Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

ja : I. Kw. steen [= watu]. II. Kw. kind [= anak]. III. verkorting van aja.

ji : zie aji, I.

je : naam van het vierde jaar van een Windoe.

jah : Kw. strijd, twist [= padon].

jèh : Kw. een ligt vrouwmensch, een hoer [= sundêl].

jaha : naam van een boom.

jae : K.N. gember [Sd.Ml.id.].

jahni : Kw. water.

joan : naam van een vogel met groene vederen.

joan nila : Kw. een wind die de wolken verdrijft [= angin kang buwang mega].

jaidu : [Ar. zahd], een kluizenaar [Ml.id.].

jahat : I. K.N. scheur, gescheurd. II. Ml. jahat], kwaad, slecht.

jait : K.N. smal en lang, langwerpig; kleine langwerpige oogen, die door de Javanen voor schoon gehouden worden.

jail : K.N. nijd, afgunst; nijdig, afgunstig; kwaadaardig [Sd. nijd, afgunst]. -anjaili, iemand benijden, afgunstig zijn; kwaad op iemand zijn; iemand opzetten, opstoken.

juhung : Kw. geschreeuw, alarm [= surak].

jnu : verkorting van jênu.

jne : verkorting van jêne.

jin : of êjin, K.N. zie êjin.

jun : of êjun, K.N. een aarden waterkruik, een ronde aarden waterpot met een kleinen naauwen hals.

jana : Kw. mensch [= uwong, Skr. djana, id.]. sujana, zie boven. janardana, zie beneden. -anjana, = nitis, kajana priya, beroemd, [be...]

--- 546 ---

[...roemd,] vermaard [= kawarta ing tanah liyan yèn lanang dhewe].

jênu : I. Kw. een soort van blanketsel [= wêdhak]. II. K.N. naam van een wortel, die een dronkenmakende kracht bezit, en die in het water geworpen de visschen bedwelmt, zoodat zij boven het water komen drijven, en dus gemakkelijk gevangen kunnen worden.

jêne : K. 1. [kuning, N.] geel; 2. [mas, K.N.] goud, gouden. môngsa jêne, de geele mòngså's, d.i. de tijd wanneer de veldvruchten op het land staan. jênening tigan, door van een ei. -jêneyan, geel koper.

jina : ook jinah, K.N. ontucht, overspel, hoererij [Ar. zinaa], Ml.id.]. -anjinani, ook anjinahi, met iemand ontucht of overspel bedrijven. kajinan, de persoon met wien ontucht of overspel bedreven wordt.

junun : K.N. zich bewegen; ook naam van een boek dat over de sterrewichelarij handelt [Ar. junuun], bezetenheid, onzinnigheid; Ml.id.].

jênèh : N. vermits, omdat, dewijl.

jinah : zie jina.

jênar : Kw. z.v.a. jêne [= kuning].

janardana : Kw. een vorst die met wijsheid en goedertierenheid regeert; een bijnaam van Kresnå [Skr. djanârdana, een naam van Wisnoe: zamengesteld uit djana (zie jana) en ardanâ, vragend; doodend; enz.].

jênak : K.N. vast op een plaats blijven, zich ergens wel gevoelen en de plaats niet willen verlaten [= karasan en tutut].

janaka : eign. van den Vorst van Mantili; bijnaam van Ardjoenå [Skr. djanaka]. Janakarama, eign. van een Déwå.

jinada : Kw. rat, muis.

jênat : K.N. onbeweeglijk liggen, b.v. van een lijk; wijlen, de overledene [misschien het Ar. jannah], het paradijs, de hemel der gelukzaligen: vrg. swargi, van swarga]. sijênat, de overledene, de zalige; ook een scheldwoord.

jênitri : naam van een vrucht, waarvan rozekranzen gemaakt worden.

jênês : K.N. morsig, vuil, onrein.

jinis : K.N. geslacht, soort, natie [Ar. jins] ; Sd.Ml.id.].

jênèwêr : Holl. Jenever.

jinêm : I. Kw. slaapstede, ledikant [= paturon]. II. K.N. zich bedaard, stil houden [= antêng en manungsa kang antêng]. -jinêman, een geregtsdienaar, politie-soldaat. -kajinêman, benaming van een soort van troepen.

jinabat : K.N. de reiniging na den bijslaap, de reiniging vóór en na het vasten [Ar. janaabat], onreinheid door bijslaap of zaadvloeijing, die verhindert om het gebed te doen].

jênang : K.N. pap, brij; ook een soort van koek. jênang baning, een pap van rijstemeel, kokosmelk en suiker. -anjênang, tot pap of brij maken.

jênêng : I. N. [ook aran, N., nama en wasta, K.] naam, benaming; genaamd zijn, heeten [Sd. titel, eeretitel, eernaam]. -anjênêngake, iemand een naam geven; noemen. II. K.N. het staan, stand; het regeren,

--- 547 ---

regering [Sd. staat, aanzien]. jênênging ratu, de stand, de rang en waardigheid, van vorst. jênêng ingsun en jênêng mara, mijn stand, voor ik, mij. jênêng para, uw stand, voor gij, u. -jêjênêng, oprigten, overeind zetten; opzigt; het opzigt hebben; opziener, opzigter, baas; een onder-djekså, in de dienst van den Djekså-nagårå en van den Wadånå-djekså [Ml. jeneng of jejeneng], post of stijl van een deur; opzigt, toezigt; plaatsbekleeder, zaakgelastigde]. -anjênêngi, over iets staan, doen staan; het opzigt of toezigt over iets hebben; bestieren, regeren; K.h. [ngadêgi, K.N.] bij een feest of plegtigheid assisteren, een feest of plegtigheid bijwonen, meêvieren. -jumênêng, K.h. [ngadêg, K.N.] staan, opstaan; [madêg, K.N.] een stand of waardigheid bekleeden of aanvaarden, regeren. jumênê kolnèl, den rang van kolonel bekleeden. jumênêng ratu, als vorst regeren. ingkang jumênêng, de bewindhebber, gezagvoerder. -anjumênêngake of -kên, doen of laten staan, stellen, oprigten, opheffen, opbeuren; aanstellen, installeren, benoemen. -jumênêngan, staande; aanstelling, installering, benoeming. -panjênêngan, K.h. [kalungguhan, N., kalênggahan, K.] stand of waardigheid, die bekleed wordt, bestuur, regering; aanstelling, installatie, inhuldiging, benoeming. panjênêngan sampeyan, Uw waardigheid; een titulatuur die nagenoeg overeenkomt met ons Uw Excellentie. panjênêngan dalêm, 's Vorsten waardigheid, een titulatuur, die nagenoeg overeenkomt met ons Zijn Hoogheid of Uw Hoogheid. En zoo wordt ook in plaats van voornaamwoord van den eersten persoon panjênênganingsun of panjênêngan kula, gebruikt, hetgeen men door mijn Hoogheid zou kunnen vertalen.

jnar : verkorting van jênar.

janur : K.N. de jonge bladeren van den Kokosboom.

jendral : Holl. Generaal.

jindik : K.N. sodomiter, sodomie [Ar. zindiiq], een Magiër, vuuraanbidder, heiden, ongodist, godlooze].

jnat : verkorting van jênat.

jantu : K.N. vermeerderd. -anjantoni, vermeerderen, bijvoegen, vermengen.

jintên : K.N. komijn, komijnzaad [Sd.Ml.id.]. jintên pêthak, witte komijn. jintên cêmêng, zwarte komijN.

jôntra : K.N. rad, wiel; kring, kreits, de geheele omtrek van iets; spinnewiel; spinrok [Ml. rad, wiel, spinnewiel, een werktuig met raderen]. jôntra rata, een wagenrad. lampah jôntra de loop in een kring. saubênging jôntra, de gansche omtrek van een dorp of landstreek. -jinôntra, een watermolen, een suikermolen die door het water gedreven wordt.

jantur : K.N. 1. tooveren, een toovenaar; 2. een krekel aan een haar vastbinden.

jèntrèh : K.N. iets in behoorlijke orde vertellen. -jalèntrèh, een omslagtig verhaal, waarbij alle bijzonderheden vermeld worden.

jontrot : K.N. lokaas; lokvogel. -anjontrot, lokken.

jantrung : K.N. zich stil houden, staan blijven.

