, ontmoeten, ontmoeting; ook een haarspeld of bloem op het hoofd. -nyundhuk, zamentreffen, elkander ontmoeten, raken; ook een bloem of bloemen op het hoofd steken, om daarmeé het haar vast te maken [=tumêmpêl]. cumundhuk, geraakt, getroffen; aan elkander gehecht.

candhikala : Kw. het avondrood.

candhêt : K.N.; nyandhêt, intoomen, in den toom houden, betengelen, inhouden, tegenhouden, waêrhouden, matigen. panyandhêt, beteugeling, terughouding, matiging.

cindhil : K.N. een jonge muis of rot.

cêndhala : Kw. zeer gemeen, zeer slecht; een kwade tong; scherp of vuil zijn in het spreken [=luwih ala, calak en caluthak, Ml. vuil, gemeen; Skr. candâla, naam van een zeer gemeene, verachtelijke kaste].

cêndhela : zie jêndhela.

côndha birawa : naam van een tooverformulier.

candhi bungalan : naam van een berg.

condhong : K.N. gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming van gelachten [=rujuking panggalih]. -nyondhong, overeenstemmig denken. -nyondhongake K., -kên K., in overreenstemmingbrengen, vergelijken.

cênthini : eign. van een vrouw.

canthik : K.N. de uitstekende punt van een schip, voor-of achter-steven, sneb; een mes met een kromme punt.

canthuk : K.N. een bogt, kromte; een lancet waarmeê men aderlaat. -nyanthuk, krom maken, buigen; gebogen; aderlaten.

cênthok : K.N.; nyênthok, tegen iets stooten, raken.

canthèl : K.N. het vasthaken; ook naam van een gewas. -acanthèl of nyanthèl, aanhaken, [aan...]

--- 104 ---

[...haken,] aan een haak hangen. acanthèl atur, een ander voor zich een voorstel of verzoek laten doen, opdragen; een zaak voor de regtbank brengen. -cumanthèl, aan een haak hangen, vastgehecht zijn, zich aanhaken, zich vasthaken; zich aanmelden bij het hoofd, onder welks gebied of in welks wijk men zich gaat vestigen. -nyanthèli, aanhaken; zich aan iemand aansluiten; iemand voor zijn hoofd erkennen. -nyanthèlake N., -kên K., iets aan een haak laten hangen; door iemand een zaak voor de regtbank laten brengen. -canthelan, een haak of de plaats, waar iets aan een haak gehangen wordt; woningen die aan elkander grenzen; een dorp, woningen die aan elkander grenzen; een dorp, gehucht. -pacanthelan, , een haak; een hoofd of wijkmeester. micanthèli, z.v.a. nyanthèli, -macanthèlake z.v.a. nyanthèlake.

cênthala : K.N. kwaadspreken.

candhangcanthang. :K.N. naam van een soort van groote, roode mieren.

canthêng : K.N. het opzwellen van het nagelvleesch aan de vingers.

canthing : K.N. een kleine klapperdop, of een potje, dat bij het batikken gebruikt wordt.

canthèng : K.N. een kleine ronde steen, waarmeê de kinderen spelen.

cênthang : K.N. opwaarts omgebogen; b.v. sêpatu cênthang. -nyênthang, een langen spitsen kin hebben.

cênthung : K.N. haarlokken aan be zijden van het voorhoofd.

cênthèng : K.N. een fijne, zachte stem. pating carênthèng, vele zachte stemmen, die tegelijk gehoord worden, gefluister van verscheidene personen. -cumênthèng, zacht spreken, fluisteren.

cinthung : K.N. begoocheling, betoovering. -nyinthung, begoochelen, betooveren, misleiden.

centhong : K.N. rijstlepel, rijstschepper. -nyenthong, rijstn met een lepel scheppen.

conthong : K.N. een blad, waaraan de gedaante van een trechter gegeven is; een peperhuis. -nyonthong, iets in een conthong done, b. v.siribladen.

caca : Kw. verdriet, hartzeer [= saat en rêngat].

cici : een soort van wilde Pisang.

cacah : K.N. kleine stukken of brokken; stuk, hoeveelheid, aantal, som, getal. cêrab cacah, een lijst. cacah omah, aantal huizen of huisgezinnen. cacah sabin, hoeveelheid of uitgestrektheid rijstvelden. -nacah of nacah-nacah, in kleine stukken hakken, door elkander mengen [=ngramêd. Sd. cacag, hakken, fijn hakken]; ook nacah, tellen. -nacahake N., -kên K., de hoeveelheid van iets opnemen, iets optellen, tellen. -cacahan, fijn gehakt; b.v. sukêt cacahan, fijn gehakt gras. -panacah, doorknaging. -pacacah, hoeveelheid, getal.

cucuh : K.N. elkander in den snavel bijten, van tweevogels, die met elkander vechten [=tarung of tarungan]. prang cucuh, een tweegevecht; man tegen man strijden. -nucuh of acucuh, strijden, vechten; redetwisten [=nyuduk].

--- 105 ---

cocoh : K.N. de tong in een gesp; een kleine stamper; pook, dolk. -nocoh, in iets steken; op iets stampen; prikken.

cacah cucah : K.N. pralerij, grootspraak.

cacar : K. [plênthing N.] pokken, kinderpokken [vrg. cangkrang]. -cacarên, de pokken hebben.

cicir : K.N. een spook, dat zich 's nacht in de nabijheid van huizen hooren laat en den bewoners iets kwaads voorspelt.

cucur : I. K.N. een zekere spijs van rijst klaar gemaakt [Ml. naam van een zeker gebak, dat van meel en suiker gemaakt en in olie of boter gebakken wordt]. II. Kawi-naam van den vogel Kadasih.

cocor : K.N. de snavel van een eend of gans, de uitstekende punt van den gevel van een dak. -nocor, met den snavel bijten of pikken.

cacak : K.N. I. inhoud, vracht; inborst; geaardheid, gesteldheid [Men zegt ook cak, wat dus de grondvorm is]. II. gelijken. III. bevroeving, proefneming, onderneming [=coba]. -nacak, beproeven, een proef nemen [=jajal]. IV. een weefstoel, weefgetouw.

cêcak : K.N. 1. naam van een soort van kleine hagedis, die zich in de huizen ophoudt [Ml. cicak], Sd. cacak of cakcak]. 2. zie cêcêk.

cêcêk : of cêcak K.N. een stip, punt [Sd. d.; Ml. inprikken, prikstok, prikkel]; in de Spraakkunst naam van een bekend schrijfteeken. -cêcêk-cêcêk, spikkels; gespikkeld, bont. -nêcêk, stippen, een stip maken, een punt of indruksel met den top van den vinger maken. -nêcêki, veel punten of indruksels met den top van den vinger maken.

cucuk : K.N. de bek of snavel van een vogel; de uitstekende punt van iets; de eerste, voorste; hoofd, aanvoerder; voorhoede [=cangkêming manuk en pangarêp, Ml. voorhoede]. cucuking bala, de voorposten of voorhoede van een leger. -nucuk, met den snavel iets opnemen, pikken, oppikken. -nucuki, veel pikken; oppikken. -panucuk, het oppikken. -cucukan, draagboom, draagstok. tumbak cucukan, een verklikker, achterklapper; achterklappen, babbelen.

cècèk : K.N. insnijding, kerf in een boom. -nècèk, een kerf of insnijding in een boom maken.

cocak : naam van een kleinen vogel met blaauwe veêren.

cocok : of cocog K.N. I. op elkander slaande, sluitend, passend, overeenstemmen [Sd. een stop]. -nocok of nocog, stooten, aanstooten, steken. -nocoki, twee dingen die tegen elkander stooten; aan of op elkander sluiten, passen. -nocokake N., -kên K., aan of op elkander doen stooten, sluiten; in overeenstemming brengen. II. nocok, vreten, van een beest, inzwelgen. -nocoki, alles zonder onderscheid inzwelgen. -cokcokan, zwelgen [De grondvorm is dus cok].

--- 106 ---

cacad : K.N. gebrek, lichaamsgebrek, mismaaktheid van een lid aan het lichaam [=ina en kurang]. ora cacad N., botên cacad K., onberispelijk. tanpa cacad, welgemaakt. -nacad, iemand gebrekkig noemen; laken, berispen, minachten, spotten. -cumacad, iemand betichten, valschelijk beschuldigen, iets aantichten [=amada]. -panacadan, een mismaakt lichaam.

cucud : ook cucut K.N. aardig in het spreken, kluchtig, grappig, koddig; een klucht; een grappemaker postemaker. -cumucuk, grappig of aardig zijn in het spreken;ook benaming van een kind van anderhalf jaar.

cucut : K.N. 1. een haai, haaivisch [Sd. Ml. id.]. -2. zie cucud.

cocot : zie cot.

cicil : K.N.; nicil, in mindering van een schuld afbetalen, van een schuld afdoen, korten. -nicilake N., -kên K., met iets in mindering afbetalen. -panicil, afbetaling in termijnen in mindering van een schuld.

cucal : zie walulang.

cucul : K.N. zich ontkleeden [De grondvorm is cul Vrg. ucul]. -nuculi, iets losmaken.

cècèl : K.N.; nècèl, afschrapen, afsnijden, afschaven.

cocol : K.N.; nocol, iets over den schouder op den rug dragten. -nyocol, aanleggen, mikken.

cacap : of cacab, K.N. I. induiken, indoopen; indooping. -nacap of nacab, iets in het water doen, om den grond te peilen; waden. II. cacap, de scherpe punt van een wapen; ook naam van een soort van zwaarden. -nacap, een wapen scherp, puntig maken; met een Cacap vechten. Ook het haar laten groeijen.

cêcêp : K.N.; nêcêp, met den mond aan iets zuigen, inzuigen, inslurpen; onderwijs genieten.

cucup : K.N. een kus, zoen [Ml. cucup] en menyucup], slurpen, namelijk met een geluid, zooals men bloed uit een wond zuigt; ook kussen, zoenen, dat het klapt]. -nucup, met den mond zoenen; uit de tuit van een waterkan drinken.

cècèg : K.N.; nyècègake N., -kên K., in orde brengen, regelen.

cocog : z.v.a. cocok.

cacab : zie cacap.

cacing : K.N. een lange, groote aardworm; [Sd. Ml.id.] een vezel; een soort van fijne roitan; ook naam van een rivier.

cur : of cor K.N. gieten, plengen. -cucuran, aanhoudend stroomen.

cor : zie cur.

cara : I. K.N. wijze, manier; trant, stijl, mode; op de wijze van [=tata en ing laku kang wus kanggo, Sd. Ml.id.]. -nyara, een gewoonte volgen. II. cara K.N., taal, spraak [zie wicara]. acara, spreken. -nyarakake N., -kên K., iets opnoemen. III. een soort van gebak, koek.

