Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

Ta

ta : I. K.N. een tusschenwerpsel, dat, achter een woord geplaatst, zoo veel als toch, toe, dan Iof al beteekent. Het wordt zoo ook dikwijls tot meer aandrang achter de bevelende wijs gebruikt. II. Kw. bezittelijk voornaamwoord van den tweeden persoon: uw [=sira]; b.v. anakta, uw kind. umurta, uw ouderdom. wayahta, uw kleinkind. Als het naamwoord op een klinker eindigt, wordt er een n voorgevoegd; b.v. rakanta, uw oudere broeder. putranta, uw kind. ibunta, uw moeder.

ti : Kw. wijze, manier [=polah].

tu : en atu, Kw. =têmên. Vrg. tuhu. satu = nyata [Een ander satu, zie beneden].

te : Kw. 1. z.v.a. dene. 2. z.v.a. ing.

tah : Kw. neen, niet [=ora]. Ook z.v.a. ta, I. [Ml. id.].

tih : Kw. alles te boven gaan, verre overtreffen [=liwat luwih].

tèh : of êtèh, I. Ch. K.N. thee [Sd. Ml. id.]. II. Kw. K.N. klaar, duidelijk; duidelijkheid. -ngêtèhake, N., -kên, K., duidelijk maken, duidelijk uiteenzetten, ophelderen. -êtèh-êtèhan, zich onderling duidelijk verklaren. -tètèh, duidelijk zijn, van een geluid, of ook in het spreken of schrijven [=cêtha]. -nètèhake, N., -kên, K., duidelijk maken, van een geluid. -têlètèh, zie beneden.

toh : of êtoh, K.N. I. inzet, inzet bij een weddenschap, hetgeen men verwedt; weddenschap. -têtoh of atoh, wedden, een kans wagen. atoh jiwa, het leven er aan wagen, het leven of zich zelf op het spel zetten. -ngêtohi of nohi, op iets wedden, het op de handen van iets houden; voor iemand (b.v. zijn leven) op het spel zetten. -ngêtohake, N., -kên, K., iets verwedden, op het spel zetten. toh-tohan, atotohan, met een ander of met elkander een weddenschap aangaan, met een ander of met elkander om iets wedden of spelen; weddenschap. II. een vlek op de huid, moedervlek.

taha : Kw. I. beducht, bevreesd, beschroomd, huiverig zijn; kwaad vermoeden, achterdocht hebben [=ajrih]. tan taha of tan amawi

--- 252 ---

taha, onbeschroomd. taha-taha, aarzelen, schromen [=ajrih angarah-arah]. -santaha, zie beneden. II. vertrouwen in iemand stellen, iemand zeer genegen zijn.

tai : N., tinja, K., vuil, drek, mest; roest; zaagsel [Sd, Ml. id.]. tai wêsi, ijzerroest. -nai, N., ninja, K., roesten, verroesten. -tainên, bevuilen; met roest bedekkent.

tau : N., tate, K., gewoonte, hebbelijkheid. -K. nate, gewoon zijn, plegen; gewoon, gewend. ora tau, N., botên nate, K., niet gewend zijn, ongewoon. durung tau, N., dèrèng nate, K., nog nooit. -nau, Kw. kennen, weten [tau = wêruh, [Ml. tahu] , weten, kennen].

tuhu : Kw. zeker, vast; K.N. trouw, opregt [=nyata en têmên. Vrg. tu]. satuhu of satuhune, waarlijk, zekerlijk. -tuhon, waarheid, zekerheid. -nuhoni, een zaak bevestigen; het opregt meenen; getrouw blijven. katuwone, inderdaad [Een ander katuwon, zie boven]. -mituhu, K.N. gehoorzamen. -tuhu piksa zie tupiksa.

tahan : K.N. uithouden, volhouden, verdragen, verduren [Sd. Ml. id.]. -nahan, volharden, verduren. Kw. uitscheiden met spreken, zwijgen. -nahanake, K,N. -kên, K., iets dulden, volhouden; doen volhouden.

tahên : Kw. hout. -nahên, inhouden, tegenhouden, verbergen [=nandhang en ngagêm. Vrg. tahan.Een ander zic boven].

taun : K.N. jaar [Sd. Ml. id.]. sataun, een jaar. nyatauni, een offrande doen voor een kind, als het een jaar oud is, of voor een doode een jaar na het overlijden. sabên taun, jaarlijks. kajêng taun, een boom, die jaarlijks vruchten geeft. -naun, tot een jaar maken, lang geleden zijn. -taunan, bij jaren, jaren lang.

tahor : zie têhêr.

têhêr : en tahor, Kw. vervolgen, daarna, onmiddelijk [=tumuli en enggal]. -nêhêr, hetzelfde.

tah-talatah : zie talatah.

tahas : Kw. grond, onderlage [=dhasar en lèmèk].

tahil : K.N. een gewigt ter zwaarte van twee spaansche matten [Sd. Ml. id.]. satahil, een Tail.

tahjud : [Ar. tahajjud] , gebed in den nacht.

tahyat : Ar. [?] de aanhef van een gebed.

taiyèng : zamenshtelling van tai, en toyai, vuiligheid, die zich aan een steen, die in het water ligt, vastzet.

tan : Kw. z.v.a. datan, neen, niet [=ora]. tan ana, er is niet. aja tan ora, N., sampun tan botên, het moet stellig, het moet volstrekt. aja tan ora kalakon, N., sampun tan botên kalampahan, K., het moet stellig gebeuren.

ton : Kw.; salah ton zie salah, -tumon, zien; kennen, weten [=ningali en wêruh]. -anon, zien, kijken; weten [=aningali]. anon mirêng, K.N. zien of hooren. tinon, l.v. [=katingalan].

--- 253 ---

-katon, N. [katingal, K.] zigtbaar; zigtbaar zijn, in het gezigt zijn, zich vertoonen, verschijnen; duidelijk; goed kunnen zien; ook [tingal, K.] aanzien, schijn [=têtela]. -ngaton, N. [ngatingal, K.] zich laten zien, zich vertoonen, verschijnen. -ngatoni

tanu : Kw. kameleon [=bunglon]. tanu astra, benaming van een soort van soldaten of lijfwacht van den vorst van Soerakarta.

tunu : Kw. brand, het branden [=obong en bakar, Ml. id.]. -nunu, verbranden, branden, in den brand steken [=ngobong en bakar]. -tunon, in den brand zijn, hetgeen verbrand is. kurban tunon, brandoffer.

tani : Kw. eerlijk, opregt. wong tani, N., tiyang tani, K., een opregt mensch; een lanbouwer, landman, boer [Skr. tanni, een plant]. -têtanèn, wat tot den landbouw behoort; lanbouw; akkerlieden. -mong tani, landbouwen. wong among tani, N., tiyang among tani, K., landbouwer.

tuna : K.N. schade, verlies, nadeel, afbreuk; fout, gebrek, mis [=kirang en suda, Skr. toenna, gebroken, gehavend, beschadigd, enz.]. atuna, een verliest lijden. tuna dungkap, het doel niet bereikt, teleurgesteld. -nuna, verminderen; verliezen. -nunakake, N., -kên, K., iemand een verlies doen lijden. -katunan, aan verlies blootgesteld, door een verlies getroffen zijn. -pitunan, nadeel. dadi pitunan, N., dados pitunan, K., nadeelig. -mitunakake, N. -kên, K., benadeelen.

tênun : K.N.; nênun, weven [Ml. tenun , Sd. tinun]. juru tênun, een wever, een weversbaas. -tênunan, weefsel. abah-abah tênunan, weefstoel. -panênun, het plaats hebben van weven.

tanah : K.N. I. land, landschap, landstreek, gewest, distrikt [Ml. id., Sd. tanêh]. II. klaar, duidelijk. -tanahake, N., -kên, K., ophelderen, klaar, duidelijk maken; bevestigen.

tinon : zie ton.

tinor : Kw. vermengd.

tanapi : of atanapi, Kw. en, voorts, mitsgaders; maar, doch, daarentegen [=utawa. Vrg. tapi].

tênaya : Kw. kind; gedaante, vorm [=anak en rupa, Skr. tanaja, een zoon, tanajâ, een dochter].

tanêm : K. [tandur, N.] plant [Ml. id.]. tanêm tuwuh, veldvruchten, veldgewassen. -nanêm, planten, poten; aanstellen. -nanêmi, een grond

--- 254 ---

beplanten. -tanêman of têtanêman, gewas, gewassen, plantsoen.

tênaga : K.N. houding, gedrag, manier.

taning : Kw. verdeeling, afdeeling. -naning, K.N. verdeelen, rangschikken.

tancêb : K.N.; tancêbing langit, kim, horizont. -nancêb, iets, of zich, met de punt in den grond of in een week lichaam steken. -tumancêb, in iets vastgestoken zitten. -nancêbi ergens iets in steken. -nancêbake, N., -kên, iets ergens in steken. -cêb-cêb, verkorting van tancêb-tancêb, in menigte in den grond steken, bijv. van pijlen, die in menigte op den grond neêrvallen, en met de punten daarin steken blijven.

tandra : Kw. vervolgens, daarna.

tandur : N. [tanêm, K.] plant. wong tandur, planter. -nandur, planten, poten; aanstellen [Ml. tandur en menandur] , den grond bij het planten of poten losmaken]. -nanduri, een grond beplanten; ergens plaatsen, aanstellen. -tanduran of têtanduran, gewas, plantsoen, gewassen. -panandur, planting; aanstelling. -patanduran, akker, grond geschikt om beplant te worden.

tanduk : I. Kw. [=tuju]. nanduk, naderen, bereiken, raken. nanduki, K.N. indringen, doorheendringen. -nandukake, N., -kên, K., met iets treffen, een wapen tegen een vijand gebruiken [=nibakake]. -tumanduk, raken, treffen [=tumuju en amarani. II. Kw. houding, gedrag; beleefd zijn [=pratingkah]. III. K.N. nog niet verzadigd zijn, nog meer te eten vragen, nadat men reeds gegeten heeft.

tindak : I. K.h. [lumaku en lunga, N., lumampah en kesah, K.] gaan; uitgaan, opreis gaan, vertrekken. -tumindak, zich op weg bevinden, gaan; iets doen, verrigten. -nindaki, begaan, op iets gaan; iets uitvoeren, ten uitvoer brengen, verrigten. -nindakake, N., -kên, K., doen of laten gaan, aau den gang brengen, in het werk stellen, ten uitvoer brengen, of laten ten uitvoer brengen. II. K.N. verrigting, bedrijf; gang, loop; handelwijs.

tandya : zie dya, III.

tandang : K.N. zich in beweging zetten; hulp bijstand; bijstaan; houding, gedrag, manier [polah]. tandang rujit, beweging tot den strijd maken, den strijd beginnen. prajurit prang tandang, lijfwachten. -nandang, een beweging maken. -nandangi, beweging naar iets maken, er op losgaan, aanvallen, te hulp snellen. -tumandang, de handen aan het werk slaan, te hulp komen, helpen, bijstaan.

tanta : Kw. dewijl, omdat.

tênta : gewoonlijk katênta, K.N. eigenlijk, wezenlijk, juist dezelfde.

tantun : zie tari.

tuntun : K.N.; nuntun, leiden, iemand of een beest aan de hand of aan een touw leiden; onderrigten, teregtwijzen [Sd. Ml. id.]. -panuntun, leiding.

tôntra : Kw. onderdaan, leger, heir [Sd. Ml. id.;

--- 255 ---

Skr. tantra]. balatôntra, legermagt, heirmagt.

têntrêm : K.N. rust, vrede; rustig, vreedzaam; te vreden. -nêntrêmake, K.,N. -kên, K., tot rust brengen, bevredigen.

tintrim : Kw. bevreesd.

tuntut : K.N. de bloem van den Pisang-boom; de nieren.

tuntas : K.N. uitpersen, uitdrukken.

tuntum : of tungtum, K.N. zich vereenigen, van een deel, dat zich hereenigt met het geheel, waartoe het behoort. -nuntum, in den vorigen staat brengen, herstellen. -nuntumakên sarira, het lichaam herstellen, uitrusten.

tantang : K.N.; nantang, uitdagen, uittarten [Ml. id.]. -panantang, uitdaging.

tanting : K.N.; nanting , in de hoogte houden, in de hoogte ligten, boven den grond of het water houden. tanting-tinanting, elkander van den grond opligten (bij het warstelen).

tuntung : I. Kw. de bovenste of uiterste punt van iets [=pucuk]. -tumuntung = amucuk. II. naar iets zweemen, gelijken.

tansah : zie sah.

tansèn : eign. van Sadewå in zijn jeugd.

tanpa : K.N. zonder [=ora nganggo]. tanpa wilangan, zonder tal, ontelbaar. tanpa gawe, N., tanpa damêl, K., zonder werk, zonder daad; nutteloos, vruchteloos. tanpa dadi, zonder te worden; er komt niets van.

tandhu : K.N. draagbaar, draagkoets, draagstoel, palanquin [Ml. id. Vrg. joli]. -nandhu, een Tandoe dragen. -panandhon, palanquindrager. siti panandhon, worden de landerijen genoemd, die aan de dochters van den Vorst, wanueer zij huwen, in vruchtgebruik gegeven worden, en waarvan de bevolking tot palanquindragers gebruikt wordt.

tandho : en nandho, K.N. opdoen, opleggen, verzamelen om te bewaren, sparen.

tundha : K.N. afdeeling, iaag, verdieping. -nundha, opstapelen; afwisselen; bij beurten iets doen. -tundhan, een plaats, waar verwisseld wordt; een lastdrager, die voor een ander op een wisselplaats genomen wordt. jaran tundhan, een huurpaard, dat op een station verwisseld wordt. -nundhan, een huurpaard gebruiken, dat men op een station tegen een ander verwisselt. -nundhani, voor een lastdier een ander ter wisseling geven.

tôndha : K.N. I. teeken, merk, blijk; sein; beeld, gelijkenis [Sd. Ml. id.]. tôndha tangan, handteekening, onderteekening. tôndha cap, teekening door middel van een zegel, bezegeling. -nôndha, teekenen, merken, een merk of teeken maken; kenmerken; bevestigen; toetsen; tasten. -nandhani, iets merken, van een kenteeken voorzien. -pratôndha, zie beneden. II. het hoofd van een Pasar, die de heffingen doet, en de ter markt gebrachte goederen stempelt [Sedert het Nederlandsch Gouvernement het beheer der markten en tolpoorten van den Vorst heeft overgenomen, zijn deze Tòndå's door Gouvernementsambtenaren vervangen]. têtôndha,

--- 256 ---

heffingen van koopgoederen op den Pasardoen. -katandhan, de woonplaats van eenen Tóndå.

tindhih : K.N. de bovenhand hebben. tindhih of têtindhih, aanvoerder, hoofdman, bevelhebber [Ml. over elkander liggen; drukken]. nindhih, opleggen, opstapelen. -nindhihi, bovenop iets liggen; over anderen gesteld zijn, bevel voeren; overwinnen. katindhiyan, waar iets opgelegd wordt, een onderlaag; het onderspit delven, te onder gebracht, overwonnen zijn.

tandhak : K.N. dansen [Ml. id. Vrg. bêksa].

tindhik : K.N.; nindhik, een gat in het oor boren [Ml. id.].

tundhuk : Kw. zamentreffen, ontmoeten [=têmpuk en kapanggih].

tandhês : K.N. regt naar beneden, tot naar beneden; stuitende op; de monding of uitwatering van een rivier; ook benaming van Grissé, een plaats aan de monding van de groote Solosche rivier gelegen.

tundhabema : K.N. een misslag begaan, iets verkeerd doen; misverstaan.

tandhing : K.N. I. evenwigt, wedergade, tegenpartij; gelijkheid. tanpa tandhing, weêrgåloos. prang tandhing, tweegevecht. dudu tandhingmu, hij is geen partij voor u. -nandhing, vergelijken, tegen elkander overstellen. -nandhingi, aan iemand als partij tegenover stellen. -tumandhing, gelijk zijn, zich gelijk stellen; vergelijkend. -têtandhingan, twee dingen tegen elkander overstellen, met elkander vergelijken. -panandhing, vergelijking. II. een houten pen of spijker.

têndhang : K.N.; nendhang, met de voeten stooten, schoppen [Ml. id.].

tundhung : I. K.N.; nundhung, verstooten, verdrijven, verjagen, uitjagen, wegjagen, wegzenden, wegdrijven, het huis uit zetten. panundhung, verdrijving. II. K.N. lokaas, lokken. -nundhung, lokken een lokker gebruiken.

tinja : zie tai.

tinjo : K.N. bezoek bij een zieke. -ninjo, een zieke bezoeken. ninjoni, bij een zieke een bezoek afleggen.

tanjir : K.N. geeseling [verbastering van tanjir]. ukum tanjir, straf der geeseling. -nanjir en nanjiri, geeselen [Zie ook boven nanjir].

tanjak : K.N. het opligten van den voet bij het tandakken. -nanjak, den laatsten snik geven, den geest geven, zieltogen. -pananjak, het plaats hebben van nanjak.

tonjok : K.N.; nonjok, tegen iets aanstooten; gewelddadig aanvallen, aanranden, door een steek een wond toebrengen. nonboki,nonjoki. iemand aanranden, gewelddadig aanvallen; ook geschenken zenden, bepaaldelijk het zenden van spijzen tot geschenken aan bloedverwanten en kennissen, bij gelegenheid van een aanstaand huwelijk, door de ouders van bruid en bruidegom. -tonjokan, zulke geschenken.

tinjomaya : z.v.a. tejamaya.

tanjung : naam van een boom, die kleine welriekende bloemen draagt [Ml. id.].

--- 257 ---

tunjang : K.N.; nunjang, tegen iets aanloopen, aanstooten, aanrjden, aanraken; iemand overrijden. -têtunjangan, tegen een ander of tegen elkander aanstooten, aanrijden, enz.

tunjung : I. naam van een bloem [kêmbang kang abanyu]. -nunjung, aan die bloem gelijken. II. K.N. de spits of punt van een lans [Het wordt verklaar door bongkoting landheyan]. -nunjung, met de punt van een lans steken. III. K.N. donkerkleurig.

tunjung pura : naam van een rijk.

tanya : Kw. vragen [=takon en têtanya = têtakon, Sd. Ml. id.].

tinub : Kw. raken, treffen [vrg. katut].

tanbuh : zie tambuh.

tênung : K.N. tooverij, waarzegging, voorspelling door middel van de Planeten [=pênggawe ala, Sd. Ml. id.]. -nênung, tooveren, betooveren, bezweren, voorspellen, waarzeggen. -panênung, betoovering. -panênungan, middel van betoovering. ngèlmi panênungan, de tooverkunst.

tuca : Kw. zijde, zijden stof [=sutra].

tra : en atra, Kw. scherp, puntig [=landhêp en lungid].

tri : Kw. I. levendig, vrolijk; luidruchtig [=rame]. -atri, geraas, gedruisch maken [=arame]. II. drie [=têlu, Skr. tri]. kaping tri, de derde. -trisula, een drietand, een speer met drie spitse punten [=panah landhêp têlu, Skr. trisjoela]. -tribaga zie baga.

tru : Kw. I. een fijne regen, motregen; mist, nevel; een daauw, die in regendroppels nedervalt [=udan riris en têruh]. II. zie taru.

tar : Kw. neen, niet.

tir : Kw. zenden; zendeling, bode [=kongkonan,vrg. êtir].

tur : I. Kw. en, alsmede, tevens, insgelijks, ook. II. zie atur en tutur.

tèr : Kw., durven, het wagen [=purun].

tara : Kw. =padhang [Skr. târa, helder, klaar]. -katara, N., katangis,katawis. K., gebleken, zigtbaar, klaar, merkbaar. -ngatarani, N., ngatawisi, K., zigtbaar maken, laten blijken. -sutara, zie beneden. II. verkorting van antara of wêtara.

tari : N., tantun en taros, K.; nari, N., nantun of naros, K., een voorstel doen, in overweging geven. -tarèn of têtarèn, een voorstel. -panari, N., panantun of panaros, K., een voorstel, voorslag.

taru : ook tru, Kw. boom, geboomte; blad, bladeren [=godhong, Skr. taroe, een boom].

têri : naam van een klein soort van zeevisch.

tiru : K.N.; niru, nadoen, nabootsen, navolgen [Ml. id.]. -nirokake, N., -kên, K., namaken, nabootsen, naapen.

turi : naam van een boom, een soort van acacia [Sd. id.]. turi bang, een Toeri, die roode vruchten draagt. turi pêthak, een Toeri, die witte vruchten draagt.

turu : N. [tilêm, K., sare, K.h.] slapen. -nuroni, op iets slapen; bij een vrouw slapen, [sla...]

