Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

--- 304 ---

sa

sa : (sa) K.N. een voorzetsel voor naamwoorden: 1. heel, al, gansch; b.v. sanagara, heel de hoofdplaats. sakèhe, N., sakathahipun, K., heel de menigte en van, d.i. alle; -2. een, niet in tegenoverstelling van meer dan een, maar van een gedeelte; b.v. sadesa, rong desa, een heel dorp, twee dorpen. lakon sajam, een uur gaans; -3. al met, zamen met, met; al nadat, nadat; b.v. saanak bojo kula, met mijn kinderen en vrouw. sadhatêngipun, met zijn komst, d.i. toen hij kwam; of nadat hij gekomen was; -4. al naar, naar; b.v. sapatute, naar behooren; 5. al tot dat, zoo lang tot dat; b.v. sagaringipun, zoo lang tot dat het droog is [=tunggal en siji, Sd. Ml. id.; Skr. sa, met, zamengetrokken uit saha (zie saha). De beteekenis van heel, gensch, al, schijnt in de Javaansche en verwante talen de oorspronkelijke te zijn. Misschien is het hetzelfde als sah. I. - Het wordt dikwijls verkeerd sak, geschreven; b.v. sakwonge, al zijn menschen, of met zijn menschen]. -sisan en pisan, zie beneden.

si : I. N., pun, K., voorzetsel vóó eigennamen of andere benamingen van personen, dat gebruikt wordt in plaats van een vereerenden titel, hetzij omdat de persoon zulk een titel niet heeft, hetzij omdat men hem dezen niet geven wil, zoo als wanneer een meerdere van zijn mindere, of wanneer men met minachtig van iemand spreekt; hetzij eindelijk, omdat men, zijn eigen naam noemende, uit nederigheid zijn titels verzwijgt. Behalven vóór eigennamen en benamingen van personen, vrouwen zoowel als mannen, wordt het ook wel vóó eigennamen en benamingen van beesten, zoo als van paarden, somtijds ook vóór namen van plaatsen, gebruikt [Sd. Ml. id.]. II. in poëzie z.v.a. kongsi [misschien de grondvorm er van]. III. verkorting van isi. [Het wordt verklaard door sakabèhe]. IV. verkorting van silih. V. z.v.a. sing.

su : I. Kw. een voorzetsel, wel, goed, voortreffelijk, uitmuntend, fraai, schoon [=luwih, Skr. soe]. suwarna, schoone kleur. sudèwi, schoone Godin. supraba, schoone glans, een schoon paleis; ook eign. van een Widådari. surêtna, een voortreffelijk juweel. II. verkorting van sutèngsu.

sah : of êsah, I. z.v.a. pisah, K.N. afgescheiden, afgebroken, afgedaan; verwijderd, afgezonderd [=pêdhot]. tansah, zonder einde, onafgebroken, onophoudelijk, gedurig, gestadig, bestendig, steeds [=botên mawi kèndêl]. ora êsah, N., botên êsah, K., niet uitscheiden, niet ophouden. -pisah, zie beneden. II. K.N. zuiver, zonder gebrek; wettig;

--- 305 ---

klaar, duidelijk, uitgemaakt, voldaan, betaald [=suci, Ar. shahh], zonder smet of gebrek; volkomen, heel, compleet, gezond, enz.; Ml. id.]. -ngêsahi, voldoen, aanzuiveren, betalen; voor zonder gebreken verklaren; zich wettig scheiden van een vrouw. ngêsahake, N., -kên, K., juist maken, wettig maken, wettigen, wettig laten maken; ophelderen; voor een ander betalen.

sih : 1. zie asih. 2. Kw. z.v.a. isih, N., taksih, K. [De grondvorm van beide].

suh : of êsuh, I. K.N. een band (hoepel) om vaatwerk of om een bezem. -ngêsuhi, van zulk een band voorzien. -ngêsuhake, N., -kên, K., van zulk een band laten voorzien. II. Kw. verbrijzeld, verpletterd, verdelgd, vergaan; als Sêngkålå: nul [vrg. swuh en syuh]. suh rêmpu, geheel verbrijzeld, verpletterd, verdelgd. worsuh, K.N. alles door elkander vermengd, ongeregeld, in wanorde. -pisuh, zie beneden.

sèh : [Ar. syaikh], oud, een bejaard man; een hoofd of aanzienlijke des volks [=tuwa].

saha : K. [ook kaliyan, K., lan, N., sarta, K.N.] met, benevens, en [Skr. saha]. sahadaya = sadaya.

sae : I. K. [bêcik, N., pênêd, K.N.] schoon, fraai, mooi, sierlijk, net; goed, wel, gaaf; deugdzaam. langkung sae, best; beter. sae sang.t, uitmuntend, voortreflijk. sampun sae, onverbeterlijk. tiyang sae, een goed, deugdzaam mensch. warni sae, een schoone gedaante. kabar sae, goed nieuws. -nyaèni, verbeteren, fraai, goed maken, verfraaijen; iemand wel doen, deugdzaam handelen. - nyaèkakên, iets in een goeden staat brengen; verbeteren; aan iemand een weldaad bewijzen. -kasaenan, goedheid, weldadigheid, weldaad; welzijn. II. K.N. onbeschaamd. -saèn, onbeschaamd van aard; zich gemeen gedragen; onzedig, schaamteloos.

siha : zie siya.

suhun : of suwun, I. K.h. [têdha, K., jaluk, N.] verzoek, bede, wensch. -nyuhun of nyuwun, en nuhun of nuwun, verzoeken, bidden, noodigen; [anrima, N.] bedanken. kula nuhun of kula nuwun, ik bid, d.i. met uw verlof! een spreekwijze, die door de Javanen menigvuldig gebruikt wordt, wanneer zij een aanzienlijk persoon aanspreken of antwoorden [Behalven in deze spreekwijze, is nuwun in proza alleen in de beteekenis van bedanken in gebruik]. nyênyuwun, het een of ander verzoeken, dezen of genen iets verzoeken. nênuwun, bidden, noodigen. sinuhun, gebeden worden. ingkang Sinuhun, die gebeden wordt; titel van den Vorst, z.v.a. Zijn Majesteit. -nyuwuni, iemand om iets verzoeken, tot iemand een verzoek rigten. -nyuwunakên, voor iemand iets verzoeken, een voorspraak doen. -suhunan of bij verkorting sunan, en gew. susuhunan, de persoon tot wien de gebeden gerigt worden: titel van den Vorst van Soerakarta, en vroeger van de Mahomedaansche Walis. Susuhunan [Susuhu...]

--- 306 ---

[...nan] Giri, de Soesoehoenan van Giri. Susuhunan Ngampèl, de Soesoehoenan van Ngampèl. -kasunanan, van de Soesoehoenan, b.v. prajurit kasunanan. -panyuwun of panuwun, verzoek, bede, aanvraag; dank. panuwun kula, mijn verzoek; ook mijn dank. II. suhun, benaming van een halssieraad.

suhra : Ar. klein [Ar. shughraa, vr. van ashghar], kleiner, kleinst].

sahir : Ar. verbonden met ngalam, deze wereld, in tegenstelling van ngalam kabir, de toekomende wereld [zie bij kabir].

sahur : I. Ar.; zie sakhur. II. K.N. antwoord. asahur, en gew. sumahur, antwoorden, een antwoord geven. asahur manuk, N., asahur pêksi, K., eenstemmig antwoorden, allen tegelijk antwoorden; toejuichen. -nyahur of nahur, een schuld betalen, voldoen. -nyahuri of nahuri, teruggeven, terugbetalen, een schuld betalen; antwoorden, beantwoorden. -nyahurake of nahurake, N., -kên, K., met iets betalen. -sahuran, antwoord; een ander of elkander antwoorden, ook geluiden die, van verschillinde kanten komende, als het ware elkander beantwoorden, elkander toeroepen. -panyahur, betaling, terugbetaling, voldoening van een schuld.

sahak : K.N.; nyahak, tot zich halen, zich toeeigenen; zijn grondgebied verder uitbreiden.

sohok : K.N.; nyohok, iets met de hand opnemen.

saeka : Kw. één; vereenigd, zamen [=sawiji van eka]. saeka kapti, eensgezind, welwillend. saeka praya, eensgezind; eensgezindheid [=tunggal sakarêp].

sahid : K.N. getuige; bloedgetuige, martelaar; getuigenis, aangifte [Ar. syahiid]]. mati sahid, als bloedgetuige, als martelaar, sterven. asahid en sêsahid, getuigen; een aangifte doen, aangeven aan de regtbank. nyahidi of nahidi, getuigen, als getuige in een zaak dienen; betuigen, bevestigen. -nyahidake, N., -kên, K., een zaak door getuigen laten bevestigen, tot getuige nemen. -pisahid, getuigenis, aangifte, verklaring; een stuk geld, dat men iemand geeft, dien men tot getuige in een zaak wil roepen. layang pisahid, een schriftelijke aangifte of verklaring.

saud : zie saut.

suhud : Ar. onderdanig; geheel onderworpen aan den wil van God of van den Vorst [Ar. zuhd], ingetogenheid, en devotie, godsdienstigheid, overgegevenheid aan Gods beschikking].

saudara : en bij verkorting sudara, [Ml. saudara]; vriend, broeder [=sadhèrèk, Skr. sôdara; zamengesteld uit sa en udara, dus eigenlijk uterinus, volle broeder]. sudara wèdi = sadhèrèk lêrês.

sahadat : [Ar. syahaadat], getuigenis, belijdenis [Ml. id.]. sahadat kêkalih, de twee belijdenissen, d.w.z. de gewone geloofsbelijdenis de Mohammedanen, bestaande uit deze twee Artikelen: "Er is geen God dan Allah;" en "Mohammed is de gezant van Allah."

--- 307 ---

saat : zie sangat.

saut : ook wel saud, K.N.; nyaut of naut, naar iets happen of bijten; iets ophappen, opsnappen, wegrukken [anyakot].

suhita : zie suwita

saos : I. K. gereed zijn, gereed staan [een Kråmåvorm van saji, Men zegt ook caos]. -sumaos, gereed zijn, in gereedheid gebracht. -nyaosi, in gereedheid brengen. -nyaosakên, iets in gereedheid brengen of laten brengen. II. K.h. aanbod, aanbieding aan een aanzienlijke. asaos, aanbieden. -nyaosi of naosi [ook ngunjuki, K.h.; ngaturi, K.N.] iemand iets aanbieden. doen geworden, bezorgen. nyênyaosi, geschenken aanbieden. -nyaosake of -kên, iets aanbieden aan iemand, iets voordragen; iemand aandienen, aanmelden. -saosan of sêsaosan, hetgeen men aanbiedt, het aangebodene. III. K. [kêmit, N.] nachtwacht. saos ragi, Kr. van jagaraga, naam van een distrikt. tiyang saos, wachtvolk. -pasaosan, een wachthuis. IV. z.v.a. sowan.

sios : zie sida.

seos : of seyos, K. [gew. sanès, K., seje, N.] ander, anders, verschillend. seos-seos, van elkander verschillend, ieder afzonderlijk.

siasat : zie siyasat.

sausap : K.N. één [eig. een veeg, van usap, d.w.z. een siertje, een greintje].

sahwat : [Ar. syahwat], lust, drift; K.N. wellust. karêm ing sahwat, wellustig.

sual : zie suwal.

suhul : Ar. [?] de bewaring van een geheim.

sauloni : N.; nyauloni, antwoorden.

seub : K.N. schaduw, lommer; overschaduwd, lommerrijk [vrg. aub]. papan ingkang seub, een beschaduwde plaats.

saing : of saèng, K.N.; nyaing of nyaèng, iemand met minachting behandelen.

saèng : zie saing.

saingga : of saengga, K.N. ingeval, bijaldien; bij voorbeeld, als [Ml. hingga en sehingga], tot, tot aan; slechts, behalven. Vrg. sanengga].

saengga : zie saingga.

sun : zie ingsun.

sana : I. Kw. plaats, woning, huis [=ênggon en panggonan]. sasana, een zitplaats; zich ergens bevinden [=panggonan en wus manggon. Skr. âsana, stoel, zetel; plaats, verblijf]. II. naam van een soort van hard gebloemd of gevlamd hout, waarvan meubels gemaakt worden [Skr. sana, licht, glans; ook naam van een boom, pentaptera tomentosa]. -angsana, naam der bloem van den Sånå-boom [Ml. naam van een hoogen bloemrijken boom]. III. verkorting van wasana of wusana.

sunu : Kw. I. schijn, glans {Skr. soênoe, de zon]. -sumunu, helder, klaar; zuiver, onvervalscht

--- 308 ---

[=cahya kang bêcik]. -kasunon, beschenen worden. II. kind, zoon [=anak, Skr. soênoe, een zoon; een dochters zoon; een jongere broeder; soênoê, een dochter]. sêsunu, een kind verwekken [=anak-anak]. raja sunu, koningszoon.

son : zie suna.

sinuhun : zie suhun.

sani : [Ar. tsaanii], de tweede; een ander.

sêne : K. [uyuh, N., turas, K.h.] pis; pissen [Ml. seni, fijn; air seni], pis, als beleefde uit drukking]. -nyênèni, wateren, pissen; tegen iets pissen, bepissen; N. [dukani en bêndoni, K.] beknorren, bekijven, bestraffen, berispen, schelden.

sini : I. eign. der moeder van Sêtyaki, naar wie deze sinisuta, genoemd wordt [sinisuta = sang Satyaki]. II. [Ml. sini], hier.

suna : ook sona, Kw. een hond [sona = asu, Skr. soena].

sena : Kw. moedig; onderdaan; ook een bijnaam van Wrêkodårå [=kawula. In het Skr. beteekent senå een heer, een leger]. -senapati, K.N. een legerhoofd, bevelhebber, opperbevelhebber [=kapalaning prajurit]. senapatining prang, de opperbevelhebber in den oorlog. -nyenapatèni, als legerhoofd het bevel voeren [=angêpalani prajurit].

sinau : K.N. zich op iets toeleggen, zich in iets, b.v. in een wetenschap oefenen, leeren [vrg. ginau]. sêsinau, zich oefenen. -nyênyinau, iemand gelegenheid geven, om zich in een wetenschap te oefenen.

sanan : Kw. olifant [Skr. sana, de oorlap van een olifant].

sênên : Kw. glans, schijn; straal [=cahya kang bêcik]. sênêning intên, de glans van een edelgesteente. -nyênêni, een glans verspreiden, schijnen, bestralen. kasênênan, bestraald worden. -sênên-sinênên, elkander bestralen, beschijnen.

Sênèn : of Isnèn, Ar. Itsnain], twee; naam van den tweeden dag der week [Sd. Ml. id.]. dina Sênèn, N., dintên Sênèn, K., Maandag.

sunan : zie suhun.

sinônta : Kw. gescheiden, verdeeld, afgezonderd.

sunar : Kw. glans, schijn [=cahya, kumadhap en sêsorot].

sanak : K.N. broeders of zusters kinderen, neef of nicht, nabestaande; maagschap, bloedverwantschap [Ml. id.; van anak, eig. medekind]. nak-sanak, neef of nicht. Zoo ook putra nak-sanak of sadhèrèk nak-sanak. pawong sanak, bloedverwantschap, tot een familie behoorend; vriendschap. -sanakan, beschouwd worden, als tot een familie te behooren, vriend, bondgenoot [vrg. sadherekan]. -pasanakan, vriendschap. -prasanak, vriend, vrienden. -prasanakan, vriend; vriendschap. aprasanakan, als vrienden met elkander leven. -mrasanak, iemand tot vriend maken.

sênik : K.N. een mand waarin koopgoederen gedaan worden.

--- 309 ---

saniki : zie bij ka.

sanekya : Kw. z.v.a. saiki.

sanadyan : zie nadyan.

sênêt : Kw. schuil, verborgen. -sênêtan, zich verschuilen, verbergen. -pasênêtan, een schuilplaats.

sunat : I. K.N. een werk waartoe men niet vervligt is, een overtollig goed werk; een gedeelte van de opbrengsten aan den Priester geven. 2. K. [têtak, N.] besnijdenis [Ar. sunnat], gebruik, overlevering; inzonderheid de overleveringen van den propheet Mohammed, die door zoogenaamde regtzinnige secten der Mohammedanen bijkans met den Koran gelijk gesteld, maar door andere verworpen worden; ook de besnijdenis Sd. Ml. id.]. -nyunati, K. besnijden; K.N. een beest den hals afsnijden, slagten.

sinatriya : zie satriya.

sanitya : zie nitya.

sanetya : zie nitya.

sanityasa : zie nityasa.

sanetyasa : zie nityasa.

sanès : K. [seje, N.; vrg. seos] verschillend, anders; een andere. -nyanès, afzonderen, veranderen, scheiden. -nyanèsakên, van elkander afzonderen, uitzonderen, van elkander scheiden.

saniskara : zie niskara.

sanalika : zie nalika.

sinèp : K.N. bedekt, geheim, verborgen; gestuit, belemmerd [vrg. sèb].

sanepa : K.N. gelijk, gelijkend; gelijkenis [=pêpadha, vrg. sinèp en sanepa].

sinepa : z.v.a. sanepa [=pinadhan vrg. sanèp].

sinipi : Kw. zeer, uitermate, buitengemeen [=bangêt].

senapati : zie sena.

sunapan : Hl. snaphaan, schietgeweer.

sanajan : zie nadyan.

siniyan : zie asih.

sinom : K.N. de jonge bladen van den Tamarinde-boom; een haarlok, of het haar, dat aan de slapen van het hoofd uitkomt; ook benaming van een zangwijze. sang sinom, Kw. een jong meisje van hooge geboorte [=putri].

sanega : Kw. reisvaardig zijn, geheel uitgerust, gereed zijn [-sêdhiya].

sênig-sênig : K.N. het kloppen van het hart van groote vrees.

sinêg-sinêg : K.N. in twijfel staan, ongerust zijn.

sênêng : K.N. gerust, vergenoegd, tevreden; rust, gemak; welbehagen; zin in iets hebben, behagen vinden [Sd. Ml. id.]. ora sênêng, N., botên sênêng, K., misgunnen. -nyênêngi, in iets zin hebben, behagen vinden. kasênêngan, tevredenheid, vergenoegdheid, lust, genoegen.

sinang : Kw. rood; brandend, vlammend; een rijpe vrucht; ook benaming van een soort van Pêdati [=abang, murub en matêng].

sanengga : I. z.v.a. sanega. II. T.P. bij voorbeeld; gelijk, even als.

santhaka : eign. van een zoon van Krêsnå.

sancaki : een verbasterde uitspraak van Setyaki.

sênuk : naam van een fabelachtig of verdicht beest,

--- 310 ---

zooals men zegt, een soort van Rhinoceros. sênuk mas, zulk een beest van goud, een der rijksinsigniën van den Vorst van Soerakarta.

sandi : K.N. geheim, verborgen; valsch; verraad; bespieder [=samar en dora]. karya sandi, een list gebruiken. ratu sandi, een valsche vorst. -nyandi, huichelen, veinzen; iets in 't geheim doen; beloeren, verspieden, bespieden. II. Kw. benaming van een Aksårå, die met een Pasangan verbonden is [Skr. sandhi, vereeniging, verbinding; vereeniging van letters, aan het einde en begin van verschillende, of in het midden van zamengestelde woorden, tot vermijding van onwelluidendheid].

sandu : Kw. een onzekere diefstal.

sande : zie wurung.

sindu : Kw. water [Skr. sindhoe, de zee; de Indus]. sindu upaka, rivierwater. sindurêja, zie beneden.

sandêr : K.N. vlug, snel. -nyandêr ook nandêr, rennen, hard loopen; op iemand aanrennen. -nyandêrake, N., -kên, K., doen rennen. -sandêran, ren, snelle loop; groote haast. -panyandêr of panandêr, het rennen, hard loopen; snelle loop, snelle aanval.

sindur : ligtrood, helrood; ligt roode stof met een smalle witte rand. -nyindur, helrood verwen; ook de snelle beweging van een danseres.

sundara : naam van een berg in de Kêdoe.

sundari : K.N. een soort van hoog, die aan den tak van een boom of aan een vlieger is vastgemaakt, en, door den wind bewogen, een gonzend geluid veroorzaakt [=sawangan en bêkisar]. siti sundari, eign. van een dochter van Krêsnå, gehuwd met Raden Abimanoe [Skr. soendari, een schoone vrouw].

sindurja : zie sindurêja.

sindurêja : ook bij verkorting sindurja, eign. van een zoon van Bånåkling, een schoonbroeder der Koråwå's, bijgenaamd sindupati.

sindik : K.N. schroef.

sunduk : K.N. spit, braadspit. -nyunduk en nyunduki, aan een spit steken; rijgen, doorrijgen, doorheen steken.

sandika : zie andika.

sindikara : zie sidikara.

sêndut : K.N. een lillende beweging van het bloed in de aderen.

sêndawa : K.N. salpeter [Sd. Ml. id.]; K. [obat, K.] buskruid. sarêm sêndawa pêthak, salpeter.

sundawa : z.v.a. sêndawa.

sundêl : K.N. iets dat puntig is, een vork; een puntig mes; vlijm. -nyundêl, steken, vlijmen, aderlaten.

sindupati : zie bij sindurêja.

sandiya : of sandeya, Kw. in twijfel staan, ongerust zijn, wantrouwen [=sônggarunggi, Skr. sandhya, morgen- of avondschemering; overweging].

sandeya : zie sandiya.

sandung : K.N. heimelijk, ter sluik.

santa : z.v.a. sônta.

santi : ook santya, Kw. uitroep; roepen [santi,

--- 311 ---

wordt verklaard door kidung en santya door penging]. asanti, toeroepen [sinantya = inguwuh].

sônta : Kw. helder, klaar; gelukkig, voorspoedig, welvarend [=rahayu en wilujêng, Skr. sjânta, kalm, stil, gerust, enz.]. -nyônta, met zachtheid te werk gaan; partijën met elkander verzoenen. sinônta, zie boven. -nyumantakake, N., -kên, K., tot bedaren brengen, iemand in iets doen berusten.

santaha : Kw. bevreesd, beschroomd [van taha, met het Skr. voorzetsel san = sam].

santên : K.N. 1. het uitgedrukte sap uit de kern van een kokosnoot, kokosmelk; 2. het houtje waarop de snaren van een viool rusten. -nyantêni, met kokosmelk bereiden. -santênan, Kråmå-benaming van het distrikt Pati.

santun : 1. K.; zie salin. 2. Kw. K.; zie sari. 3. K. gambir. -4. Kw. de maan; een maand.

sintên : zie sapa.

suntên : zie sura.

sontên : zie sore.

santana : K.N. familie van den Vosrt of van een aanzienlijk persoon [Skr. santâna, familie, geslacht]. putra santana, allen die tot de vorstelijke familie behooren, het hof. pangeran santana, een kleinzoon of verdere afstammeling van den Vorst, die tot den rang van Pangeran verhevenis, in tegenoverstelling van een pangeran putra. -sumantana, zich als een Santånå gedragen [pratingkah laku linggih nora ambobot kalungguhane].

santanu : Kw. iemand een aalmoes op weg geven [=dêdana ing dalan]; ook eign. van den Vorst van Talkòndå, den vader van Bismå [Skr. sântanoe]. santanu putra, den zoon van Santanoe, d.i. Bismå.

santri : K.N. een leerling; een priester, iemand die tot orde der priesters behoort; bij de dorpsbewoners een vee- of buffelhoeder [Ml. een priester of geestelijke]. -nyantri, als leerling dienen; bij de dorpsbewoners ook dienen als vee- of buffelhoeder. wong rabi nyantri, iemand van minder stand of vermogen, die, zich te gering achtend, om een aanzoek tot een huwelijk met een voornamer of rijker meisje te doen, zich als dienaar, en niet als bruidegom, aanbiedt. -nyantrèkake, N., -kên, K., het overgeven van een zoon aan den vader van een aanzienlijker of rijker meisje tot zulk een huwelijk, dat twee dagen vóór de voltrekking van het huwelijk plaats heeft.

santêr : K.N. snelstroomend, snelle stroom van water vloed.

sêntor : K.N. stroom, loop, vlugt; wegstroomen, wegloopen, wegvliegen; drijven, vlotten. kasêntor, gedreven worden. -sumêntor, het snelle stroomen van water.

suntrut : K.N. een zuur gezigt, een knorrig gelaat. asuntrut, een zuur gezigt zetten.

sêntak : K.N. [=ujar angagètake]; nyêntak, ook nêntak, iemand norsch aanspreken, toesnaauwen.

sêntêk : K.N.; nyêntêk, een touw om een trom spannen.

sintok : naam van een boom, waarvan de schors tot medicijn dient.

--- 312 ---

suntak : K.N.; nyuntak ook nyuntêk, omkeeren, uitschudden, uitstorten.

santika : Kw. behendig, vlug, schrander; een kalm gelaat, een bedaard voorkomen [=ulat kang mênêng, Skr. sjântika, kalmerend; rustig; verzoenend, enz. van sjânta, Jav. sônta]. -kasantikan, bedaardheid; schranderheid, overleg.

suntat : nyuntat z.v.a. suntak, nyuntak.

santosa : K.N. stevig, hecht, sterk; onbeweeglijk; duurzaam; moedig, standvastig, onverzettelijk; stevigheid, sterkte [=kukuh, Sd. id.; Ml. rustig, getroost, veilig; rust, veiligheid; Skr. santôsya, genoegen, vermaak; maar santôsana, ook sterkend , vertroostend]. -nyantosani en nyantosakake, N., -kên, K., hecht, stevig, duurzaam maken; sterker, steviger maken; sterken, tot standvastigheid, volharding, aanmoedigen. -kasantosan, sterkte, standvastigheid.

santil : K.N. evenaar.

sêntil : K.N. de huig.

sêntul : naam van een boom.

santya : zie santi.

sanityasa : en sanetyasa, zie nityasa.

sêntèg : K.N.; nyêntèg, sterk tot zich trekken, tot zich halen, aanhalen; bijv. van een weeftouw.

sèntêg : K.N. zich ligt weten te helpen. -sumèntêg, zie beneden.

sêntargèn : geweefde stof.

sênting : naam van een kleinen visch.

sêndhi : sumêndhi, z.v.a. sendhe, sumendhe.

sêndhu : K.N. norsch, bitsch. -nyêndhu, iemand norschaanspreken, verwijtingen doen, bedillen. -sêsêndhon, norsch jegens elkander zijn, elkander verwijtingen doen.

sundha : Kw. herhaling van een klank, weêrklank, echo; dubbel, tweevoudig; ook naam van het westelijk gedeelte van Java; Tj. Sengk. twee [Het wordt verklaard door susun]. sundha rowang, naam van een land.

sendhe : K.N. leunen, aanleunen. -sumendhe, ook sêmendhe, leunende; op of tegen iets leunen; berusten; aansluiten, onmiddellijk op iemand volgen; vertrouwen op iets stellen, zich op iemand verlaten. sumendhe dhatêng Allah, op God vertrouwen. -nyèndhèkake, N., -kên, K., tegen iets aanleunen; iets vaststellen. -sèndhèn, iets waaraan men leunt, waarop men vertrouwt, steun. sêsèndhèn of sêsendheyan, leunen. -pasendheyan, leuning.

sôndha : Kw. een heilige.

sêndhon : z.v.a. sindhèn. sêsêndhonan = sêsindhenan en gêgêndhingan.

sindhèn : K.N. ballade, een gezang dat bij een dans gezongen wordt; zingen. -sêsindhèn en nyindhèni, bij een dans zingen.

sindhir : K.N. een danseres.

sondhèr : K.N. de sleep of slip van een kleed, of de punten van een doek, die, om het lijf geslagen, bij het dansen naar beneden hangen.

sendhok : K.N. een lepel [Sd. sindhok, Ml. séndok en soendok].

--- 313 ---

sêndhêt : K.N. traag, langzaam; onvoldoende; gebrekkig [Ml. naauw, beperkt].

sêndhal : K.N. in een onderneming wel slagen. -nyêndhal, rukken, afrukken, ontrukken, wegrukken, omverrukken.

sundhul : en nyundhul, K.N. met het hoofd of den top aan iets raken of toe reiken of aansluiten. sundhul ing langit, tot aan den hemel reiken. -sumundhul, aangesloten, onmiddellijk op iets anders volgen. -kasundhulan, waaraan iets anders zich onmiddellijk achter aansluit.

sindhula : eign. van een Déwå en van een vorst.

sandhang : K.N. kleed, kleeding, kleederen [=prabot, Ml. een gordel]. -nyandhang en nandhang, zich kleeden; aantrekken; opnemen; iets lijden, verduren, ondergaan, uitstaan. nyandhang lara, N., nyandhang sakit, K., ziek zijn. lara kasandhang, N., sakit kasandhang, K., kwaal waaraan men lijdt. -nyandhangi, iets opnemen, b.v. een kind. -sandhangan, kleeding, alles wat tot de kleeding behoort; bekleedsel; ook benaming van een soort van leesteekens in het Javaansche schrijft, die bij de Aksårå's gevoegd worden, en zonder welke een Aksårå lêgêna, d.i. naakt, bloot, genoemd wordt. -panandhang, het lijden, verduren.

sandhing : K.N. naast, ter zijde van. -sumandhing, hetzelfde. -nyandhing, iets op zijde houden, naast zich hebben. -nyandhingi, iets op zijde of ter zijde zetten, naast iets zetten. nyandhingi gêni, naast het vuur zetten. -sandhingan, de zijde van iets of iemand.

sandhung : K.N.; nyandhung en nyandhungi, zich aan een steen of iets dat in den weg ligt stooten; moeijelijkheden ontmoeten, met moeijelijkheden te worstelen hebben. -kasandhung, bij ongeluk ergens tegen aanstooten.

sêndhang : K.N. bron, wel.

sindhung : Kw. een sterke wind met regen [=clèrèt taun, barat, en angin kaworan garimis].

sundhang : K.N.; nyundhang, het hoofd van een zieke op den schoot laten rusten.

sônja : K.N. een kort bezoek, aanloop; een kort bezoek bij iemand afleggen, slechts voor eenige oogenblikken bij iemand aangaan. -sanjan, hetzelfde.

sanjan : zie sônja.

sanjata : of sênjata, Kw. werktuig, middel; wapen, geweer, pijl [=gêgaman en panah, Ml. id.]; K. [bêdhil, N.] schietgeweer, vuurwanen, vuurroer, snaphaan. sênjata pitulung, gewapende hulp. anêdha sênjata pitulung, gewapende hulp inroepen. -nyênjata en nyênjatani, met een geweer schieten.

sanjaya : eign. van een der Koråwå's.

sanjang : K. [tutur, N.] het zeggen; wat iemand zegt; mededeeling; onderrigting, les. asanjang, zeggen, mededeelen. sanjang-sanjang, aan dezen of genen zeggen, mededeelen; verklappen. -nyanjangi of nanjangi, iemand iets zeggen, mededeelen. -nyanjangakên of nanjangakên, iets zeggen of mededeelen aan iemand.

sinjang : I. K. [jarit, N.] lijnwaad, linnen, katoen; kleedingstof; een kleed, een geverwde doek. layang sinjang, zeildoek. II. Kw. afgezonderd.