--- 548 ---

jantaka : eign. van een zoon van Remboe-tjoeloeng.

jintêl : K.N. ophouden, uitscheiden, zwijgen.

jantung : K.N. I. de bloem van den Pisang-boom [Ml.id.]. II. het hert (het hart van het lichaam), de nieren; een groote begeerte.

jundhit : K.N. vischnet, vogelnet.

jêndhêl : K.N. weigeren om naar buiten te komen.

jêndhul : een soort van Kemiri-noot, die bij het spel gebruikt wordt.

jondhil : K.N. met beide pooten tegelijk achteruitslaan.

jêndhela : ook cêndhela, K.N. venster [Ml.id., Sd. janela, Port. janella].

janji : zie jangji.

jinja : K.N. wars, afkeerig; afkeer; vieschheid.

janjan : I. K.N. de kleur van een paard. janjan biru, vaal. II. naam van een visch met twee pooten, die zich in den modder ophoudt [Ml.id.].

jinjit : K.N. en anjinjitake, N., -kên, K., de wenkbraauwen optrekken.

jonjit : K.N. omkantelen.

jênjêm : K.N. gerust, rustig; bedaard, tevreden; vast, onveranderlijk.

janjang : naam van een soort van distel.

jinjing : of jingjing, K.N. 1. op de toonen staan of loopen; voorzigtig loopen [Ml.id.]. 2. het voorhoofd rimpelen.

junjang : of jonjang, K.N. verminkt, kreupel, manK. anjunjang of anjonjang, een voet of hand afhouwen of afkappen (een straf bij de vroegere Javanen). -jonjangan, afgehouwen, van een hand of voet.

junjung : zie jungjung.

jonjang : zie junjang.

janma : zie jalma.

jênthir : K.N. den staart opligten.

jênthik : K.N. de kleine vinger, pinK.

jnêng : verkorting van jênêng.

jro : zie jêro.

jar : I. z.v.a. ujar, II. Zoo in jare = ujare, men zegt. Desgelijks jarira = pangucapira, In plaats van jare, zegt en schrijft men ook jarene, -pajar, K.N. spraak, taal; last, bevel [= tutu]. -apajar, en majar, spreken, zeggen, meêdeelen, uitleggen, verklaren. -majari, iemand iets zeggen [= nuturi]. II. verkorting van lumajar [= lumayu].

jêr : of ujêr, K.N. immers: zie ujêr.

jur : I. z.v.a. ajur, II. Kw. komaan! welaan! [= mara].

jèr : Kw. een vrolijk gelaat [= sumaringah, Vrg. ajèr].

jor : of êjor, grondvorm van ngêjori, jor-joran, Kw. overtreffen.

jara ; K.N. een groote boor [Sd. jêrêh]. anjara, met een boor werken, boren, drillen; doorboren.

jare : zie jar, I.

jaro : K.N. houten stijl voor de Gedeg; een van zulkestijlen voorziene bamboezen omheining.

jêro : N. [lêbêt, K.] diep; diepte [Sd.id.]. parijêro, diepe padi, d.i. padi die niet

--- 549 ---

spoedig vrucht geeft, het tegenovergestelde van genjah, sing jêro, inwendig. ing jêro, binnen, in; innerlijk [Sd. dhijêro]. sajêro of sajro en sajroning in, binnen; gedurende. sajêroning nagara, binnen de hoofdplaats. sajroning omah, binnen's huis. sajêroning layang, in den brief. sajroning ati, in het hart. sajroning patang puluh dina, binnen, of gedurende, veertig dagen. mantri jêro, een binnen-mantri. -kajêro, naar binnen gekeerd. -anjêrokake, diep maken, verdiepen. -jêroan of jêrowan, K.N. [sêrêgan, K.] het ingewand, de darmen van een beest.

juru : K.N. 1. baas, meester, hoofd, bestierder, opzigter, iemand aan wien iets als zijn post is toevertrouwd [Sd.Ml.id.]. 2. een persoon, die bij pest of hongersnood de vorstelijke pajoeng ronddraagt, ten einde den nood af te wenden. 3. een Kemiri-noot met drie pitten. juru tulis, schrijver, klerk. jurubasa, taalmeester, tolk, translateur. juru nujum, sterrekundige, sterrewichelaar, astroloog. juru tênung, toovenaar, toovenares. juru mudhi, stuurman. jurudang, kok, kokkin [= tukang orah sêga]. jurudêmung, naam van een der zangwijzen, die Tengahan genoemd worden. sajuru-juru, rangsgewijze, hoofden van denzelfden rang, die bij elkander zitten, elk afzonderlijk. -anjurubasani, vertolken, als tolk dienen.

jrah : Kw. gelijkelijk, algemeen, overal [= wêrata]. -anjrah, zie boven. -panjrah, verspreiding, uitstrooijing.

jrih : of jêrih, ook jêrèh, K.N. bevreesd, vreesachtig, bang, huiverig; moedeloos [vrg. jirih]. -ajrih, zie boven.

jarah : I. K.N. 1. wild (niet tam); een wilde vogel; 2. plundering [Sd.Ml.id.]. jarah-rayah, plundering en roof; ook het met geweld zich meester maken van have en goed van iemand, van wien men iets te vorderen heeft. -anjarah, plunderen. anjarah angrayah, plunderen en rooven; met geweld zich meester maken van have en goed van iemand, van wien men iets te vorderen heeft. kajarah karayah, K.N., dijarah-rayah, N., dipun jarah-rayah, K., l.v. -jarahan, het geplunderde, buit, roof; buit gemaakte, gevangene. brana jarahan, geplunderde schatten. II. verkorting van sajarah.

jaruh : K.N. openbaar, ruchtbaar. -anjajaruhi, ruchtbaar maken, iemand in opspraak brengen, betrappen [= angêtarani].

jêrih : zie jrih.

jêrèh : zie jrih.

jirih : K.N. lafhartig, bloode [vrg. jrih].

juruh : K.N. gesmolten suiker, suikerwater, siroop.

jèrèh : K.N. uitbreiden, verspreiden, openbaar maken.

jron : verkorting van sajroning, zie jêro.

jaran : N. [kapal, K.] paard. jaran lanang, en jaran pêlèn, een hengst. jaran wadon, een merrie. jaran tunggang, een rijpaard. jaran tundhan, een huurpaard. jaran guyang, een gewasschen paard; ook naam van een tooverformulier. [tooverfor...]

--- 550 ---

[...mulier.] -jaranan, wat tot een paard betrekking heeft; een nagemaakt paard. jaran-jaranan kayu, een houten paard, voor speelgoed. -pajaranan, plaats waar zich paarden bevinden, paardemarkt.

jarene : zie jar, I.

jarunthul : K.N. voor zich neêr zien, beschaamd wegloopen.

jare : zie jar, I.

jarak : K.N. naam van een struikgewas, de Palma Christi, van welks vrucht olie gemaakt wordt [Sd.Ml.id.]. lisah jarak, castorolie. jarak wêtah, Djarakpitten. jarak cina, naam van een gewas, waarvan de bladen tot purgeermiddel gebruikt worden. -pajarakan, naam van een distrikt in het oostelijk gedeelte van Java.

jarik : z.v.a. jarit.

jêruk : N., jêram, K., limoen, oranjeappel [Sd.Ml.id.]. jêruk bali, K.N. citroen, of een soort van Chinaasappel [Sd. pompelmoesvrucht]. jêruk gulung, N., jêram gulung, K., pompoen.

jirak : naam van een vrucht.

jêrkangkang : K.N. geheel achterover vallen.

jurudêmung : zie juru.

jurudang : zie juru.

jrat : verkorting van jarat.

jrit : zie jêrit.

jarat : K.N. graf, begraafplaats. -pajaratan [ook pakuburan en makam of makaman, K.N., pasêkaran en pasarean, K.h.]. begraafplaats, grafstede.

jarit : N. [sinjang, K.] lijnwaad, linnen, kleedingstof; een kleed, een geverwde doek. layar jarit, zeildoek. -jaritan, een strook linnen.