--- 107 ---

ciri : K.N. teeken, kenteeken, kenmerk; naam, benaming; lichaamsgebrek; kreupel, mank [=tulis en ana cacande, Sd. Ml. teeken, blijk, schriftelijk bewijs].

curi : K.N. een puntige steen; een scherp uitstekende rots of klip [=watu kang landhêp].

cere : K.N. 1. vuil, morsig. -2. een soort van kleine kakkerlak [vrg. coro].

core : K.N. gemeen, slecht, gering. wong core, een gewoon mensch, gering man.

coro : K.N. een soort van groote kakkerlak [vrg.core 2.].

crah : of êcrah K.N. scheiding, afscheiding, afzondering; oneenigheid, verdeeldheid, verwijdering, tweedragt [=pêdhot]. -ngêcrahake N., -kên K., oneenigheid, verdeeldheid veroorzaken.

corah : K.N. gerucht, verhaal.

curna : Kw. verbrijzeld, verpletterd; gewond; een wond; verwoeting, onheil, ramp, ongeluk [=rêmêk, ajur, en rusak. Skr. tjoêrna, poeder, gruis]. -kacurnan, gewond, gekwetst [=kakaton].

cêrana : Kw. met goud versierd.

carênthèng : zie cênthèng.

carocosan : K.N. tranen storten, zeer weenen.

carak : K.N. hoorn van een wilden stier. -nyarak, uit zulk een hoorn drinken.

carik : K.N. 1. linie, lijn, streep. 2. een schrijver, klerk. -nyarik, een lijn trekken, een streep maken. nyarik-nyarik, veel lijnen of strepen maken. -pacarikan, de werkplaats der schrijvers. gêdhong pacarikan, heet een bijgebouw in de kraton ten westen van de Sri-manganti, dat tot werkplaats voor de schrijvers van den Vorst dient. -pas nyarikan, eign. van een godheid, die van alles, wat er gebeurt, aanteekening houdt, een bode van Batara Guru.

caruk : K.N. vermengd, door elkander vermengd. -nyaruk, vermengen, door elkander vermengen; omwoelen, door elkander woelen.

cêrak : of cêdhak of cêdhêk N., cêlak of cêlêk K. [ook cêrak of cêdhak N., cakêt K.], digtbij, nabij; nabijheid. cêlak saking, digt bij, d.i. niet ver van. -nyêrak, n niet ver van. -nyêrak, nyêdhak of nyêdhêk, N., nyêlak of nyêlêk K., nabijkomen, naderen, nader komen. -nyêdhaki of nyêdhêki N., nyêlaki of nyêlêki K., tot iemand of iets naderen. -nyêlakakên, nader doen komen, nader brengen; tot zich nemen.

cêrêk : K.N.; nyêrêk, schrappen, uitschrappen.

cêrik : of cêrèk K.N. een gillend geluid, geschreeuw [Sd. schreijen, huilen, weenen. cêrikan, weeklagt]. cêrik-cêrik, gillen, schreeuwen. -pating calêrik, gegil of gaschreeuw van vele kanten tegelijk.

cêrèk : zie cêrik.

curak : of curêk K.N. de vuiligheid in het oor, oorsmeer.

curêk : zie curak.

corak : K.N. gebloemd, bont.

corèk : K.N. een kromme streep, kras. -nyorèk, [-...]

--- 108 ---

[...nyorèk,] krassen maken, iets uitschrappen, doorhalen, doorstrijken; een afteekening maken. -corak-carèk, beklad. -nyorèk-nyorèk, bekladden, bemorsen.

corok : K.N.; nyorok, 1. met beide handen iets aanpakken, iets opnemen; 2. in vakken verdeelen.

caraka : Kw. een bode, zendeling [=kongkonan of utusan. Skr. caraka, een spion of heimelijke afgezant]. caraka basa, een mondelinge boodschap; ook de kennis der onderscheidene namen van een voorwerp. -carakan, een boodschap; ook benaming van het Javaansch alphabet [=alip-alipan aksara Jawi].

cêraki : K.N. een kruidenier, apothekar [Pers. turyaaqii], van turyaaq], theriak, tegengift]. -cêrakèn, kruiden, specerrijen, medicijnen; ook naam van een boom.

corèk-corèk : zie corèk.

curud : K.N.; nyurud, zich stilletjes wegmaken.

carat : K.N. een pijp waardoor bij het zout maken het water loopt. -carat taun, een windhoos [vrg. clèrèt taun, onder clèrèt].

cèrèt : K.N. een theeketel, theepot, trekpot [Sd. cêrèt, ketel]. Zulk een gouden, zilveren of koperen trekpot behoort tot de onderscheidingsteekenen van den Vorst en de Prinsen en van de ambtenaren, tot een Mantri toe.

carita : N., cariyos K., verhaal, vertelling, geschiedenis [Sd. Ml. id.; Skr. carita]. -acarita of nyarita N., acariyos of nyariyos K., vertellen, verhalen. -nyaritani N., nyariyosi K., iemand verhalen, vertellen. -nyaritakake N., nyariyosaken K., een verhaal doen, van iets verhalen, vertellen.

carat taun : zie carat.

curês : K.N. geheel ten einde, op zijn, niets overschieten. -nyurêsake N., -kên K., alles opmaken, het er doorbrengen.

crawak : K.N. harde woorden gebruiken, scherp of grof zijn in het spreken.

crèwèd : of crèwèt K.N. kibbelen, kijven, harrewarren [Ml. cerewet], veel praats hebben.

crèwèt : zie crèwèd.

criwis : K.N. babbelen, snappen, klappen, kibbelen.

cripu : K.N. slof, muil.

carapang : Kw. ruim, groot; ook naam van een Lampahan, behelzende het verhaal van de hemelvaart der Pandawas.

carya : of caryyan Kw. verrukking, ingenomenheid. -kacarya en kacaryan of kacaryyan, over iets verrukt, met iets ingenomen, blijde zijn [=kabungahên en kaedanan ing rasa].

cariyos : zie carita.

caryyan : zie carya.

carma : Kw. huid, vel, leder; iemand die lederen poppen vertoont, een wayangspeler [=kulit, walungsungan, en dhalang. Skr. tjarma, huid, vel].

--- 109 ---

cêrme : naam van een kleine ronde vrucht [Ml. cerme], naam van een kleine, zuurachtige vrucht].

carêm : K.N. zich vermengen, vereenigen; vleeschelijke gemeenschap hebben met een vrouw [=caruk, amor en atut lawan garwa].

cêrmin : K.N. een spiegel [=kaca en pandêlêngan, ML. id.].

curiga : Kw. een kris, dolk [=kêris, Skr. tjhoerikâ, een mes]. -nyuriga, een kris dragen; met een kris steken. -curigan of crigan K.N. een kris aan een koppel, die aan de linkerzijde gedragen wordt, en tot de Javaansche oorlogskleeding behoort.

carub : K.N. vermenging, zamenvoeging. -nyarub, met elkander vermengen, door elkander mengen, zamenroeren. -caruban, vermenging van welriekende kruiden; ook naam van een distrikt.

crobo : K.N. vuil, morsig; vuiligheid; laag, gemeen, ongepast [Ml. ceroboh]].

cirêbah : naam van een berg in het Cheribonsche.

cêrban : z.v.a. crobo.

crubuk : K.N. vischkuit; ook benaming van een soort van krissen.

caratho : zie catho.

carang : K.N. uitspruitsels, kleine takjes van bamboe of betel [Ml. de overtollige loten van de peper en sirih-ranken]. -carangan, naam van een soort van soldaten in de Kraton te Soerakarta.

cerong : K.N.; cerang-cerong en corang-caring, smerig, een vuile, morsige huid, een onzuiver vel [vrg. corèng]. -nyerongi, bemorsen, vuil, smerig maken.

corèng : K.N.; nyorèngi en nyênyorèngi, bekladden, belasteren, beschimpen [Ml. coring], smeer, smet, vlek; smerig enz. vrg. cerong]. -ting cêlorèng, mismaken.

corong : K.N. I. vlam, vlammen. -pêncorong, straal der zon. -mêncorong, stralen, schitteren. II. een trechter [Sd. Ml. id.].

cerang-cerong : zie cerong.

corang-caring : zie cerong.

carêngkling : K.N. geklikklak van wapenen. ting crêngkling, geklikklak, geklater.

carêngkung : K.N. het gelijktijdig geluid van verscheidene gamêllans.

carèngkèng : cêrèngkèng of crèngkèng K.N. I. een stok met twee ijzeren punten beneden; een elger of aalspeer. II. babbelachtig.

carungus : K.N.; nyarungus, verbleeken, van het gelaat [Zie ook beneden].

cêrènggèh : K.N. een uitstekende punt.

cêrngèngèh : K.N.; nyêrngèngèh, grimlachen.

caringan : naam van een distrikt in het Bantamsche.

cak : 1. zie cacak. 2. verkorting van pacak.

cik : 1. grondvorm van ancik. 2. verkorting van bêcik.

cok : grondvorm van cok-cokan en cocok zie cocok.

cuki : K.N. een soort van damspel [Ml. id.]

cuke : K.N. eijns, accijns, tol, impost [Sd. Ml. id.].