--- 314 ---

sênya : Kw. straal, glans. -kasênyan, bestraald worden.

sunya : zie sonya.

sonya : sonya, of sunya, Kw. ledig; niet aanwezig; aanzaam; Tj. sêngk. nul [=suwung, sêpi, en kothong, Skr. sjoênya; Sd. Ml. sunyi]. sonya karsa, naam van een olaats. sonya sêkti, naam van een paard in de Bråtå-joedå.

sèmbèn : K.N. tijdkorting.

sunthi : I. naam van een plant met een kleine vrucht, waarvan medicijn gemaakt wordt. II. K.N. ingedrukt, klein; een stompneus. prawan sunthi, een klein meisje.

senthe : naam van een soort van aardvrucht.

sênthèk : K.N.; nyênthèk, iemand onder de kin stooten.

sênthong : K.N. een klein vertrek of een afgezonderde plaats binnen een huis. -nyênthong, de kamer houden, te huis blijven. -sênthongan, een vertrek, een kamer.

sinung : sinungan, zie sung.

sêca : zie sêtya.

suci : ook sukci, K.N. rein, zuiver, heilig; Tj. Sêngka. vier [=rêsik en putih ati, Sd. Ml. id.; Skr. sjoetji]. sêsuci, zich reinigen, wasschen, baden. -nucèkake, N., -kên, K., iets of iemand reinigen; voor rein of heilig houden; heiligen. -kasuciyan, rein, onschould. -pasucèn, een plaats, waar men zich reinigt vóó het gebed.

sêcan : zie sêtya.

sêcaka : eign. van een Patih der Boetå's.

sêcawati : zie sêtyowati.

sacumbana : zie cumbana.

sêcabama : zie sêtyabama.

sêcang : naam van een roode verwstof, Sapanhout [=abang, Sd. id.]. -nêcang, daarmede rood verwen. sinêcang, l.v.

sri : of êsri, Kw. fraai, schoon; een vrouw van hoogen rang; majesteit, vorst; eign. der vrouw van Batårå Wisnoe [=bagus en ratu, Ml. id.; Skr. sjrî, schoonheid, luister, enz.; en eign. van de gemalin van Wisnoe]. Sri Kandhi, eign. der dochter van Vorst Droepådå, een der gemalinnen van Wisnoe. srinata, vorst; het haar aan de slapen van het hoofd; ook naam van een een zangwijze. [=ratu en sêsinom]. -Andere zamenstellingen zie beneden. -asri, fraai, schoon [=bagus of abagus en arêsmi].

sru : of sêru en asru, K.N. hard, hevig, sterk, luid; zeer, uitermate. -nyêru, met drift of haast iets verrigten; er klem bij zetten. -nyêrokake, N., -kên, K., iets hard of met heftigheid doen.

sar : Kw. I. van schrik beven [kagèting ati]. -kêsar, zie boven. II. gaan [=lunga].

sêr : I. K.N. het snorrend geluid van een pijl, die door de lucht vleigt. II. Kw. waar, wezenlijk; regt [=bênêr].

sir : of êsir, K.N. gedachte; begeerte, verlangen; oogmerk, plan, voornemen [=karêp en kaniyataning ati]. -ngêsiri, beoogen.

sur : of êsur, K.N. I. de vallende ziekte. II. het geld, dat men voor het koopen van

--- 315 ---

eens anders post betaalt [zie ngêsur]. sur tanah, zie beneden. III. Kw. verzadigd zijn; niet meer lusten van een spijs [=warêg en bosên].

sèr : zie nènèr en sèsèr.

sor : Kw. z.v.a. asor of ngisor, sor kilang, nederige en zoete woorden gebruiken. -nor, Kw. onderdanig, nederig [=asor]. noraga, een nederige houding van het lichaam; zich vernederen. anor, laag, nederig [=asor]; en verlagen, vernederen. -anori, onderdoen. -sosor, en ngisor, zie beneden.

sara : Kw. scherp, puntig; een wapen, pijl [=landhêp of lêlandhêp en panah, Skr. sjara of sara, een pijl]. sarawara, een menigte van pijlen. saragêni en sarasêja, benamingen van twee soorten van soldaten van den Soesoehoenan van Soerakarta. endrasara, zie endra, Andere samenstellingen zie beneden.

sari : I. Kw., N., santun, K., bloem [sari en santun = kêmbang]; K.N. het voortreffelijkste, het beste van iets; een schoon voorkomen [=asri, vrg. sri]. timah sari zie timah. -sora-sari, K.N. gebloemde met goud doorwevene zijden stof. II. II. Kw. bedaard, langzaam [vrg. sarèh]. tan asari, haast maken.

saru : K.N. onbetamelijk, onwelvoeglijk, ongepast, kwalijk; onbeschaafd, ongemanierd, lomp; gemeen, slecht. rupa saru, N., warni saru, K., misvormd. -nyaru, iets onwelvoeglijks doen, zich onbeleefd gedragen, ongepaste uitdrukkingen gebruiken. nyaru wuwus, iets ongepasts aanvoeren, een gesprek onwelvoeglijk storen, iemand in de rede vallen. -kasaru, onwelvoeglijk behandeld, onverwachts overvallen, gestoord werden.

sare : K.h. [turu, N., tilêm, K.] slaap, slapen [Sd. id.]. -nyare of nare, overnachten. -sumare, slapende zijn; gestorven en begraven zijn, ergens begraven liggen. -nyarèni, beslapen, op iets slapen, bij een vrouw slapen. -nyarèkake, N., -kên, K., in slaap brengen, iemand doen slapen; [mêndhêm, K.N. begraven. -sareyan of sêsareyan, uitgestrekt liggen, te bed liggen [zonder te slapen) [Zie ook beneden]. -pasareyan, slaapplaats, slaapstede, bed, ledekant; graf, begraafplaats, de plaats waar een voornaam persoon begraven ligt.

sêru : zie sru.

sira : Kw. voornaamwoord van den derden en van den tweeden persoon. Als voornaamwoord van den tweeden persoon wordt het door den Vorst gebruikt, wanneer hij in zijn vorstelijke waardigheid tot zijn onderdanen spreekt, even als ingsn, voor den eersten. Ook is het op die plaatsen, waar ingsun in het dagelijksch leven gebezigd wordt, even zoo algemeen en zonder onderscheid in gebruik. Als aanhechtsel aan naamwoorden, in den zin van een bezittelijk voornaamwoord, wordt ira, in plaats van sira, gebruikt. sirèku, zamengetrokken uit sira, en iku, gij daar [=kowe].

sura : I. K.N. of N., suntên, K., naam van de

--- 316 ---

eerste maand van het Mohammedaansche jaar, anders Mukharam, genaamd. II. Kw. dapper; een held [=wani, en prajurit luwih, Skr. sjoêra, een held. Het wordt ook verklaard door dewa, buta, arak en sajêng, en Skr. soera beteekent een godheid; de zon; en sterke drank]. Zamenstellingen met sura, zie beneden. III. Kw. een aap [=kêthèk, Skr. sjoêra, een leeuw of beer].

suri : K.N. de manen van een paard [Sd. sêsuri, id.]; N., [ook jungkat, N.], sêrat, K. [pêthat, K.h.], kam. sêsuri of sasuri, kammen, zich kammen. -nyurèni, N., nyurèti, K., iemand het haar uitkammen. -panyêrat, K., een kammer, kamster [=juru anjungkati].

suru : K.N. I. de hoorn van een Rhinoceros. -nyuru, met den hoorn stooten. II. een blad, waaraan de vorm van een lepel gegeven wordt, en dat men als zoodanig bij het eten gebruikt. III. naam van een doorngrangend struikgewas.

sora : z.v.a. sru, K.N. hard, hardluidend.

sori Kw. vorstin [=ratu wadon en garwaning ratu, [Ml. suri]; Skr. saurî, vr. van saura, hemelsch; de gemalin van den Zonnegod].

sore : N., sontên, K., avond; des avonds [Ml. id.] dhèk wingi sore, N., kala wingi sontên, K., gisteren avond. mêngko sore, N., mangke sontên, K., heden avond. wayah sore, N., wayah sontên, K., de avondstond. -kasorèn, N., kasontênên, K., te laat op den avond.

srah : of asrah, K.N. zich overgeven, z.v.a. het meer gebruikelijke pasrah. -ngasrah, overgeven, overhandigen. --ngasrahake, N., -kên, K., ietsovergeven of overhandigen aan iemand. -sasrah en pasrah, zie beneden.

srèi : K.N. iemand benijden, met scheele oogen aanzien, afgunstig zijn.

sarah : K.N. vuiligheid die op het water drijft en er door meê gevoerd wordt; iets dat ongemeen slecht, onbruikbaar is; lomp, onbeleefd. -nyarah ook narah, als vuil op het water drijven; iets, dat op het water drijft, ophalen; zich aan den wil van een ander overgeven, zich geheel naar iemand voegen of schikken [In het Ml. is serah] z.v.a. het Jav. srah of pasrah, zich overgeven]. kasarah, aan een ander toebehooren, aan een ander overgelaten zijn. -sumarah, zich geheel naar iemands wil en verlangen voegen of schikken.

sarèh : K.N. langzaam, bedaard, zacht, zachtmoedig, langmoedig, geduldig; zachtmoedigheid, langmoedigheid, geduld; bedaard, kalm zijn; zich niet overhaasten, zich niet ligt driftig maken [Sd. vrede; bevredigen]. -nyarèh, bedaren, tot bedaren komen; bedaard handelen. -nyarèhake, N., -kên, K., iemand den tijd geven; een zaak uitstellen, verschuiven, vertragen; iets met bedaardheid afwachten, geduldig verbeiden.

sirah : K. [êndhas, N., mastaka, K.h.] hoofd; ook kop, van beesten; oorsprong, bron [Skr.

--- 317 ---

sjirah]. asirah, van een hoofd voorzien zijn; een hoofd hebben. sirahipun bênawi Nil, de oorsprong van de rivier de Nijl.

suruh : N., sêdhah, K., het betel- of sirih-blad [Ml. sirih], Sd. sêrêh]. suruh canang zie canang. sêdhah ayu, jonge betelbladen. Nyai Mas Adipati Sêdhahmirah, titel van een vrouwelijke beambte van den eersten rang, die het opzigt heeft over de huishoudelijke aangelegenheden van den vorst en hoofd is over al de bij den vorst in dienst zijnde vrouwen. -nyuruhi, N., nyêdhahi, K., iemand op de Sirih uitnoodigen; een gast verzoeken; iemand uitnoodigen tot deelneming aan een feest of aan een oorlog. -suruhan of suruwan, N., sêdhahan, K., een persoon die op Sirih onthaald wordt, een gast, genoodigde gasten; hulptroepen in den oorlog [=dhayoh kang kalawan dèn undang]; sadhahan, ook K.N. vrouwelijke bediende van een vorst. -pasuruhan of pasuruwan, N., pasêdhahan, K., een plaats waar de Sirih groeit, een Sirih-tuin; ook naam van een residentie op Java.

sorah : K.N. raadsel; uitlegging, beteekenis.

soroh : Kw. voor geld iets vertoonen; vuilnis dat op het water drijft. In proza altijd in verbinding met amuk, in de beteekenis van maken.

sarèhipun : K. z.v.a. sarèhning, zie rèh, III.

srihunan : zie sri.

sarèhning : zie rèh.

sarahita : bijnaam van Têmbiloeng, een bediende der Koråwå's.

suraos : zie rasa, I.

srana : zie sarana.

sirna : K.N. verdwijnen, verloren gaan, omkomen, vergaan; verdwenen, verloren gegaan, uit het gezigt verloren; Tj. Sêngk. nul [Skr. sjirna, verwoest, verwelkt, vervallen]. -nyirnakake, N., -kên, K., doen verdwijnen, uit den weg ruimen, doen ophouden te bestaan, vernietigen.

sèrèn : K.N. de omloop van een tijdkring, een tijdverloop; afwisselend, bij tusschenpoozing.

sarana : ook sêrana of srana, K.N. werktuig, middel, hulpmiddel; geneesmiddel [=sarat, Skr. sjarana, behoed- of beschermmiddel].

sêrana : K.N. 1. zie sarana, 2. gekleurd, geschilderd.

saruni : naam van een bloem; ook van een instrument.

sarandu : Kw. naar alle kanten, overal [Het wordt verklaard door sajroning badan]. -nyarandu, K.N. verachten, versmaden.

suranadi : bijnaam van Batårå-Endrå; de hemel van Endrå [namaning Hyang Endra en = kaendran].

surendra : ook sulendra, eign. van een Widådari. [Skr. Soerendra, een naam van Indra]. surendra buwana, sulendra buwana, het paleis of gebied van Batårå-Endrå.

saranti : zie bij sanrônta.

sarênti : N., sar.ntos, K., niet te gelijk, de een na den ander, b.v. op een plaats komen, verschil, verschillend [=ora barêng].

--- 318 ---

sarônta : K.N. bedaard, langzaam, geduldig; geduld. botên sarônta, met drift, haastig, opvliegend. -nyarantèkake, N., nyarantosakên, K., geduld met iets hebben [van het ongebruikelijke saranti, N., sarantos, K.].

srinata : zie sri.

suranata : naam van een korps soldaten, dat uit Priesters bestaat. -suranatan, de vergaderplaats der Soerå-nåtå's, een gebouw binnen den ringmuur ten noorden van de Kraton.

sarantos : zie bij sarônta.

sarêntos : zie sarênti.

srundha : K.N.; nyrundha, boegseren.

sarira : K.N.; salira, K. [awak, N., badan, K.N.] lichaam, lijf [Skr. sjarîra]. -kasarira, met eenig ambt bekleed zijn. -nyarirani, ook nyalirani, iets in eigen persoon verrigten; zelf, in eigen persoon, in den strijd gaan. -sumarira, zich in of aan het lichaam bevinden. -pasariran, de geheele omtrek van het lichaam, alle deelen van het lichaam.

sarak : [Ar. syar'], wet, instelling; godsdienstinstelling. ngecani sarak, zich iets gemakkelijk maken, het zoo naauw niet nemen. murang sarak, K.N. van een godsdienstig gebruik of van de wet afwijken, overtreden, ongodsdienstig zijn; zedeloos; weêrspannig, halstarrig, hardnekkig, eigenzinnig, hoofdig, koppig.

sarik : K.N. afdwaling, overtreding; afgedwaald.

sêrak : K.N. I. heesch; een heesche stem; heesch zijn [Ml. id.]. II. een lap, die in inkt gedoopt wordt.

sêrik : K.N. grief, hartzeer; gegriefd. -nyêrikake, N., -kên, K., iemand iets ten laste leggen; hartzeer veroorzaken.

sirik : K.N. ongenegen; afneiging; afwijking. -nyirik, weigeren; vermijden, zich van iets onthouden.

surak : K.N. gejuich, geschreeuw, krijgsgeschrei [Sd. Ml. id.]. surak-surak, van alle kanten een geschreeuw aanheffen; lustig. -nyuraki, toejuichen.

serok : K.N.; nyerok, opscheppen.

sorok : K.N. een soort van schoffel. -nyorok, voor zich heên schuiven, vooruitschuiven, voor zich heên drijven. -nyoroki, ergens uit schoffelen, b.v. kalèn, de vuiligheid uit de goten of sloten schoffelen.

sirèku : zie sira.

sarakah : K.N. pottebakker.

sêrakah : zie surakah.

surakah : of sêrakah, K.N. ruim, wijd, uitgebreid; inhalig, begeerlijk.

Srikandhi : zie sri.

sarkara : zie srêngkara.

sêrkara : zie srêngkara.

srokara : z.v.a. srêngkara.

Surakarta : naam van den rijkszetel van den Soesoehoenan op Java; ook van de geheele hoofdplaats, die anders Sålå genoemd wordt naar den naam van een grooten Kampong, in de nabijheid van de Kraton [=nagara Sala].

sarikutan : K.N. met de handen om zich heên slaan, allerhande bewegingen met het lichaam maken [vrg. suraweyan].

--- 319 ---

suraksa : Kw. vast, stevig, duurzaam [=santosa en prajurit luwih].

srekalan : K.N. onbestaanbaar, onmogelijk.

sorkilang : zie sor.

sarad : K.N.; saradan, eign. gesleept; menschen uit de désa's, die bij gebrek aan lastdragers verpligt worden om te dragen; ook gepreste lastpaarden van particulieren [zie ook beneden]. -barad, slepen, trekken; ook menschen pressen tot de dienst, tot werk dwingen.

sêrod : K.N.; nyêrod, op de vlugt drijven; snel voortgaan; rusteloos.

surud : ook surut. I. Kw. verminderen, afnemen, ofhouden; het afnemen van het water, de ebbe [Sd. Ml. sorot, ebben, afloopen]. tan surud, onverminderd, onafgebroken, aanhoudend. mundhak surud, N., mindhak surud, K., vloed en ebbe. rob suruding banyu, N., rob suruding toya, K., getij. II. K.h. [ook seda, K.h., pêjah, K., pati en mati, N.] sterven; gestorven, overleden; de dood [=mati].

sèrèd : I. K.N.; nyèrèd, slepen, langs den grond slepen [Ml. seret] . -nyèrèdi, iets langs den grond achter zich slepen. -seredan, iets dat men langs den grond sleept; ook bij een henegevecht alles wat men heeft, tot het laatste toe, zelfs den vechthaan of zijn eigen persoon, op het spel zetten. II. zie sèrèt.

sruduk : K.N. met het hoofd voortduwen.

saradan : K.N. de voeten aanhoudend bewegen [Zie ook bij sarad].

sardula : zie saradula.

saradula : of sardula, Kw. tijger [=macan]; ook sardula, naam van een zangwijze.

sarudug : of srudug, K.N. onbetamelijk, onbeleefd; onbeschaafd, lomp. -nyarudug of nyrudug, iemand tegen het lijf loopen.

srat : verkorting van sêrat.

sruti : zie surti.

srutu : K.N.; nyrutu, blindelings op iets of iemand losloopen; zonder overleg handelen.

sarta : K.N. met, benevens, mitsgaders, daarbij, en [Sd. Ml. sêrta, id.]. nyartani, gepaard doen gaan, vereenigen.

sartu : of sêrtu, K.N.; nyartu of nyêrtu, geen werk van iemand maken, zich niet aan iemand gelegen laten zijn.

surti : of sruti, Kw. behoedzaam, voorzigtig [=ngati-ati, Skr. sjroeti, gehoor; wat men hoort, nieuws; oor; de Védas, heilige schrift]. sêrat surti, naam van een boek dat zedelessen behelst. Surtikanthi, eign. van een dochter van Salyå, de gemalin van Vorst Karnå.

sarat : ook isarat en ing sarat, K.N. middel, hulpmiddel; werktuig; bouwstoffen; kosten, onkosten; belasting, cijns; een vaartuig dat overladen is {Ml. geladen, volgeladen, overladen]. sarat mutah, N., sarat nuntak, K., braakmiddel. -nyarati, als middel gebruiken; van een middel of iets voorzien; belasten, een belasting opleggen.

sêrat : I. K. [tulis en layang, K.] schrift, brief, boek [Sd. id.; Ml. surat], zie surat.

--- 320 ---

sêrat pratôndha, een bewijsschrift, schriftelijk bewijs. sêrat pêthuk, een quitantie. sêrat Manikmaya, het boek Manik-Måjå. -nyêrat ook nêrat, schrijven, op een kleed of doek schilderen (batikken). -nyêrati, beschrijven; over een onderwerp schrijven; kleedjes schilderen. -sêratan, schrift, handschrift, geschrift, het geschrevene; geschilderd; de vorm van een gebatikt kleed. -sêratan, elkander schrijven, briefwisseling houden. -panyêrat, het plaats hebben van nyêrat, beschrijving. -panyêratan, hetgeen tot schrijven gebezigd wordt, een schrijf kistje. II. zie suri.

sêrêt : K.N. stroef; in de keel blijven zitten, er niet door kunnen; gekneld, gewurgd.

sêrit : K.N. een fijne kam. -sumêrit, zie beneden.

sêrèt : N.; nyêrèt [ngêsês, K., madati, K.N.] amfioen rooken, amfioen schiven.

sêrot : K.N.; nyêrot, slurpen; inslurpen, opsnuiven. nyêrot-nyêrot, aanhoudend slurpen; nokken. -sumêrot, een kissend geluid veroorzaken. -panyêrot, inslurping, inzuiging.

sirat : Kw. zoet, zoetigheid; honig; straal, stroom; een vloed van woorden; gerucht, tijding. -nyirati, K.N. besprengen, met water begieten, besproeijen; uitblusschen; bestralen. -nyiratake, N., -kên, K., met iets besprengen; op iets stralen werpen. sumirat, stralen; zich verspreiden [=sumorot]. sêmirat, het morgenrood. -panirat, afdak, galerij.

surat : K.N. een lijn of streep ter afscheiding van twee kleuren. Ml. geschrift, brief [=sêrat]. [Ar. suurat], een hoofdstuk van den Koran. -nurat, K.N. schrijven. -nênurat, een brief schrijven.

surut : zie surud.

sèrèt : of sèrèd, K.N. rand, kant; zelfkant; streep.

sorot : K.N. straal, glans, schijn. -nyoroti, bestralen, beschijnen. sumorot, stralen, schijnen; snel door de lucht vliegen. -sorotan, 1. stralen, flikkeren; 2. rijstvelden, die kunstmatig door waterleidingen van water voorzien worden, in onderscheiding van tadhahan [vrg. Sd. Ml. sorot bij surud].

sarati : K.N. olifantmenner, paardemenner, ruiter, koetsier [Skr. sârathi, een voerman]. -nyaratèni, bestieren, mennen, leiden; berijden.

sêriti : naam der zwaluwen, die de eetbare vogelnestjes maken.

surata : de bijslaap; een uitmuntend krijgsman; ook eign. van een Patih van Madoekora, en van een Patih van Sriwadari [=prajurit luwih, Skr. soerata, teeder; de bijslaap; en sjoêratâ, heldenmoed].

surêtna : zie rêtna.

suratani : benaming van een soort van ambtenaren.

sur tanah : K.N. een gat in den grond maken; een

--- 321 ---

offerfeest bij een graf, dat onmiddellijk na de begravenis van een lijk gevierd wordt. ngêsur tanah zie ngêsur. -nyur tanah, een offer voor een doode doen.

siratal mustakim : [Ar. shiraatal mustaqiim], naam der brug, die, volgens het Mohammedaansche geloof, naar het rijk der dooden leidt.

sarutama : zie sarotama.

sarotama : of sarutama, naam van een pijl [jêmparing Arjuna, zamengesteld uit sara en utama].

sarotong : K.N. een amfioen- of tabakspijp. -sarotongan, naar een pijp gelijkend, langwerpig, van gebouwen.

sirsa : Kw. bloem.

saras : zie waras.

sarasa : Kw. visch. -N. zie bij rasa.

surasa : zie bij rasa.

sarasah : K.N. met goud of steenen bezet, belegd, geplaveid. -nyarasah, met goud of steenen beleggen, plavijen, ook nêrasah, overtrekken, overpleisteren; vergulden. -sumarasah, als met goud of steenen belegd zijn.

sarsana : Kw. liefde, gunst.

sirsana Kw. omtrek, b.v. der aarde.

sora-sari : zie sari.

srisakit : zie srilara.

sarasidya : zie sarasija.

sarasija : ook sarasidya en sarasijya, Kw. bloem [=sêkar tunjung, Skr. sarasidja, een lotus]; ook naam van de zuiderpoort van het vorstelijk paleis.

sarasijya : zie sarasija.

surasmara : bijnaam van Batårå-Éndrå; ook de hemel van Éndrå.

sêrsêg : K.N. het snorren door de lucht van een menigte pijlen.

sarwa : Kw. al, geheel, volkomen, alles, gezamentlijk, algemeen [=sakabèhe, Skr. sarwa].

sarwi : Kw. 1. z.v.a. sarwa. 2. tevens, tegelijk, benevens, ook [=lawan].

sruwa : z.v.a. sarwa.

saruwe : K.N. zich aan iemand laten gelegen zijn, zich om iemand bekreunen, belangstelling toonen. -nyaruwe, met iemand op een vriendschappelijken voet omgaan; K.h. [ngaruh-aruhi, K.N.] iemand toespreken. -sumaruwe, vriendelijk jegens iemand zijn; iemand aanspreken.

sarèwèh : K.N. zich uitbreiden (van een rivier). -sareweyan, de tak van een groote rivier.

suruwan : zie suruh.

sarwantipura : naam der hoofdplaats van den vorst van Tidjomoertie.

sarawara : zie sara.

sarawèdi : K.N.; nyarawèdi, diamant slijpen. tukang sarawèdi of enkel sarawèdi, diamantslijper, juwelier.

srowot : K.N. met haar begroeid, harig.

sariwêt : K.N. naam van een visch, die altoos in beweging is. -sariwêtan, zich als een Sariwêt bewegen.

surawèsthi : zie surabaya.

sruwal : zie saruwal.

--- 322 ---

saruwal : sêruwal of sruwal, N. [lancingan, K.] een wijde broek, die tot aan de knieën reikt, en in het algemeen een broek [Ar. sirwaal], Ml. [sirawal], Sd. sêrwal. Vrg. kathok].

srowal-srowal : N. lomp, onbeschaafd; een lomp mensch.

sura wijaya : naam van een wapentuig in de Bråtå-joedå.

sraweyan : z.v.a. suraweyan.

suraweyan : K.N. met de handen om zich heen slaan, veel beweging met de armen maken [vrg. sarikutan].

sarawung : Kw. vereenigd, gemengd, gepaard [van sawung, II]. -narawung en narawungi, vereenigen, mengen, paren; zich vereenigen. -sarawungan of srawungan, K.N. gezamentlijk, te gelijk; ontmoeting, bijeenkomst; elkander voorbijgaan [=pêparêngan en asring kapanggih].

saruwung : naam van een distrikt. -sumaruwung, zie beneden.

srilara : N., srisakit, K., een ergens gevonden lijk, dat teekenen van mishandeling draagt; volledig srilara raja pati, N., srisakit raja pêjah.

suraloka : z.v.a. suralaya [Skr. soeralôka, de hemel van Indra, en verblijfplaats der hemellingen: zamengesteld uit sura en loka].

suralaya : de hemel van Batårå-Éndrå, de verblijfplaats der Goden [=kang luwih dhuwur, swarga, en kadhatonipun bathara Guru, Skr. soerâlaja, de heilige berg Méroe aan het einde der aarde, de verblijfplaats der Goden; de hemel: zamengesteld uit sura en laya].

sarpa : Kw. serpent, slang [=ula, Skr. sarpa].

sarap : K.N. I. de kinderziekte. II. zich ontnuchteren, des morgens vroeg eten, ontbijten; ontbijt. botên sarap, nog nuchteren zijn. -sarapan, hetgeen tot ontbijt gebruikt wordt. III. zie sarêp, I.

sarêp : I. K.N. nyarêp ook nyarap, naar iets happen. II. Kw. een enkele.

sêrap : zie surup, I.

sêrêp : zie surup, II.

sirap : K.N. houten dakpan; een dak van houten pannen. trap sirap, benaming van een wijze van het te droogen zetten van de padi.

sirêp : K.N. uitgedoofd, uitgebluscht, alles tot rust gebracht; stil, geheel rustig; hersteld; stilte, rust; uitdooven, stil worden. sirêp wong, N., sirêp tiyang, K., benaming van den voornacht, van ongeveer 8 tot 11 uur, volgens anderen tusschen 10 en 11 uur, den tijd dat de menschen zich ter rust begeven. -nyirêpi, iemand in slaap brengen. nyirêp, in den slaap zussen; herstellen; tot rust brengen; blusschen, dompen, uitblusschen, uitdoven.

surup : N. I., sêrap, K., het indringen, doordringen; ondergaan, van de zon; ondergang der zon, avondschemering [Sd. id., vrg. êrêp]. surup srêngenge, N., sêrap surya, K., zonnenondergang. -sumurup, N., sumêrap, K., ondergaan, van de zon, verdwijnen, zich verliezen. -nyurupi, N., nyêrapi, K., iets doordringen, door iets heen steken, b.v. een

--- 323 ---

draad door het oog van een naald. disurupi ing setan, door den Duivel bezeten worden. kasurupan, N., kasêrapan, K., door den ondergang van de zon overvallen, over wien de zon ondergegaan is; een bezetene. II. sêrêp, K., begrip, verstand. -sumurup, N., sumêrap, K., begrijpen, bevatten, verstaan, met iets bekend zijn, kennen, bemerken. -nyurupi, N., nyêrêpi, K., ook wel nyumurupi, N., nyumêrêpi, K., iets verstaan, iets of iemand kennen, kennis van iets dragen, weten. nyêrêpakên, K., iets te verstaan of te kennen geven, doen begrijpen, verstaanbaar maken. -sêsurupan, N., sêsêrêpan, K., met een ander of met elkander afrekenen.

surapringga : zie surabaya.

surapati : bijnaam van Batårå-Éndrå [Skr. Soerapati: zamengesteld uit sura en pati].

surapsara : benaming der Déwå's en Widådari's in de Soerålåjå [zamengesteld uit sura en hapsara].

sri pênganti : zie sri mênganti.

saradhadhu : Port. soldado, soldaat [Sd. sordhadho. Vrg. suldhat].

sarju : of sêrju, zie rêju.

saroja : Kw. bijeenverzameld, bij elkander gevoegd; een omheining van bamboe; ook naam van een bloem [=sêkar tunjung, Het wordt ook verklaard door tan kakurangan. Skr. sarôdja, een lotus].

sarjana : K.N. schrander, vlug van begrip; bekwaam, geleerd; een geleerde, wijsgeer [=wong lantip. Skr. sardjana, makend, scheppend Vrg. sujana].

sraya : ook suraya, Kw. werktuig, hulp, hulpmiddel; hulptroepen; een persoon, die voor een ander den strijd voert, een kampvechter, kampioen [=kukuh, pinikuwat en sinambat ing prang, Skr. sjraja en sjrâja, wijkplaats, toevlugt, bescherming].

sarya : ook saryya, Kw. en, met, benevens [Ml. seraya], tevens, tegelijk, met].

surya : Kw. de zon; K.h. het oog; gezigt, gelaat [=srêngenge, Skr. soêrja, de zon]. Bathara Surya, de zonnegod. surya kôntha, benaming van een soort van glas, dat tot brandglas dient: brandglas, brandspiegel [Skr. soêrjakânta, een edelgesteente; kristal; gew. van een zekeren steen van een fabelachtig bestaan en van fabelachtige eigenschappen]. -suryan [raup, K.N.] zich het gezigt wasschen. -suryani, iemand het gezigt wasschen. -pasuryan, het gelaat.

suraya : zie sraya.

sareyan :Hol. sergeant [zie ook bij sare].

suryaniyah : benaming der taal, die in Egypte gesproken wordt [Ml. Suryani, Syrisch; basa Suryani], de Syrische taal. suryaniyah, is het [Ar. Sarayaaniyyah, vr. van sarayaanii].

sarayuda : naam van een soort van geregtsdienaars, die de zaken onderzoeken en de verschijning van procesvoerrende personen voor de regtbank bespoedigen moeten [=tukang mariksani]. nyarayuda, iets naauwkeurig onderzoeken, een Sårå-joedå zijn of het werk van een Sårå-joedå verrigten [-aniti priksa].

--- 324 ---

saryya : zie sarya.

srama : Kw. een geschenk, waardoor men een gunst tracht te verwerven [=donya gawene winèwèhake duwe pêngarah en aturan]. -nyramani, iemand door een geschenk voor zich trachten te winnen.

sarêm : K. [uyah, N.] zout. -nyarêmi, zouten, inzouten, inpekelen. -sarêman, renten, interessen van een kapitaal.

siram : K. [adus, N.] zich baden, wasschen [Sd. id.; Sd. Ml. sprengen, besprengen, begieten]. -nyiram, K.N. begieten, blusschen, uitblusschen, lesschen. -nyirami, K.N. begieten, besprengen; K. iemand wasschen. -pasiraman, K. bad- of waschplaats, hetgeen tot een bad dient.

sirêm : z.v.a. surêm.

surêm : K.N. verbleekt, verkleurd, verdonkerd, van een glans; verbleeken [Sd. Ml. duister, donker]. nyurêmake, N., -kên, K., uitdoven, doen verbleeken, verduisteren, van den glans berooven.

sri madari : benaming van Mahispati.

sarimpi : K.N. benaming van een viertal danseressen van den Vorst; een dans die door deze vier danseressen uitgevoerd wordt.

sêrèmpèd : of sêrèmpèt, K.N.; nyêrèmpèd of nyêrèmpèt, afschampen, den rand van iets raken.

srimpêt : K.N.; nyrimpêt of nyarimpêt, verwarren, b.v. van een touw dat de voeten verwart. kasrimpêt, in iets verward geraakt.

sêrèmpèt : zie sêrèmpèd.

srêmpil : K.N. verbrokkelen, verminderen. -kasrêmpil, verminderd.

srimpung : zie sarimpung.

sarampang : K.N. een werpspies of een stok, waarmede men werpt. -nyarampang ook narampang, met een Sarampang werpen, met een stuk hout gooijen.

sarimpung : of srimpung, K.N. een touw of iets, datzich om de voeten vasthecht, of om de voeten gebonden wordt. -nyarimpung of nyrimpung, de voeten aan elkander binden. kasrimpung, met de voeten in iets verwikkeld of verward geraken.

srêmpêngan : K.N. met haast iets verrigten, spoed maken.

sêrambi : zie surambi.

surambi : of sêrambi, K.N. benaming van het voorportaal van de groote Moskee in de Kraton te Soerakarta en Djokjokarta, en van de priesterlijke vierschaar, die daar gehouden wordt [Ml. serambi of surambi], voorportaal, open galerij].

sarambah : K.N.; sumarambah, uitgebreid, over iets uitgestrekt; effen, vlak. -nyarambahi of narambahi, uitbreiden, verspreiden; zich algemeen verspreiden; overstroomen, bedekken; een algemeen gezag uittoefenen.

sri manganti : of sri mênganti ook sri pênganti, naam vvan de derde poort van den noordelijken ingang van de Kraton, of eeste binnenpoort van het paleis van de Vorst. sri manganti kidul, naam van een andere poort van den tegenovergestelden Zuidkant.

srog : K.N. het nedervallen.