jarot : K.N. gespierd, sterk, een sterk gebouwd lichaam.

jêrat : K.N. bestendig, duurzaam, eeuwig.

jêrit : K.N.; anjêrit, schreeuwen; krijschen [jrit = ngêrik]. anjêrit-jêrit, aanhoudend of bij herhaling schreeuwen. -panjêrit, geschreeuw. -pating jalêrit, algemeen geschreeuw.

jirêt : K.N. strop, strik; touw, net. -anjirêt, aan een touw trekken; verstrikken; met een strop wurgen.

jurit : Kw. oorlog, krijg [= pêrang, Ml.id.]. -prajurit, zie boven.

jarwa : K.N. verklaring, uitlegging, beteekenis [= arti, vrg. jawa, I.]. basa jarwa, de taal der uitlegging. Bratayuda Jarwa, de uit het Kawi in het Javaansch overgebrachte Bråtå-joedå. -anjarwani, iemand uitleggen, verklaren; beteekenen. -anjarwakake, N., -kên, K., iets uitleggen, verklaren, beduiden; van iets een uitlegging geven. -panjarwa, uitlegging, verklaring' uitlegger.

jruwan : z.v.a. jêrowan, zie jêro.

jêrowan : zie jêro.

jirap : K.N. veel in getal.

jariji : K.N. de voorste of eerste vinger; of de vingeren in 't algemeen [vrg. dariji].

jor-joran : zie jor.

jarijwa : poët. z.v.a. jariji.

jarijya : poët. z.v.a. jariji.

--- 551 ---

jarêm : K.N. blaauwe vlekken.

jarum : Sd.Ml. naald, naainaald. -jaruman, K.N. lokaas; middel tot verzoening; bemiddelaar, bemiddelaarster.

jêram : zie jêruk.

jêrum : K.N. I. anjêrum, op den grond liggen of gaan liggen, van beesten. II. iemand iets afraden.

jrumat : K.N. een lap op een kleed; gelapt [Sd.Ml. stoppen, zoo als kousen]. -anjrumat, stoppen. -anjrumatake, N., -kên, K., te stopeen geven. -jrumatan, stopwerk, hetgeen men stopt of te stoppen heeft; gestopt; b.v. kulambi jrumatan, een gestopte buis.

jaramaya : eign. van een hoofd van booze geesten.

jrambah : of jêrambah, K.N. vloer, de hoogere vloer, verhevene grond van een Javaansch huis; galerij. jêrambah ngajêng, voorgallerij.

jarag : K.N. (kwaad) opzet; opzettelijk; moedwillig. -anjarag, met opzet iets verrigten. -jaragan, moedwil, vermetelheid.

jorog : K.N.; anjorog, duwen, stooten. jorog-jinorog, elkander duwen en stooten. -anjorogake, N., -kên, K., iets of iemand duwen, stooten, voortduwen, voortstuwen, van zich afstooten, omstooten, omwerpen.

juragan : K.N. een koopman die ter zee vaart, handelaar in het groot [Sd. heer, meester; mijnheer].

jragêm : zie dragêm.

jirab : K.N. velen in een rij.

jring : of jêring, Kw. bruin [jring = wungu]; ook naam van een boom met bruine bladen en bruine vruchten, den Djingkol-hoom [een soort van Mimosa, waarvan de vrucht veel van de kastanje heeft. Ml.id.].

jaring : K.N. een trek- of sleepnet, visch- of vogel- net [Ml.id.]. -anjaring, met zulk een net visschen of vogels vangen. -anjaringi, naar iets visschen. -jaringan, K.h. [usus, K.N.] darm, de darmen.

jêring : zie jring.

jurang : K.N. dal, vallei, ravijn [Ml. kloof, spleet in het gebergte; naauwe doorgang, engte; kreek]. jurang jêro, een diepe valei. jurang parang, een rotsachtige vallei; ook naam van een rij.

juring : K.N. kerf, insnede; vak, afdeeling.

jurung : K.N. welgevallen, goedkeuring, toestemming, vergunning. -anjurung en anjurungi, goedkeuren, toestemmen, vergunnen. -jumurung, vergunnend, een welgevallen hebbend; vergund, toegestaan. -panjurung, goedkeuring, toestemming, welgevallen; een geschenk als bewijs van welgevallen.

jèrèng : K.N. uitbreiden, uitspreiden.

jak : of ajak, K.N.; ngajak [ngaturi tumut, K.h.] iemand uitnoodigen om mede te doen. dijak of diajak, N., dipun jak, of dipun ajak, l.v. ajak-ajak of ngajak-ajak, op allerlei wijze uitnoodigen om meê te doen; verleiden, meêslepen.

jaka : K.N. een jonkman, ongehuwd man. bocah jaka, een jongeling. jêjaka, als jonkman (ongetrouwd) leven. jakatuwa, papegaai, kakatoe.

--- 552 ---

jukuk : zie jupuk.

jakikèr : K.N. het kraaijen van een boschhaan.

jakat : [Ar. zakaat], K.N. aalmoes, het geven van een gedeelte van zijn bezittingen tot aalmoezen aan de armen of tot godsdienstige einden, om daardoor het overige gedeelte te heiligen; in het bijzonder het geven van een deel van den oogst aan den priester; aalmoezen geven [Ml.id.]. -anjakatake, N., -kên, K., tot aalmoezen aanwenden, iets aan een priester tot aalmoes geven.

jêkut : K.N. rilling, koude, koude rilling.

jêksa : K.N. fiskaal, regter [Sd. jaksa]. Ieder Wadånå of hoofd van een der verschillende Golongans heeft een Djekså, met den rang van Panéwoe. wadana jêksa, heet de Voorzitter van de Pradåtå. jêksa pradata, de Djekså's van de acht Wadånå's, dit zitting hebben in de Pradåtå, en de regtszaken tot hun ressort behoorende bezorgen moeten. jêksa nagara, N., jêksa nagari, K., 's lands fiskaal, heet de Djekså van den Raden-adipati. Ook de kroonprins heeft een jêksa pradata, en jêksa nagara, -anjêksani, het ambt van een fiskaal uitoefenen. -pajêksan, de woning van een Djekså; geregtsplaats.

jêkluk : K.N. ergens tegen stooten [vrg. jêngklok].

jakêling : naam van een medicinale droogerij.

jukung : ook jungkung, K.N. een kleine boot of sloep, een schuitje uit één boomstam gemaakt, een kanoe [Ml.id.].

judi : Kw. dobbelen, dobbelspel [= totohan, Ml. een spel met dobbelsteenen of met schelpen; dobbelspel in het algemeen; dobbelen, spelen]. judipati, een waaghals, iemand die het leven op het spel zet.

jadah : K.N. I. een onecht, onwettig geboren kind, bastaard; bepaaldelijk een kind, waarvan de moeder vóór het aangaan van een huwelijk zwanger was [Pers. zaadah], kind; haraama zaadah], onecht kind]. II. een soort van uit Ketan bereid gebak.

jidar : K.N. liniaal; liniëren. -jidaran, liniëerbord; liniaal.

jidik : z.v.a. jindik.

jidêng : N. sterven (van een beest), kreperen [vrg. jidhèt, modar en madodong].

jati ; I. Kw. K.N. waar, wezenlijk, echt, onvervalscht, zoo als iemand of iets van natuur is [= têmên en nyata, Skr. djâti, geboorte; geslacht, soort, klasse]. jatining manungsa, van het menschelijk geslacht, van menschelijke natuur. sajati, naar waarheid; inderdaad, waarlijk; wezenlijk, waar [= satêmêne]. sajatining tiyang, van menschelijke natuur. mulya sajati, in zijn natuurlijken staat hersteld worden. -anjatèni, de waarheid zeggen; aanduiden, beduiden; bevestigen. II. N., jatos, K., djatiboom, djatihout [de Indische eik, beroemd om de deugdzaamheid van het hout; Sd.Ml.id.]. -pajatèn, N., pajatos, K., djatibosch.

jatu : Kw. z.v.a. jati.

juti : Kw. K.N. kwaad, slecht, boos, ondeugend, zondig; deugniet, slecht mensch [= ala, cidra [ci...]

