Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

--- 459 ---

pa : I. verkorting van bapa, II. Kw. zijde; op zijde gaan [= pinggir].

pi : verkorting van api, en van sêpi, [= suwung].

pu : Kw. venijnig, vergiftig; vergift [= mandi, Vrg. êmpuh].

pe : of êpe, K.N.; ngêpe, in de zon droogen of luchten [Skr. pai, droogen, verdorren]. -Pepe, 1. zich in eigen persoon tot zijn hoofd of den vorst wenden, om regt of genade te erlangen; eigenlijk door, zoo als vroeger gebruikelijk was, in het wit gekleed op een eerbiedigen afstand in de zon te gaan staan of zitten, om zoo de aandacht van den vorst of het hoofd tot zich te trekken en gehoor te erlangen; 2. naam van een gewas. -Mepe of meme, in de zon droogen. -Mèpèkake, N., -kên, K., een zaak voor zijn hoofd of den vorst brengen, zijn eigen regt bepleiten. -Pangêpe, het droogen in de zoN.

pah : Kw. moeijelijkheid [= kangelan].

pih : K.N. zonder mededoogen straffen.

puh : zie poh.

pèh : Kw. schuld, fout [Het wordt verklaard door pasisingan].

poh : êpoh of puh, êpuh, I. K.N.; ngêpoh of ngêpuh, drukken, uitdrukken, persen, wringen; melken [zie ook apoh]. -Pohan, puhan of puwan (beter pohan of puhan) melk. II. Poh, verkorting van kêpoh.

pae : Kw. indien, bijaldien; N., paos, K., anders, verschillend [= kajaba]. Tan pae, N., tan paos, K., niet andersdan.

pèi : Chin., K.N. naam van een spel met Chinesche kaarten; dat spel spelen.

puhan : zie poh.

puhun : K.N. verbonden met wulu, het haar op den grooten teen.

pohan : zie poh.

puhara : zie puwara.

piharsa : zie piyarsa.

paeka : K.N. list; valschheid, veinzerij [= wisaya]. -Maeka, list tegen iemand gebruiken; veinzen, valsch zijn. -Maekani, zich van een list tegen iemand bedienen; iemand misleiden, in een hinderlage lokken. -Paekan, een list [Het wordt verklaard door amisaya].

paidu : zie paido.

paido : of paidu, N., paibên, K., wantrouwen, twijfel; betwisting, tegenspraak. -Maido of maidu, N., maibên, K., twijfelen, niet gelooven; betwisten, tegenspreken. -Pamaido, N., pamaibên, K., wantrouwen, twijfel; twijfelaar.

paedah : K.N. voordeel, nut; strekking [Ar. faidah] ; Ml.id.; Sd. paedhahna, id.].

paidon : zie idu.

pahat : Kw. inklemmen, insluiten [= ngapit].

--- 460 ---

pait : K.N. bitter [Ml.id.] pait gêtih, bitter bloed; een volwassen mensch.

paitan : ook pawitan, K.N. begin, oorsprong, oorzaak; inzet, kapitaal, hoofdsom; onkosten; steun, toeverlaat, iets waarop men vertrouwen stelt [van awit].

paès : K.N. een soort van smeersel tot versiering van het voorhoofd; geschilderd, geblanket [De grondvorm paès, ook pahyas, is in Kawi ing gebruik]. Apaès of apêpaès, zich het voorhoofd beschilderen, zich blanketten. -Maèsi of ngaèsi, een bruid of iemand het voorhoofd beschilderen, blanketten. -Maèsi of ngaèsi, een bruid of iemand het voorhoofd beschilderen, blanketten. Tukang maèsi, een kapper, kapster. -Paesan, kapspiegel [Het wordt verklaard door ambusanani rai]. -Pamaesan, hetzelfde.

paos : zie pae, panjang, pajêg en pajang.

paewan : zie paowan.

paowan : N., paewan, K., zinneloosheid, verstandsverbijstering, gekheid, waanzin: van owah, [paewan= edan].

piawon : zie ala.

poèl : K.N. een uitgevallen tand.

pahala : Kw. daad, werk [Ar. fa'lah] ].

paèlu : K.N. het zich inlaten, het zich bemoeijen, belangstelling. -Maèlu, zich inlaten, zich bemoeijen, zich aan iets laten gelegen zijn, belang stellen; navraag doen [vrg. mraduli].

paolèh : N. nut, voordeel; strekking [van olèh].

pailan : K.N. schaarsheid, duurte, gebrek aan levensmiddelen, hongersnood.

paolan : K.N. uitvlugt, voorwendsel, voorgeven.

pao-pao : Ch. een geldbeurs, geldzak.

pahyas : Kw. z.v.a. paès.

paham : K.N. zich iets herinneren, herkennen [Ar. faham], het verstaan, verstand].

paibên : zie paido.

pahang : naam van een Woekoe.

paing : naam van den tweeden dag der Pasar-week.

paung : Kw. een dwarsboom. -Kapaung, zie boven.

puhung : K.N.; muhung, slechts op één enkelen persoon of één zaak het oog hebben.

pan : verkorting van apan.

pun : I. zie si, I. II. verkorting van sampun [of misschien beter van êmpun, in Madyå].

pon : I. Kw. maar, echter. -Anapon, hetzelfde. -Pon-ponanane, N. integendeel, daarentegen. II. naam van den derden dag der Pasarweek.

pana : K.N. voorzegging, voorspelling; voorzeggen.

panu : K.N. witte vlekken op de huid.

pênuh : Kw. vol, gevuld; een menigte [= kêbak en ibêk, Ml.id.;Sd. pinuh]. -Mênuhi, vullen, volmaken [= angêbêki]. -Supênuh, zie boven.

pêni : Kw. droom [= supêna].

pina : Kw. kundig, bekwaam [= wicaksana].

pini : of pine, Kw. onderscheiden, uitgezonderd. -Kapini of kapine, onderscheiden, uitgezonderd worden. Bau kapini, (eig. bovenarm, [bo...]

--- 461 ---

[...venarm,] onderscheiden) den een de voorkeur geven boven den ander, den een meer dan den ander begunstigen; partijdigheid; partijdig.

pine : zie pini.

puna : Kw. vergaan, bedorven; verdwenen [= rusak, Skr. poêna, poênah, verloren, verwoest. Vrg. punah]. -Muna, veranderen.

pèni : Kw. zeldzaam, kostbaar; fraai, schoon. Pèni-pèni, kostbaarheden, schatten [= busana kang adi-adi].

panah : N. [jêmparing, K.] pijl, schicht [Sd.Ml. boog, schietboog]. Panah gêni, vuurpijl. -Manah, met een pijl schieten. -Manahake, met iets, als een pijl, schieten op iemand of iets. -Pamanah, iemand die met pijlen schiet, een boogschutter. -Panahan, met een ander of met elkander om het best met pijlen schieten. Pêpanahan, zie ook beneden.

punah : Kw. verdwenen, vergaan; afgedaan, beslist [= sirna, vrg. puna]. -Munah, verwoesten, vernietigen, verdelgen [= ngrusak]. -pamunah, verwoesting, verdelging [= pangrusak].

panaiban : K.N. een opbrengst of cijns aan de priesters, waarvan deze weêr een gedeelte aan den Mas Pangoeloe opbrengen [van naib, [Ar. naib], plaatswaarnemer, vertegenwoordiger. Pangulu naib, is een priester in een déså, die, tevens Chakim zijnde, de bevoegdheid heeft, om meisjes of vrouwen, die geen Wali hebben, in het huwelijk te verbinden].

panèn : zie êni.

panon : zie ton.

pênanangan : K.N. een rooster.

pênancang : zie cancang.

panandêr : zie sandêr.

paninisan : zie tis.

panacah : zie cacah.

panacadan : zie cacad.

pinarak : of pinarêk, K.h. [lungguh, N., lênggah, K.] zitten, zich zetten, zich nederzetten, gaan zitten [waarschijnlijk iegenlijk lijd. vorm van marak, zoodat het eigenlijk beteekent: door vrouwelijke bedienden opgewacht. Vrg. sineba, en siniwaka]. Ngaturi pinarak, iemand bij zich verzoeken, aan zijn huis noodigen. -Minaraki, op iets zitten of gaan zitten. -Pinarakan, zitplaats, stoel; ook bij een ander of bij elkander zitten.

pinarêk : z.v.a. pinarak.

panirat : zie sirat.

pênak : K.N. een portie gekookte rijst, waarvan de hoeveelheid niet wel te bepalen is.

pènèk : K.N.; mènèk, klauteren op iets, b.v. op een boom, klimmen, een boom beklimmen. -Mènèki, meervoud. -Pamènèk, het plaats hebben van mènèk. -Pamenekan, iets, b.v. een boom, dat beklommen wordt, waarbij men opklimt.

punika : zie ka, I.

puniki : zie ka, I.

puniku : zie ka, I.

panêkar : K.N. iemand, die een djoeng sawahveld bezit [of misschien beter: een aan een hoofd toegevoegde en ondergeschikte ambtenaar, zoo als de Mantri's van den Tumenggung; en dan waarschijnlijk afgeleid van sêkar].

--- 462 ---

panakikil : zie kikil.

panèkêt : zie sèkêt.

paniksa : zie siksa.

pênêd : K.N. [bêcik, N., sae, K.] schoon, fraai, bekoorlijk, deugdzaam, goed. -Mênêdi, verfraaijen; schikken, goed maken, in orde brengen. Kapênêdan, schoonheid, goedheid, deugdzaamheid, deugd. -Mênêdake, N., -kên, K., voor goed houden, als goed beschouwen of behandelen; goed doen, weldoen.

panadaran : K.N. iets dat men plegtig beloofd heeft, een gelofte: van nadar.

panêdya : zie sêdya.

pênêt : zie pênèt.

pênèt : of pênêt, K.N. drukking [Men zegt ook ênêt, hetgeen dus de grondvorm is. Vrg. ênyêt]. -Mênèt of mênêt, ook ngênêt, drukken, persen. -Mênêtake of ngênêtake, N., -kên, K., met iets drukken, iets op of tegen iets drukken; voor iemand drukken. -Pamênêt of pangênêt, drukking. -Palênêt, zie beneden.

pêniti : of pênitih, K.N. speld; pin, naald [Sd. Ml.id.; Port. alfinete of alfenete].

pênitih : zie pêniti.

panataran : Kw. een trap [van natar, I.].

pinituwa : zie kamituwa.

panas : K.N. warm, heet; warmte, hitte; drift, verbolgenheid [Het wordt ook verklaard door gêmpung. Sd.Ml.id.]. Pêpanas, zich aan hitte blootstellen, zich verwarmen. Tanah panas, heete, d.i. onvructhbare grond. Panas tis, K.N. [cêlêp, K.h.] (eig. heet en koud), de heete koorts. Lara pêpanas, N., sakit pêpanas, hetzelfde. Bocah panas, een ongelukskind, ongeluksvogel. Ratu panas, een vorst die ongelukkig regeert. Panas baran, driftig, oploopend. Panas baranan, drift, oploopendheid. Manah panas, zich onwel gevoelen. Panas ati, N., panas manah of panasing manah, K., panasing galih, K.h., driftig; nijdig, wangunstig, afgunstig; benijden. -Panastèn, voor panas atèn, K.N. nijd, wantgunst; wangunstig. -Manas of mêmanas, heet of warma maken; driftig maken. Manas barani, zich driftig maken. -Mêmanasi, heet, driftig makend, toorn verwekkend. -Kapanasên, van de hitte der zon te lijden hebben.

panastèn : zie bij panan.panas.

panastis : zie bij panas.

pinisêpuh : zie kamituwa.

panêsêpan : zie sêsêp.

panèwu : K.N. een benaming van Javaansche ambtenaren onder een kaliwon; eig. iemand die 1000 karjå's land onder zijn beheer heeft, van sèwu, duizend.

pêniwèn : benaming van een zeker fatsoen van krissen.

punêl : K.N. koud gemaakte rijst; stijfsel; iets dat kleverig is.

panêlat : Kw. bloemen in goud gegraveerd.

panalawe : zie salawe.

panêluan : zie têluh.

panolan : naam van een distrikt op Java.

panêlôngsa : zie nêlôngsa.

pênapi : Md. z.v.a. punapa.

--- 463 ---

panêpèn : zie sêpi.

panajung : zie jung.

paniyung : zie siyung.

panêmbah : zie sêmbah.

panêmbur : zie sêmbur.

punagi : Kw. gelofte [= jangji en prajangjean]. Apunagi, een gelofte doen.

panigang jung : zie jung.

panabda : zie sabda.

punang : zie ponang.

ponang : of punang, Kw. een voorzetsel, z.v.a. si of pun [= si].

pinôngka : K.N. afkomst, afstamming; oorsprong, begin [van sôngka, zie saka, II.]. -apinôngka en gew. minôngka, tot iets strekken, verstrekken, dienen; dienstig. -minangkani, iemand iets verstrekken; tot iets doen strekken, aan het oogmerk voldoen.

paningsêt : zie singsêt.

panci : K.N. vastgesteld, afgemeten, bepaald. -manci, bepalen, vaststellen; bestemeen, aan wijzen. -mancèni en mancèkake, N., -kên, K., iets vaststellen, bepalen, bestemmen. -pancèn, een vast, bepaald, aangewezen, toegekend deel; vast gebruik, vaste gewoonte; karakter, inborst, geaardheid.

pêncu : K.N. de punt of top van iets.

pônca : Kw. vijf [= lima of lalima, Skr. panca]. Pôncalikur, vijf en twintig. Pôncadriya, de vijf zinnen, zintuigen. Pôncasaka, de vijf nagels der vingeren van Wrekodårå [Skr. pancanakha, een dier met vijf teenen of klaauwen; een tijger; een olifant; een schildpad]. Pôncaniti, een verhevene plaats voor den ingang van het paleis van den vorst. Pôncakara, strijd, gevecht; vechten [= kêrêngan of kêkêrêngan]. Pôncadewa, een pees, die van het haar van Kåmåsalah gevlochten is. Pôncajanya, naam van het oorlogsbekken van Kresnå [bêndhe kagungan nata Krêsna, Skr. Pâncajanya, van Pancajana, eign. van een Démon, uit wiens beenderen dat bekken gemaakt was]. -mônca, tot vijf maken, in vijven verdeelen [Een ander, zie beneden].

pancèn : zie panci.

pancêr : I. K.N. de hoofdwortel van een boom; de stamvader van een beslacht; afstamming in de de regte lijN. -mancêr, regt maken. II. z.v.a. pancir.

pancir : K.N. de kleur van het gelaat.

pêncar : K.N. uitgebreid, verspreid; uitbreiding, verspreiding; zich uitbreiden. -mêncar, uitbreiden, verspreiden. -mêncarake, N., -kên, K., uitbreiding aan iets geven; doen voorttelen, aanfokken, aankweeken. -pêncaran, hetgeen uitgebreid is, hetgeen voortgeteeld is; een afgeleid woord. Pating palêncar, zich naar alle kanten uitbreiden.

pêncir : K.N. verplaatsen, verzetten, veranderen. -mênciri, vermengen, bijvoegen.

pencor : K.N. kromme beenen hebben; mank, kreupel gaan.

pancuran : zie mancur.

pancurat : K.N. weêrkaatsing van het licht van zon of maan; bruisching, uitbruisching; ontploffing. Pancurating sundawa, het ontploffen van

--- 464 ---

kruid. Mancurat, bruischen, uitbruischen, uitgudsen, uitstroomen; ontploffen.

pêncèrèt : K.N. straal; stralen, stralen schieten. -mêncèrèt, schitteren, glinsteren, glimmen, flikkeren.

pêncorong : zie corong.

pancaka : K.N. brandstapel [= panggènaning layon en pasetran, Het wordt ook verklaard door paprangan, Skr. van vijf; ook slagveld: vrg. pôncaka].

pôncaka : I. Kw. slagveld, oorlogstooneel [= paprangan, zie bij pancaka]. II. z.v.a. pancaka.

pancak suji : K.N. hekwerk [vrg. wancak suji].

pôncakumara : eign. van een zoon van Yudistirå.

pancad : K.N.; mancad, den voet ergens opzetten; den voet in den stijgbeugel zetten. -pancadan, trap; drempel; treê van een rijtuig.

pancêd : K.N.; mancêd, de naaste prijs bepalen.

pôncadrasa : Kw. van droefheid weenen [vrg. udrasa en mônca udrasa, weenen [= langkung susah sarta nanêdha].

pôncaditya : eign. van een zoon van Pòncåkumårå.

pêncit : K.N. de uiterste punt van iets, top. -mêncit, een top bestijgen.

poncot : K.N. zoom, rand, slip.

pancas : zie cas.

pôncawara : Kw. I. de melk in de borsten van een vrouw. -môncawara, de melk uit de borsten eener vrouw doen voortkomen. II. een sterke wind [= angin riwut, vrg. pôncawora].

pôncawura : zie pôncawora.

pôncawora : of pôncawura, Kw. het huilen van den wind [= angin kang awor udan, Vrg. pôncawara, II.]. -môncawura, huilen, of suizen, van den wind.

pôncawala : eign. van een zoon van Yudistirå.

pancal : K.N. witte poot, van beesten, b.v. van een paard. -mancal, loopende of vliegende iets met den voet stooten; den voet tegen iets aanzetten en terugstooten; van wal zetten, in zee gaan; een plaats verlaten.

pêncil : K.N.; mêncil, afgezonderd, afgezonderd gelegen, eenzaam. -kapêncil, afgezonderd geraakt; afgelegen; alleen, in de eenzaamheid.

poncol : K.N. een uitstekende hoek; ook naam van een plaats op Java. -moncol, boven- of vooruit steken.

panculatan : zie bij colot.

pôncalita : Kw. flikkeren, schitteren [= gêlap en gludhug, vrg. pacalita].

pôncabakah : Kw. strijd, oorlog.

pancing : K.N. vischhaak; hengel [Ml. hengelen]. walêsaning pancing, hengelroede. -mancing, hengelen. -pamancingan, een hengelplaats; ook naam van een plaats aan het zuider zeestrand van Java.

pincang : K.N. kreupel, mank; mank loopen, hinken [Sd.Ml.id.].

--- 465 ---

pèncèng : zie èncèng.

pencong : zie bij èncèng, -mencong, zie bij èncèng, ook met een péncong werken.

punuk : K.N. eelt, likdoren; bult [Ml. de bult van een kameel].

panakrama : K.N. hulde, eerbied; groete; het huwelijk [van krama]. -manakramakakên, uithuwelijken, laten trouwen.

panakawan : K.N. iemand die zonder loon te ontvangen, bij een heer in dienst is. -manakawan, zonder loon, als Pånå-kawan, dienen; zich aan een vrouw van hooger rang tot echtgenoot aanbieden.

punakawan : en munakawan, z.v.a. panakawan en manakawan.

pinda : Kw. voorbeeld.

pindi : K.N.; mindi, 1. op iets drukken, een deuk maken. 2. kapas hekelen, zuiveren, schoon maken; iets naauwkeurig nagaan, uitpluizen.

pundi : zie êndi.

pandah : Kw. verschil; onmogelijk [van andah, dat niet alleen schoon, maar ook verschil, verschillen (= beda), en nomogelijk (= mokal) beteekent]. -mandah, K.N. z.v.a. mendah, (zie pendah), doch minder gebruikelijk. -mandahan, Kw. onmogelijk.

pendah : Kw. gelijk, even als; gelijkenis, voorbeeld [Het wordt echter verklaard door pae en beda, en deze beteekenis wordt door de verklaring van tan pendah, bevestigd. Waarschijnlijk is het ontstaan uit piandah, van andah, zie bij pandah]. tan pendah, niet anders; zonder wedergade. -mendah, K.N. I. hoe veel meer? hoe veel grooter? 2. onmogelijk. -mendahana of mendahaneya, hetzelfde.

pandon : K.N. I. het vermogen om te zien, gezigt. II. gedachte, begeerte, verlangen.

pandurat : zie durat.

panduk : zie duk.

panduka : z.v.a. paduka, [Het wordt verklaard door kowe].

pêndul : K.N. opgezwollen; dikke, gezwollene oogen. mêndul, het opzwellen of uitpuilen der oogen.

pandulu : en pandulon, zie dulu.

pandêlar : z.v.a. kandêlar.

pandêlik : K.N.; mandêlik en pandêlikan, staroogen [vrg. dêlok].

pundêlik : z.v.a. pandêlik.

pandam : Kw. een lamp, licht [= damar].

pandum : zie dum.

pandoman : zie dom.

pandêng : K.N.; mandêng, naar iets zien, staren, turen, schouwen, beschouwen, aanstaren, aankijken, aanzien, aanschouwen [Ml. pandang], memandang], id.]. -mandêngake, N., -kên, K., de oogen naar iets rigten, op iets vestigen; iemand laten zien naar iets, laten aanzien. -pandêngan, de afstand zoo ver het gezigt reikt. -pamandêng, aanschouwing, beschouwing.

pandung : K. I. [maling, N.] een dief, die des nachts steelt. -mandung, des nachts stelen. -mandungi, iemand des nachts bestelen. kapandungan, des nachts bestolen worden; door diefstal bij nacht een verlies lijden. II. zie pangling.

--- 466 ---

pênding : K.N. een metalen buikgordel; een band om het lijf, waaraan een sabel gedragen wordt [Sd. Ml. gordelgesp].

panti : pantya en pante, Kw. zit- of ligplaats, huis, woning [= omah, misschien van anti].

pinta : I. K.N. verdeeling, afzondering [Het wordt verklaard door panci]. -minta, verdeelen; iemand een bepaalde taak opleggen; afzonderen, regelen, schikken. minta-minta, toewijzen; uitzonderen, sorteren. -pintan, afdeeling, gedeelte. pêpintaning môngsa, een tijdvak. pintan-pintan, elk afzonderlijk. II. Kw. = jaluk [Ml.id.; Sd. penta]; minta, verzoeken, vragen, bidden [= anjaluk]. -marminta, zie beneden.

pintu : [Ml. pintu of pintau], deur [Sd. panto].

puntu : K.N. gedraaid, getweernd, getwijnd. -muntu, een touw draaijen, tweernen, twijnen. -punton, getweernde stof, gekeperd linnen.

pantun : zie pari, III.

pantèn : verkorting van pangantèn.

pintan : zie pinta, I.

pintên : zie pari.

pintèn : eign. van een der tweelingzonen van Pandhu, die in zijn jeugd Nakulå genaamd was.

pinton : K.N. voorbeeld, staal, monster [waarschijnlijk voor piton, van ton]. -mintonake, N., -kên, K., vertoonen, laten zien. -mintokake, N., -kên, K., hetzelfde; ook een staaltje nemen van iets dat men koopen wil; een proef nemen.

punton : zie puntu.

pintêr : N. [ook bisa, N., sagêd, K.] knap, bekwaam, kundig, verstandig, bedreven [Sd. pintar of pintêr, verstandig, wijs, vernuftig, slim, vindingrijk, ervaren]. -kumintêr, zich knap, kundig of verstandig voordoen. -kapintêran, knapheid, verstand, bekwaamheid, kunde, wijsheid [Sd. vinding, vernuft].

puntir : zie muntir.

puntara : z.v.a. antara, -pantaran, K.N. te gelijk, gezamentlijk [Het wordt verklaard door sapêpadhane]; ook eign. van een plaats op Java.

pantèk : K.N. nagel, bout, groote spijker, kram. -mantèk, nagelen, vastnagelen.

Puntadewa : eign. van Yudhistirå in zijn jeugd.

pêntut : kapêntut, zie êntut.

panutan : zie anut, [Zoo leze men dáár in plaats van patutan].

pantês : zie patut.

punta wêkasing tunggal : naam een tooverformulier.

pêntil : K.N. een jonge, kleine vrucht [Sd.id.].

pantêlu : of pêntêlung, zie têlung.

pantya : Kw. zie panti.

panuwun : zie suhun.

panuli : K.N. penseel.

pon-ponane : zie pon.

pandhi : K.N.; mandhi, iets, b.v. een piek, in den arm houden [mandhi, Kw. zie beneden].

Pandhu : eign. van den tweeden zoon van Abiyåså, de vader der Pandåwås [Skr. Pândhu]. Pandhu Dewanata, bijnaam van Pandhu.

pandhe : K.N. smid, ijzersmid; werkman, kunstenaar; [kunste...]