--- 110 ---

ceko : K.N. korte, kromme misvormde armen.

cêkoh : K.[watuk N.] hoest, kuch; hoesten.

cakra : Kw. een cirkel, kring, kreits; rad, wiel; ronde schijf; een radpijl of soort van werpschijf; ook eign. van een Batara, en naam van een bekend schrijteeken [=panah bundêr, Ml.id.; Skr. cakra]. cakra byuha, een slagorde, die de gedaante van een radpijl heeft. cakra kêmbang, naam van het paleis van Batara Kamajaya. cakra waka, Kawi-naam van de Cakarwa, een soort van witte Maliwis [Skr. cakrawaka]. -nyakra, den geheelen omvang bevatten; insluiten; magt uitoefenen; met een radpijl schieten; met het verstand bevatten, begrijpen [=amidêr en anduga]. nyakrawati, over de geheele wereld regeren; wereldbeheerscher, een titel van zeer groote vorsten [Skr. cakrawati, met een Cakra gewapend; en cakrawati, een keizer, wereldbeheerscher, beheerscher van een cakra,, of rijk, dat zich uitstrekt van zee tot zee; bepaaldelijk een titel van twaalf vorsten, beginnende met Bharata]. kacakrèng budi, in het verstand bevatten, begrijpen.

cakar : K.N. de poten of klaauwen van een vogel of kip [Sd. Ml. id.]. cakar en cêcakar, met de poten in den grond klaauwen of krabben, om voedsel te zoeken; voor zich zelf een bestaan zoeken; zelf een rijk gronden. nyakar en nyakar-nyakar, in den grond krabben. -nyakari, iemand krabben, het lichaam krabben.

cakur : K.N. een kruidhoorn.

cikar : K.N. I. een kar of kruiwagen met één wiel. II. een soort van hark. -nyikar, met een cikar werken.

cikêr : K.N. een stijve, kromme arm of hand. -pacikêran, kromte, bogt; ook naam van twee poorten van de Aloenaloen te Soerakarta.

cukur : K.N.; tukang cukur, scheerder, baardscheerder. -nyukur [marasi K.h.] den baard scheren [Sd. Ml. id.]. -panyukuran, scheermes.

cèkèr : K.N. in den grond wroeten.

cokor : N. de klaauw of poot van een beest.

cikara : of cikara bala, eign. van een deurwachter van het paleis van Batara Guru.

cakruk : K.N. de plaats tusschen den neus en den mond.

cikrak : K.N. vuilnisbak. -cikrak-cikrak, van vreugde huppelen of springen, luidruchtige vrolijkheid.

cakarwa : K.N. naam van een soort van witte Maliwis [=manuk maliwis, waarschijnlijk verbastering van cakrawaka zie cakra].

cêkak : K.N. kort, ineengedrongen; iets dat kort op handen is, spoedig geschieden moet. cêkak napas, kort van adem zijn, kortademig, benaauwd. cêkak ambêkan, aamechtig. cêkakipun, in 't kort, om kort te gaan. cêkak budi, bekrompen van verstand; korselig, kregel, ligtgeraakt. -kacêkak, verkort, in korte woorden. -cêkakan, verkorting, zamenvattingin weinig woorden.

cêkèk : K.N. teringachtig; tering, uittering.

cêkok : K.N.; nyêkoki, iemand medicijn ingeven, iemand van een ziekte genezen.

ciki : verkorting van nganciki zie ancik.

--- 111 ---

cukak : K.N. te weinig, te min.

cokak : K.N. azijn.

cokèk : K.N.; bokèk, gebrek aan iets hebben.

cêkikên : N. [sêgu K.] den hik hebben; de hik.

cêkakakan : K.N. schateren van lagchen.

cêkaklak : naam van een vogel met roode vederen.

cakêt : K. [zie cêrak] digt bij, nabij; nabijheid. -nyakêt, nabij zijn. -nyakêti, tot iemand of iets naderen, nabijkomen.

cakot : of cokot, K.N. een beet; gebeten. -nyakot of nyokot, bijten. -nyakoti, veel bijten. -panyakot, het bijten; beet van een best.

cikat : of cukat K.N. behendig, vlug, levendig.

cukat : zie cikat.

cukit : K.N. spits, puntig; een punt; een vork. cukit dulit, een trassi-verkooper. -nyukit, met de horens stooten, de horens gebruiken, met de horens opligten.

cekot : K.N. een mismaakte arm.

cokot : zie cakot.

cêkêtut : K.N.; nyêkêtut, het voorhoofd fronzen, een stuursch gezigt zetten.

cèkli : K.N. klein, netjes, sierlijk.

ciklu : K.N. van onderdom gebukt of krom gaan. -cikla-ciklu, zich geheel aan iets overgeven, toewijden.

cêkêl : N. [cêpêng K.]; nyêkêl, vatten, aanvatten, aantasten, grijpen; opvatten, gevangen nemen; houden, vasthouden [Sd. cêkêl, houden, vasthouden; nyêkêl, vatten, grijpen]. nyêkêl apus, mennen. candhak cêkêl zie candhak. cêkêl cinêkêl, elkander vasthouden. -nyêkêli, iets vasthouden; iemand iets te houden, in handen geven. -cêkêlan of cêcêkêlan, hetgeen men vasthoudt; een houdvast; een onderpand, waarborg, bewijs; gijzelaar. -cêkêl-cêkêlan, het zich laten vatten of aanpakken. -panyêkêl, aanvatting, oppaking, enz.

cikal : K.N. een jonge kokosboom. wiji cikal, een kokosnoot die geplant wordt. -cêcikal, kokosboomen planten, een kokostuin aanleggen.

cukil : K.N.; nyukil, uitpeuteren, uithollen [Ml. cukil of cungkil en menyukil of menyungkil]

cukul : K.N. een jonge spruit, loot [vrg. thukul]. -cukulan, gewassen, planten.

cèkèl : K.N. hetgeen tot kortswijl dient; een dwerg; een bediende van een Buda-priester; een korte piek. cèkèl endralaya, naam van een tooneelstuk. -cekelan, een trede, trap.

cikla-ciklu : zie ciklu.

coklèk : K.N. gebroken; breuk, knak; knakken, breken. -nyoklèk, met de hand iets breken.

cakal bakal : K.N. de eerste ontginner van een grond; de eerste aanlegger of stichter van een dorp op plaats; de voorouders [vrg. akal bakal].

cakêp : K.N. omvatten, bevatten, begrijpen; zich herinneren, van buiten kennen [Ml. aannemen, op zich nemen]. -nyakêp, aannemen, wat iemend geleerd wordt, het zich eigen maken.

--- 112 ---

cakup : K.N.; nyakup, iets met de hand omvatten, in de hand sluiten. kacakup, bereikt, verkregen; in staat gesteld.

cêkap : zie cukup.

cukup : N., cêkap K., toereikend, voldoende, genoegzaam, genoeg [Sd. Ml. id.]. -nyukupi N., nyêkapi K., toereiken, toereikend, voldoende zijn. -panyukup N., panyêkêp K., voorziening in iemands behoefte; iemand die een ander van alles voorziet; alverzorger.

cikbèn : N., het er bij laten; welaan, het zij zool zich er niet mede bemoeijen [vrg. kêrbèn en karêpèn, onder arêp].

cêkuthak : K.N.; nyêkuthak, iemand onder tegen het kin stooten, met groote verachting behandelen. -nyalkuthak of nyêlkuthak, met de knokkels van de hand onder het kin stooten.

cêkathakan : K.N., een Javaansch zadel.

cêkothokan : K.N. zoo veel als men in de hand houden kan, een handvol.

cêkethong : K.N. den arm buigen, om iets daarmede te omvatten, in den arm sluiten.

cukêng : K.N. goerig, baatzuchtig; een fielt, vrek, gierigaard. -nyukêng, weigeren, afslaan. -nyukêngi, goerig, hebzuchtig zijn; van de hand wijzen, weigeren.

ceda : Kw. stom, sprakeloos [=bisu en ina].

cidra : K.N. valschheid, leugen, bedrog, verraad; valsch handelen, bedriegen [=goroh of dora en ala, Ml. oneenigheid, verschil; fout, misslag; Skr. tjhidra, holligheid, opening; fout, gebrek; zwakheid, zwakke zijde]. -nyidra, valschheid plegen, bedrog gebruiken, bedriegen, verraden; gewelddadigheid plegen, geweld aandoen, vermoorden. -nyidrani, bedrog plegen, trouweloos, verraderlijk jegens iemand handelen; iemand bedriegen, misleiden, verraden.

cudaka : zie cundaka.

cat : K.N. afwisselend. catcat, beurtelings nu eens, dan eens. cat emut cat botên, nu eens herinnerde hij zich, dan eens niet. -catcatan, bij beurten, afwisselend.

cèt : K.N. met olie schilderen [Sd. verf, schilderverf; vernissen; [Ml. cat], verf, vernis. Het woord is van Chineschenoorsprong.]. -ngêcèti, vele voorwerpen met olie schilderen.

cot : of cocot K.N. muil, snuit van een beest; bek, smoel. kakeyan cocot, hij heeft te veel praats.

catu : K.N. een vaste maat, een rantsoen of bepaalde hoeveelheid van spijs en drank [Ml. id.]. -nyatu, bepalen, vaststellen [Zie ook nyatu, beneden].

cita : I. Kw. het hart [=ati, Ml. aandoening, neiging, begeerte, enz.; Skr. tjitta, het hart als de zetel van het verstand beschouwd]. II. [Ml. citta] of cit], sits, gebloemd Chineesch lijnwaad.

citra : Kw. gedaante, figuur, teekening [=rupa en tulis. Skr. tjitra, schildering, afteekekening]. citrarata, eign. van een Dewa [Skr. Tjitraratha]. citrasena, eign. van een zoon van Batara-Endra. citrawati, eign. van de vrouw [vr...]