--- 258 ---

[...pen,] beslapen. -nurokake, te slapen leggen, neêrleggen. turon of têturon, te bed liggen (zonder te slapen). paturon, slaapplaats, bedstede.

trah : I. Kw. afkomst; afstammeling, afkomeling [=turun of têdhak]. II. verkorting van gotrah.

truh : zie têruh.

têruh : of truh, Kw. mistig, nevelig; fijne regen, daauw die als regen nedervalt; donker, triestig van humeur [vrg. tru en têdhuh]. atruh, regenen.

tirah : I. Kw. rand, zoom; oever, strand; hoofdsieraad [tirah en têtirah = pinggir, Skr. tîra, oever]. II. K.N. wegens ziekte naar een andere plaats verhuizen [=satêngahing lara ngalih panggonan].

turah : K.N. overschieten. -turahan, overschot, overblijfsel.

turuh : K.N. uitdruppen, uitvloeijen. -têturuh, K.h. [vrg. turas] watere, pissen. -nuruh, K.N. schuins afstroomen. -nuruhake, N., -kên, K., schuins laten afstroomen, afloopen.

trai : K.N. alle drie (in het dobbelspel).

traos : zie trasi en traju.

têrna : geb. wijs van ngatêrake, zie atêr.

turun : Sd. Ml. dalen, afdalen, nederkomen, afklimmen; N. [têdhak, K.] afstamming, afkomst; afstammeling, nakomeling, kind, nazaat, kroost, geslachtslinie. -saturun-turune, al zijn nakomelingen. -nurun, afschrijven, copieren; overzetten, vertalen. -tumurun, zich naar beneden begeven, nederdalen, afkomen, afklimmen, afgaan. turun-tumurun, nakomelingschap, nageslacht. -nuruni, tot iets of iemand nederdalen. -nurunake, doen nederkomen; doen afschrijven; doen afstammen; nakomelingschap verwekken. turunan of têturunan, afschrift, vertaling, overzetting; nakomelingschap.

trini : Kw. klein.

truna : zie taruna.

taruna : of truna, Kw. en K.N. jong, jeugdig, jeugd [=ênèm, nonoman en jêjaka, Ml. een jongman; Skr. taroena]. truna lanang, een jongeling; ook benaming van troepen. truna kêrtika en truna pangiring, benamingen van troepen. -tumaruna, zoch in een jeugdigen staat bevinden, nog jong zijn, b.v. van de bladen van een boom [=wit-witan kang lagi nêdhêng].

trêna-trêni : Kw. de bladen van een slingerplant [Skr. trena, gras, of grasachtige plant].

trêna windu : eign. van een Bagawan.

trinil : K.N. trippelen; ook naam van een kleinen vogel.

trancang : K.N. doorschijnend, doorzigtig. -nrancang of narancang, doorzigtig maken; door iets heen zien. -trancangan, iets waardoor men kan heenzien, opengewerkt.

trantang : K.N. zikkel, zeis.

turun tangis : naam van een soort van betelblad.

trênjuh : K.N.; katrênjuh en nrênjuhi, iemand

--- 259 ---

toevallig op weg ontmoeten, toevallig tegenkomen.

trênyuh : Kw. K.N. verbrijzeld, verpletterd, vergruisd; verslagen, van het hart [rêmêk en rusak]. tyasira trênyuh, zijn hart was verpletterd (verslagen).

trocoh : .N. doorregenen, lekken; iemand dikwijls uitschelden, bekijven.

tracak : K.N. hoef of klaauw van een beest [vrg. kracak]. -nracak, onbeleefd, onwelvoegelijk zijn [zie ook bij racak].

trucuk : K.N. pallisade.

trocosan : K.N. het afvloeijen, storten van tranen [vrg. trotosan].

truka : K.N. K.N. wacht houden; ergens verblijven. -nrukani, het opzigt over iets hebben.

tarka : of têrka, K.N. verdenking, aantijging, beschuldiging [Ml. id.; ook vermoeden, raden; Skr. beredenering, hetwisting, enz.]. -narka of nêrka, verdenken, verdacht houden, aantijgen, verklagen, beschuldigen. panêrka, aanklager, beschuldiger; aantijging, beschuldiging.

turki : [Ar. Turki] , K.N. Turksch. wong turki, een Turk.

tarak : K.N. zich van alles anthouden.

tarik : K.N.; narik, trekken, halen; uittrekken, uithalen; iemand overhalen, bepraten [Ml. id.]; K.h. [ngurus, K.N.] uit de scheede trekken. -nariki, veel uithalen.

têrak : K.N.; nêrak, ergens tegen aanraken, aanloopen, aanstooten, treffen; overtreden, ongehoorzaam zijn. nêrak supata, N., -os, K., een valschen eed doen, meineedig worden. -panêrak, het plaats hebben van nêrak.

turuk : N. [pawadonan, K., badhong, K.h.] de vrouwelijke schaamdeelen.

taruka : Kw. gehucht.

trekah : z.v.a. tarekah.

tarekah : Kw. handelwijze, houding, gedrag; iegen vinding, verdichtsel [Ar. thariiqah] , weg; handelwijs]. -narekah, iets verzinnen; een list gebruiken.

têrkadhang : zie kadhang.

turuk bon : K.N. de kanker (een ziekte).

turida : Kw. droefheid; smart; hevig, vurig [=kasusahan en lêlungit].

trate : zie tarate.

tirta : Kw. water [=banyu, Skr. tîrtha]. tirta gama (loopend water) benaming van een wijze van boetedoening. -patirtan, een waterplaats, plaats waarin waarin zich water bevindt, waschplaats [=panggonan banyu].

turut : K.N. langs; het volgen [Ml. id.]. bangun turut, toegeven; gezeglijk, gedwee. -nurut, ergens langs heengaan, volgen, inwilligens, gehoorzamen [Sd. id.]. -tumurut, hetzelfde. -nuruti, iets of iemand volgen; navolgen; inwilligen; naschrijven. turutan, iets, waaraan men zich al voortgaande vasthoudt, om niet te vallen; les, voorschrift, model. -piturut, volgzaamheid, gehoorzaamheid. -miturut, volgen, gehoorzamen.

torèt : [Ar. Taurat] , de wet van Mozes, de Pentateuch.

tarate : of trate, naam van een slingerplant;

--- 260 ---

de waterlelie [Ml. id.]. -trateyan, benaming van een kind, wanneer het negen maanden oud is. tarateyan, naar die plant gelijken.

trotong : naam van een soort van kippen.

taritis : zie titis.

tarutus : K.N.; nêrutus, een spoor volgen. -tumarutus = anarutus.

trètès : zie tètès.

trotosan : K.N. het vloeijen van tranen, het droppelen van zweet, sterk zweeten [vrg. trocosan].

trêtip : K.N. geheel bedekt. onzigtbaar zijn.

tarêtêpan : K.N. een afdak achter aan een huis.

têrtamtu : zie tamtu.

tratag : K.N. een vlak dak, aan weerskanten en vóór aan de Pandåpå, van gevlochten bamboe of kadjang, of ook wel van kokosnootbladen, gemaakt [Ml, tratak] ].

tratab : zie tatab.

tras : of têras, Kw. =wêdi en kumêsar.

trus : of têrus, K.N. door, regtdoor, regtuit, door en door, regtreeks; geheel en al [=lêpas, Ml. id.]. -nrus, door heengaan [anrus = ambutul]. -nrusakên, ergens door heen dringen. -trusan, een regte doorgang. -panêrusan, doorgang, opening van het êêne einde tot het andere, een weg, die regt door loopt.

trasi : N., traos, K., ingelegde zeevisch, die, fijn gestooten met sambal, als toespijs bij de rijst gegeven wordt.

taros : zie tari.

têras : zie tras.

têrus : zie trus.

turas : K.h. [uyuh, N., sêne, K.] 1. pis, water; pissen, wateren. -2. [turun, N., têdhak, K.] nakomeling, afstammeling, kind. -nurasi, wateren, pissen; iemand bewateren, tegen iets pissen. -panuras, een donderbus.

turus : K.N. stekken planten.

trêsna : K.N. liefde, genegenheid; beminnen [Skr. trêsna, dorst; verlangen. Vrg. tisna]. -nrêsnani, iemand beminnen, liefhebben. ktraêsnan, bemind worden; liefde, toegenegenheid.

trisna : z.v.a. trêsna.

tursina : [Ar. Tursiina] , naam van het gebergte Sinai.

têrsôndha : K.N. een zigtbaar teeken, blijk, bewijs.

tirisan : K. [glugu, N.] kokosboom, klapperboom [tiris, Sd. koud; Ml. druppelen].

trisula : zie tri, II.

trustha : en tustha, Kw. 1. een opening, gat. 2. vreugde, blijdschap [=bungah, rêna en suka ing galih, Skr. toesta, vergenoegd, voldaan].

triwikrama : zie tiwikrama.

triwal : K.N. afvallen; verloren gaan.

trêwèlu : K.N. konijn.

taruwag : Kw. zich onder een grooten hoop verliezen; door zich onder een grooten hoop van menschen te mengen, onzigtbaar of onkenbaar worden, niet ontdekt worden.

trawang : K.N. [vrg. tawang]; nrawang, helder, doorschijnend, [doors...]

--- 261 ---

[...chijnend,] doorzigtig. -trawangan, een heldere lucht.

trap : ook wel êtrap, K.N. wijze, regel, orde, manier, van geregeld schikken, leggen, plaatsen, gebruiken, toepassen, doen, enz.; trant [van het grondwoord tap]. trap bata, N., trap banon, K., het metselen. -atrap, aan het geregeld of behoorlijk schijkken, leggen, plaatsen. enz., zijn. tukang atrap intên, diamantzetter. -nêrap of nrap, regelen, in orde brengen, geregeld schikken, leggen, enz. -ngêtrap of ook ngatrap, hetzelfde. ngêtrap bata, metselen. -katrap, geregeld; gevonnisd, strafbaar. -tumrap, gerangschikt; behoorlijk geplaatst; welstaan. -ngêtrapi, iemand of ergens iets opleggen, aandoen, opzetten; een straf opleggen. -ngêtrapake en nrapake, N., -kên, K., iets zamenstellen; iets aan iemand of ergens oplegleggen; iets ergens bezigen; een straf opleggen aan iemand; vonnissen, teregtstellen. -pangêtrap of panêrap, het plaats hebben van ngêtrap of nêrap. pangêtraping bata, N., -banon, K., metseling. -tatrap, zie beneden. -patrap, regeling, verordening; wijze, manier; manieren, gedrag; regterlijke uitspraak, vonnis. -matrap, regelen, rangschikken, naar evenredigheid bepalen. -matrapi, regelen; iemand een straf opleggen, beboeten, veroordeelen. -matrapake, N., -kên, K., een straf opleggen. -patrapan, opgelegde straf of boete. -pamatrap, het plaats hebben van matrap.

tarap : I. z.v.a. trap. II. K.N. in een lange rij geschaard.

tirêp : K.N. een donkere, betrokkene lucht, regenachtig weêr.

tropong : K.N. een weverspoel.

traju : N., traos, K., waag, balns, schaal, weegschaal [Sd. Ml. id.]. -nraju, N., nraos, K., wegen (met een schaal), opwegen; gelijk een weegschaal. -nrajoni, N., nraosi, K., iets met een schaal wegen.

tarajêg : Kw. standvastig.

trajang : têrajang of tarajang, K.N. aanvaal in een gevecht; overtreeding van een wet [Ml. id. Vrg. nrang]. -nrajang, op los gaan, aanvallen; door heen gaan, doordringen; overtreden. -nrajangi, op iemand aanvallen. -panrajang, aanval.

trêjung : K.N. een diepe vallei, waarin zoch vele puntige steenen bevinden.

tirêm : K.N. een oester [Sd. Ml. tiram, Id.].

trima : zie tarima.

tarima : of trima, N. of K.N., tarimah, K., tevredenheid, berusting; dank; ook tevreden zijn; danken [Sd. Ml. id.]. kurang tarima, N., kirang tarimah, K., ondankbaar. ora tarima, N., botên tarimah, K., tan trima, K.N., ontevreden, onvergenoegd. tarima kasih, dank voor een genotene gunst, dankerkentenis. tarimaku, mijn tevredenheid, mijn dank; ik bedank u. -narima en narimah, met welgevallen aannemen, te vreden zijn, genoegen in iets nemen, voldaan zijn; danken, bedanken; iemands bede verhooren. katrima of katarima, met welgevallen aangenomen; verhoord. -narimani, [-narima...]

--- 262 ---

[...ni,] iets ontvangen, in iets berusten [zic ook bij triman]. -panarima of panrima en panarimah of panrimah, tevredenheid; dank, dankbaarheid. -triman, zie beneden.

tarimah : zie narima.

triman : K.N. een meisje van aanzienlijke ouders aan een man van geringee afkomst ten huwelijk geven [van tarima]. -narimani, aan iemand van geringeren stand een meisje uithuwelijken [zie ook bij tarima].

tarumpah : K.N. onderlage; de dorpel van een huis; een soort van schoeisel, voetzolen of sandalen [Ml. terumpa] .

trampil : K.N. behendig; vlug van geest, schrander.

tarambul : en tarombol, K.N.; narambul en narombol, zich in gedrang begeven of onder een schare mengen, om ongemerkt ergens in te sluipen.

taramôngsa : Kw. verslinden.

têrèg : 1. K.N. het afvallen van de bladeren van een boom. 2. K.h. [karuron of kaluron, K.N.] ontijdige geboorte van een kind, miskraam.

trigu : Sd. Ml. tarwe.

taragnyan : Kw. landplaag, algemeene verwoesting.

tarab : : K. de maandstonden van een vrouw [=gêtih saking pawadonan]. nglampahi tarab, de maandstonden hebben.

tarub : K.N. tent, loods, hut.

tarbuka : Kw. verklaring, uitlegging, opheldering [Het wordt verklaard door ambukak, Ml. geopend, bloot, ontbloot, van [buka] ; zie buka]. -narbuka, K.N. uitleggen, verklaren; van een ramp bevrijden. -narbukani, van iets een verklaring of uitlegging geven. -panarbuka, uitlegging, b.v. van een droom.

têrbis : Kw. een diepe vallei [=jurang en èrèng-èrèng].

trubus : K.N. 1. loot, scheut, telg, twijg; uitschieten. 2. de uitkomst of vervulling van een voorspelling.

têrbang : K.N. handtrommel, rinkelbom, een soort van trom, die met de vlakke hand geslagen wordt [Sd. id.].

trang : zie têrang.

tarung : I. N., tanglêd, K., zamentreffen, op elkander stooten; vechten (eig. van hanen), strijden; krijg, wederstand. -narungi, N., nanglêdi, K., bevechten; krijg voeren; wederstand bieden, zich verzetten, weêrstaan. -tanglêdan of têtanglêdan, met een ander of met elkander strijden; strijd. II. K.N. naam van een bekend schrijfteeken. -tarungan, hetzelfde.

têrang : of trang, K.N. helder, klaar, duidelijk; helder, droog weêr zijn; het ophoudend van regen; voorkennis, voorweten, medeweten [Ml. id.]. trang dalêm, met voorkennis van den vorst; zoodat de vorst er kennis van draagt. -nêrang, opheldering, inlichting vragen. -nêrangi, verhelderen, inlichten, ophelderen. -nêrangake, N. -kên, K., helder, duidelijk maken; bewijzen; een zaak door een Hoofd laten bekrachtigen, zoodat het blijkt, dat zij met

--- 263 ---

voorweten van het Hoofd geschiedt. -tarêngan of trangan, helder weêr, droogte.

têrung : K.N. ingelegde zeevisch.

terong : een soort van meloen.

torong : K.N. trechter. -norong, tot een trechter maken; bij een trechter vergelijken.

turanggi : z.v.a. turôngga [=jaran, Skr. toranggî, een ruiter].

turôngga : Kw. paard [=jaran, Skr. toerangga]. -katuranggan, K.N. de teekens van een paard.

tranggana : (zamengesteld uit trang, en gana) Kw. Ster, sterren [=lintang].

trêngganu : naam van een eiland in de nabijheid van Malakka.

taranggana : z.v.a. tranggana.

tranggal : K.N.; nranggal, een vijand in de flanken vallen; groote verwarring te weeg brengen. katranggal, N., geraakt, getroffen.

tranggulun : een soort van boomen, die aan den oever van een rivier groeijen.

tranggalèk : naam van een distrikt.

tak : zie dak.

tuk : of êtuk, K.N. bron, wel; oorsprong van een rivier.

taka : verkorting van antaka [=pati].

taki : zie tèki.

têka : N. [dhatêng, K., rawuh, K.h.] komen; komst; aankomen; aankomst; tot aan, tot aan toe, tot op; [ook saka, N., saking, K.] van, van daan; in vergelijkingen dan; ook K.N. een tusschenwerpsel van verwondering over iets, dat men ziet gebeuren, en dat men meestal door zie! kan vertalen. ora nana têka-têka, er komt voltrekt niemand. têka ing dina iki, tot op dezen dag. têka ngêndi, van waar? waar van daan? nêka, gew. nênêka, ergens als vreemdeling aankomen of zich met der woon vestigen. wong nêka, gew. wong nênêka, N., tiyang nênêka, K., een aankomeling, nieuweling, vreemdeling. -nêkani, tot iemand komen; iemand overkomen; doen komen, ontbieden. -nêkakake, doen of laten komen, doen verschijnen, ontbieden; zenden. -tumêka, komende; aan. -têkan, bereiken; tot aan, naar.

têki : een soort van lang gras, dat tot medicijn dient.

tika : Kw. I. wijze, manier, houding, gedrag. têtika, hetzelfde; en een houding toonen; K.N. oorzaak, aanleiding. II. die, welke, dewelke [=ingkang, Vrg.tekang].

tike : I. een soort van gras, dat gegeten wordt. II. N. [of K.N.] toebereide opium [Ml. een ballatje toebereide opium, dat aangestoken met één haal door een pijp gerookt wordt].

tuku : en nuku, N. [tumbas en numbas, K.] koopen. -nukoni, van iemand iets koopen; een meisje voor een som gelds van haar ouders ten huwelijk vragen. -nukokake, voor iemand iets koopen. -tukon, hetgeen men koopt, koopgoederen; ook de som, die gegeven wordt aan de ouders van een meisje, dat ten huwelijk gevraagd wordt. wong tukon of batur tukon, een gekocht

--- 264 ---

mensch, slaaf. -patuku, panuku, en patukon, koopprijs; patukon, ook de som, die betaald wordt voor een meisje, dat ten huwelijk gevraagd wordt.

tèki : en taki, Kw. I. boete doen [tèki = tapa]. wong tèki, een kluizenaar. mangun tèki, het leven van een kluizenaar leiden, kluizenaar worden. -taki-taki, een kluizenaarsleven leiden, zich onthouden, boete doen. -taki-takiyan = patapan. -nèki, zie boven. II. deze, dit.

takèn : zie takon.

takon : of têtakon, N., takèn of têtakèn, K., vragen, ondervragen, naar iets vernemen. nakoni, N., nakèni, K., aan iemand iets vragen, iemand ondervragen; iets bevragen, onderzoeken. tinakonan, N., tinakenan, K., ondervraagd worden of zijn. -nakokake, N., nakèkakên, K., naar iets of iemand vragen; laten vragen. -patakon of pitakon, N., patakèn of pitakèn, K., vraag; vragen. -mitakèni, K. z.v.a. nakoni. -patakonan of pitakonan, N., pitakenan, K., vraag; vraagbaak, iemand die gevraagd wordt.

têkên : K.N. [jungkat, K.h.] staaf, wandelstok. -têkênan, iets als wandelstok gebruiken; met een wandelstok gaan.

têkon : K.N. houding, gedrag; inborst, geaardheid.

tukon : zie tuku.

takêr : K.N. het meten, meting; maat [Ml. id.; Sd. takaran, maat om te meten]. takêr turun, N., takêr têdhak, K., benaming van een belasting, in bouwstoffen bestaande, die buiten de, gewone pacht aan den vorst of de hoofden wordt opgebracht. nakêr, meten. tinakêr warêg, volop gemeten. -têtakêran, maat. -panakêran, een maat.

takir : K.N. een blad, waarop, in plaats van een bord, eten gedaan wordt.

tukar : K.N. gevecht, krakeel, twist [Sd. Ml. wisselen, verwisselen, ruilen]. -nukari, vechten, krakeelen, twisten. -têtukaran, met een ander of met elkander vechten, twisten.

têkak : naam van een onheilspellenden vogel.

têkèk : K.N. een soort van groote hagedis, Jeko genaamd, naar het geluid, dat zij doet hooren.

tekad : K.N. besluit, vast voornemen, onderneming, begeerte, verlangen [waarschijnlijk het [Ar. ittikhaadz] ,onderneming]. -nekad, wagen, ondernemen; bij eitsstellig ten uitvour brengen, vast bij een vornemen blijven.

tokid : z.v.a tekad. [waarschijnlijk het [Ar taukiid] ,tversterking, bevestiging, bekrachtiging].

takdir : [Ar. taqdiir] , K.N. raadsbesluit van God, voorbeschikking, noodlot, lot.

tikta : Kw. bitter [=pait en ampêru, Skr. tikta].

takat : K.N. op nieuw op krachten gekomen, gesterkt zijn [misschien het Ar. takkad] , zich versterken, [ver...]

