Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

dha : Kw. weg, straat [= marga].

dhi : I. zie adhi, II. helder, klaar, duidelijk [= awas].

dhu : Kw. zacht, langzaam, bedaard [= aris].

dhe : verkorting van gêdhe.

dho : I. K.N. in een dreigende houding. II. z.v.a. dhuh, zie adhuh, III. z.v.a. ro, naar het schijnt, in de spreekwijze ngalapdho, twee zusters te gelijk tot vrouw nemen; twee meesters te gelijk nemen. [Het is dan door zamentrekking uit dwa of dhuwa (zie bij dwi), en ro, door letterverwisseling uit dho, ontstaan]. -pindho, zie boven.

dhah : Kw. aanwijzing, teregtwijzing, aantooning [= tuduh].

dhuh : zie adhuh.

dhèh : Kw. droefheid, hartzeer [= prihatin].

dhaon : K. [godhong, N.] blad, boomblad [Sd. dhaun, Ml. daun], id.].

dhahna : zie dahna.

dhihin : of dhingin, N. [rumiyin, van riyin, K.] eerste, vorige; eerst, in de eerste plaats; eerder, te voren, vooraf, voorhen [vrg. dhisik]. kang dhingin, de (of het) eerste, de (of het) vorige, in de eerste plaats, ten eersten. dhèk dhihini, eertijds. -andhingini, iemand voorgaan, vooruigaan, voorkomen; met iets de eerste zijn, met iets beginnen. -andhinginake, vooruit laten gaan, vooruitzenden.

dhohan : zie dhowan.

dhahar : K.h. [têdha, K., pangan, N.] eten, spijs, voedsel; eten, spijsnuttigen, verteren [Sd.id.]. -andhahar, van een voorstel of raad gebruik maken, acht op iets slaan, iets ter harte nemen, behartigen. dhêdhahar, iets, het een of ander, eten; snoepen. -dhaharan, eetwaren, spijzen, voedsel; met elkander eten. -padhaharan, [-padhahar...]

--- 533 ---

[...an,] gew. padharan, 1. [wêtêng, K.N.] de buik; 2. padharan of madharan, K.N. spijsmeester, koK.

dhaur : zie dhuwur.

dhaut : K.N.; andhaut, uitrukken, uitroeijen, ontwortelen; wegrukken [vrg. daut].

dhahas : K.N. een drooge plaats in een rivier.

dhaulu : benaming van een soort van slangen met twee koppen.

dhaup : K.N. echtvereeniging, eerste ontmoeting van bruid en bruidegom [= panggih]. -andhaupake, N., -kên, K., bruid en bruidegom bij elkander brengen, in den echt vereenigen.

dhaham : of dhêhêm, K.N. hemmen, kuchen, iemand roepen of waarschuwen met een kuch [Ml.id.].

dhèhèm : z.v.a. dhaham.

dhahga : K.N. gulzig, onmatig in het eten [= luamah].

dhahèng : Kw. fraai, schoon; ook benaming van een corps troepen van den Sultan van Djokjokarta.

dhun : in poëzie z.v.a. udhun en mêdhun of mudhun.

dhana : I. z.v.a. dana, II. Kw. schatten aan goud en zilver; eer, aanzien, rang [= arta, mas sêlaka en kawibawan, Skr. dhana, goederen, bezittingen, rijkdom, have].

dhanu : I. verbonden met maesa of kêbo, een wilde buffel [vrg. danu, I.]. II. Kw. hoog, verheven, tot aan de wolken. III. een donkere regenwolk [= mandhung en kukus, Vrg. danu, III.]. -ngêndhanu, K.N. donker; een donkere wolk [= pêtêng].

dhènèh : K.N. statig, plegtig.

dhunak : K.N. een van bamboe gevlochten kistje.

dhenok : K.N. een schoone vrouw.

dhèncèng : K.N. aan elkander, naast elkander. -dhêdhencengan, hand aan hand gaan, met elkander verbonden zijn.

dhaniswara : zie daniswara.

dhandha : Kw. schaars, zelden; duur.

dhêndha : Kw. slag; sterk, krachtig, magtig [= kawasa en gêgitik]; K.N. 1. naam van een soort van strijdknods; 2. straf, boete [= patrapan, Ml.id.;Sd. dhêngdha, Skr. danda, stok, staf; een wapentuig; straf, boete]. dhêndhawada, zie wada. baudhêndha, een sterke arm. dhêndha wikra, eign. van een hoofd. andhêndha, Kw. slaan [= anggitik]; K.N. in een boete slaan, beboeten, tot een boete veroordeelen. -andhêndhani, beboeten, een boete tegen iemand eischen. -dhêndhan, boete.

dhendha : naam van een lied.

dhandhan : K.N. de steel of stok van een zonnescherm.

dhindhal : K.N. scheiden, afscheiden, wegwerpen; weggeraakt; verloren gegaan.

dhandhang : zie dhangdhang.

dhandhêng : K.N. onafgebroken, onophoudelijk.

dhandhing : K.N. een dunnen buik hebben.

dhêndhêng : K.N. I. uitgestrekt, groot. -andhêndhêng, zich uitstrekken, zich uitrekken. II. dhêndhêng of dhêngdhêng, onverschillig zijn, niet