--- 467 ---

[...naar;] Kw. daad, werk [= tukang wêsi, Ml.in eenige kunst ervaren of welbedreven, geleerd; Sd. pandhai, smid, ijzersmid; Skr. panda, verstand, kunde, wetenschap]. -mandhe, smeden. -kapandhean, de woning of de werkplaats van een smid, smidse.

pindha : K.N. gelijk, even als [= kaya en lir]. apindha, gelijk maken, gelijk zijn. -mindha, gelijken, nabootsen, een andere gedaante aannemen [amindha = atiru]. mindha-mindha, zich vermommen.

pindho : N. dubbel, tweemaal, voor den tweeden keer [zoo als het schijnt, van dho, III.]. -kapindho of ping pindho [kaping kalih, K.] de of het tweede; tweemaal; ten tweeden. kapindhone, ten tweeden. -mindho, verdubbelen, voor den tweeden keer doen, herhalen, hervatten. -mindhoni, verdubbelen. -pindhon, op nieuw gebatikd linnen.

pundhi : K.N.; mundhi, de handen op het hoofd houden, een wijze van eerbiedbetuiging; hoog vereeren. maha pinundhi, een bijnaam van Bathårå Guru. mundhi nawala dalêm, een brief van den vorst overbrengen. -pundhèn, pêpundhèn of papundhèn, voorwerp van hooge vereering. -pamundhi, het plaats hebben van mundhi.

pindhah : I. K. [doch weinig in gebruiK. pisan, K.N.] maal, keer. sapindhah, eenmaal, ooit; de eerste keer. sapindhah malih, nog eens, nogmaals, wederom, andermaal. ingkang kaping sapindhah, de of het eerste. botên pindhah-pindhah, nooit. II. K.N. zich afzonderen, van plaats veranderen, verhuizen; scheiding, afzondering, verhuizing [Sd.Ml.id. Vrg. ngalih]. -pêpindhahan, van een ander of van elkander scheiden of gescheiden zijn, van echtgenooten.

pandhan : K.N. naam van een soort van aloë of wilde ananas, die langs de wegen staat en tot omheining dient [Sd.Ml.id.]; ook naam van een berg. pandhan surat, een soort van Pandan, die welriekene bloemen draagt. Karangpandhan, naam van een plaats op Java.

pindhon : zie pindho.

pundhèn : zie pundhi.

pêndhak : K.N. de terugkeer van denzelfden tijd, de omloop van een bepaalden tijdkring; over; om. pêndhak dintandintên. punika, bij den terugkeer van dezen dag, d.i. heden over acht dagen. pêndhak Saptu, Zaturdag over acht dagen. besuk Rêbo pêndhake Rêbo ngarêp iki, tegen Woensdag, een week na aanstaanden Woensdag. pêndhak wolung dina, om de acht dagen. pêndhak sadasa dalu, om de tien nachten (d.i. dagen). pêndhak apa, om hoeveel tijd? -mêndhak, de ring onder om het gevest van een kris [vrg. uwêr]. mêndhak wulan, voor een overledene een offerande doen, een jaar na zijn overlijden. mêndhak kaping kalih, voor een overledene een offerande doen, elke acht jaar.

pêndhok : N. [kandêlan, K.] een krisschede. pêndhokan, een kris in de schede dragen; van een schede voorzien zijn.

pundhak : K.N. de schouder, het schouderblad

--- 468 ---

[Sd.Ml. schouder]. -mundhak, op de schouders dragen.

pèndhèk : K.N. laag, onder, beneden [van èndhèk, indien de beteekenis juist is. In het Maleisch beteekent dit woord kort, en deze beteekenis past beter voor de volgende spreekwijze]. pèndhèk asta, een gierigaard, vrek.

pondhok : [Ar. funduq], herberg, logement [Sd.Ml. hut]. -mondhok, K.N. logeren. -mondhoki, bij iemand logeren. -mondhokake, N., -kên, K., iemand laten logeren; iemand herbergen, iemand bij zich logeren. -pondhokan of pamondhokan, plaats waar men logeert, logis, herberg, verblijfplaats, logeerkamer.

pêndhêt : K.; mêndhêt [anjupuk, anjuput of anjukuk en amèk of amèt, N., mundhut, K.h.] nemen; afnemen, wegnemen; opnemen; aannemen, b.v. tot kind; halen. mêndhêt bojo, tot vrouw nemen, trouwen. mêndhêt ulam, visschen. tukang mêndhêt ulam, visscher. mêndhêt-mêndhêt manah, vleijen. -mêndhêti, meervoud. -mêndhêtakên, voor iemand iets nemen, wegnemen, of halen. -pêndhêtan, hetgeen genomen wordt; uittreksel; leenspreuk; de afgeleide beteekenis van een woord. -pamêndhêt, afneming, ontneming.

pundhat : K.N. aanzuivering eener schuld. -mundhati, het achterstallige van een schuld aanzuiveren.

pundhut : K.h. eisch, vordering. -mundhut, 1. [anjaluk, N., nêdha, K.] eischen, vorderen [Sd. verzoeken, bidden]; 2. [anjupuk en amèk, N., mêndhêt, K.] nemen; afnemen; aannemen, b.v. tot kind. mundhut garwa, tot gemalin nemen. -mundhuti, meervoud. -mundhutake of kên, voor iemand iets vragen of nemen. -pundhutan of pêpundhutan, eisch, het geeischte. -pamundhut, eisch, vordering.

pandhita : K.N. geleerde, leeraar, wijsgeer, geleerde priester [= kang tapa ing gunung, Sd.Ml.id.; Skr. pandhitå]; als Tj. SengK. zeven. -mandhita, Pandhitå worden of zijn, zich als Pandhitå gedragen. ratu pinandhita, een Pandhitå gewordene vorst. -kapandhitan, van een Pandhitå.

pandhawa : geslachtsnaam der vijf zonen van Pandhu [Skr. Pândhawa, van Pandhu, Pandhu]. Tj. SengK. vijf [= lima].

pandhapa : N., pandhapi, K., een van alle kanten opene gallerij of enkel op pilaren rustend gebouw vóór de woningen van Inlandsche grooten of Javaansche hoofden. -mandhapa, zich in een Pandhåpå bevinden of naar een Pandhåpå begeven.

pandhapi : zie pandhapa.

pêndhêm : K.N. begraafnis; een graf, eigen begraafplaats. baris pêndhêm, troepen, die in hinderlaag liggen. -mêndhêm, begraven, in den grond verbergen; in hinderlage leggen; [mêtak, K. of K.h. en nyarèkake, of kên, K.h.] een lijk of doode begraven. mêndhêm kawula, in schijn en met een bedrieglijk oogmerk bij iemand in dienst treden. pala kapêndhêm, aardvruchten. -pêndhêman, een verborgene

--- 469 ---

plaats, hinderlaag. -pamêndhêm, begraving, begraafnis.

pandhega : K.N. hoofd, aanvoerder.

pandhoga : K.N. een soort van wilde ananas.

pandhung : K.N. naam van een kleine ronde vrucht. pêpundhung, een heuveltje, een hoop aarde.

pondhong : K.N.; mondhong, op beide armen dragen of nemen; zijn bruid op de armen dragen, van een bruidegom: een plegtigheid bij het trouwen. -mondhongi, alles met zich voeren; met vrouw, kinderen en al zijn bezittingen verhuizen [= angusung].

panji : 1. benaming van een militairen rang of titel bij de oude Javanen. Radèn Panji, nog thans de titel van een afstammeling van den vorst, wanneer hij een militaire bediening bekleedt. -2. eign. van een om zijn schoonheid en ridderlijke avonturen beroemden vorst van Jenggålå. -panji-panji, K.N. een korte broek, die event tot aan de knieën reikt, en tot de oorlogskleeding behoort: zie calana.

ponjèn : K.N. een geldzak; een zak waarin de medicamentzakjes te zamen bewaard worden.

panjêr : K.N.; manjêr, opsteken, aansteken; op een paal of staak steken; op iets dat men gekocht heeft, terstond een gedeelte betalen. -panjêran, een lange steel, stoK. panjêran tunggul, een vlaggestoK.

panjrah : zie jrah.

panjaran : z.v.a. pangunjaran, zie kunjara, II.

panjak : K.N. een gamellanspeler.

panjatos : zie panjalin.

punjul : K.N. uitsteken, boven uitsteken, zooals b.v. de middelste vinger boven de anderen uitsteekt, uitmunten, te boven gaan, overtreffen, meer dan. -pinunjul, uitmuntend, uitstekend. -munjuli, boven iets uitsteken, iets te boven gaan, overtreffen; hooger opslaan; den prijs, het bod of het bedongene, te boven gaan.

ponjol : K.N. bijkans rond zijn.

panjalin : N., panjatos, K., rottan, rotting.

panjilma : zie jalma.

panjajap : K.N. een kleine schuit.

panjang : 1. K. [dawa, N.], paos, K.h. lang; langwerpig; lang van duur; lengte; duurzaamheid [Sd.Ml.id.] 2. K.N. een langwerpige schotel. yuswa panjang, een lang leven, hooge ouderdom. -mêmanjang, een zaak verdere (ergere) gevolgen doen hebben. kapanjang, tot verdere (ergere) gevolgen gekomen. -manjangakên, K., maosakên, K.h., lang maken, verlengen, lang doen duren. -kapanjangên, te lang.

panjing : K.N. intrede, introductie, installatie, inwijding; begin van iets; het binnenste [De grondvorm is anjing, het ingaan in iets]. sapanjinge, hetgeen binnen is, hetgeen in een plaats bevat is. -manjing, ingaan, indringen, intreden; beginnen. manjing agama, in een godsdienst treden, een godsdienst omhelzen. -manjingi, ergens in doen gaan. -manjingake, N., -kên, K., doen intreden, inleiden, introduceren. -panjingan, geinstalleerde.

pinjung : K.N. het borstbekleedsel van een vrouw. -minjungi, de borsten bedekken, van een vrouw. -pinjungan, [-...]

--- 470 ---

[...pinjungan,] benaming van een zekere wijze van kleeding der vrouwen, zoodat de Tapih tot over de borst gedragen wordt en zoo in plaats van borstkleedje (kemben) verstrekt. Dit is de hofkleeding der meisjes.

punjung : Kw. hoog, verheven. -munjung, iemand voor hoog, aanzienlijk houden, eerbied betoonen, onderdanig zijn. -punjungan, hetgeen aan een meerderen wordt aangeboden, geschenk, gift, offer.

pênyu : K.N. een zeeschildpad [Sd.id.]

panyantên : zie catur.

panyak : K.N.; manyak-manyak, de langzame gang van een vrouw. ting pêranyak of pating pêranyak, vele vrouwen die langzaam gaan.

pènyèt : K.N. indruksel [vrg. ênyêt].

panub : K.N. wegneming, ontvoering, ontvreemding.

pôntha : K.N. hoop, troep, bende, kudde. sapôntha, een troep, een bende. -kapôntha-pôntha, in troepen verdeeld. -pêpanthan, bij troepen. pêpanthan kalih, twee troepen.

punthu : K.N. een wertuig waarmede iets op een steen gewreven wordt. -munthu, met een Punthu op een steen wrijven.

punthuk : K.N. heuvel, terras. -munthuk, tot een heuvel maken; zich zeer verheugen [Een ander zie bij unthuk].

pênthowok : K.N.; mênthowok, aantreffen, zamentreffen. kapênthowok, ontmoeten.

pênthil : K.N. de knop van een bloem; uijer; [payudara, K.h.] speen, tepel der borsten van een vrouw. -mênthil, de borsten van een vrouw aanvatten; kleinzeerig, lafhartig zijn.

pênthul : K.N. I. een spijs van klapper en suiker bereid. II. een dikke ronde neus.

pênthol : K.N. een dikke knop.

panthêlêng : K.N. [van het grondwoord thêlêng]; manthêlêng, de oogen wijd opsperren, staroogen, staren. -manthêlêngi, met groote oogen iemand aanstaren. -panthêlêngan, de toestand van iemand, die verwilderd met groote oogen staart; elkander aanstaren.

panthêng : K.N.; manthêng, een touw of koord spannen [vrg. pênthang en mênthèng].

pênthang : K.N.; mênthang, iemand met uitgestrekken armen aan een dwarspaal of kurishout vastmaken om hem ten toon te stellen; ook een boog spannen; een pijl met gespannen boog aanleggen; kruisigen [Sd. de armen uitstrekken [Ml. bentang], membentang], rekken, spannen, een boog spannen; kruisigen Vrg. panthêng]. -pamênthang, kruisiging. -pamênthangan, het kruishout, kruis.

pênthung : K.N. knods, knuppel. -mênthung, met een knuppel slaan, knuppelen. -mênthungake, N., -kên, K., bezigen om te knuppelen.

penthong : K.N. een kromme naar binnen gebogene voet.

ponthang : K.N. I. afwisselend, bij vakken, bont. -monthang, bont maken. II. een tot een bord gemaakt blad.

panungsung guyu : benaming van den Tamarindeboom.

pace : naam van een boom.

pêca : K.N. voorbeschikking, voorbestemming; oplossing [op...]

--- 471 ---

[...lossing] van een raadsel; voorspelling [= pamêthèk kang durung linakon]. -mêca, voorspellen, een voorspelling doen. -mêcakake, N., -kên, K., een geheim openbaren, iets openbaar maken; regt voor iets uitkomen, openhartig zijn. -pamêca, voorspelling.

pece : K.N. met het eene oog blind zijn; eenoogig. pècèn, het eene oog sluiten, digt maken.

pacêh : Kw. lachen [= gumuyu].

pacuh : K.N. verbod. pêpacuh, verbieden. -macuhake, N., -kên, K., iemand iets verbieden of laten verbieden. pacuhan of pacuwan, verbod; iets dat verboden is [= pinomanom].

pacoh : K.N. met den snavel bijten [vrg. cucuh en cocoh].

pêcah : K.N. geknapt, gebroken, stukken; knappen, zoo als een stuk glas, breken, in stukken breken [Ml.id.]. -mêcah, breken, verbrijzelen, splijten. -mêcahake, N., -kên, K., iets verbreken, in stukken breken of laten breken. -pêcahan, een gebroken stuk, breuk, spleet. papêcahan, gebrokene stukken.

pêcuh : K.N. het mannelijk zaad.

pècèn : zie pece.

paceca-pacece : K.N. vrees en moed op het gelaat uitdrukken.

pacar : naam van een boom met welriekende bladeren en een kleine ronde welriekende vrucht [Sd. pacar bêrêm, balsamien]. -pacar banyu, een soort van balsamien. -pacar wutah, zie beneden.

pacara : verkorting van upacara.

pacêrèn : K.N. riool, geut.

pacar wutah : K.N. een middelbare soort van hagel, schroot; hagelbui; een menigte pijlen. -macar wutah, met Pacar-wutah schieten.

pacrabakan : K.N. een gallerij voor een huis (bij de vroegere Javanen in plaats van de Pandhåpå).

pacak : K.N. 1. vorm, gedaante, fatsoen. 2. verordening, regeling, bevel, commando. sêrat pêpacak, schriftelijke verordeningen, ordonnantie, lastbrief. -apacak of macak, verordenen, regelen, rangschikken, bevelen, commanderen. apacak baris of macak baris, troepen regelen, het commando over troepen voeren. pacak griya, een huis oprigten. een huishouding opzetten. -macaki, iemand orders geven. kapacakan, order ontvangen.

pacuk : K.N. eig. aanknooper. Zoo wordt de persoon genoemd, die door den vader van een jongeling gezonden wordt, om op een bedekte wijze te vernemen, of de ouders van het meisje, waarop zijn keus voor zijn zoon gevallen is, genegen zijn, het ten huwelijk te geven. -macukake, N., -kên, K., aanknoopen; koppelen, een huwelijk tot stand brengen.

pacêk : en macêk, z.v.a. pacak en macak, -macêki, zie beneden.

pêcak : K.N. voetstap, voetspoor; een lengtemaat van een voet; juist, op het oogenblik; ook een vischnet met een korten steel. -mêcak, op iets treden, een voetspoor maken. -mêcaki, [-mêca...]

--- 472 ---

[...ki,] met de voeten iets afmeten; vleesch of visch in azijn leggen.

pêcok : K.N., mêcok, hakken, doorhakken, doorkappen.

picak : K.N., [of N., wuta, Kw. of K., buwanan, K.N.] blind; blindheid [Sd. pecak, éénoog. jalma pecak, een blinde]. -micakake, N., -kên, K., verblinden.

picêk : z.v.a. picak.

pucak : K.N. de top of kruin van een berg [vrg. pucuk, Dikwijls worden beide woorden met elkander verwisseld]. -mucak, den top van een berg beklimmen.

pucuk : K.N. de uiterste of bovenste punt van iets, top, toppunt, spits, kruin, tipje; het begin van iets [Sd.Ml. de teedere spruitjes aan de uiteinden der takken]; ook naam van een boom, waarvan de schors als medicijn gebruikt wordt [Sd. Aloë; Ml. naam van een plant, waarvan de geurige bladen een artikel van handel uitmaken]. pucuking êdom, de punt van een naald. pêpucuk, de eerste, voorste; een voorvechter [= amiwiti]. adamêl pêpucuking pêrang, een begin met den oorlog maken. -mucuk, de uiterste punt bereiken. -mucuki, een punt of een begin aan iets maken, beginnen.

pecok : K.N. een werktuig waarmede de grond wordt schoon gemaakt. -mecok, met een Pecok werken.

pocok : mocok, z.v.a. pêcok, mêcok, tiyang mocok, een vreemdeling, nieuweling.

pêcok sahang : het fatsoen van een piek.

pêcat : K.N.; mêcat, uitrukken, wegrukken, wegnemen. -mêcati, de kleederen van het lijf rukken; de doodstuipen hebben.

pêcut : K.N. een lange zweep [Sd. zweep. Vrg. cêmêthi en têmbung]. -mêcut, met een lange zweep slaan, zweepen.

pucêt : K.N. bleek van gelaat [Ml.id.]; de geelzucht.

pocot : K.N. uitgetrokken, uit den grond gerukt, ontworteld; uit een post ontslagen; ontslag, afdanking, afzetting [Sd. ontslag, afdanking. Vrg. copot]. -mocot, uittrekken, uitrekken; uit een post rukken, afzetten, ontslaan. mocot sêpatu, de schoenen uittrekken. -mocoti, aanhoudend of herhaaldelijk iets uitrukken. -pocotan, afgezet, ontslagen; b.v. bupati pocotan, een afgezette Regent. -pamocot, afzetting.

Pacitan : K.N. een aangerigte tafel; naam van een distrikt op Java. -kapacitan, het Pacitansche.

Pêcattôndha : een rang bij de Javanen in vroegeren tijd, gelijkstaande met dien van Tumenggung.

picis : I. K.N. een oude Javaansche munt; [dhuwit, N., yatra, K.] munt, geld, in het algemeen. maspicis, goudgeld; rijkdom, schatten. gawe picis, munten. -micis wutah, de haren aan het voorhoofd van een bruid krullen (zoodat het haar gelijk is aan uitgestorte muntstukken). -micisi, geld geven, betalen. II. K.N.; micis, iemand het vleesch bij

--- 473 ---

kleine stukken van het lichaam snijden, een wijze van doodstraf bij de vroegere Javanen.

pacul : K.N. spade, hak, houweel [Sd.Ml.id.]. -macul, met een Pacul werken, hakken, spitten, omspitten [Sd.id.].

pêcêl : K.N. naam van een soort van Sambel of toespijs bij de rijst. pêcêl alu, lomperd, vlegel. -mêcêl, Pecel, of rijst met Pecel, bereiden.

pêcèl : of pècèl, K.N. naam van een werktuig, waarschijnlijk een soort van bijl [vrg. pêthèl]. -mêcèl of mècèl, met een Pecel werken, afhakken, afkappen.

pècèl : zie pêcèl.

pacalita : Kw. weêrlicht, bliksem [= kilat en thathit, van het Skr. calita, schudding, beving. Vrg. pracalita].

pacim : Kw. het Westen, westelijk [= kulon].

pocapan : zie ucap.

pacumplêng : K.N. benaming van een belasting in garen, nam. van vier strengen (tukêl) en 40 centen per jung in het halfjaar, op te brengen door de dorpshoofden aan hun leenheeren ten behoeve van den Susuhunan, en bestemd tot koorden, hoofdstellen, buikriemen, zweepen, enz. In de dorpen is pacumplêng, een belasting op de deuren van 20 cent voor elke deur in het jaar [Het grondwoord cumplêng, beteekent gat, doch is schier niet in gebruik].

pacang : K.N.; macangake, N., -kên, K., twee personen voor elkander bestemmen, om met elkander te zullen trouwen, verlooven. -pacangan, vooruitbestemming, voorbeschikking; verlooving, ondertrouw; verloofd, verloofde; ondertrouwd zijn. pêpacanganing bilai, vooruitbestemming van een onheil, dat men niet ontgaan kan.

pacing : naam van een teeder struikgewas. tigas pacing, zie tigas.

pucang : K.N. de stam van den Pinangboom. pucang gadhing, een Pinangboom die witte vruchten draagt. pucang lulut, een Pinangboom met groene vruchten, of waarvan de vrucht, wanner zij rijp is, een groene schil heeft. -mucang, zie beneden.

pucung : K.N. 1. naam van een boom; een soort van broodvruchtboom, waarvan de vrucht nog jong zijnde Pucung, maar rijp geworden Kluwak heet. -2. naam van een zangwijze. -3. een soort van Spaansche vlieg.

pocong : K.N. 1. bos, bundel; 2., en meestal bocong, K. [bokong, N.] de billen, aars. sapocong, een bos, een bundel.

pacangkraman : zie cangkrama.

pra : I. K.N. een voorzetsel in woorden, die ontleend zijn uit het Sanskritsch, waarin het overeenkomt met de Latijnsche en Fransche voorzetsels pro en prae of pré (b.v. in prakara); en dan ook in andere woorden, zonder dat de beteekenis daardoor een andere wijziging ondergaat, dan dat het woord meer een activen zin erlangt; b.v. tôndha, merk, teeken, blijk. pratôndha, teeken, bewijs. jurit, strijd, krijg. prajurit, strijder, krijgsman. Het wordt dikwijls verkort prê, of (zooals in het Maleisch) pêr, uitgesproken. II. verkorting van para, b.v. in pratigan, voor paratigan, derde gedeelte.

--- 474 ---

III. Kw. verdwijnen, verliezen.

pri : verkorting van priyayi, b.v. in prikônca.

par : Kw. algemeen, overal [= carat]. papar, effen, gelijk gemaakt [= rinata].

pir : I. Kw. = kacangcang, -kapiran, K.N. teleurgesteld; teleurstelling. -ngapirani, teleurgesteld; teleurstelling. -ngapirani, teleurstellen; teleurstellend. II. Holl. veêr van een rijtuig of van een horologie.

pur : of êpur, I. K.N. gelijke kans hebben, gelijkstaan; niet winnen en niet verliezen [= oranana kang kalah kang mênang]. II. Kw. zaad, planten [= wêwinih].

pèr : Kw. moeijelijkheid, verlegenheid [= kewuhan].

para : I. Kw. deel, aandeel [= binagi, Sd. verdieping van een huis]. Zoo K.N. in zamenstellingen met telwoorden; b.v. paralima, vijf deelen. para rolas, twaalf deelen; en paraliman, vijfde deel. para rolasan, twaalfde deel. sapara liman, een vijfde. sapara rolasan, een twaalfde. -mara, 1. Kw. verdeelen. pinara, verdeeld. -2. K.N. vóór telwoorden; b.v. mara kalih, in tweeën verdeelen, zich in tweeën verdeelen, in tweeëN. mara kalih wêlas, in twaalven. kapara tiga, in drieën verdeeld. dipun para kalih wêlas, in twaalven verdeeld worden. II. K.N. een voorzetsel vóór benamingen en titel van rangen en standen van personen, wanneer van een rang of stand in het algemeen en collectief gesproken wordt; b.v. para bupati, de Bupati's [eig. de Bupati-afdeeling, d.i. die den rang van Bupati hebben]. para mantri, de Mantris. para prajurit, de krijgslieden. para alit-alit, de geringere standen. para arum, de vrouwen in het paleis van den vorsi. III. K.N., ook soms pari, K., een verouderd woord in het zamengestelde parapadu, N., parapabên of paripabên, K., een twistgeding, proces hebben of voeren [Het is het Skr. para, ander; verschillend; tegenpartij; meer dan; enz.]. pabên-paripabên, met elkander een regtsgeding hebben. -N.B. Wanneer in het woord nog een r volgt, wordt het pala, zooals in palacidra, palakrama, en andere. IV. N.; mara, naar toe gaan, naderen, komen; gew. als tusschenw. [ook ayo, N., suwawi, K., dawêg, Md.] kom! kom aan! [Ml. mari] . -kapara, K.N. 1. naar toe gerigt of gewend, b.v. kapara ngajêng, naar voren toe gerigt. kapara manginggil, naar boven toe gewend. 2. getroffen, overkomen; b.v. kapara tiwas, getroffen door een ongeluk. -marang, N. [ook mênyang, N., dhatêng, K.], maring en mring, Kw., naar, tot; aan; jegens; door; gaan naar. kaparang, zie boven. -paran, marani, en marakake, zie paran, -pêpara, en zamenstellingen, zoo als mara tamu, mara dhatêng, en mara dhayoh, zie beneden. V. Kw. gij, u; uw [= kowe]. Het wordt ook als Ngoko gebruikt door personen van aanzien in brieven aan jongere bloedverwanten, die eenige waardigheid bekleeden. In de eerste persson wordt op gelijke wijze mara gebruikt, en beide zijn waarschijnlijk verkortingen van pakênira en manira,

--- 475 ---

Zoo rayi para of adhipara, uw jongere broeder of zuster. karêp para, uw wil. atipara, uw hart. VI. sêgapara, zie bij sêga.

pari : I. zie para, III. II. Kw. vol, voltallig, volkomen, geheel volmaakt, waaran niets ontbreekt; warachtig, wezenlijk [het. Skr. voorzetsel pari =, om, rondom, enz.]; in proza slechts in zamenstellingen, als parikrama, volkomen beleefd; de grootste beleefdheid; een volmaakte welsprekendheid. Andere zamenstellingen, zie beneden. III. N., pantun, K., rijst in de aren of in den bolster [Sd. pare, Ml. padi] ] parianom, zie beneden.

pare : naam van een gewas.

paro : N. [palih, K.] half, helft [van ro]. saparo, een half, een helft. saparone, de helft er van. saparoning dhêndha, de helft der boete. -maro, halveren, in tweeën verdeelen; om de helft, den grond bewerken voor de helft van de opbrengst. -marokake, in tweeën verdeelen, splitsen.

pêri : K.N. benaming van een sort van schoone (en goede) nimfen of feeën, een toovernimf [Ml.id., Pers. nyarii], pari]; Kw. schoon, fraai, bekoorlijk.

pira : N., pintên, K., hoeveel? ping pira, N., kaping pintên, K., hoe veel malen? hoe dikwijls? pirang sasi, hoe veel maanden? sapira, N., sapintên, K., welk een hoeveelheid; hoe veel of hoe groot ooK. pira-pira, ook pirang-pirang, N., pintên-pintên, K., hoe veel en hoeveel? d.i. zeer veel, zeer velen, een groote menigte. sapira-pira of sapirang-pirang, N., sapintên-pintên, K., hoe veel en hoeveel ook; zulk een aantal! -mira of nyapira, N., mintên of nyapintên, K., naar de hoeveelheid of den prijs van iets vragen; hoeveel elk?

pura : Kw. rijksstad, residentie of paleis van een vorst [= kadhaton, Skr. pura, een stad]. -pura-pura, zie beneden.

prah : Kw. dood.

prih : I. zie pêrih, II. zie purih, III. naam van een soort van Waringinboom, die een witachtige schors heeft.

prau : of parau, N. [baita, K.] vaartuig, schip, schuit, boot, sloep [Sd.Ml.id.] prau kapal, een groot vaartuig, zeeschip. -praon, zich met varen vermaken. -mraokake, een vaartuig in beweging zetten, doen varen.

parah : I. K.N.; marah, doorhakken, doorsnijden, doorklieven. II. K.N. een groote oliemaat.

pêrih : of prih, K.N. smart of pijn door een wond veroorzaakt; elk smartelijk of pijnlijk gevoel; smartelijk, pijnlijk; honger, gebrek [Sd. pijn, smart, wee]. -prihatin, N., prihatos, K. hartzeer, droefheid, kommer, leed; bedroefd, treurig, neerslagtig; treuren; ook prihatin, Kw. vermijden. -prihatinan, N., prihatosan, K., hartzeer hebben. -kaprihatinan, N., kaprihatosan, K., bedroefd zijn, lijden; bedroefdheid.

--- 476 ---

purih : K.N.; prih, Kw., poging, bedoeling, verlangen, oogmerk. -murih, K.N.; mrih, of amrih, Kw., pogen, trachten, streven, bedoelen, beoogen [amrih = anêdya]. -pamurih, K.N., pamrih, Kw., poging, bedoeling, streven [pamrih = sêdya]. -mamrih, Kw. z.v.a. murih, -suprih, zie boven.

parau : zie prau.

prahara : z.v.a prahara.

prihatin : zie pêrih.

prihatos : zie pêrih.

parianèm : zie parianom.

parianom : N., parianèm, K., bont, geel en zwart; ook benaming van de Pajoeng van den Raden-Adipati, die van boven verguld, en dan groen is, met gouden cirkel.

prahara : K.N. een rukwind, sterke wind, storm, orkaan [= angin gêdhe en angin lesus].

prahita : (van hita). Kw. het meschdom [In het Skr. beteekent prahita gezonden, afgevaardigd; geschikt, enz.].

puruhita : Kw. K.N. leermeester [= anggêguru en paguron, Skr. purôhita, een huispriester]. apuruhita en muruhita, onderwijs ontvangen, leeren, leerling zijn. -muruhitani, onderwijzen, onderwijs geven [= angguroni].

praos : zie prada.

pahastha : zie prastha.

prail : of pirail, K.N. [waarschijnlijk het Ar. faraaidh], de volgens den Koran aan de onderscheidene bloedverwanten toekomende aandeelen in een erfenis]; mrail of mirail, verdeelen.

pirail : zie prail.

prana : I. Kw. 1. het hart; inborst; oordeel; 2. z.v.a. pramana, juist; raak [= ati en bênêr, Skr. prâna, vol; adem, levensadem; kracht; enz.]. -mranani, K.N. raken, treffen; wonden; ongelukkig maken [= ambilaèni]. kapranan, getroffen worden; b.v. atine kapranan ing wêwulang, zijn hart wordt door onderrigting getroffen, onderrigting vindt ingang in zijn hart. II. prana of parana, prono of parono en prene of parene, N.; van hier mrana of marana [mrika, K.] naar ginder; naar ginder gaan. mrono of marono [mriku, K.] derwaarts; daar naar toe gaan. -mrene, [mriki, K.] herwaarts, hier naar toe; hier naar toe gaan, hier komen; en saprene, tot hier toe; ook van den tijd, tot nu toe [De grondvormen zijn rana, rono, en rene, z.v.a. kana, kono en kene]. -mrenekake, herwaarts brengen.

purna : Kw. volkomen, geheel en al; geheel ten einde zijn; verdwenen [Skr. poêrna, vol, volkomen, geheel]. apurna, in den vorigen staat herstellen. -sampurna, zie boven. -paripurna, zie beneden.

paran : I. N. [purug, K.] rigting of koers naar iets toe, gang naar een plaats; Kw. hoe? [= priye. van para, IV]. saparan-paran, in alle rigtingen, naar alle kanten. parandoh, [para...]