--- 553 ---

[...dra] en laku kang ala]. panggawe juti, een slechte daad.

joto : K.N. onbeweeglijk staan blijven en den mond gesloten houden, een uitdrukking van stomme verwondering.

jitah : K.N. etter.

jaton : K.N specerij.

jetun : naam van een hout, dat door Adam uit den hemel gebracht is [Ar. zaituun], olijf, olijfboom: vrg. situn].

jatukrama : Kw. echtgenoot [= bojo en garwa].

jatos : zie jati, II.

jotos : K.N. met de vuist of knokkels der vingers slaan.

jatisari : naam van een désa, een marktplaats, ongeveer vier palen ten Zuid-oosten van Solo gelegen. -pajatisari, hetgeen te Djatisari plaats had.

jatya : Kw. z.v.a. jati.

jatmika : Kw. stil, ingetogen, zedig, bedaard [= antêng en antêng alus sabarang polah].

jêtmaka : Kw. zweep.

jêtung : K.N.; anjêtung, verstomd, versteld, in sprakelooze verbazing.

jatingarang : K.N. een groote schotel van gevlochten bamboe met pooten. hajat dalêm jatingarang, 's Vorsten offer (rijst met toebehooren) op de Djati-ngarang: benaming van de offerspijs bij gelegenheid van den geboortedag van den Soesoehoenan, wanneer die tegelijk met den Pasardag invalt, wat alle 36 dagen eenmaal plaats vindt.

jas : Holl. jas.

jus : [Ar. juz], K.N. sectie, deel, hoofdstuk; hoop, verzameling, vereeniging [Ml.id.].

jasad : [Ar. jasad], lichaam.

jisim : [Ar. jism], K.N. lichaam; lijk [Ml.id.]. jisim alus, een fijn lichaam.

jasmani : [Ar. jasmaanii], lichamelijk, stoffelijk, grof [Ml.id.; Sd. lichaam, lijf].

jawa : I. K.N. meening, beteekenis [vrg. jarwa]. II. N., jawi, K., Javaansch [Sd.id.]. tanah Jawa, N., tanah Jawi, K., Java. pulo Jawa, N., pulo Jawi, K., nuswa Jawa, Kw., het eiland Java. têmbung Jawa, N., têmbung Jawi, K., de Javaansche taal. wong Jawa, N., tiyang Jawi, K., Javaan. cara Jawinipun, op de Javaansche manier. -ngajawa, N., ngajawi, K., zich naar Java begeven. -anjawani, N., anjawèni, K., als een Javaan er uitzien. -anjawakake, N., anjawèkakên, K., Javaansch maken, in het Javaansch vertalen.

jawi : I. K.N. een wilde koe, het wijfje van den wilden stier: ook jêjawi [Ml. koe]. II. K. zie jawa en jaba.

jiwa : Kw. het leven des lichaams; de ziel [= urip, awak en kasih, Ml.id.; Skr. djîwa, leven, de levensziel, de ziel die het lichaam doet leven]. jiwa rêtna, naam van een Kawische zangwijze. jiwagra, de uiterste punt van het leven des lichaams, d.i. de punt van de tong [jiwa, wordt ook verklaard door ilat]. atma jiwa, zie atma.

jawah : zie jawuh.

jawuh : Kw. en Md., jawah, K. [udan, N.], regen; regenen [naar het schijnt, oorspronkelijk

--- 554 ---

hetzelfde als dhawuh en dhawah, I.]. toya jawah, regenwater. jawah angin, regenvlaag, regenbui. jawah woh of jawah uwoh zie woh, -anjawuhi en anjawahi, beregenen, op iets regenen. kajawuhan en kajawahan, beregend, door den regen getroffen, overvallen, nat geworden. -anjawuhakên en anjawahakên, doen regenen, als regen doen neêrvallen, b.v. bloemen.

jawèh : K.N. spraakzaam, praatachtig; te veel spreken; een babbelaar, babbelaarster.

jawan : K.N. een soort van lang gras.

juwana : naam van een distrik op Java.

jèwèr : z.v.a. jiwir.

jiwir : K.N. aan iets trekken.

jawara : zie juwara.

juwara : of jawara, 1. Kw. een geleerde, priester [juwara = pandhita, [Ml. juwara], iemand die bedreven is in het spel der hanegevechten, een scheidsman in dat spel]. 2. K.N. berigt, tijding, nieuws. -anjuwarakake, N., -kên, K., een berigt verspreiden, algemeen bekend maken.

jawat : K.N.; anjawat, het oog op iemand vestigen, iemand voor zich trachten in te nemen [Ml. jawat of jabat], tasten, aantasten, aanraken, aanvatten]. -panjawat, de uiterste rand van iets; de flank of vleugel van een leger [vrg. pangawat].

jiwit : K.N. kneep met de nagels van de vingers. -anjiwit, met de nagels knijpen. -anjiwiti, meervoud.

juwêt : K.N. dikwijls, herhaaldelijk [= kêrêp en bêtah]; ook naam van een kruid, dat tot medicijn gebruikt wordt.

juwit : K.N. eene beweging van de lippen.

jawata : zie dewata.

juwata : z.v.a. jawata, zie dewata.

juwita : Kw. een vrouw van hoogen rang [= wong wadon, Ml. fijn, uitgelezen; ook een benaming van toegenegenheid of hoogachting ten opzigte van vrouwen].

juwawut : K.N. gierst, of een soort van gierst [Ml. jawawut], ook jawaras] en enkel Jawa] . Het schijnt zamengesteld te zijn uit het Pers. jau], Skr. jawa, garst en awut].

jwala : Kw. schijn, glans [Skr. djwala en djwâla, vlam, licht. Van hier ujwala, Skr. oedjdjwala, met het voorzetset oet].

jawal : K.N. slecht, kwaad, boosaardig.

jawil : K.N.; anjawil, met de vingers tikken; iemand een teeken geven, opmerkzaam maken.

juwal : [Ml. juwal], verkoopen. jinuwal, verkocht, verkocht worden. juwal bita, eign. van een hoofd.

juwadhah : K.N. een soort van uit ketan en kokosnoot bereide koekjes.

jawab : [Ar. jawaab], K.N. antwoord, benatwoording; vergelding; oplossing van een raadsel [Sd.Ml.id.]. jawab tangan, bij het groeten elkander de hand geven.

juwing : K.N. kruimel, brok, stuk. roti sajuwing, een stuk brood. -jêjuwing, in brokken, stukken breken.

--- 555 ---

jal : verkorting van ngajal, zie ajal.

jala : K.N., ook jambêt, K., een werpnet, vischnet [Ml.id.;Skr. djâla, een net]. tukang jala, een visscher. -anjala, met een werpnet visschen. -panjala, het plaats hebben van anjala.

jali : K.N. kleine pitten, die de kinderen bij het spel gebruiken [Sd. rijstzaad].

jalu : I. Kw. man, mannelijk [= lanang, Sd.id. Vrg. jalêr]; ald Tj. SengK. ééN. II. N., jambêt, K., spoor van een haan, hanespoor [Ml.id.]. jalumampang, naam van een kruid, dat tot medicijn gebruikt wordt.

jêlu : K.N. geraakt, gebelgd.

juli : I. Holl. Julij. II. zamenstelling of verkorting van maju, en tumuli.

jola : K.N. schok; verschrikt, ontsteld. anjola, schokken, een schok krijgen, van schrik of ontsteltenis opvliegen. jola-jola, herhaaldelijk van schrik opvliegen; schudden; franje.

joli : K.N. een groote palanquin, draagstoel, draagbaar, gewoonlijk door zestien personen gedragen, en die slechts door prinsessen gebruikt mag worden [Ml.id.; vrg. tandhu].

jêlih : of jêlèh, K.N. gillend geluid, schreeuw, gil. jêlih-jêlih, ajêlih-jêlih, ook jêlah-jêlih of jêlèh-jêlih, aanhoudend gillen, het uitschreeuwen, uitgillen. -anjêlih of anjêlèh, schreeuwen, gillen. -panjêlih of panjêlèh, geschreeuw, gegil.