--- 265 ---

[...sterken,] versterkt worden]. -nakatake, N., -kên, K., zich inspannen, op nieuw krachten verzamelen.

takut : Kw. vrees; vreezen [=wêdi en ajrih, Ml. id.].

tiktak : K.N. een klein stuk kanon.

têksa : Kw.; nêksa, dwingen, noodzaken [vrg. pêksa]. -patêksa, zie beneden.

têkês : I. K.N. een pruik. II. Kw. water in den mond nemen.

tikus : K.N. rat, muis [Ml. id.].

taksih : of têksih, zie isih.

tiksna : Kw. scherp, snedig; een duidelijke, luide stem [=landhêp of lêlandhêp, ook = panas en ngati-ati, Skr. tîxna, heet, scherp, snijdend, scherpzinnig, enz.]. -sutiksna, zie beneden.

taksir : Holl. takxering [Sd. taksiran, meening, waan; meenen, onderstellen]. -naksir, K.N. begrooten, schatten, waarderen. -panaksir, schatting, waardering.

têksaka : Kw. een groote slang, slangen in 't algemeen [ula of sawêr, Skr. taxaka, een van de voornaamste draken of slangen in de Påtâla of het onderaardsch verblijf der draken en slangen].

takwa : K.N. kamizool, een korte buis met knoopen aan den kraag, een dagelijksch kleedingstuk der Javaansche mannen en vrouwen.

tekawêrdi : eign. van een schrijver van zedelessen.

tikêl : K.N. knak; knakken, breken, gebroken, gebogen, gevouwen; -voudig. langkapipun tikêl, zijn boog knakte, brak. tikêl têlu, N., tikêl tiga, K., drievoudig. tikêl alis, de wenkbraauwen vouwen, buigen, fronsen. tikêl uwosên, de kramp in de beenen hebben. atikêl warti, een tijding verdubbelen; iemand, die iets verhaalt, in de rede vallen. -nikêl, knakken, een knak in iets maken, breken, buigen; vouwen; verdubbelen; herhalen. nikêl warti, z.v.a. atikêl warti, katikêl, verdubbeld, gevouwen, dubbeld. katikêl kalih, twee-dubbeld. -nikêli, verdubbelen; zich aansluiten, vereenigen. -nikêlake, N., -kên, K., verdubbelen; iets krom maken, dat regt is; niet overeenkomstig hetgeen regt is, handelen. -panikêl, verdubbeling. -tikêlan, iets dat gevouwen, verdubbeld is; het dubbelde. -pratikêl, zie beneden.

tukêl : K.N. streng [Sd. Ml. tukal]. satukêl, een streng of kluwen garen; b.v. lawe satukêl. -tukêlan, een streng of kluwen garen.

takluk : [Ar. ta'alluq] , onderwerping, zich onderwerpen; onderworpen; onderdanig zijn [Ml. id.]. -naklukake, N., -kên, K., in onderwerping brengen, aan zich onderwerpen. -Gewoonlijk zegt en schrijft men têluk. nêlukake, enz.: zie beneden.

taklim : [Ar. ta'zhim] , K.N. eerbewijzing, betuiging van hoogachting, eerbied, hulde; eerbiedige groete [Ml. id.].

têkap : Kw. bereikt; tot, aan [=dumugi, têka en dene of dening].

--- 266 ---

tukup : I. K.N. bedekken, met de hand het gezigt of den mond bedekken, de hand op den mond leggen. atukup karna, de ooren digt stoppen. II. K.N.; nukup, onverhoeds aanvallen; den vijand overvallen, overrompelen.

takjir : [Ar. ta'ziir] , kastijding, straf, zoo als geeseling, die niet bij de wet bepaald is, maar naar omstandigheden opgelegd wordt [vrg. takjir]. -nakjir, kastijden, geeselen.

takyin : Ar. waarheid, zekerheid; waar, zeker [Ar. ta'yiin] , voor-oogen-stelling, bepaalde aanwijzing en duidelijke uiteenzetting van een zaak]. -nakyinake, N., -kên, K., zich van iets overtuigen, verzekeren.

têkêm : K.N. een gebalde hand, vuist; vastberedebheid, een vast hesluit. -nêkêm, iets in of met de vuist vatten, omvatten, vasthouden; heerschen, regeren. nêkêm sirah, de handen op het hoofd leggen (een betooning van diepen eerbied).

takbir : [Ar. takbiir] , verheerlijng van God, door uit te roepen: [Allahu Akbar] , God is Groot!

têkabur : [Ar. takabur] , zelfsverheffing, verwaandheid, vermetelheid.

têkung : K.N. de buiging van den arm bij het maken van een Sêmbah. -nêkung, zie boven. -têkungan, b.v. tangan tatêkungan, gebogene armen.

têkèng : in poëzie voor têka ing.

tikung : K.N. de bogt of kromte van een rivier. -tikungan, bogten, krommingen.

tukang : I. K.N. ambachtsman, baas [Sd. Ml. id.]. tukang wêsi, smid, smidsbaas. tukang kayu, timmerman, timmermansbaas. tukang tênung, een toovenaar, toovenares. -nukangi, een ambacht uitoefenen, een werk bestieren. II. K.N. een roode aap.

tekang : Kw. doe, welke, dewelke; dat, wat [=ingkang, vrg. tika, II.].

tekong : K.N. een gebogene, kromme staart.

têdah : zie tuduh.

tuduh : N., têdah, K., aanwijzing, teregtwijzing; last, bevel [Ml. aantijging, beschuldiging]. -nuduh, N., nêdah, K., aanwijzen, aanduiden, toonen; gelasten, bevelen [=akon, matah, en utus]. -nuduhake, N., nêdahakên, K., iets aanwijzen, wijzen, aantoonen, aanduiden. nuduhake dalan, den weg wijzen. -panuduh, K.N. de aanwijzer; de voorste vinger, wijsvinger. -pituduh, N., pitêdah, K., aanwijzing, teregwijzing, uitwijzing. -mituduh, N., mitêdah, K., aanwijzen, te kennen geven.

tuding : K.N. met den vinger wijzen; wijzer, uurwijzer; wijsvinger [=anuduhake]. -nuding, met den vinger iets wijzen of iemand aanwijzen; uitkippen; zenden [=akon en kongkon]. -nudingi, met den vinger naar iets of iemand wijzen; iemand een boodschap opdragen; iemand met den vinger dreigen. nudingi angucap, sprekende iemand met den vinger dreigen. -nudingake, N., -kên, K., met iets naar iets wijzen.

tut : zie bij anut. -ook grondvorm van atut, nunut, tutut, tumut, en

--- 267 ---

patut. -ngêtutake, N., -kên, K., iemand achterna gaan, zijn schreden volgen.

tata : K.N. orde, regel, regeling, schikking, manier; mode, zeden, gedrag; heusch; als Sêngkålå zeven. ora tata, N., botên tata, K., ongeregeld, onregelmatig. ora wêruh tata, N., botên uninga tata, K., geen manieren verstaan, onbeleefd, onbescheiden, onordentelijk zijn. tata krama, beleefde ordentelijkheid; wellevend, beschaafd. satata, de geheele orde, allen; behoorlijk, betamelijk. tata ruga, een gehucht aanleggen. layang undhang tata wara, een bevelschrijft van den Soesoehoenan, houdende bepalingen omtrent het opsporen en opvatten. pisaid tata, een aangifte, die in orde is, d.i. de aangifte van eenig geleden verlies, zoo als door diefstal of roof, waarbij de geheele toedragt der zaak, de soort der ontvreemde goederen, als ook de namen der dieven of roovers opgegeven worden. layang pisaid tata, N., sêrat pisaid tata, K., het bewijs van zulk een aangifte, door den regtbank verleend. -nata, regelen, schikken, rangschikken, beschikken, in orde brengen; sorteren. nata baris, troepen regelen, in slagorde stellen. -panata, regeling, schikking; regelaar. panata gama, regelaar van de godsdienst, een der titels van den Soesoehoenan van Soerakarta. -pranata, regeling, schikking; eerbied, hulde [=manêmbah]. apranata, beleefd zijn, eerbied hebben, huldigen. atur pranata, eerbied betoonen. -mranata, regelen, in orde brengen. -pranatan, regeling, schikking, bepaling. pranatan seje, een andere schikking.

tati : Kw. zoet, lieflijk, aangenaam.

tatu : K.N. gewond; wond, kwetsuur. -natoni, wonden, kwetsen, verwonden. kataton, gewond.

tate : zie tau.

tita : K.N. teleurgesteld, vruchteloos, vergeefsch; ten einde toe, geheel en al; tot op den laatsten man.

titi : I. K.N. naauwkeurig, juist, waar, wezenlijk, opregt; achtgeving, opmerking [=pariksa, ngati-atine rumêksa, en yêkti]. titi pariksa, naauwkeurig onderzoek. titi môngsa, tijdsbepaling, tijdrekening, dagteekening [zie bij titi, III.]. -niti, iets met juistheid, naauwkeurigheid varrigten [Een ander niti, zie boven]. aniti-titi, opheldering vragen, naauwkeurig onderzoeken. niti pariksa, naauwkeurig onderzoeken. nitèni, bewerkstelligen, verwezenlijken; iets naauwkeurig, met aandacht beschouwen, gadeslaan, opletten, opmerken, waarnemen. -niti mangsani, dagteekenen. -katitèn, en gew. katiti mangsan, gedagteekend, gedateerd. II. Kw. het einde; ten einde [=êntèk]. III. Kw. last, bevel [Waarschijnlijk berusten deze en de bij II. opgegevene beteekenissen op loutere gissing naar de beteekenis van het woord titi, zoo als dit aan het slot van bevelschrijften en andere brieven, vóór de dagteekening, dikwijls gebruikt wordt; doch het is naauwelijks te betwijfelen, of dit is het Skr. tithi, een dag van een

--- 268 ---

maan-maand; zoodat het achter brieven zoo veel als datum beteekent. Dezelfde beteekenis heeft het dan ook in titi môngsa, en dat het enkele titi in het Javaansch dezelfde beteekenis gehad heeft, blijkt ook daaruit, dat men behalven katitimangsan, in denzelfden zin ook katitèn, zegt].

tutu : Kw. Gezegde, gesprek [=ujar]. -nutu, zie boven.

tatah : I. N. [ook pasah, N., kêthik, K.] de tanden vijlen. II. K.N. beitel [Sd. id.; Ml. inbeitelen; ook inleggen met goud, zilver, enz.]. -natah en natahi, met een beitel werken, beitelen. -kinatah, gebeiteld. kêris kinatah, een kris, waarvan het lemmer met bloem- of loofwerk uitgebeiteld en met goud aangevuld is [Ml. keris bertatahkan] . -panatah, iemand die Wajangpopen maakt.

têtah : zie tutuh.

têtoh : zie toh.

titah : K.N. werk, gewrocht, schepsel, kreatuur [=gawe en dadi]. titahing Allah, een schepsel van God. -nitah, voorbrengen, formeren, scheppen. -nitahake, N., -kên, K., iets daarstellen, doen ontstaan, voortbrengen, scheppen. -tumitah, schepsel, het geschapene.

titih : I. K.N. overwinning. -nitih, de bovenhand hebben, overwinnen; K.h. [nunggang, N., numpak, K.] ergens op zitten of rijden, zoo als op een paard, op een wagen, in een graagstoel, enz. -nitihi, berijden. -titihan, rijtuig, rijpaard, enz. II. z.v.a. tètèh zie tèh [=cêtha].

tutuh : I. N.; nutuh, N., nêtah, K., snoeijen, een boom besnoeijen [Sd. id.]; wijten, iemand verwijtingen doen, verwijten. -nutuhi, snoeijen. -panutuh, verwijting. II. K.N.; nutuh, tegen iets stuiten. katutuh, gestuit worden [zie ook katutuh, beneden]. III. K.N.; nutuh, toenemen, vermeerderen. katutuh, vermeerderd.

tètèh : zie tèh.

totohan : zie toh.

têtanèn : zie tani.

tuton : K.N. een soort van gras, dat tusschen de rijst groeit.

tatur : Kw. oud goud, edel goud.

têtêr : K.N. naam van een plant, die tot medicijn dient. -nêtêr, een voorstel of vraag gedurig herhalen, sterk op iets aandringen.

titir : K.N. in een rijsblok slaan, bij diefstal, rooverij, moord, brand enz. [ook = asring-asring en tan pêgat]. -nitir, herhaaldelijk iets verrigten, iets dikwijls doen. -nitiri, om iets in het rijstblok slaan.

tutur : I. N. [sanjang, K.] gezegde, verhaal. nutur, zeggen, spreken; vertellen, verhalen [De grondvorm is tur]. -tumutur, zeggen, spreken [=umarah]. -nuturi, iemand iets zeggen, verhalen; aanspreken. -nuturake, iets aan iemand zeggen, een verhaal van iets doen. -pitutur, K.N. wat men iemand zegt, onderrigting, onderwijs, vermaning; onderrigten. -mituturi, iemand iets zeggen, onderrigten, onderwijzen, vermanen.

--- 269 ---

II. naam van een soort van kleine bijen; ook naam van een bloem.

tètèr : K.N. echt, zuiver, onvervalscht.

totor : K.N. een vuúr, waaraan men zich warmt, of waarop iets gekookt wordt. -notor, een vuur maken, aanleggen.

tatrap : K.N. z.v.a. êtrap, atrap, en patrap, regeling, schikking; wijze, mannier; enz. [=pratingkah van trap]. -natrap, juwelen zetten. -natrapi, regelen, in orde schikken; teregtstellen; een vonnis slaan; straffen. tatrapan, vonnis, straf. kenginging tatrapan, een straf ondergaan.

têtak : N. [sunat, K.] besnijdenis [Ml. houwen, hakken]. -nêtaki, besnijden; een besnijdenis feest vieren.

têtêk : K.N.; nêtêk, steken. têtêk-tinêtêk, elkander stekken, zich wederzijds steken.

titik : K.N. teeken, bewijs. golèk titik, bewijs zoeken, nasporing doen, opsporen. -nitik, een teeken of bewijs opleveren; een bewijs zoeken, opsporen; onderzoeken, iets opsporen, nasporen. -panitik, opsporing. -têlitik, zie beneden.

tutuk : K. [cangkêm, N.] mond; K.N. iemand doen lagchen.

têtuka : eign. van Gatoetkåtjå in zijn jeugd.

tatkala : K.N. toen, tijdens, ten tijde dat, wanneer, terwijl [=ari kala, Ml. id.; Skr. tatkâla; van kâla (kala) tijd, en het aanwijzend voornaamwoord tat, dat]. -natkala, hetzelfde.

tutut : K.N. volgzaam, mak, tam, handelbaar [van tut]. -nênutut, of ook nutut, temmen, betemmen, mak maken. -panutut, het temmen, dresseren. -nututi, iemand overal volgen, achternagaan; achtervolgen, vervolgen. katututan, achterhaald worden. -tututan, vervolging.

tatas : K.N. doorgesneden, doorgebroken, doorstoken; geëindigd, gedaan, vast besloten [=pêdhot en wuwus, Ml. id. Vrg. têtês]. tatas rahina, N., -rahintên, K., het doorbreken, aanbreken, van den dag. tatas wetan = gagat wetan. -natas, doorsnijden, doorbreken; iets geheel volbrengen. -natasi, veel doorsnijden.

têtês : K.N. kwetsbaar; gekwetst, gesneden, gewond; de besnijdenis van een meisje [=têdhas. Vrg. tatas]. -nêtês, broeijen, eijeren uitbroeijen; een belofte volvoeren.

titis : I. z.v.a tètès [zie ook tis]. -taritis, druipen, afdruppelen; een afdak. parang taritis, een druipende rots, druipsteen. -naritis, zich onder den drup, aan den rand van een afdak bevinden. -taritisan, dakdruiping. II. K.N. waar, juist, regt [=nyata]. -patitis, regt, waar, juist; regtvaardig, onpartijdig; waarheid. rèh patitis, een regtvaardige regering. -matitis, regt, voor de vuist spreken, opregt handelen. III. Kw. de overgang der ziel in den ander lichaam, zielsverhuizing, incarnatie. -nitis, hetzelfde [=tiyang pêjah nyawanipun tumèmpèl [tu...]

--- 270 ---

[...mèmpèl] ing tiyang malih]. -tumitis, in een lichaam verhuisd, gehuisvest zijn, van een ziel of godheid. -nitisake, N., -kên, K., doen verhuizen, van een ziel in een lichaam.

tètès : K.N. drop, droppel; stroop van suiker; geheel overeenkomen, volkomen overeenstemmen. -tumètès, druipen, afdruipen, afdruppelen, biggelen, zijpen. -nètèsi, bedruppelen, op iets druppelen, druipen, zijpelen, lekken; iets duidelijk maken, doen uitlekken, ophelderen. -trètès, het druppelen van water; een ingezetten steen. -nrètès, met juwelen bezetten.

titisari : eign. der jongste dochter van Krêsnå.

totowan : z.v.a. totohan, zie toh.

tut wingking : K. achternavolgen: zie bij anut.

tatal : K.N. 1. spaander [Sd. Ml. id.]. -2. gebruik, gewoonte, voorbeeld.

têtêl : K.N. vast ingedrukt, gepropt vol; digt aan elkander; veel, in menigte [Ml. digt, stevig, digt en stijf, zooals lijnwaad]. -nêtêl, indrukken, inpersen; inprenten; verzekeren; een zaak bevestigen.

tutul : K.N. stip, stippel, spikkel; gevlekt, bont [Sd. id.]. tutul-tutul, gespikkeld, geheel en al bont. macan tutul, N., sima tutul, K., een gevlektetijger, tijgerkat, panter. -nutul, stippeltjes maken, stippelen. -nutulake, N., -kên, K., vlekken op iets maken.

totol : K.N. dagvaarding. layang totol, een van wegen of met voorkennis van de regering gegeven bevelschrijft tot inhechtenisneming. -notol, tegen iets aankloppen; ook z.v.a. nêtêl.

têtêp : K.N. vast, zeker, besloten, bevestigd; standvastig; vastheid, zekerheid; vast, zeker zijn, vast staan [Sd. Ml. id. De grondvorm is têp. vrg. antêp]. -nêtêpi, in stand houden, bekrachtigen; gestand doen, nakomen, vervullen, bevestigen; onderhouden; een ambt waarnemen. nêtêpi jangji, een belofte houden. -nêtêpake, N., -kên, K., in stand doen blijven, doen onderhouden; bevestigen, bekrachtigen; vast zetten, aandrukken. nêtêpake manèh, N., nêtêpakên malih, iemand in zijn vorigen rang herstellen.

titip : K.N. I. digt naast of achter elkander, aaneengesloten [=tanpa sêla]. II. in bewaring geven, toevertrouwen. -nitipi, iemand iets in bewaring geven, toevertrouwen. -nitipake, N., -kên, K., iets in bewaring geven aan iemand. -titipan, hetgeen men aan iemand in bewaring geeft, een toevertrouwd goed.

tutup : K.N. deksel; stop, kurk [Ml. id.]. -nutup, digt maken; verzegelen. -nutupi, dekken, bedekken, toedoen, sluiten. -nutupake, N., -kên, K., met iets bedekken of digtmaken. -panutup, iemand die sluit, sluiter; slot, einde; de laatste.

tatya : Kw. z.v.a. tate.

tatag : K.N. onverschrokken, onversaagd, moedig, dapper; standvastig.