--- 477 ---

[...ndoh,] een verre koers, ver verwijderde plaats. arêbut paran, in verschillende rigtingen de vlugt nemen. saparane, naar zijn rigting, waar hij naar toe gaat. ing paran, in de rigting (gang) naar een plaats, onder weg ergens naar toe. kadiparan, gelijk waarheên? hoedanig? paran karsa dika, wat verkiest gij? paran-pinaran, elkander op dezelfde plaats ontmoeten. -marani, naar iets of iemand toegaan. -marakake, met iets naar iemand toegaan; verschaffen. II. Kw. man, echtgenoot.

paron : K.N. aanbeeld [Ml.id.].

puran : K.N. bout, bilstuk, van een beest.

purun : K. 1. [wani, N.] durven; dapper, kloek, krijgshaftig; moed, dapperheid. 2. [gêlêm, N.] willen; gewillig, geneigd. botên purun, niet willen; onwillig. purun-purun, grooten moed hebben; iets wagen; zich verstouten; zeer ondernemend, stout, onversaagd; driest, vrijpostig. -mêmurun, moed inboezemen, moed inspreken, aanporren. -kapurunan, met moed bezield; stoutmoedigheid; moed, dapperheid. kamipurun ook kumapurun [kumawani, N.] zich verstouten, zich vermeten, de vrijheid nemen, de vrijpostigheid gebruiken om eem verzoek aan een meerdere te doen.

prene : of parene, zie prana, II.

prono : of parono zie prana, II.

pirêna : zie rêna.

prênah : K.N. ligging, plaats; aanwijzing, teregtwijzing, toeschikking. -kaprênah, gelegen, geplaast, gerangschikt; iemand in een graad van bloedverwantschap bestaan; b.v. pun Jaya kaprênah kapenakan kula, Djåjå bestaat mij als neef. -mrênahake, N., -kên, K., plaatsen; iemand een plaats aanwijzen, den weg wijzen, geleiden.

pranakan : K.N. ras, van beesten; kinderen uit het eerste geslacht; de kinderen of afstammelingen van een gemengd ras [Ml. peranakan], geslacht: van anak].

pranata : zie tata.

praniti : apraniti, Kw. z.v.a. pranata, apranata, [van niti].

prênesan : K.N. schertsen, kortswijlen.

pranaja : Kw. bloem; de borst van een aanzienlijk persoon [= dhadha].

princi : of parinci, K.N. afgescheiden, afzonderlijk. -mrinci, afzonderen, afscheiden; afzonderlijk, niet te zamen, niet bij elkander, één voor één noemen.

parênca : K.N. verspreid, van elkander verspreid. parênca-parênca, naar alle kanten verspreid zijn.

parinci : zie princi.

Pranaraga : N., Pranaragi, K., naam van een distrikt en hoofdplaats op Java.

Pranaragi : zie Pranaraga.

parandoh : zie paran.

prandene : zie parandene.

parandene : of prandene en saprandene of gew. suprandene, N., parandosipun of prandosipun en saprandosipun of gew. suprandosipun, K., des

--- 478 ---

niettegenstaande, niet te min, desniettemin, met dat al, in weêrwil daarvan.

prandosipun : zie parandene.

parandosipun : zie parandene.

pranti : zie ranti.

parentah : K.N. gebod, bevel, last, order; de regering, de overheid, het bestuur, het geregt [Sd.Ml.id.]. parentah agêng, de hooge regering, het hoog bewind; de hooge overheid; ook het hoog geregt; d.i. de regtbank van den Raden-Adipati. En gewoonlijk verstaat men onder parentah of parentah agêng, den Raden-Adipatie zelf. botên angsal parentah, geen order gekregen hebben, een regtsterm voor onbevoegd. -aparentah en pêparentah, bevel geven, bevelen geven; regeren. aparentah klumpukan, een vergadering beleggen. -marentah, bevelen, gelasten. ora kaparentah, N., botên kaparentah, K., onafhankelijk. -marentahi, belasten, iemand iets gelasten, gebieden. -marentahake, N., -kên, K., een bevel overbrengen of afkondigen; door een ander laten bevelen. -parentahan, bestuur, regering; het hoog bestuur; een hoofd. pêparentahan, heerschappij; de uitgevaardigde bevelen. -pamarentah, regering; bestierder, rijksbestierder bevelhebber.

prantos : zie ranti.

pirantos : zie ranti.

paranteyan : zie rante.

prênjana : Kw. tijger.

prênjak : naam van een kleinen vogel.

pêranyak : zie panyak.

purnama : Kw. K.N. de volle maan [= sasi, utawa rêmbulan, Ml.id., Skr. poêrnama]. purnamasidi, Kw. hetzelfde [= tanggal ping limalas, zamangesteld uit purnama en sidi].

prênthêl : K.N. krul; gekruld. -mrênthêl, het haar in elkander wikkelen, krullen.

pracihna : zie cina, II.

pracundhamani : zie cundha.

pracundhang : Kw.; mracundhang, raken, treffen, wonden [Het wordt verklaard door ngatut en kaparcundhang, door kabandhang].

pracik : een soort van vogelnest.

praceka : Kw. list, schranderheid; ook eign. van een Boetå.

pracados : zie pracaya.

parecetan : K.N. tooverij.

prêcil : zie parêcil.

parêcil : of prêcil, K.N. een half volwassene kikvorsch, of een klein soort van kikvorschen.

paruculi : Kw. kris, dolk [= kêris].

pracalita : Kw. weêrlicht, bliksemstraal [= kilat, Skr. pratjalita, beweging, schudding. Zie pacalita].

pracaya : I. Kw. zeggen, gelasten. II.N., pracados, K., geloof, vertrouwen; gelooven, vertrouwen [Sd.Ml. pêrcaya, id.; Skr. pratyaja]pratjaja. -mracaya, gelooven, vertrouwen. -mracayani, iemand vertrouwen. -mracayakake, iets vertrouwen of toevertrouwen aan iemand.

pracima : Kw. het Oosten.

--- 479 ---

parêrênggan : zie rêngga.

prak : verkorting van pêrak, prak-ati, K.N. (eig. digt bij het hart) beminnelijk, aanminnig, bevallig, aardig, lieflijk, schoon. -mêrak-ati, lieflijk.

prika : priki en priku, zie parika.

parak : K.N. [vrg. parêk]; marak, verschijnen voor een meerdere, om zijn opwachting te maken, voornamelijk van een vrouw [zie ook marak, beneden]. -kaparak, bediende van den vorst, hofwacht. kaparak jawi en kaparak lêbêt en kaparak têngên en kaparak kiwa, benamingen van vier verschillende troepen van krijgsvolk of lijfwacht in de KratoN. wadana kaparak têngên en wadana kaparak kiwa, namen van twee der Binnen-wadånå's -pinarak, zie boven.

parêk : N. [cakêt, K.; zie ook pêrak en cêrak] nabij, digt bij, niet ver af; spoedig, aanstonds, weldra. parêk bari aku, digt bij mij, in mijn nabijheid, niet ver van mij af. apêparêk, is het nabij? zal het spoedig gebeuren? -marêk of umarêk, nabijkomen, naderen; ook z.v.a. marak [umarêk = maju ing ngarêpan]. pinarêk, zie boven. -parêkan 1. in iemands nabijheid zijn; 2. ook padhêkan, K.N. vrouwelijke bediende, dienstmaagd.

parik : K.N. rij, gelid; laan. parik-parik, in rijen, bij gelederen; paralel. -marik, in een regte lijN. amarik-marik, in regte lijnen. -parikan, spreuk, spreekwijze, gezegde.

pêrak : ook pêdhak en pêdhêk, N. [vrg. cêrak en parêk] nabij, digt bij, naast. pêrak ing dêdalan, digt bij, of naast den weg. prak-ati, zie prak. -mêrak, mêdhak en mêdhêk, naderen, nabijkomen. mêrak-ati, zie bij prak, kapêdhak, genaderd, gevonden, zamengetroffen, ontmoet; zich in iemands nabijbeid bevinden; ontmoeten; ook K.N. naam van een soort van bedienden van een ambtenaar, die hun Bekel's, en deze weêr hun Loerah's hebben. -mêdhaki of mêdhêki, iemand of iets naderen.

purik : K.N. uit ontevredenheid heen gaan, ontevreden een plaats verlaten. -muriki, ontevreden zijn op iemand, ontevreden eene plaats verlaten.

parik : of prik, pariku of priku en pariki of prika, pariku of priku en pariki of priki, K.; van hier marika of mrika [mrana, N.] naar ginder. mariku of mriku, [mrono, N] derwaarts. mariki of mriki [mrene, N.] herwaarts, hier naar toe; hier naar toe gaan, hier komen; en sapriki, tot hier toe, ook van den tijd, tot nu toe [De grondvormen zijn rika, riku en riki]. -mrikakakên, daar naar toe brengen.

prikônca : zie bij priyayi.

prakara : N., prakawis, K., zaak; geding, regtsgeding, regtszaak; onderwerp, geval; stuk; artikel, hoofdstuk [Sd.Ml.id.; Skr. prakâra, onderscheid; gelijkheid; soort; wijze, manier]. aprakara, N., aprakawis, K., belangende, aangaande, betreffende, wat betreft; en zoo dan ook zonder het voorzetsel ha, duwe prakara, N., gadhah prakawis, K., een regtszaak hebben. [heb...]

--- 480 ---

[...ben.] awèh prakara, tot een twist aanleiding geven. gawe prakara, N., damêl prakawis, K., kwestie, twist, krakeel maken. amawi prakawis, in een regtszaak gewikkeld zijn. têlung prakara, N., tigang prakawis, K., drie zaken, drie stukken; drie stuks. -mrakawis, K., over een zaak raadplegen, beraadslagen. -prakawisan, aprakawisan, K., met een ander of met elkander een twist, een retszaak hebben.

prakan : verkorting van parêkan, zie parêk.

pêrkutut : zie bêrkutut.

prakosa : of prakoswa, ook prakusya, Kw. K.N. sterk, magtig; sterkte, magt [prakusya = rosa, en kukuh. en prakosa = prajurit, Vrg. kuswa].

priksa : zie pariksa.

pariksa : en priksa, K.N. 1. onderzoek; 2. [wêruh, N., uninga, K.] kennis; berigt [Ml.Sd. pareksa, onderzoeken, nazien, navorschen; Skr. parixâ, onderzoek (zamengest. uit pari, zie pari, II., en ixa, zie èksi), en prêxâ, verstand, kennis, waarneming, van ixa, met het voorz. pra]. apariksa, pêpariksa of apêpariksa, onderzoek doen. ngaturi priksa, ngunjuki priksa of maringi priksa, kennis geven, verslag doen, kond doen. -mariksa, onderzoeken, nagaan. -mariksani, naar iets onderzoeken; iets naauwkeurig nagaan. -mriksakake, N., -kên, K., iets laten onderzoeken. -pamariksa of pamriksa, onderzoek, navorsching. -mamriksani, navorshen; toezien. -papriksan, onderzoek, ondervraging.

parikêsit : eign. van den zoon van Abimanjoe, kleinzoon van Ardjoenå; ook benaming van een soort van BatiK.

prakusya : zie prakosa.

prakoswa : zie prakosa.

prakawis : zie prakara.

parkul : Kw. een bijl.

prakêmpa : Kw. K.N. schudden, daveren; het splijten of scheuren van den grond [= udan angin, lindhu en swara kang luwih bangêt, Skr. prakampa, schudding, trilling. Vrg. kampita].

prakampita : zie kampita.

prakêmprong : Kw. schertsen, kortswijlen.

prakatha : Kw. veel geraas, geschreeuw; een Gamellan spel; een booze geest [= baribin, gègèr en lêmbut].

prada : N., praos, K., verguldsel; klatergoud [Ml.id.]. -mrada, N., mraos, K., vergulden. -pradan, N., praosan, K., verguld, iets dat verguld is.

prêdi : pêrdi of pardi, K.N. [= pêksa]; mrêdi, mêrdi of mardi, sterk op iets aandringen; dwingen, noodzaken, aanhoudend trachten, zich beijveren, zich sterk op iets toeleggen; peinzen; tuchtigen, opvoeden, onderwijzen. pamuruk mêrdi, zedeleer. -pamêrdi, ijver, inspanning van krachten; tucht.

pardi : zie prêdi.

pêrdi : zie prêdi.

parud : K.N. een rasp [Ml. raspen]. -marud,

--- 481 ---

raspen. -parudan, het geraspte, hetgeen geraspt is.

Pirdaus : Pers. [Ar. firdaus], het Paradijs.

parêdèn : zie rêdi.

paridan : Kw. K.N. anker.

pradondi : K.N. verschillend van gevoelen, ander denken [= sêlaya ing pikir].

pradika : zie pardika.

pardika : of pradika, Kw. uitlegging, verklaring [= jarwakake. Waarschijnlijk van dika, I.; en dan moet het woord pradika en niet pardika, geschreven worden]. -mardika of mradika, uitleggen, verklaren [Een ander mardika, zie beneden]. -mardikani of mradikani, een uitlegging van iets geven [Het wordt verklaard door ambêdhèkake anjarwani]. -pamardika, uitlegger van geheime teekens, waarzegger, sterrewichelaar [= pambadhe en nujum, Een ander zie bij mardika, beneden]. -pardikan of pradikan, K.N. een priester of geestelijke, die uit gunst of om bewezene diesnten door den Vorst met landerijen beschonken is, met de verpligting om de vorstelijke graven te bewaken en de kinderen van het dorp aan zijn huis onderwijs te geven in de godsdienst [van deze laatste verpligting, en dus van het uitleggen van den Koran, is waarschijnlijk de benaming ontleend].

pradêksa : eign. van een hoofd van Srawanti-Poerå.

pradata : zie data.

pardos : z.v.a. Pirdaus.

Pirdos : z.v.a. Pirdaus.

pradesa : zie desa.

praduli : K.N. belangstellend [Sd. padhuli, zich laten gelegen liggen, zich storen, zich bekreunen; Ar. fudhuulii] iemand die zich bemoeit met dingen, die hem niet aangaan; Ml.id.] ora praduli, N., botên praduli, K., onverschillig; onverschilligzijn, geen belang in iets stellen. -mraduli, belang in iets stellen, zich met iets bemoeijen, zich met iets inlaten.

pradapa : zie dapa.

pêrdapa : zie dapa.

pradipta : Kw. glans, schijn; de zon [Skr. pradipta, ontvlamd, vlammend, flonkerend].

pra dipati : K.N.; pra dipatya, Kw., de adelstand, de adel, de adelijken [pra dipatya = para tumênggung. van adipati].

pra dipatya : zie pra dipati.

pradongdi : z.v.a. pradondi.

prodong-prodong : K.N. zeer tot weenen geneigd zijn.

prut : of pêrut, [Ml. prut of perut], de buiK.

Parta : bijnaam van Ardjoenå, den derden zoon van Pandoe [Skr. Pârtha, eig. Prethâ's telg, van Prethâ, bijnaam van Déwi-Koenti]. -Partatênaya, (Partå's zoon) bijnaam van Abimanjoe.

parat : of kaparat, N., deugniet: een gemeen scheldwoord [Sd. parat, door, doorheen].

pêrut : zie prut.

purêt : K.N. ineengedrongen, in elkander gekrompen; een kleine boom, die niet grooter wordt, maar altoos klein blijft.

purut : naam van een soort van Chinasappelen.

perot : K.N. krom, scheef; een scheeve mond.

--- 482 ---

prit anjala : of prit anjala, eign. van één der negen Djawåtå's, in de Manik-måjå.

protèn : zie roti.

pratôndha : K.N. teeken, bewijs [van tôndha]. layang pratôndha, N., sêrat pratôndha, K., een schriftelijk bewijs, getuigschrift. pratôndha cap, een gezegeld bewijs, bewijs met zegel. pratôndha asih, gunstbewijs. -mratandhani, merken, teekenen, kenmerken; een teeken maken, een teeken geven.

pratikêl : K.N. regeling, voorstelling van een plan; wijze, manier, zeden, houding, gedrag; plegtigheden van een godsdienst; uitnoodiging; dagvaarding; zitting van een regtbank [van tikêl]. têlung pratikêl, drie zittingen, drie zitdagen. dhêndha pratikêl, boete op het niet verschijnen van een in regten vervolgd persooN. -mratikêlake, N., -kên, K., regelen; de uitvoering van iets besturen; verwijzen.

prit tanjala : zie prit anjala.

priti : Kw. klaar, helder, duidelijk [Skr. pratista, vermaard; vermaardheid].

partiwa : of pratiwa, Kw. een held; hoofd, bevelhebber [= ratu, Skr. pârthiwa, beheerscher der aarde, vorst, koning; van prêtiwi].

prêtiwi : of pratiwi, Kw. de aarde, de natuur; ook eign. van een godin, die over de aarde heerscht [= bumi, Skr. prethiwi of prethiwî, de aarde].

pratuwin : zie tuwin.

pratiwandhan : Kw. moeite, moeijelijk, moeijelijkheid [= pakewuh, Skr. pratibandha, beletsel, hindernis, teleurstelling].

pratala : zie tala.

pratula : zie bij pratola.

pratela : zie tela.

pratola : K.N. een soort van aarden waterkruik [pratula = kêndhi bêling].

pratêlon : zie têlu.

pratapa : zie tapa.

Pêrtajumêna : eign. van een zoon van Kresnå.

pratiyatah : Kw. bovennatuurlijke magt [= tan pêdhot, sinêkti en tan gingsir, Skr. pratihatah, verhinderd; maar apratihatah, onverhinderd, onafgebroken, ongedeerd, onverzwakt. Het moet dus eig. apratiyatah, zijn].

pratami : I. verkorting van para utami [Het wordt verklaard door tanggal ping têlulas, Skr. prathama, eerste, voornaamste, hoofd]. II. zie pratamu.

pratamu : N. [of K., en ook] pratami, K., gast [van tamu]. pratami, wordt verklaard door sarupaning dhayoh]. -mratamu, N. [of K., en ook] mratami, K., iemand als gast bezoeken [ook mara tamu, als gast komen, ergens een bezoek afleggen; en waarschijnlijk is mratamu, slechts een verkorting hiervan. Vrg. mara dhayoh, bij dhayoh].

pratima : Kw. een pop, speelpop; ook eign. van een godin [= golèk en rêca, Skr. pratima, gelijkenis, beeld, afgodsbeeld].

paritim : Kw. alles wat tot spijs kan dienen, het dagelijksch brood [= rêjêki, misschien zamengesteld uit pari, III. en tim.

--- 483 ---

pratigan : zie tiga.

prit gantil : naam van een kleinen vogel, welks geluid voor een kwaad voorteeken gehouden wordt.

pratignya : Kw. gelofte, belofte, eed [=ubaya, jangji, en ajangji lawan sarirane dhewe, Skr. pratidjnja, belofte, verbindtenis]. apratignya, een gelofte, een eed doen. -pratignyan, elkander beloven.

pratingkah : zie tingkah.

pratônggapati : Kw. de zon [= srêngenge].

prês : z.v.a. pêrês.

prusi : K.N. kopergroen, vitriool.

pêrsi : een soort van duiven met breede staarten, paauwestaarten.

pirsa : K.h. [wêruh, N., uninga, K.] kennis. asuka pirsa, kennis geven. -apirsa, en gew. mirsa, kennen, weten; zien; vernemen; hooren [vrg. piyarsa]. dipun pirsa of kapirsa, l.v.; kapirsa, ook kunde, wetenschap. -mirsani, kennis van iets nemen of dragen; naar iets onderzoek doen, onderzoeken. -mirsakake of -kên, doen of laten zien, vertoonen; aanzien; aanhooren. kamirsakakên of kapirsakakên, l.v.; doch in de eerste beteekenis wordt de laatste vorm beter geacht. -pamirsa, wat men weet; ook [paningalan, K., pandêlêngan, N.] gewaarwording door het gezigt.

paras : K.h. [cukur, K.N.] een geschoren hoofd of baard [Sd. scheren, baardscheerder]. tukang paras, baardscheerder. -marasi, het hoofdhaar of den baard afscheren; K.N. de schil van iets (b.v. van een vrucht) afdoen [Een ander zie bij maras]. -pamarasan, scheermes.

paris : K.N. schild, beukelaar [Ml. perisai] .

pêrês : K.N.; mêrês, uitdrukken, uitwringen, persen, uitpersen, melken [Sd.id.]. -mêrêsi, ergens uitdrukken of persen. -pêrêsan, het uitgedrukte, uitgeperste; melk, zog.

pirus : K.N. een groen edelgesteente, Turkoois [Pers. Ml. fairuzah] ]. -amirus, naar een Turkoois gelijken.

purus : K.N. as, spil, het mannelijk lid.

parasu : en gew. Parasurama of Ramaparasu, eign. van een Djawåtå [Skr. Parasjoerâma, eign. van een halfgod, den eersten van de drie Râma's, de zesde incarnatie van Wisnoe, die op aarde verscheen als zoon van den heilige Djamadagni; van parasjoe, bijl].

parusa : Kw. geweldig [Skr. paroesa, hard, ruw, wreed, liefdeloos]. marusa, dwingen, noodzaken, geweld gebruiken. -pamrusa, dwang, geweld.

purusa : z.v.a. parusa [= kuwasa en anjiyat, Skr. poeroesa, een man, een mensch].

purasani : naam van een soort van zeer hard ijzer.

prasanak : zie sanak.

prasêca : zie sêtya.

pirasat : [Ar. firaasat], gelaatkunde, phisiognomie.

prasêtya : zie sêtya.

paresan : K.N. onderzoek [verbastering van pariksan, Sd. parèksahan].

--- 484 ---

prasasat : zie sasat.

prasapa : K.N. verwensching, vervloeking, vloek. aprasapa, een stellige gelofte doen. kêna prasapa, door een vloek getroffen worden.

prasaja : Kw. eenvoudig, opregt; getrouw, standvastig.

prasami : zie sami.

prasagya : Kw. behoorlijk; betamelijk.

prasabên : K.N. I. taal, spraak; een voorloopig berigt. aprasabên, spreken, voorloopig berigt geven. -mrasabênake, N., -kên, K., van iets voorloopig berigt geven of verslag doen. II. gunst, genade.

prasobat : zie sobat.

prastha : ook prahastha, eign. van een Patih van Dåså-moekå [Skr. prasta, voorganger, leidsman, aanvoerder, hoofd].

pruwa : z.v.a. purwa.

purwa : Kw. I. begin, oorsprong, oorzaak [= wiwitan, Skr. poêrwa, de (of het) eerste, voorste, vorige, vroegere; oude overlevering. Vrg. purba]. apurwa = amiwiti, lampahan purwa, tooneelstukken voor de Wajang over onderwerpen uit den eersten (ouden) tijd. wayang purwa, N., ringgit purwa, K., de vertooning van de Lampahan-poerwå [vrg. gêdhog]. mangun ringgit purwa, de wajangpoppen voor de Lampahan-poerwå vervaardigen. -murwa, beginnen, aanvangen, iets het eerst maken, scheppen, dichten [= amiwiti]. murwèng gita, een gedicht scheppen, het eerst vervaardigen. -amurwani = andhingini, II. het Westen, westelijk [Skr. poêrwa, Oost, het Oosten, oostenlijk].

paruwa : z.v.a. purwa.

prawan : zie parawan.

parawan : of prawan, K.N. maagd, ongehuwd meisje, van twaalf jaar af en daarboven [Ml.id.].

prawara : zie wara, II.

prawira : zie wira.

purwaka : Kw. begin, oorsprong, oorzaak [= wiwitan en ngarêp, Skr. poêrwaka, eerder, vorig, voorgaand, van poêrwa, purwa]. -murwaka, een begin maken, beginnen. kapurwakan, hetgeen begonnen is, begin.

purwakanthi : K.N. een vers of verzen, waarin verscheidene woorden met gelijke letters en klanken op elkander volgen; hoedanige kunstige verzen echter dikwijls niet veel meer dan klinkenden onzin behelzen [zamangesteld uit purwa, en kanthi].

praweda : Kw. ontmoeten.

prawasa : zie parwasa.

parwata : of prawata, ook wel prabata, Kw. berg [= gunung, Skr. parwata]. Bathara Parwata, bijnaam van Batårå-Goeroe. prabata latu, een vuurberg. -marwata of mrawata, tot een berg maken, bij een berg vergelijken; naar een berg gelijken.

puruwita : z.v.a. puruhita.

prawatan : zie rawat.

prawasa : of parwasa, Kw. kwetsuur, wond [= katiban tangan, van wasa]. -mrawasa of marwasa, kwetsen, wonden; geweld gebruiken; bederven, verwoesten [marwasa = anangani. kaparwasa = katanganan en pinarawasa,

--- 485 ---

= winisesa].

parwasa : zie prawasa.

pruwasa : en mruwasa, z.v.a. prawasa en mrawasa.

prewangan : K.N. een boozen geest bezweren [van rewang?].

parol : Holl. parool, wachtwoord, een woord, waaraan men elkander kent.

prêlu : z.v.a. pêrlu.

pêrlu : K.N. noodzakelijkheid, vereischte, pligt; drijfveer, beweegreden; noodzakelijk, noodig [Ar. fardhu], noodzakelijke verpligting]. pêrluning dhatêngipun, de beweegreden van zijn komst. ora pêrlu, N., botên pêrlu, K., onnoodig. -mêrlokake, N., -kên, K., noodzakelijk maken; iets als zijn pligt beschouwen, zich beijveren, zijn best doen; nopen, dringend bewegen.

pralina : zie lina.

parêlik : zie pêlik, I.

pralaya : zie laya, II.

paraliman : zie lima.

pralampita : Kw. leer, onderwijs; zedelessen [Skr. pralapita, gezegd, gesproken, verklaard].

pralambang : zie lambang.

parap : zie parab.

prapèn : zie api.

pripun : verkorting van kaprihipun, Md. van kapriye, N., zie bij kadi.

parapèn : of pêrapèn, zie api.

pura-pura : K.N. veinzen, voorgeven, huichelen; veinzerij [Ml.id.].

paripurna : Kw. in alle opzigten volkomen, in alle deelen volmaakt; geheel uitgedost [= têtêp sabarange, Skr. paripoêrna, volkomen; voldaan; van purna, met het voorzetsel pari, II.]. -maripurna, volkomen uitrusten, opschikken, uitdossen, in gereedheid brengen; in den vorigen staat herstellen. pinaripurna, uitgedost.

prepretan : K.N. een aanhoudend geluid, gemompel.

pêrpak : mêrpak, z.v.a. mêrpêk.

pêrpêk : of parêpêk, K.N.; mêrmêk of marêpêk, naderen [= cakêt]. -mêrpêki of marêpêki, iemand of iets naderen, op iemand of iets toeloopen [= anyakêti].

paripêksa : Kw. K.N. dwang, geweld, geweldenarij; dwingen, sterk op iets aandringen; geweld gebruiken, ontweldigen [van pêksa, met het voorzetsel pari, II.].

prapta : Kw. komen; komst [= têka, Skr. prâpta, verkregen, bereikt, geplaatst].

prapti : z.v.a. prapta [= dhatêng].

prapat : zie pat.

paripolah : K.N. de geheele houding, het geheel gedrag [van polah, met het voorzetsel pari, II].

praja : zie raja.

parji : of pêrji, [Ar. farji], de vrouwelijke schaamdeelen.

prajurit : K.N. een krijgsman, soldaat [van jurit, met het voorzetsel pra, pra, I.; Ml.id.]. prajurit dharat, voetvolk, infanterie. prajurit kapalan, ruiterij, cavallerie. -prajuritan, [-...]

--- 486 ---

[...prajuritan,] hetgeen tot een krijgsman behoort, als: de krijgsmansstand, zijn uitrusting, wapenen, enz. -kaprajuritan, als een soldaat gekleed zijn, wanneer men zich op reis begeeft.

prajaka : Kw. zendeling [Skr. prâdjaka, voerman].

pêrjiwatan : Kw. vleijerij.

parjaya : of prêjaya, Kw. [waarschijnlijk voor prajaya, van jaya]; marjaya of mrêjaya, kwetsen, wonden, dooden; overwinnen [= anibani en kaparjaya = kakênan].

parijatha : naam van een struikgewas met een kleine ronde vrucht, die door zwangere vrouwen gegeten wordt.

prajangji : zie jangji.

prajôngga : zie jôngga.

pêrejengan : K.N. de gedaante, het voorkomen van iemand.

praya : Kw. I. het hart; moed, dapperheid. saekapraya, één van hart, eensgezind, eenstemmig [= tunggal sakarêp]. nyuda praya, den moed laten zinken. II. het voorkomen, gelaat [= cahya, Skr., prâja, gelijk, gelijkend, in zamenstellingen].

priya : Kw. man, mannelijk [= lanang, Skr. priya, bemind; de man van een vrouw]. priyagung, zie bij priyayi.

priye : verkorting van kapriye.

priyantun : zie priyayi.

priyantaka : of priyôntaka, benaming van een soort van soldaten of lijfwacht van den vorst te Soerakarta [zamengesteld uit priya en antaka].

prayitna : Kw. K.N. omzigtig, voorzigtig, behoedzaam, bedachtzaam; omzigtigheid, hoede, beleid [= ngati-ati, Skr. prajatna, aanhoudende inspanning; omzigtigheid, hoede: van yitna]. -mrayitnani, voor iemand of iets op zijn hoede zijn, voor iemand of iets zich in acht nemen.

prayayi : zie priyayi.

priyayi : ook prayayi, en somtijds piyayi, N.; priyantun, K., ambtenaar; ook een aanzienlijke. prayayi agung, ook bij verkorting priyagung, hooge ambtenaar. priyayi kônca, ook bij verkorting prikônca, medebeambte, ambtgenoot: doch waaronder verstaan wordt een aan een hoogeren toegevoegd of ondergeschikt ambtenaar. -mriyayi, zich het voorkomen of het aanzien van een Prijaji geven. -kapriyayèn, N., kapriyantunan, K., rang of titel van een Prijaji; iemands rang of stand.

priyêmbada : Kw. liefkozing, vleijerij [= ngarih-arih wong wadon]. -mriyêmbada, liefkozen, vleijen [= angarih-arih tiyang èstri].

prayoga : N., prayogi, K. [ook als K.h. van bêcik en sae] fraai, schoon, mooi, net, sierlijk; wel, behoorlijk, goed, best, deugdzaam [= pantês, van yoga, met het voorzetsel pra, Skr. prajôga, gelegenheid, gevold, uitslag, aanwending, enz.]. kurang prayoga, N., kirang prayogi, K., ongepast. prayogane, N., prayoginipun, het best. sangêt prayogi of prayogi sangêt, zeer best, uitmuntend, voortreffelijk. sampun prayogi, volkomen goed, onverbeterlijk. -mrayoga, [-mra...]