--- 534 ---

luisteren; weigerachtig, ongehoorzaam, onwillig.

dhèndhèng : of dhèngdhèng, K.N. in repen of stukken gesneden; dunne stukken vleesch, die gedroogd, gebakken en gekruid bij de rijst gegeten worden [Sd. dhèngdhèng, afsnijden, afkorten].

dhanya : Kw. de slagtanden [= siyung].

dhanyang : Kw. een priester, geleerde [Skr. dhanya, dhanyang, gelukkig; braaf; een braaf of gelukkig man]. dhanyang Druna, de priester Dronå.

dhacah : K.N. op den grond verspreid liggen.

dhècèh : z.v.a. dhacah.

dhacin : Ch. een Pikol, een gewigt van 100 Kati's of 125 oude ponden [Ml. dacing], een balans of weegschaal, waarmeê gewogen wordt, door het gewigt verder van of naar het draagpunt der balans te schuiven]. bêras padhacin, een Pikol rijst. rong puluh dhacin, twintig Pikols. -pandhacin, het afwegen met een Datjin.

dhucung : K.N. de eerste, voorste [= ngarêp]. rêbut dhucung, de voorste trachten te zijn in het loopen, trachten de eerste te zijn, elkander voorbij streven.

dhar : Kw. vreugde [= suka].

dhèr : Kw. veel, velen; een menigte [= akèh]. -andhèr, zie boven.

dhur : Kw. slapen; de slaap [= turu].

dhara : I. Kw. bedaard, langzaam [= ririh]. II. K.N. een kip die voor de eerste maal eijeren legt [= pitik wadon kang nêdhêng birai]. III. Kw. een howvaar meisje, juffer, maagd [= kênya, Ml.id.]. IV. Kw. K.N. van middelmatige grootte. V. Kw.; zie dara, I.

dhira : Kw. gij, u, uw [= sira].

dhiri : Kw. I. het lichaam; zelf [Ml.id.] II. trotsch, hoogmoedig [= angkuh].

dhrandhangan : K.N. aanhoudend vragen.

dhèrèk : K. [of liever K.h.]; andhèrèk, [tumut, K., milu, N.] medegaan, verzellen, vergezellen, begeleiden, volgen, mededoen, gehoorzamen. kang dhèrèk, gevolg, stoet. dhêdhèrèking ratu, hoveling. -andhèrèkakên, iemand vergezellen, begeleiden; meê doen gaan; in iemands dienst stellen. -dhêdherekan, partijdig. -pandhèrèk, navolging; navolger; gevolg, sleep. -sadhèrèk, zie boven.

dhrakal : K.N. spoed, haast. -dhrakalan of dharakalan, velen die grooten spoed maken, zich haasten.

dhrekal : en dhrekalan, z.v.a. dhrakal en dhrakalan.

dhrekelan : K.N. een hoogte beklimmen.

dharik-dharik : in gelijke rijen, parallel.

dharat : K.N. land, in tegenoverstelling van water, het vaste land, de vaste wal; op den grond, te voet. ing dharat, te land, over land. lumaku dharat, over land reizen; te voet gaan. prajurit dharat, voetvolk. munggah ing dharat, N., minggah ing dharat, K., landen. -dharatan, land, vasteland, in tegenoverstelling van de zee; zich op het vaste land bevinden.

dhrêsêl : K.N. onderkruipen, tusschenkruipen, zich verschuilen.

--- 535 ---

dhridhit : K.N. inprenten, inscherpen.

dhradhasan : K.N. snel loopen.

dhridhisan : K.N. snuffelen; doorsnuffelen, doorzoeken.

dhrudhusan : z.v.a. dhridhisan.

dhêradhag : K.N. gespleten, gekloofd.

dharêdhêg : zie dhêdhêg.

dharodhog : zie dhodhog.

dharma : Kw. gewillig, gehoorzaam [Het wordt verklaard door polah bêcik en puja sêmadi, en is hetzelfde woord als darma].

dhorèng : K.N. streep; gestreept, gemarmerd.

dhorong : K.N. staren, kijken.

dhêk : K.N. het ploffend geluid van een geweerschot.

dhik : tusschenw. fi! foei! [Skr. dhik].

dhuk : grondvorm van dhudhuk en ngêdhuki.

dhèk : N. [kala, K.] toen, tijdens, wanneer. dhèk mau, vroeger, voorheen, onlangs, zoo even. dhèk wingi, gisteren. dhèk wingine, eergisteren. dhèk apa of dhèk kapan, wanneer?

dhok : K.N. plaats, verblijf. -andhok, verblijven, zich ergens ophouden, blijven toeven, blijven plakken, blijven zitten. andhodhok zie dhodhok. -andhoki, ergens zijn verblijf houden. didhoki of dipun dhoki, l.v. -ngandhokake, N., -kên, K., iemand ergens laten blijven. -mandhok, op een plaats blijven. -andhokan, een plakker; de plaats waar iemand blijft plakken.

dhaku : Ml. daku, z.v.a. aku], ik, mij. -andhaku, zie boven.

dhêku : K.N. het hoofd buigen, zich bukken.

dhika : Kw. krijgsman, soldaat [= prajurit].