--- 325 ---

surga : Kw. verdwenen, onzigtbaar.

sarag : Kw. langzaam, bedaard.

sêrêg : K.N. vervolging; vervolging in regten, geregtelijke dagvaarding. -nyêrêg, ook nêrêg, vervolgen, achterna zetten, geregtelijk vervolgen, aanklagen, dagvaarden. -nyêrêgake, N., -kên, K., tot vervolging aansporen. -sêrêgan, vervolging in regten, geregtelijke dagvaarding; ook K. [jêrohan, K.N.] de ingewanden, darmen van een beest. pisêrêg, aanklagte.

sirig : K.N. de trippelende gang van een paard. -nyirig ook nirig, trippelende of dansende voortgaan. -sêsirigan, een paard allerhande kunstjes in het gaan laten maken.

sorog : K.N. schuif, grendel, sleutel. -nyorog, schuiven, iets voor zich heen schuiven, van zich afschuiven; met een sleutel openmaken. -nyorogake, N., -kên, iets van zich afstooten.

saragêni : zie sara.

sriguntingên : K.N. een oneffene, ruwe steen; een angelijkmatig schrift.

sarigak : K.N. een deftig voorkomen.

srigati : eign. van een zoon van Batårå-Wisnoe.

srêgêp :zie sarêgêp.

sarêgêp : of srêgêp, K.N. naarstig, vlijtig, ijverig, arbeidzaam; vlijt; iets met lust verrigten. -nyarêgêpake, N., -kên, K., tot vlijt aansporen, tot den arbeid aanzetten.

srigadhing : naam van een bloem.

sarab : K.N. een vaartuig dat, te zwaar beladen, tot den bovensten rand in het water zinkt. -nyarab, even boven het water uitkomen; naar iets happen dat boven water drijft.

sarib : K.h. [êntut en ngêntut, K.N.] een veest, een wind; een wind laten; [Ar. syariif], K.N. een afstammeling van Mohammed, een Mohammedaansch edelman. -kasarib, bij ongeluk een wind laten. -nyaribi, tegen iets of iemand aan een wind laten.

sraba : zie saraba.

srêbi : Kw. een wrok tegen iemand voeden.

surba : K.N. een soort van rijstenbrij.

saraba : of sraba, Kw. K.N. stem, geluid; een geluid voortbrengen.

sarabi : K.N. koek [Skr. soerabhi, zoet, aangenaam, bevallig, enz. Zie ook bij rabi].

surabi : Kw. de sterren [Skr. soerabhi, zie bij sarabi].

sêrban : N. [dhêsthar, K.] tulband [Sd. Ml. id.; Pers. saraband]].

srobod : digt, moeijelijk door te gaan, van een bosch. -sêmrobod, digt in elkander vergroeid: wordt gezegd van de te veld staande padi in in de vijfde halve maand, wanneer zij het digtst bewassen en volgegroeid is.

surabaya : N., surabanggi, en gew. surapringga, K., surawèsthi, Kw. naam van de Residentie en stad Soerabaja [surapringga en surawèsthi = surabaya].

surabanggi : zie surabaya.

sring : zie asring.

sarang : K.N. een heete; onvruchtbare grond; afkeerig zijn; ongenegen. -nyarang, haten, minachten. [min...]

--- 326 ---

[...achten.] -nyarangake, N., -kên, K., ongelukkig maken. II. K.N. een gevlochten deksel. -sarangan, noot (een vrucht); notedop. III. [Ml. sarang], een nest. sarang burung, Ml. sarang burung], vogelnest, van de eetbare vogelnestjes.

sarêng : K. [barêng, N.] zamen, gezamentlijk, tegelijk; toen, wanneer, tijdens. -kasarêng, te gelijk met iets anders plaats hebben. -nyarêngi, ook narêngi, te gelijker tijd met iets plaats hebben; iets gezamenlijk doen of verrigten; iets juist van doen. -sarêngan, vereenigd, zamen, gezamentlijk, tegelijk met een ander of elkander.

saring : K.N. zeef [Sd. doorzijgen; uitdrukken]. -nyaring, door eene zeef gieten, klenzen, ziften.

sarung : K.N. ook sarung kêndhali, N., sarung kêdhangsul, K., halster van een paard, hoofdstel van getwijnd garen [Sd. Ml. schede, koker; short, rok]. tampar sarung, de koorden van het hoofdstel. sarung bang-bangan, roode gebatikde stof (linnen of zijde), ook op nieuw gebatikd linnen. sarung tangan, Ml. handschoen. -nyarungi, in de schede steken. -nyarungake, N., -kên, K., een zwaard, kris of iets in de schede steken. -sarungan, halster van een paard; K. [warôngka, N.] schede van een degen.

sêrang : grondvorm van asrang. -nyêrang, K.N. regt door gaan, zich door niets laten ophouden; doortasten, aanvallen; zijn weg verhaasten, haast maken. sinêrang, l.v. [=tinrajang en dèn êsuk. Zie ook nrang].

sêrêng : K.N. misnoegdheid, verstoordheid; misnoegd, verstoord; driftig, kwaad, norsch [=galak. Vrg. sêngêr]. asrêng, Kw. zich ligt boos over iets maken. -nyêrêng, K.N. ongeduldig, rusteloos. -kasêrêng, zie boven. -sêrêngên, of srêngên, verstoord zijn, zich driftig maken; toorn. -nyêrêngêni of nyrêngêni, verstoord op iemand zijn, gebelgd, bekijven, beknorren, berispen, bestraffen, schelden.

sêrung : K.N.; nyêrung, omwinden, omwikkelen.

siring : Kw. uitgaan, naar buiten gaan; K.N. over een touw of iets heenspringen (een kinderspel).

sirung : zie surêng.

surang : z.v.a. surung.

surêng : en sirung, K.N. een zuur, knorrig, norsch gezigt. -nyurêng, een zuur gezigt zetten, iemand stuursch aanzien.

surung : K.N.; nyurung of nurung, schuiven, voortschuiven, kruijen, vervolgen [Sd. surung, schuiven, voortschuiven; duwen, voortduwen; [Ml. surung , menyurung], id.

sarèngi : zie sarèngngi.

srêngên : beter srêngên, zie bij sêrêng.

surèngrana : eign. van een hoofd van Kadiri [zamengesteld uit sura, ing en rana].

srêngkara : ook sêrkara en sarkara, Kw. I. alles wat zoet is, als: suiker, honig, enz., ook een benaming der zangwijze Dandang-Goelå [sarkara = manis en sêrkara = madu, Skr. sjarkarâ, suiker]. II. iets dat den ondergang van een rijk voorspelt of veroorzaakt [Het wordt verklaard door irêng].

--- 327 ---

sarengat : [Ar. syarii'at], wet, instelling, godsdienstinstellingen, de leer van een profeet, godsdienst [Sd. sareyat, wet, gebod].

srangsrangan : K.N. naar alle rigtingen de vlugt nemen, zich naar alle kanten verspreiden [=salang tunjang].

surèngpati : naam van een bloem.

srêngga : Kw. de top of kruin van een berg [Skr. sjrengga, zie bij srênggi].

srênggi : Kw. groot, ontzaggelijk, vervaarlijk; ook Srênggi of Kalasrênggi, eign. van een voornamen Boetå [=gêdhe, dhuwur, pucuk, sungu, en buta, Skr. sjrenggi, een berg; gehoornd; van sjrengga, top van een berg; hoorn; hoogheid, majesteit; enz.].

surènggana : Kw. een hemelnimf, Widådari [zamengesteld uit sura, ing, en gana, Skr. soerângganâ, id.]; naam van een bloem.

srênggana : Kw. zoetigheid; zoete, vleijende woorden, vleijerij [Skr. sjrenggâra, de liefde, de min].

surônggakara : Kw. heldhaftigheid, dapperheid; een dapper held; ook naam van een slagorde [=prajurit luwih].

srênggala : Kw. hond [=asu, Skr. sjregâla, een jakhals].

sarèngi : z.v.a. sarengat [Ar. syar'ii], wet of godsdienstinstelling betreffend, wettig].

srêngenge : K.N. de zon.

srêngên : zie sêrêng.

sak : I. zie bij sa, II. z.v.a. sok, III. zie êsak, IV. verkorting van sêsak, of liever de grondvorm er van, zoodat ook sak of êsak, in den zin van droefheid, hartzeer, eignlijk geprangdheid beteekent. -sak-sak, zie beneden.

suk : zie êsuk.

sok : I. z.v.a. asok, en kasok [Het is de grondvorm, en beteekent stort, storting]. II. N. [asring, K.] dikwijls, mennigmaal, herhaaldelijk, telkens. III. K.N. indien maar, zoo maar, (met volgenden jussief). Zoo ook sok uga, N., sok ugi, K., en sok dhasar, sok wonga, N., sok tiyanga, K., zoo het maar iemand is, d.i., wie het ook zij, iedereen.

saka : I. K.N. steun, zuil, pilaar; hoofdgetal [=ôngka, Skr. sjaka, benaming van een Vorst, met wiens regering een jaartelling begint; inzonderheid vorst Sjâlivâhana, van wiens regering de jaartelling begint, die met het jaar 76 of 78 van onze jaartelling een aanvang neemt; en een van de regering van een beroemd Vorst beginnende jaartelling, voornamelijk die van Sjâlivâhana, wordt Sjâkagenoemd]. sakaguru, foofdpilaar van een gebouw. Ajisaka, eign. van een Vorst in de Javaansche mythologie, van wiens komst op Jawa (in het jaar 76 of 78 van onze jaartelling) de Javanen hun jaartelling aanvangen. II. saka, en gew.sôngka, K.N. afkomst; bron, oorsprong; en saka, sôngka, of ook sêka, N., [ook têka, N.] saking of sangking, K., komende van; van, wegens, door, uit [geletterde Javanen willen, dat men saka en saking, schrijft; doch

--- 328 ---

gewoonlijk wordt het sôngka en sangking, uitgesproken]. awit saka, N., awit saking, K., uithoofde van, wegens. amarga saka, N., amargi saking, K., door middel van, door. saka ngêndi, N., saking pundi, K., van waar. liya saking, anders dan. -nyangkani, K.N. iets in het werk stellen. -pinôngka, zie beneden.

sêka : zie saka, II. en suku, II.

sika : Kw. I. de punt van den neus [= pucuking irung en tangan, Skr. sjikhâ, punt of top in het algemeen; een tak, arm]. II. zich bewegen: zie munasika.

siki : Kw. een enkele, een stuk [= siji, Sd. korrel, zaadkorrel]. sasiki-siki, ieder, elk. patang siki, vier stuks. pitung siki, zevenstuks.

siku : I. K.N. fout, misstap. siku-siku, berisping, bestraffing. -nyiku, afkeuren; bestraffen, berispen. kasiku, afgekeurd; bestraft. II. Sd. Ml. elleboog [vrg. sikut]. -sikon, K.N. gelijk van elkander verwijderd, een regte hoek.

suka : I. K. [ook ngingah, K., bungah, N.] genoegen, vermaak, vreugde, blijdschap; blijde, verblijd, verheugd, opgeruimd [Sd. Ml. Skr. soekha, id.] suka-suka, groote vreugde, zich zeer verblijden; gejuich, juichen; verrukt. suka pirêna, zie rêna, -sukan-sukan, groot vermaak, feestvreugde. -kasukan, verblijd worden; zich verlustigen; verlustiging, spel. II. K. [awèh, N., paring, K.h.] gift, geschenk; vergiffenis, kwijtschelding. asuka, geven, verleenen, toestaan, genoegen in iets nemen. asuka uninga, kennis geven. asuka wilujêng, gelukwenschen. asuka rêmbag, raadgeven, aanraden. -nyukani, iemand iets geven, schenken, mededeelen, bezorgen. nyukani manah, minzaam. nyênyukani, iets, het een od ander, geven. kasukanan, begiftigd met iets. -nyukakakên, iets laten geven, of iets geven aan iemand.

suku : K. [sikil, N., sampeyan, K.h.] voet, been, poot [Sd. id.] sukuning rêdi, voet van een berg. suku pat, viervoetig. suku wajik, de hielen van een paard. II. N., sêka, K., een kwart Spaansche mat.

soka : naam van een boem, die welriekende bloemen draagt [Ml. angsoka]. -angsoka, de bloem van den Såkåboom. -Zamenstellingen zie men beneden.

sakèhe : z.v.a. sakèhhe, zie kèh.

sakiki : z.v.a. saiki, zie ka, I.

sikon : zie siku, II.

sukan : z.v.a. sungkan, zie ook suka, I.

sukun : K.N. een mond zonder tanden; een vrucht zonder pitten; ook naam van een boom, de broodboom [Sd. Ml. id.].

sokanandi : naam van een soort van rijst.

sikantên : zie sikara.

sukantuk : K. [van antuk]; nyakantuk, verleenen, begunstigen.

sêkèndhèr : [Ar. Iskandar], eign. Alexander.

sukôntha : naam van een paard [rakitan rata Prabu Dwarawati].

sukci : zie suci.

sakeca : zie eca.

sakra : bijnaam van Batårå Éndrå [Skr. sjakra].

--- 329 ---

sakri : eign. van een Batårå.

sakhur : of saur, [Ar. sahuur], het eten vóór het aanbreken van den dag in de vastenmaand [van sahar], de eerste morgenschemering].

sukra : Kw. vrijdag; een ster [=Jumungah en lintang, Skr. sjoekra, de planeet Venus].

sêkar : K. [kêmbang, N.] bloem, bloesem; bloeijen; dichtmaat, poëzij [Sd. id. vrg. êkar]. sêkar suji, een boemkrans [Het wordt verklaard door kêmbang kang mawa patrêm en sêkar sunggingan]. sêkaran of sêkaran, gebloemte, bloemwerk; van bloemen voorzien zijn; een bloemperk; geverwde kleedjes, waarvan verschillende soorten zijn, als wit, rood of paars met groen omboord, wit met zwart, geel met paars, enz.; een bijzit, bijwijf; de renten van een kapitaal; K.h. [kijing en maejan, K.N.] graftombe, grafsteen. rasukan sêkaran, gebloemde rok. -pasêkaran, begraafplaats. -panêkar, zie beneden.

sikir : ook singkir, [Ar.sihr], K.N. betoovering; een toovergebed; een duivelskonstenaar. ngèlmu sikir, tooverkunst.

sukêr : ook susukêr of sêsukêr, K.N. hindernis, hinderpaal, beletsel, moeijelijkheid; vuil, onrein, morsig; afschuwelijk, gemeen, slecht; vuiligheid, morsigheid; de maandstonden van een vrouw [Sd. Ml. moeijelijk, lastig; zwarigheid, bindernis]. -nyukêri, vuil maken; iemand belasteren.

sukur : zie sokur.

sokur : of sukur, [Ar. syakuur], K.N. dank, dankzegging. asokur, danken.

sikara : I. K.N. [=agawe ala, Skr. shikhara, punt, top]. -nyikara, K.N., ook nyikantên, K., het iemand moeijelijk maken, iemand tegenwerken; iemand kwaad doen, mishandelen. II. Kw. de armen van een Boetå. Tj. Sêngk. twee [Skr. sjikhara, ook alleboog; vrg. sika].

sukara : Kw. een wild varken, everzwijn [Skr. soêkara, een varken, zwijn].

sukirna : zie kirna, II.

sokarini : naam van een berg.

sakrêt : zie kêrêt.

sêkarat : [Ar. sakarat], doodsangst, agonie.

sakarêp : N. [van arêp]; nyakarêp, het aan iemands keus laten, sakarêp, zeggen.

sikak : K.N. bits, iemand bits aanspreken.

sakkal : voor sakal zie kal.

sêkti : Kw. K.N. magt, kracht, bovennatuurlijk vermogen; magtig, oppermagtig, onverwinlijk [=kawasa, guna en luwih, Ml. id., Skr. sjakti]. -kasêktèn, de magt, waarmeê iemand begaafd, de krachten, waarmeê hij uitgerust is.

sakit : K. [lara, N., gêrah, K.h.] ziek, krank, ongesteld; ziekte, pijn, smark; zeer ziek zijn, lijden [Ml. id.]. sêsakit, ongemak. sakit waja, tandpijn. sakit manah, gevoelig; ontevreden. sakiting manah, hartzeer. -nyênyakit, pijnigen, martelen. -nyakiti, smarten veroorzaken; de barensweeën hebben, in barensnood zijn, van een vrouw; iemand in de gevangenis zetten; schadelijk, ongezond. botên nyakiti, onschadelijk. -nyakitakên, [-nyakitakên...]

--- 330 ---

[...,] iemand ziek maken, smart veroorzaken. nyakitakên manah, iemand hartzeer veroorzaken, deren, krenken. -sakitan of sêsakitan, een gevangene, arrestant. -pasakitan [kunjaran, K.N.] gevangenis; ook verkeerdelijk z.v.a. het voorgaande, gevangene. -panyakit, iemand die een ander kwaad berokkent, een boosdoener, kwaadstoker; toovenaar. gagêdhêging panyakit, een aartsdeugniet. -srisakit zie srilara, -sakit kudan, zie bij lara.

sikat : K.N. borstel, schuijer, boender [Sd. Ml. id.] sikat untu, K.N.; sikat waja, K.h. tandesschuijer. -nyikati, borstelen, schuijeren, boenen. -nyikatake, N., -kên, K., laten borstelen, iets afborstelen. -sikatan, naam van een kleinen vogel, de kwikstaart.

sikut : K.N. de elleboog [vrg. siku, II]. -nyikut, den alleboog gebruiken, daarmede stooten. sikut-sinikut, elkander met den elleboog stooten.

sukêt : N. [rumput, K.] gras. sukêt garing, hooi. -sukêtan, het gras; b.v. in het gras gaan zitten.

sèkêt : K.N. zijftig [Sd. id.]. ping sèkêt, vijftigmaal; vijftigste. -nyèkêt, elk vijftig, ieder vijftig. -panèkêt, een ambtenaar, die een uitgestrektheid lands van vijftig karjå's onder zijn beheer heeft.

sêkati : eign. der dochter van een hoofd van Toeban.

sakatèn : naam van een groote tram, die onder het spelen der Gamêllan voor den tempel in de maand Moeloed, van den 6den tot den 12den, geslagen wordt; of wel benaming van de bijzonder groote Gamêllan, die dan bespeeld wordt.

sêksa : verkorting van rasêksa.

sêksi : K.N. getuige [Sd. saksi, Ml. id.; Skr. sâxi]. asêksi, een getuige nemen. -nêksi, getuigen, voor iets instaan. -nêksèni, getuigen, een zaak als getuige bevestigen, voor waar verklaren. kasêksèn, getuigenis, verklaring. -nêksèkake, N., -kên, K., iemand tot getuige van een zaak nemen; een zaak door getuigen laten bevestigen.

siksa : K.N. foltering, kastijding, straf van God [Sd. Ml. id.]. -niksa, kastijden, straffen, verdoemen. -paniksa, veroordeeling tot straf, verdoeming, straffing.

saksana : Kw. vervolgens, daarna [=tumuli of tumuntên, zamengesteld uit het voorzetsel sa en Skr. xana, een oogenblik]. risaksana, hetzelfde [=tumuli].

saksak : z.v.a. sasak.

sêksêk : K.N. spoed maken.

saksat : zie sasat.

suksma : zie sukma.

sokawati : N., sokawatos, K., naam van een distrikt.

sokawatos : zie sokawati.

sakal : zie kal.

sêkêl : K.h. [susah, K.N.] droefheid, verdriet, rouw, smart, hartzeer; bedroefd. -nyêkêli, iemand verdriet aandoen, hartzeer veroorzaken. kasêkêlan, bedroefd, door droefheid getroffen; droefheid, hartzeer [=kasusahan,

--- 331 ---

Men vindt ook verkeerd kasêkêlan, geschreven]. kasêkêlan galih, bedroefd van harte.

sêkul : zie sêga.

sikil : N. voet, been; K.N. poot. sikiling gunung, voet van een berg. sikil wajik, de hielen van een paard. sikil pat, viervoetig.

sukli : Kw. de buitenste rand van het woel van een rijtuig.

sakolèh : N. [van olèh]; nyakolèhake, genoegen in iets nemen.

sakloron : zie ro.

sakêlat : zie sangkêlat.

sakaliyan : zie kalih.

sokalima : naam van een plaats in de nabijheid van Ngastinå. Pandhita ing Sokalima, de Panditå van Sokålimå, d.i. Dronå.

saklangkung : zie langkung.

sakalangkung : zie langkung.

sikêp : Kw. dragen, aanhebben; handvatsel, greep. K.N. drager, sjouwer [=candhak, cêkêl, nyêpêng, en bujang]. wong sikêp, een dienstpligtige. -nyikêp, K.N. omvatten, in de handen of armen sluiten; een wapen dragen; verpligte heerendiensten doen. -sumikêp, Kw. =anyandhak. -sikêpan, K.N. een bijzonder fatsoen van buis of kamizool, met twee slippen en één rei knoopen, dat door de ambtenaren als ambtskleeding gedragen wordt. Ook beambte vrouwen dragen zulk een buis, doch alleen die, welke den rang van Toemênggoeng of Kliwon hebben.

sukup : K.N. door velen omringd worden.

suka pirêna : zie rêna.

sêkpêng : Kw. vol, opgevuld.

sakajêng : K. [van ajêng]; nyakajêng, het aan iemands kens laten, sakajêng zeggen.

sukma : en wat de oorspronkelijke vorm is, suksma, Kw., K.N. ziel, geest [=nyawa, Sd. id.; Skr. soêxma, de algemeene wereldziel]. Hyang Sukma of Hyang Suksma, naam van God, God, als de wereldziel. Sang Hyang Suksma kawêkas, een der namen van Batårå-Goeroe. -nukma of nyukma, overleggen, overdenken, bij zich zelven overwegen; zich incarneren, van een ziel, die in een lichaam vaart, in een ander lichaam overgaat [=nyawa lunga sêka ing ragane tumèmpèl ing badan liya en angêmori].

sakhabat : [Ar. shahaabat], gezellen, vrienden, discipelen; in het bijzonder de gezellen van Mohammed [vrg. sabat].

sakuthu : K.N. zamenspanning, zamenrotting, zamenzwering; zamenspannen, heulen, onder één deken schuilen [Ml. makker, deelgenoot]. -nyakuthu, zamenspannen, zamenrotten, een zamenzwering tot stand brengen.

sakèthèng : naam van de buitenste poort van de Kraton.

saking : zie saka, II.

sêking : K.N. een mesje, een vlijm [=lading kang cilik. [Ar. Ml. sikiin]. Zoo heet het mesje, waarmeê de besnijdenis verrigt wordt].

sèkèng : K.N. gebrek, behoefte, moedeloosheid.

sad : Kw. zes [=nênêm, Skr. sas, sat of sad]. sadpada, een zesvoeter, een soort van groote bijen, een wesp [=kombang en tawon].

sada : I. verkorting van usada.

--- 332 ---

II. K.N. gelijken, naar iets zweemen, -achtig [waarschijnlijk van ada, met het voorzetsel sa]. III. K.N. de steel of rib van een kokosblad [=balunging janur, Skr. sjada of sada, eetbaar gewas, zooels vruchten, wortelen, enz.]. sasada lanang, een groote steel van een kokosblad. sada kairat, in tweeën gescheurde kokossteel, die gebruikt wordt, om de padiplantjes tot boosen te binden.

sadu : I. Kw., nyadu, listig, slim, bedreven zijn, in het kwaad. -pasadu of pisadu, K.N. leugen, onwaarheid. apisadu, liegen. II. Kw. overtreffen; uitmentend [Skr. sâdhoe, uitmuntend].

sade : ook wel wade, K. [adol, N.] verkoopen, van iemand, wiens bestendig bedrijf en kostwinning het is. wade, K.N. linnen dat te koop aangeboden wordt. -nyade, ook wel made, verkoopen, van iemand, wiens bestendig bedrijf en kostwinning het niet is. -nyadèni, meervoud van het vorige; ook te koop stellen. -nyadèkakên, voor een ander verkoopen; laten verkoopen. -sadeyan [dodol, N.] het een of ander verkoopen, aan het verkoopen zijn; ook sadeyan of sêsadeyan [dodolan, N.] goederen, die verkocht worden, koopwaren. -wêwadeyan, koopman, kramer. -panyade, vrkoop.

sida : N., siyos of sios, K., doorgaan, geschieden, werkelijk plaats hebben [Skr. ziddha, voltooid, volvoerd, gedaan, voleind, geeindigd]. ora sida, N., botên siyos, K., niet doorgaan, niet plaats hebben. -nyidakake, N., nyiyosakên, tot stand doen komen, doen plaats hebben. -kasidan, uitkomst.

sidi : Kw. = sinakti [Skr. siddhi, vervulling, voltooijing, voleinding; de erlanging van bovennatuurlijke vermogens door de vervulling van magische plegtigheden of dergelijke middelen]. sidi purnama, eign. van een Panditå. purnamasidi zie purnama.

suda : K.N. verminderd; vermindering; verminderen, minder worden. -nyuda, verminderen, aftrekken, korten; temperen, verzachten. nyuda krama, aan iemand minder eer bewijzen, dan hem toekomt. nyuda praya, Kw. ongehoorzaam zijn. -nyudani, en nyudakake, N., -kên, K., iets verminderen. kasudan, vermindering, afbreuk, schade; Tj. Sêngk. nul. -sudan, afslag, vermindering.

sudi : K.N. niet ongenegen zijn; genegen zijn, verkiezen, begeeren [Ml. goedvinden, inwilligen]. -nyudi gawe, N., nyudi damêl, K. iemand ongelukkig maken.

seda : K.h. [pati en mati, N., pêjah, K.] dood, overleden, gestorven zijn; de dood, het sterven; overlijden, sterven. -nyedani, dooden.

sadana : Kw. een weg; ook naam van een Déwå [Het wordt verklaard door arta, Skr. sâdhana, middel, middelen; goederen, rijkdom. Vrg. sadhana]. -bok sri sadana = sri, eign. van de gemalin van Wisnoe.

sadantên : K. Does. z.v.a. sadaya.

sudra : Kw. K.N. een gering, gemeen mensch, iemand [ie...]

--- 333 ---

[...mand] van de laagste klasse; het gemeen [=wong kang luwih asor, Skr. sjoêdra, benaming van de vierde of laagste kaste].

sodor : K.N. een lans zonder scherpe punt, die bij de tournooispelen gebruikt wordt. -nyodor, met zulk een lans steken. -sodoran, met lansen zonder scherpe punten elkander steken; tournooispel.

sadara : K.N. de zesde dag van het licht der maan; ook eign. van een persoon [=tanggal ping nêm].

sudara : zie saudara.

sudira : Kw. moedig, dapper; moed, dapperheid [=digdaya, zamengesteld uit su en dira]. -kasudiran, met moed bezield, vol moed; moed, dapperheid [=kasêktèn].

sadran :K.N.; nyadran, de graven van zijn voorrouders latenschoonmaken, hetgeen de Javanen gelegenheid geofferd en reukwerk gebrand wordt, en men de tomben met welriekende olie besmeert; terwijl ook eenig geld, naar ieders vermogen, aan de priesters gegeven wordt, om voor den overledene te bidden. -panyadranan, de plegtigheid van nyadran, ook de offeranden, bij die gelegenheid gebruikt.

sudarsana : Kw. voorbeeld; een bode der Godheid; ook naam van een bloem [=kongkonan dewa, Skr. soedarsjana, schoon, bevallig; de rozeappel; (Eugenia jambu); enz.: zamengesteld uit su en darsana].

sudarpa : zie darpa.

sudarma : Kw. 1. vader; 2. bedaard [=bapa, zamengesteld uit su en darma]. -kasudarman, als vader erkend worden; bedaardheid.

sadarum : Kw. alle, gezamentlijk [=kabèh].

sadrang : nyadrang, z.v.a. sadran, nyadran.

sadak : I. Kw. naald, speld. II. K.N. toebereide kalk, die bij de Sirih gebruikt wordt.

sidik : K.N. wezenlijk, juist, waar; schrander, scherp ziend; voorzeggen, propheteren; voozegging [Ar. shiddiiq], waarachtig, getrouw; [Ml. sidik, menyidik], zoeken, onderzoeken]. -nyidikake, N., -kên, K., een voorzegging doen; bewaarheden, waarmaken.

suduk : K.N. een wapen of iets waarmede men steekt. suduk sarira, zelfmoord. suduk udal-udal, het verblijf van Narådå in de Soerå-låjå [kayangane Bathara Narada]. -nyuduk, steken. suduk-sinuduk, elkander steken. -nyuduki, naar iets of iemand steken. -nyudukake, N., -kên, K., iets bezigen om meê te steken. -sudukan, elkander steken. -nyuduki, naar iets of iemand steken. -nyudukake, N., -kên, K., iets bezigen om meê te steken. sudukan, elkander steken; ook steken, zoo als b.v. têlung sudukan, drie steken.

sudika : Kw. geregt; regtvaardig [=adil].

sidikara : of sindikara, Kw.; nyidikara of nyindikara, bidden, een gebed uitspreken.

sidêkung : K.N. gebogen, krom [vrg. dêkung].

sadasa : zie dasa

sadewa : eign. van den jongsten zoon van Pandoe [putraning Pandhu kang pamêkas. Skr. Sahadêwa].

sêduwa : zie siduwa.

siduwa : of sêduwa, K.N. in een onbetamelijke houding zittende op de handen leunen.