--- 487 ---

[...yoga,] N., mrayogi, K., fraai maken, verfraaijen; naar behooren schikken, zoo als het best is regelen, in orde brengen. -mrayogakake, N., mrayogèkakên, K., de goedkeuring aan iets geven, iets goed vinden, goed noemen; verbeteren. -pamrayoga, N., pamrayogi, K., goedvinden, wat het best geacht of als het best voorgesteld wordt.

prayogi : zie prayoga.

priyôngga : Kw. zelf, in eigen persoon [= dhewe].

prayangan : Kw. een geest van het vrouwelijk geslacht [Het wordt verklaard door setan. misschien van yang = hyang]. -mrayangan. zich als een Prajangan vertoonen.

prama : Kw. bekwaam, bedreven [Het wordt verklaard door luwih, Skr. pramâ, ware kennis; bewustheid; maar parama, beste, uitstekendste, voornaamste, eerste]. pramakawi, een dichter.

param : Kw. 1. overtreffen, te boven gaan; meer dan. 2. alles, geheel en al.

parêm : K.N. zalf, blanketsel. -marêmi, zalven.

parman : [Pers. farmaan], order, hoog bevel, hooger last, vorstelijk mandaat [= pangandika].

priman : K.N. bedelen. -wong priman, een bedelaar.

pramana : Kw. I. het kloppen van het hart. II. klaar, duidelijk; juist, regt [prêmana = nyata en tamat paningale, pêrmana = kabênêran prênahing tatu, [Ml. permana], maat, gezette prijs; Skr. pramâna, rede, beweegrede; grens; bewijs, gezag; maat, hoeveelheid; enz.]. -mramanakake, N., -kên, K., klaar, duidelijk maken; juistheid of naauwkeurigheid aanwenden.

parimana : of paremana, I. Kw. de vrouwelijke schaamdeelen. II. parimana, Kw. in schijn zich te vreden toonen [Skr. parimâna, maat; meting].

paremana : zie parimana.

prêmoni : bijnaam van Doergå [sang pramona, vind ik verklaard door sang tingal êning, misschien van het Skr. mauna, stilzwijgendheid; mauni, een zwijger, een heilige kluizenaar].

pramanêm : Kw. het stoppen van den mond; K.N. als regtsterm het verzwijgen. dhêndha nyidhêm pramanêm, boete wegens het niet aangeven van gepleegde verwonding of moord.

paramêrta : Kw. mildheid, goedheid [Skr. paramârtha, voortreffelijkste schat; paramreta, regenend. Vrg. palamarta].

pramuka : Kw. hoofd, aanvoerder [Skr. pramoeka].

pramade : zie madya.

pêrmadani : Ar. [?] tapijt [Ml. tapijtwerk, tapijten. Vrg. prangwadaning].

pramudita : en pramuditya, Kw. de wereld, het heelal [= jagad en sajagad kabèh, Skr. pramoedita, verheugd, gelukking: van mudita]. jagad pramuditya, de geheele wereld.

pramuditya : zie pramudita.

pramati : Kw. iets dat zeer schoon is [= kang luwih bêcik, Sd. Ml. pêrmata, juweel].

pariwita : Kw. medelijden; bewaken, beschermen [= rumêksa, Skr. parimita, gemeten; geregeld].

--- 488 ---

pramasa : Kw. vorst.

pramèswari : Kw. vorstin [= garwaning ratu, Ml. permaisuri] ; Skr. paramêswara, het hoogste wezen; Siwa; Wisnoe; Paramêswari, Doergå, zamangesteld uit parama (zie prama) en iswari, meesteres].

pramèsthi : bijnaam van Batårå-Goeroe [Skr. paramêsti, een naam van Brahmâ, van paramêsta, hoogste]. Zoo ook pramèsthi bega.

pramila : z.v.a. mila.

prêmpuhan : I. [Ml. perempuan], vrouw, vrouwelijk. II. K.N. gereed, tot stand gebracht.

parêmpon : zie rêmpu.

pêrimpên : of parimpèn, K.N. verborgen, onzigtbaar.

prampang : K.N. het zeer warm hebben [van ampang?].

prameya : Kw. dapper; een krijgsman [= luwih en prawira, Skr. prameja, meetbaar; beproefbaar, beproefd, wat de proef kan doorstaan].

prameyan : zie rame, II.

primbon : N., primbêtan, K., een fooverspreuk, een geheimzinnig teeken.

Prambanan : naam van een dessa op Java, in welker nabijheid zich een menigte Boedistische oudheden bevinden [waarschijnlijk van ramban].

primbêtan : zie primbon.

prambayun : zie pambayun.

prambage : of prêmbage, K.N. groete, welkomsgroet [van bage].

prêmbage : zie prambage.

praga : N., pragi, K., naam van een rivier op Java.

pragi : zie praga.

parag : Kw.; marag, naderen; aanvallen [vrg. marêk]. kaparag, l.v.

purug : K. [paran, N.] de rigting of koers naar iets toe, de gang naar een plaats. sapurug-purug, in alle rigtingen, naar alle kanten. sapurugipun, naar zijn rigting, waar hij naar toe gaat. -murugi, naar iemand of iets toegaan, zich naar een plaats begeven, iets halen. purug-pinurugan, elkander op dezelfde plaats ontmoeten. -murugakên, naar een plaats zenden; aanwijzen, aantoonen; verschaffen. -papurugan, de plaats waar heên men gaat.

progoh : K.N. de lengte van een arm. saprogoh, een arm lang, een vadem.

pragunan : naam van een distrikt op Java [waarschijnlijk van guna].

paragak : K.N. de stomp van een afgekapten tak, die aan den boom is blijven zitten.

pragad : z.v.a. pragat.

pragat : K.N. doorgesneden, doorgekapt; afgedaan, beslist. -mragat, afsnijden, doorsnijden; een beest de keel afsnijden, slagten; een zaak afdoen, beslissen. -pragatan, slagt, een geslagt beest; een afgedane zaak. khewan pragatan, slagtvee.

pragata : naam van een berg, van een Boetå en van een Patih van Mandoerå [Skr. pragata, afgezonderd, moeijelijk te begaan].

prêgiwa : naam van een tooneelstuk; en eign. der vrouw van Gatoetkåtjå.

--- 489 ---

prigêl : K.N. behendig, vlug; schrander, leep.

pragola : Kw. sterk, krachtig, dapper; sterkte, kracht [= pikuwat van gola]. apragola, met kracht of dapper strijden.

pragalba : Kw. een tijger; ook eign. van een Boetå [Skr. stout, stoutmoedig, driest]. -mragalba, een tijger nabootsen; ook ingaan, binnengaan.

pragnyana : Kw. voorzigtig, behoedzaam [Skr. pradjnjâna, kundig, geleerd; kunde, wetenschap].

pragôngsa : 1. Kw. een aap, ook eign. van een Boetå [Skr. pragasa, verslindend; vraat; een daemon]. 2. K.N. personen die in een bosch vooruitgaan, om de struiken en boomen weg te kappen ten einde den weg te banen.

paragangsalan : zie gangsal.

praba : Kw. schijn, glans, straal; het vlammen van een vuur [= cahya en kadhaton, Skr. prabhâ, licht, glans, luister; de stad van Koewéra; ook een naam van Doerga: van ba]. -prabayasa, zie beneden.

prabu : K.N. vorst [= Skr. prabhoe, superieur, opperste, heer, meester]. sang prabu, de vorst. prabu anom, de jonge vorst, de kroonsprins [= pangeran adipati]. -prabon, hetgeen een vorst behoort; vorstelijk; vorstelijke kleeding [= busana]. -kaprabon, vorstelijk; vorstelijke waardigheid; vorstendom; vorstelijke kleeding; vorstelijke staatsie; plegtigheid; krijgsrusting.

purba : Kw. z.v.a. purwa, ook magt; magtig; sterk [= pangarêp, wêwinih en kang amêngku, Skr. poêrba = poêrwa]. purbanêgara, eign. van een Sålåschen Prins. purbawisesa, God de schepper. -murba, scheppen [= kang agawe]. kang murba, de Schepper. kang murbèng jagad, de Schepper der wereld.

parab : of parap, Kw. naam [= jênêng, of nama]. pêparab of pêparap, genaamd; heeten. -marabi of marapi of mêmarabi, iemand een naam geven [= amaringi nama]. pinaraban, genoemd worden. -pêparaban, K.N. een voornaam.

prabancanasuta : bijnaam van Anoman.

prabeda : z.v.a. beda.

pribadi : Kw. zelf, in eigen persoon [= dhewe].

prabot : K.N. gereedschap, tuig, huisraad, ameublement; versierse [Sd.Ml.id.]. praboting griya, huisraad. praboting jaran, paardetuig. prabotipun dhuwung, de versiering van een kris. -mrabot, gereed, bereid, uitgerust (van personen); kostbaar, prachtig. -mraboti, iets gereed maken, uitrusten, b.v. een schip.

prabata : zie parwata.

prabatang : K.N. een omgevallen boom [= kayu gêdhe kang wus rubuh, [Ml. batang], een stam, tronk]. -mrabatang, naar een omgevallen boom belijken.

paribasa : K.N. beeldspraak; toespeling, heenwijzing, aanduiding [Skr. paribhâsâ, een aangenomene term, kunstterm: van basa, met het voorzetsel pari, II]. -maribasani, iemand door iets een wenk geven, hom zijdelings teregtwijzing geven. -paribasan, klanknabootsing; een spreekwoord.

--- 490 ---

prabawa : K.N. 1. bovennatuurlijk vermogen, een bovennatuurlijk vermogen bezitten; ook eign. van een Patih van Mandoerå; 2. z.v.a. paribawa [= kasêktèn, Skr. prabhawa, superioriteit, meerderheid, voortreffelijkheid, magt; superieur, magtig; ook de bron, grond, oorzaak, waaruit of waardoor iets ontstaat: van bawa, met het voorzetsel pra, I.].

paribawa : K.N. geäardheid, inborst; houding, gedrag, manieren [Skr. paribhawa, minachting; nederlaag. Vrg. prabawa, 2.].

Prabalingga : naam van een distrik op Java.

prabeya : K.N. onkosten [van beya]. prabeyaning apadu, de onkosten van een Proces.

prabayaksa : zie prabayasa.

prabayasa : ook prabayaksa, K.N. de woning van den vorst en de voornaamste vorstin binnen den Kraton; het paleis of sérail [= dalêming ratu kang anèng pêpungkuran. zamengesteld uit praba en yasa of yaksa].

pêrbêng : K.N.; mêrbêng, opwellen, te voorschijn komen; de tranen in de oogen krijgen, van iemand wien de tranen in de oogen schieten.

prathistha : Kw. begeerte, verlangen [Skr. prathista, zeer wijd; en pratista, vermaard; vermaardheid; vervulling, volbrenging; enz.].

prang : of beter pêrang, K.N. gevecht, oorlog, krijg, strijd, twist [Sd.Ml.id. Het is oorspronklijk hetzelfde woord als pêdhang, Vrg. hier onder mêrang]. aprang, oorlog hebben, oorlogen, vechten, strijden. aprang sêkar, al dansende vechten. prang catur, een woordenstrijd; schaakspel. prang ngatbuta, verschrikkerlijk gevecht, verschrikkelijk vechten; woedend. prang dhêmit, een oorlog tusschen onzigtbare magten, een geestenoorlog. prangwadana, zie beneden. -mêrang, kappen, hakken, houwen [vrg. pêdhang en parang, II. Zie ook mêrang, beneden]. -mêrangi, meervoud; ook beoorlogen. -prangan, pêrangan of pêpêrangan, met een ander of elkander oorlog voeren, oorlogen, strijden; strijd. -paprangan, oorlogsveld, slagveld. -pamêrang, het kappen, hakken; houw.

pring : of êping, N. [rosan en dêling, K.] bamboe. pring gadhing, een soort van gele bamboe.

parang : K.N. I. een steile rots, klip [= watu en watu kang lancip-lancip]. parang rusak, parang rusak barong, parang rusak kalithik, parang wèsthi, parang kurung, parang karna en parang kusuma, benamingen van bijzondere soorten van BatiK. parang garudha en andere zamenstellingen, zie beneden. II. hakmes, snoeimes [Sd.Ml.id.].

parêng : I. K. en K.h. [awèh, N., sênêng, K.N.] er genoegen in nemen, goedvinden, goedkeuren, bewilligen; er behagen in scheppen; genoegen, tevredenheid, welbehagen; tevreden. yèn parêng of yèn parêng karsa sampeyan, als u het goedvindt. damêl parêng, tevreden maken. andadosakên parêng, tevredenheid veroorzaken. -marêngi [nglêgani, N.] inwilligen, toestaan, veroorloven, vergunnen. -marêngakên, iemand met iets genoegen geven. II. K. juist, op hetzelfde oogenblik, gelijktijdig [= barêng en sami]. kaparêng of pinarêng, door toeval gelukkig; tijdig. sampun pinarêng

--- 491 ---

wontên jodhonipun, huwbaar. -marêngi, K.N. op hetzelfde oogenblik aankomen of iets verrigten; juist treffen. kaparêngan, juist van pas gekomen.

paring : K.h. [awèh, N., suka, K.] gift, geschenk, verleening, mededeeling van een meerdere aan een mindere. aparing, geven, verleenen, schenken, mededeelen. pêparing, iets geven, zonder bepaaldvoorwerp. -maringi, iemand iets geven, verleenen, schenken of mededeelen. -paringan, gift, gaaf, geschenk, aalmoes. kaparingan, l.v., een gift of geschenk ontvangen. -maringake of -kên, iets geven, verleenen, schenken of mededeelen aan iemand.

parung : K.N. I. gebogen, krom, golvend, slangvormig; een soort van slangvormige kris of lans. parungsari, benaming van een bijzonder fatsoen van krissen. II. een diep ravijn met vele puntige steenen beneden; een moeijelijk te betreden weg [Sd. waadbaar, doorwaadbaar; doorwaadbare plaats, ondiepte].

pêrang : zie prang.

pêrung : K.N. het afsnijden van ooren of neus, een straf bij de Javanen in vroegeren tijd in gebruiK. -pêrung, de ooren of neus afsnijden. -prungan, iemand met afgesneden ooren of neus.

pirang : zie pira.

pirêng : zie bij mirêng.

piring : K.N. I. bord, tafelbord; schotel [Sd.Ml.id.]. II. z.v.a. pèrèng, -mêmiringi, zijdelings op iets doelen, zinspelen, iemand een steek onder water geven. -pêpiringan, zinspeling, zijdelingsche aanduiding.

perang : K.N. verdeeld; verdeeling, afscheiding. -merang, afscheiden, afzonderen; afdeelen, aanwijzen, verdeelen. -perangan of pêperangan, in afzonderlijke afdeelingen, elk afzonderlijk [= dhewe-dhewe].

pèrèng : of pêpèrèng, K.N. afhelling, helling van een berg; schuins naar beneden gaan; een ondergeschikte van een hoofdgoenoeng [van èrèng, z.v.a. iring]. -mèrèng, zich op zijde van een berg bevinden; overhangen, overhellen [Vrg. miring van iring]. kapering wetan, naar den ookstkant toe.

porong : K.N. de heup van het lichaam.

prungon : zie rungu.

pirngon : of firangon, [Ar. Fir'aun], de eign. Pharao.

parungon : zie rungu.

prangkat : K.N. stel, de geheele toestel van iets [van angkat of pangkat]. saprangkat, een stel, b.v. een stel knoopen.

prangkul : K.N. een breekijzer.

prêngus : K.N. de reuk van de wol van een schaap.

pringis : K.N.; mringis of maringis en pringisan of puringisan, K.N. een pinjlijk gevoel uitdrukken door de tanden op elkander te sluiten en de lippen te openen [vrg. mrongos].

puringisan : zie pringis.

pringsilan : zie ringsilan.

prangwadana : eign. van een Prins [zamengesteld uit

--- 492 ---

prang en wadana]. -kaprangwadanan, de woning en het gebied van Prangwadånå.

prangwêdani : Kw. tapijt, vloerkleed; slaapstede [vrg. pêrmadani].

parangmuka : Kw. tegenpartij, vijand [= mungsuh of mungsuhing ratu].

prênggi : Pers. Frankii], Frankisch, Frank: een benaming, die in werken uit het Arabisch vertaald, aan alle Europeanen gegeven wordt [Ml.id.].

pringga : Kw. moeijelijkheid, gevaar; gevaarlijk [= pakewuh van ringga]. wanapringga, een gevaarlijk bosch. anirpringga, benaming van een wort van soldaten van den Vorst van Soerakarta. surapringga, zie surabaya, pringgabaya, zie baya.

prunggu : zie parunggu.

parunggu : pêrunggu of prunggu, K.N. gemengd metaal, klokkenmetaal, klokkespijs, waarvan de verschillende instrumenten van de Gamellan gegoten worden; een geluid geven.

parunggo : Kw. aantrekken, zich kleeden, gebruiken [= anganggo].

prangguh : en mirangguh, zie pranggul.

parang garudha : (Arendrots) naam der woonplaats van Sombå.

pringgadani : naam der woonplaats van Gatoetkåtjå.

waranggèhwan : Kw. ijverzucthig, jaloersch [= butarêpan].

pranggul : of piranggul en prangguh of pirangguh, K.N.; kapranggul en kaprangguh, op weg ontmoeten, tegenkomen. -mrangguli of mirangguli en mrangguhi of mirangguhi, iemand of iets op weg ontmoeten of aantreffen.

pronggol : K.N.; mronggol, een boom besnoeijen [vrg. mrunggul].

parang gêlung : naam van een rijk.

parang gumiwang : naam van een berg.

prungan : zie pêrung.

prang ngatbuta : zie prang.

pak : of êpak, I. Holl. pacht; ook pachter. pak apyun, de opiumpacht, ook (anders en beter tukang pak apyun) opiumpachter. II. zie bapak.

puk : 1. êmpuk, -2. verkorting van nêmpuk of têmpuk.

pèk : zie apèk.

pok : of êpok, z.v.a. pokok [zie êpok, boven]. poking lading de steel van een mes.

paku : Kw. nagel, spijker, bout; steun [= wêsi kang gilig lancip, Sd.Ml.id.]. Pakubuwana, de spijker der wereld (hetgeen de wereld bij elkander houdt): naam of titel van den Vorst van Soerakarta. -maku, spijkeren, negelen, een spijker in iets slaan, vastspijkeren, vastnagelen. makuswara, Kw. iets stellig beloven, verzekeren: eig. de stem vastspijkeren.

pake : make, Sd.Ml. gebruiken, aanwenden. -pakean, Sd.Ml. tuig, zooals paardetuig, reistuig, bagaadje.

pakah : K.N. een knoest of uitwas van een boom.

pêkah : K.N. winsten door den handel verkregen; vermogen, bezitting.

pekoh : K.N. kromme beenen hebben.

--- 493 ---

pokah : K.N. afgebroken, van zelfs afgevallen. -mokah, afbreken.

pakan : K.N. I. voeder, voedsel van een beest; aas, lokaas [Het grondwoord pakan, is in het Soendasch in gebruik]. -makan, vreten, opvreten [Ml. eten]. -makani, voederen, voêren, een beest te eten geven. -makakake, N., -kên, K., een beest laten voeden. -pakanan, voeder. -pamakanan, plaats voor het beestevoeder, voederbak, trog, krib. II. het garen om een weverspoel. pakan nênun, inslag, van weefsel.

pakèn : zie kon.

pakon : zie kon.

pêkên : zie pasar.

pikun : K.N. door ouderdom kindsch worden; dutten, suffen.

pakênira : N., voornaamwoord van den tweeden persoon. gij, u, uw. Zie de Spraakkunst.

pakandêlan : K.N. een gijzelaar [van andêl].

pakintun : zie kirim.

pakantuk : zie antuk.

pikantuk : zie antuk.

pêkir : [Ar. faqiir], een fakir, bedelmonnik.

pikir : K.N. of N. [pamanah, K., panggalih, K.h., pambudi, K.N.] overdenking; overleg, gedachte; oordeel, meening; raadgeving, voorstel [Sd.Ml.id.; Ar. fikr] tanpa pikir, zonder overleg, onoverlegd, onbedachtzaam, onachtzaam, ligtvaardig. nurut pikire dhewe, eigenwijs. -mikir, overdenken, bedenken, nadenken, overwegen, overleggen, behartigen; peinzen, denken. ora mikir wêkasan, onbezonnen. kapikir, voorbedachtelijk. -mikiri, over iets denken, beoordeelen; iemand in overweging geven, raden, aanraden. -pikiran, met een ander of met elkander overleggen, raadplegen. -pamikir, nadenken, gepeins, overleg, besef, gevoelen, meening.

pokiran : K.N. lichaamsbouw, gestalte [van ukir].

pakardi : zie krêti.

pakarti : zie krêti.

pakarêpan : N. begeerte, verlangen; het voorwerp der begeerte, iets waarnaar men verlangt: van arêp.

pêkak : K.N.; mêkak, inhouden, tegenhouden, intoomen, bedwingen, beteugelen [vrg. pênggak, mênggak]. mêkak kapal, een paard inhouden. -pamêkak, inhouding, beteugeling, bedwang; K. [bangkekan, N.] het middellijf.

pêkik : Kw. K.N. fraai, schoon, van een man [= rupa kang bagus]. apêkik, schoon maken, verfraaijen. sang pêkik, een schoon jongeling.

pokok : K.N. het onderste van iets, voetstuk, steel [vrg. pok, Ml. grond, grondslag, kapitaal].

pêkakèn : zie kaki.

pakakas : z.v.a. bêkakas [Sd.Ml.id.]. pakakasing pêrang, krijgsgereedschappen, oorlogstuig.

pakti : Kw. verraad.

--- 494 ---

pikat : K.N. een werktuig om vogelen te vangen. -mikat, vogelen vangen.

pikut : Kw.; mikut, vatten, pakken, binden [vrg. ngikut].

pêkatul : K.N. fijn kaf, zemelen.

pêksa : K.N. dwang, geweld; voortgang, volharding; met geweld of volstrekt willen [= kawasa, wisesa, anjiyat en karêp, Sd.Ml.id. Vrg. têksa]. -mêksa, dwingen, noodzaken, verpligten, dringen; vergen; volharden, met geweld bij iets blijven; verkrachten, schenden. pinêksa, gedwongen. -mêksakake, N., -kên, K., iemand dwingen tot iets, bij iemand blijven aandringen on iets te doen. -kumêksa, standvastig, volhardend. -pamêksa, dwang, geweld.

pêksi : K. [manuk, N.] vogel [Skr. paxî]. pêksi dara, duif. saurpêksi, zie saur.

pikpa : Kw. kennis, berigt [= wêruh, van het Skr. îxa, zien, met het voorzetsel pa, even als priksa, met het voorzetsel pra]. tur piksa, kennis geven. tupiksa, zie boven.

puksur : benaming van twee bekkens, die tegen elkander geslagen worden, of van een soort van zware bekkens, zoo als de gong, maar zonder knop in het midden [= têngêran gamêlaning prang].

pakewuh : zie ewuh.

pakiwan : zie kiwa.

pakuwan : Kw. benaming der Godsdienst van Wisnoe.

pakuwon : zie kuwu.

pakèwêd : zie ewuh.

pakawisan : zie karang, II.

pakèl : K.N. benaming van een vrucht: een soort van groote Mangga.

pikul : N. [rêmbat, K.] een schoudervracht, een gewigt van ongeveer 125 oude ponden; een lastdrager, koelie [Sd.Ml.id.] rong pikul, twee pikols. -mikul, over den schouder dragen; pleiten. mikul gawe, een werk verrigten, verpligte heerediensten doen; bezig. -pikulan, de stok waaraan iets over den schouder gedragen wordt; draagstok; wat over den schonder gedragen wordt, vrachtgoederen; verpligte heerediensten.

pukul : Ml. pukul], slaan; K.N. klokslag, uur. pukul têlu, N., pukul tiga, K., klokslag drie, om drie uur. -mukul, K.N. op iets slaan, om geluid te maken; kloppen, vechten. pukul-pinukul, met elkander kloppen.

pokal : K.N. een kwaad oogmerk, listige aanslag.

pokil : K.N. verkrijgen.

pokol : K.N. een knoest, uit was aan een boom.

pakolèh : zie olèh.

pukulun : Kw. heer; ook als voornaamwoord van den tweeden persoon: gij, u [= kowe].

pok-pok : zie pok.

pakaja : Kw. I. aarde, grond [= lêmah]. II. iets dat een glans verspreidt; een schoone vrouw.

pakêm : K.N. geschiedkundige aanteekeningen, jaarboeken; proza-stijl. pêpakêming nagara, de jaarboeken des lands.

--- 495 ---

pukang : K.N. de dijen van een beest, de schenkels, een dijstuk.

pada : Kw. voet, voetzool; plaats; K.N. stanza van een gedicht; versmaat, zangwijze; scheidteeken [= dalamakan en lèrèning layang ingkang nganggo têmbang, Skr. pada, voet, voetstap; plaats, plek, oord; een regel van een stanza, dichtregel]. sapada een vers. pada agêng, de groote versmaat, versmaat in Kawische gedichten. pada macapat, de kleine of gewone versmaat, die thans algemeen in gebruik is. manuswapada, de aarde.

padi : [Ml. padi], rijst die nog in het stroo is [Jav. pari, N., pantun, K.].

padu : N., pabên, K.; zie adu, -madoni, N., mabêni, K., bestrijden, betwisten, twisten, weêrspeken, tegespreken, wederleggen, zich verantwoorden. -parapadu, N., parapabên of paripabên, zie para, III.

pêda : naam van een zeevisch.

pidi : Kw. uitvorschen, uitvragen.

pedah : [Ar. Faiidah], voordeel, nut [Ml.id.]. tanpa pedah, zonder voordeel, nutteloos.

padon : 1. N. zie adu, 2. K.N. de punten die elkander raken; een binnenhoek [ook van adu]. ing pêpadoning griya, in een hoek van het huis.

padar : Kw. de maan; een maand [= sasi, misschien het Ar. badr], de maan, inzonderheid de vollen maan].

padarakan : K.N. iemand van de gemeenste soort, uit de laagste klasse.

padaringan : K.N. een plaats waar gestamte en schoongemaakte rijst bewaard wordt; de pot, waarin de bij de bijeenkomst van jong gehuwden door den man aan de vrouw gegevene Goedé, Katjang en ongekookte, geel gemaakte rijst bewaard worden.

padik : K.N.; madik, naar iets uitzien, vooruitzien. -padikan, uitzigt, vooruitzigt, berekening van een kans.

pidak : K.N. I. zie idak, II. een Kemiri noot.

paduka Kw. voornaamwoord van den tweeden persoon: gij, u, uw [= kowe of sampeyan, Het wordt ook verklaard door suku, Skr. pâdoekâ, schoen. Dit is dus de eigenlijke beteekenis. [Ml. paduka of padoka], gewoonlijk als titel van Vorsten [paduka sri] ]. karsa paduka, uw wil.

padudon : zie dudu.

padêmi : z.v.a. padmi.

padatan : K.N. gewoonte, gebruik: van adat.

pados : verkorting van upados.

padesan : zie desa.

padasan : K.N. een waschvat aan de ingang van een tempel.

padusan : zie adus.

padupan : zie dupa.

padya : Kw. I. z.v.a. pada, ook z.v.a. paduka, II. een priester, ook bijnaam van Batårå-Éndrå.

pudya : Kw. bede, wensch [z.v.a. puja]. -mudya, z.v.a. puji.