dhuku : K.N. naam van een vrucht [Ml. duku], naam van een kleine ronde vrucht, aangenaam van smaak en behoorende tot de soort der [lanseh], lanseb].

dhoko : K.N. gebukt zitten. -andhoko, zich bukken.

dhakah : K.N. 1. een groote boom; groote wortels van een boom. 2. hebzuchtig, inhalig.

dhêkah : zie dhukuh.

dhikih : K.N. een kleine vrucht, klein.

dhukuh : N., dhêkah, K., gehucht, buurt van eenige bij elkander staande huizen [Sd.Ml.id.]. dhêdhukuh, N., dhêdhêkah, K., een gehucht aanleggen of bewonen. -padhukuhan, N., padhêkahan, K., de plaats waar een gehuct staat, gehuct.

dhokoh : K.N. ijverig, vlijtig, gedienstig, gedienstigheid; een vreemde als een lid der familie beschouwen.

dhakon : K.N. een langwerpig ovale plank met gaten, die tot een spel (het Dakonspel) gebruikt wordt.

dhukun : K.N. geneeskundige, arts, geneesmeester, heelmeester, geneesvrouw, vroedvrouw [Sd.Ml.id.]. -andhukunake, N., -kên, K., iemand geneeskundig behandelen; een geneesmeester gebruiken. -padhukunan of ngèlmi padhukunan, geneeskunde.

dhikir : [Ar. dzikr], vermelding, vermelding van Gods groote namen en eigenschappen, lof; loven [Ml.id.]. dhikir Maulud, het gedachtenisfeest van Mohammed's geboorte.

--- 536 ---

dhukur : K.N. hoog, boven; een hoop aarde. -andhukur, ophoopen.

dhekor : K.N. op den grond zitten.

dhêkok : 1. K.N. holte; hol; holoogig. 2. N. slapen.

dhikik : N. te voren, voorheên [vrg. dhisik, dhipik, dhimin en dhimik].

dhêkukup : K.N. nederbuigen, het hoofd buigen, zich voor iemand buigen [vrg. dhêku en dhikul].

dhêkêt : Sd.Ml. na, nabij, naast.

dhukut : Kw. gras, dhukut jarêm, naam van een kruid, dat tot medicijn gebruikt wordt.

dhêkês : K.N. naast of achter iemand zitten.

dhikul : Kw. het hoofd buigen [vrg. dhêkukul].

dhukul : Kw. sprakeloos, stom [= bisu].

dhêkêm : K.N. op den grond liggen, zich koesteteren, van een kip of vogel. -andhêkêmi, zich op den grond neêrleggen, neêrvleijen, op een ei of eijeren gaan zitten.

dhatu : Kw. I. winst, voordeel, rijkdom, schatten [= bathi en kasugiyan]. II. honig, zoetigheid [= madu]. III. traan, tranen [= êluh Skr. dhâtoe, een grondstof, element; een bestanddeel van het lichaam, enz.]. IV. z.v.a. ratu, [vrg. dhatuk]. dhatulaya, het paleis van een vorst [= kadhaton]. -kadhaton, zie boven.

dhatuk : Kw. een oudste, hoofd, voorname, edele [= pinituwa, Ml.id., ook datu] : vrg. dhatu, IV].

dhoso : K.N. iemand op een trotschen toon aanspreken.

dhisin : K.N. een lijk.

dhusun : K. [desa, N.] dorp [Sd. boersch, lomp, plomp, dom]. tiyang dhusun, dorpsbewoner, landman, boer. prang dhusun, désa-oorlog, dorpsoorlog, boerenoorlog. dhusun ingadhusun, het een of ander dorp. -padhusunan, de plaats of grond, waarop zich één of meer désa's bevinden, het désa-land, de désa-landen, de omtrek van een dorp.

dhasar : K.N. I. grond, bodem, b.v. van de zee;

--- 537 ---

grondslag, fondament, onderlage; een schenkbord; stof, grondstof; grond, grondkleur; wezen, natuurlijke aanleg, geaardheid, karakter, temperamant, hoedanigheid; beker of iets anders waaruit men drank drinkt [Ml.id.] dhasar, en dhasare of dhasaripun, in den grond, wezenlijk, inderdaad. dhasar putra, zijden stof. ngunjuk ngantos tigang dhasar, drie bekers leeg drinken. -adhasar, afgrond. -andhasarake, N., -kên, K., goederen op den grond neêrleggen om verkocht te worden; iets tot grondslag maken, den grond tot iets leggen; de voorkeur aan iets geven. II. het drinken vóór het eten.

dhêsak : of dhêsêk, K.N.; andhêsak of andhêsêk, zich digt aan iemand aansluiten, aanleunen; iemand digt op het lijf komen, persen, drukken; verdringen; uit den weg dringen om er door te komen; aandringen [vrg. dhosok]. -kadhêsêk, digt in elkander gedrongen. -dhêsêkan, aan elkander gedrongen. dhêdhêsakan, gedrang.

dhêsêk : zie dhêsak.

dhêsok : K.N. indrukking, indruksel, holte.