--- 334 ---

sudèwi : zie su.

sadulur : N. [sadhèrèk, K.] broeder of zuster; ook verwant, verwante, verwantschap [van dulur, met het voorzetsel sa, Sd. dhulur, id.]. -nyadulurake, tot broeder of zuster aannemen.

sidi purnama : eign. van een Panditå.

sadpada : zie sad.

sudha : Kw. fraai, shoon, goed [Skr. sjoeddha, zuiver, rein; onschuldig].

sidajêng : zie sidayu.

sêdya : of sêja, K.N. plan, doel, bedoeling, oogmerk, voornemen; voorhebben [=niyat, Ml. sahaja]. -nêdya ook nêja of nyêja, plan hebben, ontwerpen, oogmerk hebben, voornemens zijn. -sumêdya of sumêja, voornemens zijn. -sumêdya of sumêja, voornemens zijn [=aniyat]. -panêdya of panêja, voornemen, plan, oogmerk.

sadaya : K. [kabèh, N.] al, alle, alles; geheel; gezamentlijk [zoo als het schijnt, van daya, I. met het voorzetsel sa]. sadaya-daya zie daya, III. -samadaya, Kw. z.v.a. sadaya [zamengesteld uit sama en daya].

sêdaya : z.v.a. sadaya.

sidayu : N., sidajêng, K., naam van een distrikt.

sadêmi : naam der buitenste poort van een hoofdplaats.

saduman : zie dum.

sadaga : Kw. wind [=angin].

sêdagar : z.v.a. sudagar.

sudagar : K.N. koopman in het groot, groothandelaar [Pers. Ml. saudagar]. -nyudagar, koophandel drijven.

sudigbya : zie sudibya.

sudibya : of sudigbya, Kw. zeer voortreffelijk, zeer bekwaam, zeer bedreven [sudigbya = angluwihi, zamengesteld uit su en dibya of digbya]. Sudibya Raja Putra Narendra Mataram, titel van den Kroonprins van Soerakarta. -kasudibyan, uitstekend vermogen, bedreven heid; met een groot vermogen uitgerust [=kasêktèn].

sat : verkorting van asat [In het Skr. beteekent sat trouw, goed, best, enz. Vrg. satmata].

sit : verkorting van situn [Ar. ziit], olijfolie].

sèt : Kw. een klein wormpje; made, mijt [=ulêr kang ana ing daging en putihing ulêr]; ook een bijnaam van Wisnoe.

sot : K.N. betoovering, bezwering, vervloking [=nyêpatani]. -ngêsot, iemand vloeken, uitschelden.

sata : I. Kw. honderd [=sapuluh dasa, Skr. sjata]. sata Korawa, de honderd Koråwå's, d.i. de zonen van Deståråtå. II. K. [têmbako, N.] tabak. III. Kw. een hoen, haan [=ayam en pitik]. -sata wana, K. [ayam alas, N.] een boschhoen, boschhaan.

satu : [Ml. satu], één [siji, Een ander zie bij tu]. satu punapa, wat ook, iets hoegenaamd.

sate : K.N. kleine stukken vleesch, die op een stok gestoken, aan het vuur gebraken, en bij de rijst gegeten worden. -nyate, Saté maken.

sato : Kw. K.N. beest, tam dier [=khewan

--- 335 ---

Sd. sato of satong, beest, dier, vee, hoornvee; Skr. satwa, een dier, een wezen]. sato khewan, beest, wild dier.

sêta : I. verkorting van asta, K.N. de lengte van den elleboog tot aan de uiterste punt van den middelsten vinger. II. K.h. lust, begeerte [Skr. sjâta, gelukkig; geluk, blijdschap, vermaak; en sâta, vermaak, genoegen].

sêtu : verkorting van sêptu.

siti : I. K. [lêmah, N., bumi, K.N.] grond, bodem; land, landerijen; grondgebied [Skr. xiti, de aarde]. siti dhusun, désa-land, dorpsgrond. siti inggil of sitinggil, (hooge grond) benaming van een verhevene plaats vóór den ingang van het vorstelijk paleis, waar de vorst verschijnt, wanneer hij zich aan zijn onderdanen vertoont. wadana siti agêng, titel van één der vier buiten-Wadånå's. -kasitèn, tot een grondgebied behoorende. -pasitèn, landschap, grondgebied. II. T.D. verpligting. III. voorzetsel vóór eigennamen van vrouwen [Het wordt verklaard door wadon]; b.v. Siti Sundari, eign. van de gemalin van Abamanjoe in de Bråtå-joedå.

suta : Kw. kind, zoon [=anak, Skr. soeta, een zoon; een prins; soetâ, een dochter]. asuta of sêsuta, een kind verwekken. margasuta, de moedermond.

seta : Kw. wit [=putih en putihing awak, Skr. sita, wit]; ook eign. van den oudsten zoon van den vorst van Wiråtå.

sotah : K.N. niet afkeerig, genegen zijn [=kêrsa].

stana : of sêtana, z.v.a. astana.

sêtun : zie dêstun.

situn : [Ar. zaituun], de olijf; de olijfboom [Ml. id. vrg. sit en jetun].

setan : [Ar. syaithaan], K.N. Satan, duivel [Sd. Ml. id. vrg. sayatin]. -nyetani, iemand tegenwerken, hinderlijk zijn, iets in den weg leggen; iemand een Satan noemen.

sêtana : zie stana.

satru : K.N. I. tegenstrever, vijand [Sd. Ml. Skr. sjatroe, id.]. satrutama, benaming van een soort van soldaten. -nyatru, een vijand hebben. -nyatroni, iemand als vijand behandelen, een vijandig hart toedragen. -sêsatron, met een ander of met elkander in vijandschap verkeeren; vijandschap. II. iets dat in een vorm gebakken is.

sêtri : z.v.a. èstri [=wadon].

sutra : K.N. zijde, zijden stof [Sd. Ml. id.; Skr. soêtra, een draad]. -nyutra, benaming van een soort van boogschutters, in zijde gekleede soldaten van den Soesoehoenan.anyutra, met een boog schieten.

setra : Kw. Skr. xêtra, een veld; een reine, heilige plaats [Sd. rein, zuiver]. Setra Gôndamayu, naam van een woud. Kurusetra, zie Kuru, II. -nyetra, een lijk neêrleggen. -pasetran, de plaats waar lijken neêrgelegd worden.

sutri : K.N. een touw, dat een paard, wanneer het gewasschen wordt, om het lijf gedaan wordt.

--- 336 ---

sutara : Kw. fraai, shoon [zeker zamengesteld uit su en tara, zie boven].

satron : zie satru.

satriya : K.N. een edele, een edelman, een zoon of nabestaande van den vorst [=santananing ratu, Skr. xatrija, iemand van de kaste der krijgslieden]. satriya manah, benaming van een zeker teeken in het haar van een paard. -nyatriya = ambêk satriya, -sinatriya, tot de Satrijås behoorende. -kasatriyan, adeldom, het karakter van een Satrijå.

sêtak : Kw.; nyêtaki, iemand voorlichten.

sitok : Kw. één [=satunggal].

sutikna : Kw. zeer heet [=luwih panas, verbastering van sutiksna].

sutiksna : zamengesteld uit su, en tiksna, [Skr. soetixna] zeer scherp.

satus : zie atus.

siti sundari : zie sundari.

sutapa : Kw. het afgezonderd leven van een kluizenaar [Skr. soetapå, een kluizenaar: zamengesteld uit su en tapa]. sang sutapa, een kluizenaar. -kasutapan, een kluizenaarsleven leiden.

siti pratala : naam der woonplaats van Déwi Pratiwi.

sitija : eign. van een zoon van Krêsnå, bij Déwi Pratiwi.

sêtya : ook sêca, Kw. K.N. trouw, opregt, geloofwaardig, eerlijk, braaf, waar; een opregte belofte [=têmên en blaka, Ml. id.; Skr. satya]. nyêtyani of nêcani, vertrouwen in iemand stellen. -sêcan, K.N. afspraak; beloven [=prajangjeyan]. -sasêcan, elkander beloven; onderlinge afspraak, zamenzwering [=prajangjeyan]. -prasêtya of prasêca, stellige belofte; zamenzwering, verbond [=jangji].

sotya : of soca, Kw. K.N. edelgesteente, juweel; K.h. [mata, N., mripat, K.] het oog; gelaat, gezigt [=intên, Sd. oog; Skr. sjôtjya, te zuiveren, te reinigen; sjautja, reiniging, reinheid]. sêsotya, juwelen; ook het gezigt wasschen. -nyotyani of nyutyani, met juwelen bezetten.

sêtyaki : eign. van een zoon van Sêtyadjid, den vorst van Lésan-poerå, een held in het gevolg van Krêsnå, in de Bråtå-joedå (Skr. sâtyaki].

sêtyawati : of sêcawati, eign. der gemalin van Saljå, den vorst van Mòndå-råkå.

sêtyajit : eign. van den vorst van Lésan-poerå, den vader van Sêtyaki.

sêtyatama : of sêcatama, eign. van een dochter van Sêtyadjid, een der gemalinnen van Krêsnå [Skr. satyabhâmâ].

satmripat : zie satmata.

satmata : N., satmripat, K., zigtbaar, duidelijk, klaar; verstaan, begrijpen [zamengesteld uit sat en mata of mripat. Ik vind satmata, verklaard door satkatingal]. kasat mata, Kw. gezien worden; het gezigt. sinatmata, het gezigt [Het wordt verklaard door cinakêtake].

sêtagi : en sêtagèn, K.N. een breed lint, een reep; gordel.

sètubônda : eign. van een olifant [Skr. sêtoebandha, [sêtoe...]

--- 337 ---

[...bandha,] een dijk of dam; en zoo vind ik setubônda buta, verklaard door bêndungan langkung agêng en setubônda layu, door bêndungan langkung panjang].

satabêl : Holl. constabel, kanonnier. upsir satabêlan, luitenant der artillerie.

satang : K.N. een polsstok [Ml. een lange stok of staak]. -nyatangi, een vaartuig met een polsstok voortduwen.

satangsu : zie sitangsu.

sitangsu : en sitèngsu, ook bij verbastering sutangsu, sutèngsu en satangsu, en bij verkorting tangsu en tèngsu, Kw. de maan; een maand [rêmbulan en sasi, Skr. sitangsoe en sitêngsoe, de witstralende, de maan, van sita of siti, wit, en angsoe, straal].

sitèngsu : zie sitangsu.

sutangsu : zie sitangsu.

sutèngsu : zie sitangsu.

sês : of êsês, K.N. gesuis, geloei, van den adem of den wind; K.h. [rokok, K.N.] een cigaar, een Javaansche cigaar [vrg. êsas, boven].

sasa : Kw. I. ster, sterren [lintang]. II. een leeuw of tijger [=singa].

sasi : N. [wulan, K.] de maan; maand [Skr. sjasjî, de maan]. sêsasi, é/n maand. -sasèn, bij maanden, bij de maand, maanden lang.

sêsa : zie susu,I.

sêsi : I. verkorting van sêksi. II. Kw. vledermuis.

sisa : en sesa, N., iets overlaten, overschieten [Ml. overschot, overblijfsel, overgeschotene brokken; Skr. sjisa, iets overlaten, niet alles gebruiken; sjêsa, overblijfsel, overschot]. -sisan [lorodan, K. overschot, overblijfsel; ook z.v.a. sisan, met één, tegelijk [eign., naar het schijnt, als restant]. -nisakake, N., -kên, K., tegelijk maken, tegelijk (metéén) doen plaats hebben; deel doen nemen, hetzelfde lot doen ondergaan; iets geheel volbrengen.

sisi : I. K.N. den neus snuiten. II. Kw. toornig, kwaad [=bêndu].

susu : N., I., sêsa, K. spoed, haast, overhaasting. -nusu-nusu, N., nêsa-nêsa, K., grooten haast maken, zich overhaasten. -kasusu, N., kasêsa, K., ijlen, zich haasten, zich overhaasten; al te haastig. II. N. [of K.N., payudara, K.h.] de borsten van een vrouw [Sd. Ml. id.]. banyu susu, N., toya susu, K., melk, moedermelk, zog. -nusu [nêsêp, K.] zuigen, aan de borst zuigen. -nusoni [nêsêpi, K.] een kind de borst geven, zogen. babinusoni, een zeug. -suson of pasuson, een zuigeling; medezuigeling, zoogbroer. -pasusu, K.N. zog.

sesa : zie sisa.

soso : K.N. lomp, onbeleefd. -nyonyo, lomp zijn in het spreken; kwaad spreken.

sêsah : zie susuh.

sisih : K.N. zijde, kant, flank; de ééne helft; wedergade; partij [Sd. Ml. id.]. sisih lor, N., sisih lèr, K., de noordzijde, noordkant. sasisih, [sa...]

--- 338 ---

[...sisih,] de ééne zijde, de ééne kant. ing sasisih, op zijde, ter zijde, bezijden. -nisih, op zijde doen, afzonderen, van elkander scheiden; op zijde gaan, uitwijken, afwijken. -sumisih, zich op zijde begeven, uitwijken, uit den weg gaan. sisihan of sisiyan, de ééne partij, één van beiden; tegenwigt, tegenstuk, tegenhanger, weêrga.

susah : K.N. moeilijk, bezwaarlijk, benard; bedroefd, droevig; moeite, moeilijkheid; droefheid, misnoegen, verdriet, smart, angst [Sd. Ml. id.]. ora susah, N., botên susah, K., niet behoeven. -nusahi, iemand moeite of verdriet aandoen, bemoeilijken, bedroeven. kasusahan, bemoeilijkt, door droefheid getroffen, bedroefd; moeilijkheid, ongelegenheid, benarde, omstandigheden, ramp, ellende. agawe ing kasusahan, N., adamêl ing kasusahan, K., krenken. -nusahake, N., -kên, K., iets in het werk stellen, om iemand bedroefd te maken; moeilijkheden in den weg leggen.

susuh : N., sêsah, K., een nest, vogelnest. -nusuh, K.N. nestelen, een nest maken [Zie ook boven].

susuhunan : zie suhun.

sisan : zie sisa.

susun : K.N. afdeeling, verdieping; laag, opstapeling [=tundha-tundha, Ml. id.]. -nusun, afdeelen, bij lagen op elkander leggen, opstapelen.

susena : zamengesteld uit su en sena, een eigennaam [Skr. soêsêna].

sasra : Kw. duizend [=sapuluh atus, Skr. sahasra].

sêsra : Kw. een ring.

susra : Kw. vermaard, beroemd, alom geprezen [=kocap]. -kasusra, beroemd, vermaard [=kasuwur ing tanah liyan]. -kasusra-kasosra, alom vermaard, zeer beroemd.

sasar : K.N. afwijking, afdwaling; misdaad, zonde. -nasar, een verkeerden weg inslaan, dwalen, afdwalen, overtreden, uitspatten, zondigen. kasasar, afgedwaald; verwalen; afwijken. nasari, van een weg afdwalen. -nasarake, N., -kên, K., doen dwalen, iemand op een dwaalweg brengen, misleiden, verleiden. -sasaran, van den regten weg af. dalan sasaran, N., margi sasaran, K., een dwaalweg. lumajêng asasaran, naar alle kanten de vlugt nemen en zich verstrooijen. -sasar susur, in de war zijn.

sêsêr : K.N. stoot, duw; ook benaming van een bij zonder fatsoen van ring. jêne sêsêr, een ring, die den vorm van een kronkelende slang heeft. -nêsêr, stooten, duwen. kasêsêr, gestooten, geduwd; verslagen, op de vlugt gedreven.

sisir : K.N. een soort van doren; een rasp [Sd. Ml. een kam, haarkam]. -nisir, raspen, afschrapen; verminderen. -pasisir, zie beneden.

susur : K.N. I. pek. -nusuri, met pek bestrijken. II. de tanden met tabak wrijven, om er een glans aan te geven; polijsten; een pruim tabak; pruimen [Sd. een tandeschuijertje]. -nusuri, iets (voornamelijk de tanden) met tabak wrijven; tabak kaauwen.

--- 339 ---

sèsèr : K.N. een klein vischnet, schepnet [Degrondvorm is sèr, vrg. nèsèr, daarmeê visschen.

sosor : K.N. een ondergeschikte [van sor]. -sumosor, ondergeschikt zijn. -sosoran, N., andhap-andhapan, K., een ondergeschikte, iemand die een ander onmiddellijk in rang opvolgt.

sasrah : K.N. een geschenk aan een bruid geven [van srah]. -sasrahan, het geschenk dat de vader van den bruidegom drie of vijf dagen vóór de voltrekking van het huwelijk aan den vader van de bruid geeft [Sd. sêsarahan, huwelijksgoed]. -nasrahi, de Sasrahangeven.

sêsirih : K.N. zich van alles onthouden.

sasarakasa : Kw. end wind, die boomen omverrukt.

sasar-susur : zie bij sasar.

sasra wrêksa : Kw. een wind, die boomen omverrukt.

suska : Kw. droog; ledig, eenzaam [=aking en sêpi, Skr. sjoeska, droog; onvruchtbaar].

sasak : K.N. een pont, waarop men over een rivier vaart [Sd. een brug. Vrg. saksak]. -nasak, ergens door of overheen (b.v. door een woud of over een rivier) gaan, gaan waar geen weg is; verdwalen; afdwalen, ronddwalen.

sêsak : sêsêk of sêsêg, K.N. naauw, eng, te naauw; niet wijd genoeg, er niet door kunnen; kortademig [Md. id. Degrondvorm is sak]. -nêsêg, aansluiten. -nêsaki of nêsêki, ook nêsêgi, te naauw maken; elkander verdringen. -kasêsêgan en kamisêsêgên, snikken, nokken, van droefheid overkropt zijn.

sêsêk : zie sêsak.

sisik : K.N. I. de schubben van een visch [Sd. Ml. id.]. II. het schuifelen eener slang. III. merk, teeken, bewijs. sisik mêlik, een bewijs zoeken. IV. sisik en slisik, de vlerken of vinnen bewegen.

susuk : Kw. speld, naald [vrg. sosog].

sesuk : zie esuk.

sosokan : zie asok.

sèstu : verkorting van saèstu, zie èstu.

sasat : ook, en eigenlijk, saksat, K.N. even zoo veel, even als, gelijk als, even gelijk, zoo goed als [=kaya, madhani, en gagênti, Skr. sâxât, in het gezigt, vóót het gezigt; blijkbaar; gelijk, als]. -prasasat, hetzelfde. -mrasasati, zoo veel zijn als. -kamisasat, z.v.a. prasasat.

sèsèt : K.N.; n,sèt, afstroopen, de huid afstroopen, het vel aftrekken [Sd. sisit, schilfer; schub; stroopen, het vel afstroopen, villen].

sosot : K.N. het schelden of schimpen van een vrouw. -sumosot, uitschelden, schimpen. -nosotake, N., -kên, K., iemand uitschelden.

sêsaton : K.N. een vorm, waarin iets gegoten wordt.

sastra : K. [aksara, N.] schrift, letter, letteren; het geschrevene [=aksara en tulisan, Skr. sastra, schrift, geschrift]. susastra, een fraai schrift [=sastra luwih. Het wordt ook verklaard door sanjata luwih. vrg. Skr. sjastra, [sjas...]

--- 340 ---

[...tra,] wapentuig]. tukang sastra, een schrijver. wasising sastra, in de letteren bedreven zijn.

sasiwo : Kw. moeilijkheden veroorzaken [siwo en sêsiwo, zie beneden].

siswa : Kw. leerling, discipel [Skr. sisya]; ook z.v.a. sisa.

sêsêl : K.N.; nêsêl, een gat digtmaken; ergerns inkruipen of tusschen kruipen, zich verbergen. -nêsêli en nêsêlake, N., -kên, K., iets tusschen stoppen, tusschen leggen, bedekken, verbergen.

susul : K.N.; nusul, iemand, die ergens heen gegaaan is, achternavolgen, achternaloopen. kasusul, achtervolgd worden, ingehaald worden. -nusuli, achterna zenden. -sumusul, achternagaan. -susulan, bijvoegsel, toevoegsel.

susila : (van su, fraai, schoon, en sila, een wijze van zitten) ook susela, Kw. een bedaarde, kalme houding; bekwaamheid; goede manieren, beschaafdheid [susela = polah tingkah en pêpatrapan, Skr. soesjîla, van een goede natuur, welgeaard, van sjîla, aard, natuur].

susela : zie susila.

sêsela : naam van een distrikt in het Grobogansche. Kyai Agêng Sêsela, Kyahi Agêng Sésélå, de schrijver der Papali.

sêsêp : K. [nusu, N.] de tepel aan de borst van een vrouw, de borsten [Sd. zuigen]. -nêsêp, zuigen, aan de borst zuigen. -nêsêpi, de borst geven, zogen. -pasêsêpan, zoogbroeder, medezuigeling.

sisip : K.N. fout, misstap, misdaad, schuld, verkeerdheid. -nisipake, N., -kên, K., iemand van een misdaad beschuldigen, schuldig verklaren.

susup : K.N.; nusup, onder door, of ergens door heen kruipen. -sumusup, inkruipen, insluipen. -susupan, een gat, waardoor men heen kruipt.

sisya : z.v.a. wisesa [Skr. sjisya, geweld].

sisiyan : zie sisih.

sasmita : Kw. I. een wolk, die over een bosch hangt, volgen de Dåså-nåmå. II. teeken, verschijnsel; een wenk der Godheid, voorspelling, openbaring [Het wordt verklaard door pasêmon. Skr. sasmita, lachend. Vrg. sêmita].

sêsêg : zie sêsak.

sisig : K.N. de tanden zwart maken.

susug : zie sosog.

sosog : en susug, K.N. een van bamboes gevlochtene langwerpige mand, die aan het einde spits uitloopt; een vischkorf, fuik. -nosog en nusug, steken; met iets dat puntig is op iemand aanvallen. [vrg. susuk].

sasab : K.N. deksel, dekkleed. -nasabi, bedekken, overdekken, toedekken, verbergen. kasasaban, bedekt, overdekt, verborgen.

sisingan : zie singa.

sasôngka : Kw. de maan [=rêmbulan, Skr. sjasjângka]. sasôngka purnamasidi, de volle maan.

sêsinggah : Kw. een gebed opzeggen.

sawa : I. naam van een soort van slangen; ook naam van een bom.

--- 341 ---

II. Kw. lijk, kreng [=bêbathang, Skr. sjawa]. III. K.N. het ruggebeen, ruggegraat.

sawi : K.N. I. een touw. -nyawèni, binden. II. mostaard [Sd. Ml. sêsawi]. wiji sawi, mostaardzaad. sêsawi, een enkele. -sawèn, een soort van batik of geschilderde kleedjes.

siwa : zie sewa, II.

siwi : Kw. I. kind, kinderen [=anak]. sêsiwi. sisiwi of asisiwi, kinderen hebben of verwekken [=apêputra]. II. zie sewa, II.

siwu : of siwo, K.N.; nyiwu of nyiwo, in de war brengen.

siwo : I. zie siwu. II. Kw. op iemand leunen; vertrouwen in iemand stellen, zich op iemand verlaten [=gugu]. sêsiwo, op elkander steunen, elkander onder den arm vatten [sasiwo, zie boven].

suwa : K.N. 1. een soort van sprinkhanen. 2. een schrijfpen, die van den steel van een Arenblad gemaakt is.

suwi : K.N.; nyuwi, zamensjorren, vasbinden.

suwe : N. [dangu, K.] verwijl van tijd, lange duur, lang duren, lang geleden. suwe-suwe, een tijd lang, al met der tijd. -nyuwe en nyênyuwe, lang maken, op de lange baan schuiven, met iets dralen, uitstellen, vertragen. -nyuwèni, iets op de lange baan schuiven, een zaak uitstellen. kasuwèn, lang gemaakt, lang uitgebleven; ook te lang geduurd, te lang verwijld, te laat.

sewa : I. K.N. huur, inhuring [=ngêlêt, Sd. Ml. id.]. -nyewa, huren, in huur nemen. -nyewakake, N., -kên, K., verhuren. -panyewan, het verhuurde. II. sewa, siwa en siwi, Kw. z.v.a. seba [sewa - kawula, Skr. sêwå, dienst, dienstbaarheid, vereering, hulde; sêwi, dienend, vereerend, huldigend]. -nyiwi, vóór een vorst verschijnen [=anyeba]. siniwi en siniwa, de persoon, vóór wien men verschijnt, de vorst [siniwa = sineba]. sumiwi en sumiwa, vóór een vorst verschijnen [sumiwi = sumeba]. -sewaka, zie beneden.

sèwu : zie sèwu.

swuh : Kw. z.v.a. suh [vrg. syuh].

sawah : I. naam van een boom. II. N., sabin, K. bedijkt rijstveld, akkers, die kunstmatig onder water gezet kunnen worden [Ml. id.]. sawah en sasawah, N., sabin en sasabin, K., sawah-veld bebouwen. disawah en dipun sabin, bebouwd worden, van Sawah-veld. -sawahan, N., -sabinan, K., Sawah-veld betreffend. prajurit sawahan, N., prajurit sabinan, K., soldaten, die in plaats van soldij, Sawah-velden tot hun onderhoud hebben. pasawahan, N., pasabinan, K., Sawah-gronden, gronden die tot Sawah-veld dienen. -panyawah, N., panyabin, K., bebouwing van Sawah-veld.

siwah : eign. van een Batårå [Skr. sjiwa, sjiwah, eign. van één der drie oppergoden]. siwah luhung, de verhevene Siwah, een bijnaam van Batårå-Goeroe [siwêh en siwêh buja = Bathara Guru].

--- 342 ---

suwaos : zie swasa.

sawan : K.N. een kind bang maken, om het tot stilte te brengen.

sawin : Kw. een halssierand.

sawèn : zie sawi.

suwan : K.N. een stuk hout of een houten hak, waarmede men den grond omwoelt. -nyuwan, met een Soewan werken.

sowan : zie seba.

suwun : zie suhun, I.

sêwana : Kw. een weg, straatweg [=dêlanggung].

suwèni : Kw. alle, alles [=sakabèhe, misschien voor sawèni, van wèni, Skr. wêni, een stroom, zamenloop van water of rivieren].

sawanan : K.N. het water, waarin wapentuig gewasschen wordt [Skr. sawana, het baden, reiniging, inzonderheid als voorbereiding voo een godsdienstige plegtigheid].

suwônda : eign. van den atih van Ardjoenå-såsrå.

swandana : zie syandana.

sawêr : K. [ula, N.] slang. sawêr wêlang, adder. sawêr naga, een groote slang, draak.

sawur : K.N. het strooijen van geld langs den weg bij een begrafenis tot aan de begraafplaats. -nyawur of nawur, uitstrooijen, zaaijen, verspreiden; te grabbel gooijen. -sumawur, zich verspreiden. -nyawuri, bestrooijen, iets op den grond strooijen. -nyawurake of nawurake, N., -kên, K., iets uitbreiden, ruchtbaar maken, een gerucht verspreiden.

siwar : K.N. de borstels op den rug van een varken; de uitstekende vinnen op den rug van een visch.

siwêr : K.N. touw. -nyiwêr, binden; vasthouden; goederen aanslaan, in beslag nemen. -sasiwêran, goederen, die in beslag genomen zijn; beslag, confiscatie.

siwir : K.N.; nyiwir, zich inhouden om te spreken, zich bedwingen.

siwur : K.N. een klapperdop met een houten steel, waarmede men water schept.

suwir : K.N. een scheur in iets; een ingescheurde rand of zelfkant. -nyuwiri, scheuren in een rand maken. -saluwir, een gescheurde rand. suwir-suwir of pating saluwir, overal ingescheurd. nalar pating saluwir, een wispelturig karakter. -nyaluwir, een scheur in iets maken, afscheuren.

suwur : K.N. een alom verspreid gerucht. -kasuwur, alom bekend. -misuwur, alom bekend, ruchtbaar; vermaard.

swara : ook suwara, K.N. geluid, stem, klank; Tj. Sêngk. zeven [Sd. Ml. id.; Skr. swara]. -nyuwara, geluid geven, zich laten verluiden, zich laten hooren, spreken. -nyuwarani, iemand of iets een geluid doen geven, noodzaken om te spreken. nywarakake of nyuwarakake, N., -kên, K., een geluid maken, een stem laten hooren.

suwara : zie swara.

sawarna : en sawarni, zie warna.

suwarna : zie warna.

siwarcana : Kw. eerbied betoonen, onderdanig zijn

--- 343 ---

[zamengesteld uit Skr. sêwå (zie bij sewa, II) en artjanâ, hulde, aanbidding].

swarga : suwarga of sawarga, K.N. de hemel, de verblijfplaats der Zaligen [Sd. surga of saworga, Ml. id.; Skr. swarga]. -nyuwarga, in den hemel gaan. -kaswargan, hemelsch; de hemelsche zaligheid, het hemelrijk.

swargi : of suwargi, K.N. een zallige; zaliger, wijlen [Skr. swargi].

sawarga : zie swarga.

suwarga : zie swarga.

suwargi : zie swargi.

suwak : I. zie suwèk. II. K.N.; nyuwak, beletten, verhinderen, tegengaan; een werk doen staken; schorsen. III. K.N.; nyuwak, ondersteunen, stutten, schragen.

suwuk : K.N. het zwijgen van een geluid; het ophouden van het spelen der Gamellan. -nyuwuk of nuwuk, een geluid doen ophouden; door een gebed de ziekte van een kind afwenden.

suwèk : en suwak, K.N. scheur, gescheurd [Sd. sowèk, scheuren, verscheuren, vaneen scheuren]. -nyuwèk en nyuwak, scheuren, verscheuren. -nyuwaki, hetzelfde. -suwekan, een afgescheurd stuk, strook, lap, lor, luur. -nyuwawak, in vele stukken scheuren. nyuwèwèk, iets wegslepen.

sèwèk : K. Does, een kleedje.

siwaka : zie sewaka.

sewaka : of siwaka, Kw. voor een vorst verschijnen [=seba en sohansowan. ing ratu, Skr. sêwaka, dienstbaar, een dienaar, van sêwâ, zie bij sewa, II.]. layang sewaka, titel van een boek. sinewaka of siniwaka, de persoon, vóór wien men verschijnt, de vorst [siniwaka = ratu miyos ing pagêlaran]. -pasewakan, de plaats, waar men vóór den vorst verschijnt [=panggonan seba ing ratu].

siwakan : K.N. een dam of afscheiding in een rivier, om visschen te vangen.

suwik-suwik : K.N. snorren, een snorrend geluid veroorzaken.

suwadi : N., suwados, K., geheim, gezindheid; wantrouwen, twijfelen [van wadi].

sawidak : ook suwidak, K.N. zestig.

suwidak : zie sawidak.

suwados : zie suwadi.

sawat : K.N.; nyawat of nawat, met een langwerpig stuk hout smijten of met een lans werpen. -nyawatake, N., -kên, K., iets bezigen om te smijten, met iets smijten.

sawêt : Kw. rondgang.

sawit : I. Kw. volgeling, onderdaan. II. K.N. van dezelfde kleur zijn.

sawut : K.N.; nyawut, 1. borduren. 2. eijeren in een pan bakken.

suwut : K.N.; nyuwut ook nuwut, iets in haast opnemen.

suwita : of suhita, Kw. dienen, de bevelen van een vorst opvolgen, gehoorzaam, onderdanig zijn [=ngawula en nurut karsaning ratu, Skr. soehita, welgeplaatst, regt, goed, geschikt; toegenegen]. -sumuwita, onderdanig zijn [=angawula]. -nyuwitani, iemand dienen, zich in

--- 344 ---

iemand dienst bevinden, aan iemand zijn dienst aanbieden.

sewotên : K.N. woedend, razend, in blinde woede op iemand aanvallen.

siwat-siwut : K.N. het waaijen van een storm.

swatama : verkorting van Aswatama, eign. van een zoon van Dronå.

switang : Kw. ster, sterren [Skr. sjwêta, wit; ook de planeet Venus; van sjwita, wit zijn].

swasa : of suwasa, N., suwaos, K., goud met koper vermengd, een soort van spinsbek [Ml. id.]. swasa bubul, een slecht soort van Swåsa.

suwasa : zie swasa.

sawise : zie wis.

sawuse : z.v.a. sawise, zie wus.

sewa sugata : Kw. priester, geleerde [zamengesteld uit het Skr. sêwa (zie bij sewa) en soegata, een Boedaleenaar].

sawawa : zie suwawa.

sawiwi : zie suwiwi.

sawuwa : K.N. een halve Amêt of 12 bossen rijst.

suwawa : en sawawa, Kw. gepast, geschikt, betamelijk, shoon; K.N. genoegzaam, toereikend, in staat zijn. -nyuwawa en nyawawa, iemand aankunnen, tegen iemand bestand zijn, iemand genoegzamen weêrstand bieden; forceren, geweld gebruiken.

suwawi : K. [eig. Kråmåvorm van suwawa. mara en ayo, N., dawêg, Md., sumôngga, K.h.] komaan, welaan! -nyuwawèni, tot iemand suwawi, zeggen, iemand vriendelijk uitnoodigen; gereedelijk in iets toestemmen.

suwiwi : en sawiwi, K.N. vleugel, vlerk, wiek.

sawal : [Ar. Syawaal], K.N. naam der tiende maand van het Mohammedaansche jaar.

siwal : K.N.; nyiwal, een stukje van iets afbreken. -siwalan, de vrucht van den Talboom.

siwil : K.N. een zesde miswassene vinger of teen; een vinger of toon meer hebben dan het gewone getal.

suwal : of suhal, K.N. een vraag, een vraagstuk, een raadsel [Ar. sual], vraag Ml. id.]. -nyuwal, vragen, ondervragen; een vraagstuk of raadsel opgeven. -nyuwali, een vraag beantwoorden, een vraagstuk of raadsel oplossen.

suwêl : K.N. digt maken, toestoppen.

swala : z.v.a. suwala.

sewala : Kw. vóór een hoofd of vorst verschijnen [vrg. sewa, II. la, is een aanhechtsel tot vorming van naamwoorden in het Sanskritsch. Vrg. ook siwala].

suwala : K.N. twist, strijd, tegenstand, tegenspraak, verzet [zamengesteld uit su en wala]. rêbut suwala, N., rêbat suwala, K., redetwisten. botên mawi suwala, zonder tegengenstand. -nyuwala, twisten, tegenstand bieden. -nyuwalani, zich tegen iemand verzetten.

sawêlas : zie wêlas, II.

siwapatra : Kw. een breed zwaard.

sawiji : zie wiji.

sawojajar : naam der woonplaats van Nakoelå en Sadewå [padalêmane Radèn Nakula Sadewa].