--- 496 ---

padma : Kw. de Lotus- of Toendjoeng-bloem [= sêkar tunjung, Skr. padma]. padmasana, de zitplaats van Batårå-Goeroe [Skr. padmâsana, een zetel of troon in den vorm van een lotus, waarop afgodsbeelden geplaatst worden]. padmanaba, een bijnaam van Kresna [= Bathara Wisnu, Skr. padmanâbha, een naam van Wisnoe]. padmaraga, een bed van bloemen [Het wordt verklaard door kasur sari, Skr. padmarâga, een robijn; eig. lotuskleurig].

padmi : Kw. een schoone godin; de eerste vrouw van een Vorst [= Dèwi Sri, Skr. padmî (van padma, padma) een lotus; een vrouw van een der hoogste kastes; de eerste en voortreffelijkste]. Men gebruikt ook garwa padmi, in onderscheiding van garwa sêlir.

padubarat : naam van een soort van onzigtbare Boetå's of booze geesten [= lêlêmbut ing setra gôndamayit, zamengesteld uit padu en barat].

padang : zie dang.

padèng : zamentrekking van pada en ing.

pidanggung : Kw. juist, op het oogenblik [= salagi en sawêg].

pat : vóór een naamwoord geplaatst, patang en achter een naamwoord, papat, N. [kawan en sakawan, K.] vier; b.v. patang dina, vier dagen; patang puluh, veertig; patang atus, vier honderd; kêbo papat, vier buffels. ping pat, de (of het) vierde; viermaal. pat bêlas, veertien. môngsa pat, het vierde getijde. môncapat, zie mônca, -mapat, elk vier. -kapat, de (of het) vierde in opvolging; alle vier; het vierde getijde. kapat têngah, vierde half. kapatèng, vierde half dubbeltje. -prapat, (voor parapat) in vieren verdeeld; een vierendeel [Sd.id.]; ook z.v.a. môncapat, de vier in vier rigtingen naast bij een dorp gelegene dorpen. saprapat, een vierde; een vierde van een dubbeltje, een groot. têlung prapat, drie vierde. -mrapat, mêrapat of marapat, in vieren verdeelen; naar vier kanten, kruiselings. -parapatan of prapatan, in vier deelen of rigtingen. saparapatan, een vierde gedeelte, een vierde. dalan parapatan, N., margi parapatan, K., een kruisweg, viersprong.

pèt : zie amèt [= êpèk].

pot : of êpot, K.N. geeinsdigd; eindiging; het vervallen van een aanklagt; ledig, niet voorhanden. -ngêpotake, N., -kên, K., doen vervallen.

pata : verkorting van supata.

pati : N. I. [pêjah, K.] de dood. rajapati, of rajapêpati, doodslag, moord, als regtsterm. agawe pati, een moord plegen, doodslaan. olèh pêpati, dooden krijgen, d.i. dooden maken, in eet gevecht. apati, dooden, uitdooven. apatigêni, het vuur uitdooven; figuurlijk voor: zich gedurende eenigen tijd van alles onthouden, streng vasten, zoodat men ook des nachts niet eet. -mati, dood zijn; dood, gestorven; sterven; uitdooven, uitgaan [Ml.id.]. lêmah mati, een wildernis. mêmati, zich den dood wenschen; zich kastijden. -matèni, iemand dooden; iets uitblusschen, uitdooven;

--- 497 ---

vernietigen; doodend, doodelijk. kapatèn, ook wel kapatenan, l.v.; ook een verlies lijden door den dood, b.v. van zijn kind. patèn-pinatèn of patèn-pinatenan, elkander dooden. -matèkake, zijn begeerten, de lusten dooden; zich zelfverloochenen. -patèn, het werktuig waarmede men doodt; naam van een leesteeken in het Javaansche schrift, waardoor een letter van haar vokaalklank beroofd wordt. II. N., patos, K., en kapati, en kapatos, zie ati, II. III. Kw. heer, vorst. senapati, zie sena.

pita : I. Kw. geel [= kuning, Skr. pîta]. II. Sd.Ml. lint. pita jêne, geel lint, oranje lint.

pitu : en, vóór een naamwoord geplaatst, pitung, K.N. zeven; b.v. tiyang pitu, zeven personen; pitung dina pitung wêngi, zeven dagen en zeven nachten; pitung puluh, N., pitung dasa, K., zeventig. Achter naamwoorden wordt somtijds pêpitu, gebruikt: zeven onderscheidene. pitulas, zeventien. marapitu, in zeven verdeelen. -mitu, tot zeven maken; elk zeven. mitung dina, N., mitung dintên, K., een offerande doen voor een overledene op den zevenden dag na het overliden. -kapitu, de zevende in opvolging; alle zeven. môngsa kapitu, het zevende getijde, waarin zware regens vallen en sterke winden waaijen. kapitu têngah, zevende half. langit kapitu, al de zeven hemelen.

putu : K.N. [wayah, K.h.] kleinkind; putu lanang, kleinzoon; putu wadon, kleindochter.

pèti : Kw. zoeken.

patah : K.N. behoorlijk verdeeld, van den arbeid, gerangschikt; ook benaming van de twee meisjes, die, even als de bruid opgeschikt, vóór den draagstoel van de bruid zitten en dien vooruitgaan. Alleen dochters van prinsen mogen zulke Patah's bij het huwelijk gebruiken. -matah, ieder zijn post aanwijzen, verdeelen, aanwijzen, rangschikken, ieder zijn werk, zijn taak geven.

patih : K.N. een Javaansche titel, dien men door vezier of minister zou kunnen vertalen. Elk voornaam Javaansch ambtenaar heeft namelijk een Patih in zijn dienst, die zijn medehelper en de uitvoerder van zijn bevelen is, en die bij ziekte of afwezigheid zijn functiën waarneemt, in welk geval hij zijn Kamisepoeh genoemd wordt [Het is oorspronkelijk hetzelfde als pati, III., Skr. pati of patih, heer]. Men zegt ook pêpatih, -matih, Patih zijn, als Patih dienen. -kapatihan, de woning of het gebied van een Patih, inzonderheid van den Raden-Adipati, den Patih van den Vorst; ook de Paséban voor de woning van den Raden-Adipati, en de regtbank, die dáár's Woendags en Zaturdags zitting houdt, anders Balé-mangoe genaamd.

patuh : K.N. het bestemde; het gedeelte der landen, waarover een hoofd is aangesteld, dat aan dat hoofd voor zijn administratie als inkomsten wordt afgestaan. -matuh, zie beneden.

putih : N. [pêthak, K.] wit, blank [Ml.id., Skr. poêtih, zuiverheid, zuivering]. kulit putih, blanke huid, blank vel. salaka putih,

--- 498 ---

wit zilver, d.i. best zilver, waar weinig koper in is. -mutih, witten, bleeken; zich wit maken, zuiveren, heiligen; door bijv. gedurende zeven dagen geen vleesch te eten. -mutihake, wit maken, bleeken; rood zilver wit maken, zilver louteren.

patèn : zie pati.

petan : K.N. luizen of vlooijen vangen. -metani, luizen; een zaak naauwkeurig onderzoeken, uitpluizen.

pitnah : of pitênah, [Ar. fitnah], K.N. snoodheid, kwaadstoking, berokkening van kwaad; aantichting, betichting, laster [Ml.id.]. -mitênah, kwaad stoken, kwaad berokkenen, snood handelen; aantichten, betichten, lasteren.

patani : of patanèn, Kw. K.N. kamer, vertrek; bruidsbed, ledikant; festoen.

pitênah : zie pitnah.

patanèn : zie patani.

pitunan : zie tuna.

patra : Kw. blad van een boom; een beschreven blad, geschrift, brief [= godhong, Skr. patra]; ook fatsoen van het gevest van een kris. alintu patra, brieven uitwisselen.

patri : K.N. soldeersel [Sd.Ml.id.]. -pamatri, zamenvoeging, soldering.

putra : K.h. [anak, K.N.] kind, zoon of dochter [Sd.Ml.id., Skr. poetra, een kind, een zoon]; ook K.N. iets dat zeer fraai is, welgemaakt; b.v. panjang putra, een fraaije, fijne schotel. putra kakung, of putra jalêr, zooN. putra èstri, dochter. gadhah putra, een kind hebben; als (of tot) kind hebben, vader of moeder van iemand zijn. rajaputra, vorstenzooN. Maduraputra of putra Madura, de zoon van den vorst van Madura. aputra, of pêputra, een kind, of kinderen, verwekken, gewinnen. -mutra, kind noemen. -putran, iets dat naar een kind gelijkt, een pop [= anak-anakan]. -kaputran, de woning van een vorstenzooN.

putri : K.h. dochter van een vorst, prinses [Sd.Ml.id., Skr. poetrî, een dochter, vr. van poetra]. -kaputrèn, het verblijf der prinsessen in de KratoN.

patêr : Kw. het geluid van den donder, het gedruisch van vele wateren [= glugud]. gêtêr patêr zie gêtêr.

putêr : K.N. rond om heên, in een kring [Ml. draaijen, winden, enz.; Sd. een plant met de aarde er omheên uitsteken om te verplanten]. -mutêr, een kring om iets maken, ronddraaijen, om heên gaan; rondzwaaijen; een plant of een boom met de aarde er omheên uitgraven en verplanten. mutêr pêdhang, met een zwaard rondzwaaijen. mutêr nêgara, een land bestieren. -putêran, planten die met de aarde er om heên uitgestoken worden.

petor : Port. feitor, factor, onderkoopman; een Europeaan aan het hoofd van een buitenpost; Secretaris van een Residentie, assistent Resident.

pitrah : [Ar. fitrah], hetgeen (aan rijst) na het einde der vasten van de maand Ramelan aan de Priesters gegeven wordt; ook een bamboezen rijstmaat inhoudende aan gewigt 85 realen.

--- 499 ---

patrana : z.v.a. patarana.

patarana : Kw. een hoog gestoelte, eerezetel, vorstelijke setel; een verhevene plaats [= palungguhan en sitinggil, Ml.id.].

Petruk : naam van een bediende der Pandåwå's.

patirtan : zie tirta.

patrap : zie trap.

patrêm : K.N. een kleine kris of dolk, die door vrouwen gedragen wordt. -matrêm, naar een Patrem gelijken; van een Patrem gebruik maken.

pêtarangan : K.N. een kippenest.

patik : I. Kw. onderdaan, knecht; ook als nederig voornaamwoord van den eersten persoon [= kawula, Ml.id.]. patikbra, hetzelfde [= kawula]. II. K.N.; matik, steenen inzetten. pinatik, ingezet, b.v. met juwelen.

patuk : K.N. de snavel, bek van een vogel [= cucuk, Ml. beet van een slang]; ook eign. van een Bagawan. -matuk, met den snavel pikken.

pêtak : I. K.N. hard schreeuwen, veel gedruisch maken [vrg. pêtik]. II. K. of K.h.; mêtak. [ook nyarèkake, K.h.; mêndhêm, K.N.] een lijk begraven.

pêtêk : K.N.; mêtêk, met de hand op iets drukken, nederdrukken, indrukken; ook z.v.a. mêtak [en zie ook beneden]. kapêtêk ing prihatos, gedrukt (neêrgedrukt) door droefheid. -mêtêki, herhaaldelijk drukken, de ledematen drukken, pitjitten.

pêtik : K.N.; mêtik, in het oor schreeuwen [vrg. pêtak, I.].

pêtok : of pêpêtok, K.N. gekakel; kakelen, van een kip.

pitik : K.N. een kip. pitik Wêlônda, N., pitik Wêlandi, K. een kalkoen. pitik tumurun, een kuiken, kieken. pitik iwèn, pluimgedierte.

putêk : K.N. donker, duister; neêrslagtig; radeloos [= susah].

petak : I. K.N. brems, horzel [Sd. pitêk]. II. Kw. een afdeeling van een huis; [Ml. petak], afdeeling, afgeschoten vak; kajuit van een schip. -petakan, K.N. bij hoopen, bij troepen; kajuit.

pataka : Kw. I. een geslotene deur [= inêbing lawang, Skr. pataka, hetgeen valt]. II. groote misdaad; groote ramp, onheil [= duraka, Skr. pâtaka, de oorzaak van een val; zonde, misdaad].

patukon : zie tuku.

pitêkur : K.N. gebogen, gebukt zitten; een aandachtige houding bij het gebed.

patêksa : Kw. duidelijk, helder, klaar [= waspada].

patikbra : zie patik.

pitados : zie pitaya.

patut : N, pantês, K., voegzaam, gepast, behoorlijk, betamelijk, redelijk; raadzaam; waardig; behooren, voegen; waardig zijn, verdienen; K.N. eendragtig, eensgezind; Kw. z.v.a. patutan [Sd.Ml.id. De grondvorm is tut]. ora patut, onbehoorlijk, onbetamelijk, onwelvoeglijk, kwalijk. sapatute, N., sapantêsipun, naar behooren, met redelijkbeid. [re...]

--- 500 ---

[...delijkbeid.] -matut, N., mantês, K., iets schikken; een zaak of geschil schikken; iets behoorlijk verrigten; opschikken, verfraaijen. -mantêsi, behoorlijk maken; iemand tot reden brengen, op zijn plaats zetten; welvoegend, welvoeglijk. -patutan, K.N. een kind uit een

putat : naam van een boom, die bloemen draagt.

patos : I. N., hard, sterk, stevig. II. K.; zie ati, II.

putus : K.N. afgebroken, doorgebroken; afgedaan, beslist; geheel en al, door en door, ganschelijk; volkomen bedreven, volleerd [= kang sampun pintêr, Ml.id.]. -putusan zie utus.

patil : K.N. voelhoorn van een soort van vischen, zooals van de Lélé en anderen [Ml. naam van een timmermansgereedschap].

pêtêl : K.N.; mêtêl, met de hand drukken. -mêtêlake, N., -kên, K., op iets of iemand met de hand drukken; de leden van het lichaam drukken, kneden.

pitulas : zie pitu.

patapan : zie tapa.

patopan : K.N. een speelplaats, iets waarmede gespeeld wordt [Sd. jalma patopan, speler, dobbelaar]. -patopan, zie topan.

patêdhan : zie têdha, III.

pètdhatu : Kw. een koopman in het groot [= juragan].

pitajêng : zie pitaya.

patya : Kw. donker, duister.

pitaya : N., [ook piandêl], pitajêng, of pitados, K., vertrouwen, geloof; vertrouwen, betrouwen, aanvertrouwen, berusten, gelooven; iemands vertrouwen, vertrouweling. ora pitaya, N., botên pitajêng, K., wantrouwen, mistrouwen. kurang pitaya, N., kirang pitajêng, K., ongeloovig. -mitayani, N., mitajêngi of mitadosi, K., iemand betrouwen of vertrouwen, in iemand vertrouwen stellen, iemand iets toevertrouwen. kapitayan, kapitajêngan of kapitadosan, vertoruwd worden; vertrouwd, vertrouwde. -mitayakake, N., mitajêngakên, K., iets toevertrouwen, aanbevelen, besteden, aan iemand.

pityasa : Kw. den huwbaren leeftijd bereikt hebben [= wong nêdhêng biraine].

patulyan : Kw. een slaapplaats [= paturon].

patamu : en patamon, zie tamu.

patiman : zie tim.

patoman : zie tom.

patêmbaya : Interj. eilieve!

patagyan : zie tagih.

patagihan : zie tagih.

patibra : verkorting van patikbra, zie patik.

patbêlas : zie pat.

patang : zie pat.

pating : zie ting.

pêtêng : K.N. donker, duister; duisternis; in het donker, ter sluik [Ml. petang], Sd. pêting, avond, nacht]. -mêtêngi, verduisteren. -pamêtêngan, nachtwacht, geregtsdienaren die in het donker rondgaan.

--- 501 ---

pêtung : naam van een soort van groote bamboe.

pitung : I. N.; zie itu, pitungan of petungan, N., petangan, K., rekenschap, rekening en verantwoording. tanpa pitungan, talloos. II. K.N. zie pitu.

putung : K.N. gebroken [Ml. putung], snijden, afsnijden; Sd. potong, een stuk]. -mutung, breken, afbreken, doorbreken; gekrenkt, beleedigd; teleurgesteld zwijgen. -mutungi, iets doorbreken, iemand verhinderen, te leur stellen. kaputungan laku, verhinderd worden in de voortzetting van een reis. -putungan, een afgebroken stuk, fragment.

petang : zie itung, petangan, zie pitung, I.

petung : zie itung, petungan, zie pitung, I.

potang : zie utang.

patungkas : z.v.a. pitungkas.

pitungkas : Kw. bestelling, last, boodschap, commissie. -mitungkas, bestellen, in last geven.

pitênggêngên : en kapitênggêngên, K.N. zeer in gedachte verdiept zijn, in een zeer aandachtige houding zitten. -kamitênggêngên, verstommen; van verwondering verstomd staan.

patangaring : K.N. afschutsel; festoen.

pas : of êpas, I. Holl. pas. layang pas, N., sêrat pas, K., een reispas. II. pas, eign. van een schildpad in de Manik-Måjå.

pos : of êpos, Holl. post. omah pos, N., griya pos, K., posthuis.

pasa : zie puwasa.

pasu : I. Kw. beest, dier [= satu khewan, Skr. pasjoe]. II. Kw. driftig, kwaad [= purik en babêndu]. III. K.N. het neusbeen [= irung ingkang dhuwur]. IV. K.N. de beneden spits toeloopende pot, waarin de suiker gestold wordt [Ml. kuip].

pêsi : K.N. het gedeelte van een lemmer of mes, dat in het hecht vast zit.

pêsu : K.N.; mêsu, zich zelf geweld aandoen, bedwingen, inhouden; het lichaam kastijden; sterk op iets aandringen, met aandrang, b.v. bidden [= tinêmên panêdhane].

pusa : Kw. een geleerde, een Panditå].

pusu : zie bij pusuh.

peso : Sd.[Ml. pisau], mes.

pasah : K.N. I. schaaf; geschaafd, afgeschaafd, gevijld, geschramd; bezeerd, gekwetst; kwetsbaar; N. [ook tatah, N., kathik, K.] de tanden vijlen. ora pasah, N., botên pasah, K., niet bezeerd, niet gekwetst. tan pasah, onkwetsbaar. -masah, schaven; vijlen (van de tanden), schrammen. II. wettige echtsheiding, ontbinding van een huwelijk door den priester [waarschijnlijk het Ar. fasakh], ontbinding, vernietiging van een contrakt]. -masah, een huwelijk ontbinden, man en vrouw wettig scheiden. -pamasah, het plaats hebben van masah.

pasih : zie asih.

pisah : K.N. scheiding, afscheiding, afzondering;

--- 502 ---

gescheiden, afgescheiden, afgezonderd [van sah, I.] apisah, scheiden, zich afscheiden, zich afzonderen. pisah-pisah, elk afzonderlijk, in 't bijzonder. -misah, scheiden, van elkander afscheiden, afzonderen, deelen. misah-misah, uitzonderen. pinisah, afgezonderd. -pisahan of misahi, van elkander afzonderen, afscheiden. -misahake, N., -kên, K., doen scheiden, van elkander scheiden. -pêpisahan, van een ander of van elkander scheiden, van elkander gescheiden zijn; K. [pêgatan, N.] echtscheiding.

pisuh : K.N. het schelden; scheldwoord [misschien van suh, II., zoodat het eigenlijk verguizing beteekent]. -misuh of mêmisuh, schelden. -misuhi, iemand uitschelden.

pusuh : K.N. gezuiverde Kapas (boomwol) die gesponnen wordt. -musoni, [als ware het van pusu] boomwol zuiveren om gesponnen te kunnen worden, hekelen, kaarden.

pisan : K.N. geheel, gansch; ganschelijk, in eens, ten eenen male; ook [vrg. pindhah] keer, maal [Sd.id.; waarschijnlijk van sa, met het voorzetsel pi, en het aanhechtsel an]. sadina pisan, N., sadintên pisan, K., gedurende den ganschen dag. pisan-pisan, geheel en al. ora pisan-pisan, N., botên pisan-pisan, K., nimmer, nooit; geenerlei, geenzins. sapisan, eenmaal. ingkang sapisan, de (of het) eerste. sapisan manèh, N., sapisan malih, K., nogmaals. sapisan êngkas, nog een keer, andermaal. sapisan iki, deze ééne keer, voor dezen keer. ora pisan, N., botên pisan, K., in het geheel niet. durung pisan, N., dèrèng pisan, K., in het geheel nog niet, nog nooit. karo pisan, N., kalih pisan, K., alle twee, alle beide. pitu pisan, alle zeven. -kapisan, eerste. -misani, in eens afdoende, geheel afmakende. kapisanan, in eens afgedaan; geheel afgemaakt (gedood). -nyapisani, in eens afdoende, zonder dat er herhaling noodig is.

pisaca : Kw. vrees, bevreesd [= wêdi en wawêdya, Skr. pisjatja, een soort van démon, geest of spook].

pasar : N., pêkên, K., bazaar, markt, marktplaats; marktdag; tijdperk van vijf dagen, Pasarweek [Sd.Ml.id.; Pers. baazaar], markt; marktdag]. sapasar, N., sapêkên, K., een Pasarweek, een week van vijf dagen. rong pasar, N., kalih pêkên, K., twee Pasarweken, d.i. tien dagen. pasar gêdhe, N., pêkên agêng, K., naam van een plaats waar vorstelijke graven zijn. iwak pasar, N., ulam pasar, K., schelpvisch. -nyapasari, N., nyapêkêni, K., een offerhande doen voor een kind, als het vijf dagen oud geworden is. -pasaran, hetgeen tot de Pasar behoort: marktdag; ook naam van een kinderspel.

pasir : Kw. de zee, oceaan; [Ml. pasir], zand [Sd. heuvel. bergje]. mas pasir, stofgoud. -pasiran, K.N. het ei van een zeeschildpad [pênyu].

pisêr : K.N. een kogel.

pusêr : K.N. de navel, het middenpunt, de (of het) middelste [Sd.Ml.id. Vrg. wudêl]. pusêring [pusêr...]

--- 503 ---

[...ing] bumi, het middenpunt der aarde, waarvoor de Mohammedanen Mekka houden.

pusir : K.N. flaauwte.

pusara : Kw. touw, band [= têtali en rante]. -musara, binden. -musarani, iets vastbinden.

pasrah : K.N. overgave, overlevering, uitlevering; aanbevelen [van srah]. apasrah, overgeven, zich overgeven. apasrah ing Allah, zich overgeven aan God. -masrahi, iemand iets overgeven, ter hand stellen, overleveren, opdragen. kapasrahan, de persoon wien iets overgegeven wordt. -masrahake, N., -kên, K., iets overgeven, ter hand stellen, opdragen, overleveren, toevertrouwen, overlaten of afstaan aan iemand; laten overgeven, ter hand stellen.

pasrôngkara : Kw. zeggen, spreken.

pasêk : 1. Kw. vereeniging, gezamentlijke aanval; 2. K.N. opgevuld; gelijk gemaakt [Sd. breeuwen]. -masêk, opvullen, gelijk maken; vast stampen.

pasuk : K.N. ingang, het ingaan, indringen. -umasuk, en gew. masuk, ook mangsuk, intreden, ingaan, indringen, zich met iets inlaten [amasuk = anglêboni, Ml.id.]. masuk Islam, de Mohammedaansche godsdienst aannemen, Mohammedaan worden.

pasèk : K.N. ongodsdienstig, goddeloos [Ar. faask] .

pesok : K.N. deuk, indruksel.

pisaka : Kw. beproeving, verzoeking [= rêncana].

pusaka : K.N. een familiestuk, erfstuk, reliquie; een bijzonder geëerd persoon [Sd.Ml.id.].

pasokan : zie asok.

pasekat : [Ar. fashiihat], welsprekendheid.

pêsat : K.N. schielijk vertrek. -umêsat en gew. mêsat, wegvliegen, in den zin van snel weggaan, zich snel wegbegeven, plotseling verdwijnen [= lunga en gêlis lunga saking panggonan]. -plêsat of palêsat, het wegvliegen, voortvliegen, daar heên vliegen. -malêsat, wegvliegen, voortvliegen, daarheên vliegen.

pisit : K.N.; misit, bedekken, verbergen.

pisita : Kw. ongeoorloofd, niet toegestaan [= tan wênang, Skr. pisjita, vleesch].

pasitèn : zie siti.

pèstrèn : z.v.a. paèstrèn, K.N. moestuin, moesland [van èstri].

pustaka : Kw. geschrift, brief; een geschreven talisman [= layang en jimat, Skr. poestaka, een boek, een handschrift].

pasatan : zie asat.

pêstul : of beter pistul, ook verbasterd kêstul, Holl. pistool. -mistul, met een pistool schieten. dipun pistul, met een pistool geschoten worden.

pusus : K.N.; musus, aanhoudend in de rondte draaijen; in of tusschen de handen wrijven; Kw. vergaan, verdwijnen. pinusus of kapupus, verdwenen, uit den weg geruimd. -mususi, rijst wasschen. -pamusus, draaijing; wrijving; een wervelwind.

pasuson : zie susu.

--- 504 ---

pasisir : K.N. het strand, zeestrand, inzonderheid het noorder zeestrand van Java [waarschijnlijk van sisir]. pasisir êlor, het noorder zeestrand. pasisir kidul, het zuider zeestrand. têmbung pasisir, de taal die langs het noorder zeestrand van Java gesproken wordt. -pasisiran, de stranddistrikten, de landen langs het zeestrand gelegen. kêkesahan pasisiran, een reis naar de stranddistrikten. ayahan majang pasisiran, een commissie van den Vorst naar het Padjangsche of de stranddistrikten, d.i. binnen of buiten het gebied van den Vorst.

pasuluwan : zie suluh.

puspa : Kw. bloem; geleerde, Panditå [= kêmbang en pandhita, Ml.id.; Skr. poesjpa, bloem]. puspadênta, naam van een olifant [Skr. poesjpadanta, de olifant van het Noordwesten]. puspawiguna, een Panditå die gedurig naar vermeerdering van kennis streeft [= pandhita kang tan warêg ing ngèlmu]. puspateja, de avond [= sontên]. pusparaga of ambên pusparaga, benaming van een soort van buikriemen, geheel van getwijnd garen.

pasêpèn : zie sêpi.

pasapon : zie sapu.

puspaka : naam van een uit den hemel nedergedaald rijtuig, in de Råmå [Skr. poesjpaka, de wagen van Koewéra].

puspita : Kw. bloemknop [= kêmbang, Skr. poesjpita, gebloemd, met bloemen]. cindhe puspita, naam van een zijden stof.

pasopati : naam van een wapen, en van het fatsoen van een kris [Skr. pasjoepati, een naam van Siwa].

pasaja : K.N. eenvoudig; opregt, openhartig, onbewimpeld; opregtheid. pasaja panganggenipun, eenvoudig gekleed.

pasiyan : zie asih.

pasêmon : zie sêmu.

pasamuwan : zie samua.

pisêg : K.N. een platte, ingedrukte neus.

pasagi : K.N. vierkant, een vierkant [Sd.Ml.id., van het Mal. sagi], zijde van een vierkant]. meja pasagi, een vierkante tafel. -masagi, een vierkant maken.

pasigit : K.N. een bedehuis, tempel [verbastering van masigit].

pasogan : K.N. een geschenk voor bewezene diensten.

pasaban : zie saba.

paseban : zie seba.

pasthi : of pêsthi, K.N. onvermijdelijk, noodwendig, noodzakelijk; onherroepelijk, vast besloten; vast, zeker, gewis; vast besluit [Ml.id.]. pasthining Allah, het vast besluit van God. pasthining gawe, taak. -masthi of mêsthi, onvermijdelijk, vast, zeker, gewis zijn; het is onvermijdelijk, het is zeker en gewis, het moet noodzakelijk, het moet volstrekt. kang amêsthi, voornamelijk. -kapasthi of pinasthi en kapêsthi of pinêsthi, vast bepaald, vast besloten; onherroepelijk; voorbeschikking. -mêsthakake, N., -kên, K., als onvermijdelijk stellen, vaststellen, bepalen, besluiten; verzekeren; bestemmen, voorbeschikken. -pêpasthèn [-pêpasthè...]