--- 113 ---

[...ouw] van Arjuna-Sasra. citragada eign. van een zoon van Batara-Endra. citragotra, eign. van een Batara. citragada, eign. van een Dewa [Skr. Tjitranggada]. -nyitra, een gedaante geven, teekenen, schilderen.

catur : I. N., cantên K. [ook pawicantên K.] wat men praat, praatje [=gunêm, Ml. id.]. -nyatur N., nyantên K., van iemand praten, kwaad spreken, belasteren. n, Ml. id.]. -nyatur N., nyantên K., van iemand praten, kwaad spreken, belasteren. nyênyatur N., nyênyatur N., nyênyantên K., kwaadspreken, lasteren, in het algemeen. -nyaturi N., nyantêni K., veel, of van velen, kwaadspreken. -nyaturake N. [micantênakên K.] iets van iemand praten, ten nadeele van iemand vertellen. -panyatur N., panyantên K., kwaadspreking, lastering, laster, betichting, achterklap. -caturan, cacaturan of cêcaturan, N. [wicantênan K.] personen die met elkander praten; zamenspraak, gesprek; praten, kouten. II. Kw. vier [=papat, Skr. tjatoer]. catur kênaka eign. van een zoon van Dermajaka. catur boja, devierarmige, d.i. Batara Guru [Skr. tjatoerbhoedja, een naam van Wisnoe]. -nyatur, elk vier, vier eider. III. K.N. schaakspel [Sd. Ml. id.]. papan catur, een schaak- of dambord.

cas : K.N. afgedaan, beslist [=dadi pêpadone]. -cas-casan, een afgedaan werk, een verrigte daad [=kadadeyan]. -pancas, afgesneden, afgedaan. -mancas, afsnijden, afkappen, doorhakken, afdoen, beslissen . -mancasi, iets afsnijden, een zaak afdoen.

cês : K.N. koude gevoelen.

cis : of icis. I. K.N. een lange wandelstok met een ijzeren punt, die door priesters gedragen wordt; een priesterstaf. -ngêcis, znlk een stok gebruiken, zich daarvan bedienen. II. tusscheuw. foei!

cès : K.N. I. kwijlen; doorzijpen. -cès-cèsan, aanhoudend zijpen, druppelen. II. naam van een vogel.

cawi : K.N. streep. -nyawi, strepen maken.

cuwa : K.N. teleurgesteld, teleurstelling [=kurang karêpane]. -nyuwani, iemand te leur stellen, iets in den weg leggen. -cuwêngah, zie beneden.

cuwo : K.N. aarden kom, pot of schotel.

cawêni : K.N. een fijne witte stof, mouselin.

cawar : en cèwèr K.N. verzwakt, krachteloos [vrg. cabar].

cuwèr : K.N. dun, gesmolten. -acuwèr, smelten, vloeibaar maken; dun zijn.

cèwèr : zie cawar.

cuwiri : I. Kw. betamelijk, bekoorlijk. II. K.N. streep, strepen, gestreept; een soort van gebatikde kleedjes, die alleen aan het hof gedragen mogen worden.

cawak : of cuwak K.N. onmatig, overdadig, boven de maat, te veel.

cawik : zie cewok.

cawuk : K.N.; nyawuk, water met de hand scheppen.

cuwak : K.N. I. zie cawak.

--- 114 ---

II. stat, steun, paal. -nyuwak, stutten, schragen, ondersteunen, onderschragen.

cuwik : K.N.; nyuwik, met de nagels knijpen [Ml. cubit, mencubit], knijpen, nijpen].

cewok : N., cawik K., het achterste vasschen, zich van de ontlasting wasschen.

cawad : K.N.; nyawadi, aanmerking op iets maken; iets afkeuren, iemand berispen.

cawêt : K.N. I. het ophalen van het kleedje tusschen de beenen door [Ml. cawat], een stuk lijnwaad, dat de Maleijers en andere Oostindische volken, als zij naakt gaan, als een gordel om den middel slaan, terwijl zij het einde daarvan tusschen de beenen door en van achteren weêr in den gordel steken, om zoo hun naaktheid te bedekken; ook een stuk linnen, dat de vrouwen dragen, als zij de stonden hebben]. -nyawêti, het kleedje tusschen de beenen doorhalen en van achteren vastmaken. -cawêtan, een op die wijze opgehaald kleedje. II.; nyawêti, op den onderlip bijten.

cawis : K.N. bereid, gereed, in gereedheid gebracht. cacawis of cêcawis, gereed; gereedheid; bereiden, voobereiden. -cumawis, bereid, gereed, klaar zijn. -nyawisi, in gereedheid brengen, spijzen hereiden. -nyawisake N., -kên K., in gereedheid laten brengen; iets, zooals spijzen, gereed maken, bereiden.

cawowo : of cuwowo K.N.; nyawowo of nyuwowo, in het gezigt krabben of knijpen.

cuwowo : zie cawowo.

ciwêl : K.N.; nyiwêl, met den duim en vorsten vinger knijpen.

cuwil : K.N.; nyuwil, kleine stukjes afbreken of afscheuren, afbrokkelen.

cuwol : K.N.; nyuwol, iets met de vingers uithalen.

cawang : K.N. I. spleet aan het einde van een bamboe; een stok met ijzeren punten van onderen; de punten daarvan [Ml. cawang] of cabang], tak (van een boom en van een getakten hoorn); een stok met twee punten; een neusknijper voor een jongen buffel; cawang kemudi], een gekloofd stuk hout, waarin het roer draait]. II. voorbeschikking, praedestinatie. III. verandering, het geven van een andere rigting, b.v. aan den loop van een vaartuig. -nyawang, veranderen. -cawangan, verbetering of verandering van een schrift, op den rand er bijgevoegd.

cèwèng : K.N.; nyèwèng, twee personen die zich iets toeeigenen.

cowong : K.N. verminderd; mager, uitgeteerd; bleek.

cuwêngah : K.N. verhinderd, belet worden [=gêla ing galih, waarschijnlijk afgeleid van cuwa].

cul : zie ucul en cucul.

cala : I. Kw. [Skr. tjala, schudding, beweging]. ancala ook ngancala, zich bewegen, spartelen [=obah en molah]. II. in zamenstellingen zooveel als cêla [Skr.

--- 115 ---

tjhala, slechtheid, bedrog, treek]. calaina K.N. lichaamsgebrek; een lichaamgebrek hebben. -nyalawadi, zich voordoen als met slechte voornemens bezield te zijn, een verdacht voorkomen hebben [=laku kang nora barès]. -calawêntah, onbeschaamd, onbetamelijk. III. zie bij acala.

cêla : K.N. slecht, ondeugend; gebrekkig, mank [=awon, Ml. gebrek, smet, enz.; Skr. tjhala zie cala II].

cili : verkorting van cilik [=alit].

cula : K.N. de hoorn van een rhinoceros [=sungu, Sd. Ml. id.].

calaina : zie cala, II.

calon : K.N. iets dat nog in de maak, nog niet voltooid, in het worden is [=bakal].

calana : K.N. een lange wijde broek of pantelon, waarvan de pijpen beneden met galon omboord zijn, en die tot de Javaansche dienstkleeding behoort. cala panji-panji, een korte broek tot iets boven de knieên, die tot de oorlogskleeding behoort.

calonèh : K.N.; nyalonèh, bekrabben, krassen maken.

cêlandhakan : K.N. voorbarig, vrijpostig [van candhak].

calunthang : benaming van een wijze op de Gamêllan. -calunthangan K.N. onbeschaamd, onbescheiden. -nyalunthang, zich onbescheiden gedragen, onbeleefd zijn.

cêlêr : K.N.; nyêlêr, iets heimelijk wegnemen, ontvreemden, ontfutselen.

cêlor : K.N. een vuil, morsig gezigt; kwaad, onheil.

calura : eign. van een Buta.

calêrik : zie cêrik.

cêlarat : K.N. vliegende hagedis.

cêlurut : K.N. naam van een soort van stinkmuizen. -cêlurutan, ergens opzittende zich bewegen, zonder met de voeten den grond te raken.

clèrèt : of cêlèrèt K.N. glans, straal; weêrlicht. clèrèting kilat, een bliksemstraal. clèrèt taun, een windhoos [vrg. carat taun, onder carat]. -cumlèrèt of cêmlèrèt, flikkeren.

cêlorot : of clorot K.N. het door de lucht strijken. -nyêlorot, door de lucht strijken, uit de lucht komen dalen. -cumalorot, door de lucht strijkende, naar beneden dalen.

cêlerong : K.N. bont, gevlekt.

cêlorèng : zie corèng.

calak : K.N. voorbarig zijn in het spreken.

caluk : K.N. 1. kapmes, kapbijl. -2. naam van de jonge vrucht van de Tamarinde.

cêlak : I. K.; zie cêrak. II. K.N. een zwarte rand om de oogen [Ml. oogzalf, mencelak], de oogen met zalf besmeren of kleuren].

cêlêk : zie cêrak.

cêluk : K.N.; cêluk-cêluk, geroep; aanhoudend toeroepen [Sd. cilukan, roepen, inroepen, ontbieden]. -nyêluk of nêluk, iemand toeroepen. cêluk-cinêluk, elkander toeroepen. -panyêluk, het plaats hebben van nyêluk, toeroep. sapanyêluk, [sapanyêlu...]