--- 345 ---

siwaya : Kw. vóór een hoofd verschijnen [vrg. sewa, II. ya, is een aanhechtsel tot vorming van naamwoorden in het Sanskritsch. Vrg. ook sewala].

suwiyah : zie wiyah.

sawiyos : een Kråmåvorm van sawiji, zie wiji [=siji].

sawêg : K. [lagi, N., dawêg, Md.] juist, pas, zoo even, nu eerst, tijdig; thans, op het oogenblik. sawêg kala, op dien tijd, ten tijde, toen, wannee. sawêg punika of sawêg sapunika, pas nu, eerst thans. sawêg punapa, op wat tijd juist? wanneer juist?

suwêg : of uwêg, naam van een aardvrucht.

suwega : z.v.a. sanega [zamengesteld uit su en Skr. wêga, spoed, haast, snelheid, vaart, enz.].

sawab : K.N. I. zegen, zegenende kracht [Ar. tsawaab], verdienste, belooning]. amargi saking sawabing toya wau, door den zegen (d.i. de kracht) van den wijn. nyawabi, zegenen. II. zie sabab.

sawang : K.N. I. zigtbaar; het zien, gezigt. -nyawang en nawang, zien, aanzien, turen, aanschouwen [=andêlêng, zie ook tawang, I.]. -nyawangake, N., -kên, K., laten zien, laten aanschouwen. -sawangan, iets, dat gezien wordt [zie ook beneden]. -panyawang, het vermogen om te zien, het gezigt; aanschouwing, beschouwing. II. roet, aanzetsel van rook. III. K.N. spinneweb. IV. gelijken, gelijk zijn. -sawang-sawung, geheel gelijkend.

sawung : I. K. [jago, N.] haan. sawung abênan, een vechthaan. sawunggaling, een gouden haan, die tot de rijkssieraden van den Vorst behoort. -sawungan, een nog niet volwassen haan [zie ook beneden]. II. K.N.; nyawung en nawung, vereenigen; een kind zonder doek op den arm dragen [=anjungjung lare botên mawi êmban-êmban. Zie ook boven nawung, I.]. -sarawung, zie boven.

suwang : zie wang.

suwêng : I. N. [sêngkang, K.] een oorsieraad, oorring, oorkrab [Ml. subang]. II. K. zie suwung.

suwing : K.N. een scheur of spleetje in de lippen of oorlellen.

suwung : N., suwêng, K., ledig, verlaten, eenzaam, onbewoond, onbevolkt, ontvolkt; ook afwezig, niet op een plaats aanwezig [Sd. id.]. sasi suwung, N., wulan suwêng, K., een maand, waarin geen Dingsdag Kliwon voorkomt; zie Anggara. -nyuwung, een plaats verlaten, ledig laten. -nyuwungake, een plaats ledig maken; een plaats doen verlaten.

sewang : zie sowang.

sowang : ., sewang, K. elk, ieder [sewang = dhewe]. sowang-sowang, ieder afzonderlijk, één voor één. sowang-sowangan, ieder afzonderlijk, elk op zijn beurt.

sawangan : K.N. 1. zie sawang, I. -2. de uitwatering of monding van een rivier. -3. het geluid van iets, dat door de lucht strijkt.

--- 346 ---

sawungan : K.N. 1. zie sawung, I. -2. iets, dat op een afstand gezien wordt [vrg. sawangan, bij sawang, I.].

sol : of êsol, K.N. ontworteld; ontworteld worden; omvallen met de wortelen, van een boom. -ngêsol, ontwortelen.

sala : naam van een Kampong in de nabijheid van de Kraton van den Vorst van Soerakarta, waarnaar ook de geheele hoofdplaats van het Vorstendom Sålå genoemd wordt.

salu : T.D. een rustbank vóór een Javaansch huis. [=salungguhan].

sêla : K.N. kloof, spleet, tusschenruimte. -sumêla, zich tusschen iets bevinden; tusschenruimte beslaan. -nyêlani en nêlani, een tusschenruimte maken, tusschen in komen; iemand in de rede vallen. -sêlan, tusschen. -panyêlan, tusschenkomst.

sêle : K.N.; nyêle, alleen, afzonderlijk wonen.

sila : K.N. hurken, nederhurken, een wijze van eerbiedig zitten bij de Javanen [=lênggah en palungguhane krama, Ml. id.; Skr. sjila, aard, natuur, gedrag; goed gedrag; welgemanierdheid]. silakrama ook selakrama, Kw. beleefdheid; beleefd zijn in het spreken. silatumpang, K.N. zittende, met de handen over elkander geslagen; in een aandachtige houding zitten. -dursila en susila, zie boven.

sela : K. 1. [watu, N.] steen. 2. [intên, K.N.]. edelgesteente, juweel, diamant. 3. [mênyan, N.] benzoin [Skr. sjila, steen; sjéla, steenig, steenachtig; storax]. -papan sela, lei. sela prawata, bijnaam van Watoe-goenoeng, een Vorst van Giling-wêsi [=watu gunung]. sela karang, zie beneden. -nyela, tot een steen maken, bij een steen vergelijken. -sêsela, zie boven.

salah : I. z.v.a. sèlèh, -sumalah, z.v.a. sumèlèh [=anyèlèhake kalungguhan]. II. K.N. mis; fout, gebrek; valsch, verkeerd [Sd. Ml. id.]. salah siji of salah sawiji, N., salah satunggil of salah satunggal, één van beiden, é/n van allen. salah kadadèn, wanschapen. salah tampi, misverstaan. salah pandêlêng, N., salah paningal, K., mis zien, verkeerd zien. salah ton, N., salah tingal, K., mis zien, verkeerd zien, door zins- of verstandsverbijstering; verbijsterd van zinnen. salah kapti, een verkeerde meening, verkeerd begrip, verkeerd verlangen. salah wèwèng, den tijd verbeuzelen. -kasalahan, verkeerd.

silih : I. K.N. mogelijk, misschien; tusschenw. ei! och! toch! II. K.N. bij afwisseling, telkens, herhaaldelijk [Ml. vervangen; in de plaats stellen, vergoeden]. silih-silih, een verhaal. asilih, verwisselen, vervangen. sêsilih, afwisselend, beurtelings [=gêgênti en sinilih-silih = ginanti-ganti, sinêlang-sêlang, en sinêling-sêling]. silih asih, de glans of kleur van goud en zilver [Het wordt verklaard door sêling-sêling]. -sumilih, vervangend, bij vervanging, [vervan...]

--- 347 ---

[...ging,] afwisselend, beurtelings [=gumanti en anggêntèni]. III. N. [ook sêlang, N., sambut, K.]; asilih en nyilih, leenen, van goederen, niet van geld. silih jênêng, N., silih nama, K., een naam leenen, een anders naam aannemen. -nyilihi, iemand iets leenen, te leen geven. -nyilihake, voor een ander leenen, voor een ander te leen vragen. -siliyan of sêsiliyan, geleend goed. IV. K.N. naam. -sumilih, een naam of titel dragen.

silèh : z.v.a. silih.

sulih : K.N. plaatsvervanger, opvolger. sêsulih, hetzelfde; en opvolgen, vervangen. -nyulihi, iemand vervangen. kasuliyan, door iemand vervangen zijn.

suluh : K.N. een fakkel, toorts, licht [Ml. id.; Sd. brandhout]. -nyuluh ook nuluh, met een licht in het donker vogels vangen; inlichting vragen. -nyuluhi, een zaak toelichten, grondig onderzoeken, ophelderen [=agawe padhang kalawan damar]. -suluhan of suluwan, de hoeken der oogen. pasuluhan of pasuluwan, hetzelfde.

sèlèh : en nyèlèh, K.N. neêrleggen, neêrzetten; zijn post neêrleggen; iemand uit een ambt ontslaan; van iets afzien. asèlèh kaprabon, de regering nederleggen. -sumèlèh, neêrliggende, neêrgelegd; liggen. -nyèlèhake, N., -kên, doen liggen, laten liggen, iets neêrleggen, neêrzetten, afleggen; van iets afzien.

solah : K.N. [of K., polah, K.N. of N.]. gedrag, houding, manieren [van olah of ulah].

silah-silah : zie silih, II.

salin : K.N. ook santun, K., afwisseling; verwisselen, afwisselen, van iets verwisselen, b.v. van kleêren; verwisseld, veranderd [Sd. Ml. id.]. -nyalini, K.N., en nyantuni, K., veranderen, verwisselen, vernieuwen. -pasalin of pisalin, verwisseling, bijzonder van kleederen op een feest; een wisselkleed. -salining, een vierde van een geheel.

sêlan : zie sêla.

selan : : K.N. naam van een eiland, Ceylon. mirah selan, Ceylonsche robijn.

salenca : K.N. afwijking; verschil van meening.

sulendra : zie surendra.

salendro : K.N. alle instrumenten, die tot een volledig stel Gamêllan behooren.

salundup : K.N.; nyalundup, met een naald doorsteken.

salundhi : Kawische benaming van de Saron; een instrument, dat bij de Gamêllan behoort.

salondhoh : K.N.; nyalondhoh, zich vernederen, onderdanig zijn.

salundhing : K.N. verwisseling, verruiling. -nyalundhingi, voor een oogenblik iemand vervangen, het werk van een ander verrigten, in de plaats van een ander iets doen.

salendhang : K.N. een lange, smalle doek, die door de vrouwen over den schouder gedragen wordt.

salonjor : K.N. met de beenen uitgestrekt op den grond zitten.

--- 348 ---

slênthik : K.N.; nylênthik, met den vinger knippen; knip, knipslag.

salar : K.N. overal bekend maken. -nyalari, 1. heffing doen, cijns heffen. 2. last geven, bestellen. -salaran, cijns, tol, heffing, door van het goed, dat langs den weg gedragen wordt, een gedeelte te nemen. panggenan salaran, de plaats, waar heffingen gedaan worden.

salêr : zie lêr.

salir : zie lir.

sêlir : K.N. uitverkoren; [ampil, K.h.] bijzit, bijwijf. Zoo ook garwa sêlir, -nyêlir, de voorkeur boven anderen geven; verkiezen; een bijzit nemen. sinêlir, uitverkoren.

sêlur : K.N. een lange rei [=ulur]. asêlur, in een lange rei gaan. sêluran = aluran. -sêlur-sêluran = ulur-uluran.

silir : K.N. I. overslaan, overhangen (van een waag). -nyiliri, doen overslaan. II. een zachte, verkoelende wind. -sumilir, het waaijen van een zachten wind. -nyilir, zachtjesblazen, zachtjes waaijen. kasiliring samirana, door een zachten wind aangewaaid worden. nyiliri, zachtjes aanblazen. kasiliran ing angin, zachtjes door den wind aangeblazen worden. III. borstlap. IV.; nyilir, iets langzaam uitgieten.

sulur : K.N. I. gevolmagtigde, vertegenwoordiger. asulur, een gemagtigde benoemen. -nyuluri, iemand ambt waarnemen. II. uitspruitsel, loot. sulur wringin, groen met rood en zwart of geel gestreept goed. -nyulur, uitspruiten, nieuwe loten schieten.

solor : K.N. een wortel, die boven den grond uitkomt.

salira : zie sarira.

salarak : K.N. dwarshout, dwarsboom vóór een stal.

salirang : zie lirang.

silarong : naam van een gebergte in de nabijheid van Djokjokata.

saliringan : zie liring.

salak : 1. verkorting van saêlak. -2. naam van een boomvrucht [Sd. id.; Ml. naam van een rotting, die een rinsche, eetbare vrucht draagt].

sêlak : I. ook sêlêk en sêlèk, K.N. spoedig, gaauw; onverwacht; verrast worden; al te gaauw, al te digtbij. -nyêlak, nyêlêk, en nyêlèk, haast maken, zich haasten. kasêlak en kasêlêk, plotseling, onverwacht. sumêlak, sumêlêk en sumêlèk, met haast, haastig. II. K.N. voorwaar, zekerlijk. sêlak ora, zekerlijk niet.

sêlêk : zie sêlak, I.

sêlèk : zie sêlak, I.

siluk : Kw. een donker bosch.

sulak : K.N. 1. een veger of wisscher van vederen. 2. schijnsel, licht, glans, van een vuur of licht. -nyulaki, met een Soelak afstoffen.

sulêk : K.N. digt naast elkander; naauw, eng.

suluk : K.N. het zingen bij de Wajang: ook naam van een boek, dat gelijkenissenn en spreuken bevat.

--- 349 ---

selak : K.N.; nyelaki, iets loochenen, ontkennen; iemand verloochenen. botên anyelaki, niet loochenen, regt voor iets uitkomen. kaselakan, iets, dat ontkend wordt.

salaka : zie sêlaka.

saluku : K.N. de beenen digt aan elkander sluiten, zamenvoegen [van suku]. saluku tunggal, met de beenen uitgestrekt naast of on elkander zitten.

saleko : naam van een poort aan den Zuidkant van de Kraton.

saloka : K.N. gelijkenis, voorbeeld; bij voorbeeld; bijaldien, ingeval; nademaal, aangezien [Ml. Skr. sjlôka, vers, couplet]. -nyalokani, een gelijkenis maken, een voorbeeld aanvoeren.

sêlaka : of salaka, K.N. zilver [vrg. pêthakan]. uwang sêlaka, zilvergeld.

salukun : naam van een wapen, een soort van ijzeren knods met een spits uitloopende punt. -nyalukun, met een Saloekoen slaan.

salikur : zie likur.

silakrama : zie sila.

selakrama : zie sila.

sela karang : K.N. een schurftig paard. -sela karangên, de schurft hebben, van een paard.

sêlukat : naam van een instrument, dat bij de Gamêllan behoort.

salêksa : zie lêksa.

sulêksana : Kw. 1. nabijheid. 2. zeer fraai, zeer schoon [zamengesteld uit su, en lêksana, Skr. soelaxana, bepalend, vaststellend].

salakup : z.v.a. salukup.

salukup : K.N. bedekt, overdekt, gesloten; een ronde muts. -nyalukupi, bedekken, overdekken, bekleeden. -nyalukupake, N., -kên, K., met iets bedekken.

salakang : K.N. de binnenzijde der lendenen, de liezen.

sulêd : K.N.; nyulêd, aansteken, opsteken, in brand steken. -nyulêdi, iemand met een vlam aanraken, verbranden.

solèd : K.N. een stuk hout, waarmede men iets, dat gekookt wordt, omroert.

salat : I. [Ar. shalaat], K.N. gebed; het gebed verrigten. -nyalatake, N., -kên, K., voor een ander, bijzonder voor een doode, bidden. -pasalatan, een bidplaats. II. K.N. een vuur, dat van zelf ontstaat.

salit : K.N. een uitgedroogde mond en keel.

sêlut : K.N. een versierde band of rand om iets. -nyêlut, een band om iets doen; verhinderen, beletten, tegenhouden. -nyêluti, met een rand versieren.

silit : K.N. de bodem, het onderste van iets; het aarsgat [vrg. dubur]. -silitan, de bijslaap. dhêmên silitan, N. [karêm ing sahwat en sêngsêm asmara, K.N.] wellustig; wellust.

sultan : [Ar. sulthaan], K.N. Sultan [Sd. Ml. id.]. kasultanan, tot den Sultan behoorende; het rijk of gebied van den Sultan.

sêlot-sêlot : langzamerhand; trapswijze.

Salatiga : naam van een plaats en distrikt: Salatiga. [Sala...]

--- 350 ---

[...tiga.] -pasala tiga of pasala tigan, hetgeen te Salatiga plaats gehad heeft.

Salasa : of Sêlasa, [Ar. Tsalaatsaa], K.N. naam van den derden dag der week [Sd. Ml. id.]. dina Sêlasa, N., dintên Sêlasa, K., Dingsdag.

salasah : K.N. een spoor door een bosch of onbebouwd land. -nalasah, rondzoeken, doorzoeken. sinalasah = ingosak-asik.

sêlasih : naam van een struikgewas met donkerkleurige bladeren. -nêlasih, naar Sêlasih gelijken.

salusur : K.N. de grond of bodem van iets.

slisik : zie sisik.

sulastri : naam van een boom, waarvan de bloemen tot medicijn dienen.

slawe : salawe of sêlawe zie lawe.

salewah : K.N.twee kleuren bij elkander.

suluwan : zie suluh.

saluwir : suwir.

salawat : [shalawaat], K.N. gebeden; ook het geld, dat men aan de priesters geeft, om voor een overledene te bidden; voor geld laten bidden; geld aan iemand voor de genezing van een zieke geven.

sliwing : zie slèwèng.

slèwèng : of sliwing, K.N.; nylèwèng of nyliwing, van het spoor afwijken; een bevel overtreden. -slewang­slèwèng, zich op weg overal ophouden.

salulup : of sêlulup, K.N. duiken, onder het water duiken [Ml. id. Vrg. cêlup]. -nyalulupake of nyêlulupake, N., -kên, K., iemand onderdompelen, onderdoopen.

sêlulup : zie salulup.

silulup : z.v.a. salulup of sêlulup.

sêlap : K.N.; sumêlap, zich tusschen iets bevinden, tusschen in liggen; verborgen zijn. -nyêlapake, N., -kên, K., iets ergens in vast steken.

silêp : K.N. zinken, gezonken [vrg. silêm]. kasilêp, gezonken of onder water raken. nyilêpake, N., -kên, K., iets doen zinken of verzinken, indompelen.

silip : z.v.a. silib.

sulap : K.N. onduidelijk; goochelarij, tooverij, hekserij [Sd. Ml. id.]. -nyulap, goochelen, tooveren. -nyulapi, begoochelen, betooveren. -sulapan, goochelarij, gochelspel, tooverij.

salêpi : K.N. een kleine Sirihdoos.

salepe : K.N. een gouden of zilveren plaat op een buikgordel [Ml. id.].

salapan : K.N. vijfendertig [Sd. negen]. -nyalapani, een offerande doen voor een kind, als het vijfendertig dagen oud geworden is.

slêpak : K.N. digtbij, digt naast elkander, naauw. -kaslêpak, naauw ingesloten.

suldhat : Holl. soldaat [vrg. saradhadhu].

salju : [Ar. tsalj], sneeuw.

Salya : eign. van den Vorst van Mòndåråkå, in de Bråtå-joedå [Skr. Sjalja].

salaya : zie sulaya.

sulaya : of salaya, K.N. afwijking, verschil; tegenstrijdigheid, twist, tweespalt; strijdig, ongelijkvormig, [onge...]

--- 351 ---

[...lijkvormig,] oneens. -nyulaya ook nalaya, afwijken, verschillen, in strijd zijn met. -nyulayani, van iemand verschillen, een ander gevoelen aankleven, met iets in strijd zijn, strijdig handelen.

sulayah : Kw. op den grond verspreid liggen [=gêlasah]. -kasulayah, zie boven.

siliyan : zie silih.

sleyar-sleyor : K.N. slenteren, rondslenteren.

salam : [Ar. salaam], K.N. heil, vrede; groete. salam taklim, eerbiedige groete. salam donga, heilbede, heilwensch. -salaman of sasalaman, een ander of elkander groeten of heilwenschen, bepaaldelijk door het geven van de hand.

silêm : K.N. in het water duiken, zinken, verdwijnen [Sd. id.; vrg. silêp]. -nyilêm of nilêm, doen zinken, indompelen, indoopen.

sulam : K.N. zamengevoegd, zamengelapt; versierd, verfraaid, geborduurd [Ml. borduren]. waos sulam, een piek, waarvan het omwindsel (godhi) geborduurd is. -nyulam, zamenvoegen; versieren, borduren [Sd. borduren]. -nyulami, een lap op iets zetten; met goud stikken, iets borduren. -sulaman, herstelling van vlecht- en latwerk; met lappen bij elkander gevoegd; met goud doorwerkte stof; borduursel, damast.

slamêt : zie salamêt.

salamêt : sêlam.t of slamêt, N. [wilujêng, K., sugêng, K.h.] heil, geluk, zegen, welvaren, welvaart [Sd. Ml. id.]. awèh sêlamêt, gelukwenschen. -nyalamêti [nglujêngi, K.] offeren voor iemand welzijn. kaslamêtan, gezegend, begunstigd; welvaart. -slamêtan, een feest; godsdienstige gezangen bij muziek, bij de huwelijken van kinderen van priesters in gebruik.

sela matangkêp : naam van een poort van het paleis van Batårå­Goeroe.

sêlomprèt : K.N. Holl. trompet; trompetter. -sêlompretan, de plaats, waar de trompetters van den Soesoehoenan te Soerakarta wonen. -panyêlomprèt, trompetter.

slêmpit : K.N.; nylêmpitake, N., -kên, K., iets onderleggen, onderschuiven [misschien van lêmpit].

salimpêt : K.N.; nyalimpêt, zich verschuilen, verbergen. -salimpêtan, zich schuil houden.

siluman : K.N. onzigtbaar, niet gezien kunnen worden (van geesten). -nyiluman, zich onzigtbaat maken.

sêlambrang : K.N.; nyêlambrang, spionneren.

sêlumbat : K.N.; nyêlumbat, een kokosnoot opendoen.

saligi : z.v.a. suligi.

sêlaga : K.N. bloesemknop; het buitenste bekleedsel van een bloem. salin sêlaga. een spreekmanier, voor: een anderen keer nemen, anders uitvallen (eig. van Sêlågå veranderen).

suligi : K.N. een houten of ijzerenknods met een spitse punt.

sulbi : K.N. de vrouwelijke schaamdeelen.

--- 352 ---

silib : K.N. onopgemerkt. -nyilib, ook nilib, zich heimelijk wegbegeven, stilletjes heengaan; geheim houden, verbergen; met list vangen; lagen leggen; onopgemerkt, heimelijk, steelsgewijze iets doen. -kasilib, verschalkt worden, misleid zijn. -nyilibake, -kên, K., iets verbergen, verzwijgen, geheim houden. -sêsiliban, verborgen, geheim. kamar sêsiliban, geheime vertrekken.

salaba : Kw. een waterleiding [Het wordt verklaard door laron, Skr. sjalabha, een sprinkhaan].

salêbar : zie sêbar.

salebrak : Holl. schabrak. -salebrakan, met een schabrak.

salibuk : K.N.; nyalibuk, verwisselen; zich een valschen naam geven.

slobokan : K.N. iets, dat hol is, waar iets door gestoken worden kan; uitgehold.

sêlobog : naam van een soort van batik.

salang : I. K.N. 1. tusschenruimte, tusschen [Ml. selang], sêlang: vrg. sêla]. 2. het schouderblad. -salang tunjang, elkander omverloopen. salang gumun, verwonderd, verbaasd. -nyalangi, toebereidselen maken, in gereedheid brengen. II. verkorting van sumêlang, b.v. aja dikasalang, wees niet ongerust.

sêlang : N. [vrg. silih, III.]; nyêlang, goederen leenen. -sumêlang, zie beneden.

sêling : K.N. verschillend, anders, verkeerd. -nyêling, kleuren met elkander vermengen. -sêlang-sêling, bont door elkander [Ml. selang2], sêlang-sêlang].

sulang : K.N. oorzaak, aanleiding.

suling : K.N. fluit [Sd. Ml. id.]; ook een pijer. -nyuling, fluiten, op de fluit spelen. -panyuling, fluitspeler.

sulung : K.N. jonge witte mieren.

selung : K.N.; nyelung, vliegende witte mieren vangen.

salingkuh : K.N.; salingkuhan, sluikhandel. -nyalingkuhake, N., -kên, K., smokkelen; verheimelijken, verdonkeremanen.

salangkung : zie salawe, bij lawe.

sêlangsang : K.N. een soort van trechter, waarin Sirihbladen gedaan worden.

salênggruk : zie sênggruk.

salanggapan : K.N. zamenspraak, gesprek.

sap : of êsap, K.N. laag, rei; -voudig, dubbel [Ar. shaff], rei; gelid]. sap kêkalih, twee reijen. -sap-sapan, bij lagen, in reijen; gelijkloopend, parallel; parallel loopen. -ngêsapi, op iets anders leggen, als dubbelde laag.

sop : of êsop, Kw. K.N. het afuemen van het water, ebbe; afgeloopen, van water; droog geworden; afnemen, verminderen [zie ook sob]. -ngêsopake, N., -kên, K., doen afnemen, verminderen.

sapa : N., sintên, K., wie? welke? sapa jênênge, N., sintên namanipun, K., hoe is zijn naam? sapa-sapa, N., sintên-sintên, K., alwie, iedereen. sapa-sapaa, N., sintên-sintêna, K., wie het ook zijn moge. -nyapa en napa, K.N. of N., nyintên, K., iemand vragen, wie hij is; Wer da? roepen, vragen: wie is daar? sinapa,

--- 353 ---

naar den naam gevraagd worden. -panyapa, iemand, die naar den naam van een ander vraagt.

sapi : N. [lêmbu, K.] koebeest, rund, koe [Sd. Ml. id.]. sapi lanang, een stier. iwak sapi, rundvleesch.

sapu : K.N. bezem, veger [Ml. id.]. sapu dhêndha, Kw. toorn. -nyapu of napu, K.N. met een bezem vegen [Sd. afschuijeren. nyapuhan, vegen, schoonvegen]. -nyaponi, vegen, afvegen, een plaats schoon vegen. -sêsapon, iets, waarmede men veegt. -pasapon, de plaats, die geveegd wordt; een persoon, die veegt; een opbrengst voor het vegen van een Pasar.

sêpa : K.N. laf, smakeloos.

sêpi : N., sêpên, K., eenzaam, ledig, onbewoond; niet voorhanden, afwezig; stil, kalm [Sd. Ml. id.]. sêpi têka sabab, zonder oorzaak, zonder reden. -nyêpi en nêpi, K.N. zich afzonderen, in de eenzaamheid begeven, alleen, stil leven; een plaats verlaten, ledig maken. -nyêpèkake, N., -kên, K., ledig, eenzaam maken, een plaats verlaten. -pasêpèn, een eenzame, verlatene plaats. -panêpèn, een afgezonderde plaats om te bidden, bidplaats, bedehuis: naam van een bijgebouw ten Noorden van de Pråbå-jåså in de Kraton van Soerakarta.

sipi : Kw. neen, niet [=ora, môngsa, en ilang]. tan sipi, stellig, zeker; uitermate, zeer [=luwih bangêt].

supe : I. K. [lali, N.] vergeten, verzuimen. botên supe, niet vergeten, onthouden. -nyupèkakên, iets in vergetelheid brengen. -kasupèn, vergeten zijn, vergeten raken; nalatig. II. K. ook lèpèn, K., ali-ali, N.] een ring om een vinger, vingerring [=ali-ali].

sapih : K.N. afgezonderd, afgescheiden; gespeend: benaming van een kind als het twee jaar oud is. -nyapih, en napih, afzonderen, afscheiden, afweren, verwijderen; [mêgêng, K.h.] een kind spenen. -sapiyan, gespeende, een gespeend kind. -panyapih, afscheiding; spening.

sêpah : I. K.N. een uitgekaauwde Sirihpruim [Ml. id.]. -nyêpahi, een Sirihpruim als geneesmiddel op een wond leggen. sinêpahan, een wond, waarop een Sirihpruim gelegd wordt. II. z.v.a. sêpuh.

sêpuh : K. [tuwa, N.] oud, bejaard [Sd. id.].; ook het water waarin het ijzer gehard of gestaald wordt, en het vocht waarmeê goud gekleurd wordt [Ml. id.]. ingkang sêpuh, de oudste. ingkang sêpuh­sêpuh, de oudsten. sampun sêpuh, gevorderd in jaren; verouderd. tiyang sêpuh, een bejaard of oud mensch; oude lui, ouders, vader of moeder. abrit sêpuh, hoog rood, karmozijn. -nyêpuhi, iets oud maken, het aanzien van oud geven; stalen, van ijzer, louteren, van goud. kasêpuhan, oud gemaakt; gelouterd. -sêpuhan, ouderdom. -mara sêpuh, schoonouders, schoonvader of schoonmoeder. kami sêpuh en pinisêpuh, zie bij kamituwa, -kasêpuhan, tot den oude behoorende, of het gebied van den oude; waameê de Soesoehoenan of de Rijksbestierder bedoeld wordt, in tegenoverstelling [tegenover...]