--- 505 ---

[...n] of pêpêsthèn, hetgeen bepaald, vast besloten is; bestemming, lot, noodlot. -pamêsthi, vaststelling, vaste onderstelling.

pêsthi : zie pasthi.

pusthi : Kw.; musthi, het oog op iets gevestigd houden; mikken, doelen; bedoelen, begeeren [= anyipta]. pinusthi, l.v.

pusthini : Kw. = lêmu [Skr. poesti, voeding, van poesta, gevoed].

pasthika : pêsthika of pusthika, Kw.; masthika, mêsthika of musthika, boven alles uitmunten, alles overtreffen; het edelste, schoonste van iets, puik; K.N. Bezoarsteen [musthika = kang luwih bêcik dhewe]. musthikaning rêtna, puik van edelgesteente. pinasthika, uitstekend schoon of fraai [= pinèt pathine].

pêsthika : zie pasthika.

pusthika : zie pasthika.

pusthingi : Kw. een koebeest [Het wordt verklaard door sandining].

pasang : K.N. I. geregeld, in orde gebracht, geschikt [Ml.id.]. pasang yognya of pasang yoga, juist geschikt, juist van pas. pasang sêmu, gelijkend, zonder afwijking, zonder verschil. pasang rakiting griya, de geheele inrigting van een huis. pasang rakiting sarira, lichaamsgestalte. -masang, in orde brengen, regelen, schikken; optuigen, inspannen. masang gêlar, een slagorde regeren. masang sungu, de horens bieden, de horens in gereedheid brengen, om te stooten. masang paeka, listen in het werk stellen. kapasang yoga, N., kapasang yogi, K., het schikt zich juist van pas, er doet zich een schoone gelegenheid op. -masangi, iets schikken, opzetten, oprigten; een wagen inspannen. dipasangi waluku, voor den ploeg gespannen worden. kamar kapasangan dilah kathah, een kamer waarin vele lichten zijn aangestoken, door vele lichten verlicht. -pasangan, een juk, buffeljuk; disselboom; een val, rotte of muize-val; ook benaming der letters in het Javaansche schrift, wanner zij, met eenige verandering van figuur of onder een voorgaande letter geplaatst, daardoor te kennen geven, dat deze voorgaande letter enkel als medeklinker, zonder vokaalklank, moet uitgesproken worden. II. vloed der zee, onstuimigheid van het water [Sd.Ml. vloed der zee]. sêgantên pasang, de vloed der zee, de zee bij vloed, een onstuimige zee. III. iets wagen, op het spel zetten. -pasangan, een waagstuk. IV. tijdens, toen, wanneer.

pasung : K.N. naam van een soort van gebak. -masung, Pasoeng bereiden.

pêsi : K.N. pislucht; ook een stuk wit linnen, dat bruid en bruidegom bij het trouwen aan hun schoonouders geven. -pamêsing, een stuk wit linnen, dat bij de Sasrahan gevoegd wordt, wanneer de bruid het jongste kind is, en dat aan de baker van het meisje gegeven wordt, als een schadevergoeding voor haar kleêren, die het meisje in haar eerste kindschheid bevuild had.

pisang : K. [gêdhang, N.] pisang, banaan. uwit pisang, pisangboom, banaanboom.

--- 506 ---

pasangon : zie sangu.

pisungsul : z.v.a. pisungsung.

pasungsung : zie sung.

pisungsung : zie sung.

pasênggahan : K.N. benaming, naam.

pasanggiri : Kw. belofte, voorwaarde; gelofte [= ubaya en anjanjèhi sarirane dhewe]. -masanggiri, een belofte doen. -masanggirèni, aan iemand een belofte doen, in een voorwaarde treden.

pasanggrahan : K.N. een openbaar gebouw tot verblijf van reizigers ingerigt, herberg, karavanserai [van het Skr. sanggraha, bewaarplaats]. -masanggrahan, in een Pasangrahan zijn verblijf nemen, zich ophouden; vertoeven; pleisteren.

pwa : Kw. hij die, welke [= ika en ingkang].

puwa : Kw. het Oosten, oostelijk [= wetan]. -puwa-puwa, zie beneden.

pawèh : z.v.a. pawèwèh [van awèh].

pawuhan : zie wuh.

pawohan : zie woh.

pawon : zie awu.

puwan : zie poh.

pawana : Kw. een sterke wind, die de bladen van de boomen doet vallen [= barat en angin ngruntuhakên godhong, Skr. pawana, lucht, wind]. pawana suta (zoon des winds), bijnaam van Hanoman, en van Wrekodårå. -kapawanan of kapuwanan, door den wind geraakt worden.

puwana : z.v.a. pawana.

pawantingan : K.N. een plaats waar linnen gewasschen wordt [vrg. banting, II.].

puwara : of puara, Kw. 1. einde, slot, ten laatste; uitkomst, gevolg; 2. algemeen bekend, openbaar [= wêkasan, kawarta, kawarta ing akèh en kasusra]. -muwara of muara, K.N. het einde; een landingsplaats, ankerplaats, reede [= wêkasan, Ml. muara], de monding van een rivier].

pawaka : Kw. vuur [= gêni, Skr. pâwaka]; als Tj. SengK. drie [vrg. waka].

pawukon : zie wuku.

pawakan : K.N. de geheele omvang van het lichaam: van awak.

pawadan : zie awad.

pawitan : zie paitan.

puwasa : en bij verkorting pasa, N. [siyam, K.] vasten [Sd.Ml.id.]; sasi Puwasa, de vastenmaand, de maand Ramelan.

pawawa : Kw.; mawawa, zien [vrg. mawa, I. en wawang]. pinawawa, gezien worden, sigtbaar.

pawèwèh : zie awèh.

pawulang : zie wuruk.

puwa-puwa : Kw. wreedaardig, willekeurig, tiranniek.

pawêdhèn : zie wêdhi.

pwayama : Kw. de mond [= cangkêm].

pawong : zie wong.

puwungan : K.N. zich laten vallen; tot iets genoodzaakt worden [vrg. muwung].

pal : of êpal, Holl. paal, mijlpaal; afstand van een paal, d.i. van een Engelsche mijl.

pul : z.v.a. êpul.

pol : of êpol, I. z.v.a. êmpol, botên sampun pol pinêcok timun jinara, is het niet volkomen een

--- 507 ---

Empol, die doorgehakt, en een komkommer, die doorboord wordt? een spreekmanier, om uit te drukken, dat iets zonder moeite uit te voeren is. II. pol, verkorting van jêmpol.

pala : I. Kw. vrucht; nut, voordeel [= woh-wohan, kawijilan en pakolèh, Skr. phala, id.]; K.N. notemuscaat [Sd.Ml., Skr. phala, id.]. pala gumantung, een hangende vrucht, boomvrucht [= woh kang ana dhuwur]. kêmbang pala, N., sêkar pala, K. foelie. -bumipala, zie bumi, -palawija, zie beneden. -wi pala, zie boven. II. Kw. [= gitik, Skr. pâla, het scherp van een zwaard]. -mala, slaan [= anggitik]; K.N. mishandelen. -pamala, mishandeling. III. zie para, III. Zamenstellingen als palacidra en palakrama, zie beneden.

palu : K.N. klopper, hamer, moker [= gitik, Sd.Ml.id.]. palu gôngsa, eign. van een hoofd; en naam van een der zangwijzen, die Tengahan genoemd worden. palu-palu, = pêcut, -malu, kloppen, hameren, beuken; smeden. -palon, iets waarop met een hamer geklopt wordt; wat door hameren dun gemaakt wordt, een plaat.

pêli : N. [ook palanangan, N., pajalêran, K., dakar, K.h.] de mannelijke schaamdeelen, het mannelijk lid. -pêlèn, de zaadballen, kloten van een beest. jaran pêlèn, N., kapal pêlèn, K., een hengst.

pulu : K.N. [namaning kêmbang kang ginawe jamu]. kêmbang pulu, N., sêkar pulu, K., saffraan.

pule : naam van een medicinale droogerij.

pulo : K.N. eiland [Md.id.] pulo Jawa, N., pulo Jawi, K., het eiland Java. pêpulo, tot een eiland maken, naar een eiland gelijken, bij een eiland vergelijken.

pelo : K.N. gebrekkig zijn in het spreken; een schrijf- of spelfout; gebrekkig schrift; onduidelijk spreken of schrijven.

pola : K.N. model, voorschrift, voorbeeld, staal, monster [Sd. staal, monster]. -mola, een voorbeeld of voorschrift volgen, naar een model werken.

polo : K.N. de hersenen van het hoofd [z.v.a. utak of utêk, doch in een verachtelijken zin; Sd.id.]. -molo, zie beneden.

palih : K. [paro, N.] half, belft [van lih]. sapalih, een half; een helft. sapalihipun, de helft er van. palih baya, zoo als gij verkiest! malih, halveren, in tweeën verdeelen, half maken; om de helft, den grond bearbeiden voor de helft van de opbrengst [Een ander zie beneden]. -malihakên, iets in tweeën verdeelen, splitsen. -palihan, paliyan of pêpaliyan, bij belften, om de helft; ook paliyan, K.N. een medezuigeling, zoogbroeder of zoogzuster.

pêluh : zie pêloh.

pêloh : of pêluh, K.N. onbekwaam zijn om bij een vrouw kinderen te verwekken.

pilih : K.N. keus, verkiezing; schaars, zeldsaam [Ml. kiezen]. datan pilih jalma, niemand kiezen, d.i. geen onderscheid maken, zonder aanzien des persoons. -milih, kiezen, een

--- 508 ---

keus doen, uitkiezen, uitzoeken, uitlezen, verkiezen [Sd.id.]. pinilih, uitgekozen; voorkeur. -milihi, uitzoeken. kapiliyan, voorkeur. -pilihan of piliyan, keuze; iets waarop een keuze valt; het gekozen voorwerp; uitgezocht, uitgelezen, keurig. mantri pêpiliyan, uitgelezene Mantri's. -pamilih, keus, verkiezing.

pulih : K.N. teruggekeerd, hersteld; zich herstellen, in den vorigen staat terugkeeren; stand houden, weêrstand bieden; wreken [van ulih, vrg. mulya]. pêpulih pêjahing bapa, 's vaders dood wreken. pulih gêtih, K.N. bloed wreken, bloedwraak nemen. -mulihake, N., -kên, K., in den vorigen staat herstellen.

puluh : I. Kw. hoeveel? sapuluh, N. [sadasa, K.] hoeveel ook, met volgende Jussief. sapuluh-puluh, N. [sadasa-dasa, K.] een uitdrukking, die zoo veel beteeken als: wat kan men er tegen doen? men moet het zich laten welgevallen! men moet er in berusten! [eig. hoeveel en hoeveel men ook doe, wat zal het baten?]. II. puluh, gewoonlijk alleen achter andere telwoorden, om de tienheden uit te drukken, ander sapuluh, N. [dasa en sadasa, K.] tien [Sd.Ml.id.]. puluh watu, benaming van een soort van gestreept linnen. rong puluh, twintig. patang puluh, veertig. sapuluh reyal, tien reälen. ping sapuluh, tien maal; de of het tiende. -nyapuluh, elk tien. -para sapuluhan, tiende deel. sapara sapuluhan, een tiende.

polah : K.N. [of N., solah, K.N. of K.] een beweging van het lichaam; houding, gedrag, zeden, manier, trek [van olah of ulah, Sd.id.]. -molah, beweging met het lichaam maken, schudden, zich bewegen [= obah]. -molahake, N., -kên, K., in beweging brengen. -polahan, gestalte, voorkomen, gedaante.

polih : N. het verkrijgen; hij die verkrijgt, ontvanger: van olih [= olèh].

plaur : N. [lampu, K., plalah of pilalah, K.N.] bij voorkeur, liever, eerder dan. -mlaur of malaur, liever willen, de voorkeur geven.

plahara : z.v.a. prahara.

paliara : Kw. mishandeling [Skr. parihâra, oneerbiedigheid; in bezit neming; omringing; goedheid, midheid; [Ml. pelihara], verzorging, bescherming. Vrg. piyara]. -maliara, iemand mishandelen, kwaad toevoegen.

palon : zie palu.

pêlèn : zie pêli.

pulên : K.N. koud gemaakte rijst.

palana : K.N. het zadel en tuig van een olifant [plana = palungguhan, Ml. een zadel]. -malanani, een olifant optuigen of zadelen; pinalanan, gezadeld. -planan of palanan, op een olifant rijden.

palunan : zie pulunan.

pulunan : of palunan, Kw. neef of nicht; bloedverwant, familie [pulunan = putraning sadulur en palunan = pranakan].

plênik : K.N. stippeltje, spikkeltje. plênik-plênik, stippeltjes, gespikkeld, bont.

--- 509 ---

palênêt : K.N. de behoefte doen, ontlasting hebben [misschien van pênêt].

palancur : zie mancur.

paluncar : zie muncar.

plêncat : K.N.; ting plêncat, velen die zich op een afstand van elkander bevinden; ongeregeld.

palêncut : K.N. het losgaan van een pijl uit den boog. -malêncuti, geheel uit de aren gekomen, van de padivrucht.

plêncing : K.N. het jong van een Rhinoceros; een kind dat van zijn ouders weggeloopen is.

pêlandang : Kw.; mêlandang, laten vallen, slagen uitdeelen; aanvallen; tegen iets of iemand stuiten; ook benaming van een soort van bedienden bij een plegtigheid [= katutuh].

pulintir : zie muntir.

plenthe : z.v.a. panglonthe [zie lonthe].

palonthès : zie lonthe.

plonthos : K.N. een soort van duiven zonder kuif.

plênthing : N. [vrg. kutil] puisten op het lichaam, de pokken, kinderpokken. -plênthingên, de kinderpokken hebben.

palênthing : z.v.a. plênthing.

palênthung : K.N. een waterbel. -malênthung, opwellen, opborrelen.

plonthang-planthing : K.N. wispelturig, wuft.

palacidra : Kw. ontrouw, valsch, leugenachtig; ontrouw zijn [Skr. paratjhidra, fout of gebrek in een ander; zamengesteld uit cidra en pala = para, III.].

palar : Kw. geluk, voorspoed.

pulir : K.N.; mulir, omdraaijen, afwringen, z.v.a. muntir, kapulir gulunipun, den hals omgedraaid of afgewrongen.

palèrèd : of plèrèd, K.N. een gemetseld kanaal; een bijzonder soort of fatsoen van piek; naam van een spijs van rijst en klapper bereid.

plorot : en mlorot, z.v.a. plorod en mlorod, zie lorod.

palurut : en malurut, z.v.a. plorod en mlorod, zie lorod.

palara-lara : zie rara.

plok : K.N. de pit van een Manga-vrucht.

pêlak : I. K.N.; mêlak, tegen iets stooten, stuiten, raken; in het naauw brengen. kapêlak of kaplak, tegen iets stuiten; in het naauw gebracht. II. K.N. haastig, gaauw, met spoed. -mêlak, spoed maken, met spoed iets verrigten, tot spoed aandrijven; sterk bij iemand aandringen, vele woorden gebruiken.

pêlêk : en mêlêk, z.v.a. pêlak en mêlak.

pêlik : I. K.N. een vonk, vlam. -mêlik, zigtbaar, duidelijk [vrg. mêlok]. mêlik-mêlik, flikkeren; schitterend. -parêlik, flikkering. -marêlik of mêrlik, flikkeren. II. K.N.; mêlik, goud graven, delven. -pêlikan, erts, delfstof; een bediende van de laagste klaase. -pamêlikan, mijn, goudmijN.

pêluk : K.N. het omvademen, zooveel men met

--- 510 ---

beide armen omvatten kan, een vaâm [Ml.id.]. sapêluk, een vadem, b.v. diK. -mêluk, omvademen, omvatten, in de armen sluiten, het lichaam omarmen, omhelzen. pêluk-pinêluk, elkander omarmen.

pêlok : K.N.; mêlok, in zijn geheel of volkomen zigtbaar, in het oog vallend, blijkbaar; blijkbaar zijn [vrg. mêlik, bij pêlik, I. en mêlok]. malok-malok, zeer in het oog vallend, zeer blijkbaar.

pilêk : zie pilêg.

puluk : K.N.; muluk, tusschen de vingers houden, met de vingers opnemen, met de vingers rijst eten. -pulukan, beet, mondvol.

polok : K.N. de knokkels aan de voeten, enkels.

plakèn : zie laki.

palakarti : K.N. toestel, gereedschap, toerusting [zamangesteld uit karti en pala = para, III.].

palakrama : N., palakrami, K., het huwelijk; trouwen. apalakrama, zich in het huwelijk begeven.

palakrami : zie palakrama.

plêkat : Holl. plakaat, verordening, bevelschrift.

plikêt : K.N. kleven; kleverig [Sd. likat, aankleven; en tanêh likêt, klei].

plaksana : Kw.; mlaksana, straffen, kastijden [= anjiyat].

plok-plokan : K.N. hevig schudden, beven, zich sterk bewegen.

pulêt : K.N.; mulêt, omvatten, omslingeren.

pulut : K.N. kleverig sap van vruchten; vogellijm; ook pulut en pulut salak, benamingen van twee soorten van Pisang. gêtih pulut, kleverig, dik bloed.

pèlèt : K.N. gevlamd, gevlekt [Sd. batu pèlèt, gevlamd marmer, albast]. -mèlèti, met den vinger iets afvegen.

polèt : Fr. Holl. épaulet.

platêr : K.N. moerassige grond.

plêtik : of palêtik, K.N.; mlêtik of malêtik, spatten, afspatten, uitspatten, vlekken maken; ook een zwak gezigt, zeere oogen hebben, niet duidelijk zien; als Tj. SengK. nul [vrg. malêtik]. -mlêtiki, bespatten.

palêtik : zie plêtik.

platuk bawang : naam van een vogel.

polatan : zie ulat.

plas : K.N. schielijk, gaauw.

plasa : naam van een boom, die bloemen draagt.

pêlus : naam van een riviervisch, die naar een paling gelijkt.

pilis : K.N. een zalf waarmeê de slapen van het voorhoofd besmeerd worden; een geneesmiddel om een boozen geest uit te drijven. apilis of pêpilis, het voorhoofd met een zalft besmeren; een boozen geest uitdrijven.

pulas : K.N. verw, verlak, vernis [Sd. pleisteren, b.v. een muur]. -mulas, verwen, verlakken, vernissen, vergulden. -mulasake, N., -kên, K., laten verwen of verlakken. -pulasan, verguldsel; iets dat gevernist is.

polos : K.N. benaming van een soort van gestreepte zijden stof.

--- 511 ---

palisir : K.N. rand, zoom. -malisir, een rand maken, langs den rand heengaan. kaplisir, omzoomd.

pulasara : Kw. K.N.; mulasara, een zieke verzorgen, van alles voorzien, oppassen, een ongelukkige bijstaan; opkweken, opvoeden; stofferen, versieren.

pulasari : naam van een geneeskruid.

plèsèd : K.N.; mlèsèd, afglijden, uitglijden; afschampen, uitschampen. kaplèsèd, raken te glijden, slippen, uitglijden. -plesedan, een gladde, glibberige plaats.

plêsat : zie pêsat.

palêsat : zie pêsat.

palastra : Kw. dood, de dood; gestorven [= mati].

palêstra : z.v.a. palastra.

palasa jênar : naam van het rijk van Tiståwå, den vader van Sakoeni; en bijnaam van Sakoeni.

palwa : Kw. vaartuig, schip [= prau].

paliwara : Kw. een hoofd, voornaamste, eerste; een regtsbeambte van den kroonprins, die een zaak voor den regtbank brengt [Skr. pariwâra, afhangeling].

palawija ; Kw. 1. iets dat men tot zijn vermaak houdt; 2. volwassen vruchten; K.N. 1. een dwerg of mismaakt persoon die tot vermaak van den vorst dient [= manungsa kang anèh-anèh]; 2. een opbrengst aan den vorst, bestaande in verschillende soorten van vruchten, en in duiven en andere dieren, zoo als bajêng gêndhu, kidang, kancil, walangkawa, trênggiling, enz.

palawijah : Kw. z.v.a. palawija, 2.

plawaga : ook palwaga, Kw. aap [= kêthèk, Skr. plawaga].

palwaga : zie plawaga.

phalal : de wil van God [Ar. fadhal], voortreffelijkheid; weldadigheid, goedertierenheid].

pilala : K.N. [= kang angèl ginolekan]; milala, een sterk verlangen hebben, naar iets zoeken of streven; iemand vriendelijk bejegenen.

plalah : zie pilalah.

pilalah : of plalah, K.N. [plaur, N., lampu, K.] bij voorkeur, liever. pilalah, de voorkeur aan iets geven, liever willen.

palupi : Kw. voorbeeld, voorbeeld tot navolging, exempel, voorschrift; een brief, schriftelijk verhaal [= sêrat, vrg. alupi en panglupi]; ook Dèwi Palupi of Dèwi Alupi, eign. van een dochter van Bagawan Soetiksnå, een der vrouwen van Ardjoenå.

plupuh : K.N. een onderlaag van bamboe op een rustbank [Sd. palupu, vloer; [Ml. pelupuh], groote, gespletene en tot beschotwerk gebruikte bamboe]. -malupuh, zie beneden.

palipir : K.N. rand, zoom [vrg. palisir]. -malipir, zich op den rand bevinden, langs den rand gaan.

plipid : K.N.; mlipidi, zoomen. -plipidan, K.N. zoom; zelfkant, rand.

plipis : K.N.; mlipis, overheên gaan, b.v. van de wielen van een rijtuig, overheen rijden. kapalipis, overreden worden.

palupwi : Kw. een verwelkte bloem; een lijk [= layon].

--- 512 ---

paliyan : zie palih.

piliyan : zie pilih.

pêlêm : K.N. naam van een vrucht, de Mangga, kajêng pêlêm, Mangga-boom.

palamarta : Kw. genade, gunst, vergiffenis [= pangapura en manungsa kang gêdhe pangapurane, Zamengesteld uit marta en pala = para, III. Vrg. paramêrta].

palimarma : Kw. mededoogen, medelijden [= angeman van marma, met het voorzetsel pali = pari, II.]. -apalimarma of malimarma, medelijden hebben, iemand beklagen.

pulmak : Holl. volmagt.

Palembang : naam van een rijk op de Oostkust van Sumatra.

pêlag : z.v.a. pêlak.

pilêg : of pilêk, K.N. verkoudheid, droes. -milêg-milêg, zie beneden.

pelag : Kw. fraai, schoon, goed [= bêcik].

pelog : zie gamêlan, bij. gamêl.

palagan : zie laga.

palugon : zie lugu.

palguna : bijnaam van Ardjoenå [= Janaka, Skr. Phalgoena en Phâlgoenå]. Palgunadi, de voortreffelijke Palgoenå. [= Sang Arjuna].

palgosa : Kw. aap [= kêthèk].

palêbêk : z.v.a. balêbêk.

plêthèk : en mlêthèk, z.v.a. palêthèk en malêthèk.

palêthèk : K.N. het doorbreken, het aanbreken van den dag. palêthèking srêngenge, de opgang der zon, zonnenopgang. -malêthèk, doorbreken, aanbreken, zigtbaar worden; opgaan, van de zon [Sd. mêlêthik, verschijnen, voor den dag komen, uitschieten, uitspruiten; en opgang der zon].

palang : zie alang.

pêlêng : K.N. sterk verlangen, groote begeerte. mêlêng, zeer verlangen; de aandacht geheel op iets vestigen; met aandacht, met ernst, zeer aandachtig [mêlêng-mêlêng, zie beneden]. mamêlêng, de blik, de oogen. -pamêlêng, ernstige, vurige bede; sterk verlangen. -pamêlêngan, plaats van aandacht, plaats waar men aandachtig is, bidplaats, tempel. sanggar pamêlêngan, bidkapel.

pêling : K.N.; pinêling-pêling, zeer ontsteld, onthutst. -mêlingi, iemand schrik aanjagen, doen ontstellen [Een ander zie beneden].

pilêng : Kw.; pilêngên, hooren [vrg. mirêng]. -kapilêng, K.N. hinderlijk voor het gehoor, oorverdoovend [Het wordt verklaard door satêngah kalêmpêr].

piling : naam van een wapen, een soort van kleine knods. -pilingan, K.N. de slapen van het hoofd [= bathuk kang pinggir].

pulang : Kw. I. z.v.a. pulih, [Sd.Ml. terugkeeren]. tan môngga pulang, niet durven stand houden, geen weêrstand bieden. II. bevlekt, bemorst; vermengd. pulang-rah, met bloed bemorst. pulang-rêsmi, pulang-asmara, en pulang-raras, de bijslaap. pulanggêne, een mengsel van welriekende kruiden.

pulung : I. Kw. glans, luister; eer, aanzien [= nugrahaning Pangeran].

--- 513 ---

II. K.N.; pulung ati, N., pulung manah, K., de hartkuil. III. K.N.; mulung, de gesneden padi van de bladen ontdoen [Sd. pulung, oprapen, b.v. van den grond. mulung, inzamelen; ingezameld]. -pulungan, de afval van gesneden padi. IV. Kw.; mulung, oprollen. kapulung, 1. Kw. opgerold worden; 2. K.N. het leven benomen worden [Deze laatste figuurlijke beteekenis kan ook uit het Soendasch verklaard worden, zie bij III.]. V. Kw.; pulungan, eisch, vordering.

peling : zie eling.

polèng : K.N. geruit, bont.

plôngka : K.N. gevlekt, bont, van een paard. kapal plôngka, een bont paard.

pêlangki : Hind. palanquin, draagstoel.

palinguk : zie pinguk.

palangkan : Kw. een zitplaats, een stoel met goud versierd [= palungguhan en palênggahan].

palôngkawati : benaming der woonplaats van Ongkå-widjåjå.

plongo-plongo : K.N. zich van zelf openen en weêr sluiten; onthutst, verlegen.

palunggyan : zie lungguh.

palinggiyan : zie lungguh.

plênggong : K.N.; mlênggong, het hoofd omhoog houden terwijl men bezig is over iets na te denken.

papa : I. K.N. ongeluk, ramp, ellende, kommer, nood, tegenspoed; armoede, ziekte; armzalig, arm, behoeftig [= ina en manungsa kang ora lumrah, Sd.Ml.id.; Skr. pâpa, slecht, boos, gemeen; slechtaard; slechtheid]. Men gebruikt dit woord van iemand, die vroeger in gunstige omstandigheden verkeerd heeft. -mapa, armoede, gebrek lijden, ongelukkig zijn. -mama, Kw. in ellende verkeeren, armoede lijden [= apapa]. II. Kw. de bel [nêraka].

pipa : K.N. pijp, om te rooken, tabakspijp [Port. pipa].

pipi : I. Kw. naauw ingesloten, digt [= rupêk]. II. K.N. [pangarasan, K.h.] wang, koon [Sd.Ml.id.]; ook zijde van iets; b.v. pipine lawang, N., pipinipun kori, K., de zijde der deur.

pupu : I. Kw. digt aan elkander sluiten, aan beide kanten insluiten [= supit]. II. K.N. [wêntis, K.h.] dij, de dijen, de lenden. -mupu, bij de dijen vatten. III. K.N.; mupu, plukken, b.v. bloemen [Sd.id.]; innen, heffen, een heffing doen, van tollen en accijnsen; een ouderloos kind tot zich nemen. kapupu, Kw. op het slagveld gesneuveld; in den oorlog sneuvelen [eig. geplukt worden; =mati ing pêrang]. -muponi, innen, heffen. -pamupu, inning, heffing.

pepe : zie pe.

popo : K.N. onwillig. -mopo, onwillig zijn, weigeren. -pamopo, onwilligheid, weigering.

papah : K.N. het blad van een Palmboom.

pipih : K.N. een strook linnen, dat de vrouwen om het lijf dragen. -mipih, indrukken, een deuk maken.

pupuh : K.N. I. geklop, gevecht, slag, bataille [= gitik en pêrang, Sd. pêpêh, kloppen,

--- 514 ---

slaan, rossen]. prang pupuh, vechten en kloppen, of klopgevecht. mukul ing pupuh, slag leveren, oorlog voeren. -mupuh, kloppen, vechten [= anggitik]. II. een zalf voor de oogen, oogwater. III. dichtmaat, versmaat, zangwijze.

popoh : Kw. bots, botsing. -kapopoh, gebotst worden. -mopohi, K.N. belasten, met bezigheden belasten. kapopohan of kapopowan en pinopohan, belast worden, belast zijn.

papan : K.N. plaats, plek; plank, bord; slagveld; deksel of omslag van een boek [Sd.Ml.id.]. papan catur, schaak-of dambord. papan sela, een lei. -mapan, zich plaatsen, een plaats nemen, beslaan [Een ander zie beneden.]. kapapan, geplaatst, een plaats ingenomen. -mapanake, N., -kên, K., iets of iemand ergens plaatsen.

papin : K.N. van alles ontbloot, aan alles gebrek hebben [Skr. pâpin, slecht, een zondaar; van pâpa, zie papa].

papon : een potje voor kalk in een Sirihdoos [van apu, zie bij gagragan, onder gagrag].

papanahan : K.N. plaats.

papundhèn : of pêpundhèn, zie pundhi.

papar : zie par.

pêpêr : K.N. bot, stomp; dom. -mêpêr, bot, stomp maken; iemand tot bedaren brengen, den toorn bedwingen.

pupur : I. N. [tasik, K., wêdhak, K.N.] blanketsel, smeersel voor het aangezigt, van rijstmeel [= busananing rai, Ml. een soort van blanketsel van de melissa gemaakt]. apupur, zich daarmeê blanketten. -mupuri, iemand blanketten. II. Kw. een aanhoudend geraas.

popor : K.N. de kolf van een geweer. -mopor, met de kolf van een geweer slaan.

papara : Kw. [of K.h., lana, gew. lêlana, K.N.] rondgaan, wandelen [= ratu kang angubêngi praja]; K.N. van huis tot huis te koop ronddragen.

poprok : K.N. zwak, gebrekkig.

papêrman : zie paprêman.

paprêman : ook papêrman, Kw. slaapplaats, bedsteê, ledikant [= pasarean, misschien van rêm].

papak : K.N. gelijk hoog, gelijk lang, gelijk breed, gelijk veel; digt naast elkander, parallel; afgestompte tanden; een haan, die de grootte van een kip heeft. prang papak, in den oorlog gelijk zijn, met gelijke krachten strijden. punjul ing apapak, boven hen, die gelijk zijn, uitmunten. -mapak, gelijk maken. -pamapak, zie beneden.

pêpak : K.N. bijéén, bij elkander, compleet, voltallig, volledig, volkomen. ora pêpak, N., botên pêpak, K., onvolledig. -mêpak, bijeen verzamelen. mêpak baris, de troepen bijeen brengen. mêpak prajurit, de krijgslieden bijeen verzamelen. -mêpaki, completeren; voltallig, volledig of volledig maken. -mêpakake, N., -kên, K., bijeen doen komen, laten bijeen verzamelen. -pêpakan, [-...]