jêlèh : I. zie jêlih. II. K.N. verveling; vervelen; lastig [Ml. walgen, een walg hebben, vies zijn, afkeerig zijn]. jêlèh ingsun, mijn verveling; het verveelt mij.

jèlèh : K.N. het uitpuilen van den oogappel; zeere oogen hebben.

jalanidi : Kw. de zee, océaan [= sêgara, Skr. djalanidhi].

jalèntrèh : zie jèntrèh.

jalanthir : K.N. een schoone gedaante, een fraai lichaam.

jalêr : K. [lanang, N., kakung, K.h.] man, mannelijk; iets dat groot of sterk is [Het is een Kråmå-vorm van jalu]. kapal jalêr, een hengst. rêdi jalêr, een hooge, steile berg. -jalêran, een windas. -pajalêran, de mannelijke schaamdeelen.

jêlir : K.N.; anjêlirake, N., -kên, K., vertoonen, laten zien; een proef nemen, bewijzen; berispen.

jaliru : naam van een boom, waarvan de wortels een dronkenmakende kracht bezitten.

jêlorèh : K.N. bevlekken, vlekken maken.

jalaran : K.N. middel, werktuig, aanleiding, oorzaak. jalaran saking, door middel van, wegens. -panjalaran, weg, middel.

jalêrit : zie jêrit.

jêlarat : K.N. fraai, schoon. -anjêlarat, fraai maken.

jalak : K.N. 1. naam van een vogel met zwarte veêren, witte borst, en gelen snavel, die een zeer scherp gezigt heeft. 2. de nek van een paard. 3. benaming van zeker fatsoen van kris.

--- 556 ---

jaluk : N., anjaluk [nêdha, K., mundhut en nyuwun, K.h.] vragen, versoeken, noodigen, vorderen, eischen. jaluk lawang, aankloppen. anjêjaluk, iets, het een of ander, vragen; van dezen of genen vragen. jêjaluk, een bedelaar. -anjaluki, meervoud; en iemand iets vragen of verzoeken, aanhoudend verzoeken. -anjalukake, voor iemand iets verzoeken, een voorspraak doen. -jalukan of jêjalukan, hetgeen men eischt of verzoekt, hetgeen geëischt of verzocht wordt; eisch. -anjaluk, verzoek, bede, aanvraag.

juluk : I. K.N. het bovenste gedeelte van iets; het voorhoofd; de knop van een teugel van een paard. -manjuluk, hoog met het hoofd liggen; opgaan, opklimmen; in de hoogte zien; tot een meerdere spreken. II. juluk, gew. jêjuluk, K.h. [ook wêwangi en asma, K.h., jênêng, N., nama, K.]. naam; K. [aran, N.] bijnaam, toenaam [= pêparab]. ajêjuluk, genaamd of bijnaamd zijn. -anjuluki of anjuluki, iemand een naam of bijnaam geven [= awèh jênêng].

jolok : K.N. gemakkelijk, zonder moeite iets vinde. -jolokan, iets dat gemakkelijk gevonden kan worden.

jilid : I. K.N. lederen band van een boek; band, boekdeel [Ar. jald], huid, leder; band, boekdeel; Ml.id.]. tunggil sajilid, zamen in één band. -anjilidi, een boekband maken, inbinden. -jilidan, boekdeel. II. K.N. geesel [Ar. jild], het geeselen]. -anjilidi, geeselen.

jalada : ook jaladi, Kw. een regenwolk [Skr. djalada, een wolk, eig. watergever; doch djaladhi, de oceaan]. -jaladiyan, de zee, oceaan.

jaladi : zie jalada.

jaladri : Kw. de zee, oceaan [= sêgara, Skr. djaladhi, zie bij jalada].

jalidra : Kw. een slecht mensch [= wong ala en durjana].

jaladara : Kw. een regenwolk [= mega, Skr. djaladhara, een wolk, eig. waterhouder].

jaladrèn : K.N. deeg, een deeg, waarvan brood of koek gebakken wordt.

jaladiyan : zie jalada.

julsi : z.v.a. jalasa [verbastering van het [Ar. juluus] ?].

jalasa : [Ar. jalas], K.N. zitten.

julisa : verkorting der woorden maju, tumuli en ngarsa.

jalawe : naam van een medicinale droogerij.

jalawara : Kw. een witte wolk.

jalal : Ar. eigendom, bezitting; de heerlijkheid van God [Ar. jalaal], luister, heerlijkheid, majesteit, van God].

jalalat : z.v.a. julalat.

julalat : K.N.; anjulalat en julalatan, rondzien, rondkijken; wild of vervaard om zich heen zien.

jaladha : Kw. een roode, donkere wolk [= mega abang, Het is hetzelfde woord als jalada].

jalajat : zie dalajat.

--- 557 ---

jalma : en janma, Kw. K.N. mensch; het menschdom [jalma = uwong, Sd. mesch; Ml. zielsverhuizing, gedaanteverwisseling; Skr. djâlma, een gering mesch, iemand van lagen stand; djanma, geboorte]; als Tj. SengK. ééN. anjalma, anjanma en majanma, een mensch worden, een menschelijke gedaante aannemen; menschelijk zijn, van een dier. -panjalma of panjanma, menschwording, incarnatie, de overgang van een ziel in een ander lichaam, zielsverhuizing. -sujalma of sujanma, zie sujanma, boven.

jalmi : z.v.a. jalma.

jilma : anjilma en panjilma, z.v.a. jalma, anjalma en panjalma.

jalêmpah : K.N. gevallen zijnde de handen en voeten uitstrekken. pating jalêmpah, op den grond verspreid liggen.

jêlamprang : naam van een bloem, en van een soort van batiK.

jlêg : K.N. zinken, zakken, vallen; plotseling, onverwachts.

jêlog : K.N.; anjlog, van een hoogte afspringen [zie ook anjêlok]. -nganjlogi, op iets neêrspringen.

julêg : K.N. een regt afloopende diepte; in, binnen.

julig : I. Kw. moed, dapperheid. ambênjulig, met moed bezield. II. K.N. zeer bedreven, schrander, listig, sluuw.

jalaga : Kw. I. kist, koffer, vat [= wadhah]. II. hooge landen, tegalvenden [= têgal].

jalêgur : zie jêgur.

jêlagra : en jêlogra, K.h. [riyak, K.N.] slijm; fluim.

jalêgongan : K.N. kuil, groeve.

jêlèbèr : K.N. vlak, gelijk, effen.

jalêbud : K.N. verbleekt, verkleurd; morsig, vuil; versleten.

jlithêng : K.N. zwart.

jalang : K.N. een ligt vrouwmensch, een hoer.

julung : K.N. een persoon wiens lot het is, om door een tijger of krokodil verslonden te worden.

jolang : K.N. een draagstoel, die van alle kanten omhangen is.

jalêngut : K.N.; sêmèn jalêngut, benaming van een soort van batiK.

jêlanggrung : K.N. een groot mismaakt lichaam.

jalingan : K.N. een pop.

japa : K.N. een toovergebed [Skr. djapa en djâpa, gebeden, tooverformulieren, spreuken uit de heilige schriften of namen der godheid prevelend]. -anjapani, een toovergebed over iets of iemand uitspreken, betooveren, bezweren.

japan : naam van een distrikt op Java.

Japantên : zie Japara.

Japara : N., Japantên, K., naam van een distrikt op Java.

jupuk : juput en jukuk, N.; anjupuk, anjuput en anjukuk [ook amèk, N., mêndhêt, K.] nemen, wegnemen, afnemen; halen [Ml. jumput], opnemen, wegnemen, halen, afhalen].

japit : K.N. tang [vrg. jêpit]. -anjapiti, iets met een tang vatten.

--- 558 ---

jêpat : K.N.; anjêpat, met het ééne einde naar boven geslagen.

jêpit : K.N.; anjêpit, klemmen, inklemmen, tusschenklemmen [Ml. nijpen, knijpen, drukken]. -panjêpit, inklemming [Ml. knijper, nijptang].

juput : zie jupuk.

jêplak : K.N. zich van zelf openen. -jêplakan, wippend. kori jêplakan, een deur die van zelf opengaat, een valdeur. ikêt jêplakan, een hoofddoek, waarvan het achterste gedeelte nederhangt en bij het gaan een wippende beweging maakt. Dit is een dragt der Javaansche ordonnansen van den Soesoehoenan.

jêpluk : K.N.; anjêpluk, van schrik opvliegen, hevig ontstellen.