--- 354 ---

[...stelling] van kaneman, tot den jonge behoorende, of het gebied van den jonge, d.i. van den Kroonprins.

sêpai : een Spahi, een Bengaalsch ruiter [Ml. sepi].

supaos : zie supata.

sap asta : zie usap.

sêpên : zie sêpi.

supênuh : K.N. alles bij elkander, vol zijn [= pêpak en kêbak of langkung kêbak, zamengesteld uit su en pênuh].

supêna : K. [impèn, N.] droom [Skr. swapna, slaap; droom]. -nyupêna [ngimpi, N.] droomen.

sapunika : zie bij ka, I.

saphar : [Ar. Shafar], K.N. naam der tweede maand van het Mohammedaansche jaar.

sipir : Holl. cijfer.

sapura : N. z.v.a. apura, vergiffenis. -nyapura, N., nyapuntên, K., vergiffenis schenken.

suprih : K.N. [zamengesteld uit su en prih]; nyuprih, z.v.a. murih of amrih, pogen, trachten, verlangen, begeeren.

suprandene : zie parandene.

suprandosipun : zie parandene.

saprantu : naam van een boom, waarvan de vrucht tot medicijn dient.

sapêrti : of sêpêrti, Sd. Ml. gelijk, even als.

supêrti : eign. van de vrouw van Ontå-bågå.

supraba : eign. van een Widådari [widadara kêpala].

supêk : K.N. naauw, eng; naauwte. -sumupêk, zich in groote verlegenheid bevinden, geen uitkomst zien [= rupêk, Vrg. sompok].

sepak : K.N.; nyepak, ook nepak, met de voeten achteruitslaan.

sopak : K.N.; nyopak, aanzetten, aanlasschen. -copakan. gelapt, bijgevoegd; bijeengeraapt; bijvoegsel, aanhechtsel; voorwendsel, verdichtsel. -sêsopakan, een valschaard, lafaard, bloodaard.

supada : Kw. een eenzame, weinig begane weg [= marga kang samun].

supados : zie supaya.

sapta : Kw. zeven [= pitu, Skr. sapta]. -kasapta, de zevende [= kapitu]; ook naam van een rijk in de Bråtå-joedå.

sêpta : K.h. [doyan, K.N.] lust; begeerte, vermaak; lusten.

sêptu : K.N. naam van den zevenden dag der week [Ml.id.; Ar. Sabat], de Sabbat]. dina sêptu, N., dintên sêptu, K., Zaturdag. -nêptu, Zaturdag houden; het uit de Kraton komen van den Vorst op Zaturdag, om het tournooi bij te wonen.

sipta : Kw. een voorgevoel.

sapit : K.N. tang, nijptang [Sd.Ml. sêpit, Vrg. supit en capit].

saput : Kw. invatting; dekkleed, borstkleedje [= êmban-êmban en singêb]; K.N. het ondergaan der zon; toebehooren van iets, wat tot iets behoort. saput lêmah, N., saput siti, K., morgenschemering. saput kayu, N., saput kajêng, K., alles wat tot een geheel behoort. dhuwung sêsaput rantinipun, een kris met zijn toebehooren. -nyaput en naput, bedekken; over iets

--- 355 ---

heen strijken; raken, treffen; bereiken; overvallen. kasaput, l.v. [= kapêtêngan en wêdana kausapan sarta wêrana]. kasaput ing dalu, door den nacht overvallen worden. -sumaput, donker worden, van het gezigt van iemand, die bezwijmt; duizelig, verbijsterd; ook zich naauw aan iemand aansluiten. -nyaputi, een behoeftige den kost geven.

sêpêt : K.N. de buitenste schil eener kokosnoot; wrang, scherp van smaak.

sipat : K.N. I. een regte lijn, lange streep, linie; regt, regtuit, regtstreeks; juist, klaar [Ml.id.]. -nyipat, een regte lijn trekken; regtop iets of iemand aanleggen. -panyipat, het geven van een juiste rigting. II. hoedanigheid, gedaante [= rupa, Ar. shifat]]. III. verbod, boete [= adil]. nêrak sipat, een verbod overtreden. IV. een oogzalf. -nyipati, de oogen zalven.

supit : K.N. naauw aan elkander sluiten, stuiten, naauw, eng; nijptang, schaar; K.h. [têtak, N., sunat, K.] besnijdenis. supit urang, de schaar van een kreeft; ook naam van een slagorde. -nyupit, naauw in- of aansluiten; in de klem of in het naauw brengen. kasupit, in de klem gebracht. -nyupiti, iets tusschen een klem of schaar brengen; K.h. besnijden. kasupitan, in de klem gebracht. -supitan, een naauwe doorgang, smalle weg.

sapata : zie supata.

sapatu : of sêpatu, K.N. schoen [Sd.Ml.id.; Port. sapato]. tukang sêpatu, schoenmaker.

supata : ook sapata, I. N., supaos, K. [sumpah, K.N.] vloek, vervloeking; eed; een eed doen, zweren [Sd.id.; Skr. sjapatha, vervloeking, verwensching; eed]. supata gawean, N., supaos damêlan, K., meineed. -nyupata, N., nyupaos, K., vloeken, vervloeken; een eed zweren. -nyupatani of nupatani, ook nêpatani, N., nyupaosi, K., iets met een eed bevestigen; iemand bezweren, beëedigen, den eed afnemen; iemand vloeken, den vloek over iemand uitspreken, vervloeken. -nyupatakake, N., nyupaosakên, K., iemand een zaak door een eed laten bevestigen, laten zweren; voor een ander een eed doen. -pasupata, een eed; iemand, die een eed aflegt. II. Kw. zelf, eigen, alleen.

supatra : Kw. een traan [= êluh]; ook eign. van een persoon.

sêptarêngga : naam van een berg.

saptangan : zie usap.

sap-sapan : zie sap.

sapala : zie sapele.

sapele : en sapala, K.N. [of sapele, N., sapala, K.] gering, nietig, onbeduidend; een kleinigheid, benzeling; een weinig; iets onbeduidends, van geen belang [= sathithik]. -sumapala, N., sumapawon, K., hetzelfde.

soplak : K.N. een verkeerde uitdrukking. asoplak, [a...]

--- 356 ---

[...soplak,] zich verkeerd uitdrukken; schertsen, gekheid maken.

sapudhêndha : zie sapu.

supaya : N., supados, K., opdat, ten einde, dat [Ml.id.].

sapiyan : zie sapih.

supama : verkorting van saupama, zie upama.

supami : verkorting van saupami, zie upama.

sipêng : en nyipêng, K. [nginêp, N.] overnachten, vercachten. -nyipêngi, ergens of bij iemand overnachten. kasipêngan, l.v., van de plaats, waar, of den persoon, bij wien men overnacht. -pasipêngan, de plaats, waar men overnacht.

suphangat : [Ar. syafaa'at], voorspraak, voorbede, b.v. van een propheet; gunst, genade, zegen. -nyuphangati, begunstigen.

sadhu : Kw. standvastig; volharden.

sudha : Kw. een wolk [= mega, Skr. soedhâ, Nectar, godendrank; vocht; water].

sodho : K.N. een mandje om visch meê te vangen. -nyodho, daarmeê visschen.

sêdhah : zie suruh, -nyêdhahi, zie suruh, en beneden.

sêdhih : K.N. [prihatin, N., prihatos, K.] neêrslagtig, bedroefd; droefheid, kommer [Sd. kniezen, kwijnen]. -nyêdhihi, iemand bedroefd maken, hartzeer veroorzaken. kasêdhiyan, bedroefd gemaakt, in droefheid gestort.

sudhah : K.N.; nyudhah, een schip ontladen.

sadhana : Kw. z.v.a. sadana, weg [= marga, en mas picis, Vrg. sadana].

sadhèrèk : K. [sadulur, N.] broeder of zuster; ook nabestaande, verwante; maagschap, verwantschap [van dhèrèk, met het voorzetsel sa, Sd.id.]. -sadherekan, [sanakan, K.N.] als broeder beschouwd worden; vriend; bondgenoot; vriendschap.

sidhêku : K.N. gebukt, gebogen zitten; in een diep eerbiedige houding zitten.

sidhêkah : K.N. offeren; een offermaaltijd [Sd.Ml.Ar. shadaqah], liefdegift, aalmoes; Sd. ook feest].

sêdhakêp : zie sidhakêp].

sidhakêp : of sêdhakêp, K.N. de handen kruiselings op de borst leggen; een uitdrukking van diepen eerbied.

sêdhèt : K.N. het geluid, dat door het schielijk uittrekken van een kris of van een zwaard veroorzaakt wordt.

sêdhot : K.N. bewogen worden, ontstellen, b.v. van schrik of dergelijke aandoening. -sumêdhot, hetzelfde.

sidhat : K.N. kronkeling, bogt; aal, paling. -nyidhat, een afleiding aan het water geven. -sidhatan, de spruit eener rivier; afleiding van het water.

sudhèt : K.N.; nyudhèt, vlijmen, opensnjiden, doorsnijden; het doorsnijden van den vadem of de band, die een vrouw, als zij voor de eerste maal zeven maanden zwanger is, om het lijf gedaan wordt.

sèdhêt : K.N. behoorlijk, betamelijk.

sêdhil : K.N. iets, dat wrang van smaak is, een in de keel blijft zitten.

sadhela : N. [sakêdhap, K.] een oogenblik; oogenblikkelijk, aanstonds, terstond [van het

--- 357 ---

ongebruikelijke dhela]. mêngko sadhela, wacht een oogenblik.

sêdhêp : K.N. aangenaam, lieflijk; een aangename geur [Ml.id.].

sidhêp : en nyidhêp, K.N. meenen, gelooven, het er voor houden [sidhêp = ngarani].

sadhidhik : Kw. een weinig [z.v.a. sathithik].

sadhiya : K.N. gereed, bereid; gereed zijn; gereed maken, in gereedheid brengen [Sd.Ml.id.; Skr. sadja. Vrg. saji]. -nyadhiyani, in gereedheid brengen of stellen, gereed maken, van iets voorzien. -nyadhiyakake, N., -kên, K., iets in gereedheid brengen, voor iemand in gereedheid brengen.

sidhêm : K.N. stil; uitgebluscht; geheim, verborgen [= ênêng]. -nyidhêm, geheim houden, verbergen, verzwijgen. anyidhêm rajapêpati, een moord verzwijgen. dhêndha nyidhêm pramanêm, boete, wegens het niet aangeven van een verwonding of moord. -panyidhêm, verzwijging; verzwijger.

sidhum : K.N. lommerrijk; een koele plaats [vrg. edhum].

sedhog : K.N. een scheplepel [z.v.a. sendhok].

sadhang : K.N.; nyadhangi, op iets stooten, tegen iets stuiten.

sêdhêng : N. [dawêg, K.] middelmatig, gematigd, tamelijk; genoeg, toereikend; geschikt, betamelijk; van pas, juist, op den regten tijd [Ml.id.; vrg. sêdhêng]. sêdhêngingsun matia, de tijd is daar, dat ik sterve. risêdhêng, ten tijde, toen, wanneer, tijdens. -nêdhêng, juist van pas maken. -sêdhêngan, wat juist van pas is, de gepaste tijd.

sidhang : K.N. een gedeelte, een stuk. sidhang-siring, een klein gedeelte, een weinig. -nyidhang, verdeelen, in tweeën verdeelen. kasidhang, verdeeld. -sidhangan, kloof; ook benaming van een soort van gebatikd goed.

sudhang : K.N.; nyudhang, met de horens stooten [vrg. gudag].

sudhung : K.N. een varkenshok; een klein of gemeen huis, een geringe, armoedige woning.

sèdhèng : K.N. valsch, ontrouw. -nyèdhèng, valsch handelen, niet opregt zijn, ontrouw worden.

sadhinga : zie dhing.

sadhenga : zie dhing.

saji : K.N. gereed zijn, gereed gemaakt; geregt [Ml. spijs bereiden: vrg. sadhiya, Den Kråmåvorm saos, zie boven]. saji-saji, iets, dat aangeboden wordt, een offerande. tutup saji, een deksel van bladen, waarmeê offerspijzen bedekt worden. -sumaji, N. [sumaos, K.] in gereedheid gebracht, gereed zijn. -nyajèni of najèni, gereed maken, aanbieden, iemand onthalen; bij een gelegenheid offerspijzen aanbieden, van offerspijzen (sajèn) voorzien. -sajèn of sêsajèn, offeranden, offerspijzen, spijzen, die bij een feestelijke gelegenheid gegeven worden.

sêja : zie sêdya.

siji : N. [ook sawiji, N., satunggil of satunggal, K., sanunggal of sanunggil, Md.] één [van iji]. sasiji-siji, afzonderlijk, ieder afzonderlijk, één voor één. -niji, ieder [iede...]

--- 358 ---

[...r] één. -nijèni, tot één maken, aan ieder afzonderlijk. -nijèkake, op één plaats brengen.

suji : K.N. iets, dat puntig is, een doorn [= lêlandhêp en sujèn]. sêkar suji = kêmbang kang mawa patrêm, sêkar sunggingan, sing mindha suji, naar een Soedji-bloem gelijken; een schoone vrouw. -nyujèni of nujèni, op iets, dat puntig is, steken, b.v. vleesch op een puntigen stok of aan een spit steken, om het te roosten. -sujèn, een puntige stok of bamboe; een spit. -sujenan, iets, dat op een puntigen stok of bamboe gestoken is.

seje : N. [sanès, ook seos, K.] verschillend, anders, een ander [Sd. sèjèn]. -nyeje of neje, veranderen, van elkander scheiden, afzonderen. -nèjèkake, iets veranderen, op een andere plaats zetten, afzonderen, uitzonderen. -sèjèn, een andere plaats.

sujana : K.N. voortreffelijk mensch; schrander, kundig, bedreven; een geleerde, een wijsgeer [= wong luwih en manungsa kang luwih pintêr, Skr. soedjana, deugdzaam, braaf, goed, enz.; zamengesteld uit su, en jana]. -nyujanani, naauwkeurig op iets letten, naauwkeurig onderzoeken; iemand wantrouwen, hem op de proef stellen.

sujanma : of sujalma, z.v.a. janma of jalma, [Skr. soedjanmâ, van een goede geboorte, uit een wettig huwelijk gesproten; zamengesteld uit soe, wel, goed, en djanmâ, geboorte].

sajro : zie jêro.

sajarah : K.N. stamboom, geslachtlijst [Ar.syajarah], boom].

sajratil muntaha : [Ar. sidratil muntahaa], (de Lotusboom van het einde:) naam van een boom in het hemelsche paradijs [Zie Koran LIII, 14, en daar de uitleggers].

sajak : K.N. gewoonte, manier, wijze van spreken.

sujud : Ar. sujuud], K.N. zich voor God nederbuigen, aanbidden. -pasujudan, plaats van aanbidding.

sujalma : zie sujanma.

sajujung : K.N. geheel uitgestrekt liggen om te slapen.

sajêg : zie ajêg.

sajêng : K.N. een soort van sterken drank, arak.

sajung : zie jung.

saya : en gew. sangsaya, I. K.N. allengskens toenemen, vermeerderen, hoe lang zoo meer [= wêwah, sangkin en bangêt]. sangsaya wêwah kathah, hoe lang zoo meer toenemen in aantal. II. saya, verkorting van wisaya.

siya : K.N. ellende; ellendig, gemeen, onbeleefd, onbetamelijk. siya-siya, ellendig, rampzalig; onmenschelijk, wreed; onbillijk, onregtvaardig zijn; mishandelen, verdrukken [Sd.Ml. siya-siya, nutteloos, onbruikbaar]. -nyia, versmaden, mishandelen.

syuh : Kw. verwoest, vernietigd, bedorven [= rêmêk, Vrg. suh en swuh].

sayah : K.N. moede, vermoeid, afgemat; vermoeidheid; zich vermoeijen [Skr. sâja, einde; einde van den dag, avond]. ora bisa sayah, onvermoeid. -nyayahake, N., -kên,

--- 359 ---

K, vermoeid maken. -kasayahan, vermoeid, afgemat.

syandana : of swandana, Kw. een rijtuig [swandana = têtunggangan en rata, Skr. syandana, een strijdwagen, strijdkar]. cakraning syandana of cakra syandana, naam van een zekere slagorde.

sayur : Sd.Ml. groente, groenten.

sayad : K.N. veinzen, voorgeven. -sayadan, veinzerij.

sayid : [Ar. sayyid], heer.

suyud : K.N. zich vereenigen; het gezag van iemand erkennen, zich onderwerpen, onderdanig zijn [vrg. suhud]. -sumuyud, onderworpen, onderdanig zijn.

sayut : Kw. tegenhouden, terughouden, beletten; zich terugtrekken, onttrekken; een tegenzin hebben [= pênggak, pênging en wêdi asih kabèh angèstokake]. -nyayuti, K.N., nayuti, Kw. zich onthouden, matigen, tegenhouden; iets tegenhouden, beletten, afweren.

siyut : K.N. door den wind bewogen worden. siyut-siyut, het geluid van iets, dat door de lucht strijkt, suizen, snorren. sumiyut, door de lucht strijken.

sayatin : z.v.a. setan [Ar. syayaatiin], Satans, collectief meervoud van syaithaan]].

siyos : zie sida.

seyos : zie seos.

siyasat : of siasat, K.N. een zware straf, kastijding, tuchtiging, foltering [Ar. siyaasat], bestuur, regering; straf, foltering, Ml.id.]. -niyasat of niasat en nyiyasat, of nyiasat, streng kastijden, tuchtigen, folteren. -wêsiyasat of wêsiasat, zie beneden.

siyal : Kw. mislukt, teleurgesteld [Het wordt verklaard door kangelan en pisah].

sayom : K.N.; nyayom, iemand verleiden, om kwaad te doen.

siyam : K. [puwasa of pasa, N.] vasten [Ar. shiyaam]]. wulan siyam, vastenmaand, de maand Ramelan.

siyêm : naam van een land.

sayêmbara : K.N. wedstrijd (om een vrouw), uitlooving, een te behalen prijs, waarom gestreden wordt [= jangji ingkang kalawan êbang-êbang, Skr. swajangwara, de openlijke keus van een echtgenoot door een prinses uit een aantal van tot dat doel verzamelde en zich aanbiedende prinsen of ridders: zamengesteld uit swajam, zelf, en wara, keus]. ngadêgi sayêmbara, een Sajembårå bijwonen. sayêmbara pilih, velen, die zich aan eene ongetrouwde vrouw ter keus tot man aanbieden, en waaruit een door haar gekozen wordt. -pasayêmbaran, de plaats, waar zulk een wedstrijd gehouden wordt.

sayaga : en siyaga, Kw. uitgerust, gereed, gekleed [sayaga = ngrasuk busana en siyaga = dangdan, van het Skr. jâga, rusting, wapenrusting, met het voorzetsel sa].

siyaga : zie sayaga.

syagnyana : eign. der vrouw van Djawåtå Samboe.

sayab : K.N.; nyayabi of nayabi, over dag stelen. kasayaban, over dag bestolen worden.

sayang : K.N. koperslager, kopersmid.

--- 360 ---

siyang : K. dag, in tegenoverstelling van den nacht en van den morgen of avond, middag [Ml.id.]. wanci siyang, op den middag, over dag. siyang dalu, dag en nacht. -kasiyangên, te veel op het midden van dag, d.i. te laat 's morgens of te vroeg 's avonds.

siyung : K.N. de slagtanden van een wild zwijn, of ook van een Boetå [Ml.id.]; ook naam van een wilden vogel. siyunge Bathara Kala, benaming van een kris of dolk. -paniyung, Kw. slagtand.

sonya : zie sonnya.

sam : of êsam, [Ar. Syaam] of Asysyaam], Syriën. têmbung ngêsam, de Syrische taal.

sêm : of êsêm, K.N. met iets ingenomen zijn. -sêngsêm, gewoonlijk kasêngsêm, lust; met iets ingenomen zijn, op iets gesteld zijn, zich over iets verheugen [sêngsêm = rêmên, en karêm]. sêngsêm asmara, wellustig; wellust.

sama : Kw., sami, K. [padha, N.] gelijk, gelijkelijk, zamen, gezamentlijk, allen; ook in menigvuldig gebruik, om het collective meervoud te beteekenen [sama = padha, en sakabèhe, Skr. sama, id.]. sami kalih, gelijk met, gelijk als, dezelfde of hetzelfde als. sami sêpuh, gelijk oud, even oud. sami jawi, mede-Javaan. sami sakêdhap, en sami sakala, in één oogeblik. sasami, gelijke, wedergade, naaste, evenmesch. sasaminipun, en al wat daaraan gelijk is, en alle dergelijke. sami-sami, allen gelijk; onderling. asami, gelijk zijn. -nyama, Kw., nyami, K., gelijk maken; vergelijken; gelijken [sinama = pinadha, en sanepa]. nyami warni, gelijken; evenbeeld, -nyamani, Kw., nyamèni, K., gelijk maken, gelijk stellen; evenaren. -nyamèkakên, gelijk stellen, geen onderscheid maken. -panyami, vergelijking. -prasami, z.v.a. sami.

sami : zie sama.

sêmi : I. K.N. uitbotten, knop of blad krijgen [= mêtu godhonge lagi wiwit]. nunggaksêmi, zie tunggak. II. Kw. tijger.

sêmu : K.N. schijnen, gelijken, iets door het gelaat of door gebaren uitdrukken; aanduiden, zinspelen; gelaat, aanzien; sierlijk, fraai, schoon; ook èsmu, 1. het voorkomen, den schijn van iets hebben; eenigermate, eenigzins [= cahya, kaya en watara, Sd. sêmu, huichelarij; Ml.id.]; en 2. tooverformulier, toovergebed. -nyêmoni, door het gelaat of door gebaren iets aanduiden, laten blijken, iets van ter zijde te verstaan geven; bespotten. -pasêmon, uitdrukking of aanduiding door het gelaat of gebaren; aanduiding; gelaat, gebaren; wenk, teeken; zinspeling, leenspreuk.

sima : K. [macan, N.] tijger. sima kombang, zie kombang, sima tutul, zie tutul.

suma : Kw. verdriet, droefheid, hartzeer [= prihatin].

sumi : eign. der vrouw van Batårå Bajoe.

sumu : Kw. een wild varken.

soma : Kw. I. Maandag [= sanèn, Skr. sôma, de maan]. II. z.v.a suma.

sumèh : K.N. een vriendelijk gelaat.

semah : zie omah.

--- 361 ---

somah : zie omah.

samuha : ook samoha, Kw. verzameling, vergadering, bijeenkomst, menigte; allen, alles, gezamentlijk [= sadaya, Skr. samoêha, vergadering, verzameling, menigte; Ml. alles, allen]. -samohan, een feest, gastmaal. -pasamuhan of pasamuwan, ook pasamohan, K.N. vergaderplaats, de plaats waar een vergadering gehouden wordt, een vergadering, gezelschap van menschen.

samoha : Kw. zie samuha, -nyamoha, versieren.

sumahab : Kw. gereed zijn om uit te rukken, uitgerust; in digte drommen naast elkander; een groote menigte [Het wordt verklaard door akèh lakune rêbut dhisik].

samun : K.N. somber, eenzaam, onbezocht, verlaten, onbewoond; een sombere plaats [= suwung, sêpi, en oranana sabawaning uwong]. -nyamun en namun, geheim houden; iets heimetijk verrigten; veinzen, huichelen.

sêmèn : benaming van een soort van batik.

simun : Kw. vergenoegd, tevreden.

suman : bijnaam van Sjakoeni.

sêmana : sêmono en sêmene, N., sêmantên, K., zoo ver, zoo veel, zoo groot, in die of deze mate [van mana, mono, en mene].

sêmêne : z.v.a. sumêne.

sêmèni : I. K.N. het ruischen van den regen, die op eenigen afstand neêrvalt. II. z.v.a. sumêne.

sêmene : zie sêmana.

sêmono : zie sêmana.

sumêne : K.N. uitstel. anyuwun sumêne, uitstel verzoeken. -nyumênèkake, N., -kên, K., iets uitstellen.

sumèni : z.v.a. sumêne, -nyumèni, uitstellen, uitstel geven.

sumene : z.v.a. sumêne.

sumênêp : naam van een klein vorstendom op het eiland Madura.

sêmantên : zie sêmana.

sêmôntra : naam van het eiland Sumatra [Ml. Sumatera of Sumantera]].

samantara : Kw. schielijk, gaauw [= tumuli en sêdhêng].

sumantra sula : naam van een wapen.

sumêntug : z.v.a. sumèntêg.

sumèntêg : K.N. gevoel, gewaarwording, aandoening; aangedaan zijn.

sêmendhe : z.v.a. sumendhe, zie sendhe.

samar : K.N. verborgen, onzigtbaar, geheim; onzeker, onveilig [Ml.id.]. -nyamar of namar, zich verbergen, schuil houden, vermommen. -ngasamar, iets verbergen, aan het gezigt onttrekken. -nyamari, iets verbergen, iemand hinderlagen leggen. kasamaran, hetgeen verborgen is, geheim gehouden wordt; in een hinderlaag gelokt of geraakt zijn. -sumamar ook sêmamar, schemerlicht, half donker; iets niet duidelijk zien; iemand niet herkennen.

samir : I. K.N. een pisangblad, dat als bord gebruikt wordt. II. K.N. een gele, roode, groene of purperen band of strook, van omtrent een vadem lengte

--- 362 ---

en twee duim breedte, die door de mannelijke en vrouwelijke beambten, die de rijkssieraden en onderscheidingsteekens van den Vorst en van de Prinsen dragen, om den hals gedragen wordt. III. Temb. Pas. behangsel, gordijn. IV. K.N.; nyamiri, met edelgesteenten bezetten.

samur : I. K.N. [vrg. samar]; nyamur, ook namur, vermommen, zich verkleeden, om niet herkend te worden, zich onkennelijk maken. kasamur tiyang kathah, door de menigte niet herkend worden. -nyêlamur, zich vermommen, zich verkleeden, zich onkennelijk maken. -nyalimur, hetzelfde. -panyêlamur, vermomming. II. K.N.; nyamur, opwekken, opgeruimd maken.

sêmar : eign. van een vertrouwden bediende van Ardjoenå, of in het algemeen van de Pandåwå's [kula kawraga ing Madukara].

sumar : z.v.a. sumyar, [Het wordt verklaard door teja]. sumarsana, naam van de bloem van den Tjepåkå-boom [= sêkar cêpaka, ook = sêsotya, mirah ijo].

sumur : K.N. een put, waterput [Sd.Ml.id.].

sêmara : zie asmara.

sêmèru : sumèru of sêmèru, naam van een berg; de zetel van Batårå Goeroe [zamengesteld uit su en mèru, Skr. soemêroe, de heilige berg Méroe].

sumrah : K.N. lafenis, verkwikking.

samirana : Kw. een zachte, verkoelende wind [= angin buwang kringêt en angin kang anyêgêri ing badan, Skr. samîrana, lucht, wind].

sumrik : K.N. zich verspreiden, van geuren [zamengesteld uit su en mrik].

sêmirat : zie sirat.

sumêsit : K.N. een nog niet volwassene augurk of komkommer.

sumarsana : zie bij sumar.

sêmarasupi : eign. van een vorst van Bandar-Alim.

sêmuri-muri : K.N. het jong van een vogel.

sêmrawang : K.N. helder, doorschijnend.

sumariwing : K.N. geraakt, getroffen; het zachte suizen van een wind [vrg. sumaruwung].

sumaruwung : K.N. het ruischen van den wind [vrg. sumariwing].

samriyêng : Kw. ligt, niet zwaar.

sumarma : eign. van een Déwå.

sumrêg : K.N. met veel gedruisch een plaats verlaten [= baribin].

sêmribit : K.N. een (zachte) togt van den wind [vrg. het volgende].

sêmrubut : K.N. een (sterke) togt van den wind [vrg. het voorgaande].

sêmarang : N., sêmawis, K., naam van een distrikt en van een plaats op Java. -sêmawisan, het Samarangsche, hetgeen tot het gebied van Samarang behoort. kesah sêmawisan, een Samarangsche reis, naar Samarang reizen. wêlandi samawisan, een Hollander, die naar Samarang reist.

sumaringah : K.N. zuiver, schoon, helder (van het gelaat).

samak : K.N. een lederen band om een boek [Ml. leder bereiden, looijen; Sd. een mat, vloermat]. tukang samak, een lederbereider, looijer, [looi...]

--- 363 ---

[...jer,] een werkman in leder; een boekbinder. -nyamak, een lederen band om een boek maken, een boek binden.

simak : T.D. gelijk zijn; wedergade.

sumuk : K.N. laauw, warm, drukkend, benaauwd. sumuking siti, de warmte van den grond. sumuking anggur, de warmte (verhitting) van den wijn.

sèmèk : K.N. 1. ontbijt. -2. deken, sprei [vrg. lèmèk].

sêmakehan : zie sumakeyan.

samêkta : Kw. gereed, uitgerust, reisvaardig [= sêdhiya]. -nyamêkta, K.N. zich gereed, reisvaardig maken, uitrusten. -kasamêktan, van alles voorzien, behoorlijk uitgerust zijn.

samukawis : zie samubarang.

sumakawis : zie samubarang.

sumakeyan : of sêmakehan, K.N. op zich zelf vertrouwen; trotsch, vermetel [waarschijnlijk van sakèhe, alles].

samak basar : Ar. weten, kennen [Ar. sama'bashar], hooren (of) zien].

samad : K.N.; nyamadi of namadi, naar iets gelijken.

sumêd : K.N. lont. -nyumêd, aan een vuur aansteken, ontsteken, opsteken. nyumêd diyan. een lamp aansteken. -nyumêdi, meervoud van het vorige. -sumêdan, een brandende lont.

samêdi : naam van de buitenste poort van het paleis van Batårå-Éndrå.

sêmadi : Kw. K.N. bidden; gebed [= nênêdha ing Gusti Allah, Skr. samâdhi, diepe godsdienstige overpeinzing, godsdienstige aandacht, door den geest van het zinnelijke af te trekken en op het geestelijke te bepalen]. yoga sêmadi, een gebed doen.

sêmèdi : z.v.a. sêmadi.

sumèdi : z.v.a. sêmadi.

samadana : Kw. weg; werktuig, middel [dêdalan].

samudana : K.N. veinzen, voorgeven, voorwenden, huichelen; geveinsdheid; voorwendsel; arglistig. kang sumadana, huichelaar. -namudana, een vriendelijk gelaat toonen, veinzen, femelen [= asuka ujar aris]. -samudanan, huichelarij.

samodra : Kw. zee, oceaan; Tj. Sengk. vier [= sêgara, Skr. samoedra]. samodra rêsmi, de bloedvloeijing van een vrouw, die de maandstonden heeft.

sêmados : zie samaya.

sumados : zie samaya.

samadaya : zie sadaya.

sumêdya : zie sêdya.

sêmat : verkorting van sêpasmat, Spaansche mat, reaal.

sêmut : K.N. mier [Ml.id.]. sêmut gatêl, een kleine soort van mieren; een slavekind; een hellebaardier. -sêmutên, jeuking op de huid.

sêmita : verkorting van sasmita.

sumatri : Kw. een vorstelijke telg van het vrouwe lijk geslacht [= satriya wadon, misschien van het ongebruikelijke satri, Skr. xatri, z.v.a. satriya, Skr. xatrija].

sumitra : eign. van een vorstelijken priester; ook van een zoon van Ardjoenå.

--- 364 ---

sumatali : K.N. stadgenoot, landsman [waarschijnlijk van satali, dus eig. van hetzelfde koord].

samatiyan : K.N. het werpen met dobbelsteenen.

samawi : K.N. een omheining van jonge bamboes.

sumiwa : zie sewa, II.

sumiwi : zie sewa, II.

samawana : Kw. alsmede [= apadene].

samawatya : Kw. de wolkenhemel.

sêmawis : zie sêmarang

sumala : Kw. verdriet, hartzeer.

sumêlar : K.N. verlegen; verlegen zijn; verlegenheid.

sêmilak : z.v.a. sumilak.

sumilak : K.N. helder, klaar, opgeklaard, van de zon of lucht; opklaren.

sumladhang : K.N. dwarsbalk.

sêmêlang : z.v.a. sumêlang.

sumêlang : K.N. in twijfel, twijfelachtig; bekommerd, bevreesd, ongerust; twijfel, ongerustheid, onrust; twijfelen; bekommerd, bevreesd, ongerust zijn [vrg. salang, II.]. -nyumêlangi, omtrent iets in ongerustheid zijn, voor iets bevreesd zijn.

sumlêngêrên : K.N. van schrik verbijsterd zijn.

sampe : I. [Ml. sampai], toereikend, genoeg. II. K.N.; nyampe, van zich afhouden, afweren, van de hand wijzen.

samepa : z.v.a. sanepa.

sumpah : K.N. [supata, N., supaos, K.] vloek, vervloeking; eed, eedzwering; een eed doen, zweren [Sd.Ml.id.]. -nyumpah, iemand een eed afnemen. -nyumpahi, iets met een eed bevestigen, iemand vervloeken. -nyumpahake, N., -kên, K., iemand een eed laten doen. -pasumpah of pisumpah, vloek; eed. -panyumpah, het afnemen van een eed.

sampan : benaming van een soort van klein inlandsch vaartuig; een boot of sloep [Ml.id.].

sampun : K., êmpun, Md., I. [wis of wus, N.] afgedaan, afgemaakt, gedaan; verleden, geleden; reeds, alreeds, bereids; volkomen, volmaakt. sampuning en gew. sasampuning of sasampunipun, met het afgedaan zijn van; nadat; na; daarna. ingkang sampun, de of het verledene, de of het vorige. sampun ingkang - - , sanajan, laat staan ---, ook --. sampun lami, reeds een langen tijd, sedert lang. botên sampun-sampun, nimmer afgedaan; aanhoudend, gedurig. -nyampuni, iets gedaan maken, ten uitvoer brengen, volbrengen; afdoen, afmaken; dooden. -nyampunakên, iets ten einde brengen, voleinden, voltooijen. -sampunan, uitscheiden; verloopen. II. [aja, N.] het moet niet, het mag niet, dat niet. -sampun tan botên, zie tan, sampun ngantos kasupèn, het mag niet vergeten worden; gij moet het niet vergeten. sampun ngantos susah, wees niet bedroefd.

simpên : K.N. het bewaren [Ml.id.]. -nyimpên, bewaren, sparen. -nyimpêni, iets bewaren, bergen; sparen, besparen, opleggen; spaarzaam. -sasimpênan, iets, dat in bewaring gehouden wordt. -pasimpênan, bewaarplaats; bewaring.

sumpana : Kw. een weg langs een ravijn.