--- 116 ---

[...k,] zoo verals men iemand beroepen kan. -cêluluk, iemand iets uit de verte toeroepen.

cilik : N. [alit K.] klein, gering, onaanzienlijk [Ml. kecil]]. wong cilik, een gering persoon; de kleine man, het gemeen. cilik atine, kleinhartig. -nyilikake, kleinmaken. nyilikake ati, ontmoedigen.

colok : K.N. vuur, vlam, licht, fakkel; vlek. cêcolok, iemand voorlichten, iets duidelijk aantoonen; een gids. -nyolok, in het oog stooten, dat er vuur uitvliegt. -nyoloki, bijlichten met een licht, iets (b.v.muggen) verdrijven. -colokake N., -kên K., met iets (b.v. met den vinger) in het oog stooten.

cilaka : K.N. ramp, onheil, tegenspoed [Sd. Ml. id.]. -nyilakani, iemand in het ongeluk storten, een onheil berokkenen. nyilakakake N., -kên K., een hindernis in den weg leggen.

culik : Kw. list, bedrog, valschheid; liegen; een leugenaar, slecht mensch [=cidra en awon manahe. Ml. een schelm, een gaauwdief]. -nyulikani, een misdaad plegen [agawe ala].

colika : benaming van een soort van pijlen.

cêlêkit : K.N. de pijn die men gevoelt, wanneer men door iemand geknepen wordt.

calakutha : naam van een doodelijk vergiftig water.

cêlkuthis : K.N.; nyêlkuthis, in alles zin hebben, zich alles toeeigenen.

cêlêt : K.N.; nyêlêt, verkorten, verminderen; zich inhouden.

culat : zie colot.

celat : K.N. een gebrekkige uitspraak heben; hakkelen, stotteren, stamelen.

colot : en culat K.N. sprong. colot-colot, huppelen, sprongen maken. -nyolot, van de eene plaats op de andere springen. -colotan, sprong. -mancolot en manculat, springen, van een beest, opspringen. -panculatan, een sprong.

calawêntah : zie cala, II.

cêlowok : K.N. een kuil in den grond. -cêlowokan, diepe gronden, laagten.

calulu : Kw. in verlegenheid zijn.

cêluluk : zie cêluk.

clêlêng : K.N. zich stilhouden, zwijgen.

cêlêp : I. K.N.; nyêlêp, indoopen, b.v. in een verfpot [vrg. cêlup]. -cêlêpan, de verwstof, waarin een stof gedoopt wordt; K. [ook cêlêngan K., nila N.] Indigo. II. K.h. [panas tis K.N.] de heete koorts. III. naam van een soort van duiven.

cêlup : K.N.; nyêlup, dompelen, doopen, indompelen, indoopen, soppen [Ml. id.; vrg. cêlêp en salulup]. -nyêlupake N., -kên K., onderduiken, onder het water doen en weêr ophalen.

clupak : K.N. een lamp, die ergens opgezet wordt.

calapit : Kw. een aanhoudend klagend geluid; ook benaming der wijze, die 's Zaturdags na den

--- 117 ---

middag om 4 uur op de Gamêllan gespeeld wordt [Het wordt verklaard door têtabuhan].

calum : ongebr.; calumpring K.N. de schors van jonge bamboe; ook benaming van een soort van oorsieraad [=kalothokan pring].

cêlom : K.N. laf, smakeloos; moedeloos, krachteloos; verbleekt, verflensd.

calêmêr : zie cêmêr.

calomor : K.N. zich heimelijk naar een plaats begeven, met het oogmerk om te stelen [=purun-purun dhatêng ingkang dede pêpancène].

calimut : K.N. iets heimelijk wegnemen, ontvreemden, stelen [Sd. cêlimit, snoepen, zooals de kinderen doen. Vrg. cêlêr].

calumpring : zie calum.

calêmpung : K.N. naam van een soort van citer of guitar. -nyalêmpung op de Tjalêmpoeng spelen.

calêmong : K.N. zonder overleg spreken. -clêmang-clêmong, zotte praat; zot.

cêlub : K.N. een proef. -lub-lub, een proef nemen.

clab-club : K.N. onbetamelijkl spreken.

calêbang-calêbung : of clêbang-clêbung K.N. zot, zotteklap, brabbeltaal, een dronkaard nadoen.

cêlathu : N. [wicantên K.] taal, spraak, aanspraak; praten, spreken, zeggen, uiten, uitdrukken. -nyêlathoni, iemand aanspreken, toespreken, tot iemand spreken. -nyêlathokake, iemand laten spreken, de woorden in den mond leggen; het woord doen, aanspreken. -nspreken, de woorden in den mond leggen; het woord doen, aanspreken. -nyêlathokake ala, schimpen. -cêlathon of cêcêlathon, met een ander of met elkander spreken; redeneren; zamenspraak, gesprek. -pacêlathon, wat iemand zegt of praat, gepraat.

cêluthak : K.N. verslinden, opslokken; gulzig, vratig; een vraat, vreter.

clethot : K.N. een verkeerd geluid, een verkeerd woord. clethot-clethot, wanluidend.

clethong : of cêlethong K.N. mest; paardemest.

calang : I. Kw. tweetandig, tweetand. II. K.N. loer, het loeren. -pacalang K.N., pacambang K.d., een troep manschappen, die afgezonden wordt, om acht te geven op de bewegingen van den vijand. -macalang, op den loer staan.

cêlêng : K. [of Kw.? cêmêng K., irêng N.] zwart. -cêlêngan, een zwart voorwerp; [cèlèng N.] wild varken; [ook cêlêpan K., nila N.] Indigo.

cêlong : K.N. verwelkt, verflensd.

cèlèng : N. [cêlêngan en cêlêpan K.] wild varken. cèlèng mogog, een benaming voor een wijze van drogen van de padi. -nyèlèng, K.N. zonder vrees op iets losgaan. -nyèlèngi, K.N., iets bij kliene hoeveelheden bijeenverzamelen en bewaren, opleggen, sparen. -celengan, een spaarpot; ook naam van een insekt.

colong : K.N.; nyolong, heimelijk wegvoeren; ontvreemden, stelen. -colongan, gestolen; wat heimelijk en ter sluik plaats heeft. aman colongan, gestolen goed.

--- 118 ---

adol colongan N., sade colongan K., sluikhandel. -cêcolongan, steelsgewijze, op een geheime wijze.

cêlangkrokan : K.N. voorbarig, vrijpostig.

cilong-cilong : Kw. voor zich hêen zien, staren.

calingukan : K.N. om zich heên zien zonder te spreken.

cêlongod : K.N.; nyêlongod, een spitsen mond maken.

cap : of êcap, K.N. zegel, signet, stempel, druk [Sd. Ml. id.] cap dumuk, met den top van den vinger een stip zetten, in plaats van handteekening, van menschen, die niet schrijven kunnen. -ngêcap, zegelen, stempelen, drukken,. -ngêcapi, bezegelen, bestempelen, iets zegelen, drukken. kaêcapan, het gezegelde, gedrukte. -ngêcapake N.; -kên K., laten bestempelen, zegelen, drukken.

cêp : K.N. uitscheiden.

capa : Kw. een vuurvijl; de zon [=sanjata kang mêtu gên, srêngenge, Skr. tjâpa, een boog].

capu : K.N. niet te klein, en niet te groot, middelmatig.

cape : K.N. vermoeid, moede, mat, afgemat, krachteloos; een lid van het lichaam, dat, verstijfd of verlamd is [Sd. Ml. id.].

cupu : K.N. een kopje met een deksel, fleschje, buisje, voor welriekende olie.

cipir : of cêcipir, naam van een lange peulvrucht, die tot geneesmiddel gebruikt wordt. -kacipir, naam van een boom.

cupar : K.N. zich met alles bemoeijen, hebzuchtig zijn [Ml. snoeven, pralen, zich beroemen op iets, dat men niet heeft; een snoever].

cèpèr : K.N. vlak, ondiep, plat [Ml. id.].

cêpuri : I. K.N. wal, verschansing van een burg [=pagêr kutha]. tanon cêpuri, de steenen muur om den kraton. II. K.h. de gouden of zilveren sirihdoos van den Vorst, die in een Glodog geplaats, tot de rijkssieraden behoort.

cêprot : K.N.; nyêprot, een dof of ploffend geluid veroorzaken; een deeg kneden; een kind ter wereld brengen; iemand uitschelden.

ciprat : K.N.; nyiprat, spatten, spuiten. -nyiprati, bespatten.

cêpak : K.N. nabij, digtbij; vlug, behendig. -nyêpak, gereed, bij de hand zijn. -nyêpakake N., -kêm K., gereed maken.

cêpuk : K.N. een doos, doosje, voor gambir of tabak [Sd. Ml. id.].

cupak : K.N. de kop van een opiumpijp, ook de pijp zelf [Ml. id.]. -nyupaki, opium in een pijp doen.

cêpaka : zie campaka.

cipta : K.N. voorstelling, gedachte, inbeelding; wesch, verlangen, begeerte; oogmerk, plan [Ml. id.]. ciptaning panggalih, het bij zich zelf denken, wat men bij zich zelf denkt. -nyipta, zich voorstellen, denken, inbeelden, vermeenen; wenschen, begeeren, verlangen; overwegen, overleggen. -panyipta, meening; wensch; overleg, gedachte.

capit : K.N.; nyapit, drukken, met de vingers knijpen [SD. knellen. Vrg. sapit.]. -nyapiti, [-...]