Jipang : naam van een distrikt op Java.

jadhi : K.N. een koperen ketel of pan.

judhi : Kw. een tweegevecht; oorlog, strijd, krijg [= pêrang].

jèdhi : z.v.a. jadhi.

jodhi : Kw. met een touw binden; ten onder brengen, overmeesteren; ook z.v.a. judhi, -kajodhi, overwonnen.

jodho : K.N. paar, koppel, span; gade, egade, wedergade; paren [Ml. jodu] . sajodho, een paar, zoo als man en vrouw; een koppel, een span. -nyajodho, elk een paar. -anjodho, zich met iemand paren, verbinden. -anjodhokake, N., -kên, K., zamen paren, koppelen. -jêjodhon, met elkander paren. -pajodho, z.v.a. jodho.

jodhèh : K.N. zigtbaar. -anjodhohi of anjodhèhi, zigtbaar maken, openbaren.

jêdhir : K.N. gillen, krijsschen. jêdhar-jêdhir, het uitgillen.

jodhèr : K.N. weten. -anjodhèri, te kenken geven; iets trachten te weten, afluisteren [Het wordt verklaard door ambadharake].

jidhèt : K.N. sterven, van een beest, kreperen [vrg. jidêng, modar en madodong].

jadhêl : K.N. uittrekken, uithalen.

jêdhul : K.N. uitkomen, naar buiten komen.

jidhul : N. het mannelijk lid; K.N. het paren van beesten.

Judhipati : naam van de woning van Wrekodårå.

jêdhodhok : K.N. slordig gekleed zijn.

jêdhodhot : z.v.a. jêdhodhok.

jadham : naam van een zeewier, dat tot medicijn of als wierook gebruikt wordt.

jadhug : K.N. de aanvoerder van een oproerige bende.

jêdhêg : K.N. oponthoud, verblijf. anjêdhêg, een plaats aanwijzen, bepalen; tegen iets stuiten, tegenloopen. -anjêdhêgi, zich ergens of bij iemand ophouden, verblijven. kajêdhêgan, de plaats waar of de persoon bij wien iemand zich ophoudt of iets zich bevindt.

jêdhug : z.v.a. jêdhêg.

judhag : K.N. verdringen, iemand uit een post verdringen.

judhêg : K.N. niets overslaan.

jodhang : K.N. een groote, langwerpig vierkante bak, waarin spijzen (met name de Tondjókkan) vervoerd worden.

--- 559 ---

jaja : I. K.h.; zie dhadha, II. K.N. een marskramer; met koopgoederen rondgaan, inzonderheid met eetwaren rondgaan en die te koop aanbieden [Ml. met goed bij de huizen rondloopen om te verkoopen]. -jajan, eetwaren koopen, snoepen, geld verkwisten. -jajanan, gemaakt goed, dat op de Pasar gekocht wordt; gemaakt goed op de Pasar koopen.

jiji : Kw. huiverig, bang, bevreesd [= wêdhi].

juju : K.N. een beest het voedsel in den mond stoppen [= loloh]. -anjujokake, N., -kên, K., iets als voedsel een beest in den mond stoppen; een beest laten voeden met het het voedsel in den mond te laten stoppen.

jajah : K.N. den grond betreden; op iets treden [= ngambah en ngidak]. -anjajah, ergens over of door heên gaan; rond gaan om iets te zoeken. anjajah wana, door een bosch gaan. -anjajahi, meervoud. -jajahan, grond die betreden wordt, grondgebied [= ambah-ambahan, Ml.id.].

jojoh : K.N. met een stok iets aanraken [vrg. cojoh].

jajan : zie jaja, II.

jajar : K.N. in een rij naast elkander, op één en dezelfde rij, op gelijken afstand van elkander; gemeen, in tegenoverstelling van aanzienlijk [Ml. rij, reeks in de lengte, gelid]. prajurit jajar, gemeen soldaat. -anjajari, in rijen achter of vóór iemand gaan; in rijen op gelijken afstand van elkander een plaats bezetten. -jajaran, rij, dubbelde rij van een stoet; personen die in twee rijen een vorstelijken stoet vooruitgaan; hellebaardier [Sd. rij, lijn, streep]. tumbak jajaran, naam van een soort van piek, hellebaard. -Pajajaran, naam van een vroeger vorstendom in het westelijk gedeelte van Java.

jêjêr : K.N. stand; overeind staan; steil, steilte; de grondbeteekenis van een woord; titel van een boek. ajêjêr bupati, den rang van Boepati hebben. anjêjêr, oprigten, overeind zetten, stellen; onbeweeglijk staan blijven. -jêjêran, K. [ook landheyan, K., ukiran, N.] gevest van een kris.

jujur : K.N. regt door, rondborstig, openhartig, opregt. ora jujur, N., botên jujur, K., oneerlijk. -kajujur, zie boven.

jèjèr : z.v.a. jajar.

jêjak : of jêjêk, I. z.v.a. jêjêg, II. K.N.; anjêjak, trappen, schoppen [Sd. jêjêk, trap, schop; schoppen, vooruitschoppen; [Ml. jejak], voetstap, tred; treden, stappen]. -anjêjêki, meervoud. -panjêjak, het trappen. -jêjêkan, drempel, dorpel.

jêjêt : K.N. bamboe vlechten.

jujut : K.N.; anjujut, pluizen, b.v. kapas; uithalen, uittrekken. -jujutan, K. [kapas, N.] katoen.

jajal : I. K.N. proefneming, beproeving, onderneming, onderzoek. jajal-jajal, onderneming. -anjajal, beproeven; ondernemen, wagen; passen, aanpassen. kajajal, proef. -jajalan, hetgeen men beproeft, hetgeen ondernomen, aangepast wordt.

--- 560 ---

II. eign. van een boozen geest. jajal wrêka, eign. van een Boetå.

jêjêl : K.N. digt aan elkander, tegen of op elkander gedrongen [Ml. dringen, ergens met moeite doordringen]. -anjêjêli, digt aansluiten, in elkander dringen.

jujul : K.N. I. achternaloopen, vervolgen. II. ontoereikend. III. terugvragen, terugnemen.

jêjêp : K.N.; anjêjêp, in het geheim onderzoeken, luisteren, beloeren, bespieden. -anjêjêpake, N., -kên, K., voor een ander in het geheim onderzoeken.

jojo-jojo : K.N. ondernemen, beproeven.

jujumad : Kw. tusschenruimte, tusschentijd [= antara].

jajag : K.N. in het water staan. ora jajag, N., botên jajag, K., grondeloos; ondoorgrondelijk. -anjajagi, peilen, den grond peilen.

jêjêg : I. K.N. regt overeind; steil; onbeweeglijk, standvastig, onveranderlijk; overeind staan, op de voeten staan [vrg. ajêg, De grondvorm is jêg]. II. z.v.a. jêjak of jêjêk.

jujug : K.N. regtstreeksche koers naar iets toe. -anjujug, zich het eerst of regtstreeks naar een plaats begeven, regt op iets of iemand afgaan. kajujug, regtstreeks. -anjujugake, N., -kên, K., regtstreeks naar iets toe doen gaan. -jujugan, iets waar men regt op los gaat, of waar men het eerst aankomt; iets dat bij de hand, gemakkelijk te bereiken of te vinden is.

jojog : K.N. draven, harddraven. -anjojogake, N., -kên, K., doen of laten draven.

jêjanggan : Kw. een leerling of bediende van een Boeda-priester.

jaya : Kw. overwinning, zegepraal; overwinnend, zegevierend; overwinnaar; overwinnen; fig. geluk; gelukkig [= mênang, Skr. djaja, overwinning; djajja, overwinnend, zegevierend; Ml.id.]. jayèng prang, jayèng rana en jayèng palugon, een overwinnaar op het slagveld [alle drie = mênang pêrang]. jayèng satru, de overwinning op den vijand [= kang mênang lan mungsuh]. jayèng prani, het mannelijk lid. Andere zamenstellingen zie beneden. -anjaya, overwinnen. -anjayakake, N., -kên, K., doen overwinnen; overwinnaar verklaren. -mrêjaya of marjaya zie parjaya, -wijaya, zie boven.

jaya antaka : eign. van den jongsten zoon van Batårå-Éndrå.

jaya kusuma : naam van een bloem.

jiyad : of jiyat, K.N. dwang, geweld. -anjiyad of anjiyat, dwingen, dringen, verpligten, geweld gebruiken; verkrachten, schenden. -panjiyad of panjiyat, dwang, drang, geweld.

jayadrata : bijnaam van Sindoe-redjå, een zoon van den Vorst van Bånå-Kling, en zwanger van Soejodånå [= Adipati ing Banakêling, Skr. Djajadratha].