dhisik : N. [rumiyin, K.] eerst, vooruit, vooraf, te voren. Het moet eig. allen als bijwoord van tijd, en dhingin, als bijwoord van plaats gebruikt worden: doch dikwijls worden beide woorden met elkander verwisseld [vrg. ook dhikik en dhipik]. sing dhisik, de (of het) eerste, de (of het) vorige; weleer. -andhisiki, voorgaan, voor iemand vooruitgaan; iets vooruit verrigten, vooraf doen.

dhosok : z.v.a. dhêsêk. -andhosoki, tegen iets aanstooten of stuwen. -andhosokake, N., -kên, K., aanstooten, iets voorstuwen, voortduwen. andhosok-dhosokake, N., -kên, K., gedurig aanstooten.

dhêstha : naam van de elfde mòngså.

dhêsthi : Kw. bevalligheid, bekoorlijkheid. -andhêsthi, iemand bekoren, betooveren.

dhustha : Kw. een slecht mensch; een dief die's nachts steelt [= ala en maling, Ml. valsch, onwaar; Skr. doesta, bedorven, slecht; beroofd]. -andhustha, kwaad doen, stelen, schaken [= amaling].

dhusthi : z.v.a. dhustha.

dhêsthar : K. [ikêt en sêrban, N.] hoofddoek, tulband [Pers. dastar] ; Ml.id.].

dhêstharata : eign. van den oudsten zoon van Abijåså, den vader van de Koråwå's en oom der Pandåwå's [Skr. Dhretarâstra].

Dhêsthajumêna : of Dhusthajumêna, eign. van een zoon van Droepådå, den Vorst van Tjempålå [Skr. Drestadyoemna].

Dhusthajumêna : zie Dhêsthajumêna.

dhwa : of dhuwa, Kw. twee [Sd.Ml. dhuwa, id. Zie bij dwi].

dhawe : naam van een soort van Pinang.

dhuwa : zie dhwa.

dhewe : N. [piyambak, K.] zelf, in eigen persoon; eigen; alleen; van zelf. omahmu dhewe, uw eigen huis. dhèwèke, hij zelf; hij. dhèwèke dhewe, hij zelf alleen, geheel alleen. dhewe-dhewe, ieder afzonderlijk,

--- 538 ---

ieders eigen. akèh dhewe, meest, allermeest. -andhèwèki, in eigen persoon iets verrigten; zich zelf bedoelen, zich zelf iets toeëigenen. -dhewekan of dhêdhewekan, alleen; met een ander of elkander alleen.

dhawah : zie dhawuh.

dhawuh : I. Kw. en Md., dhawah, K. [tiba, N.], val; vallen, neêrvallen, omvallen; in iets vallen, tot iets vervallen. -andhawah, zich laten vallen, zich op den grond werpen. -dhumawuh en dhumawah, vallende zijn; treffen, te beurt vallen. -andhawahi, op iets of iemand vallen of neêrvallen. kadhawahan, hetgeen waarop iets valt of neêrvalt. -andhawahakên, doen vallen, laten vallen, neêrwerpen, neêrstorten, een vischnet uitwerpen. II. dhawuh, N., dhawah, K., bevel, last, gebod, order; alles wat een meerdere tot een mindere zegt; bevelen, gelasten. dhawuh dalêm, N., dhawah dalêm, K., bevel van den Vorst. -andhawuhi, N., andhawahi, K., iemand met iets belasten, gelasten, bevelen, gebieden. andhêdhawuhi, N., andhêdhawahi, K., iemand het een of ander gelasten. kadhawuhan, N., kadhawahan, K., gelast worden, een bevel ontvangen. -andhawuhake, N., andhawahakên, K., laten bevelen, doen gelasten, een bevel uitvaardigen, het bevel van een ander overbrengen. -dhawuhan, N., dhawahan, K., dijk, dam.

dhowah-dhowah : K.N. vol gaten, vol wonden [vrg. dhowak].

dhwani : Kw. geluid, geschreeuw [= uni en pêtak, Skr. dhwani, geluid].

dhowan : of dhohan, naam van een soort van kleine bijen.

dhuwur : of ook dhuhur, N. [inggil, K.] hoog, verheven; hoogte [oorspronkelijk hetzelfde woord als luhur]. ing dhuwur, boven, over, boven op. mênyang dhuwur, naar boven, opwaarts. lêmah dhuwur, hooge grond: naam van een eenige voeten verhevene plaats in de Kraton vóór het paleis van den Vorst, waar de Vorst verschijnt, wanneer hij zich op Garebeg aan zijn onderdanen vertoont. -andhuwuri, in de hoogte houden, verhoogen, verheffen. -andhuwurake, iets of iemand in de hoogte houden, opvijzelen, verhoogen. -dhuwuran of dhêdhuwuran, verhevenheid, hoogte; iemands hoofd, die over iemand gesteld is, boven iemand staat. -pandhuwur, die (of wat) boven of hooger is. sapandhuwur, en daarboven, en die hooger zijn. -mandhuwur, naar boven, bovenwaarts, opwaarts; zich naar boven begeven. -kadhuwurên, te hoog.

dhawak : Kw. zelf, in eigen persoon [= dhewe].

dhawak-dhawak : ieder, alleen, elk afzonderlijk.

dhawuk : K.N. grijs van kleur, schimmel (kleur van paarden); een grijsaard [Sd.Ml.id.]. kapal dhawuk, een schimmelpaard.

dhèwèk : zie bij dhewe.

dhowak : K.N. een groote, opene wond [vrg. dhowah-dhowah]. dhowak-dhowak, een spoor, een voor, een groef.

dhawêt : K.N. een soort van lekkernij, zamengesteld [zamenge...]