--- 515 ---

[...pêpakan,] voltallig bij elkander zijn; voltallige verzameling.

pêpêk : mêpêk en mêpêki, z.v.a. pêpak, mêpak en mêpaki.

pupak : K.N. gebroken, afgebroken; een kind dat voor het eerst de tanden verliest.

pupuk : K.N. dik, vet; het voorhoofd met een zalf besmeerd [Sd. ubar pupuk, een pleister]. -mupuki of mupukake, N., -kên, K., een zalf als medicijn op het voorhoofd leggen; besmeren.

popok : K.N. windsel, luijer, luur; bijvoegsel, vermeerdering. -mopok, leem, cement; met leem bestrijken.

pêpeka : z.v.a. pêpeka.

pipika : Kw. stomp, bot.

pepeka : K.N. achteloos, onverschillig; achteloos, onverschillig zijn [= sêmbrana ing parentah en salah gawe].

papat : zie pat.

pêpêt : K.N. versperd, afgesloten, digtgemaakt, verstopt; zonder gevolg blijven; ook benaming van een doffen, binnen'smonds uitgesproken klinker [Zie de spraakkunst]. -mêpêt, versperren, digt maken, verstoppen. -mêpêti, iets versperren, verstoppen, sluiten, digt maken; verhinderen.

pipit : K.N. digt naast elkander, naauw in of op elkander gedrongen, zamengeperst. -mipit, digt aan elkander sluiten, zamenpersen, zamendrukken; klemmen, stijf vast klemmen. -pipitan, een naauwere doorgang; een persmolen, oliemolen. -pamipit, het plaats hebben van mipit.

puput : K.N. ten einde toe, afgedaan, geheel en al; uiteinde, het einde, de dood; het afvallen van den naveistreng van een kind. puput lêlakone, het einde van het bedrijf, d.i. de dood. -muput, ten einde brengen, geheel voltooijen; zonder ophouden. -pamuput, ten einde gebracht, gedaan, afgedaan, beslist; het ten einde brengen.

papas : K.N.; mapas, afsnijden, doorsnijden, een boom besnoeijen; beletten, verhinderen, tegengaan [Sd. hakken, kappen]. -pamapas, het plaats hebben van mapas, ook het mes of werktuig waarmeé gesneden wordt. -papasan, een afzetter, kleine plant.

pêpês : K.N. gekneusd, gebroken [Sd. breken, in stukken breken. pêpês tulang, beenbreuk]. -mêpês, kneuzen, breken (van arm of been).

pipis : K.N. zamengevoegd, naast elkander. -mipis, iets op een steen wrijven. -pipisan, een steenen werktuig, waarop men met een anderen cilindervormigen steen geneesmiddelen of iets anders vergruist.

pupus : I. K.N. de knop of punt van iets; een jong blad. -mupus, jonge bladen krijgen, van een boom. -pupus-pupusan, satijn, zijden stof. II. K.N.; mupus, berusten, gelaten zijn, zich getroosten, zich gerust stellen, bedaren. kapupus, getroost. III. K.N.; mupus, een vischnet trekken.

papal : K.N. afgesneden, afgekapt, afgeknipt; K. [kêthok rambut, N.] het haar snijden, het haar kappen. -mapali, snoeijen; zich

--- 516 ---

tegen iemand verzetten, tegenspreken, zijn regt tegen een meerderen doen gelden, tegen een meerderen opstaan; K. [angguntingi, K.N.] knippen; [ngêthoki, N.] het haar snijden, knippen of scheren. -mrapal, K.N. een boom besnoeijen; iemand zijn fonten onder het oog brengen; ook met de vlerken slaan, van een haan.

pipil : K.N.; mipil, de mais van den stengel losmaken.

pupul : I. K.N. tot aan den uitersten rand, geheel vol [= pucuking alis]. -mupul, naar boven trekken. II. Kw. vereeniging, verzameling; bijeen verzameld [= kumpul, Ml. inzameling, oogst, van peper en andere vruchten]. -mapupul, verzameld; verzamelen [= akumpul]. III. K.N. vermolmd hout. -mopol, vermolmd; zonder moeite losscheuren.

pêpali : Kw. leervoordragt, mondeling onderwijs [misschien van het Skr. phalî, vruchtbaar, vruchtdragend]: ook naam van een geschrijft, bevattende zedelessen van Kjahi Gedé Sésélå.

pupya : Kw. z.v.a. pupu.

papag : N. [pêthuk, K.] ontmoeting op we. layang papag, kwitantie. -mapag, iemand op wet te gemoet gaan, inhalen [Sd. inhalen; vrienden onthalen, ontvangen]; ook een ring onder het lemmer van een piek aan het bovenste einde van den stok. kapapag, op weg ontmoeten, tegenkomen. -mapagake, iemand te gemoet gaan, te gemoet treden om tegen te gaan, te gemoet zenden.

pupug : K.N. 1. een afgebrokene punt; bot, stomp [= punggêl]; 2. gelijk staan, niet winnen en niet verliezen. -mupugi, Kw. zeer bedreven zijn, in wetenschappen uitmunten. mupugake, N., -kên, K., de punt van iets afbreken.

padha : N. [sami, K.] gelijk, gelijkelijk, zamen, gezamentlijk, allen; ook in menigvuldig gebruik om het collective meervoud aan te duiden. padha Jawa, mede-Javaan. padha sadhela of padha sanalika, op hetzelfde oogenblik, in één oogenbliK. padha samêngko, terstond op't oogenbliK. padha tumuli, terstond daarna. pêpadha, gelijke, wedergade, naaste, evenmensch. sapêpadhane, en al wat daaraan gelijk is, en alle dergelijke. padha-padha, allen gelijk; onderling. sapadha-padhaning manungsa, alle medemenschen. -madha, evenaren, gelijken, gelijk zijn; vergelijken. madha rupa gelijken; evenbeeld. wong madha rupa karo kowe, een persoon die op u gelijkt. mêmadha, zich gelijk stellen, gelijk maken. -madhani, gelijk maken; iemand of iets evenaren. -madhakake, gelijk maken, gelijk stellen. -pamadha, vergelijking.

podhi : K.N. losse edelgesteenten. -modhi, met edelgesteenten bezetten.

pidhara : Kw. flaauwte, in flaauwte vallen. kapidhara of pinidhara, in een flaauwte vallen [kapidhara = kalêngêr en kalêmpêr].

padharan : zie dhahar.

pêdhak : zie pêrak.

pêdhêk : zie pêrak.

pudhak : K.N. I. de bloem van de Pandan of

--- 517 ---

wilde ananas. pudhak sinupit, benaming van een wijze van dienstkleeding, waarbij het kleed aan de regterzijde tot iets boven de knie hangt, van meer plooijen of vouwen voorzien is, en het van achteren langs den grond sleept. Zóó wordt het kleed alleen door den Vorst en de Prinsen gedragen. II. benaming van een soort van kleine mieren. III. naam van een spijs. IV. z.v.a. budhak.

padhêkan : zie bij parêk.

padhêt : K.N. hard gestampt, vast gekneed.

pêdhut : K.N. damp, nevel, mist. kalingan pêdhut, beneveld.

pêdhèt : K.N. jonge koe, kalf, vaars.

pêdhot : K.N. gebroken, afgebroken, gescheurd; af, afgedaan; breken, scheuren. ora pêdhot, N., botên pêdhot, K., tan pêdhot, K.N. onafgebroken, bestendig, gestadig; onafgedaan. -mêdhoti, een einde aan iets maken, afdoen, beslissen. -pamêdhot kênthêng, proceskosten voor het zetten binnen de kenteng.

pèdhèt : K.N. vlekken in het oog.

pêdhati : K.N. een kar of rijtuig met twee wielen, buffelkar [Sd.Ml.id.]. -mêdhati, op een Pedati rijden, een Pedati gebruiken.

padhas : K.N. rots; schilferachtig, rotsachtig, steenachtig. -padhasan, steenachtige grond.

pêdhês : K.N. scherp, bijtend van smaak, heet op de tong; een scherp, bijtend gevoel, [Ml.id.; Sd. peper].

padhola : Kw. I. gruis, vuiligheid. II. padhola of padholwa, waggeling; waggelen [padholwa = orêg].

padhêm : Kw. flaauwte; bewusteloos neêrvallen; dood [Ml. uitblusschen, uitdooven, dooden]. -madhêm, dooden.

padhang : K.N. licht, helder, klaar, duidelijk; licht van iets, schijn van een licht; open, van een woud; ook naam van een gewest op de westkust van Sumatra [Ml. open vlakte]. padhanging srêngenge, het lich der zon, zonlicht. padhang sasi, N., padhang wulan, K., padhang rêmbulan, K.N. maanlicht. padhang bulan, benaming van de van boven witte en vervolgens vergulde pajoeng van een Pangeran-sentånå. padhang hawa, het licht der lucht, het daglicht. agawe padhang, N., adamêl padhang, K., ophelderen. layang padhang, N., sêrat padhang, K., een open brief [Sd. geleibrief, pas]. sêrat padhang margi, een reispas. layang pangawasa padhang, een open volmagtsbrief. -madhangi, lichten, schijnen, beschijnen, verlichten, verhelderen. -madhangake, N., -kên, K., lichten, verlichten; een zaak ophelderen, duidelijk maken, door bewijzen of vertoogen slaven. -padhangan, naam van een distrikt.

pêdhang : K.N. houwer, sabel, zwaard, degen [Sd.Ml.id. Vrg. pêrang]. -mêdhang, buigen, krom maken als een sabel; sabelen, met een sabel houwen, een sabel gebruiken. -mêdhangi, met een sabel doorhakken, doorkappen. -pamêdhang, het gebruik van een sabel. -pêdhangan, elkander sabelen, met een ander of met elkander met den sabel vechten; een nagemaakte

--- 518 ---

sabel. pêdhang-pêdhangan timah, een looden sabel, voor speelgoed.

pêdhêng : K.N. middelmatig [vrg. sêdhêng].

paju : I. N., pajêng, K., nadering, het naderen [van aju]. -maju, N., majêng, K., zie bij aju, ook: van de regter- naar de linkerhand schrijven; ook majêng, K. [madhêp, N.] met het gezigt of front ergens naar toe. -pajupat, vierkantig, vierkant. -majupat, naar de vier kanten; een vierkant maken. II. K.N. keg, wig. -maju, met een wis werken, hout kloven, splitsen.

piji : zie miji.

puja : I. N., puji, K., of beide K.N., hulde, aanbidding, vereering, lofverheffing; bede, gebed, lof [Ml. puja en puji], Sd. paji, Skr. poêdjâ]. sakèhing puji kadarbe ing Gusti Allah, de Heere God zij beloofd en geprezen. -muja, N., muji, K., of mêmuja, N., mêmuji, K. of beide K.N., aanbidden, bidden, smeken, loven, prijzen. pinuja, l.v. [= ginunggung]. muji amêmuja, aanhoudend aanbidden. -mêmujakake, N., mêmujèkakên, K., voor iemand bidden of smeken. -pujan of pêpujan, K.N. voorwerp van vereering of aanbidding, aangebedene [pêpujan = olèhe nyipta]. -pamuja, N., pamuji, K., bede, wensch, lof. -pamujan, N., pamujèn, K., plaats van aanbidding, bedehuis. sanggar pamujan, bidkapel. II. Kw. iets dat een groote waarde heeft, kostbaar.

puji : zie puja, I.

pêjah : K. [pati en mati, N.] de dood; dood, levenloos, gestorven, overleden; sterven, overlijden; uitdooven, uitgaan. rajapêjah, doodslag, manslag, als regtsterm. angsal pêpêjah, dooden krijgen, d.i. dooden maken, in een gevecht. siti pêjah, wildernis. pêjah takêr têdhak, de Taker-toeroen wordt afgeschaft. -mêjahi, dooden; uitdooven, uitblusschen, uitdompen; doodend, doodelijk. kapêjahan, l.v.; ook een verlies lijden door overlijden, b.v.van een bloedverwant. -mêjahakên, ter dood laten brengen. mêjahakên sarira, het lichaam dood maken, d.i. het vleesch, de zinnelijke begeerten dooden.

pêjuh : N. [kama, K.] het mannelijk zaad.

pijana : Kw. tuin [= patamanan].

pujan : zie puja.

pajar : K.N. I. zie jar, I. II. het aanbreken van den dag, de dageraad [Ar. fajr] ; Ml.id.]. waktu pajar, de tijd van het aanbreken van den dag, wanneer het morgengebed verrigt wordt.

pijêr : K.N. I. zich bestendig of gestadig en geheel met iets bezig houden, zonder aan iets anders te denken. pijêr mangan bae, slechts aan het eten denken, zich alleen en geheel met eten bezig houden. II. zamengevoegd, zamengesmeed. -mijêri, zamenvoegen, solderen. III. naam van een soort van kapellen.

pijir : K.N. [van ijir]; mijir, tellen, uitrekenen, verrekenen. -pijiran, verrekening, afrekening.

--- 519 ---

pojok : K.N. hoek, uitstekende hoek, uiterste punt van iets, uitstek; slip van een kleed. pocoking bèntèng, kanteel. -mojok, een hoek vormen; uitsteken; uitmunten. -pojokan, aan de hoeken; een hoek.

pajêksan : zie jêksa.

pajakyan : Kw. aanwijzen, teregtwijzen, den weg wijzen [= nuduhake].

pujud : Kw. gebroken; afgesneden, doorgekapt.

pijêt : en pèjèt, K.N. indruksel [Ml. pijat en picat] ]. -mijêt of mèjèt, drukkende knijpen; met de vingers of met de volle hand drukkende knijpen, nam. de matte leden van vermoeiden tot opwekking, of de slapen van het hoofd en den nek tegen hoofdpijn; een indruksel of deuk maken. -mijêti, herjaaldelijk drukken, de ledematen drukkende knijpen. -pijêtan, naam van een vrucht.

pèjèt : zie pijêt.

pijitu : Kw. brief, boek [= layang].

pajatèn : zie jati.

pajatan : K.N. personen die aan een offermaaltijd deel nemen [van ajat].

pajupat : zie paju.

pajêg : I. Kw. zie ajêg, II. N., paos, K., pacht, van landerijen, die bij de Javanen in twee keeren in het jaar, op de feesten in de maanden Moeloed en Poewåså, gestort wordt; pacht betalen; schatpligtig [Sd.id., Ml. pajak] ]. -majêgi, N., maosi, K., pachten, in pacht nemen. -majêgake, N., maosakên, K., verpachten. -majêgan, pachtpligtig. -pajêgan, landen waarvoor pacht opgebracht wordt, pachtlanden; een opeenstapeling van hoofdkussens van een statie-bed. -pamajêg, N., pamaos, K., verpachting; verpachter. -pamajêgan, N., pamaosan, K., land dat pacht opbrengt; pachteling, pachter. bêkêl pamajêgan, pacht-bekel.

pajagan : zie jaga.

Pajang : I. K.N., ook paos, K., naam van een distrikt op Java, waarvan Soerakarta de hoofdplaats is. -pajangan, het Padjangsche, de Padjangsche landen. majang pasisiran, zie pasisir. II. Kw.; majang, in orde brengen, opschikken, versieren; K.N. een bed opmaken. -pajangan, K.N. een opgemaakt bed, een bruidsbed. pêpajangan, sieraad.

pajêng : zie paju, payu en payung.

pujôngga : of bujôngga, K.N. I. schrander; een geleerde, dichter, geschiedschrijver [pujôngga = tukang carita en bujôngga = wong kang pintêr]. pujangganing praja, een hofdichter, een geletterde en geschiedkundige aan het hof, die het ambt van 's Rijks geschiedschrijver bekleedt. II. zie bujôngga.

pya : Kw. vergeten.

paya : verkorting van upaya.

payu : I. N., pajêng, K., de waarde die iets gelden kan, wat iets opbrengen kan; gangbaar, gebruikelijk, gewild; kunnen gelden, kunnen opbrengen; van de hand willen, verkocht kunnen worden [wor...]

--- 520 ---

[...den] [Sd.id.]. -payon, N., pajêngan, K., een gangbare munt. pêpayon en pêpajêngan, het geld dat iets gelden kan; ook het met elkander omtrent een prijs eens worden. II. N.; mayu, N., majêng, K., een dak maken, overdekken, bedekken, overschaduwen, beschermen. -payon, K.N., pajêng, K.d., dak; kap van een wagen.

payo : zie ayo.

pyuh : Kw. verpletterd; vergaan [= rêmêk]. -sampyuh, zie boven.

puyuh : K. [gêmak, N.] naam van het wijfje van den bênce, een kleinen vogel, een soort van kwartel, waarvan het wijfje tot vechten gebruikt wordt [Sd.Ml.id.].

puyuhan : K.N. de onderbuik [waarschijnlijk van uyuh].

payon : zie ayo en payu.

poyan : of pêpoyan, K.N. leer, onderwijs. -moyan of mopoyan, leeren, onderwijzen. -moyani, Kw. zeggen, spreken; leeren, onderwijzen.

piyandêl : K.N. of N. [mitajêng en pitados, K.] vertrouwen, geloof; vertrouwde, vertrouweling: van andêl.

pyur : Kw. verbrijzeld, verpletterd.

piyara : K.N.; miyara, verzorgen, onderhouden, voeden, opkweeken [Ml. piara, z.v.a. pelihara] : zie bij paliara].

piyarsa : pyarsa of piarsa, Kw. [waarschijnlijk gevormd van pirsa]; miyarsa, myarsa of miarsa, Kw. en K.h. hooren [= krungu, Vrg. midhangêt]. -miyarsakakên, aanhooren; vernemen. -pamiyarsa, het gehoor. -pamiyarsan = kuping.

pyak : verkorting van piyak.

pyêk : K.N. het piepen van een kuiken.

pyuk : verkorting van gapyuk.

piyak : K.N. geopend, van elkander gescheiden; zich van één scheiden; een doorgang. -miyak, van één scheiden, openen, ontblooten, een doorgang maken [vrg. bij wiyak].

poyok : K.N. [Sd. bespotten, uitlachen]; moyoki, bespotten, honen; spotten, boerten, den spot drijven. -pêpoyokan, spotternij, scherts, boert.

payudan : zie yuda.

payudara : Kw. en K.h. [pênthil, K.N.] speen, tepel; [susu, K.N.] de borsten van een vrouw [Skr. pajôdhara, de borsten van een vrouw].

payus : K.N. bleek van kleur, verbleekt.

piyala : z.v.a. piala, zie ala.

piyaphat : Ar. gelaatkunde, phisiognomie [verbastering van Ar. Ml. qiyaafat] .

pyai : verkorting van piyayi [= manungsa kang duwe lungguh].

piyutang : z.v.a. piutang, zie utang.

piyayi : zie priyayi.

payayuni : Kw. een vliegende wesp [ kombang mibêr].

pyayama : Kw. 1. antwoorden; 2. vervolgens, daarna.

piyambak : K. [dhewe, N.] zelf, in eigen persoon; eigen; alleen; van zelf. rencangipun piyambak, zijn eigen bedienden. piyambakipun, hij zelf; hij. agêng piyambak, alleen

--- 521 ---

groot, d.i. allergrootst. kathah piyambak, meest, allermeest. piyambakan, afzonderlijk, alleen, met een ander of met elkander alleen.

piyagêm : zie agêm.

payung : K.N., pajêng, K.d. [songsong, K.h.], regen of zonnescherm [pajêng = payung en songsong, Sd.Ml.id.]. De Pajoeng behoort tot de onderscheidingsteekenen der Javaansche ambtenaren, van een Panèket af tot den Raden-Adipati toe, verschillend van kleuren tot onderscheiding der rangen. -mayung, als een zonnescherm zijn. -mayungi, met een regen- of zonnescherm bedekken, een scherm over het hoofd houden, beschaduwen, beschermen. -payungan, een Pajoeng gebruiken.

piyong : K.N. een klinkend geluid.

puyêng : K. [ngêlu, N., mumêt, K.N.] duizeligheid in het hoofd, hoofdpijn [van uyêng]. -muyêng, duizelig zijn [zie ook bij uyêng]. -puyêngan, verward door elkander; verwarring [= bingung swara nora karuhan].

piyangkah : zie angkah.

piyangkuh : zie angkuh, II.

payingan : K.N. in de war zijn, verwarring.

pama : verkorting van upama.

pami : verkorting van upami.

pema : z.v.a. poma.

poma : K.N. volstrekt! het moet volstrekt! poma-poma, het moet volstrekt en volstrekt! met den meesten nadruk iets gebieden of verbieden. kula dipun poma-poma, het is mij op het nadrukkelijkst verboden geworden.

pemahan : zie omah.

pomahan : zie omah.

Pamahdiguru : bijnaam van Narådå.

paman : K.N. oom, jongere broeder van vader of moeder [vrg. wa, III.; Sd.Ml. oom van vaders zijde]. pamanane, zijn oom. pinaman-paman, oom genoemd worden.

pamanah : 1. N., zie panah, 2. K., zie manah.

pamanasi : Kw. ten onderbrengen, vernederen [= ngasorake].

pamuncang : en pamuncangan, zie mucang.

pamaca : zie waca.

pamacona : Kw. verzoeking, beproeving [= panggodha].

pamèr : K.N. een staatsiekleed [misschien van mèr, grondvorm wèr]. -mamèri, zich in staatsie vertoonen. -mamèrake, N., -kên, K., een staatsiekleed dragen; iets vertoonen, laten zien. -pameran, zich in staatsie vertoonen.

pamor : zie awor.

pamrih : zie purih.

pamardana : Kw. een hoofdkussen [= bantal].

pamarsudi : Kw. poging, onderneming.

pamuragil : zie wuragil.

pamurung : zie wurung.

pamèk : zie apèk.

pamuk : K.N. een verwoede aanvaller, iemand die in arren moede zich in het gevecht stort, een woedende strijder [van amuk, Sd. voorvechter]. -mamuk, z.v.a. ngamuk.

pamêkas : zie wêkas, II.

pamade : zie madya.

--- 522 ---

pamidak : K.N. een trap met den voet [van midak, zie idak].

pamidikan : Kw. een bidplaats.

pamit : zie amit.

pemut : zie emut.

pamasa : Kw. koning, vorst.

pamil : K.N. iemand heimelijk den kris uit de scheê trekken [vrg. milah, bij wilah].

pamapak : K.N. verbod, verhindering [= pamênging].

pampêt : K.N. stopping, stelping, stremming [van ampêt]. -mampêt, 1. stopeen, stelpen, stremmen; 2. ophouden met vloeijen.

pampus : K.N. korte laarzen, hooge schoenen [waarschijnlijk het Engelsche pumps, dansschoenen].

pamigi : Kw. een steenen vesting [= bata bètèng].

pamugari : zie wugari.

pambarêp : zie barêp.

pambêkan : zie ambêk.

pambajêng : zie barêp.

pambayun : ook prambayun, Kw. I. z.v.a. pambarêp [van ayun, prambayun = putra kang tuwa dhewe]. II. de borsten van een vrouw [prambayun = susu].

pambêngan : zie ambêng.

pamèngêt : K. herinnering, waarschuwing [van èngêt].

paga : K.N. een bovenvertrek, zolder.

pêga : K.N. rook, dikke rook; donker, duister; duisternis. bolongan pêga, schoorsteen. apêga wardaya, duister van hart, radeloos zijn. -mêgani, berooken, met rook vullen, verduisteren.

puguh : K.N. halsstarrig, hardnekkig [Sd. gewis, vast, zeker, voorzeker; stipt, stiptelijk; klaarblijkelijk, duidelijk; immers].

pegon : K.N. een boek in de Javaansche taal, dat met Arabische letters geschreven is.

pagene : zie gene.

pagêr : K.N. omheining, omtuining, haag, heg, muur [Sd.Ml.id.]. pagêr bata, N., pagêr banon, K., muur, wand. pagêr bumi, N., pagêr siti, K., een aarden wal; de ringmuur van de KratoN. -magêr, als een omheining zijn; onbeweeglijk, onveranderlijk. magêrsari, N., magêrsantun, K., lijfwacht; ook de personen die op het erf van een Javaansch hoofd wonen, ofschoon niet tot zijn eigenlijke bedienden behoorende. -magêri, omheinen, omheining maken, omperken, beperken.

pugêr : z.v.a. ugêr, -pugêran, steun, steunsel, paal.

pagut : K.N. aanval, attaque [= panggih]. paguting pêrang, aanval in den strijd. -magut, een aanval doen, attaqueren [= mapag ing prang]. -magutake, N., -kên, K., laten aanvallen, tegen een vijand doen oprukken.

pêgat : K.N. afgebroken, gescheiden, afgescheiden; scheiding [Sd. afgesneden, doorgesneden; breken, knappen, zoo als een touw; echtscheiding]. pêgat-pêgat, gedurig (telkens) afgebroken. tan pêgat, K.N., ora pêgat, N., botên pêgat, K., onafgebroken, bestendig, [besten...]