--- 365 ---

sêmpani : zie sampyani.

sampar : K.N. het met de voeten tegen iets stooten. sampar toya, de afstand van het gebruik der rijstvelden van een Loerah-tabon aan een nieuw benoemd hoofd na de betaling van het Bektigeld. -nyampar, een geluid maken, door met den voet tegen iets aan te stooten; iets met de voeten stooten.

sampir : K.N.; sumampir, ergens over heen hangen. -nyampiri, iets over iets heen spreiden, over een stok of lijn hangen [Ml. sampir], id.]. -nyampirake, N., -kên, K., iets ergens aan of over, b.v. linnengoed aan een kapstok, hangen; fig. iemand aan de zorg van een ander toevertrouwen. -sampiran, een stok, rek of gespanne touw, om kleêren over te hangen.

sampur : K.N. het overkleed bij de dienstkleeding der Prinsessen en der danseressen van den Vorst, een lang, breed lint of sjerp, als gordel om het lijf gedragen, en waarvan de beide einden naar beneden hangen. -nyampuri, een Sampoer aandoen [Een ander zie bij campur]. -sampuran of sasampuran, een Sampoer dragen; benaming der dienstkleeding van de Prinsessen en van de danseressen van den Vorst.

sêmpor : K.N.; nyêmpor, uitbruischen, uitgudsen.

simpar : K.N. ter zijde gaan. -nyimpar of nimpar, wegstooten, wegwerpen, ter zijde gooijen. -kasimpar, Kw. iets, dat zich op den grond bevindt. pala kasimpar, K.N. vruchten, die op den grond groijen, zoo als komkommers en meloenen.

simpir : K.N.; nyimpir, de vleugels laten hangen. dhapur mêrak kasimpir, benaming van een bijzondere wijze van het te droogen zetten van de padi.

sumêpêr : K.N. een plaats aandoen, aangieren.

sampurna : I. K.N. volmaakt, volkomen, volledig, onberispelijk, zonder gebrek, zuiver, heilig [= mulya, Ml.id., Skr. sampoerna, van poerna, zie purna]. sampurnajati, eign. van een heilige of priester. -nyampurnakake, N., -kên, K., volmaakt daarstellen, van alle smetten zuiveren. -kasampurnan, volmaaktheid; achtbaar. II. Kw. verdwenen [= ilang en sirna]. -nampurnakakên, doen verdwijnen, doen ophouden.

sêmprot : K.N. spuit. -nyêmprot, spuiten.

sêmprong : K.N. een pijp, een holle bamboe, waarmede men vuur aanblaast; een verrekijker.

sampak : K.N. alles verward door elkander, ongeregeld. prang sampak, een verward of ongeregeld gevecht, de gewone afloop van een Wajang- of toonelgevecht.

sumpêk : zie supêk.

sompok : K.N. een gewone, gemeene soort van tabak; een gering, klein huis, een stulp, hut; benaauwd, in groote verlegenheid [vrg. sumpêk]. -nyompok, in het naauw brengen. kasompok, in het naauw gebracht.

sêmpad : K.N.; nyêmpad, berispen, aanmerkingen maken.

--- 366 ---

sêmpèd : K.N.; nyêmpèd, iemand medepligtig maken, in een misdaad betrekken.

sampêt : K.N. geheel voldaan, afgedaan; afbetaald. -nyampêti, een schuld afbetalen, afdoen, geheel voldoen.

sêmpêt : [Ml. sempat], in de mogelijkheid zijn, in de gelegenheid zijn; tijd, gelegenheid hebben.

sumpêt : K.N.; nyumpêt, tegenhouden, ophouden, beletten.

sampati : eign. van een fabelachtigen grooten vogel, zoon van Garoedå, oudere broeder van Djatajoe [Skr. sampâti].

samapta : z.v.a. samêkta [Skr. samâpta, voleind, voltooid, afgedaan].

samaputra : K.N. een panakawan, van vorstelijke familie.

sumapawon : zie sapele.

sampil : K.N. bout, bilstuk van een geslagt beest. sampil babi, ham. -nyampil, den schenkel afkappen.

sêmpal : K.N. afgekapt, afgebroken, afgescheurd; afbreken, afscheuren, afgebroken, afgescheurd worden, van de takken van een boom of de leden van een lichaam. -nyêmpal, afkappen, afbreken, afscheuren. nyêmpal baunipun kiwa têngên, iemand de beide armen afslaan of afbreken, d.i. iemand van alle magt berooven, een vijand geheel vernielen. -sêmpalan, een algebroken stuk, fragment.

sêmpèl : z.v.a. sêmpal.

sumpêl : K.N. 1. stop, kurk, prop [Sd.Ml. sumpal, id.]; 2. de kam van een haan. -nyumpêli, stoppen, digtstoppen, iets met een stop of kurk digt maken, ergens een prop op doen.

sompil : K.N. slak.

sumapala : zie sapele.

sêmpêlah : K.N. niet weten, hoe men het heeft; knorrig, wrevelig, kregel, kwaad zijn.

sêmpulur : K.N. grooten overvloed van levensmiddelen bezitten.

sampluk : K.N.; nyampluk, met iets, dat men in de hand houdt, slaan. -nyêmpaluki, verhinderen, tegengaan; veranderen, verbeteren.

sampyuh : K.N. met elkander gelijk staan, tegen elkander opgewassen zijn, gelijke kans hebben; beiden tegelijk [van pyuh, met het Skr. voorzetsel sam, gelijkelijk, tegelijk]. pêjah sampyuh, tegelijk met den vijand sneuvelen.

sampyan : Kw. z.v.a. sampeyan.

sampyani : of sêmpani, eign. van een Bagawan, den vader van Sindoeredjå.

sampeyan : I. K.h. [sikil, N., suku, K.] voet, been. sampeyan dalêm, de voeten van den Vorst, d.i. de Vorst zelf, z.v.a. Zijn of Uw Majesteit. konjuk ing sampeyan dalêm, aangeboden aan Zijn Majesteit. II. K. [kowe, ko of mu, N. voornaamwoord van den tweeden persoon: gij, u, uw [Sd.id.].

sampyuk : K.N.; nyampyuk, tegenaanslaan, aanklotsen, aandruischen.

sampyal : K.N.; nyampyal, z.v.a. nyampe, zie campe, II.

sêmpoyongan : K.N. een waggelende gang van ouderdom.

--- 367 ---

sêmpug : K.N. bot, stomp; zich niet weten te raden.

sumpêg : z.v.a. sêmpug, [vrg. sumpêk, bij supêk].

sampang : K.N. naam van een boom, de Sapan [Ml. sapang]]. kayu sampang, N., kajêng sampang, K., Sapanhout, dat tot verwstof dient.

simpang : K.N.; nyimpang, ook nimpang, ook zijde gaan, uit den weg gaan, eenzijweg inslaan, ontwijken; van een onderwerp afwijken [Sd.Ml.id.]. -nyimpangi, voor iemand uit den weg gaan, een anderen weg kiezen; een gevaar ontwijken. -simpangan, een zijweg, tweesprong. dalan simpangan, N., margi simpangan, K., een bijpad, afweg. -nyalimpang, ook nalimpang of nêlimpang, wijken, een anderen weg nemen, een andere wending nemen, afwijken, ontwijken.

simping : K.N. pereloster; paarlemoer.

sumping : K.N. [sangsangan, K.h.] bloemen, die achter de ooren gestoken worden; oorsieraad, oorplaat; benaming van een opbrengst buiten de gewone pacht. -nyumpingi, bloemen achter de ooren steken. -nyumpingake, N., -kên, K., aan iemand bloemen achter de ooren steken. -panumping, naam van een krijgsvolk, waarover in vroegere tijden een Toemenggoeng als hoofd gesteld was; ook de uiterste grens of rand van iets, de vleugel van een leger. wadana panumping, titel van één der vier buiten- Wadånå's. -pasumping, wat als sumping buiten de gewone pacht opgebracht wordt, b.v. yatra pasumping.

sumpung : K.N. een hand zonder vingers of voet zonder teenen.

samya : Kw. z.v.a. sami [= padha].

sumya : z.v.a. somya.

somnya : Kw. babbelep, veel praten [= rècèh, Het wordt ook verklaard door rêrêm atine, Skr. saumja, zacht, vreedzaam; bevallig; van sôma, de maan].

samaya : sêmaya of sumaya, N., sêmados, of sumados, K., belofte; uitstel, b.v. van betaling [Skr. samaja, tijd, termijn, overeenkomst, bepaling]. rôndha sêmaya, benaming vangestreept goed. asêmaya, N., asêmados, K., uitstel verleenen. -nyamayani, nyêmayani of nyumayani, N., nyêmadosi of nyumadosi, K., uitstellen, een termijn bepalen; uitstel verzoeken. -samayan, sêmayan of sumayan, N., sêmadosan of sumadosan, K., elkander beloven.

sêmaya : zie samaya.

sumaya : zie samaya.

sumayana : Kw. breed, vlak, uitgebreid [= kumalangsa].

sumyar : Kw. zich aangenaam gevoelen.

sumyur : Kw. K.N. zich naar alle kanten verspreiden, verbrijzeld worden, door uit elkander te spatten.

sumyuk : Kw. een ruischend geluid veroorzaken [= sumêmbur].

sumyak-sumyak : K.N. weêrgalmen, van vreugde het uitgalmen.

sêmyang-sêmyang : K.N. een ontuchtige begeerte tot een vrouw hebben.

--- 368 ---

sêmamar : en sumamar, zie samar.

sumêmprung : K.N. de snelheid van een worp; snel, gaauw.

samoga : naam van een soort van strijdknods.

sêmigit : Ar. tempel [verbastering van masigit of mêsigit, en dit van het [Ar. masjid], moskee].

sambi : N. en, met, benevens, tegelijk [vrg. kambi]. -nyambi, K.N. twee dingen tegelijk verrigten. kasambi of sinambi, met iets gelijktijdig gedaan of verrigt worden; tegelijk; onderwijl [Een ander kasambi, zie boven].

sambu : eign. van een Godheid [Sambo = Hyang Guru, Skr. Sjambhoe, naam van Siwa en van Brahma]. -Zie ook bij ambu.

sumbi : K.N. een weverspoel.

sumbu : K.N. pit, lemmet [Ml.id.]. -sumbon, een laadgat.

sômba : eign. van een zoom van Kresna [= putraning Dwarawati].

sumub : K.N. de wasem of damp van iets, dat gekookt wordt.

sêmbah : K.N. een uitdrukking van eerbiedige hulde, die de mindere aan den meerdere betoont, door de handen vlak tegen elkander te voegen, en die zoo naar het voorhoofd te brengen, zoodat de punten van de duimen den tip van den neus raken [Ml.id.]. sêmbahyang, gew. sêmbayang, ook sêmbiyang, K.N. Godsvereering, eeredienst, gebed; bidden [Ml. sembahyang], Sd. sêmbahiyang]. -nyêmbah, en nêmbah, zulk een teeken van eerbied (een Sembah) maken; eer bewijzen, huldigen. sinêmbah, de persoon, voor wien een Sembah gemaakt wordt. -sumêmbah, hulde bewijzen. -panêmbah, betuiging van eerbiedige hulde. -panêmbahan, voorwerp van eerbiedige hulde: een hooge, vorstelijke titel bij de Javanen, waarmeê soms een voornaam prins begunstigd wordt, maar waarop hij wegens zijn geboorte geen aanspraak kan maken.

sêmbuh : K.N.; nyêmbuh, vermeerderen. -sêmbuhan, op nieuw gebatikde stof.

sêmbèn : K.N. veinzerij, huichelarij.

sumbon : zie sumbu.

sambêr : K.N. I. een snelle vlugt. -nyambêr of nambêr, snel door de lucht vliegen, zoo als van een vogel en van den bliksem; op iets aanvliegen, om het te grijpen [Ml.id.]. sambêr-sinambêr, heen en weêr vliegen. -nyambêri, in de vlugt iets opnemen. -panyambêr, het opnemen van iets in de vlugt. -sambêrilèn en sambêrmata, zie beneden. II. een soort van net, dat aan een langen steel vastgemaakt is. -nyambêr, met een Samber visschen.

sêmbur : I. K.N.; nyêmbur of nêmbur, met den mond spuiten, uitspuiten [Ml.id.]. sêmbur adas, anijs spuiten, d.i., van korten duur doen zijn. nyêmbur-nyêmbur en nêmbur-nêmbur, aanhoudend, of naar alle kanten, met den mond spuiten. -nêmburake, N., -kên, K., iemand bespuiten. -sumêmbur, spuitende; spuiten, uitbruischen. -panêmbur, een groot soort van hagel, schroot. II. K.N.; nyêmbur, beletten, tegenhouden.

sêmbèr : K.N. een vrouw zien en dadelijk verliefd op haar worden.

--- 369 ---

simbar : I. K.N. het haar op het lichaam; bladen, die onmiddellijk uit den grond voortkomen; klimgewas; een soort van kleine steenen, waarmeê gespeeld wordt. II. Kw.; nyimbar, strooijen, uitstrooijen, zaaijen.

sumbar : K.N. dreigende, pochende en uitdagende taal, snoeverij, tarting, uitdaging. sêsumbar, uitdaging; een uitdagende taal voeren. sumbar-sumbar, aanhoudend of gedurig tarten of uitdagen. -nyumbar, pogchen, snoeven. -nyumbari, iemand tarten of uitdagen.

sumbêr : K.N. bron, wel [Sd. sumbêran, id.].

sambari : of sêmbari, N. z.v.a. bari, en, met [vrg. sami].

sêmbari : zie sambari.

sêmbrana : K.N. onachtzaam, onoplettend; onverschillig; scherts, kortswijl; onachtzaamheid; gekheid maken, schertsen, jokken. -nyêmbranani, iemand voor den gek houden, iemand foppen. -sêmbranan of sasêmbranan, gekheid, scherts, kortswijl.

sêmbrani : K.N. een vliegend ros [= jaran ing swarga, Ml.id.; waarschijnlijk van brani of barani, met het voorzetsel sa, of Skr. sam].

sambêrilèn : K.N. spaansche vlieg. -nyambêrilèn, naar een spaansche vlieg gelijken.

sêmbrèt : K.N.; nyêmbrèt, uit elkander scheuren.

samburat : K.N.; nyamburat, uitspuiten; met zand gooijen. -sumamburat, spuiten, gudsen, van bloed uit een wonde.

sambrama : Kw.; nyambrama of nambrama, iemand eerbledig aanspreken; naar iemand vragen; met eerbied groeten [nambrama = ambagèkakên en nyêmbrama = binabèkakên ing ujar alus].

sambêrmata : K.N. een soort van kleine vlieg.

simbar malaka : naam van een rijk.

samubarang : K.N., ook samukawis of sumakawis, K., allerlei, alle zonder onderscheid, alle [vrg. mubarang].

sambekala : zie sambikala.

sambikala : of sambekala, K.N. valstrik; ongeval; moeijelijkheid, gevaar.

sêmbada : K.N. gepast, behoorlijk, betamelijk, geschikt, bekwaam [Skr. sambanda, geschikt, gepast, bekwaam]. dêdêg sêmbada, evenredige lichaamsbouw, welgemaaktheid van postuur. -nyêmbadani en nêmbadani, behoorlijk maken; iemand tot zijn pligt of tot reden brengen, iemand te keer gaan, zich tegen iemand te weer stellen. -kasêmbadan, behoorlijk gedaan, geheel goedgekeurd; verhoord; voldoening van iemands verlangen [= cukup sakarsane].

sêmbadra : zie sumbadra.

sumbadra : ook sêmbadra, eign. van een dochter van Basoe-Déwå, gemalin van Ardjoenå [= garwane Arjuna, Skr. Soebhadra].

sambat : K.N. geklag, gekerm, geroep, smeeking om hulp. asambat, sasambat of nyambat, klagen, om hulp roepen of smeeken. -nyambati, bij iemand klagen, tot iemand zijn klagten rigten. -sumambat, klagende. -pasambat, gekerm.

sambêt : zie sambung.

--- 370 ---

sambit : T.D.; nyambit, werpen, gooijen.

sambut : I. K.N.; nyambut of nambut, vatten, nemen, opvatten, bij de hand nemen; raken, treffen [nambut = anyêkêl, Ml.id.]. nyambut asta, bij de hand vatten, bij den arm nemen. nyambut gawe, N., nyambut damêl, K., werk bij de hand nemen, werk aan de hand hebben, arbeiden, werken; onder roovers, z.v.a. rooven. wong nyambut gawe, N., tiyang nyambut damêl, K., werkman. kasambut, getroffen, geraakt [= dipun cêkêl]. kasambut ing prang, in den oorlog getroffen, gesneuveld. -panyambut, het aanvatten, het bij de hand nemen, of, iemand die aanvat, die iets bij de hand neemt. panyambut gawe, N., panyambut damêl, K., ambacht, beroep. II. K.; nyambut of nambut [nyilih en utang, N.] goed of geld leenen. kasambut, l.v. [= disilih]. sambut-sinambut, leenen en geleend worden, elkander leenen, leenen en borgen. -nyambuti, iemand leenen. -nyambutakên, te leen geven, borgen. -sambutan, het geleende, een schuld. -panyambut, het leenen.

sêmbêt : K.N. vodden, lappen.

sêmbèt : K.N.; nyêmbèt, meêslepen, meêvoeren [vrg. imbèt]. kasêmbèt, in een zaak betrokken worden.

sambita : Kw. een vrouwelijke bediende aan het hof.

sambawa : Kw. onwogelijk, onuitvoerbaar, onbestaanbaar [= mokal, Skr. sambhawa, bestaanbaarheid, mogelijkheid; asambhawa, onbestaanbaar].

sambêl : K.N. een toespijs bij de rijst, bestaande uit kruiderijen, gedroogde visch, groenten, enz. Men heeft namelijk verschillende soorten van Sambel [Ml.id.]. -nyambêl, Sambel maken.

sumbul : K.N. een digtgemaakte rijstpot.

sambêlèh : K.N. [zie bêlèh]; nyambêlèh, een beest slagten [Ml.id. Vrg. nyunati, bij sunat]. -sasêmbêleyan, het geslagte. -panyêmbêlèh, slager.

sambelata : naam van een boom in de Manikmåjå.

sambilan : K.N. juk, halster.

sumbalinga : z.v.a. sambawa [Het wordt verklaard door manikhaya en sawênang-wênang].

samboja : naam van een zijden stof.

sêmbayang : zie sêmbah.

sêmbiyang : zie sêmbah.

sambega : Kw. opschik, sieraad; bekoorlijk.

sêmbagi : K.N. damast.

sumbaga : Kw. betamelijk, geschikt; beroemd, algemeen geprezen [Skr. soebhaga, gelukkig; bevallig, aangenaam voor het gezigt; bemind, geliefd; zamengesteld uit soe, en bhaga: zie baga].

sambang : K.N. de ronde; de ronde doen, naar iets zien, zoeken, onderzoeken [Ml.id.]; ook een booze geest, die volgens het bijgeloof der Javanen buikpijn veroorzaakt. -nyambangi, de ronde doen, rondgaan om naar iets te zoeken. sinambangan = ingubêngan en linanglangan.

sambung : N., sambêt, K., gelascht, zamengelascht, zamengevoegd [Ml.id.]. -nyambung, ook nambung, N., nyambêt, K., lasschen, zamenlasschen,

--- 371 ---

aanknoopen, aanvoegen; den draad van een rede opvatten; vermeerderen, bijvoegen [Een ander nambung, zie boven]. -nyambungi, aan iets aanlaschen, bijvoegen; het woord opvatten in een gesprek. -sumambung, N., sumambêt, K., lasschen, zamenvoegen, het woord opnemen in een gesprek. -sambungan, N., sambêtan, K., aanlassching, zamenlassching, aanknooping; aan knoopsel; aanééngelascht. sambung-sambungan, het zich laten aanéénknoopen.

simbung : K.N. het overkleed der vrouwen van minderen rang, bij de dienstkleeding, als zij voor den Vorst verschijnen, gelijk de sampur, van de Prinsessen. Het onderscheid tusschen simbung, en sampur, bestaat daarin, dat de laatste zonder, de eerste met plooijen en vouwen is. -simbungan, een Simboeng dragen: benaming der dienstkleeding der vrouwen van minderen rang.

sumbang : K.N.; nyumbang, ook numbang, tot het vieren van een feest bijdragen, een bruiloftsgeschenk geven. -pasumbang of pisumbang, een bruiloftsgeschenk, bijdrage van een ondergeschikte aan zijn hoofd, tot het vieren van een feest.

sumbing : naam van een berg in de Kedoe.

sêmang : K.N. veinzen, huichelen. wong sêmang, een geveinsde, veinzaard, huichelaar, schijnheilige.

sumêng : I. z.v.a. sumung. II. verkorting van sumêngka, zie sêngka.

sumung : Kw. groote hitte, hevige toorn. sumung-sumung = sumuk-sumuk.

sumêngah : z.v.a. sumungah.

sumungah : K.N. zeer met zich zelf ingenomen zijn, groote verbeelding van zich zelf hebben.

sumêngêrên : zie sêngêr.

sêmôngka : K.N. of N. [watêsan, K.] naam van een soort van meloen, watermeloen [Sd.Ml. samangka, id.].

samangkin : I. zie mangkin. II. Kw. vermeerderen, toenemen [= wuwuh-wuwuh].

sêmangkeyan : K.N. zich veel laten voorstaan.

sumôngga : K.h. [mara en ayo, N., suwawi, K., dawêg, Md.] welaan, komaan, toe maar, het zij zoo, ook Soemònggå zeggen, het aan de verkietzing of het oordeel van iemand overlaten [Sd. sumangga, gaarne, met genoegen]. -nyumanggakakên, iets aan iemands verkiezing of welgevallen overlaten.

sêg : K.N. zich op den grond neêrzetten.

sog : z.v.a. sok.

sagi : zie pasagi.

sagu : K.N. Sago: het meelachtige merg van den Sago-palm [Sd.Ml.id.].

sêga : N., sêkul, K., gekookte rijst. sêga para, een slechte soort van gekookte rijst, die een roodachtige kleur heeft en door het geringe volk gegeten wordt.

sêgu : K. [cêkikên, N.] hik; K.h. [atob, K.N.] oprispen, oprisping.

sigi : K.N. de zelfkant van een weefsel.

soga : naam van een soort van hout, waarmeê rood geverwd wordt.

sugu : K.N. dunne aan elkander gebondene bamboe. -nyugoni, vuur onder een pot stoken.

sagah : zie saguh.

saguh : N., sagah, K., beloven; belofte, toezegging. [toezeg...]

--- 372 ---

[...ging.] -nyaguhi, N., nyagahi, K., iets beloven, op zich nemen om te doen. -sumaguh, N., sumagah, K., aannemende; beloven om te doen. kasaguhan en saguhan, N., kasagahan, en sagahan, K., het beloofde; belofte.

sêgah : zie suguh.

sugih : K.N. rijk, vermogend; overvloedig; rijk zijn. sugih karingêt, rijkelijk zweeten, overvloedig, sterk zweeten. sugih wani, rijk aan moed, zeer dappper. -sumugih, rijk schijnen, zich het voorkomen geven van rijk te zijn. -nyugihake, N., -kên, K., verrijken. -kasugihan of kasugiyan, rijkdom, vermogen, overvloed.

suguh : N., sêgah, K., onthaal, ontvangst van een gast; wat iemand te eten gegeven wordt [Sd. onthalen; voeden, spijzigen]. sêsuguh, N., sêsêgah, K., een gast te eten voorzetten. -nyuguh, N., nyêgah, K., een gast onthalen; iemand iets te eten geven. -nyuguhi, N., nyêgahi, K., iemand als gast onthalen. nyuguhake, N., nyêgahakên, K., iets tot onthaal bezigen, op iets onthalen. -pasuguh, N., pasêgah, K., onthaal. -suguhan of pasuguhan, N., sêgahan of pasêgahan, K., een gastmaal.

sagon : naam van een spijs van rijst, klapper en suiker bereid.

sugônda : zie gônda.

sagantên : of sêgantên, zie sêgara.

sigan-sigun : K.N. in gedurige beweging zijn, gedurig veranderen [vrg. het volgende].

sugun-sugun : K.N. uitgelaten van vreugde, uit blijdschap alles ten beste geven [Het wordt verklaard door gupuh-gupuh en sêgah-sêgah, Vrg. het voorgaande].

sigra : I. Kw. schielijk, gaauw [= gêlis, enggal en tumuntên, Ml.id., Skr. sjighra]. II. K.h. [wahing, K.N.] niezen.

sêgêr : K.N. frisch, verfrisschend, verkoelend, verkwikkend, aangenaam van smaak; zich verfrisschen [Sd.Ml. sêgar, frisch; versch]. -nyêgêri, verkwikken, verkoelen, veraangenamen. -nyêgêrake, N., -kên, K., verfrisschen.

sigar : K.N. gespleten, gekloofd; in tweeën verdeeld; half; de helft. sasigar, een helft, de helft van een eent, een halve duit. karosigar, N., kalih sigar, K., anderhalve duit. sasigar jagad, de halve wereld. kanêm sigar jung, zesdehalf djoeng. -nyigar, splijten, kloven, klieven, splitsen, in tweeën verdeelen. -sigaran, een spleet. -panyigaran, een werktuig, waarmeê iets gespleten of in tweeën verdeeld wordt.

sagara : of sêgara, I. N., sagantên of sêgantên, K., zee, oceaan; Tj. Sengk. vier [Sd.id., Skr. sâgara]. sagara anakan, N., sagantên anakan, K., een baai. sagara wêdhi, N., sagantên wêdhi, K., een zandzee, woestijn. -sêgaran, K.N. een kleine zee, een groot meer. II. Kw. het hart van den mensch; ook genade, barmhartigheid, vergiffenis.

sigrêng : Kw. zwart, donker.

--- 373 ---

sogok : K.N. een ijzeren pook, waarmede het vuur wordt omgeroerd; stoker; de schuif aan een deur; boersch; een ruwe onbeschaafde taal spreken. sogok untu, K.N., sogok waja, K.h. een tandestoker. -nyogok, porren, peuteren; raken, treffen.

sagêd : K. [bisa en pintêr, N.; vrg. wagêd] kunnen, vermogen, in staat zijn; kundig, bekwaam, bedreven, ervaren, knap, geschikt. botên sagêd, onbekwaam, ongeschikt. -sumagêd, zich bekwaam voordoen; verwaand. -nyagêdi, tot iets in staat zijn, ergens kundig in zijn. -kasagêdan, kunde, bekwaamheid, geleerdheid, wetenschap.

sigit : K.N. bevallig, aardig, fraai, schoon. -pasigit, zie beneden.

sugata : Kw. onthaal, gastmaal [= sêgah, sêsuguh, en awèh pangan ing dhayoh, Het wordt ook verklaard door pandhita, Skr. soegata, wel, goed gegaan; ook een heilige, een Boedaheilige]. -nyugata, een gast onthalen [= aparing pangan ing dhayoh]. nyugatani, iemand als gast onthalen. -pasugata, onthaal, gastmaal.

sugota : Kw. een Panditå die iets opbrengt [vrg. het voorgaande].

sogata : z.v.a. sugata.

sagotra : Kw. allen, gezamentlijk; alle leden eener familie [= sadaya en sagolongan, zie gotra].

sagotrah : K.N.; nyagotrah, het iemand naar zijn zin maken.

sagatêlik : naam van een gewas.

sagawon : of sêgawon, K. [asu, N.] hond. sêgawon jalêr, een reu. sêgawon èstri, een teef. sêgawon toya, een otter, zeehond. sêgawon ajag, een wilde hond, wolf.

sugal : K.N. norsch zijn in het spreken.

sogol : K.N. een omgekapte boom, waarvan de wortels op nieuw uit den grond uitschieten. -sogolan, een soort van klein vaartuig; ooknaam van een uit ketan bereid gebak.

sagulma : K.N. duizend millioen [zie gulma].

sagnyan : K.N. naam van een schrijfteeken, ander wignyan, genaamd.

sigêg : Kw. stilhouden, ophouden, zwijgen [= mênêng salin kang cinatur]. -nyigêg of nigêg, ophouden, rusten, uitscheiden; zich stil houden, niet bewegen [= angandhêgake]. sigêgên, geb. wijs. -sigêgan, einde, waar iets eindigt, ophoudt of uitscheidt.

sugege : Kw. een lang kussen.

sagung : Kw. al, alle, gezamentlijk [= sakabèhe en sarupane, zie gung].

sugêng : K.h. [sêlamêt, N., wilujêng, K.] heil; welvarend, gezond; welvaren, nog gezond, nog in leven zijn. -kasugêngan, welvaart, gezondheid. angaturakên kasugêngan, gelukwenschen.

sab : verkorting van sawab.

sèb : Kw.; nyèb, ook nèb en nwab, aanranden, aanvallen [vrg. sinèp].

sob : K.N. vermindering; het zakken of afnemen van het water, ebbe [zie ook sop].

saba : K.N. in het vrije rondloopen, losloopen,

--- 374 ---

niet vastgebonden zijn (van beesten); onaangemeld ergens verschijnen; ook naam van een soort van Pisang [Ml. dikwijls iemand bezoeken, dagelijks en gemeenzaam met iemand omgaan. Het word ook verklaard door pakumpulan, Skr. sabhâ, vergadering, bijeenkomst]. wanasaba, een bosch, waarin beesten vrij rondloopen; naam van een plaats en van een distrikt op Java. -pasaban, een plaats, waar beesten vrij rondloopen, een weide, park.

sêbe : [Pers. Ml.sabi ], Ar. sabiij], een shawl.

suba : Kw.; nyuba, iemand goed onthalen, met beleefheid ontvangen [= angurmati ing dhayoh]. suba-suba, hetzelfde [= nora kakurangan gone awèh pangan]. sinuba-suba, zeer beleefd ontvangen worden. -pasuba, betuiging van eerbied; hulde.

seba : N. [sewa, siwa en siwi, Kw.; zie boven], sowan, ook wel sohan, K., voor een meerdere verschijnen, zijn opwachting maken; bij een meerdere komen. sineba, K.N. l.v.; de persoon voor wien iemand verschijnt. -nyebakake, N., nyowanakên, K., iemand voor een hoofd of voornaam persoon doen verschijnen, hem in deszelfs tegenwoordigheid brengen. -paseban, N., pasowan, K., verschijning; de plaats waar men voor een hoofd of voornaam persoon verschijnt; zitdag van een regtbank. pasowan alit, de kleine zitdagen, d.i. Woensdag en Zaturdag. pasowan agêng, de groote zitdagen, d.i. Maandag en Donderdag.

soba : Kw. glinsteren, vlammen, fonkelen [= murub, kang murub en teja, Skr. sjôbha, luister; schitterend; schoonheid].

sêbah : K.N. benaauwd zijn, zich niet wel gevoelen [Sd. sêbêh, zad, verzadigd].

subuh : Ar. shubhi], de tijd des gebeds om half vijf uur des morgens.

sabên : K.N. elk, ieder; telkens, telkens als. sabên-sabên, telkens, zoo dikwijls als. sabên dina, N., sabên dintên, K., ieder dag, dagelijks. -prasabên, zie beneden.

sabin : zie sawah, II.

sabun : [Ar. shaabuun], K.N. zeep [Sd.Ml.id.]; ook een soort van gebak.

subônda : Kw. aap [Het wordt verklaard door kawasa, zamengesteld uit su, en bônda, Skr. soebandha, wel verzekerd, goed gebonden].

sabar : [Ar. shabr], K.N. geduld, langmoedigheid, zachtmoedigheid; geduldig, langmoedig, zachtmoedig; bedaard, zacht, gedwee [Sd.Ml.id.]. -nyanyari, geduldig verdragen. -nyabarake, bedaren, tot bedaren brengen, tot geduld vermanen. -sabaran, geduldig, bedaard; geduld, bedaardheid.

sêbar : K.N.; nyêbar of nêbar, strooijen, uitstrooijen, uitbreiden, verspreiden. nyêbar winih, zaaijen. -nyêbari, bestrooijen, een grond bezaaijen. -sumêbar, verspreid zijn, verspreid liggen. -pating salêbar, naar alle kanten, overal verspreid liggen, verstrooid zijn.

subur : K.N. een boom, die weelderig groeit; een kind, dat zich voorspoedig ontwikkelt; ook eign. van een vrouw in de Manik-måjå.