--- 539 ---

[...steld] uit rijstemeel of de geraspte kern van aardvruchten, tot langwerpige balletjes gevormd en in saus van kokosmelk en suiker gedaan.

dhuwêt : naam van een kleine ronde aardvrucht.

dhuwit : Holl. K.N., duit; N. [yatra, K., picis, K.N.] munt, geld in het algemeen. -andhuwit, geld geven, betalen. -andhuwiti, iemand geld geven, betalen.

dhiwut-dhiwut : K.N. met haar begroeid; het haar van den kin- en bakkebaard; behaard, harig.

dhawul : K.N. loshangend haar. dhawul-dhawul, los door elkander hangend, geheel verward (van het haar).

dhuwêl : naam van een soort van slangen.

dhawang : K.N.; dhawang nala, naam van een godheid, die de gedaante van een schildpad heeft. -padha wangan, een zwarte rivier-schildpad.

dhuwung : K. [kêris, N.] dolk, ponjaard, kris. -dhuwungan of dhêdhuwungan, met een kris gewapend, een kris dragen.

dhil : een klanknabootsend woordje van de ontploffing van een lading buskruid. Van hier waarschijnlijk bêdhil.

dhali : naam van een vogel, een soort van zwaluw [vrg. kêdhali].

dhela : zie sadhela.

dhêlak : K.N. den mond wijd openzetten bij het eten, gulzig.

dhêlik : K.N.; andhêlik, zich verschuilen, verbergen, in hinderlaag liggen. wong dhêlik, N., tiyang dhêlik, K., een struikroover. -andhêlikake, N., -kên, K., iemand of iets verbergen, schuil houden, in hinlaag leggen. -pandhêlikan, schuilplaats.

dhêluk : K.N.; andhêluk, gebogen staan of zitten; van ziekte krom gaan.

dhalisada : naam van een berg, waarop Hanoman zijn verblijf heeft.

dhêlêg : en gew. dhêlêg-dhêlêg, K.N. van verwondering getroffen met de armen over elkander geslagen staan te kijken, staan te mijmeren.

dholog : K.N. een jonge djati-boom.

dhêlog-dhêlog : z.v.a. dhêlêg-dhêlêg.

dhalang : K.N. een tooneel- of wajangspeler, die achter een scherm, waaraan de wajangpoppen vertoond worden, het tooneelstuk improviseert [Sd.Ml.id.]. banyak dhalang, zie banyak.

dhalung : K.N. een groote koperen rijstpot [Sd. een kookketel, pot, aarden pot].

dhulang : K.N. een houten bak, waarop koppen of borden geplaatst worden, een schenk- of presenteerbord [Ml.id.].

dhap : zie andhap.

dhêpa : K.N. vadem, vaâm, de uitgestrektheid van beide armen [Sd.Ml.id.].

dhapur : K.N. I. fatsoen, vorm, gedaante; inzonderheid van het verschillend aan zekere merken te herkennen fatsoen van een kris of piek, dat zijn bepaalden naam heeft en de waarde van het wapentuig bepaalt. dhapur malês, in den vorm van zich te wreken, bij wijze van wraakneming. II. de scheuten of stengels, die uit een stam bamboe of suikerriet voortkomen, een stoel van bamboe, suikerriet of andere plant. adhapur, tot een stam behooren; lid van een famillie zijn. -andhapur, tot een hoop verzamelen. -dhapuran, [-dha...]

--- 540 ---

[...puran,] een hoop of bosch van jonge spruiten van bamboe, suikerriet of andere plant.

dheprok : K.N.; andheprok, neêrzinken, neêrzakken; zich neêrzetten.

dhêpuk : z.v.a. dhêpok.

dhêpok : K.N. stomp, bot.

dhipik : K.N. voorheen, vooraf, vooruit [vrg. dhisik, dhikik, dhimin en dhimik]. -andhipiki, voor iemand voornitgaan. -andhipikake, N., -kên, K., iemand vooruitzenden.

dhupak : K.N.; andhupak, schoppen, met den voet vooruitschoppen [Sd. aanranden, aanvallen]. -dhupakan, elkander schoppen.

dhepok : K.N. I. een manier van op den grond zitten, waarbij het eene been omhoog gehouden of opgeligt wordt [= linggih ing lêmah, Vrg. kadhêpêk]. -ngêdhepok, op den grond neêrhurken. -andhepoki, aanhoudend in die positie blijven zitten. II. een glas zonder voet, een bierglas. III. kluis, cel, woning van een kluizenaar, hermitage [= pratapan]; ook naam van een distrikt op Java. adhêdhepok, ergenszijn kluis hebben, als kluizenaar zijn verblijf houden.

dhêpès : K.N. indruksel, holte; uitholling. -andhêpès, zich tegen iets aandrukken, b.v. tegen een muur; zich uit vrees digt aan iets of iemand aansluiten.

dhipisi : Holl. divisie, afdeeling, legerafdeeling, afdeeling van een distrikt.

dhapwan : of dhapyan, Kw. indien, bijaldien [= lamun].