--- 119 ---

[...nyapiti,] aanhoudend khijpen of met de hand op iets drukken.

cupêt : K.N. niet de behoorlijke lengte hebben, te kort zijn. acupêt, te kort schieten. acupêt ing lampah, de reis niet volbrengen; voor zijn tijd sterven. -nyupêt, een te spoedig einde aan iets maken, voor zijn tijd doen sterven. nyupêt umuripun piyambak, zich zelf het leven benemen. -nyupêtake N., -kên K., maken dat iets voor zijn tidd eindigt. -kacupêtan, gebrek lijden.

copot : K.N. uitgetrokken, ens. [vrg. pocot]. -nyopot, uittrekken, b.v. de schoenen; uithalen; afdanken, onslaan, ontzetten van een post.

cêpol : K.N. niet goed vast zijn, ligt losgaan. -nyêpol, losgaan; doorzijgen, doorzijpen.

caplok : K.N.; nyaplok, happen, den mond open doen om te eten.

cêplèk : K.N. I. voorspelling. II. een vliegeklap. -nyêplèk, vliegen klappen.

cêplok : K.N. beslag, b.v. met goud of zilver. -nyêplok, met iets, b.v. met goud, beslaan, beleggen of bezetten; eijeren in een pan bakken.

cuplak : K.N. afblikken; een vlekje op de huid. -nyuplak z.v.a. nyoplok zie coplok.

coplok : K.N. zich weg maken, een plaats verlaten; verloren gaan, verdwijnen. -nyoplok, uitnemen, uitlahen, uittrekken; uitvallen.

cêplukan : K.N. bij hoopen, hoopsgewijze.

cèplukan : naam van een kleinen vogel; ook van een heestergewas.

capêng : K.N. I. een uitdrekking van kwaadheid door bewegingen te maken met de handen. II. twee punten die elkander bijkans raken.

caping : K.N. een ronde hoed met breeden rand.

cêpêng : K. [cêkêl N.]; nyêpêng, vatten, aanvatten, aantasten, pakken, grijpen, opvatten, gevangen nemen; houden, vashouden. nyêpêng apus, mennen. candhak cêpêng, zie candhak. -nyêpêngi, iets of iemand vasthouden; iemand iets te houden, in handen geven. -nyêpêngakên, iets doen vatten of grijpen; iets te houden geven aan iemand. -cêpêngan of cêcêpêngan, zich aan iets vast houden; hetgeen men houdt of vasthoudt; een houdvast; een onderpand, waarborg; gijzelaar. -panyêpêng, het vatten, aanvatten, vasthouden van iemand; oppakking; de persoon die vasthoudt.

cadhok : K.N. een zwak gezigt hebben, met opene oogen niet duidelijk kunnen zien.

cêdhak : zie cêrak.

cêdhêk : zie cêrak.

cidhuk : en cedhok K.N. scheplepel; uitscheppen, afscheppen [Ml. ciduk of cedok] een houten pollepel, schuimspaan; met de hand of met een lepel scheppen, uitscheppen]. -nyidhuk en nyidhuki, water scheppen.

cedhok : zie cidhuk.

codhot : K.N. een soort van vleèrmuizen, die op boomvruchten azen.

cêdhis : K.N. de kleine man, het gemeene volk.

--- 120 ---

cadhang : I. in gereedheid gebracht. acadhang, gereed zijn, ten dienste staan, zich beschikbaar stellen [Het wordt verklaard door bakal]. -acêcadhang, in gereedheid brengen. -nyadhang, vooruit bestemmen, vooruit bepalen. kacadhang, vooruit bepaald, een persoon voor wien een post of hooge betrekking bestemd is. -cumadhang, op een reeds toegezegde betrekking wachten. II. zie cadhong.

cadhong : ook wel cadhang K.N. kost, onderhoud. -nyadhong, de handen openhouden om iets te ontvangen; een dagelijksch rantsoen, vast traktement ontvangen. -nyadhongi, aan iemand een bepaald onderhoud nitreiken, den kost geven. -cumadhong, gereed staan om te ontvangen b.v. een bevel.

cojoh : K.N.; nyojoh of nojoh, ergens tegen stooten, met een stok op iets stooten [vrg. jojoh].

caya : K.N. een schoon gelaat [=ulat, het zelfde, naar het scijnt, als cahya].

ciyu : naam van een Chineschen drank, die uit Kêtan gestookt wordt [Ml. id.].

ciya-ciya : Kw. een dartele, uitdagende houding [=bungah-bungah, langkung suka ing galih (vrg. ciyak-ciyak) en sêsumbar]. -nyiya-nyiya, een vijand minachten, uitdagen.

ciyaka : Kw. vrees verwekken, bevreesd maken [=mêmêdèni].

ciyak-ciyak : K.N. uitdrukking van groote vreugde, gejuich [vrg. ciya-ciya].

ciyut : K.N. smal, eng, naauw. -nyiyutake N.; -kên K., smal, eng, naauw maken, verengen. -kaciyutên, te smal, te eng, te naauw.

cum : zie acum.

camu : Kw. of K.N. tienduizend millioen [Skr. tjamoe, een legerafdeeling, bestaande uit 129 olifanten, even zoo veel strijdwagens, 2187 paardevolk, en 5685 voetknechten]. Zoo sacamu = sapuluh gulma.

camah : K.N. zonder waarde; krachteloos.

cêmani : K.N. zwarte huid, zwart vel. wong cêmani N., tiyang cêmani K., een neger, een moor.

cumandhaka : K.N. verwaand, aanmatigend; zich aanmatigen [=angakên sagêd].

cêmêr : K.N. vuil, morsig; gemeen, slecht; diefachtig [=awon pratingkahipun [Ml. cemar], vuil, morsig, onrein, ontuchtig, vuile redenen]. -calêmêr, heiging tot stelen hebben, van een diefachtigen aard zijn.

camêra : Kw. hond.

cêmara : Kw. gekruld haar, valsche krullen [=wulu kang lêmbut-lêmbut]; K.N. naam van een boom, die tot het geslacht der pijnen of dennen behoort [Ml. valsch haar, dat men in zijn eigen haar steekt, als het niet lang genoeg is; ook kwasten of kwispels van haar aan de stokken van spiesen, vaandels, ens.; ook de staart van de wilde bergkoe; ook naam van den Casuarisboom (Albamyrica), zoo genaamd, omdat de bladen naarkwasten gelijken; Skr. tjamara, naam van een dier, den Bos grunniens; en een lange borstel, gewoonlijk van het staartthaar van den Bos grunniens gemaakt, en dienende om vliegen en andere insecten of te slaan].

--- 121 ---

camuk-camuk : K.N. een beweging met de lippen maken.

camut : den mond tot lachen zetten. -kêcêmut, den mond vertrekken.

cemot-cemot : K.N. vuil, morsig.

cumuwit : K.N. een piepend geluid veroorzaken.

cumlêng : K.N. iets door het geheele lichaam gevoelen.

cêmpa : eign. van een land.

cêmpe : K.N. het jong van een schaap, een lam.

cumpu : K.N. genoeg, toereikend, voldoende. -kacumpon, juist toereikend, juist genoeg, niet to veel en niet te weinig. -kacumpèn, hetzelfde.

campah : K.N. verachting, versmading [Ml. schimp, smaad, spot, verachting]. -nyampahi of nyênyampahi, aanmerkingen op iemand maken, iemand beschimpen, berispen, bepotten. -campahan, aanmerkingen, verwijtingen, tegenspraak. cêcampahan, vitten.

campuh : K.N. vermengd; handgemeen [=tarung]. campuh ing ajurit, in den strijd handgemeen worden.

campur : Sd. Ml. vermengd, met iets anders of met elkander vermengd. campur bawur, K.N. bloemen onder elkander vermengd [Ml. campur bawur], onder elkander gemengd, verward, door elkander, zonder zamenhang of orde]. -nyampuri, vermengen [Een ander zie bij sampur].

cêmpurung : K.N. een lijk bedekken; een deksel van bamboe; harpoen [vrg. cêmpuling].

campak : of cêpaka, naam van een boom met tulpvormige, welriekende, geele of witte bloemen, Michelia champaka [Sd. Ml. id; Skr. tjampaka]. watu cêpaka, N., sela cêpaka K., topaas [Ml. ratna campaka].

cèmplu : K.N.; nyêmplu, een dikken, vooruitstekenden buik hebben.

cêmpala : K.N. 1. een stuk hout, waarmé de Dalang onder de vertooning van tijd tot tijd op een houten kist slaat, om de aandacht der toehoorders of aanschouwers op te wekken [=pêpukuling kothak]. -2. cêmpala of cêmpala rêja, naam van een rijk.