--- 271 ---

têtêg : I. z.v.a. tatag. II. K.N. een groote Gong; het geluid van een groote Gong; het slaan op de Bêdoeg op den 10den van de maand Bêsar, des morgens om half acht, ten teeken dat de vasten geëindigd zijn. -nêtêg, op de groote Gong slaan. -nêtêgi, door het slaan op een groote Gong een teeken geven [zie ook nêtêgi, boven].

titig : K.N. herstel van een ziekte, beterschap.

tutug : N. [dumugi, K.] bereikt; tot, aan; [lajêngipun, K.] vervolg. -nutug, bereiken. -nutugake, tot stand brengen, voltooijen; vervolgen, voortzetten.

totog : zie tog.

tatab : K.N. [=tabuh, De grondvorm is tab]. natab, kloppen, slaan, uitkloppen; op een instrument kloppen, spelen. -natabi, herhaaldelijk op iets kloppen; iets naauwkeurig uitvorschen, onderzoeken, huisonderzoek doen. -taratab, de klopping van het hart, van groote vrees. -nratab, en nratabi, het hart doen kloppen; bevreesd, beangst maken. -tarataban, hartklopping, iets dat het hart kloppen doet. wana tarataban, een met vlakten doorsneden wond.

tutburi : N. achternavolgen: zie bij anut.

tas : verkorting van mêntas.

tês : verkorting van watês.

tis : I. verkorting van titis. II. z.v.a. atis [=asrêp en gumêtêr] zie boven. -paninisan, K.N. een plaats ter verkoeling, schuilplaats tegen de hitte van den dag.

tus : Kw. bron, wel; oorsprong, afkomst; afstammeling, kroost [=wijil, trah, en têdhaking wong luhur]; ook zuiver, onvermengd, onvervalscht [vrg. êtus]. -tusan, K.N. afgeleid, van zijn oorsprong ontleend, ontnomen; nakomeling. banyu tusan, N., toya tusan, K., water, dat door een dam heendringt; water, dat van een rijstveld op een ander afloopt door een in de bedijking gemaakte opening of doorsnijding van een dam. Zoo ook banyu tus-tusan.

tos : zie atos. -tosan 1. K.N. iets, dat hard is, een hard voorwerp. -2. K. [wêsi, N.] ijzer. -3. [balung, N.] been, beenderen.

tasih : z.v.a.taksih.

tisna : Kw. liefde, genegenheid [=asih of asih tan winangênan, vrg. trêsna]. -nisnani, beminnen, liefhebben.

tisnawati : eign. van een Widå-dari.

tasik : I. Kw. de zee, oceaan; Tj. Sengk. vier [=banyu, Ml. een meer, binnenlandsche zee]. II. K. [pupur, N., wêdhak, K.N. blanketsel, zmeersel voor het aangezigt, van rijstmeel gemaakt. tasik wulan, eign. van een vrouw.

tasdik : [Ar. tashdiiq] , waarmaking, bevestiging der waarheid, erkenning, goedkeuring, toestemming.

tistis : zie atis.

tusan : zie tus.

tosan : zie tos.

têsmak : K.N. een bril. kumêdhèp têsmak,

--- 272 ---

briloogen, onafgebroken naar iets zien, aanstaren.

têsbèh : K.N. rozenkrans [Sd. Ml. Id.; Ar. tasbiih].

tustha : zie trustha.

tawa : I. N., tawi, K., smakeloos; zoet, van water; onscahdelijk, schadeloos [=kang ora mlarati, Ml. tawar] ]. banyu tawa, zoet, drinkbaar water, in tegenoverstelling van ziltig of troebel water. II. N., tawi, K., uitventen, te koop aanbieden of uitroepen; vraag voor de waar, die men iemand te koop aanbiedt [vrg. Sd. Ml. tawar, bieden, dingen, afdingen]. -nawani, N., nawèni, K., iemand iets te koop aanbieden. -nawakake, N., nawèkakên, K., iets uitventen, iets te koop aanbieden aan iemand; ook iets voorhouden aan iemand. III. Kw. tegengift [vrg. tawar]. -nawa, een tegengift gebruiken; de kracht of werking van iets verminderen. -panawa, K.N. of N., panawi, K., tegengift, middel tot verdrijving van een vergift.

tawi : zie tawa.

tuwa : N. [sêpuh, K.] oud, bejaard, ouderdom [Ml. id.]. wong tuwa, een bejaard mensch; ook van de ouders, vader of moeder. wong tuwa-tuwa, oude lieden, ouders. wong tuwa rawa, iemand die in de rawa's oud geworden is. mara tuwa, schoonvader of schoonmoeder; schoonouders. tuwa buru, een jager [=tukang mêndhêt pêksi]. mas tuwa, fijn goud. abang tuwa, karmozijn. nuwakake, oud maken; van het goud, fijn maken, van beter allooi maken; het voorkomen van oud geven. -kamituwa en pinituwa, zie beneden kamituwa.

tuwi : K. [tilik, N.] bezoek; bezoeken. -nuwi, bezoeken, bij iemand een bezoek afleggen. -nuwèni, iemand van tijd tot tijd bezoeken.

tuwah : zie tuwuh.

tuwuh : N., tuwah, K., opschieten, uitschieten, wassen, groeijen; K.N. alles wat groeit, leeft en bestaat; het leven; een schepsel, kind [=timbul, thukul, en urip of gêsang]. duwe tuwuh, kinderen hebben. tanêm tuwuh, zie tanêm, tuwuh watu, een soort van grijs linnen, aan beide einden met wit of lichtblaauw omboord. -tumuwuh, wat groeit, leeft en bestaat. -nuwuhi, groeijen, wassen; voortbrengen. katuwuhan, een begroeide plaats. -nuwuhake, voortplanten, uitbreiden. -tuwuhan, of têtuwuhan, planten, gewassen; onkruid.

tawan : Kw. 1. aanbieding, aanbood; 2. een gevangene in den oorlog, krijgsgevangene [=boyongan, Ml. id.]. atawan tangis, tranen aanbieden, d.i. iemand door tranen trachten te bewegen. atawan-tawan tangis, zeer weenen. -nawan, brengen; aanbieden; gevangen nemen. anawan ôngga, zich zelf aanbieden. -katawan, aangeboden; gevangen genomen = binoyong].. -nawani, iemand iets aanbieden.

tawon : K.N. bij, honingbij. -tawon kêmit, een soort van lange bijen. tawon êndhas

--- 273 ---

of tawon dhas, zie êndhas, tawon boni, festoen. -tumawon of têmawon, als een bij, gelijk bijen, gelijk een zwerm bijen; van de markt de tijd van den dag, dat de markt het drukst bezocht is, zoodat er een gegons is als van een zwerm bijen, d.i. omstreeks elf uur vóór den middag.

tuwan : K.N. heer, mijnheer [Het schijnt eigenlijk Maleisch te zijn, en wordt voornamelijk van Europeanen en van de Godheid gebruikt. Het is afgeleid van tuwa, oud, zoodat het volkomen overeenkomt met het [Ar.Syaikh] en het Europsche senior, seigneur]. Het wordt ook gebruikt als eerbiedig voornaamwoord van den tweeden persoon; gij, u; uw.

tuwin : K.N. of, en, benevens. -pra tuwin, hetzelfde.

tawar : K.N. zonder gevaar vergift gebruiken [=tawa, Ml. tawar] , een tegengift, waardoor een vergift onschadelijk gemaakt wordt. Vrg. tawa, I. en III.]. -nawar, van vergiftiging of de heete koorts genezen. -panawar, z.v.a. panawa, tegengift.

tawur : I. K.N. uitgestrooid, verstrooid, verspreid [Ml. tebar] ]. -nawur, strooijen, zaaijen, verspreiden. katawur, mistellen, misrekenen, verkeerd. -nawurake, N., -kên, K., iets uitstrooijen, verspreiden, algemeen maken. II. tawur of têtawur, Kw. offeren, een mensch offeren vóór het aangaan van een oorlog of slag [=bantên of bêbantên en minôngka srananing paprangan]. -patawur, K.N. een slagtoffer.

tuwêg : K.N. het doorsteken of krissen; swaard, sabel [Sd. têwêk, prik, steek; steek; steken, doorsteken, doorstooten]. tuwêk raga, zelfmoord. -nuwêk, doorsteken, doorstooten, krissen. -tumuwêk, zich zelf met een wapen doorsteken.

tuwuk : K. [warêg, N.] zad; verzadigd zijn, volop gegeten hebben. -nuwuki, verzadigen, volop te eten geven. nuwuki kayun, geheel aan het verlangen voldoen.

towok : K.N. een werpspies of korte lans. -nowok, een Tòwok gebruiken, daarmeê werpen. -nowoki, met de Tòwok naar iemand steken of werpen. -atêtowokan, van Tòwoks voorzien zijn.

tiwikrama : of triwikrama, Kw. een ontzag verwekkende gedaante [=amêdalakên kasêktèn, Skr. Triwikrama, een naam van Wisnoe, van Wikrama, magt, overmagt, heldenmagt, en tri, drie]. atiwikrama, een ontzag verwekkende gedaante aannemen. katiwikrama, in een ontzag verwekkende gedaante veranderd.

tawêkal : [Ar. tawakkal] , zich vertrouwen, zich verlaten.

tuwakup : zich blindelings overgeven, geheel onderwerpen [Ar. tawaqquf] , stilstaan; zwijgen].

tawas : K.N. aluin [Ml. id.; Sd. têwas].

tiwas : K.N. ongelukkig; onheil, ongeluk, tegenspoed, plaag [Sd. Ml. schade of verlies lijden; verliezen, overwonnen, overweldigd worden]. -niwasi, ongelukkig maken, een ongeluk berokkenen, schaden; ongelukkig makend, ongeluk veroorzakend, schadelijk, gevaarlijk. katiwasan, een ongeluk lijden, door een ongeluk

--- 274 ---

getroffen, ongelukkig, verongelukt; ramp, tegenspoed.

tuwas : K.N. verkregen, ontvangen; voordeel, winst. -nuwasi, beloonen, begunstigen; een voordeel verkrijgen. -patuwas of pituwas, belooning, vergelding.

tuwawa : Kw. weêrstand bieden.

tawap : [Ar. thawwaf] , iemand die rondgaat, rondreist; rondgaan, te koop rondbrengen, bandeldrijven. wong tawas, een koopman.

tawang : I. Kw. z.v.a. panyawang, aanschouwing [vrg. sawang]. -nawang, aanschouwen, aanstaren [=andêlêng]. katawang, gezien worden, zigtbaar zijn; ook benaming van een wijze van op de Gamêllan te spelen. -nawangake, N., -kên, K., z.v.a. nyawangake, doen of laten aanzien. -panawang, het plaats hebben van nawang, panawang kula, naar mijn beschouwing, zooals ik de zaak beschouw. II. K.N. het luchtruim, de lucht [=awang-awang en nginggil]. -tawang-towang, zie towang, -trawang, zie boven.

tawêng : Kw.; nawêngi, overschaduwen, bedekken [=angaling-alingi]. katawêngan, bedekt, verborgen.

tawing : Kw. bedekt, verborgen; ook naam van een berg. -nawingi, bedekken, beschermen. -tumawing, zie beneden.

tuwung : K.N. kom, kop, beker. tuwung putra, een groote beker. tuwung kêncana, een gouden beker.

towang : z.v.a. towong, tawang-towang, ledig; ijdel, nutteloos [=suwung].

towong : K.N. ledig, verlaten, niets inhouden; niet aanwezig, niet verschijnen. -nowongi, ledig maken, uitledigen. katowongan, van alles ontbloot zijn, gebrek lijden. -nowongake, N., -kên, K., weg blijven, een plaats ledig laten, ergens niet verschijnen.

tal : of êtal, naam van een soort van palmboom, op welks bladeren vroeger door de Javanen geschreven werd; ook naam van een distrikt.

tala : K.N. 1. bijennest, bijenkorf, bijenteelt [=omah tawon, Skr. tala, diepte, kuil, hol, enz.]. -2. naam van een soort van olie. -patala, Kw. diep, diepte; in, binnen [jêro]. -pratala, de aarde, de grond [=lêmah, Skr. pratala, een van de zeven afdeelingen van de lagere gewesten]. -tala-tala, zie beneden.

tali : N., tangsul, K., koord, band, touw, lijn; leidsel [Sd. Ml. id.]. satali, N., satangsul, K., een achtste Spaansche mat; een kwart gulden [Ml. id.]. atali, N., atangsul, K., binden, vereenigen, verbinden. talimôngsa, een verslindend touw, wordt van een slang en van een tijger gebruikt. ­nalèni, N., nangsuli, K., binden, aanbinden, zamenbinden, vastbinden, vastmaken, hechten. katalenan, N., katangsulan, K., gebonden, verbonden, zamengebonden. -nalèkake, N., nangsulakên, K., iets aan iets anders vastbinden. -têtangsulan, N., têtangsulan, K., met een ander of met elkander verbonden zijn; verbindtenis, verbond, vereeniging.

talu : Kw. bron, oorsprong, begin. -nalu,

--- 275 ---

nabootsen. tinalu-talu, aanhoudend nagebootst worden.

têla : K.N. gescheurd, van den grond, een scheur in den grond. -nêla, hetzelfde. katêla, in een scheur vastgeraakt, vastgeklemd zitten.

têlu : N. [tiga, K.] drie; ook têtêlu of tatêlu, vooral achter een zelfstanding naamwoord. têlung puluh, derting. têlungatus, drie honderd. têlulas, dertien. ping têlu, de derde, of drie maal. -nêlu, elk drie. -katêlu, de derbe in opvolging. -antêlu, Kw. een ei en een Sirihpruim (als beide uit drie deelen bestaande: vrg. antiga, bij tiga). -pratêlon, in drieën verdeeld. sapratêlon of sapara têlon, een derde. rong pratêlon, twee derde. mratêlu, in drieën verdeelen; voor een derde van de opbrengst den grond bewerken.

tuli : I. K.N. hardhoorig, doof [=budhêg, Ml. id.]. nganggo kuping tuli, doove ooren gebruiken, d.i. zich doof houden. II. Kw. =tuhu en tulya = têmên, oprecht, waar, wezenlijk. -tulèn, K.N. onvermengd, onvervalscht, echt [=tan kawoworan, kang têmên ora kawoworan en têmên]. walônda tulèn, een echte Hollander. tulèn-tulène, zekerlijk de ware, de echte. III. Kw. =enggal, tumuli, N., tumuntên, K., voort, terstond, dadelijk, onmiddellijk, spoedig, schielijk; vervolgens, daarna, naderhand, daarop; voorts, verders. -nuli, N., nulya, Kw., nuntên, K. voortgang nemen, voortgaan, vervolgen; voorts, verders; daarna, daarop; naderhand. -nuli-nuli, gedurig voortgaan, gedurig herhalen.

talah : of tallah, [Ar. Tallaah] , K.N. bij God!

taluh : K.N. bedwelmd, dronken zijn.

têlah : K.N. gewoon zijn; gewoonte [Ml reeds]. -nêlahi, zie boven.

têlih : K.N. 1. de krop van een vogel. -2. een vijver, die zijn water uit een rivier ontvangt.

têluh : K.N. een kwade geest; kwaadheid. -panêluhan of panêluwan, een booze geest, een geheim bewerker van ongelukken, een kwaadstoker.

tulah : K.N. wraak, vergelding, straf van God, bezoeking [Ml. id.]. tulah sarik, een zware straf van God.

tolih : zie tolèh.

tolèh : of tolih, K.N.; nolèh of nolih, het hoofd draaijen, het hoofd omwenden; omzien, omkijken [Ml. toleh , menoleh , id.]. -mitolèh of mitolih, naar iets omzien.

talèn : N. een kwart Gulden of 25 Cent.

tulèn : zie tuli, II.

têlênan : K.N. iets waarop men iets hakt of klein klopt, een blok, slagtblok.

talenok : K.N. een lichaam zalven, met zalf bestrijken.

têlanakan : K.N. de vrouwelijke schaamdeelen.

talendho : K.N. traag.

talundhag K.N. de rand van een bed.

talanjar : K.N. aanleiding, oorzaak, reden.

têlanjukan : K.N. ongeregelheid, wanorde.

--- 276 ---

tilar : atilar en nilar, K. [tinggal en ninggal, N.] verlaten, achterlaten; verzaken, afvallen. atilar donya, de wereld verlaten, sterven. -nilari, iemand of iets verlaten; iets nalaten; een erfenis nalaten. katilaran, verlaten of nagelaten zijn. -nilarakên, iets nalateu, achterlaten. -tilaran of têtilaran, hetgeen iemand verlaat of achterlaat, nalatenschap; nagelatene kinderen. -patilar, het verlaten der wereld, het overlijden; een overledene. -patilaran, een verlatene plaats.

tular : K.N.; nular, zich uitbreiden, voortplanten; een gerucht verspreiden. katular-tular, algemeen verspreid. -tumular, besmettelijk; medegaan. -nulari, zich op iemand voortplanten, bijv. van een besmettelijke ziekte, besmetten. katularan, besmet. -tularan of têtularan, besmetting.

talak : [Ar. thalaaq] , verstooting van een vrouw, echtscheiding. -nalak, K.N. afwijzen, van de hand wijzen.

têlak : K.N. de keel.

têlik : K.N. I. bespieder, spion. -nêlik, bespieden, verspieden, beloeren. -panêlik, verspieder, spion. II. een klein spits uitloopend mandje, een fuik, vischkorf.

têluk : K.N. zich onderwerpen; onderwerping, overgave aan een vijand; onderworpen, verslagen [zie takluk]. têluk alus, een vrijwillige onderwerping. -nêlukake, N., -kên, K., in onderwerping brengen, aan zich onderwerpen. -têlukan of tatêlukan, die in onderwerping gekomen of gebracht is, onderwerpeling. -panêluk, iemand die zich onderwerpt; onderwerping.

tilik : I. N. [tuwi, K.] bezoek; bezoeken [Ml. aandachtig beschouwen, aanzien, bekijken]. -nilik, een bezoek afleggen, bezoeken. -niliki, bij iemand van tijd tot tijd een bezoek afleggen. II. K.N. verschijning, gezigt in een droom.

tulak : K.N. I. terugkaatsing; afwijzing; geneesmiddel [Sd. Ml. voortduwen, wegstooten, afwenden]. -nulak, afwijzen; terugkaatsen; terugzenden. -panulak, middel van terugkaatsing; een terugkaatser, iemand die weigert iets aan te nemen. II. een zwarte kip met witte vlekken.

taluki : naam van een bloem, de anjelier; ook een soort van batik.

talakup : K.N. een hoofddeksel.

têlêkêm : K.N. tabaksdoos.

talêkung : K.N. een sluijer voor de oogen.

talikung : K.N. band, touw. -nalikung, binden.

talad : K.N. traag, langzaam. -naladake, N., -kên, K., iets langzaam verrigten, met traagheid iets ten uitvoer brengen.

tulad : of telad, K.N. navolging, nabootsing. -nulad of nelad, navolgen, nabootsen. -tuladan of teladan, voorschrift, voorbeeld ter navolging [Ml. id.; vrg. tuladha].

telad : zie tulad.

têliti : K.N. afkomst; afkomstig; afstammeling.

talatah : K.N. rand, zoom, grens; grenzen, gebied. [ge...]

--- 277 ---

[...bied.] têtalatah, dikwijls verkeerd tah-talatah, geschreven, onderhoorig, onderhoorigheden [saubênging wawêngkon]. têtalatahing nuswa Jawi sadaya, alle onderhoorigheden van het eiland Java.

talutuh : of têlutuh, K.N. vocht of sappen, die uit een boom vloeijen; vuligheid; slechtheid, kwaad [rêrêgêd].

têlètèh : K.N. duidelijk spreken [van tètèh, zie tèh, II.]. -nêlètèhake, N., -kên, K., een zaak duidelijk maken; iets duidelijk te kennen geven.

têlatèn : N., têlatos, K., geduldig in het werken; aanhoudend met iets voortgaan, niet rusten; zeer naarstig zijn. -nêlatèni, N., nêlatosi, K., iets met ijver verrigten.

talutak : I. naam van een soort van groote kikvorschen. II. Kw. een rijstveld.

têlitik : K.N. nasporing, onderzoek [van titik]. -nêlitik, onderzoeken, naauwkeurig ondervragen.

têlotok : N., zijn behoefte doen; een scheldnaam, die men aan een kind geeft.

têlatos : zie têlatèn.

tala-tala : Kw. duidelijk spreken; duidelijk hooren.

tilutama : z.v.a. wilutama.

talês : K.N. 1. grondslag, fondament. -2. naam van een zekere aardvrucht [Sd. Ml. id.].

têlas : K. [êntèk, N.] ten einde, op uit; ten einde zijn, op zijn, niets overlaten [=uwus]. -nêlas, opmaken, eindigen; tot het uiterste komen. -nêlasi, aan iets of iemand een einde maken, afmaken, dooden, met den dood straffen [=ngêtrapakên ukum pêjah]. -nêlasakên, iets opmaken, verteren, er doorbrengen; uitputten. nêlasakên manah, ontmoedigen. -têlasan, het einde van iets; van alles beroofd zijn, alles verloren hebben.

têlês : K.N. nat, vochtig zijn. -nêlas, natmaken, bevochtigen. -têlêsan of patêlêsan, een badkleed; een kleed, dat dagelijks gedragen wordt.

tilas : K.N. overblijfsel; spoor, merk, teeken; voorbeeld. -nilas, nasporen, een spoor, een voorbeeld volgen. anilas wêrti, een gerucht nasporen, onderzoeken. -tilasan, voetspoor. -patilasan, overblijfselen, ruïne, puinhoop.

tulis : N. [sêrat, K.] schrift; het schrijven; een brief [Sd. Ml. id.]. -nulis, schrijven. -nulisi, op iets schrijven; iets beschrijven. -tulisan, schrift, schrijfwerk, geschrift, handschrift. -patulisan, de plaats waar men schrijft, een lessenaar. -panulis, beschrijving; schrijver. panulisan, een schrijflessenaar; iets waarmede men schrijft. lading panulisan, een pennemes.

tulus : K.N. voorspoedig, duurzaam zijn, bestaan blijven, voortduren; vast, zeker, onveranderlijk [=salamêt, Sd. Ml. id.]. -nulus, voortgaan, voortduren. -nulusake, [-nulus...]