dhaplok : N. oud, afgeleefd; oujde (met minachting gesproken).

dhêplok : K.N.; andhêplok, rijst of iets anders in een vijzel stampen.

dhuplak : K.N. een kleine vijzel, waarin de sirih gestampt wordt voor menschen die hem niet meer kunnen kaauwen.

dhaplang : K.N. wijd uit elkander staan, zooals b.v. de horens van sommige buffels.

dhepe-dhepe : K.N. vleijen, flikflooijen.

dhapyan : zie dhapwan.

dhadha : K.N., jaja, K.h., de borst, boezem [Sd.Ml.id.]; Kw. vóór, van voren, naar voren; het Oosten [= ngayun en wetan]. -andhadha, iets ter harte nemen, overwegen, overdenken. kadhadha, overdacht, overwogen, begrepen. -andhadhani, voor iemand instaan, borg zijn. -pandhadha, de derde in rang, het derde kind.

dhadhu : K.N. dobbelsteen, teerling [Sd.Ml.id.; Port. dado]. adhadhu, met dobbelsteenen spelen. anibakake dhadhu, het lot om iets werpen, er om gooijen. -andhadhu, als een dobbelsteen zijn.

dhidhi : Kw. scherm, deksel, overhangsel [= wêrana].

dhudha : K.N. een weduwnaar met kinderen. Zoo ook dhudha lare, dhudha kêmbang, een weduwnaar zonder kinderen. kyai dhudha, naam van een rijtuig van den Soesoehoenan.

dhudhu : Kw. zitten [= lungguh, Ml. duduk] : vrg. dhodhok.

dhedhe : K.N. zich in de zon koesteren, op den grond neêrvleijen.

--- 541 ---

dhadhah : K.N. een heg, een omheining om een dorp.

dhidhèh : K.N. dik geronnen bloed van een buffel.

dhudhah : K.N. het onderste boven keeren. -andhudhahi, meervoud.

dhadhar : K.N. het opkomen der maan. -andhadhari, opkomen, van de maan.

dhêdhêr : K.N. een jonge plant. -dhêdhêran, boomkweekerij, plantetuin, pepinière.

dhêdhak : K.N. kaf, zemelen.

dhudhak : Kw. witte mieren.

dhudhuk : K.N. een spade of ander werktuig, waarmeê men graaft of delft [De grondvorm is dhuk, vrg. ngêdhuki]. -andhudhuk, graven, delven, uitgraven, opgraven. -andhudhuki, iets uitgraven, opdelven, naar iets graven. -pandhudhuk, uitgraving, opdelving.

dhèdhèk : K.N.; andhèdhèki, zeer naar iets verlangen, een groote begeerte naar iets hebben.

dhodhok : K.N.; andhodhok, op de hurken op den grond zitten [van dhok. Ml. duduk], zitten, zijn verblijf houden, wonen, blijven: vrg. dhudhu].

dhadhakan : Kw. aanleiding, begin, oorzaak [= wiwitaning padu]. dhadhakaning ayuda, de aanleiding tot een oorlog.

dhadhut : K.N. dik, lijvig.

dhêdhêt : K.N. I. zeer duister, pikdonker; zich in groote verlegenheid bevinden. -andhêdhêti, het kloppen van het hart. -andhêdhêtake, N., -kên, K., verduisteren, verdonkeren; betrekken, van de lucht. II. andhêdhêt, zachtjes trekken. -andhêdhêti, aan iets trekken, aan een lijn trekken, hengelen. -andhêdhêtake, N., -kên, K., aan iets laten trekken.

dhèdhèt : K.N. het geluid van den bliksem. dhèdhèt erawati, het geluid van een berg of van den oceaan [= tangising gunung sêgara].

dhodhèt-dhodhèt : K.N. vol wonden, vol gaten, geheel verscheurd.

dhêdhês : K.N. naauwkeurig onderzoeken, volstrekt iets willen weten, sterk op iets aandringen.

dhidhis : K.N. luizen, iemand luizen.

dhèdhès : N. [gônda, K.] civet, muskus [Sd.Ml.id.].

dhodhos : K.N. met den kop of den snuit in den grond woelen, wroeten, verscheuren.

dhadhal : K.N. afgespoeld, zooals een bank of dijk door het water; het doorbreken van een dam; afzakken, de vlugt nemen; iets terugnemen.

dhidhil : K.N. afnemen, verminderen.

dhèdhèl : K.N. uitspringen. -andhèdhèl, aftrekken, uittrekken; lostornen; van landerijen, terugnemen. -andhèdhèli, iemand de kleêren van het lijf trekken, hem naakt uitkleeden, van alles berooven. -dhedhelan, het geroofde, roof.

dhadhap : K.N. I. een popje of hansworstje ten halven lijve op een steel, dat de dansers bij zekeren Javaanschen dans in de hand houden; een wijze van tandakken. II. een soort van smal en lang schild [Ml.id.]. III. naam van een bladrijken boom, die in

--- 542 ---

koffijtuinen geplant wordt om aan de koffiplanten schaduw te geven: schaduw-boom [Sd.Ml.id.]. dhadhapsrêp, naam van een kruid, dat tot medicijn gebruikt wordt. -dhadhap mantêp, naam van een Kawische zangwijze. IV.; andhadhapake, N., -kên, K., aanbieden; het aan iemand overlaten.