cêmplok : K.N. iets, dat rond, bol is, als: een raap, knol, ens.

cêmpaluk : K.N. de jonge vrucht van de Tamarinde.

cumèplês : K.N. het geluid dat door een worp veroorzaakt wordt.

cêmplang : K.N. laf, smakeloos.

cêmplung : K.N.; nyêmplung, 1. in het water springen. 2. pisang bakken. -nyêmplungake N., -kên K., in het water werpen.

cêmpuling : K.N. harpoen [vrg. cêmpurung].

cumplung : K.N. een van zelfs afgevallene kokosnoot, die wormstekig is; de schedel van een hoofd, bekkeneel.

cêmama-cêmimi : K.N. den mond, de lippen vertrekken.

cumbu : K.N. I. een afgerigte vogel; mak, tam, handelbaar, getrouw [Ml. vleijen, streelen, liefkozen, stoeijen; liefkozingen, vleitaal, gevlei; minzaam, vriendelijk]. II. het haar dat zich op de groote teenen bevindt.

cumbana : K.N. de bijslaap [=anunggil tilêm tiyang

--- 122 ---

èstri, Skr. tjoembana, zoen; gezoen]. sacumbana, hetzelfde.-anyumbana en asacumban, den bijslaap uioefenen [=tunggil tilêm kalih tiyang èstri].

camboran : K.N. vermenging, vereeniging, mengsel [vrg. campur].

cêmburuwan : [Ml. cemburuan], jaloersch [van cemburu] of cemburu], jaloersch, ijverzuchtig; jaloerschheid].

comblong : K.N.; nyomblong, verstomd van verwondering.

cambêng : I. zie calang. -II. K.N.; nyambêngi, zich voor dieven wachten.

cêmbang : naam van een bloem.

cêmêthi : K.N. [vrg. têmbung en pêcut] een (korte) zweep [Ml. cemeti] of cemuti]]. -nyêmêthi, zweepen, met een zweep slaan. -nyêmêthèkake N., -kên K., bezigen om meê te zweepen.

cêmêng : K. [irêng N.; vrg. cêlêng] zwart, donkerkleurig. -nyêmêng, zwarten, zwart maken. -nyêmêngakên, iets zwart maken of verwen. -cêmêngan, een zwarte stof; [madat N.] toebereide opium; benaming van den Pasar-dag L?gi. siti cêmêngan, zwarte grond, d.i. land waar goen veldvruchten op staan.

cêmung : K.N. het jong van een kat.

cêmèng : K.N. een klein metalen bekken.

cêmêngklung : zie cêngklung.

cumêngkling : N.N.K.N. een klinkend geluid, geklink, klinkklank; klinken [vrg. cêmêngklung onder cêngklung].

cogo : K.N. dom, onwetend [=nyalilu, Ml. domkop, botterik].

cêgah : K.N. afwijking, overtreding; verbod; onthouding [=tampik, Sd. weren, beletten].. -nyêgah, afwijken, vermijden, versmaden; zich van iets onthouden, matig zijn; verbieden, beletten.

cêgèh : K.N. kortademig, benaauwd op de borst.

cagêr : K.N. vast, zekerlijk [Sd. gezond].

cêgur : K.N.; nyêgur, in het water springen. -nyêguri, hetzelfde.

cègêr : K.N. vastzitten, vastkleven.

cagak : K.N. steun, stut, paal, staak, stok; werktuig, middel. cagak gandera, een vlaggestok. cagak êlèk, een middel om iemand wakker te houden. cagak palang, een kruis. -nyagak, onderschragen, vaststutten.

cêguk : K.N. 1. dom, onwetend. -2. dehik. -3. naam van een boom, waarvan de vrucht tot geneesmiddel gebruikt wordt.

cugak : of cugag K.N.; nyugak of nyugag, laten uitscheiden, doen stilstaan.

cêgokad : K.N. teug, slok, dronk. sacêgokan, een teug, een slok.

cêgat : K.N., nyêgat, zich in den weg stellen [Sd. stuiten]. -nyêgati, iemand den weg afsnijden, het voortgaan beletten, tegenhouden.

cêgot : K.N. gebroken, gescheurd. -nyêgot, doorbreken, doorscheuren.

cugêt : K.N. boos, toornig, kwaad. -cugêtan, gevoelig, geraakt, driftig zijn. cugêtan atèn N., cugêtan manah K., ligt geraakt.

--- 123 ---

cêgug : K.N. het geluid van iets, dat in het water valt.

cugag : zie cugak.

cabe : K.N. lange Spaansche peper, staartpeper, capsicum [Ml. id.].

coba : ook wel cobak K.n> beproeving, toetsing [Sd. Ml. id.]. coba-coba, onderneming. -nyoba ook wel nyobak, toetsen, proeven, beproeven, ondernemen, wagen; passen, aanpassen. kacoba, proef. -coban, een werktuig of middel waarmeê iets getoetst of beproefd wordt; ook de spoel of pen, waarom het garen bij het breiden van een net zich bevindt.

cêb-cêb : zie tancêb.

cabar : K.N. ongesschikt, onbekwaam; lafhartig [=tanpa bisa, Ml. bloode, bevreesd. Vrg. sawar].

cêbur : [Ml. cêbur], opzettelijk of onvoorzeins ergens inspringen of invallen, zooals in een vijver of iets dergelijks. -nyêbur K.N. in het water springen. kacêbur, in het water vallen.

cubriya : z.v.a. jubriya.

cabak : naam van een vogel.

cabuk : K.N. het overblijfsel der Widjen, waar de olie uitgeperst is, en dat door de Javanen gegeten wordt.

cêbak : K.N.; nyêbak, de hand of klaauw op iets slaan.

cibuk : K.N. scheplepel. -nyibuk, met een lepel scheppen.

cubak : K.N. even als, gelijk als [=sami en padhadene].

cobak : zie coba.

cabul : K.N. klappen, babbelen; een geheim ruchtbaar maken [Ml. vuilbekken, vuil spreken, onbetamelijke en onkuische woorden uiten; ruw, onbeschoft zijn].

cebol : K.N. een klein mensch, dwerg [Sd. Ml. cabol]. -cebolan, hetgeen tot een dwerg behoort; aan een dwerg gelijken, dwerachtig.

cêblèh : K.N. smakeloos, laf; leelijk, mismaakt.

cablik : zie cablèk.

cablèk : of cablik K.N.; nyablèk of nyablik, met de vlakke hand slaan. -nyablèki of nyabliki, iemand of op iets mmet de vlakke hand slaan.

cêblok : K.N.; nyêblok, afvallen, van vruchten. -nyêblokake N., -kên K., iets in den grond beijen.

cublak : K.N. een kleine flesch, fiool. -nyublak, de pitten uit de tamarinde doen.

cublik : K.N.; nyubliki, verplanten, verplaatsen; gelijkelijk verdeelen.

cubluk : K.N. onnoozel, onwetend, dom; onbekwaam; dommor, botterik [=busuk].

cublês : zie coblos.

coblos : en cublês K.N.; nyoblos en nyublês, prikken, steken; aderlaten. -nyoblosake N., -kên K., met iets prikken of steken.

coblong : K.N. een kleine drinkbeker.

cebong : K.N. een jonge kikvorsch, of naam vavan. een soort van kleine kikvorsch.

catho : K.N.; catho-catho, in het blinde rondtasten, overal tegen aanstooten. pating caratho, [cara...]

--- 124 ---

[...tho,] overal in het blinde rondtasten, in het duister ronddwalen.

cêtha : I. Kw. meening, gissing, vermoeden; voorspelling. -kacêtha, voorspeld. II. K.N. duidelijk, verstaanbaar zijn in het spreken, hoorbaar; goed weten [=têtela].

citho : K.N.; nyitho, een beest de ongen uitsteken.

cèthi : K.N. een vrouwelijke bediende aan het hof [=batur wadon, Skr. tjêti, een vrouwelijke bediende]. para cèthi, de vrouwelijke bedienden aan het hof. -nyèthi, als Tjèti aan het hof dienen.

cotha : K.N. een gedeelte van het onderkleed als gordel om het lijf vast maken: benaming van een wijze van kleeding der Pana-kawan van den Vorst en van de Pangérans, anders bêbêd wala geheeten. Op dezelfde wijze moet ook elk jongeling gekleed zijn, wanneer hij in de Kraton komt. Zij bestaat in een bêbêd, waarvan het eene einde tot buikband dient, het bovenlijf bloot, met loshangende haren met kammen.

cothe : K.N.; nyothe, den kris van achteren naar voren schuiven. -cothèn, den kris naar voren dragen.

cotho : K.N. gebrek hebben, van het noodige verstoken zijn; in verlegenheid zijn; gebrekkig, onbekwaam zijn.

cathak : K.N. I. een soort van groote vliegen, paardevlieg; een vloo. II. een uitslag op de huid.

cathèk : K.N.; nyathèk, onverwachts een beet toebrengen.

cathok : K.N. een metalen plaat, die door vrouwen aan den gordel van voren wordt vastgehaakt. -nyathok, zamenlasschen.

cêthak : K.N. het verhemelte in den mond; de keel. -nyêthak, een bitteren smaak hebben.

cêthik : K.N. de heup. -kacêthikan, bewezen, overtuigd.

cêthèk : zie cèthèk.

cithak : K.N. vorm, gedaante [Sd. Ml. drukken, zoo als een boek; stempelen, munten]. sacithak, gelijkend. -nyithak, gelijk maken; in een vorm gieten of bakken; een voorbeeld naanwkeurig volgen; een gesprek naauwkeurig herhalen. tukang nyithak, een bakker. -cithakan, 1. een vorm waarin iets gegoten of gebakken wordt [Sd. id.]. -2. Kw. een wrat.

cuthak : K.N.; nyuthak, van tijd tot tijd vasten.

cuthik : K.N. een werktuig waarmeê men iets uitpeutert. -nyuthik, met een stok iets wegschuiven. -nyuthiki, uitpeuteren.

cèthèk : of cêthèk K.N. ondiep, vlak; ondiepte. tatu cèthèk, een ligte wond.

cethok : K.N. troffel, schoffel.

cathêt : K.N.; nyath.g, een lap op iets zetten, -nyathêti, aanteekeningen houden. -cathêtan, stukken, lappen; aanteekeningen van gebeurtenissen, nota; spreuk.

cathut : K.N. een tangetje, waarmeê de Javanen het haar van hun baard uittrekken [Ml. id.]. -cêcathut of nyathut, het haar van den baard met een tangetje uittrekken.

cêthok : K.N. naam van een spijs van Kêtan bereid. [be...]