--- 561 ---

jayasena : eign. van een der Koråwå's.

jayasusena : z.v.a. jayasena.

jayawikatha : eign. van een der Koråwå's.

jayapurusa : eign. van een Patih van Serwantipoerå.

jayapitana : bijnaam van Soejodånå in zijn jeugd.

jayabaya : eign. van een Vorst van Kediri.

jam : of êjam, I. K.N. uurglas; klok; uur [Pers. jaam], glas; Sd.Ml.id.]. saprapat êjam, een vierde uurs. kalih êjam, twee uren. jam pira, hoe laat? II. Kw. een waterpot [Pers. jaam], ook kop, beker, kom].

jim : of êjim, verbastering van jin of êjin, zie êjin, -kajiman, door een Djin bezeten.

jum : of anjum, z.v.a. ngêjum.

jamu : N., [ook tômba, N.], jampi, K., geneesmiddel, medicijN. jêjamu, N. [loloh, K.] medicijn gebruiken, innemen. anjamoni, N., anjampèni, K., iemand medicijn geven, geneesmiddelen toedienen; iemand of een ziekte genezen. -anjampèkakên, K. [nambakake, N.] iets tot geneesmiddel aanwenden; geneesmiddel laten geven.

jamah : K.N. hoereerder. -anjamahi, hoererij plegen. -jamahan, een ligt vrouwmensch, een bijzit van de gemeenste soort.

jamhur : Ar. een geleerde, priester [? Ar. jumhuur], de groote hoop, het algemeen].

jumahat : [Ar. jum'at], gew. Jumungah, K.N. de dag der zamenkomst in de Moskeën, Vrijdag [Ml.id., Sd. jumahah]. ing dintên Jumungah, op Vrijdag.

jaman : K.N. tijd; tijdvak, eeuw; dit leven, deze wereld; land, vaderland, geboorteplaats [Ar. zamaan], tijd, tijdvak, tijdperk; Sd.Ml.id.]. jaman kina, de oude tijd, voortijd; in den ouden tijd, vroeger, van ouds. kala jaman punapa, op of in welken tijd? jaman sapunika, de tegenwoordige tijd, de tegenwoordige eeuw. nagari jaman kula, mijn vaderland.

jumantên : Kw. smaragd [= intên, Het schijnt een Kråmå-vorm van jumêrud, te zijn].

jumantara : Kw. het luchtruim [= awang-awang, en ing dhuwur].

jamur : K.N. kampernoelje, paddestoel, spons, zwam [Ml. schimmel, b.v. van brood]. jamur impês, naam van een medicinale droogerij. jamurên, beschimmeld; beschimmelen.

jimrah : Kw. overal, algemeen [= wêrata].

jamirah : of jumirah, K.N. een glazen pot.

jumirah : zie jamirah.

jumrunuh : K.N. verergeren, verslimmeren.

jumêrud : of jumêrut, K.N. smaragd [Pers. Ar. zururud of zumurrud ; Ml. zamrud], Sd. yambrudh].

jamurdipa : naam van een mythischen berg [= baboning gunung].

jumêrut : zie jumêrud.

jumrojog : K.N. het ruischen van water [vrg. dumrojog, bij drojog].

jamak : [Ar. jam'], meervoud; meervoudig; K.N. gewoon, algemeen; gewoonte. ora jamak-jamak, N., botên jamak-jamak, K., ongewoon, [on...]

--- 562 ---

[...gewoon,] ongemeen. -kajamak, gewooN. -rêjamak, ongewoon, buitengewooN.

jêmak : z.v.a. jamak.

jêmuk : K.N.; pajêmukan, zamenloop van menschen; vergadering van menschen om met elkander te beraadslagen [waarschijnlijk het Ar. jumuu'], coll. meervoud van jam'], verzameling, vergadering].

jêmèk : K.N. kleven; kleiachtige grond.

jumuk : Kw. genezen, geneeskundig behandelen [= dhêdhukun].

jimakir : of beter jimakir, naam van het achtste jaar van een Windoe [zamengesteld uit jiim], naam van een Arabische letter, en aakhir], laatste].

jumadilakir : [Ar. Jumaadilakhiir], naam der zesde maand van het Mohammedaansche jaar.

jumadilawal : [Ar. Jumaadilawwal], naam der vijfde maand van het Mohammedaansche jaar.

jamadagni : eign. van een Resi, den vader van Parasoe-Råmå [Skr. Djamadagni].

jimat : K.N. amulet, talisman [verbastering van het [Ar. aziimat] ; Ml. jimat] ].

jamas : K. [kramas, N.] het hoofdhaar waschen. jamas rah, het hoofdhaar wasschen met bloed. -kujamas, Kw. hetzelfde.

jamus : Kw. zwart.

jimawal : of beter jimawal, naam van het derde jaar van een Windoe [zamengesteld uit [jiim], naam van een Arabische letter, en [awwal], eerste].

jamal : K.N. schoonheid, sierlijkheid, heerlijkheid [Ar. jamaal] ; Ml.id.].

jêmala : Kw. middel om te slaan. -anjêmalani, K.N. slaan; met een stok slaan.

jamalantên : Kw. slager.

jampi : zie jamu.

jêmpo : z.v.a. jompo.

jimpe : K.N. een verrekt, verstuikt lid aan het lichaam.

jempo : z.v.a. jompo.

jompo : K.N. afgeleefd, verzwakt van ouderdom. jompo mripat, door ouderdom verzwakt van gezigt.

jêmpana : K.N. een draagstoel van een voornaam persoon [= tungganganing wong wadon].

jimprak : K.N. zich uitbreiden, zich uitrekken.

jumêprot : K.N. een geluid dat door de steek van een lans veroorzaakt wordt.

jêmparing : K. [panah, N.] pijl, schicht. jêmparing latu, vuurpijl. -anjêmparing, met een pijl schieten. -anjêmparingi, meervoud. -anjêmparingakên, met iets, als een pijl, schieten op iemand of iets. -jêmparingan, met een ander of met elkander om het best met pijlen schieten. -panjêmparing, het plaats hebben van anjêmparing. ook een boogschutter.

jumput : K.N. met de vingeren uithalen, uittrekken [Ml. jumput], wegnemen, halen (zie bij jupuk); [sejumput], een vingerneep, zoo veel als men met de vingers vatten kan].

jampès : K.N. horzel.

jampêl : K.N. het gewigt van een halve spaansche mat of 12 dubbeltjes [Ml. het gewigt van een ropij]. sajampêl, een halve spaansche mat, of een gulden, florijn.

jêmpol : en jêmpolan, K.N. duim, de duimen. jêmpol sikil, en jêmpolan [jê...]