--- 523 ---

[...dig,] gedurig. pinuntir pêgat, afgedraaid. pêgatsih, naam van een medicinale droogerij. -mêgat, afbreken; scheiden, van zich verwijderen, een vrouw verstooten, haar van zich scheiden; ook in den weg treden. mêgat-mêgat, overal tegenloopen, overal stuiten. -mêgati, iemand in den weg treden, den weg afsnijden [= angadhangi]. -mêgatake, N., -kên, K., doen of laten scheiden. -pamêgat, het scheiden. layang pamêgat, een scheidbrief. -pêgatan of pêpêgatan, van een ander of elkander gescheiden; ook pêgatan, N. [pisahan, K.] echtscheiding.

pêgot : z.v.a. pêdhot, gebroken; breken.

pugut : K.N. afgebroken, afgekapt; stomp (niet scherp). -mugut, Kw. doorsnijden, doorkappen [= anugêl].

pagas : K.N. afgesneden, doorgekapt. têtak pagas, een wijze van besnijding door de voorhuid geheel af te snijden. -magas, afsnijden, doorsnijden, doorkappen.

pagawan : zie bagawan.

pêgêl : K.N. verstijving van een lid; een pijnlijk gevoel, smart, hartzeer. -mêgêlake, N., -kên, K., stijf maken, verstijven; zich tegen iets verzetten, weêrspannig zijn.

pugal : K.N. onwillig, wederspannig [= ora manut]. -apugal, zich wederspannig toonen, zich verzetten.

Pagêlèn : 1. Kw. het mannelijk lid; 2. Pagêlèn of Bagêlèn, naam van een distrikt op Java.

pagupon : en bagupon, K.N. een duiveslag, vogelkooi.

pugag : K.N. de onderste stam.

pogog : K.N. de tronk van een boom.

pagêblug : K.N. besmettelijke ziekte, pest [Sd. pagêbug, besmettelijk].

pêgêng : K.N.; mêgêng, inhouden; den adem inhouden; zich van iets onthouden; K.h. [nyapih, K.N.] een kind van de borst doen, spenen [= ambêndung, Ml. houden, vasthouden]. mêgêng waspa, de tranen inhouden.

pabên : zie adu, mabêni, zie padu, en parapabên of paripabên, zie para, III.

pabratan : zie brata, II.

pabaratan : zie brata, II.

pathi : K.N. 1. uitgeperste sappen van vruchten of planten; het edelste, beste van iets, puik; 2. [ook santênan, K.] naam van een distrikt op Java.

pêtha : I. K.N. schilderij, teekening; model, gedaante, voorbeeld. -mêtha, nabootsen, konterfeiten [= anelad]. II. Kw. water, dat schuimend opborrelt, volgens de Dåså-nåmå [Skr. pâtha, water].

pêthi : K.N. kist, koffer, kelder [Sd.Ml.id.].

pithi : K.N. 1. muis, 2. een kleine rijstmaat.

puthu : K.N. naam van een soort van gebak: koek.

potha : K.N.; motha, een vrouw vleijen, haar zoete woorden geven [zie ook beneden, en vrg. mothèh]. motha-motha, aanhoudend vleijen, alles in het werk stellen, om een vrouw voor zich te winnen.

pathin : naam van een grooten visch.

--- 524 ---

pothar-pathir : Kw. in groote verlegenheid heên en weêr loopen, radeloos, ongelukkig zijn [= karusakan].

pathak : K.N. bekkeneel, voorhoofd; kop van een beest of hoofd van een gering mensch.

pathuk : K.N. steile oever, uithoek, kaap, voogebergte.

pathèk : K.N. een uitslag op de huid.

pathok : K.N. paal, paal of boom, waaraan een beest wordt vastgebonden; anker. -mathoki, met stokken afperken.

pêthak : K. [putih, N.] wit, blanK. wang pêthak, zilvergeld. sarupiyah pêthak, een blanke ropij, d.i. een gulden zilver. tiyang bôngsa kulit pêthak, iemand van een natie van blank vel, een blanke: een benaming, waaronder de Europeanen en hunne afstammelingen en de Chinezen verstaan worden. -mêthak, witten, bleeken; zich wit maken, reinigen, zuiveren, heiligen (door onthouding). -mêthakakên, iemand of iets wit maken; zuiveren, heiligen; een priester vrijstellen van de opbrengsten van pacht. -pêthakan, [Vrg. lawon] witte stof, wit doek, wit linnen; [vrg. sêlaka] witgeld, zilver, zilvergeld.

pêthik : I. K.N. een schroevendraaijer. II. K.N.; mêthik, vruchten of bloemen plukken; lezen, inzamelen [Ml.id.]. -pêpêthikan, uitgelezen stukken, bloemlezing. -pamêthik, het plukken van bloemen of vruchten, het uitlezen.

pêthuk : K. [papag, N.] ontmoeting op weg [vrg. athuk]. sêrat pêthuk, kwitantie. -mêthuk, iemand op weg te gemoet gaan, iemand inhalen, iets afhalen; ook een ring onder het lemmer van een piek aan het bovenste einde van den stoK. -kapêthuk, op weg ontmoeten of aantreffen, tegenkomen. -mêthuki, zich met de meening van een ander vereenigen. -mêthukakên, iemand te gemoet gaan, tegemoet treden om tegen te gaan, te gemoet gaan, te gemoet zenden. -pêthukan, elkander te gemoet gaan; inhaling. -pamêthuk, het plaats hebben van mêthuk, ook het geschenk, dat in plaats van de Paningset gegeven wordt aan een Pangéran-sentånå, wanneer deze zijn dochter aan iemand van lageren stand wil geven. -pamêthukan, [pangadhangan, N.]. een plaats waar personen elkander ontmoeten, handels-plaats.

pêthèk : K.N. I. heining, omheining [vrg. thèk]. II. voorspelling, waarzegging; vooronderstelling. -mêthèk, voorspellen, een voorspelling doen, waarzeggen, raden een raadsel oplossen; vooronderstellen. -pamêthèk, voorspelling; vooronderstelling; hij die een voorspelling doet.

pethak : K.N. bles.

pèthèk : naam van een kleinen ronden zeevisch.

pothok : K.N. pal staan, niet wijken.

pathêt : K.N.; mathêt, aanhalen, tot zich trekken.

pêthat : K.h. [jungkat en suri, N., sêrat,

--- 525 ---

K.] kam, haarkam. papêthat, kammen. -mêthati, het haar kammen. tukang mêthati, kapper, kapster.

pêthêt : K.N.; mêthêt, afsnijden, afkappen, doorsnijden.

pêthit : K.N. de uiterste spitse punt van iets; de staart van een slang. -mêthit, scherp, puntig zijn.

pêthut : K.N. de aanvoerder van een bende.

pêthèt : K.N.; mêthèt, verplanten, jonge boomen planten. -pêthetan, wat men plant, plant, boompjes die verplant worden, gewas [Sd.id.]. pêthetan sêsêkaran, bloemgewas. wadhah pêthetan, bloempot. -papêthetan, boomgaard, jong plantsoen. papêthetan sêsêkaran, bloemperk.

pithut : K.N. dikke, gezwollene oogen.

puthut : K.N. bediende of leerling van een Tåpå. Puthut Jantaka, eign. van een Boetå.

pethot : K.N. gekneusd, gedrukt; kneuzing.

pêthal : K.N. afgescheiden, losgebonden, losgelaten. -mêthal, afscheiden, losmaken, loslaten, vrij laten loopen; ook den grond met een hak bewerken. -pêthalan, afscheiding, hetgeen afgescheiden is.

pêthêl : K.N. naarstig, ijverig, vlijtig.

pêthil : K.N. I. elkander in den snavel bijten (van twee vechtende Gemaks of andere vogels). II. losgeraakt, afgevallen. -mêthil afplukken, losmaken; uit een grooten hoop uitkiezen. -mêthili, meervoud. -pêthilan, het afgeplukte, uitgekozene. -pamêthil, het plaats hebben van mêthil. III. pêthil en mêthil, z.v.a. pêthèl, en mêthèl.

pêthèl : K.N. een timmermansgereedschap, een soort van bijl. -mêthèl, met een Petèl werken. -mêthèli, een stuk hout of iets met een Petèl bewerken.

puthul : K.N. van het geheel afgescheiden, zoo als door een beet, slag of sneê [vrg. pothol].

pothol : K.N. afgebroken [vrg. puthul]. -mothol, afbreken.

pathola : Kw. I. verwoesting. II. een zijden stof, een zijden kleed [Skr. patôla, een soort van gewone stof, een soort van chits].

pêtha pralaya : naam van het paleis van Batari Doergå.

pathamuli : eign. van een Widådari.

pithing : K.N.; mithing en ngapithing, vast in de armen sluiten. kapithing, zie boven.

pang : of êpang, K.N. tak van een boom.

ping : N., kaping, K., een voorzetsel voor telwoorden, om het hoeveelste of hoe veel maal te beteekenen: b.v. ping pat, N, kaping sakawan, K., de of het vierde, of viermaal. ping nêm, N., kaping nêm, K., de of het zesde, of zes maal. ping sapuluh, N., kaping sadasa, K., de of het tiende, of tien maal. ping satus, N., kaping satus, K., de of het honderste, of honderd maal. Zoo ook ping pira, N., kaping pintên, K., de of het hoeveelste? of hoeveel maal? hoe dikwijls? ping pira-pira, hoeveel malen al? ingkang kaping tiga, hetgeen het derde is, d.i. ten derden. ingkang kaping tiganipun, die de (of hetgeen het) derde er van

--- 526 ---

is, d.i. de (of het) derde. -ming, tot de hoeveelste maken. -pining kalih, tweemaal gedaan. -pingping, vermeerdering, vermenigvuldiging.

pung : naam van een gebloemd hout.

pongah : Kw. dom, onwetend.

pongah-pangih : K.N. allerhande bewegingen van het lichaam. apongah-pangih, allerhande bewegingen maken. -mongah-mangih, Kw. gekheid maken, schertsen.

pangan : N. [têdha, K., dhahar, K.h.] het eten; eten, spijs, voedsel, levensmiddelen, onderhoud. -mangan, eten, spijs gebruiken, nuttigen, verteren. mêmangan, iets, het een of ander, eten; snoepen. pamangan, het eten, het nuttigen van een spijs; eetlust; hij die eet. -panganan of pêpanganan, wat men eet, eetwaren, allerhande spijzen; versnapering, snoeperijen, lekkernijen.

pangèn : zie angon.

pangon : zie angon.

pungun : Kw. verbaasd, ontsteld [vrg. ngungun]. pêpungun, groote spjt hebben [= sangêt gêtuning manah].

pengin : K.N.; kapengin, groote begeerte, sterk verlangen; verlangen, haken, hunkere. -penginan, begeerte, begeerlijkheid, hebzucht. -menginake, N., -kên, K., de begeerte opwekken, belust maken.

pangina : Kw. twijfel, wantrouwen [waarschijnlijk van ngina, zie ina].

panganan : zie kanan en pangan.

pangincih : K.N. bedreiging [van ngincih, zie incih].

pangendrajala : Kw. een zeer slecht mensch, een stoute dief, een groot boosdoener, een koningsmoordenaar [van endrajala, zie endra].

panginte : Kw. spion, bespieder.

pangintun : zie kirim.

pangantèn : K.N. bruid of bruidegom, ondertrouwde [waarschijnlijk van nganti, zie anti, Ml.id., Sd. pangantèng]. pangantèn lanang, N., pangantèn jalêr, K., bruidegom. pangantèn wadon, N., pangantèn èstri, K., bruid. -pangantenan, zich als bruid of bruidegom voordoen, het voorkomen van een bruid of bruidegom hebben; een mooi gekleede pop. -mangantènake, N., -kên, K., iemand bruid of bruidegom maken.

pangantyan : Kw. z.v.a. pangantèn.

pangandhe : Kw. voorbeeld, gelijkenis [van andhe, zie angdhe].

panganjung : Kw. z.v.a. panganjur.

pangur : K.N. een schaaf.

pangore : K.N. losbangend haar, een loshangende haarvlecht [vani ore, z.v.a. ure].

pangrèh : zie rèh.

pangran : verkorting van pangeran.

pangaron : zie karon.

pangeran : K.N. Heer van de Godheid; ook titel der zonen en oudste kleinzonen van den Vorst, prins [Ml.id., Sd. pangerang, Het woord zou eigentlijk pangeran, geschreven moeten worden, daar het ongetwijfeld afgeleid is van ngèr, of angèr, z.v.a. ngèngèr, dienen, en dus het voorwerp, [voor...]

--- 527 ---

[...werp,] dat men dient, beteekent]. Dezelfde titel kan door den Vorst uit bijzondere gunst ook aan zijn verdere afstammelingen verleend worden. De zonen van den Vorst worden pangeran putra, de kleinzonen en verdere afstammelingen, die tot dezen adelijken titel verheven zijn, pangeran santana, genoemd. De oudste der onechte zonen van den Vorst voert altijd den titel van pangeran ngabèhi, de oudste der echte zonen, de Kroonsprins, dien van pangeran adipati anom. De titel pangeran adipati, wordt als meer vorstelijke titel aan Pangerans vanhoog aanzien verleend, een ook gevoerd door de van de vorsten van Soerakarta en Djokjokarta onafhankelijke Prinsen Mangkoe-nagårå en Pakoe-alam. pangeran kamisêpuh, is de titel van de jongeren echten broeder van den vorst, of anders van een anderen hoogaanzienlijken Pangeran, die het hoofd is der overige Pangerans uitgezonderd den Kroonsprins. Dezelfde wordt ook pangeran bêkêl, genoemd. pangeran ing alam kabèh, de Heer der geheele wereld. -mangeran, iemand Pangeran noemen; tot Pangeran maken; een afgod van iets maken.

pèngêran : K.N. overleg, oordeel, nadenken [waarschijnlijk van ingêr].

pangarak : K.N. zie arak, I.; ook rand, uiterste omtrek.

pangêrik : of pangrik, zie kêrik.

pangrêt : zie ngêrêt.

pangiris : K.N. snede, wond [van ngiris, zie iris].

pangoras : K.N. I. zie koras. II. zuivering [z.v.a. panguras, van nguras, zie uras].

pangarasan : K.h. [pipi, K.N.] de plaats die gezoend wordt, wang, koon [van ngaras, zie aras, I.].

pangarêp : N. voorste, eerste, vorrnaamste, voorganger; vooruit; voorhoede van een leger [van ngarêp, zie arêp]. -pangarêpan, zich vóór bevinden, in tegenwoordigheid van.

pangaribawa : Kw. iemand die groote schatten bezit, een rijk man.

pangarang : Kw. werk, daad, verrigting; het vervaardigen van een geschrift; auteur [van ngarang, zie karang].

pangiring : K.N. sleep, gevolg; opbrengsten behalve de gewone pacht [van ngiring, zie iring].

pangrêngga : K.N. tooisel [van ngrêngga, zie rêngga].

pangku : K.N. [Ml. schoot]; mangku, iets op den schoot houden, vóór zich hebben. mangkunagara, eign. van een van den Soesoehoenan onafhankelijken Prins in het Soerakartasche. mangkubumi, eign. van een Prins. mangkurat, eign. van een Javaansch Vorst. [In deze eigennamen is mangku, waarschijnlijk in plaats van mêngku, van wêngku]. -pangkon, schoot; ook Kråmå-benaming van het leesteeken, dat in Ngoko Paten genoemd wordt. -kamangkunagaran, het Mangkoenagåråsche, het vorstendom van Mangkoenagårå.

pinguk : K.N.; mingak-minguk, aanhoudend met het hoofd draaijen, links en regts zien. pating palinguk, met verwondering of verbazing om zich heên zien, van velen te gelijk. malinguk,

--- 528 ---

palingukan en palingak-palinguk, verbaasd om zich heên zien.

pêngkuh : K.N. gespierd; stevig, hecht, sterk, vast, onbeweeglijk.

pangkur : benam. van een zangwijze [Ml. een houweel].

pêngkêr : zie pungkur.

pungkur : N., pêngkêr, K.; zie ungkur, mungkuri, N., mêngkêri, K., iemand den rug toedraaijen, minachting jegens iemand toonen. -mungkurake, N., mêngkêrakên, K., iets verbergen, geheim houden. -pungkuran, N., pêngkêran, K.; zie bij ungkur, ook een achtergebouw, het achterste gedeelte van een gebouw.

pangkrêt : en pungkrêt, K.N.; mangkrêt en mungkrêt, krimpen, inkrimpen, zich terugtrekken.

pungkrêt : zie pangkrêt.

pangkring : K.N.; mangkring, zijn eind vasthouden, niet loslaten; b.v. bij het verkoopen zich aan den eenmaal bepaalden prijs houden.

pêngkok : K.N.; mêngkok, stuiten, tegen iets stuiten; beletten, tegengaan; in het naauw brengen. kapêngkok banawi, door den stroom gestuit worden. -mêngkoki, tegen elkander stuiten; elkander ontmoeten.

pangkat : K.N. afdeeling, verdeeling, plaatsing, verdieping, klasse, rubriek [Ml.id.]. patang pangkat, vier afdeelingen, verdiepingen of klassen. pangkat-pangkat, elke afdeeling afzonderlijk. pangkat wiwitan, de eerste afdeeling, d.i. de geboorte. pangkat wêkasan, de laaste afdeeling, d.i. de dood. pangkat kang têngah, de middelste afdeeling, de middelbare leeftijd.

pangikêt : K.N. het zamenbinden, verbinding; een opstel of gedicht maken; dichter, auteur [= olèhe mikir, van ngikêt, zie ikêt]. -mangikêt, z.v.a. ngikêt.

pungkas : K.N. ten einde toe, geheel en al [vrg. wêkas]. -mungkasi, ten einde brengen, eindigen, volbrengen, afdoen, beslissen; een trein sluiten. -pungkasan, het einde, uiterste punt, laatste. -pamungkas, de laatste; hij die allen overtreft.

pangaksi : Kw. z.v.a. pangaksama [? van ngaksi, zie aksi].

pangèksi : Kw. het vermogen om te zien, het gezigt [van ngèksi, zie èksi].

pangaksama : Kw. vergiffenis, genade [= apura, van aksama].

pangkal : K.N.; mangkali, beletten, verhinderen. -pangkalan, beletsel, hindernis.

pêngkul : K.N.; mêngkul, ook mêkul, omvatten, omhelzen [mêkul = anggêlut].

pingkal : zie pengkal.

pengkal : of pingkal, K.N. naam van een bekend leesteeken [eigenlijk, naar het schijnt, achterpoot van een beest]. -mengkal, met den achterpoot slaan of schoppen, achteruitslaan, achteruitschoppen.

pangkêluk : of pêngkêluk, K.N. gebogenheid, boog [van êluk, Vrg. pangkêlung]. -mangkêluk, buigen, zich buigen; gebogen. -mangkêlukake, N., -kên, K., buigen, gebogen maken.

pangkêlung : of pêngkêlung, K.N. gebogenheid, boog; gebogen, krom [vrg. pêngkêluk. waarschijnlijk van êlung, want dit beteekent bepaaldelijk

--- 529 ---

het jonge loof of de ranken van slingerplanten, die boogsgewijze uitschieten]. -mangkêlung of mêngkêlung, z.v.a. malêngkung, buigen; gebogen. -mêngkêlungake, N., -kên, K., buigen, gebogen maken, doen buigen.

pêngkung : z.v.a. bêngkung, -palêngkung, zie bij lêngkung.

pangadu : N., pangabên, K.; zie bij adu. ook een pleitbezorger, advokaat; pleit, pleidooi. -pangadon, N., pangabênan, K., een strijd of vechtplaats; geregtsplaats, balie.

panguda-uda : K.N. matigheid [van nguda-uda, zie uda-uda].

pangadêg : K.N. zie adêg. ook oprigting, daarstelling; uitrusting; de kleêren voor een reis in gereedheid brengen. -mangadêg, 1. opstellen, daarstellen, tot stand brengen; 2. iemand van een pak kleêren voorzien.

pangot : K.N. [waos, K.h.] een krom mes.

pèngêt : K.; zie èngêt. ook opwekking of middel tot herinnering. -pèngêtan, aanteekeningen tot herinnering. sêrat pèngêtan, schriftelijke herinneringen, memoriaal. -papèngêtan, register.

pingit : K.N. [Ml. opgesloten, b.v. in een kooi; verborgen, bedekt]; mingit, verbergen, bedekken, bewaren. -mingit-mingit, zie beneden.

pangetan : zie wetan.

pangus : Kw. spraakzaam, welsprekend [= bisa ngucap].

pangasih : K.N. 1. gunst, genegenheid, liefde; 2. middel om liefde op te wekken; 3. een kleed dat van voren zamengevouwen is [van asih].

pangêsti : z.v.a. pangèsti, zie ngèsti.

pangèstu : Kw. goedkeuring; zegenwensch, zegenbede; verzekering, toezegging [van èstu]. pangèstu mandi, een stellige verzekering.

pangasiyan : Kw. verhooring van een gebed; een toovergebed, waardoor een doode weêr levend gemaakt wordt [van ngasihi, zie asih].

pangusungan : K.N. rosbaar, draagstoel [van ngusung, zie usung].

pangiwa : zie kiwa.

pangawinan : Kw. een lans [= tumbak].

pangewan-ewan : zie ewa. ook een schrik en afkeer verwekkend tooneel.

pangawat : Kw. de uitersterand van iets; de vleugel of flank van een leger [= kiwa têngên, Vrg. panjawat, bij jawat]. -mangawat, den uitersten rand formeren, de flank bezetten.

pangwasa : pangawasa of panguwasa, zie kuwasa.

pangawula : zie kawula.

pangol : K.N. het gewricht van de hand; omhelzing.

pingil : K.N. winst, voordeel.

pingul : Kw. de scherpe tanden van een olifant [= putih en putihing siyung].

pongol : K.N. een uitstekende punt.

pangulah : zie pangolah.

pangolah : of pangulah, zie olah. ook verrigting, arbeid, werk [pangulah = olèhe anggumatèni].

pangilèn : K.N. toevlugt, wijkplaats, schuilplaats [van ngili, zie ili].

pangêluk : K.N. toegenegenheid [van ngêluk, zie êluk].

--- 530 ---

panglupi : Kw. een opstel, geschrift [vrg. alupi en palupi].

pangoleyan : N. het verkregene, een verkregen goed: van olèh.

panglêng : K.N. de opslag van het oog, blik; oogmerk.

pangling : N., pandung, K., iemand of iets niet herkennen [pangling, Kw., zie bij ling]. ora pangling, N., botên pandung, K., iemand of iets herkennen. -manglingi, zich niet laten herkennen, zich onkenbaar maken, door zich te verkleeden.

panglong : K.N. afneming, vermindering; het afnemen der maan [van ngêlong, zie êlong].

pangeling : N. zie eling, pangelingan, iets dat tot herinnering dient, aanteekeningen, memorandum, memoriaal.

pangipur : K.N. kromme beenen hebben, mank loopen.

pangapit : K.N. van weêrszijden, van de regter en linkerzijde, iemand of iets insluiten; op de regter en linkerzijde van iemand gaan [van ngapit, zie apit].

pangapêsan : K.N. middel om (een vijand) onheil te berokkenen en te overwinnen [van apês].

pangapêman : K.N. een pan waarin koek gebakken wordt [van ngapêm, zie apêm].

ping-ping : zie ping.

pung-pung : K.N. tusschentijd. -mungpung, ook mupung, en gew. mumpung, in den tusschentijd of inmiddels iets verrigten; middelerwijl, terwijl nog, gedurende dat. mumpung taksih alit, terwijl het nog klein is.

pangadhangan : N. [pamêthukan, K.] handelplaats, een plaats waar handel gedreven wordt [van adhang].

pangajapan : K.N. zie ajap. ook het voorwerp eener begeerte, het onderwerp van een gebed.

pangimpèn : zie impi.

pongge : K.N. het binnenste van een Doerjan.

panggah : K.N. vast, onbeweeglijk; onveranderlijk, standvastig; pal staan, niet wijken [= wani amapahake].

panggih : K. [têmu, N.] het vinden; ontmoeting, zamenkomst [Sd.id.]. apanggih of papanggih, bij iemand gaan, iemand bezoeken. -manggih, vinden, ontdekken; ondervinden, van iets dat iemand treft, wedervaart of overkomt. kapanggih of pinanggih, l.v.; kapanggih, ook aantreffen, ontmoeten. -manggihi, iemand of iets vinden, iemand, die bij iemand aan huis komt, ontvangen, recipiëren. -manggihakên, personen elkander laten ontmoeten, bij elkander brengen, in den echt vereenigen, laten trouwen. -panggiyan, vond, wat gevonden wordt of is. lare panggiyan, een vondeling. panggiyan of papanggiyan, met een ander of met elkander een zamenkomst of bijeenkomst hebben, elkander ontmoeten, elkander aantreffen. -pamanggih, het plaats hebben van manggih, b.v. pamanggih kula anèh, ik vind (of vond) het aardig. -pamanggiyan, plaats van een bijeenkomst, vergadering.

pangguh : Kw. z.v.a. panggih [= katêmu].

pinggah : zie punggah.

punggah : N. [Ml. lossen, ontladen, ontschepen]. pinggah, [ping...]

--- 531 ---

[...gah,] K.; punggahan, N., pinggahan, K., de zuivering bij den aanvang der vasten.

panggauta : zie gaota.

pinggan : K.N. een diepe nap, kom [Sd.Ml.id.].

panggenan : zie ênggon.

panggonan : zie ênggon.

pinggir : K.N. rand, kant, zijde, boord, zoom [Ml.id.]; ook benaming van een van Balambangan afkomstige klasse van onderdanen van den Soesoehoenan, waarvan de vrouwen veelal tot minnen aan het hof gebruikt worden, terwijl de mannen een handwerk uitoefenen. pinggiring dalan, N., pinggiring margi, de kant van den weg. pinggiring langit, de gezigtseinder, horizont. ing pinggir of sapinggir, aan den kant van, op zijde van, bezijden, terzijde van. -minggir, zich naar een zijde begeven, op zijde gaan, den rand raken. -paminggir, kant, rand, oever, zelfkant; ook bijzit, bijwijf. -paminggiran, landen, die langs den oever van een rivier liggen.

pênggak : K.N.; mênggak, inhouden, tegenhouden, beteugelen, terughouden; weêrstreven] vrg. pêkak, mêkak en mêrgak].

panggut : K.N.; manggut, het hoofd buigen, met het hoofd knikken. manggut-manggut, aanhoudend met het hoofd knikken.

panggota : zie gaota.

punggawa : K.N. hofgroote, staatsdienaar [Ml.id.;Skr. poenggawa, een stier; in zamenstellingen uitmuntend, uitstekend.].

panggal : K.N. worp. -manggal, werpen, raken, treffen. -manggali, iemand (naar iemand) werpen. -panggalan, een steen waarmede men werpt.

panggil : I. K.N. verzoek, bede. pêpanggil, verzoeken. II. [Ml. panggil], roepen, ontbieden. pinanggil, ontboden worden.

panggul : K.N. naam van een distrikt op Java [Sd. op schouder dragen]. -manggul, iets over een schouder dragen; voor een ander iets doen; ook rijstebrij, rijstepap.

punggêl : K.N. afgebroken, geknakt. -munggêl, afbreken; afplukken, vruchten plukken. -munggêlake, N., -kên, K., de punt van iets afbreken.

panggiyan : zie panggih.

panggege : Kw. spoed, haast [van anggege, zie bij age].

panggang : K.N. aan het vuur geroosterd, gebraden, gebakken, gepoft [Sd.Ml.id.] ayam panggang, een geroosterde, gepofte kip. -manggang, aan het vuur of aan een spit braden, bakken, poffen.

panggêng : K.N. vast staan, onbeweeglijk, onveranderlijk, voortdurend [vrg. anggung]. -manggêng, vastzetten, onbeweeglijk doen staan. -panggêngan, iets dat onveranderlijk vast staat.

panggung : K.N. koepel, toren. -panggungan of pêpanggungan, tot een koepel dienen; hetgeen tot een koepel behoort, de plaats waar een koepel staat.

pinggang : Kw. heup; K.N. gordel [= ing lambung, Ml. de lenden, de middel]. -kapinggang, K.N. de zijde van het lichaam boven de heupen.

punggung : K.N. dom, onwetend, onvatbaar, stomp

--- 532 ---

van begrip [Het wordt verklaard door pugal, en ngamuk lali].

pangagêng : zie agêng.

pangabên : en pangabênan, zie pangadu.

pêngbar : z.v.a. pangabar.

pangabar : K.N. het vermogen om een wonder te doen. -pangabaran, een buitengewone magt vertoonen.

pênging : K.N. verboden, verhinderd; verbod. -mênging, verbieden, verhinderen, beletten; voorkomen; afraden. kapênging, verhinderd worden. -pamênging, het plaats hebben van mênging.

pêngung : K.N. dom, onwetend [= bodho]. pêpêngung, iemand dom noemen.

pangangsalan : Kråmå-benaming van het distrikt Pekalongan.