--- 278 ---

[...ake,] N., -kên, K., iets doen voortduren, bestendigen. -tulusan, voorspoed, bestendigheid, welvaart; vruchtbaarheid.

têlasih : naam van een donkerkleurig heestergewas. -anêlasih, naar Telasih gelijken, de kleur er van hebben.

talisik : K.N.; nalisik, in de vederen of in het haar krabben; uitpluizen; onderzoeken, navraag doen, nasporen.

têlawah : K.N. een trog of krib, een langwerpige hoten waterbak, een watertrog.

tilawat : [Ar. tilaawat] , het lezen of zingen, inzonderheid van den Koran.

têlawungan : K.N. een steelaadje om pieken of krissen op te bergen.

têlale : K.N. de snuit of tromp van een olifant [Sd. tulale, Ml. belalai] .

têlulas : zie têlu.

talalayu : Kw. vlakte, plein.

tulalangan : K.N. lang, uitgestrekt.

tilap : K.N.; nilap, z.v.a. nilib. -katilapan, uit het gezigt verloren, verdwenen.

tulup : K.N. een pijp, roer, blaaspijp. -nulup, door een roer blazen, om te schieten. -tulupan, blaaspijp, blaasroer.

talepak : K.N. een van bamboe gevlochtene sirihdoos.

têlapakan : N. [dêlamakan, K.] voetzool [Ml. telapak] . Vrg. tapak].

têlapukan : K.N. de rand om het oog, ooglid.

talêpong : en talepong, K.N. mest, vooral van viervoetige dieren; paardemest [vrg. talêthong en cêlethong].

talepong : zie talêpong.

têladha : z.v.a. tuladha.

tuladha : of têladha, K.N. voorbeeld, model [vrg. tuladan, onder tuladha]. -nuladha, tot voorbeeld nemen, navolgen.

talèdhèk : K.N. danseres, dansmeid.

talajêr : K.N. de hoofdwortel van een boom.

tulya : I. zie tuli, III. II. zie tuli, II. III. Kw. gezien worden, zigtbaar [Skr. toelja, naar iets gelijkend].

talam : K.N. slaapkamer, slaapplaats [=pasareyan, Ml. een slaapmatras of een over een slaapstede gespreid kleedje. Vrg. tilêm]. II. K.N. het onderkleed van een vrouw.

tilêm : K. [turu, N., sare, K.h.] slaap; slapen. -katilêman, door den slaap vermeesterd worden, in slaap vallen. -patilêman, slaapplaats, bed.

talompe : K.N. traag, langzaam. -nalompe, iets traag verrigten, langzaam werken.

talêmpak : naam van een soort van korte lans.

têlaga : N., têlagi, K., een klein meer, waterpoel, vijver [Ml. id.; Sd. een bron, wel; Skr. talla, poel, vijver].

têlagi : zie têlaga.

talub : K.N. een zwak gezigt.

--- 279 ---

talobèh : K.N. een pijl over iets heen schieten, te hoog aanleggen.

talêbuk : K.N. een vrucht, die van zelf van een boom valt; plotseling sterven zonder voorafgaande ziekte.

tlabung : z.v.a. talabung.

talabung : têlabung of tlabung, K.N. naam van een wapen, dat de gedaante van een krom mes heeft, een hakmes. -nalabung, met een Talaboeng vechten; een aanval doen; den vijand in de flanken vallen.

talêthik : K.N. het vallen van regendroppels [vrg. talêthok].

talêthok : K.N. langzaam nedervallen; b.v. van tranen. -talêthokan, tranen storten.

talêthong : en talethong, K.N. vuilnis, mest, drek [vrg. talêpong en cêlethong].

talang : K.N. geut, pijp waardoor water vloeit, buis, waterleiding. talangpati, naam van een soort van soldaten in de Kraton. -nalangi, door een geut laten loopen; iets voor zich door een ander laten doen; iemand een commissie opdragen om iets te koopen [Ml. talang] , een makelaar, middelaar in koophandel].

taling : K.N. naam van een bekend schrijfteeken. -talingan, 1. een Taling gebruiken. 2. K. [kuping, N., kêrna, K.h.] oor, de ooren.

têlêng : K.N. I. het midden, de diepte, afgrond [=ing têngah]. têlênging sêgara, de diepte of het midden der zee. -katêlêng, zie boven. ii. naam van een klimop met kleine blaauwe bloemen.

têlung : I. K.N. het onderspit delven; iemand onderkruipen. -tumêlung, naar voren overhellen, overhellen om te vallen, neigen, buigen, vooroverbuigen; het nerhangen van boomtakken; de helling van een berg. -nêlungake, N., -kên, K., doen buigen, nederhalen, omvertrekken; doen nederhellen; kreuken. -têlungan, het onderspit. -pantêlung of pêntêlung, buiging, gebogene toetand. -mantêlung of mêntêlung, buigen, gebogen. -mêntêlungake, N., -kên, K., doen buigen, gebogen maken. II. zie têlu.

tiling : K.N.; tumiling, aanschouwen, naauwkeurig opletten. -nilingi, naar iets luisteren; naar iets kijken. -nilingake, N., -kên, K., naar iets luisteren, het oor aan iets leenen.

tulang : Sd. Ml. been, beenderen [=balung]; K.N. geraamte; brandstapel; de plaats waar men krekels met elkander laat vechten.

tulung : K.N. hulp, bijstand [Sd. Ml. id.]. têtulung of nulung, helpen, hulp verleenen, bijstand beiden. tumulung, helpende; hulpvaardig. -nulungi, iemand helpen, bijstaan, voorthelpen, redden, bijdragen. -pitulung, hulp, bijstand, onderstand, redding, bijdrage. apitulung, helpen. -mitulungi, z.v.a. nulungi.

têlangke : K.N. een vrucht, die vóórden tijd rijp is; zich overhaasten [Het wordt verklaard door kasuwèn]. ora têlangke, zich niet overhaasten.

tap : of êtap, K.N. regeling, behoorlijke schikking of plaatsing, z.v.a. tatrap of tata, -ngêtap, regelen, in orde schikken of zetten.-ngêtapi, ergens op in orde zetten. -

--- 280 ---

ngêtapake, N., -kên, K., voor iemand regelen of in orde zetten. -pangêtap, het plaats hebben van ngêtap, -atap, en trap, zie boven.

têp : ongebruikelijk; grondvorm van antêp en têtêp.

tapa : K.N. zelfskastijding, boetedoening, het leiden van een afgezonderd leven in onthouding en zelfskastijding [Sd. Ml. id.; Skr. tâpa, hitte; kwelling, kastijding]. atapa, atêtapa of apratapa, boete doen, een kluizenaars leven leiden. sang tapa en patapa, iemand die boete doet, een kluizenaar. nastapa, zie boven. -napakake, N., -kên, K., door boetedoening iets trachten te erlangen, met een bijzonder oogmerk boete doen. -mratapa, een kluizenaars leven leiden. -tapan, patapan of pratapan, de plaats waar iemand boete doet, de woning of het verblijf van een kluizenaar, cel, kluis. -sutapa, zie beneden.

tapi : of têtapi, I. Ml. tetapi] , maar, édoch [=nanging en utawi,vrg. tanapi]. II. tapi, K.N. onverschillig, achteloos. -napi, zich onverschillig aanstellen, zich stil houden, huichelen. -napèkake, N., -kên, K., met onverschilligheid iets behandelen. III. Sd. wannen. -napèni, K.N. hetzelfde. -tapèn, rijst die gestampt, maar nog niet van het kaf gezuiverd is.

têpa : K.N. model, voorbeeld, staal, monster, gelijkenis; even als [=tuladan en uku]. têpa-têpa, gelijk maken; iemand gelijk geven; het iemand naar den zin maken. -nêpa, nabootsen, gelijk maken.

têpi : K.N. rand, zoom, zijde; galon [=pinggir, ing pinggir, Ml. id.]. têpining margi, de zijde van den weg. tinêpi, met galon bezet, een rand gemaakt.

tapih : K.N. [nyamping, K.h.] naam van een lang kleed, dat door de vrouwen om het benedenlijf gedragen wordt [Hetzelfde kleedingstuk van een man wordt bêbêd, genoemd. Ml. id.]. -napihi, iets tot een Tapih maken; een Tapih aandoen. tinapiyan, het gedeelte van het lichaam, dat met een Tapih bedekt is. -tapihan of tapiyan, ook tapyan, Kw., een Tapih aanhebben, benaming der dagelijksche kleeding der Javaansche vrouwen, bestaande in een tapih, kêmbên en takwa.

tapan : zie tapa.

tapèn : zie tapi, III.

topan : K.N. een overstrooming door zwaren regen met storm en onweêr; een zondvloed; een orkaan [Ar. thaufaan] , Ml. id.]. -patopan, hetzelfde. patoppan, zie beneden.

têparo : N., têpalih, K., een meer verwijderde buurman. tôngga têparone, N., tôngga têpalihipun, K., de naaste en meer verwijderde buren.

tapak : K.N. spoor, voetspoor; overblijfsel [Sd. id.; Ml. voetzool, handpalm]. tapak gêlindhingan, wagenspoor. gêntos tapak, in iemands voetstappen treden. tapak asta, het spoor der hand, d.i. het werk van iemand. tapaking palu, het spoor van den hamer, en tapaking kikir, [ki...]

--- 281 ---

[...kir,] het spoor der vijl, wordt voor wapens gebruikt. -napak, een spoor maken; een spoor volgen. -tumapak, stappen, voortstappen, met iets voortgaan, iets voortzetten. -tapakan, spoor, overblijfsel; de voetzool op iets zetten. -têlapakan, zie boven.

tapuk : K.N. verzamelplaats. -napuk, met de hand op den mond slaan. -napuki, meervoud van het vorige.

têpak : K.N. iets dat vlak, plat is: de vlakke hand; een vliegeklap; het schouderblad. -nêpak, met de vlakke hand, met een vliegeklap slaan.

taphakur : [Ar. tafakkur] , gepeins; peinzen, in gepeins verzonken zitten.

topèkong : naam van een Chineesch afgodsbeeld.

tupiksa : ook tuhu piksa, K.N. met aandacht onderzocht; naauwkeurig, oplettend onderzoek [=zamengesteld uit tu of tuhu, en piksa]. -nupiksa en nupiksani, naauwkeurig onderzoeken, iets duidelijk trachten te begrijpen.

tapas : K.N. overal, geheel en al, totaal [=têlas]. tumpês tapis, geheel en al verwoest, verdelgd.

têpas : Kw. rand, zoom [=watês, ênggon, en omah, Ml. kant, zijde, streek; Sd. galerij, afdak]. têpas wangun en têpas thili, slaapstede, bed.

têpus : I. K.N. lengtemaat. -nêpus, passen, meten, afmeten. -katêpus, zie boven. II. naam van een bloem, een soort van kastanje.

tipas : en tepas, K.N. een waaijer. -nipas, met een waaijer wind maken, zich verkoelen.

tipis : K.N. fijn, dun, toeder, niet stevig, zwak, wankelmoedig. -nipis, fijn, dun maken.

tepas : zie tipas.

têpsir : [Ar. tafsiir] , uitlegging, verklaring, voornamelijk van den Koran. ngilmu têpsir, uitlegkunde. ahli têpsir, uitlegkundige. -nêksir, uitleggen, verklaren; schatten, waardeeren. -nêpsiri, uitleggen, verklaren.

tapsirih : K.N. een koperen Sirihdoos.

têpis wiring : K.N. grensscheiding [=wêwatêsing nagara].

tapsila : K.N. beleefd, beschaafd, wellevend [=bêcik pratikêle].

tapwan : Kw. neen, niet [=ora].

tapêl : I. [Ar. thafl] , teeder, jeugdig, jong; jeugd. II. K.N. de omtrek van iets; een vorm waarin het gegoten wordt. tapêl watês, grens, grensscheiding, grenspalen van een land. -napêl, een omtrek beslaan; aan iets vastkleven.

têpalih : zie têparo.

tapaya : Kw. een jonge nog niet volwassene bij.

tapiyo : Kw. een hoofddeksel, een hoed.

tapyan : zie tapih.

tapung : K.N. rijst op het vuur zetten om gekookt te worden.

têpang : zie têpung.

--- 282 ---

têpung : N., têpang, K., aansluiting, zamenvoeging, vereeniging. atêpung, N., atêpang, K., zich aansluiten, vereenigd, verbonden zijn. tapung bêcik , N., têpang sae, K., goede verstandhouding, vrienschap. têpung rêmbug, N., têpang rêmbag, K., eensgezindheid, eenstemmigheid van gevoelen. atêpung rêmbug, N., atêpang rêmbag, gezamentlijk overleggen, beraadslagen. -têpung gêlung, K.N. ringvormig. -nêpung, N., nêpang, K., zamenvoegen, aansluiten, aan elkander knoopen. -nêpungi, N., nêpangi, K., zich aan iemand aansluiten, zich met iemand vereenigen, met iemand in overleg of onderhandeling treden, een zamenkomst met iemand houden. -nêpungake, N., nêpangakên, K., zamenvoegen; overeenbrengen, vergelijken. -têpungan of têtêpungan, N., têpangan of têtêpangan, K., zich met een ander of met elkander vereenigen, zamen gemeenzaam omgaan; gemeenzame vriendschap; gemeenzame vrienden. -pitêpung, N., pitêpang, K., vereeniging, zamenstemming; verkeering. omgang. -pitêpungan, N., pitêpangan, K., onderlinge gemeenschap, omgang, verkeering, gezelligheid; gezellig.

topèng : K.N. masker, mom, momaangezigt; maskerade [Ml. id.]. -anopèng, een masker dragen.

topong : K.N. een vorstelijk hoofdsieraad, dat van achteren op het hoofd gedragen wordt [tatopong = amakutha].

têdha : I. K. verzoek. -nêdha, K. [anjaluk, N., mundhut en nyuwun, K.h.] verzoeken, bidden; verderen, eischen; bedanken [Sd. id.]. nêdha, K.N. zie boven. nênêdha of nanêdha, het een of ander verzoeken, het een of ander verzoek doen, van dezen of genen iets verzoeken; bidden. -panêdha, verzoek, bede, aanvraag, dank. II. têdha, ook t.dhi, K. [pangan, N., dhahar, K.h.] het eten; spijs, voedsel; levenzonderhoud. -nêdha, eten; verteren. nênêdha, het een of ander eten. -nêdhani, meerv van nêdha, nêdhèni, te eten geven. -tatêdhan, levensmiddelen, eetwaren, voedsel, spijs. III. K.h.; nêdhani [nguwèhi, N., nyukani en maringi, K.] geven, verleenen. -nêdhakake, N., -kên, K., iets overgeven aan iemand; iets voor een ander overbrengen, overhandingen, b.v. de groeten of een brief. -patêdhan, een gift, een geschenk. -matêdhani of mitêdhani, iemand iets geven. kapatêdhan, begiftigd, een gift ontvangen. -matêdhakake, N., -kên, K., iets geven aan iemand.

têdhi : zie têdha, II.

tadhah : I. K.N. opvangen; op of tegen iets stuiten. -nadhahi, iets opvangen; tegenstand bieden, pal staan. -tadhahan, de plaats waar iets valt en opgevangen wordt; ook hetgeen opgevangen wordt, wordt van rijstvelden gezegd, die alleen bevochtigd worden door den regen in den regentijd op te vangen, en dus ook alleen in den regentijd beplant kunnen worden, in tegenoverstelling van rijstvelden, die onder water gezet kunnen worden. -patadhahan, houten bak, schenkbord.

--- 283 ---

II. Kw. een bepaald rantsoen, dagelijksch onderhoud. -nadhah, eten. -nadhahi, K.N. dagelijks een bepaald rantsoen te eten geven.

têdhuh : K.N. een betrokken lucht [=têruh].

tidhar : naam van een berg in de Kêdoe.

têdhak : K. [turun en mêdhun, N.] afkomst, nederkomst, afdaling, nederdaling; nederkomen, nederdalen, afstijgen; afstammeling, kroost, nazaat; afschrift; K.h. [lunga, N., kesah, K.] uitgaan, op reis gaan. têdhak-têdhak of têdhak-tumêdhak, afstammelingen, nakomelingen, nakomelingschap, nageslacht. -tumêdhak, nederdalen, afgaan, afkomen, afklimmen. -nêdhak, afkomen, nederdalen; afschrijven, overschrijven; overzetten, vertalen. -nêdhaki, op iets of tot iemand nederdalen; iets volbrengen; verschijnen, voor den dag komen. katêdhakan, de persoon tot wien. of de plaats waar iemand nederkomt. -nêdhakakên, doen afstammen; laten afschrijven. -têdhakan, en tatêdhakan, nakomelingschap; afschrift, kopij; overzetting, verlating.

tidhak : [Ml. tidak] , neen, niet.

tedhok : K.N. een bord van gevlochten bamboe.

têdhas : K.N. geraakt, getroffen, gewond, kwetsbaar. -tumêdhas, treffen; kwetsbaar. -nêdhasi, raken, treffen, wonden, kwetsen.

todhos : K.N. geheel ten einde, op zijn.

tidhêm : K.N. uitdoven, de kleur verliezen, verbleeken.

tudhung : K.N. een luifel, een groote klep, die, van een rand voorzien, op het hoofd gedaan wordt, om zich tegen de zon te beschermen; een soort van gevlochten stoohoed [Ml. id.].

tèdhèng : K.N. voorhangsel; scherm; een gordijn, waarmeê een Tandoe aan weêrszijden behangen wordt.

taji : K.N. lancet, een kunstspoor, een klein mes, dat aan de voet van een kemphaan vastgemaakt wordt [Ml. id.]. -naji, met een Tadji steken of stooten. tinaji, van een Tadji voorzien zijn of daarmê gestoken worden.

taju : [Ar. taaj] , diadeem, kroon [=makutha]. taju salatin, de kroon der vorsten, de titel van een uit het Maleisch vertaald boek.

tuju : I. K.N. juist, toevellig, ter regter tijde; iets waarmeê men naar een doel werpt. tujune, juist van pas. -nuju (nujwa, Kw.) naar een doel werpen, juist treffen, juist op een tijd of oogenblik gebeuren [Ml. menuju] , de koers naar iets rugten]. katuju, op den juisten tijd aangekomen, juist getroffen; tijdig. -nujoni, juist treffen; juist te pas komen; bij toeval met iemand zamentreffen; het iemand van pas, naar den zin, maken; op een bepaalden tijd iets verrigten. katujon, juist de regte tijd. -panuju en pinuju, het juiste oogenblik, de gepaste tijd; juist; tijdig. -kapanujon, juist van pas gekomen, juist getroffen. II. K.N. alles wat een tooverkracht voorzien is, en strekt, om iemand ziek te maken; eenig onheil te berokkenen of van het leven te berooven.

teja : Kw. glans, schijn, een glans, die zich in de hoogte verheft; de zon [=cahya, Skr. têdjas,

--- 284 ---

têdjah]. tejamaya, naam van een paleis. tejamurti, eign. van een vorst. -tumeja, een glans verspreiden.

tujah : I. K.N. beschuldiging. -nujah, beschuldugen, betichten. II. nujah, K.N. met de voorpoten slaan of schoppen. -nujahake, N., -kên, K., met de voorpoten laten slaan; de voorpoten doen opligten, hard doen loopen.

tajên : of tajin, K.N. zich van iets onthouden.

tajin : K.N. I. gekookt rijstwater [Sd. tajèn]. -najini, het water afgieten van de rijst, die gekookt is. II. zie tajên.