dhêdhêp : K.N. stilte; zich stil houden, niet spreken. -andhêdhêpi, iemand heimelijk beloeren.

dhadhag : K.N. onverschrokken; regt voor iets uitkomen.

dhêdhêg : K.N. I. met een stok op iets kloppen [vrg. dhodhog]. -dhêdhêgan, het kloppen van het hart. -dharêdhêg of dhêrêdhêg, over het geheele lichaam sidderen, beven, huiveren. II. een digte drom, een groote menigte bij elkander. -madhêdhêg, een dikken buik hebben.

dhodhog : K.N.; andhodhog, met de hand of vuist tegen iets kloppen, aankloppen, aan een deur kloppen [vrg. dhêdhêg]. -andhodhogi, meervoud. andharodhog, over het geheele lichaam sidderen, beven, trillen, rillen, huiveren. -dharodhogan, sidderend.

dhadhung : K.N. een dik touw, dat een beest om den nek gedaan wordt; ook naam van een rivier. -andhadhungi, een beest een touw om den nek doen.

dhayoh : N. [tamu, K.] gast, iemand die een bezoek aflegt; gasten, gezelschap. dhêmên dhêdhayoh, gastvrij. -dhayohan of dhêdhayohan, een gezelschap van gasten; ook gastheer. -kadhayohan, iemand die gasten ontvangt, een gastheer. -madhayoh, z.v.a. dhayoh, -mara dhayoh of mêrdhayoh, N. [mara dhatêng of mêrdhatêng, K.]. als gast komen, ergens een bezoek afleggen [vrg. mara tamu, bij pra tamu].

dhoyok : K.N. vooroverhellen, eenigzins voorover gebogen; ook eign.

dheyot : K.N. klieven, van elkander kloven, splitsen.

dhayung : K.N. roeiriem [Sd.Ml. dhayong, Vrg. wilah]. -andhayungi, roeijen, boegseren. -pandhayung, het roeijen; een roeijer [vrg. pambilah].

dhuyung : I. K.N. iemand voor zich trachten in te nemen. II. naam van een zeevisch [Ml. duyung], een groot zeedier, gewoonlijk de zeekoe geheeten].

dhoyong : K.N. schuins; schuins afloopen, overhellen.

dhêmên : N. [rêmên, K.] behagen, dat men in iets vindt of schept; behagen in iets scheppen; genoegen in iets hebben, van iets houden, beminnen. -andhêmêni, in iets of iemand behagen scheppen, van iets of iemand houden, met iemand ingenomen zijn; iets of iemand beminnen, verliefd op iemand zijn; toegenegen. kadhêmênan, iets of iemand die bemind wordt; beminnelijk, bekoorlijk; genegenheid. -andhêmênake, iemand trachten te behagen, bekooren. -dhêmênan, het voorwerp waarmeê

--- 543 ---

men ingenomen is, een persoon die bemind wordt, beminde, minnaar, minnares.

dhimin : K.N. voorheên, te voren, vooraf, vooreerst [vrg. dhikik, dhisik, dhipik en dhimik]. -andhimini, voorgaan, voorplaatsen.

dhêmêk : K.N. gebogen, gebukt. dhêmêk-dhêmêk, zich herhaaldelijk bukken; op de handen kruipen. -andhêmêki, zich over of naar iets bukken.

dhimik : en andhimiki, z.v.a. dhimin en andhimini.

dhumik : Kw. arm, behoeftig.

dhêmit : K.N. onzigtbaar, geheim, verborgen; een booze geest, huisduivel [= samar]. -dhêmitan of dhêdhêmitan, zich aan het oog onttrekken; heimelijk, in't geheim, afzonderlijk.

dhamis : K.N. digt aan elkander.

dhèmês : K.N. voegzaam, behoorlijk; fraai, schoon.

dhomas : Kw. acht honderd [= wolungatus]; ook naam van een distrikt op Java.

dhêmpo : K.N. een bol, bal, kloot aarde. dhêmpo lêlêt, naam van een kruid, dat tot medicijn gebruikt wordt.

dhômpa : Kw. iets waarop of waarin men rijdt [= jêmpana en tunggangan].

dhompo : K.N. verruiling, verwisseling; verschil; fout, verkeerd.

dhampar : K.N. een troon, groote vierkante zitbank of stoel zonder leuning, waarop alleen een vorst mag zitten, en die tot de rijksinsignien behoort.

dhampit K.N. tweelingen, een tweelingpaar, van een jonge en een meisje.

dhèmpèt : K.N. tegen aan liggen; aan elkander kleven [Sd. persen, digt in een drukken]. -andhèmpètake, N., -kên, K., tegen iets aanzetten.

dhêmpêl : K.N. digt aan elkander.

dhumpil : Kw. = ngêmpèk-êmpèk. -dhêdhumpil, K.N. bij iemand inwonen.

dhompol : K.N. tros; druif.

dhampyak : K.N. regelmatig, in een rij achter elkander gaan; regelmatigheid [Sd. uitspreiding, verspreiding].

dhompyong : K.N. tros.

dhumèmpèl : K.N. tegen iets aanleunen [vrg. tumèmpèl, van tèmpèl].