--- 375 ---

sabara : Kw. een getal van tien Wéndrå's: honderd millioen [= 100000000, van bara].

sobrah : benaming van eenige aan een draad geregene bloemen, die aan het kapsel van een bruid hangen.

sêbrak : K.N.; nyêbrak, aan iets trekken om het te scheuren.

sabrèt : K.N. een scheur [vrg. bêrèd].

sêbrot : K.N.; nyêbrot, met geweld iets wegnemen, afzetten. -kasêbrotan, met geweld ontnomen, afgezet worden; afzetting.

subrata : zamengesteld uit su, en brata, -subratawati, eign. van een dochter van Kresna.

sabrang : K.N. overvaart over een rivier of over zee; overkant, overzijde, overwal, de tegenoverliggende oever; over zee [Sd.Ml.id.]. wong sabrang of wong têka sabrang, N., tiyang sabrang, of tiyang saking sabrang, K., iemand van overzee. Zoo worden door de Javanen alle Europeanen, Mooren, Chinezen enz. genoemd. dhatêng sabrang, naar overzee, b.v. gebannen worden. -nyabrang, ook nabrang, overvaren; waden, doorwaden. -nyabrangi, naar de overzijde oversteken. -nyabrangake, N., -kên, K., naar den overkant, over zee brengen. -sabrangan, het land, dat zich aan de overzijde van een rivier of van de zee bevindt; een wadde. -panyabrang, overtogt.

sêbrung : K.N. een snelle vlugt door de lucht; snel door de lucht strijken. -sumêbrung, zich snel wegbegeven.

subrôngta : zamengesteld uit su, en brôngta.

sabak : K.N. lei, tafel.

sabuk : K.N. [paningsêt, K.h.] buikband, van linnen of zijde, bukgordel, sjerp [Ml.id.]. sabuk tali, sabuk tampar, sabuk lumpang, sabuk alu, sabuk bangêt, sabuk giwang, eigennamen van verschillende krijgshoofden. sabuk intên, benaming van een soort van buikgordel; ook van een bijzonder fatsoen van krissen.

sabda : K.h. gezegde, woord; godspraak [= pangucap en pangandika, Ml.id.; SKr. sjabda, geluid, klank, woord]. -nabda, zeggen, spreken [= angandika]. -panabda, taal, spraak; spreker [= pangandika].

sêbda : en nêbda, z.v.a. sabda en nabda.

sabat : [Ar. shahaabat], K.N. leerling van een priester [vrg. sakhabat]. -nyabat, leerling van een priester zijn.

sabêt : I.K. [pêdhang, N.] de kling van een zwaard; een zwaard, sabel, degen; de slag van een zweep. -nyabêt, met een sabel of een zweep, of iets dergelijks, slaan. -nyabêtake, N., -kên, K., met iets op of tegen iets slaan, met iets naar iets slingeren. II. K.N.; nyabêt, geheel uitrusten, van alles voorzien.

sabit : Ar. klaar, helder [waarschijnlijk het Ar. tsaabit], vast, wat vast staat].

sêbit : K.N. gescheurd, zoo als b.v. papier, verscheurd, afgescheurd. -nyêbit, scheuren, afscheuren, verscheuren. sinêbit-sêbit. geheel in stukken gescheurd, geheel verscheurd.

sêbut : I. K.N. luiden, van een naam; geroep, wat zich laat hooren, mare, gerucht [Ml.id.]. -nyêbut, ook nêbut, noemen, vermelden,

--- 376 ---

aanroepen, b.v. Gods naam. kasêbut, vermeld; bevat in iets, wat iets behelst. -nyêbutake, N., -kên, K., melding van iets maken, vermelden. -pasêbutan, benaming. II. K.N. leelijk, bleek. asêbut, verbleeken. III. Kw.; nêbut, om zich heen slaan. -sêbat-sêbut, aanhoudend om zich heen slaan.

sèbêt : en sèbêtan, K.N. onmiddellijk, zonder uitstel, daarna.

sobat : [Ar. Ml. shuhbat], vriend. -prasobat, K.N. vriend. -prasobatan, vriendschap.

sabêt sapon : K.N. binnen den omtrek, binnen de grenzen van een plaats; een erf [volgens sommigen van sabêt = sawêt, en sapu].

subasita : Kw. bescheindenheid, beleefdheid, eerbied [Het wordt verklaard door duga prayoga, en ngèlmu adat, Skr. soebhâsita, wel gesproken; welsprekend; welsprekendheid].

subasiti : Kw. een schijn of glans in het water [misschien zamengesteld uit Skr. sjoebha, schijnend, schijn, en sjiti, wit].

sab-sab : Kw. 1. wil, begeerte, verlangen [= karêp]; 2. vrouweroof; vrouwedief.

sèb-sèbên : K.N. zeer spoedig verzadigd zijn.

sêbawa : Kw. geluid, stem, gedruisch, luidruchtige vrolijkheid; zich laten hooren, zich laten verluiden. -nyêbawa, geluid maken, spreken.

sabil : [Ar.sabiil], weg.fii sabiilillaah], in den weg van God, d.w.z. voor het geloof of ter eere Gods. prang sabil, heilige strijd, oorlog voor de godsdienst, godsdienst-oorlog [Ml.id.]. Van hier ook enkel sabil, strijd. -nyabili, bestrijden, bekampen, wederstaan.

sêbal : K.N.; nyêbal, uitwijken, plaats maken.

sêbêl : K.N. teleurgesteld; teleurstelling [vrg. subal, II.].

sêbul : K.N. [= angin saking cangkêm]; nyêbul, met den mond blazen. -nyêbulake, N., -kên, K., toeblazen.

subal : K.N. I. het schoonmaken van een rijstblok. II. vervalscht; teleurgesteld [vrg. sêbêl].

sêblak : K.N. met iets dat buigzaam is, slaan. -nyêblaki, iemand daarmede slaan. -sumêblak, een klappend geluid geven.

suba manggala : Kw. 1. regen met hitte gepaard; 2. muziekinstrumenten, waarop geslagen wordt [= têtabuhan].

sabab : ook bij verbastering sawab, K.N. oorzaak, reden; omdat, dewijl; want [Sd. sabab, en gew. sawab, ind., [Ar. Ml. sabab]]. sabab apa, of sabab dening apa, N., sabab punapa of sabab dening punapa, K., om wat reden? waarom? mungguh sababe, wat betreft de reden er van; aangezien. mawi sabab, met reden, gegrond. botên mawi sabab, zonder reden, sabab dene, de oorzaak dat.

sotho : K.N.; nyotho, met de knokkels

--- 377 ---

of gebalde vuist stooten of slaan [vrg. thothok].

sithok : K.N. één.

suthik : K.N. afkeerig, onwillig, ongenegen [vrg. suthing]. suthik-suthik, zeer ongenegen zijn. suthik têtakon, ongenegen zijn om te vragen.

sothil : K.N. tegenspoed. -sothal-sathil, arm, behoeftig.

sithip : K.N. vuiligheid aan de oogleden.

suthup : K.N. dikke oogleden.

sathithik : N. een weinig, gering, een kleinigheid [zie thithik].

suthang : K.N. het achterste beentje van een sprinkhaantje.

suthing : N. weigeren, niet willen [vrg. suthik].

sèthèng : K.N.; nyèthèng, ieder een halve duit.

sang : K.N. titel van een godheid of doorluchtig persoon; gew. als voorzetsel voor benamingen en titels van goden of doorluchtige en heilige personen; b.v. Sang Hyang Guru, God Goeroe. Sang Hyang Mahaluhur, God- de Allerhoogste. sang nata of sang aji, de Vorst. sang pangeran, de Prins. sang putri, de Prinses. sang tapa, de heilige kluizenaar. sang anom, een ongetrouwd jongeling van aanzienlijke ouders [= radèn putra].

sing : N. [kang, K.N., ingkang, K.] betrekkelijk voornaamwoord: welke, hetwelk; die, dat; degeen die, hetgeen [over het spraakgebruik zie bij kang].

sung : gewoonlijk asung, Kw. geven [= awèh]. sinung, l.v. -ngasung, hetzelfde. -ngasungi = ngawèhi, sinungan, l.v. [= kaparingan]. -nyinungi, iemand iets geven, schenken. -nyinungakên, iets overgeven, overhandigen, b.v. een brief aan een bode. -pasungsung of pisungsung, K.N. gift, geschenk, offerande. -sungsung, zie beneden.

sèng : Kw. aanbod, aanspraak. -asèngsèng, of sèngi, aanspreken [sèngi, zal wel moeten zijn ngêsèngi].

song : of êsong, K.N. gat of hol in den grond langs oevers of steilten. -ngêsong, een gat of gaten hebben; uithollen.

sanga : (ook wel songa, geschreven) K.N. negen. sangalas, negentien. sangalikur, negen en twintig. sangang puluh, N., sangang dasa, K., negentig. sangang atus, negen honderd. sangang rupiyah, negen Gulden. -nyanga, ook nanga (ook wel nonga, geschreven) elk negen.

sangi : K.N. belofte, toezegging. sasangi, belofte, gelofte; belofte doen. -nyangèni, iemand iets beloven. -sasangèn, elkander beloven.

sangu : K.N. leeftogt, teerkost op reis, reisgeld; ook meer bepaald sangu dhuwit, reisgeld. -nyangoni en nangoni, iemand teerkost op reis of reisgeld mede geven. nyangoni salam, iemand een goede reis wenschen. -sangon of pasangon, hetgeen men als teerkost op reis medeneemt, teerkost, reisgeld.

singa : of singa, I. K.N. ieder, elk [Het is eig. de bevelende wijs van sing, en moet dus eig. singa, geschreven worden]. singa wong, iedereen. singa-singa, alwie, wie ook. sisingan, Kw. een van beiden, deze of gene. II. zie singha.

singi : K.N.; nyingi, in een vorm gieten. tukang nyingi [nyi...]

--- 378 ---

[...ngi] kuningan, een geelgieter. -singèn, gietwerk, gegoten; b.v. ali-ali singèn, een gegoten vingerring.

sunga : of songa, Kw. en K.N. zijde, zijden stof.

sungu : N., singat, K., hoorn van een beest. sungu mênjangan, N., singat sangsam, K., hartshoorn. asungu, N., asingat, K., horens hebben, van horens voorzien zijn, horens dragen. -nyungu, N., nyingat, K., met de horens stooten.

songa : 1. zie sanga, 2. zie sunga.

singha : singa of singa, K.N. leeuw; Kw. magt, sterke [= macan en kuwat, Sd.Ml.id.; Skr. singha, leeuw; in zamenstellingen uitstekend]. singha barwang, naam van een onbekend wild, waarschijnlijk tot het geslacht der leeuwen behoorende. singa nagara, K.N. scherpregter, beul. [= kêpala tiyang tukang ngisas]. -raja singa, zie raja.

sêngoh : K.N.; nyêngoh, zich vertoonen.

sangan : K.N. een pan waarin gebakken wordt, rooster.

sangon : zie sangu.

sangar : K.N. onheil, ongeluk; onheilspellend, iets dat onheil of ongeluk aanbrengt. dina sangar, een ongelukkige dag. sangaring wulan, ongelukkige dag in een maand: waarvoor gehouden wordt de Zaturdag en Zondag in de maanden Soerå, Sapar en Besar; de Maandag en Dingsdag in de maanden Moeloed, Rabingoelakir en Djoemadilawal; de Woensdag en Donderdag in de maanden Djoemadilakir en Redjeb; en de Vrijdag in de maanden Ramelan, Sawal en Doelkangidah. sangaring taun, de ongelukkige dag van het jaar: waarvoor gehouden wordt de eerste dag van de maand Soerå. -nyangar, iets doen waardoor men zich ongelukkig maakt, iets op een ongelukkigen dag verrigten. -nyangarake, N., -kên, K., een ongeluk te weeg brengen, ongelukkig maken.

sangir : K.N. muf, dompig.

sêngêr : K.N. driftig, kwaad, boos zijn [vrg. sêrêng]. -nyêngêri, iemand berispen, beknorren. -sumêngêrên, van schrik verstijven.

sêngir : z.v.a. sangir.

sêngèr : K.N. het geluid of de stem van een hertebeest. -nyêngèr, het geluid van een hertebeest nabootsen; op een beleefde vraag een lomp antwoord geven.

singêr : K.N. vreesverwekkend, schrikbarend, vreeslijk, verschrikkelijk [= adamêl ajrih ingkang ningali].

singir : K.N. verzen, gezang, lied, liedje, deuntje [Ar. syi'r, verzen, poëzie; Ml.id.]. adamêl singir, verzen maken.

sungar : K.N. wil, verlangen; last, bevel.

sangara : K.N. vloek; eed; ook naam van een Windoe [Het wordt verklaard door botên karsa malih-malih, Skr. sanghâra, verdelging, verwoesting; verwoesting der wereld; een afdeeling van de hel; beperking, onderdrukking; enz.]. anibakakên sêngara, den vloek over iemand uitspreken. -nyêngarakakên, vervloeken, uitschelden.

sêngka : K.N.; nyêngka, hooger opgaan; verhoogen,

--- 379 ---

opslaan, den prijs hooger stellen; tegen een meerderen opstaan. -sumêngka, zich in de hoogte begeven, opstijgen, zich verheffen; van geringe afkomst zijnde tot hooge waardigheden opklimmen [= manginggil en minggah]. -nyêngkakake, N., -kên, K., iemand tot hoogeren rang of stand verheffen. -sêngkan, hoogte, steilte; steiger; ook eign. van een persoon in de Manik-måjå.

sôngka : I. K.N. zie saka, II. II. Kwische benaming van de Gong [Skr. sjangkha].

sêngak : K.N. een onaangename gewaarwording verwekken.

sangkuh : K.N. bajonet van een geweer of blaasroer.

sangkin : Kw. vermeerderen, toenemen.

sungkan : K.N. ongenegen, onwillig; lui vadsig. sungkanan, onwilligheid, vadsigheid; sammelen.

sangkêr : Kw. een wet of plaats, die niet overschreden mag worden [= larangan, Vrg. angkêr].

sêngkêr : K.N. afgesloten, omheind [Ml. sangkar, een hok of kooi]. -nyêngkêr, afsluiten, afzonderen, omheinen; ongenaakbaar maken; als heilig bewaren. -nyêngkêri, een plaats afsluiten. -sêngkêran, wat afgesloten of omheind is; een afgezonderde, omheinde plaats; een harem; wat als heilig bewaard wordt; K. [kurungan, N.] een koi, vogelkooi, vogelvlugt.

singkir : I. K.N. zijdelings, op zijde. -nyingkiri, K.N. of N. [nyinggahi, K.N. of K.] op zijde gaan, iemand uit den weg gaan; mijden, vermijden, ontwijken. -sumingkir, ontwijken, uitwijken, uit den weg gaan. -nyingkirake, N., -kên, K., iets uit den weg ruimen. II. zie sikir.

singkur : K.N.; nyingkur, naar achteren schuiven. -nyingkurake, N., -kên, K., iemand den rug toedraaijen.

sangkara : Kw. I. wild, woest; kwaad; toornig; een wild varken, everzwijn [vrg. sukara, Skr. sjângkara, een stier]. II. de zon [Skr. sjangkara, heilaanbrengend; ook een naam van Siwa]. III. bedreven, bekwaam, kundig.

sêngkara : Kw. onmogelijk; onmogelijkheid.

sangkrah : K.N. vuiligheid; iets, dat men op een weg, vóór een deur of ergens ander plaatst, om den doorgang te beletten, zoo als bamboetakjes of doornstruiken; een onbegaanbare weg; een ongenaakbare plaats. -nyangkrahi, een weg of plaats ontoegankelijk maken door er vuiligheden op te werpen.

sêngkrang : K.N. kittelachtig.

songkok : K.N. een soort van Javaansche muts of hoed zonder rand, gewoonlijk van fluweel, behoorende tot de oorlogskleeding der Javanen. asongkok, een Songkok dragen.

sêngkud : of sêngkut, K.N. gretig, met lust; driftig; vol moed; gretigheid. -sumêngkut, met drift iets verrigten; moedig, dapper [= anêrajang].

songkèt : K.N. met goud of bloemen doorweven, gekeperd. -nyongkèt, een met goud doorwevene of gekeperde stof vervaardigen, [vervaardi...]

--- 380 ---

[...gen,] borduren. -songketan, goudlaken, een gekeperde stof, damast; borduursel.

sungkawa : Kw. droefheid, hartzeer, kommer [= susah ing galih].

sangkal : K.N. het hecht van een bijl. sangkal putung, naam van een genezende olie. -nyangkal, naar een Sangkal gelijken.

singkal : K.N. het schuinsche hout boven het ploegkouter, dat dient om de aarde uit de voren op zijde te werpen. sasingkal, een trek met den ploeg. -singkalan, vore, het spoor van een ploeg.

sangkala : K.N. hetgeen tot den tijd betrekking heeft; tijdrekening, jaartelling [Skr. sangkala, optelling]. côndrasangkala, uitdrukking van een jaartal door zekere daartoe gebruikelijke woorden.

sêngkala : Kw. ongeluk, ramp [= bilai]. -nyêngkala, ongelukkig zijn. kasêngkala, door een ongeluk getroffen. -nyêngkalani, iemand in een ongeluk storten.

sêngkali : Kw. keten, ketting.

sèngklèh : K.N. gebroken.

sangkêlat : of sakêlat, laken, lakensche stof [Sd.Ml. sakêlat, Pers. saqaralaat], scharlaken, laken]; ook benaming van een fatsoen van krissen. sangkêlat abang, N., sangkêlat abrit, K., scharlaken.

sangkêp : Kw. z.v.a. jangkêp [= botên wontên ingkang kirang].

sêngkoyang-sêngkoyong : K.N. waggelen.

sungkêm : K.N. het hoofd buigen, diep bukken. sêmbah sungkêm, diepe eerbiedbetuiging. -sumungkêm, diep buigen, voor iemand bukken, zich aan iemand onderwerpen. -nyungkêmi, ook nungkêmi, voor iemand diep bukken, ter betooning van diepen eerbied zich met het aangezigt op de voeten van iemand nederbuigen. -nyungkêmake, N., -kên, K., doen bukken; neêrbuigen, neêrhalen.

singkab : K.N. de plaats beneden het schouderblad. lara singkab, N., sakit singkab, K., zijdewee. -nyingkab, open slaan, open doen.

sangking : zie saka, II.

sêngkang : K. [suwêng, N.] oorsieraad, oorring, oorkrab. -nyêngkangi, een Sengkang in het oor doen. -sêngkangan, oorkrabben dragen.

singid : K.N.; nyingid, verbergen, geheim houden. -singidan, zich verbergen; een verborgene plaats; heimelijk [= andhêlik en umpêtan]. -pasingidan, schuilplaats.

sêngadi : Kw. voorgeven, veinzen [Het wordt verklaard door gadhah paturan ingkang mokal].

sêngidap : Kw. de zon.

sangat : of saat, [Ar. saa'at], een tijd, een wijl tijds, een uur [Ml.id.]. Bepaaldelijk worden door de Javanen zoo genoemd de vijf tijdvakken, Achmad, Djåbåraïl, Ibrahim, Joesoep en Ngidjraïl, waaring een etmaal verdeeld wordt, en die beurtelings afwisselen, zoodat indien de ééne dag met Achmad begint, de volgende met Djåbåraïl aanvangt; met die bepaling echter, dat de eerste dag van de maand altijd met Achmad aanvangt. Aan deze vijf tijdvakken worden verschillende gunstige of ongunstige eigenschappen toegeschreven, die bij

--- 381 ---

het voltrekken van een huwelijk in acht genomen of vermeden worden.

sangêt : K. [bangêt, N.] zeer, uitermate, ongemeen, buitengemeen; hevig, fel, geducht, vurig; hevigheid, enz. [Ml.id.; misschien van angêt, warm, met het voorzetsel sa]. -nyangêt, met ijver iets verrigten. sinangêt, lijd. vorm. -nyangêtakên, verergeren, verslimmeren, doen vermeerderen, heviger maken.

sêngit : K.N. haat, afkeer; haten, verfoeijen. sêngit manjing, wrok. -nyêngit, haten. nyênyêngit, hatelijk, onbevallig. -nyêngiti, iemand haten.

singat : zie sungu.

singit : K.N. ontzaggelijk, ontzagwekkend; een plaats, die door het bijgeloof voor gevaarlijk gehouden wordt [vrg. wingit].

sungut : K.N. voelhoorn [Sd. mond, smoel; Ml. mompelen, brommen, knorren].

sungsun : zie susun.

singasana : Kw. een vorstelijke zetel, zitplaats [= amparan, Ml.id.; Skr. singhâsana, een troon; zamengesteld uit singha en âsana: zie bij singha en sana].

sangsara : Kw. en K.N. smart, verdriet, ramp, ellende; krank [= kewuhan en papa, Sd.Ml. marteling, pijniging, foltering, kwelling, neteligheid, lijden]. -kasangsara, ellendig, rampzalig.

singsara : z.v.a. sangsara.

singasari : naam van een distrikt op Java; ook eign. van een Prins.

singsêt : K.N. stijf vastgebonden, gespanne, vast om het lijf gesloten; rank; een welgemaakt lichaam. -ningsêti, vast aanhalen, zamentrekken, sterk binden, doen aansluiten. -paningsêt, K.h. [sabuk, K.N.] buikband, gordel; K.N. huwelijksonderpand: een geschenk, gewoonlijk in een ring en eenige kleedjes bestaande, dat door den vader van den jongeling aan den vader van het meisje gezonden wordt als pand van wederzijdsche verloving. -maningsêti, de Paningset zenden.

singsot : K.N. met den mond fluiten.

singsal : K.N. afgescheurd, van groote voorwerpen, zoo als van takken van boomen; afprellen, tegenstuiten, neêrvallen. -ningsal, afscheuren. kasingsal, afgescheurd worden. -ningsalake, N., -kên, K., doen afprellen.

sangsya : Kw. z.v.a. sangsaya.

sangsaya : I. K.N. moeijelijkheid, bezwaar, nood; droefheid, kommer, verdriet; bedroefd [Skr. sangsjaja, twijfel, onzekerheid]. -kasangsaya, moeijelikheid, nood, armoede. II. zie saya.

singsaya : en kasingsaya, z.v.a. sangsara, en kasangsara.

sangsam : K. [mênjangan, N.] hert, hertebeest. sangsam jalêr, een reebok. sangsam èstri, een ree, een hinde.

sêngsêm : zie sêm.

singsim : Kw. een ring aan den vinger, vingerring [= ali-ali].

sungsum : K.N. het merg in de beenen; kracht, sterkte.

sangsang : K.N. neêrhangen, afhangen. sumangsang neêrhangende. [neêr...]

--- 382 ---

[...hangende.] -nangsang, neêrhangen, overhellen. -kasangsang, met de voeten in iets vast of verward raken; door iets gestuit of verhinderd worden. -nangsangi, iets neêr doen hangen; een halsketen omdoen [zie sangsangan, K.h.]. sinangsangan, van een halsketen voorzien z

sêngsêng : K.N. een akelig geluid, dat des nachts gehoord wordt, en waarvan men niet weet, waardoor het veroorzaakt wordt.

sungsang : K.N.; nungsang, onderste boven keeren. kasungsang of sinungsang, onderste boven gekeerd.

sungsung : K.N.; nungsung, tegen iets op, b.v. tegen den stroom op, gaan; een meerdere iets geven of vragen [= mapag]. nungsang warti, van een meerdere berigt vragen. nungsung angin, tegenwind. -sumungsung, tegen opgaan, in de hoogte gaan. -nungsungi, een meerdere iets geven. -pasungsung, en pisungsung, zie sung, -panungsung gulu, zie beneden.

sèngsèng : zie sèng.

songsong : K. [payung, N.] een zonne- of regenscherm. -asongsong ijêm, een groene Pajoeng hebben. -nongsongi, iemand een zonne- of regenscherm boven het hoofd houden. kasongsongan, onder een zonne- of regenscherm gaan, daarmede bedekt worden. -masongsong, beschermen, bedekken.

sanga-sanga : of songa-songa, eign. van een zoon van Setyaki.

songa-songa : zie sanga-sanga.

sêngol : K.N. bitsch; norsch in het spreken [vrg. songol].

sungil : K.N. onbegaanbaar, ontoegankelijk, van bosschen en bergen; een onbegaanbare weg [= pakewuh].

songol : K.N. barsch, lomp; onbeleefd; onbeleefdheid [vrg. sêngol].

sunglon : K.N. mond, uitwatering van een rivier.

singlonan : K.N. een geheim van iets maken, iets geheim houden, in het geheim iets doen.

sanglir : z.v.a. salir, zie lir.

sanglir : K.N. het scrotum [= konthol kang gêdhe sisih].

singlar : K.N. loochenen, ontkennen. -nyinglari, iets loochenen, ontkennen.

sangalas : zie sanga.

sangling : K.N. een werktuig, waarmede het goud gepolijst wordt. -nyangling, polijsten, bruineren, glad maken [Sd.id.].

sungapan : K.N. de mond van een rivier; duin.

sêngaja : Kw. gelasten, bevelen [= anjurungake].

sanggi : zie sôngga.

sungga : Kw.; sungga-sungga, iemand eerbiedig ontvangen [nora kakurangan gone awèh kamuktèn].

sunggi : K.N.; nyunggi, iets op het hoofd dragen. -sunggèn of susunggèn, iets, dat op het hoofd gedragen wordt.

sôngga : N., sanggi, K.; nyôngga, ook nôngga, N., nyanggi, ook nanggi, K., iets op de vlakke

--- 383 ---

hand dragen; verdragen; staven; praesteren, opbrengen, leveren. -sanggan of sasanggan, N., sasanggèn, K., iets, dat op de vlakke hand gedragen wordt; opbrengst. Zoo worden ook de giften genoemd, die door de ouders van bruid en bruidegom bij de voltrekking van het huwelijk aan den priester en zijn getuigen gegeven worden. -Zamenstellingen met sôngga, zie beneden. -sumôngga, zie boven.

sêngguh : K.N.; nyêngguh, 1. vernieuwen, verfraaijen; 2. gelooven, het er voor houden.

singgah : I. Kw. moedig, dapper; een dapper voorkomen. -sisinggah, zie boven. II. K.N. [= singkir, en rawat]; nyinggah, een anderen weg kiezen. -nyinggahi, K.N. of K. [nyingkiri, K.N. of N.] voor iemand uit den weg gaan; wijken, ontwijken, mijden, vermijden. -nyinggahake, N., -kên, K., iets uit den weg leggen of zetten; bergen, bewaren. -suminggah, ontwijken, ontgaan [= anyingkiri].

singgih : I. K.N. een ambt, post; aanzien, eer [= kalungguhan en luhur]. -kasinggihan, rang, stand, waardigheid, titel, eerepost, hoogheid. II. Zamensmelting van sainggih, K., overeenkomstig de waarheid, wezenlijk [= têmên]. -kasinggihan, K.h. [bênêr en kabênêran, N., lêrês en kalêrêsan, K.] juist, regt, natuurlijk; juistheid, waarheid.

singgun : Kw. onoplettend. -suminggun, zich dom houden [= api-api norana sumurup].

sênggani : Kw. stemmen, die elkander antwoorden; tegenoverstellen, vergelijken [Het wordt verklaard door manis en arum].

sanggar : Kw. bidplaats, tempel, kapel. sanggar pamujan, bidkapel.

sunggar : K.N.; nyunggar, den grond omspitten.

sênggara : K.N. [Skr. sanggara, belofte, toezegging]; nyênggara, vleijen, zoete woorden geven. nyênggara sami, een tijger vleijen, d.i. dwingen, noodzaken. -nyênggarani, iemand zoete woorden geven.

sanggrah : I. K.N.; nyanggrahi, een plaats omheinen. II. zie sanggrak.

sênggoran : K.N. in den slaap ronken.

sanggrak : of sanggrah, K.N. een instrument, waarmede men aderlaat. -nyanggrak of nyanggrah, aderlaten [Ml. sanggrah]].

sênggruk : K.N. snuif, snuiftabak. -wadhah sênggruk, snuifdoos. sênggruk-sênggruk, herhaaldelijk snuiven, snikken, nokken. -pating salênggruk, algemeen, overal snikken, velen die nokken. -nyalênggruk, snikken, nokken.

sênggrok : K.N. knorren, brommen, grommen. -sêmênggrok, grommen.

sônggarunggi : K.N. argwaan, achterdocht hebben, wantrouwen; argwaan, achterdocht; aarzelen, twijfelen; vooroordeel; beschroomd; verdacht; nijd, afgunst [= walangati, zamengesteld uit sôngga en runggi, vrg. rungga]. -nyônggarunggèni, iemand wantrouwen, verdenken.

sênggak : K.N. het uitschreeuwen van vrolijkheid; iemand toeroepen [Sd. juichen; triomfgeschrei].

--- 384 ---

sênggag-sênggag, aanhoudend vrolijk zijn; herhaaldelijk iemand toeroepen. -nyênggaki, onder het spelen van de Gamellan deuntjes zingen.

sanggikrami : zie sônggakrama.

sônggakrama : [zamengesteld uit sôngga en krama] N., sanggikrami, K.; nyônggakrama, N., nyanggikrami, K., met beleefdheid iemand afwijzen.

sênggut : K.N.; nyênggut, uit den grond trekken. -nyêngguti, een beest, dat zijn voedsel uit den grond trekt; grazen.

singgat : K.N. worm, made. -singgatên, vol wormen, van wormen doorknaagd.

singgêt : K.N. schuw, schuchteren; schuwen. -nyinggêti, afsluiten. -singgêtan, beschutting, omheining.

senggot : K.N. een wip; de hengel van een put.

sôngga siti : zie sôngga wêdhi.

sôngga wêdhi : N., sôngga siti, K., stijgbeugel [Sd. sanggawêdhi, id.; zamengesteld uit sôngga en wêdhi, en siti].

singgul : naam van een zalf. -nyingguli, daarmede zalven.

senggol : K.N. steun, stut. -nyenggol, aanraken. senggolan, tegen elkander steunen, aanleunen; aanraking, botsing.

singgêla : naam van een land.

sônggalangit : naam van een bloem; ook eign. van een hoofd.

sanggup : N., sanggêm, K., op zich nemen iets te doen; ook opgeven iets gedaan te hebben; belofte, toezegging; opgaaf [sanggêm = saguh]. sumanggup, N., sumanggêm, K., op zich nemend, gereed om alles op zich te nemen; op zich nemen, beloven, toezeggen. -nyanggupi, N., nyanggêmi, K., op zich nemen om iets te doen, iets beloven. kasanggupan, N., kasanggêman, K., wat men op zich neemt, of genomen heeft.

sanggya : Kw. allen, gezamentlijk; en, met [= sadaya, samubarang, sapira-pira, karo en kalawan].

sanggêm : zie sanggup.

songgom : K.N. een bamboezen werktuig, waarop bij een begrafenis het wierookvat wordt gedragen, waaruit vóór het lijk wierook brandt.

sanggama : N., sanggami, K., de bijslaap [= sauwat, Skr. sânggama, vereeniging, ontmoeting]. -nyanggama, N., nyanggami, K., den bijslaap uitoefenen, bij een vrouw slapen.

sanggami : zie sanggama.

sênggang : K.h. [waras, N., saras, K.] genezen, hersteld; herstellen; gezond zijn. ragi wontên sênggangipun, hij is aan de betere hand. -kasênggangan, genezing, herstelling; gezondheid.

sungging : K.N. verw; naauwkeurig, naauwkeurig nagevolgd. nurun sungging, woordelijk overschrijven of vertalen. -nyungging, verwen, schilderen; naauwkeurig volgen, naschilderen, naschrijven. -sunggingan, een naauwkeurige afbeelding, kopij. -panyungging, een schilder.

singêb : K.h. [kêmul, K.N.] omhangsel, sprei, deken, mantel. asingêb, zich bedekken. -

--- 385 ---

nyingêbi, omhangen, toedekken, iets of iemand bedekken.

singub : K.N. somber, schaduwachtig, digt begroeid; een donker bosch; festoen [= aub en saput].

sungèb : [Ar. Syu'aib], eign. van den schoonvader van Mozes, volgens den Koran.

singa : zie singa, en singha.

sèngi : zie sèng.