tajali : [Ar. tajalli] , verschijning, openbaring.

tajap : K.N. een gebed, dat dadelijk verhoord wordt; een snelwerkend vergift.

tajêm : K.N. I. onbuigzaam, onbeweeglijk; straf, scherp, van het gezigt [=jêjêg en landhêp]. II. gelijkheid, evenwigt.

tajug : Kw. een huistempel. supe tajug, naam van een soort van ring, waarvan het edelgesteente in den vorm van een huistempel geslepen is.

taya : Kw. I. dansen, tandakken. II. neen, niet; zonder glans, zonder kleur, verbleekt [=ora en tanpa cahya].

toya : K. [banyu, N.] water [Skr. tôja]; K.N. zich wasschen. toya susu, melk. toya raos, kwik. toya mas, gouddraad; ook naam van een distrikt van Java. toya kalih, een amphibie. -noya mili, noemt men het, wanneer men elk jaar één van zijn kinderen withuwelijkt. -katoyan, met water gevuld, van water voorzien.

tayuh : Kw. een verschijning, een gezigt in den droom.

toyan : K.N. zwarte verwstof.

tayati : Kw. leeren, onderwijzen.

tyas : Kw. het hart [=manah en angên-angên].

tiyasa : Kw. magt, vermogen, bedrevenheid.

tayoli : een scheldwoord.

tiyup : K.N.; niyup, blazen, aanblazen; schuins naar beneden vliegen, neêrstrijken, van een vogel [Sd. Ml. id.]. -paniyup, het plaats hebben van niyup.

tayub : K.N. vereenigd, verzameld. -nayub, zich in een dans of tot een dans vereenigen; op een partij eten, drinken en tandakken (dansen) [mangan ngiyum]. -nayuban, een feestmaal, waarbij getandakt wordt.

tiyang : 1. K.N. iets dat regt overeind staat, een post, een stijl [Ml. id.]. tiyang baita, een mast. 2. K. [wong of uwong, N.] mensch, persoon, lieden, volk; iemand; men; ook in het begin van een zin z.v.a. immers, eig. mensch! tayang grami,tiyang grami. een koopman. tiyang jawi, een Javaan. tiyang èstri, een vrouwspersoon, een vrouw. tiyang anèm, een jong mensch, jongeling. tiyang sêpuh, een bejaard mensch; ouders. tiyang sêpuh kula, mijn ouders. -tiyangan, iets dat de gedaante van een mensch heeft, naar een mensch gelijken, hetgeen tot

--- 285 ---

den mensch betrekking heeft. -katiyangan, bevolkt.

tiyung : K.N. gebogen, vooroverhangen, neêrgebogen. -niyung, zich voorover of neêrgebuigen. -mêntiyung, neêrhangen. niyungakên, iets naar beneden buigen, neêrtrekken; kreuken. -tumiyung, neêrhangende takken van een boom, een neêrhangende wolk.

tiyèng : Kw. gekristalliseerd water.

tayungan : I. naam van een blad, dat tot medicijn gebruikt wordt. II. K.N. vóór het aangaan van een gevecht allerhande bewegingen maken, om zijn krachten en vlugheid te toonen; een soort van wapen- of oorlogsdans.

tim : of êtim, K.N. door stoom gaar gemaakt eten. -ngêtim, door stoom gaar maken. -patiman, de pot, waarin iets door stoom gaar gemaakt wordt. -pari tim, zie beneden.

tom : of êtom, K.N. de Indigo-plant; de Indigo-bladen. -patoman, Indigo-plantaadje.

tama : I. verkorting van utama [=sae, waarschijnlijk het [Ar. taammah] , vr. van taamaa] , volkomen]. II. Kw. het ingaan; kwetsing [Het wordt verklaard door mangsah]. -tumama, Kw. ingaan [Het wordt verklaard door umangsah]. K.N. raken, treffen, kwetsen; gekwest [=têdhas of tumêdhas]. -namakake, N., -kên, K., met iets raken, met een wapen kwetsen, een wapentuig aanwenden [een ander namakakên, zie onder nama]. -taman, Kw. geraakt, getroffen; in staat zijn, kunnen.

tami : nami, nênami, tamiyan, katamiyan z.v.a. tamu, namu, nênamu, tamuwan, katamuwan [tami = dhayoh en suguh Het wordt ook verklaard doorsae en manjing, en is dus een Kråmå-vorm zoo wel van tama, als van tamu]. -pratami, zie beneden.

tamu : K. [dhayoh, N.] gast, iemand die een bezoek komt geven; gasten, gezelschap [Ml. jamu] ]. rêmên têtamu, gastvrij. -namu of nênamu, een gast ontvangen, onthalen. -tamuwan, een ander of elkander als gast ontvangen; ook z.v.a. katamuwan, gestheer, iemand die een gast ontvangt of onthaalt; gasten hebben. -patamu, gastmaal; een gast onthalen; gastheer. -patamon, de plaats, waar gasten onthaald worden. -pra tamu, zie beneden.

têmu : I. N. [panggih, K.] het vinden; ontmoeting, zamenkomst. têmu giring, naam van een gewas. -nêmu, vinden, ontdekken; ondervinden. katêmu, aantreffen, ontmoeten. -nêmoni, iets of iemand vinden, aantreffen; iemand, die bij iemand aan huis komt, ontvangen, recipieren. -nêmokake, doen vinden, bij elkander brengen. -têmon, iets dat gevonden wordt, vond. bocah têmon, een gevonden kind, vondeling. têmon of tatêmon, elkander vinden, ontmoeten, met een ander of elkander zamenkomen, met elkander zamentreffen. -patêmon, ontmoeting, [ontmoe...]

--- 286 ---

[...ting,] zamenkomst. -panêmu, vinder; vinding; bevinding, oordeel, meening. II. naam van een wortel, die als medicijn gebruikt wordt.

tuma : N. [of K.N.] een luis, ongedierte [Sd. Ml. id.].

toma : Kw. geschikt, bekwaam; deugdzaam [=bêcik en bakit,bangkit. waarschijnlijk slechts verkeerde spelling in plaats van tama, I.].

tamah : Kw. het vermogen om te zien, gezigt; blik.

têmah : K.N. gevolg, uitkomst, afloop. têmahe, bij gevolg, met dat gevolg dat. -nêmah, ten gevolge hebben; ten uitvoer brengen, volbrengen; voor de gevolgen instaan. -nêmahi, gevolg aan iets geven; een uitkomst doen hebben; als gevolg of uitkomst ondervinden. katêmahan, gevolgelijk, ten gevolgevan. -têmahan, gevolg, uitkomst, afloop, resultaat.

timah : K.N. lood [Sd. Ml. id.; Vrg. timbêl]. timah sari, tin.

tomah : K.N. plegen, gewoon zijn [=omah]. -katomah, hetzelfde.

têmaha : K.N. opzettelijk, met opzet, in ernst [=anjarag].

timaha : een soort van hout, waarvan krisscheeden gemaakt worden.

taman : I. zie tama, II. II. K.N. tuin, hof [Ml. id.]. -patamanan, tuingrond, de plaat waar zich een tuin bevindt, de grond die tot een tuin is aangelegd, de tuin.

têmên : K.N. opregt, echt; trouw, eerlijk, braaf; waar, ontwijfelbaar, in ernst, inderdaat, wezenlijk; waarheid; opregtheid; ook in verwondering waar wij hoe of wat gebruiken; b.v. gêdhe têmên bêgjane, groot inderdaad is zijn geluk! d.i. hoe groot is zijn geluk! of wat is zijn geluk groot!. satêm.ne, in waarheid, in der daad, gewis, degelijk. têmên-têmên, volkomen opregt, in allen ernst. -tumêmên, opregt, trouw, braaf, deugdzaam zijn. -nêmên, het opregt of ernstig meenen. nêmên gêgulang, leergierig. -nêmêni, iets waar maken, verwezenlijken, gestand doen. -nêmênake, N., -kên, K., opregt, trouw, braaf maken. -têmênan, waarheid, opregtheid; iets dat oorspronkelijk, niet nagemaakt is, onvervalscht; opregtelijk; stellig. -katêmênan, opregtheid. -kapi têmên, inderdaad.

têmon : zie têmu.

timun : K.N. komkommer. -kêtimun, hetzelfde.

tuman : K.N. gewoon, gemeenzaam [Sd. id.]. -numan, aan iets wennen.

tumon : zie ton.

tumuntên : zie tuli, III.

tumuntur : K.N. medegaan, mededoen, deel aan iets nemen; medenemen.

tumêndhil : K.N. muizedrek.

timur : K.h. [anom, N., anèm, K.] jeugdig, jong, onmoudig, minderjarig [=sathithik umure]. kala timur, de jeugdige leeftijd. Sultan Timur, de minderjarige Sultan. -katimurên, te jong, te jeugdig.

tumara : zie tomara.

tomara : of tumara, naam van een thans onbekend wapentuig, dat door sommigen voor een pijl, door anderen voor een werpspies of voor Dêndå

--- 287 ---

gehouden wordt [=panah, Skr, tômara, een ijzeren knods; een lans].

têmrucuh : K.N. een halfrijpe vrucht.

tumrêcêp : K.N. in menigte op den grond neêrvallen.

tumêrcêp : K.N. opvliegend, driftig.

tumrap : zie trap.

tamak : K.N. raken, treffen, kwetsen [vrg. tama, II.].

tamtu : K.N. vast, zekerlijk, waarlijk, inderdaad; zekerheid. -têrtamtu, N. of K.N.; ook sayêkti, N., [sayêktos en saèstu, K.] zeker, zekerlijk, waarlijk, waarachtig, voorwaar. têrtamtuning damêl, K. vaste taak. -namtokake, N., -kên, K., vaststellen, bepalen, besluiten; bestemmen; verzekering geven, bevestigen; zich verzekerd houden. -nêrtamtokake, N., -kên, K., voorbeschikken. katêrtamtokake, N., -kên, K., vast besloten.

tamat : [Ar. tammat] (eign. het is ten einde) einde, zooals van een boek, slot; ten einde zijn [Sd. Ml. id.]. -namatakên, iets geheel laten zien, alles vertoonen; iets naauwkeurig beschouwen.

tumut : K. [milu, N.] medegaan, verzellen, vergezellen, begeleiden; mededoen, deel nemen; volgen, gehoorzamen; onder iemand of iets staan. [Het grondwoord is tut]. tumut muwun, mede weenen. -numuti, iemand aanspooren om mede te gaan; een deelgenoot maken of aannemen. -numutakên, doen medegaan; onder iemand stellen.

tumutur : zie tutur.

tamtama : Kw. voortreffelijk, uitmuntend [=sampun utama en prajuriting ratu]. prajurit tamtama, benaming van een lijfwacht van den vorst.

tamsir : Kw. sabel, zwaard [=pêdhang].

tamsil : Ar. een voorbeeld of teeken ter waarschuwing [Ar. tamtsiil] , vergelijking, gelijkenis].

tamuwan : zie tamu.

têmawon : zie tawon.

tumawing : K.N. zich op den rand, aan de zijde van iets bevinden.

tumuli : zie tuli, III.

tumulur : K.N. algemeene belangstelling; nieuwsgierigheid.

tumlorong : K.N. lichten, schijnen; het vliegen van een pijl door de lucht.

tampi : zie tômpa.

tampu : K.N. inregenen; regen die van buiten naar binnen slaat. -katampon, door den regen, die van buiten naar binnen slaat, nat worden.

tumpa : K.N. opstapeling, ophooping [=susun]. tumpa-tumpa, op elkander gestapeld; op elkander volgend; opvolging.

tempo : K.N. het einde van een bepaalden pachttijd [Het is het Port. tempo, tijd. Zoo ook in't Ml.]. -nempokake, N., -kên, K., den pachttijd doen eindigen. -tempon, tijdsbepaling van het einde van de pacht.

tômpa : N., tampi, K., het ontvangen, de ontvangst; opvatting, begrip; ontvangen; opvatten, begrijpen [Sd. tampa]. salah tampi, misverstaan. [mis...]

--- 288 ---

[...verstaan.] -nampani, N., nampèni, K., iets ontvangen; aannemen; opvatten, b.v. als ernst; ook iemands bede aannemen, d.i. verhooren. Katampan of katampanan, N., katampèn of katampenan, K., l.v.; ook hetgeen ontvangen is of wordt. -pitômpa, N., panampenan, K., tijd v

tompo : K.N. een ronde van bamboe gevlochtene mand; een rijstmaat van verschillende grootte, houdende van 1 tot 10 katis rijst. -tompon, bij tòmpo's.

tampah : K.N. een van bamboe gevlochten wan, om de rijst van het kaf te zuiveren; een groot rond bord van bamboe.

têmpah : zie têmpuh, II.

têmpuh : I. Kw. en K.N. aanval, inzonderheid in den strijd; aanvallen [Ml. id.]. -nêmpuh, een aanvl doen, op den zijand aanvallen. -tumêmpuh = anêrajang, -panêmpuh, aanval. II. N., têmpah, K., of tatêmpuh, en tatêmpah, vergoeding, schadeloosstelling. -nêmpuh, N., nêmpah, K., het op iemand verhalen; vergoeden, schadeloosstellen. katêmpuhan, N., katêmpahan, K., hetgeen vergoed moet worden, waarvoor iemand aansprakelijk gesteld wordt. -nêmpuhake, N., nêmpahakên, K., iets laten vergoeden; iemand voor iets verantwoordelijk stellen; een ander voor iets doen instaan.

timpuh : K.N. een bijzondere wijze van zitten met de voeten onder het lichaam gebogen [Ml. id.].

têmpaos : K. acacia.

tampar : K.N. gedraaid, getwijnd, gevlochten; een touw; een streng, snoer. -nampar, touw slaan, touw draaijen, twijnen. -tamparan, twijn.

tampêr : Kw. zand. uyah tampêr, N., sarêm tampêr, K., ook uyah ampêr en sarêm ampêr, fijn zout, dat te Koewoe en aan het Zuiderzeestrand, vooral te Patjitan, bereid wordt en zeer fijn en wit, maar laf van smaak en in den handel verboden is; zoo genaamd, omdat het, als zand, zoo fijn van korrel is.

têmpur : K.N. het zamenstroomen van twee rivieren; zamenvloeijing, vereeniging; zamenvloeijen, zich vereenigen [=pagut]. -nêmpur, zamenvloeijen, zich vereenigen; ook ontbolsterde rijst koopen. -têmpuran, de plaats, waar twee rivieren in elkander stroomen; ook rijstverkooper. -panêmpur, het middel (het geld) om ontbolsterde rijst te koopen.

tumpêr : K.N. een brandend stuk hout.

tumpur : K.N. vergruisd, vernietigd, vergaan [=luluh en bubuk, Sd. tumpurkên, vernietigen, uitdelgen, uitbroijen].

têmpora : naam van een berg.

tampik : K.N.; nampik, afwijzen, van de hand wijzen, afkeuren, weigeren, versmaden, uitsluiten; zich van iets onthouden. -tampikan, iets dat men van de hand wijst, waaraan

--- 289 ---

men een geringe waarde hecht. -panampik, afwijzing.

têmpak : K.N. bot, stomp.

têmpuk : K.N. zamenloopen, zamen treffen; zich aan elkander sluiten; elkander te gemoet treden; inzonderheid van het elkander te gemoet treden van bruid en bruidegom na de voltrekking van het huwelijk. -têmpukan of tatêmpukan, personen die elkander ontmoeten.

tumpak : I. K.N. zie tumpêk. II. Kw. Zaturdag [=Sêptu]. III. K. [tunggang, N., titih, K.h.]; numpak, ergens op zitten, rijden of varen, zoo als op een paard, op een wagen, in een draagstoel of op een schip [Sd. id.]. numpak kapal, te paard rijden. numpak kareta, op een wagen rijden. numpak baita, op een schip varen, scheep gaan, zich inschepen. -numpaki, op iets rijden of varen, berijden. -katumpakan, bereden worden. -tumumpak, er boven opzitten; iets in zijn magt hebben; begrijpen, verstaan. -tumpakan, iets waarop men rijdt of vaart. kapal tumpakan, rijpaard.

tumpêk : of tumpak, K.N. omgekeerd, uitgeschud, uitgegoten; ten einde toe, geheel en al. tumpak ponjèn, benaming van de Sasrahan, als de bruid het jongste kind is. -numpêk of numpak, omkeeren, uitschudden, uitgieten; ook z.v.a. dungkap. -numpêki, iets geheel le.g maken, ten einde brengen.

tumpuk : K.N.; numpuk, stapelen, opstapelen, ophoopen, op elkander leggen, opzetten [Sd. tumpuk, id]. -tumpukan, stapel, hoop. atêtumpukan of atumpukan, bij hoopen.

tumpês : K.N. verwoest, verdelgd, vernield [Ml. id.]. -numpês, uitroeijen, verwoesten, verdelgen. -numpêsi, meerv. van het vorige.

tampu wawang : Kw. Koopman.

tampal : K.N.; nampal, met de hand iets of iemand van zich afhouden, afweren.

tampèl : K.N. de haan van een geweer. satampèl, een hand lang. -nampèl, met de vlakke hand op iets slaan, een zachten slag geven; weren.

timpal : K.N. afgerukt, afgescheurd, weggerukt.

tumpal : K.N. 1. dubbel, voering; 2. z.v.a. sarah, vuilnis, dat op het water drijft. -numpal, z.v.a. nyarah, gelijk vuilnis, dat op het water drijft, zich naar iemand schikken. numpal kèli, zich aan zijn lot overlaten, heen gaan, waarheen men door zijn hart gedreven wordt; ook z.v.a. nunut, zich op reis in iemands gezelschap voegen.

tèmpèl : K.N. naam van een déså in het Soerakartasche. -nèmpèl, aansluiten, aankleven. -nèmpèli, zich aan iets aansluiten, met iets vereenigen. -nèmpèlake, N., -kên, K., iets doen aansluiten, vastkleven; vasthechten, aanplakken. -tumèmpèl, aansluiten, aankleven, vast aan iets hechten; ergens tegen aan lennen.

tèmplèk : K.N.; tumèmplèk, vastgehecht [vrg. tèmpèl]. -nèmplèkake, N., -kên, K., vasthechten, aanplakken.