dhêmpèng : K.N. zich onder iets verschuilen.

dhamang : K.N. iets duidelijk hooren, goed begrijpen.

dhêgol : en dhogol, K.N. een kromme arm of been. -dhogolan, een jonge sprinkhaan.

dhugal : K.N. I. baldadig, stout, ondeugend; een guit, schelm; moedwil. andhugal, baldadig handelen. II. oprisping [vrg. dugal].

dhegol : zie dhêgol.

dhagêlan : benaming der zangwijzen, die anders têngahan, genoemd worden.

dhêglêg : K.N. dom, onwetend.

dheglog : K.N. mank, mank gaan, hinken.

dhabyang : of dhêdhabyang, K.N. iemand bij de armen voorttrekken, hem wegleiden.

dhothor : K.N. op zijn gemak zitten zonder iets te doen.

dhèthèng : K.N. het hoofd achterover houden.

--- 544 ---

dhothong-dhothong : K.N. iets op de armen dragen.

dhang : grondvorm van adhang en dhangdhang, adhang-adhang, K.N. naar iets uitzien.

dhing : N. wie, wat, welke? dhingdhing, wie ook, wat ook [= sabarang]. sadhinga, ook sadhenga en sadhengah, K.N. elk, ieder, alles. sadhengah neya, één uit velen.

dhengah : zie dhing.

dhongoh : K.N. een groot en dik lichaam.

dhangah-dhangah : K.N. trotsch het hoofd om hoog houden.

dhèngèh-dhèngèh : K.N. schertsen, lachen.

dhanghyang : Kw. een heilige of priester, die aan een Déwå nabij komt.

dhangan : K.N. door niets verhinderd worden; den tijd hebben, gelegen, van pas komen; geen bedenkingen hebben; van een ziekte hersteld, zich wel gevoelen, aan de betere hand zijn; vrij van alle rampen zijn, geen moeite of verdriet hebben. dhanganing siksa, vrij van de eeuwige straf zijn. -andhanganake, N., -kên, K., het iemand geheel naar zijn zin maken, alles uit den weg ruimen; bevredigen, voldoen.

dhêngên : K.N. een kwade geest, die een ziekte veroorzaakt.

dhingin : zie dhihin.

dhangir : K.N.; andhangir, de aarde rondom den wortel van een boom losmaken; den grond omspitten, het onkruid uitroeijen, den grond schoon maken of schoon heuden. andhangir alis, de wenkbraauwen zuiveren en in orde brengen, opmaken. -dhangiran, een grond die van onkruid gezuiverd wordt; het schoon maken of houden van den grond. -andhangir, het plaats hebben van andhangir.

dhêngêr : of dhèngêr, N. verstaan, verstand van iets hebben, begrijpen [Ml. dengar], hooren].

dhèngêr : zie dhêngêr.

dhôngka : K.N. het verblijf of de woning van een Boetå; een gemeen, slecht huis. adhadhôngka, zijn verblijf houden, van een Boetå; een slecht huis bewonen. dhangkamu ngêndi, waar is uw huis? waar woont ge?

dhêngak : K.N. het hoofd omhoog houden, met het hoofd omhoog gaan.

dhongkah : K.N. ter neêr gebogen.

dhungkar : K.N.; andhungkar, den grond omwoelen, uitgraven, wroeten.

dhungkrah : K.N. het onderste boven. -andhungkrahi, alles omver halen, het onderste boven keeren.

dhangkèl : K.N. een eetbare wortel.

dhêngkul : K.N. [jêngku, K.h.] de knie, de knieëN. dhadhêngkul, tot aan de knie reiken. landhêp dhêngkul, bot, stomp, stom, dom, onvatbaar om te begrijpen; botterik, domoor.

dhingkul : K.N. zich bukken, gebogen [= tumungkul]. dhingkal-dhingkul, zich aanhoudend bukken, gebogen, krom gaan of zitten.

dhungkul : K.N. de horens van een buffel, die los aan den kop hangen.

dhongkèl : K.N. uitgraven, opgraven, opdelven.

dhongkol : K.N. door een anderen in eenen post vervangen worden.

--- 545 ---

dhêngkluk : K.N. het lichaam buigen, nederbuigen, het hoofd voorover buigen, zich bukken. dhingkluk-dhêngkluk, zich herhaaldelijk bukken.

dhingklik : K.N. bank, voetbankje; laag schrijflessenaartje. dhadhingklik, naar een Dingklik gelijken.

dhingkluk : z.v.a. dhêngkluk.

dhêngkling : K.N. een kort en een lang been hebben, mank loopen.

dhangling : K.N. half gek zijn, verstandeloos; nar.

dhangdhang : of dhandhang, I. Kw. kraai [= gagak].

dhangdhanggula : N., dhangdhanggêndhis, K., de suikerkraai; naam van een zangwijze. II. K.N. beitel. III. Kw. hoop, verwachting [= ngajap, vrg. dhang]. -andhangdhang, K.N. naar iets kwaads verlangen, kwaad bedoelen.

dhêngdhêng : zie dhêndhêng.

dhingdhing : zie dhing.

dhèngdhèng : zie dhèndhèng.

dhêngglêng : N. dom, onverstandig, gek.