--- 125 ---

[...reid.] -nyêthot en nyêthoti, tusschen den duim en den voorsten vinger knijpen.

cuthat : K.N.; nyuthat, met een stok iets opligten.

cêthil : K.N. gerig, vrekkig; vrek.

cuthêl : K.N. einde; geeindigd; eindelijk, ten laatste.

cêthèthèt : naam van een vogel, ook van een boom.

cêthing : K.N. een mandje, waarin gekookte rijst bewaard wordt.

congo : K.N. iemand onnoozel staan aan te kijken.

cangcut : zie cancut.

cangcang : zie cancang.

cingcing : zie cincing.

cêngèr : K.N. het schreeuwen van een kind.

cingir : K.N. de snuit van een klein beest.

cungir : K.N.; nyungir, den neus optrekken, den bovenlip ophalen.

cungur : zie congor.

cèngèr : K.N.; nyèngèr, ongenoodigd ergens verschijnen.

congor : of cungur K.N. de snuit van een groot beest [vrg. cingir]. congor-congor, een kind, dat onder het huilen het hoofd achterover houdt, een keel opzetten. -nyongor, een langen bovenlip hebben.

cangak : naam van een grooten vogel met langen hals, die zich voornamelijk in de rijstvelden ophoudt.

cangik : K.N.; nyangik-nyangik, klein, netjes, fraai.

canguk : K.N. verspieder, spion. cêcanguk, begluren, beloeren, spionneren; achterhoede.

cênguk : K.N. een jonge aap. -nyênguki, benaming van een kind als het vier maanden oud is, omdat het dan schreeuwt als een jonge aap.

cêngèk : K.N. ; nyêngèk, het schreeuwen van een kind, als het gevallen is. -cumêngèk, een kwelend, zacht huilend geluid. -cêcêngèk, een kind aan het schreeuwen brengen, schreeuwen maken.

cingak : K.N. met verwondering naar iets kijken, aanstaren.

cangkah : K.N. 1. voorbarig. -2. cangkah en cumangkah z.v.a. jangkah en jumangkah.

cêngkah : K.N.; nyêngkah, van zich afhouden, afweren, afstooten.

cêngkèh : K.N. nagel, kruidnagel [Sd. Ml. id.].

cangkir : K.N. kopje, kommetje, bekertje, kelk.

cêngkar : K.N. bar; barre, onvruchtbare grond.

cêngkir : K.N. een jonge kokosnoot.

cangkara : K.N. eign. van een deurwachter aan het paleis van Batårå Goeroe.

cungkrah : zie congkrah.

congkrah : K.N. of cungkrah K.N. van meening verschillen, anders denken.

cêngkaruk : K.N. gerooste of gebradene rijst.

cangkrama : K.N. Kw. Kw.; nyangkrama, kuijeren, zich met wandelen verlustigen [cangkrama=dolan-dolan en kasukan Ml. id.; Skr. tjangkramå, langzaam gaande]. -nyangkramani, zich met een bijzonder voorwerp vermaken; bij een vrouw slapen [=kang ginawe amêng-amêngan]. [amêng-amênga...]

--- 126 ---

[...n].] -pacangkraman, een wandelplaats [=panggenan pamêng-amêngan].

cangkêrêm : K.N.; nyangkêrêm, iets in de klaauwen of met de nagels vasthouden.

cangkriman : K.N. een wonderspreuk, orakel; raadsel.

cangkrang : K.N. blaar, pokken [vrg. cacar]. -cangkrangên, de pokken hebben.

cangkring : K.N. 1. naam van een boom, die schoone, roode bloemen draagt, en waartegen man veelal de betelen peperplant laat opklimmen. -2. benaming van een soort met rood gebatikd lijnwaad.

cingkrang : K.N. groot gebrek lijden; de schaamdeelen niet bedekken. -kacingkrangan, gebrek aan iets hebben, derven, missen.

cengkrong : K.N. kromme beenen hebben; ook benaming van een bijzonder fatsoen van krissen.

cangkok : K.N. I. de afzetter van een boom [Ml. id.]; voorbeeld, model. -nyangkok, een tak van een boom afzetten (door nam, den tak of loot, dien men afzetten wil, met aarde te onwinden, tot dat hij daarin wortel geschoten heeft); iemand iets afzien, iets nadoen, nabootsen, een voorbeeld volgen. II. elke harde schil van een vrucht, noteschil, bijzonder de schil van de Kêmiri.

congkok : of congkog K.N. stut, steun; bemiddelaar, koppelaar. Zoo wordt namelijk de persoon (hetzij man of vrouw) genoemd, die door de ouders van een jongeling tot de ouders van een meisje gezonden wordt, om dit voor hun zoon ten huwelijk tevragen. -nyongkok of nyongkog, stutten. -nyongkoki, schragen, ondersteunen; van een middel gebruik maken; bemiddelen.

cêngkiwingan : K.N. afkorting van een woord; abreviatie.

cangkol : K.N.; nyangkol, tegenhouden. kacangkol, teruggehouden, verhinderd, belet worden.

cêngkal : K.N. een steun of stut voor een deur of venster; een lengtemaat van 20 voet, een roede. -nyêngkal, ondersteunen, onderstutten; met een Tjêngkal meten; afmeten.

congkèl : K.N.; nyongkèli, iets van den grond ophalen.

cangklèk : K.N.; nyangklèk, in de armen dragen.

cingklak : zie cengklak.

cingklok : K.N. de buiging onder de knieschijf; de kuiten.

cengklak : of cingklak K.N.; nyengklak of nyingklak, den voet in den stijgbeugel zetten.

cêngkalak : K.N. handblok, handboeijen. -nyêngkalak, iemand handboeijen aanzetten.

cêngkelak : K.N. terugkomen, terugkeeren.

cangklakan : K.N. de holte van den arm, oksel.

cêngkêlit : of cungkêlit K.N.; nyêngkêlit of nyungkêlit, een kris achter in den gordel steken.

cungkêlit : zie cêngkêlit.

cangklang : nyangklang z.v.a. cêngkêlit, nyêngkêlit.

cêngklung : Kw. groote begeerte, sterk verlangen. -cêmêngklung K.N. een groot verlangen naar iets hebben; ook een dof geluid van zich geven of laten hooren [vrg. cumêngkling].

--- 127 ---

cêngklong : K.N.; nyêngklong, aftrekken, korten, inhouden. -panyêngklong, aftrekking, korting, inhouding.

cêngkêlang : nyêngkêlang z.v.a. cêngkêlit, nyêngkêlit.

congklang : K.N. galop van een paard [Sd. id.]. -nyongklang, gelopperen. -nyongklangake N., -kên K., laten galopperen.

cungkup : en nyungkup z.v.a. cungkub en nyungkub.

cangkêm : N. [tutugtutuk. K.] de mond.

congkog : zie congkok.

cungkub : K.N. een tombe, een gebouw boven een graf opgerigt. -nyangkub, een gebouw boven een graf oprigten; een dak of pajoeng over een lijk plaatsen.

cangking : K.N.; nyangking, iets aan de hand dragen [Ml. id.].

cêngkang : K.N. een span van den eersten vinger en den duim, een spanbreed. -nyêngkangi, spannen, bij de span meten [Een ander zie bij cêngkang].

congos-congos : K.N. zich bemorsen, bevuilen.

cangli : Kw. zacht. fijn; netjes [=alus].

cêngêl : K.N, de nek [vrg. githok].

cêngil : K.N. nijd, afgunst. -nyêngil, verkeerd begrijpen. -cêcêngilan, elkander benijden, afgunstig zijn; het met elkander omtrent een zaak niet eens zijn.

canggah : K.N. een kind in den vierden graad der afstamming, het kind van een achter-kleinkind. -nyanggah, tusschen een spleet doen.

canggèh : K.N. [Ml. vriendelijk, minzaam; vriendelijke manieren over zich hebben]; nyanggehi, iemand uit scherts, zonder kwaad oogmerk, knijpen of slaan om hem te plagen.

cènggèr : zie jènggèr.

canggèrètnong : naam van een soort van vliegende sprinkhanen.

cêngêng : K.N. een stijve nek; hardnekkig; standvastig bij zijn voornemen blijven.

cingèng : zie cinging.

cinging : of cingèng K.N. weekhartig, zeer gevoelig; ligt geraakt.

cênganguk : zie cênguk.