--- 290 ---

têmpilan : K.N. deelgenoot in een underneming.

tampiling : K.N. oorveeg, slag aan het oor. -nampiling, een oorveeg geven.

têmpolong : K.N. een houten kwispedoor of spuwbak [Sd. id.].

tampang : 1. K.N. een gewigt of zwaarte, waardoor iets naar beneden getrokken wordt, het lood aan een net; 2. rol tabak. De tabak wordt nam. op Java verkocht in rollen van verschillende grootte.

tamping : K.N. rand, zoom, grens; het hoofd van een grensdorp; titel van een ambtenaar in het Djokjokartasche, die gelijk staat met een Goenoeng of Rêdi in het Soerakartasche, on die het opzigt over de bruggen en wegen en de politie buiten de hoofdplaats heeft. -tampingan = pinggiran en pagêran.

tumpang : K.N. opeenstapeling. -numpang, opleggen, opstapelen. -numpangi, dingen op elkander stapelen. -numpangake, N., -kên, K., iets ergens op leggen of zetten. -tumumpang, ergens op liggen. -tumpangan, stapel, hoop.

tumpêng : K.N. een hoop gekookte is en de gedaante van een suikerbrood heeft.

tumpang so : K.N. iets verkeerd begrijpen; zich verkeerd uitdrukken.

tambi : K.N. het boven den grond uitkomen van de wortels van een boom, uitwas, knoest. -nambi, wederspannig, onwillig zijn.

têmbe : K.N. toekomst [besuk, N., benjing, K.]. ing têmbe, in de toekomst, toekomstig, voortaan, naderhand, namaals, ten laatste; thans, op het oogenblik; voor het eerst. -katêmben, iets dat in de toekomst gebeuren moet, dat nog aanstaande is, waarnaar men verlangt dat gebeuren zal, iets dat zich in het verschiet bevindt. -têmbeyan, voor de eerste maal; een eerstgeboren en nog eenig kind. mêtêng têmbeyan, N., wawrat têmbeyan, voor de eerste maal zwanger.

timba : K.N. emmer, wateremmer, tobbe [Ml. id.; Sd. timbahan]. -nimba, een emmer gebruiken, met een emmer water putten.

tumbu : K.N. een vierkant mandje met een deksel.

tômba : N. [ook jamu, N., jampi, K.] geneesmiddel, medicijn. -tatômba, een geneesmiddel gebruiken, medicijn innemen. -nambani, iemand medicijn ingeven, een geneesmiddel toedienen, genezen. -nambakake, iets tot geneesmiddel aanwenden; geneesmiddelen laten geven.

tambah : [Ml. tambah] , bijvoeging, vermeerdering [=wuwuh]. -nambahi, K.N. vermeerderen, bijvoegen, toevoegen.

tambuh : ook, en eigenlijk, tanbuh, N., tambêt, K., niet weten; onbewust; zich dom, onkundig, onwetend houden [botên uninga en api-api nora w.ruh, zamenggesteld uit tan en buh]. -nambuh, N., nambêt, K., niet begrijpen, niet verstaan; zich onkundig houden [vrg. nambung]. -tumambuh, veinzen, zich houden, als of men iemand niet verstaat. -nambuhi, geen acht op iets slaan, er niet naar luisteren. -katambuhan of katambuwan,

--- 291 ---

domheid, onkunde, onwetendheid. -pitambuh, N., pitambêt, K., onwetendheid, onbewustheid; zich onkundig, onwetend houden. -mitambuhi, iemand in onwetendheid laten.

tamban : K.N. langzaam, traag, voornamelijk van den gang; temerig [=alon]. calathu tamban, temerig spreken. -tambanan, op een temerige wijze, met geleem. calathu tambanan, op een temerige wijze spreken. -katambanên, te traag, te langzaam.

timbun : K.N. opgestapeld, in menigte, digt op elkander; vermenigvuldigen, vermeerderen [=tumpang tindhih, Ml. id.].

tômbra : naam van een visch, die zich in rivieren en in vijvers ophoudt en van een bijzonder aangenamen smaak is.

tambir : K.N. de vleugels op de twee zijden van een klein vaartuig, om het omslaan te beletten.

tambur : Holl. tamboer; ook trommel [Sd. Ml. id.]. -nambur, trommelen.

têmburu : eign. van een Batårå.

tumburu : eign. van een Bagawan.

timbrêng : K.N. een betrokkene, regenachtige lucht.

tambak : K.N. dam, dijk, bedijking, schutsweer, beer [Sd. tambakan]. -nambak, een dam maken; tegenhouden, stuiten; tegengaan, beletten. -nambaki, stoppen; met kracht iets tegengaan; een middel tot afwering, een geneesmiddel tot het stuiten van een ziekte gebruiken. -panambak, het plaats hebben van nambak.

tumbak : N. [waos, K.] lans, piek, spies, speer [Sd. Ml. id.]. tumbak cucukan, zie onder cucuk. -numbak, een lans gebruiken, met een lans steken, doorsteken; iemand valschelijk beschuldigen, betichten. -numbakake, tot een lans bezigen om er meê te steken. -panumbak, K.N. een lansddrager, lansier, soldaat met een lans.

tumbuk : K.N.; numbuk, botsen, tegenstooten, tegenloopen; het zamenloopen van twee gewigtige gebeurtenissen op denzelfden tijd; vermenging van vleesch met klappermelk.

tembak : I. Kw. rij [Het wordt verklaard door akèh amratani en jêjêl]. atembak, een rij formeren, zich in een rij scharen. II. K.N. nadoen, nabootsen [=tulad].

tembok : K.N. I. een scheiding tusschen rijstvelden [Sd. timbok, een muur; Ml. een muur; ook dijk of wal]. II. pleister, gips, pleisteren, een muur of iets bepleisteren.

tombok : K.N. voortgang, vermeerdering; toegift, bijvoegsel. -nombok, toegeven, b.v. bij een ruiling. -nomboki, bijvoegen, toevoegen, vermeerderen; toegeven; op een tandakspartij zijn geld voor een dans storten. -nombokake, N., -kên, K., ten beste geven, opofferen.

têmbako : N. [sata, K.] tabak [Port. tabaco].

tambêt : zie tambuh.

têmbus : K.N. door en door, geheel en al, inwendig en uitwendig; geheel doordrongen. ora bisa têmbus, N., botên sagêd têmbus, K., ondoordringlijk.

--- 292 ---

tumbas : en numbas, K. [tuku, N.] koopen. -têtumbas, het een of ander koopen, onderscheidene dingen koopen. -numbasi, van iemand iets koopen; voor een meisje, dat ten huwelijk gevraagd wordt, een som gelds, als ware het tot een koopprijs, aan de ouders geven. -numbasakên, voor iemand koopen. -tumbasan of têtumbasan, hetgeen men koopt of koopbaar is, koopgoederen; de som, die voor een meisje bij het aangaan van een huwelijk aan de ouders betaald wordt. rencang tumbasan, een slaaf. -patumbas, koopprijs, koopsom; ook pachtsom. patumbasing sêkar, een stuk geld, dat bloedverwanten en vrienden den avond voor den trouwdag tot geschenk geven; ook het geld, dat een zoon, die zijn vader in zijn post opvolgt, aan den Loerah-tabon geeft, gewoonlijk een half jaar pacht. -panumbas, het plaats hebben van numbas.

tambal : K.N. lap; gelapt; lapping, het digt maken van gaten of scheuren; ook een soort van veelkleurig uit bonte lappen zamengesteld kamizool, dat door de Tamtåmå's gedragen wordt [Sd. Ml. id.]. -nambal, lappen, verstellen, een lap op een kleed zetten, inlasschen, zamenlappen. -tambalan, een lap, stuk; gelapt; b.v. sruwal tambalan, een gelapte broek.

tambêl : K.N. in ruil geven, ruiling. -nambêli, voor een ander iets doen, voor een ander betalen; voor iemand in de bres springen. -tambêlan, voorschot, vooruitbetaling. ningkah tambêlan, het huwelijk van een ongetrouwde vrouw, die zwanger bevonden wordt, maar den man, bij wien zij zwanger is, niet kan of wil noemen, met haar hoofd op last van den Hoogepriester.

timbal : K.N.; nimbal, op een ander doen overgaan, toewerpen. -nimbali, iemand iets toegooijen; K.h. [ngundang, K.N. en ngongkoni, N., ngèngkèni, K.] iemand roepen, oproepen, om iemand zenden, ontbieden, gelasten. -tumimbal, van den een op den ander overgaan; namens het hoofd van iemand een last ontvangen. -timbalan, K.h. [pakon, N., pakèn, K.] last, bevel van een hoofd, dat aan iemand door een brief of bode overgebracht wordt.

timbêl : K.N. lood [vrg. timah].

timbil : K.N. een zwarte vlek op het oog.

timbul : [Ml. timbul] , oprijzen, opschieten, te voorschijn komen, zigtbaar worden; K.N. onkwetsbaar zijn. timbul taunan, naam van een land. -tumimbul, bovendrijven, niet doordringen. -nimbul, zich onkwetsbaar maken.

tumbal : K.N. een middel tot afwering van een ziekte, een amulet.

têmbêlèk : K.N. kippedrek.

tambêlang : K.N. een koker van bamboe, waarin het vocht van den Aren-boem opgevangen wordt.

tambilung : eign. van een bediende der Boetås.

têmbaga : N., têmbagi, K., rood koper [Sd. Ml. id.].

têmbagi : zie têmbaga.

tambang : K.N. lijn, touw, pees van een boog [=têtali]; ook naam van een bloem. tambang paranteyan, huis, woning, woonplaats, geboorteplaats; geslacht, afkomst. -nambangi, overvaren, over een rivier zetten [Ml. tambang , menambang] , overvoeren]. [over...]

--- 293 ---

[...voeren].] -panambangan, het overvaren, oversteken van een rivier. tambangan, veerschuit, vaartuig waarin men overvaart; veer; veergeld [Sd. id.].

tambêng : K.N. I. koppig, baloorig. -nambêng, wederspannig, onwillig zijn. II. opleggen, op iets leunen; bijv. het geweer op iets leggen, wanneer men schieten wil.

têmbang : I. N. [sêkar, K.] versmaat, zangwijze, dichtmaat, poëzij. têmbang gêdhe, de groote, oudere zangwijzen. têmbang macapat, de gewone of kleine zangwijzen. atêmbang, verzen maken, in versmaat schrijven. -nêmbang, een maatgeluid maken, zingen of spelen [=angungêlakên sêkar, Sd. id.]. nêmbang gôngsa, op de Gamêllan spelen. II. Kw. taal, berigt.

têmbing : K.N. rand, kant, boord, zoom, oever [=pinggir, Sd. id.]. têmbing kiwa, bakboord.

têmbung : K.N. I. taan, spraak, woord, gezegde. têmbung Kawi, de Kawi-taal, Kawi-woorden. têmbung Jawa, N., têmbung Jawi, K., de Javaansche taal. têmbung alus, minzaam. bisa têmbung, N., sagêd têmbung, K., taalkundig. satêmbung, een woord. -nêmbung, spreken [=gadhah panuwun]. -nêmbungake, N., -kên, K., voor iemand spreken; tot een taal maken, vertalen; noemen. -pitêmbung, rede. -patêmbungan of pitêmbungan, bewoording, woord, gezegde, taal, spraak. layang patêmbungan, N., sêrat patêmbungan, K., woordeboek. patêmbunganing nagara, N., - nagari, K., landtaal. II. een korte zweep; de slag met een zweep, slag, slagen. aliru têmbung, slagen wisselen. -nêmbung, met een zweep slaan.

timbang : K.N. wedergade, gelijkheid, evenwigt; gelijk van gewigt zijn, in vergelijking komen, even gelijk zijn [Sd. Ml. gewigt; wegen]. tanpa timbang, weêrgaloos. -nimbang, afwegen, gelijk maken; vergelijken. -nimbangi, tegenoverstellen, bij iets vergelijken, naar iets afwegen; evenaren, gelijken; beantwoorden [=amadhani]. -panimbang, gelijk gewigt; afweging; overweging. -timbangan, gewigt, tegenwigt, tegenpartij; weêrklank.

tembong : K.N. een zwarte vlek op de huid.

tamèng : K.N. schild, beukelaar [Sd. taming, Ml. tamen] ]. tamèng yuda, een benaming van troepen. -namèng, een schild gebruiken, een schild dragen. wong namèng, schildknaap, iemand die een schild draagt. -tamengan, benaming van het fatsoen van een ring, kringsgewijze met edelgesteenten ingezet, met een grooter in het midden.

timang : K.N. gesp. -katimang, metalen beslag [Sd. katiman, gesp]. -nimangi, gespen, digtgespen, toegespen.

tumang : K.N. opeenstapeling; rij, gelid. tumangan, vuurhaard [Het wordt verklaard door tumpangan en tunggangan].

tumêngge : K.N. overeind staande oogharen.

tumênggung : K.N. titel van de hoogste ambtenaren onder den Raden-Adipati, een regent. Zoo gewoonlijk radèn tumênggung, nyai tumênggung, titel van de vrouw, die het hoofd der beambten binnen het paleis is.

--- 294 ---

tumênggungan : K.N. benaming van een zeker soort van gestreept goed.

tog : of êtog, K.N. I. het laatste of uiterste, waartoe iets komt of gebracht wordt; ten laatste, ten slotte. -ngêtog, tot het uiterste inspannen. -katog, ten uiterste gekomen, of ingespannen; gedaan zijn; volwassen, volwassen zijn; ten slotte gebleken, besloten, bepaald. -ngêtogake of ngatogake, N., -kên, K., tot het uiterste doen komen. -tog-togan, het einde. -notog, tegen iets aanstooten, tegen iets stuiten; met een punt iets raken; naar iets steken, stooten. II. toegeving, b.v. aan een kind. -ngêtog, toegeven.

taga : Kw. regt overeind staan; mensch.

tiga : K. [têlu, N.] drie; ook têtiga, inzonderheid achter zelfstandige naamwoorden [Ml. id.]. tigang dasa, dertig. tiga bêlah, twee honderd vijftig. tiga wêlas, dertien. kaping tiga, de derde, het derde, drie maal. -niga, elk drie. nigang dintên, offeren voor een overledene op den derden dag na zijn overlijden. -katiga, de derde in opvolging. môngsa katiga, K.N. het drooge jaargetijde, de Oostmoeson. -nigani, een offerande doen voor een vrouw in de derde maand van haar zwangerschap. -tigan, 1. [êndhog, N.] een ei; 2. [kènyèh of kênyèh, K.] een klaargemaakte Sirih-pruim; omdat namelijk beide uit drie dingen bestaan. tigan ulam, vischkuit. tigan satugêl, benaming van het zonnescherm der onechte zonen en dochters van den Vorst, zijnde boven verguld, vervolgens wit, en dan weêr verguld. -antiga, Kw. z.v.a. tigan, K., een ei [vrg. antêlu bij têlu]. -para tigan of pratigan, in drieën verdeeld. sapratigan, een derde. -mara tiga of mratiga, in drieën verdeelen; vor het derde van de opbrengst den grond bewerken. -panigang jung, benaming van een rang van Mantri.

tugi : K.N. het haar aan een padi-aar, ook de aar zelf.

tugu : K.N. een paal, post, stijl. watês tugu, grenspaal, grens, merk. tugu rana, naam van een distrikt.

tega : K.N. toegestaan, vergund; iets over zijn hart kunnen krijgen. ora tega, niet toegestaan, niet mogen, niet durven, niet over zijn hart kunnen krijgen. -negakakên, het aan iemands verkiezing overlaten, inwilligen, toestaan, te vreden stellen; iets over het hart kunnen brengen. -kamitegan, aan iemand overgelaten, toegestaan; bedaard, gerust zijn; zich om niets bekreunen, zich aan niets gelegen laten zijn.

tagih : K.N. naam van een visch. -nagih, iemand aan een schuld herinneren, manen, om betaling vragen. -patagiyan, een aanmaning, verlangen om iets terug te ontvangen; groot verlangen; groote honger of dorst. patagyan, Kw. hetzelfde.

têguh : K.N. standvastig, onbeweeglijk, onveranderlijk; onkwetsbaar, onkwetsbaarheid [=alot, Ml. sterk, vast, duurzaam]. -nêguh, standvastig blijven, zich bedaard houden.

--- 295 ---

-nêguhake, N., -kên, K., in iets volharden, er niet van afwijken. nêguhake ing agama, standvastig aau de Godsdienst houden.

tagon : K.N. ondertrouwen, verloven; vrijen; vrijer, minnaar, geliefde.

tigan : zie tiga.

têgar : en nêgar, K.N. rijden, uittrijden. -nêgari, berijden. -panêgar, berijder, pikeur.

têgor : K.N.; nêgor, vellen, kappen, omkappen, omhakken.

tugur : en nugur, K.N. bestendig op dezelfde plaats blijven; door blijven werken, door blijven waken [atugur = apajêg]. -nuguri, onafgebroken aan iets blijven; iemand onafgebroken blijven bewaken.

têgari : naam van een welriekend hout.

têgês : K.N. beteekenis, uitlegging, verklaring. -nêgês, naar de meening van iets vragen. -nêg.si, beduiden, verklaren, ophelderen. -nêgêsake, N., -kên, K., opheldering van een zaak geven, iets verklaren. -patêg.s, bekwaam, bedreven.

tigas : I. Kw. versch, nieuw; pas, zoo even. II. K.N. doorgesneden, afgesneden, afgehouwen, doorgehakt [=tugês, Sd. beslissing]. tigas pacing, doorgesneden, afgesneden worden als Patjing; wordt gezegd van iets dat met geringe moeite te verrigten is. -nigas, doorsnijden, doorkappen, afsnijden, afhouwen, afhakken. -nigasi, beslissen. --tigasan = pêdhotan. -panigas, hetplaats hebben van nigas.

tiga wêlas : zie tiga.

têgal : N., têgil, K., veld, vlakte, hoogland, hooge akkergrond, die niet onder water gezet kan worden; hoogland bebouwen; ook naam van een Residentie op Java. Têgalsari, N., Têgilsantun, K., naam van een plaats in het Prånårågåsche. Têgal Kurusetra of Têgal Kuru, naam van een vlakte in de nabijheid van Ngastinå, waarop de Bråtå-joedå gestreden is [-papaning prang ing Ngastina]. -têgalan of patêgalan, N., têgilan of patêgilan, K., hooge gronden, hooglanden.

têgêl : K.N. gerust, bedaard; standvastig, onbeweeglijk. ora têgêl, weifelend, ongerust.

têgil : zie têgal.

tugêl : K.N. doorgesneden, afgesneden, doorgekapt, doorgebroken, afgebroken. satugêl, een stuk. -nugêl, doorsnijden, afsnijden, afknippen, doorkappen, afhouwen. -nugêli, meervoud. -tugêlan, een stuk, afgesneden of afgebroken stuk, brok.

têgêg : .K.N. niet vies zijn, geen afkeer van iets hebben.

togog : K.N. een paal waaraan een pagêr vastgemaakt wordt; ook eign. van een bediende van Boerisråwå of van een der Koeråwå.

tigang : zie tiga.

tigungan : z.v.a. tikungan.

taba : grondvprm van ngêtab en tatab, tab-taban, de klopping van het hart, hartklopping, groote ontroering, onstelnis.

tabe K.N. groete, heilwensch [Ml tabik] of tabih].

--- 296 ---

têba : K.N. een onbebouwd land. -nêba, in het open veld, onder den blooten hemel slapen. -panêba, het overnachten in het open veld.

têbu : N. [rosan, K.] suikerreit [Ml. id.]. -patêbon, suikerreitveld.

tiba : N. [dhawah, K.] val; vallen, neêrvallen, omvallen; in iets vallen, tot iets vervallen. -niba, zich laten vallen, zich op den grond werpen. niba-niba, zich herhaaldelijk op den grond werpen. aniba tangi, vallen en opstaan. -nibani, op iets of iemand vallen, neêrvallen. -katiban of katibanan, b.v. hetgeen waarop iets valt of gevallen is. -nibakake, laten vallen, nederwerpen, nederstorten. -tumiba, vallende zijn; treffen, te beurt vallen. -patiba jampi, K.N. schadeloosstelling voor het koopen van geneesmiddelen aan iemand, dien men zonder opzet gewond heeft.

tuba : Ml. tuba] , naam van een gewas, waarvan de wortel in het water geworpen wordt, om de visschen te bedwelmen en zoo te vangen [Sd. tuwa]. -nuba, K.N. op die wijze visch vangen.

tabah : zie tabuh.

tabêh : zie tabuh.

tabuh : ook tabêh en tabah, K.N. de klepel of hamer, waarmeê men op een instrument slaat; kloksing, uur [tabêh = êjam, Sd. tabêh tambur, trommelen]. -nabuh, op een instrument slaan, op de Gamêllan spelen. -tabuhan of têtabuhan, ook têtabêhan en tabahan, allerhande instrumenten, waarop geslagen wordt.

têbah : I. K.N. de vlakke hand; handbreed, handbreedte. têbah jaja, een borstsieraad. têbah-têbah dhadha, zich op de borst slaan. têbah têmbung, door gebaren of door woorden een verzoek te kennen geven. -nêbah, met de vlakke hand slaan; op de borst slaan. II. K.N.; nêbahi, vegen, afvegen, schoonmaken, zuiveren. -panêbah, een bediende die de bedden opmaakt. III. K. zie têbih.

têbih : ook têbah, K. [adoh, N.] ver, afgelegen; verte, afstand. -nêbih en nêbihi, zich verwijderen. -nêbihakên, iets verwijderen. -têbiyan of katêbiyan, iets dat zich op een afstand bevindt; verwijderd zijn, afstand, verte.

tabon : K.N. de buitenste schil van een kokosnoot. bumi satabone, het land met zijn onderhoorigheden. lurah tabon, wordt een ambtenaar genoemd, wiens inkomsten in landen bestaan, die hem voor zijn ambtsbediening in leen gegeven zijn, en die dus de tijdelijke heer dier landen is.

tuban : naam van een distrikt.

tubin : K. z.v.a. tuban.

tabir : z.v.a. tambir [Ar. ta'bir] , verklaring, uitlegging van een droom; Ml. id.]. -tabiran, een voorspelling van iets kwaads, een kwaad voorteeken.

tibra : Kw. droefheid, hartzeer [=prihatin]. -patibra, zie beneden.

tabêri : K.N. naarstig, vlijtig, arbeidzaam, ijverig; ijver. -nabêrèni, tot vlijt aansporen. -

--- 297 ---

tabêrèn, bij voortduring ijverig, ijverig van aard.

tubruk : K.N.; nubruk, op iemand of iets aanvallen, op iemand losgaan, de klaauwen in iemand slaan [Ml. ergens tegen aanstooten, Sd. stooten, zoo als met de horens].

tabèk : K.N. volgen, gehoorzamen.

tabok : K.N.; nabok, met de vlakke hand tegen het hoofd slaan, een oorveeg geven. -naboki, meervoud. -panabok, een slag, klap met de hand.

tobok : K.N. een wan.

tabêt : K.N. spoor, teeken, merk; naam; ruine.

tabit : verbastering van het Ar. thabiib] , geneesheer.

tabut : K.N. een bord met een deksel.

tobat : K.N. bekeering, verbetering van gedrag; bekeerd; zich bekeeren [Ar. taubat] ; Sd. Ml. id.]. patobat, bekeering, verbetering van gedrag.

tab-taban : zie tab.

têbas : K.N.; nêbas, op het veld staande vruchten koopen; de opbrengsten van een land vooruit koopen; een stuk grond huren. -nêbasake, N., -kên, K., de opbrengsten van een land vooruit verkoopen; een stuk grond verhuren. -panêbas, huur voor een stuk grond; het koopen van op het veld staande vruchten.

têbus : K.N.; nêbus, een pand of pandeling lossen, loskoopen [Sd. Ml. id.]. -nêbusi, meervoud. -panêbus, uitlossing van verpande goederen; uitlosser.

tabêl : ook têbêl, K.N. dik; gezwollen [Ml. id.].

tabêla : K.N. doodkist. tabêla sukêt, naam van een land.

tablas : K.N. doorheengaan, doordringen; door en door.

tabyat : Kw. last, bevel.

tabag : K.N. benaming van op een bijzondere wijze gevlochtene bamboe: b.v. pagêr tabag.

têbêng : K.N. 1. middelmatig [têbêng-têbêng = sêdhêng-sêdhêng]. 2. jaloezie voor deur of venster.

tabingut : z.v.a. tabèk.

tang : Kw. = kang of ingkang.

têng : Md. z.v.a. dhatêng, K.

ting : I. z.v.a. êting, K.N. lantaarn, handlantaarn. II. ting en gew. pating, K.N. een voorzetsel vóór een drielettergrepig, of door invoeging van den klank al of ar achter den eersten medeklinker tot drielettergrepig gevormd woord, waardoor een algemeenheid of overal verspreid zijn te kennen gegeven wordt; b.v. pating jalêrit, 't is een algemeen geschreeuw. Zie de Spraakkunst.

tèng : of êtèng, een half dubbeltje, alleen in zamenstelling met telwoorden, zoodat satèng, een half dubbeltje of een stuiver beteekent. karo tèng, N., kalih tèng, K., anderhalf dubbeltje. têlu tèng, N., tiga tèng, K., derdehalf dubbeltje. papat tèng of kapat tèng, N., kawan tèng, K., vierdehalf dubbeltje. ngênêmbêlas tèng, elkzestiendehalf dubbeltje [Sd. een stuiver].

tong : of êtong, K.N. Holl. ton, waschkuip. tukang tong, kuiper.

--- 298 ---

tangi : K.N. [wungu, K.h.] opstaan, zich oprigten; van den slaap opstaan, ontwaken [Sd. waken, wakker zijn]. -kêtangi, zie boven. -nangèni, iemand doen opstaan, aansporen om op te staan. -nangèkake, opwekken; iets verwekken, te voorschijn roepen of doen komen. -tangèn, het opstaan.

tênga : K.N.; nênga, naar boven zien, het hoofd naar iemand opheffen, ontzag voor iemand hebben. -tumênga, de oogen omhoog gevestigd houden, het hoofd opheffen, naar boven zien. -nêngakake, N., -kên, K., iemand naar de hoogte doen zien.

têngu : K.N. zonder einde, zeer lang, uitgerekt, wijdloopig; volharden, blijven voortduren.

têngah : K.N. het midden, middelpunt; de helft [Sd. Ml. id.]. ing têngah, midden, in het midden. têngah wêngi, N., têngah dalu, K., middernacht. karo têngah, N., kalih têngah, K., anderhalf. têlu têngah, N., tiga têngah, K., derdehalf. satus têngah, 99½. satêngah, midden in; en half, een half; eenige, sommige. satêngah sasi, een halve maand. satêngah gangsal, half vijf {uur}, om half vijf. satêngah mati, half dood. wong satêngah, sommigen; en een gek mensch. -nêngah, in het midden doorsnijden, in twee gelijke deelen verdeelen; midden door gaan; naar het midden gaan. -nêngahi, in het midden doordringen; in het midden, tusschen beiden komen. -têngahan, de helf van iets. -panêngah, de middelste; het middelste kind. -manêngah, zich in het midden begeven.

tangan : K.N. [asta, K.h.] hand; de benedenarm met de hand [Ml. id.]. -nangani, iets met eigen hand verrigten. -tanganan, een mouw.

têngên : K.N. regts. asta têngên, de regterhand. -nêngên, naar den regterkant gaan. ngiwa-nêngên, links en regts. -panêngên, iemand die een goede daad verrigt; een goed gedrag; deugdzaam.

têngêr : K.N. merk, teeken. tatêngêr, teeken, merk, sein, baak; een merk maken. têngêr kaurmatan, eereteeken. -nêngêri, iets merken, een merk of teeken op iets zetten; afperken. -têngêran of tatêngêran, merk, teeken; van een merk voorzien zijn, een gemerkt goed; tot een merk strekken; naam. -patêngêran, merk, teeken; naam.

têngara : K.N. alarm, alarmsein in den strijd. anabuh têngara, alarm slaan.

têngiri : naam van een zeevisch.

têngran : verkorting van têngêran.

têngik : K.N. muf, bedorven.

tingkah : K.N. handelwijze, gedrag, manier; zeden; kuur, kuren, grillen [=polah, Sd. Ml. id.]. -ningkah, bepalen, afmeten, een plan maken. -pratingkah, z.v.a. tingkah.

tangkar : tumangkar z.v.a. têngkar, tumêngkar.

têngkar : K.N. zich verstrooijen, uitbreiden, niet op dezelfde plaats blijven zamen wonen. têngkar-tumêngkar, zich gedurig verder uitbreiden.

têngkêr : K.N.; nêngkêr, in strukken hakken, klieven,

--- 299 ---

snijden. nêngkêri, iets regt in het midden doorklieven. -têngkêran, in stukken gesneden of gesplitst. -manêngkêr, doorklieven, splijten.

tangkur : naam van een zeevisch.

tungkak : K.N. hak, hiel. -atungkak of nungkak, iemand van digt bij, op de hielen volgen [nungkak = angidak sikil kang buri]. katungkak, op de hielen gevolgd worden.

tèngkèk : naam van een vogel.

tangkis : K.N. iets, een werktuig, om een slag af te weren of iets van zich af te slaan. -nangkis, van zich afslaan, afweren, afpareren. -tangkisan, naam van een plaast. -panangkis, het plaats hebben van nangkis.

tangkil : I. Kw.; nangkil, v??r een vorst verschijnen [=sowan ing ratu]. -panangkilan, zitplaats, paséban [=panggenane ratu sineba]. II. naam van een gewas, van welks bladen touwen gemaakt worden.

tungkul : K.N.; nungkul, zich buigen, hukken; zich onderwerpen; zich heinelijk wegmaken, iets heimelijk verrigten, iemand verschalken, onderkruipen [=kawon prang nedya ngawula, [Ml. menungkul] , zich onderwerpen; Sd. tungkul, zich buigen, bukken]. katungkul, verschalkt worden; zich laten misleiden; misleid, om den tuin geleid worden. -nungkuli, zich over iets heen buigen; ook uitmunten. -nungkulake, N, -kên, K., vermeesteren, iemand door list overmeesteren. -tumungkul, zich bukken, nederbuigen; gebogen, in een gebogene houding, met het hoofd voorover zitten of staan. -tungkulan, een maal, geregt. -panungkul, onderwerping.

tangkulak : z.v.a. kulak.

tangkêp : K.N. I. manier van handelen of doen. II. tangkêp of tangkêb, op elkander sluiten, aansluiten, zamenvoegen, vereenigen; van suiker in koekjes, die aan de ééne zijde vlak en aan de andere zijde bol zijn; en twee zulke op elkander sluitende koekjes noemt men satangkêp. -nangkêp of nangkêb, sluiten, zamenvoegen; zich aan elkander voegen; bij elkander komen, bandgemeen worden (van twee legers); aanvallen. -nangkêpi of nangkaêbi, twee dingen zamenvoegen, aan elkander sluiten, vereenigen, digt sluiten, insluiten. -nangkêbake, N., -kên, K., toedoen, digt doen, b.v. een duer. -tumangkêb, digt gaan, b.v. van een deur. -tangkêpan of liever tangkêban, vereeniging, zamenvoeging, zamensluiting. -kori tangkêban, tegen elkander aansluitende deuren.

tingkêp : zie tingkêb.

tingkêm : K.N.; ningkêm, sluiten, digtmaken; insluiten.

tangkêb : zie tangkêp, II.

tingkêb : of tingkêp, K.N. een feest, dat gevierd wordt, wanneer een vrouw voor den eersten keer zeven maanden zwanger is. akingkêb, zulk een feest vieren.

tongkèng : naam van een soort van klimop met gele bloemen.

--- 300 ---

tangadur : [Ar. ta'adzdzur] , verontschuldiging; verhindering, belet; zich verontschuldigen.

tangat : Ar. een gebed buiten de gewone vijf dagelijksche gebeden [Ar. thaa'at] , gehoorzaamheid; een vroom werk].

tongtonan : z.v.a. tontonan.

tungtum : zie tuntum.

tangting : en nangting, z.v.a. tanting en nanting.

tingting : K.N. een uit suiker en katjang bereide lekkernij.

tungtung : Kw. de uiterste punt van iets, top [=pucuk].

tangsu : zie sitangsu.

tèngsu : zie sitangsu.

tangis : N. [muwun, K.] het weenen, geween [Sd. Ml. id.]. -nangis, weenen, schreijen, huilen. -nangisi, K.N. beweenen, beklagen, betreuren, rouw gragen over iemand; tot iemand schreijen. -panangis, geween, gehuil. -tangisan, geween, gemor.

têngis : naam van een klein diertje, een juffertje; het geluid dat dit diertje maakt.

tangsèn : K.N. bepaling van tijd; ook eign. van Raden Sadewå in zijn jeugd.

tèngsun : zie katèngsun.

tangsul : zie tali.

tingal : K. het zien, het zintuig van het gezigt; het gezigt; het oog; oogmerk, plan; de zon. -ningali [andêlêng, N.] zien. katingalan, l.v.; hetgeen gezien wordt, dat zigtbaar is; uitzigt. nêningali, bezien, overzien. -tumingal, ziende, in het gezigt hebben; duidelijk, zigtbaar [=dumêlêng]. -katingal [katon, N.] zigtbaar; zigtbaar zijn, vewrschijnen. botên katingal, onzigtbaar. -ngatingal, zich vertoonen, laten zien, verschijnen. -ngatingali, zich aan iemand vertoonen, aan iemand verschijnen. -ngatingalakên, iets aan iemand laten zien, vertoonen. -tingalan of têtingalan, een voorwerp van het gezigt, een verschijning, schouwspel; ook tingalan [kaca, N., pamaesan en pangilon, K.N.] een spiegel; K.N. feestviering, feest, als meestal met schouwspelen gepaard gaande. tingalan wêton, N., tingalanwêdalan, K., tingalan wiyosan, K.h. geboortefeest, verjaringsfeest. tingalan panjênêngan, verjaringsfeest van de aanvaarding der regering of van de benoeming tot een ambt. tingalan wukon, het feest op den Pawoekon-dag. -paningal, het gezigt, het zien; een gezigt ver; K.h. [ook soca, K.h.; mata, N., mripat, K.] oog. -paningalan, gezigt, gewaarwording door het gezigt; hetgeen men ziet; een spiegel.

tangala : [Ar. ta'aala] , hoog verheven, van God. Allah tangala, Ar. Allaah ta'aala] , de hoogverhevene God, de Allerhoogste.

tanglêd : K., I. zie tarung. II. [ook takèn, K., takon, N.] vragen. -naglêd, hetzelfde [Een ander zie bij tangguh]. -pitanglêd, z.v.a. pitakèn. -mitanglêdi, z.v.a. mitakèni.

têngga : zie tunggu.

tinggi : I. K.N. een wandluis.

--- 301 ---

II. Ml. hoog, verheven. -patinggi, K.N. een dorpshoofd.

tunggu : N., tngga, K. houden, oppassen, het opzigt hebben of houden, bedienen, bewaken, de wacht houden [Ml. id.]. tunggu lawang, N., tngga kori, K., portier. sing tunggu omah, N., kang tngga griya, K., huisbewaarder. -nênggu, N., nêngga, K., oppassen, bewaken. -nunggoni, N., nênggani, K., op iemand of iets passen, voor iemand of iets zorg dragen, iemand of iets bewaken. -nunggokake, N., nênggakakên, K., iemand iets laten bewaken, een wacht ergens stellen. -tunggon, N., tênggan, K., een bediende, oppasser. -têtunggon, N., têtênggan, K., een plaats die bewaakt wordt, een post, bediening. -panunggu, N., panêngga, K., opzigt.

tôngga : K.N. naaste buurman, nabuur [Ml. id. Vrg. têparo]. têtôngga, buren, buurlieden. -nôngga, naar een buurman gaan, een buurman bezoeken [Een ander zie bij sôngga].

tanggah : zie tangguh.

tangguh : en tanggah, K.N. denken, vermoeden; voorspellen, voorspelling [tangguh = atur en tuju en tanggah = atur, Beide worden ook verklaard door palang]. -nangguh en nanggah, K.N. ook nanglêd, op den juisten tijd ergens komen. nangguhi, iemand tot iets bepraten, overhalen. -tumangguh en tumanggah, standvastig, onbeweeglijk [=amalangi, Het wordt ook verklaard door umatur en tumuju].

tanggèn : zie tanggon.

tanggon : N., tanggèn, K., standvastig, onverschrokken, onversaagd, moedig. -nanggoni, N., nanggèni, K., voor iets of iemand instaan; iets stellig beloven, toezeggen.

tanggênah : K.N.; nanggênah, regelen, ordenen; aanwijzen, te kennen geven; gelasten; toevertrouwen.

tangginas : Kw. vlug, behendig, spoedig, gaauw [=rikat]. atangginas, spoed maken, zich haasten.

tanggor : K.N.; tatanggor, tegenloopen, aanstooten. -nanggor, stuiten. -katanggor, ook katènggor, tegen iets stuiten, aanstooten. -nanggori, tegen iets aanstooten, op iets stuiten.

tênggêr : z.v.a. mênggêr [Het wordt verklaard door pundhuk en tênggêr-tênggêr door punthuk-punthuk].

tênggir : Kw. een groot voorkomen hebben, groot schijnen.

tinggar : I. Kw. breed, ruim. II. een pijl, die aan een lijn vastgemaakt is, on dien men, als men hem afgeschoten heeft, met de lijn weêr naar zich toe haalt.

tênggèrèng : K.N. een heldere dag na langdurigen regen; vreugde na veel leed.

tênggak : I. Kw. of K.N. de hals; de tweede in rang; de tweede afdeeling; het tweede kind [=gulu, Vrg. tênggok]. -nênggak, K.N. naar boven zien; de tranen afvegen. -panênggak, Kw. [vrg. panggulu]. de hals; het tweede kind; de tweede in raug [=adhining pambarêp].

--- 302 ---

II. K. zie tungguk.

tênggok : K.N. de keel [vrg. tênggak, I.].

tunggak : K.N. de stam van een boom, beneden de takken. -nunggak, tot den stam behooren; tegen een stam leunen. nunggak sêmi, uit den stam ontspruiten; iemand in zijn titel en rang opvolgen.

tungguk : N., tênggak, K., de wacht over dag; de wacht over dag houden. tungguk regol, deurwachter, portier. -patunggukan, N., patênggakan, K., een wachthuis.

tanggal : Kw. zigtbaar worden, verschijnen [=katingal]; K.N. het zigtbaar worden of verschijnen der maan; het wassen en afnemen der maan [=wilanganing sasi, Sd. id.]. tanggal ping sapuluh, de tiende dag der maand. -nanggal, naar de wassende of afnemende maan gelijken. alis nanggal pisan, wenkbraauwen als de maan, wanneer zij voor het eerst zigtbaar is. -tumanggal, de eerst verschijning der nieuwe maan. -pananggalan, maandelijksch; maandgeld.

tanggêl : zie tanggung.

tênggêl : K.N.; nênggêl, iemand tegen het lijf loopen.

tinggal : en ninggal, N. [tilar en nilar, K.] nalaten, achterlaten, verlaten; afvallen, verzaken [Sd. Ml. id.]. atinggal donya, deze wereld verlaten, sterven. -ninggali, iets of iemand verlaten; een erfenis nalaten. -tinggalan of têtinggalan, hetgeen men achter laat, nalatenschap, erfgoed. dandanan tinggalan, boedel. -patinggal, het overlijden.

tunggal : N., tunggil, K., eenheid, vereeniging; aanéén [Ml. eenige, enkele]. atunggal paatunggal. of atunggil, in het een of ander opzigt vereenigd zijn, iets zamen hebben. tunggal atèn-atène, N., tunggil manahipun, K. gelijkaardigheid. tunggal saibu, één moeder hebben, van één moeder zijn. tunggil taun, in hetzelfde jaar. -satunggil of satunggal, K., sanunggil of sanunggal, Md. [siji en sawiji, N.] één. tiyang satunggil, iemand. satunggiling tiyang, één of zeker persoon. satunggiling tiyang botên, niemand. satunggil-tunggil of satunggal-tunggal, elk; afzonderlijk. ing satunggil-tunggilipun, elk afzonderlijk, in het bijzonder. botên satunggil-tunggila, geen enkele. saking satunggil-satunggil, de een na den ander. -nyatunggil, elk één, ieder één. -nunggal, N., nunggil, K., zich vereenigen. anunggil pondhok, zamen wonen. -nunggalake, N., nunggilakên, K., bijeenvoegen; vermengen. -tunggalan, N., tunggilan, K., vereeniging. atêtunggalan, N., atêtunggilan, K., zich met een ander of met elkander vereenigen. -panunggal, N., panunggil, K., vereeniging. -panunggalan, N., panunggilan, K., tot dezelfde soort behoorende, van dezelfde soort.

tunggil : zie tunggal.

tunggul : Kw. boven anderen uitsteken; hoofd, aanvoerder; een vlag, groot vaandel [=kang gêdhe, gêndera en umbul-umbul, Sd. Ml. stam, tronk van een boom; Ml. ook vlag, vaandel]. [vaan...]

--- 303 ---

[...del].] têtunggul, de middelste vinger. tunggul malaya, naam van een land. -panunggul, het middenpunt, middelste.

tanggulang : K.N.; nanggulang, afpareren, afweren, tegenhouden [=amalangi en mapagake ing prang en tinanggulang = pinalangan].

tanggap : K.N. bereidvaardig, gewillig; naarstig; behendig [Het wordt verklaard door tômpa]. -nanggap, voor geld iemand laten spelen of dansen; door geld of beloften iemand tot bekentenis brengen.

tênggêg : K.N. kunnen, vermogen; uithouden, verduren.

tanggung : N., tanggêl, K., ontoereikend, te kort komen, onvoltallig; nutteloos. -nanggung, N., nanggêl, K., voor iemand borg zijn, voor het te kort komende instaan, borgstellen, waarborgen [Ml. tanggung, menanggung, dragen, verdragen; borg staan]. -katanggung, N., katanggêl, K., vrouwelijke bediende van een vorstin. -nanggungi, N., nanggêli, K., voor iemand instaan, borg voor iemand spreken; ook moeijelijk maken, zwarigheden in den weg leggen, bezwaren, verhinderen. katanggungan, N., katanggêlan, K., de persoon voor wien men borg is; ook gebrek, verhindering, bezwaar. -tumanggung, N., tumanggêl, K., borg staan. -tanggungan of têtanggungan, N., tanggêlan of têtanggêlan, K., voor hetgeen men borg is. -pananggung, N., pananggêl, K., het borg zijn; borg. -pananggungan, N., pananggêlan, K., borgtogt.

tunggang : N. [tumpak, K., titih, K.h.]; ergensn op zitten. -nunggang, rijden of varen. nunggang jaran, te paard rijden. nunggang kareta, op een wagen rijden. nunggang tandhu, in een draagstoel zitten. nunggang prau, op een schip varen; zich inschepen. -nunggangi, op iets rijden of varen; berijden. -katunggangan, hetgeen waarop men rijdt of vaart, dat bereden wordt. -tunggangan, iets waarop men rijdt of vaart, rijtuig, vaartuig. jaran tunggangan, rijpaard.

tèngèng : K.N. een scheve nek. -nèngèngake, N., -kên, K., den nek scheef draaijen, naar eene zijde doen overhellen.

têngange : K.N. de tijd tegen 11 uur des voorminddags.

tungan : verkorting van tunggangan.

tongong : K.N. dom, onwetend.