--- 563 ---

[...mpolan] sikil, N., jêmpol suku, en jêmpolan suku, K., de groote teen, de groote teenen.

jêmpalik : of jumpalik, K.N. achter over vallen met de voeten omhoog. -kajumpalik, het hoofd onder en de voeten boven; kopje over spelen, duikelen. -jêmpalikan, herhaaldelijk achterover vallen; zich in groote verlegenheid bevinden; woelen.

jumpalik : zie jêmpalik.

jêmpling : K.N. zeer weenen, huilen.

jomplang : K.N. overhelling; overhellen, overhangen. -anjomplangake, N., -kên, K., doen overhellen, buigen, schuins houden.

jampang : K.N.; anjampangi, een plaats van alle kanten insluiten, omsingelen [= jêjampangi = angulatake saka ing kadohan].

jampêng : K.N. doof zijn, niet hooren.

jompong : K.N. de hals van een paard.

jumêdhot : K.N. het geluid dat door het ontploffen van kruid ontstaat.

jambu : N., jambêt, K., naam van een vrucht, de rozeappel, Eugenia jambolana [Sd.Ml.id.; Skr. djamboe].

jambe : N. [wohan, K.] pinangnoot, betelnoot, arek [Sd.id.]; ook benaming van een soort van Pisang. pupus jambe, naam van een medicinaal kruid.

jumbuh : Kw. vereenigd, verbonden; gelijk, even veel, van dezelfde kleur, van dezelfde soort [= sami].

jamban : K.N. een ondiepe plaats van een rivier; een veêr; een badplaats; K.h. [jumblêng, K.N.] sekreet, heimelijk gemak [Ml. sekreet, heimelijk gemak].

jimbun : K.N. een bejaard persoon.

jêmbar : N., jêmbat, K., ruim, wijd, breed; uitgestrektheid. -anjêmbarake, N., anjêmbatakên, K., ruim, wijd maken.

jêmbêr : K.N. morsig, vuil; vuiligheid. -anjêmbêri, of anjêjêmbêri, vuil maken, bemorsen.

jêmbrung : K.N. het gras dat tusschen steenen of op een betreden weg uitschiet. -anjêmbrung, met gras begroeid.

jèmbrèng : K.N. uitrekken, uitspannen.

jambak : K.N., anjambak, iemand bij het haar trekken, in het haar vatten, aan het haar vast houden. -jambakan, elkander bij het haar trekken.

jambik : Kw. gaan, loopen [= lumaku].

jêmbêk : K.N. een vochtige grond.

jêmbuk : of cêmbuk, K.N. een soort van sikkel of zeis.

jambêt : zie jala, jalu, II. en jambu.

jêmbat : zie jêmbar.

jêmbut : K.N. het haar aan de schaamdeelen [Ml.id.].

jêmbawan : zie bij jêmbawati.

jêmbawati : eign. der oudste vrouw van Kresnå, dochter van Bagawan Kapi-Djembawan [Skr. Djâmbawân, een fabelachtige beer, de schoonvader van Kresnå].

jambul : K.N. het haar boven op het hoofd; de kuif van een kip; een vederbos [Ml.id.Sd. yambul].

jêmbul : z.v.a. jambul.

--- 564 ---

jumbul : K.N. schok; beroerd, ontsteld. -anjumbul, schokken, een schok krijgen, eensklaps opspringen, van ontsteltenis of schrik opvliegen. jumbul-jumbul, schudden; herhaaldelijk van schrik opvliegen.

jumblo : K.N. ledig, niets inhouden.

jêmblung : K.N. I. een dikke buiK. -anjêmblung, een dikken buik hebben. II. op een tamboerijn slaan en daarbij zingen.

jêmblong : K.N. ontvolkt; een woeste, onbewoonde landstreek.

jumblêng : K.N. [jamban, K.h.] een heimelijk gemak, sekreet.

jomblong : K.N. onafgebroken op iets staren.

jêmbangan : K.N. een groote pot, watertobbe, badkuip [Ml.id., ook jambangan] ]. Eigennaam van een berg.

jimbungan : K.N. omtrek. ajêjimbungan, een omtrek maken.

jumêthot : K.N. een knallend geluid, een schot; een geluid maken door kloppen; aan een belofte voldoen; volgens afspraak; het zij zóó!

jamang : K.N. een voorhoofdversiersel, een gouden of zilveren plaat, die op het midden van het voorhoofd gedragen wordt [Ml.id.]. ajamang, zulk een plaat aan het voorhoofd dragen.

jumungah : zie jumaat.

jêg : I. verkorting van gajêg. II. grondvorm van ajêg en jêjêg.

jog : I. z.v.a. anjog, II. K.N. onmiddelijk, oogenblikkelijk, dadelijk. III. K.N.; ngêjogi, storten, gieten; uitgieten; bijgieten; vullen; voorschieten, vooriemand een voorschot doen. kajogan, vermeerderd.

jaga : N., jagi, K., waken, de wacht houden; oppassen, opletten, zorg dragen; waakzaam; wacht, schild wacht [Sd.Ml.id.; Skr. djâgre, waken, wakker of waakzaam zijn]. jêjaga, N., jêjagi, K., toerusten, uitrusten, gereed maken, voorbereiden; gereed; gereedheid; toestel. jagaruna, N., jagiruna, K., oppassen, voorzigtig, op zijn hoede zijn. -anjagani, N., anjagèni, K., iemand of iets bewaken; bereiden, in gereedheid brengen. -anjagakake, N., anjagèkakên, K., doen of laten waken of oppassen. -panjaga, bewaking. -jagan en gew. pajagan, N., pajagèn, K., een wachthuis.

jagi : I. K.; zie jaga. II. Kw. waar, opregt.

jago : N. [sawung, K.] haan [Sd.id.]. jago adon, een vechthaan. jago kabiri, een kapoen. -jagoan, een not niet volwassene haan.

juga ; Kw. I. aanzien, aanstaren. II. één [= siji, en dhewe, ook = nanging, Ml. enkel, alleen, slechts, maar; Skr. djoega, uitzonderen, uitsluiten]. sajuga, een enkele, één [= siji]. sami sajuga, één tegen één, man tegen man.

jogan : K.N. een benedenplaats, de vloer van een huis.

jagra : Kw. in menigte afvallen [= rontog].

--- 565 ---

jagur : K.N. een gebalde vuist. -anjagur, met de vuist slaan. -jagur-jinagur, elkander met vuisten slaan. -anjaguri, meervoud.

jêgur : K.N. het geluid van den donder of van een kanoN. -anjêgur, zich van boven neêr in het water gooijen, in het water springen [vrg. cêgur, jêbur en cêbur]. -jalêgur, het geluid van iets dat in het water geworpen wordt. -jumêgur, bulderen; bulderend of donderend geluid van de golven der zee of van een kanoN. -anjêgurake, N., -kên, K., een donderend geluid veroorzaken; in het water gooijen, in het water doen vallen.

jugar : K.N. afvallen, afbrokkelen.

jagêr-jagêr : K.N. zeer groot zijn en een dikken buik hebben.

jêgrag : K.N. overeind staan.

jêgrêg : z.v.a. jêgrag.

jêgrig : K.N. ruig, overeindstaand haar.

jugrug : K.N. inzakken, instorten. -anjugrug, doen instorten. -anjugrugi, afbreken. kajugrugan, door iets, dat instort, overstelpt. -jugrugan, een ingestort gebouw, puinhoop; puin, gruis.

jigrang : K.N. een kleed dat niet verder dan tot aan de knieën reikt.

jagad : of jagat, K.N. de wereld, het heelal; de aarde, de aardbol [Skr. djagat, ook djagad]. jaganata, de wereldbestierder, een bijnaam van Batårå-Goeroe [= Bathara Guru, Skr. Djagannâtha, een naam van Wisnoe]. jagadtraya of jagad raga, de drie werelden [= jagad têtêlu, Skr. djagattraja, de drie werelden, de hemel, de aarde en de onderwereld]. jagad pêpitu, de zeven werelden. jagad pratingkah, een bijnaam van Batårå Goeroe.

jêgod : zie jêgot.

jogèd : of jogèt, K.N. dans; danseres, dansmeid, tandaksmeid, aan de stranden [Ml.id.; vrg. ronggèng en talèdhèk, Vrg. bêksa]. guru jogèd, dansmeester. -anjogèd, dansen, tandakken. -jogedan, een dans- of tandakspratij, een bal.

jagat : zie jagad.

jêgot : of jêgod, K.N. te lui zijn om te eten of op te staan; weigeren.

jagal : K.N. slager, slagter, vleeschverkooper [Sd.id.]. -pajagalan, een plaats waar slagers wonen; een slagtplaats, slagterij.

jagul : K.N. kruk, stut; lastdrager, koeli.

jugil : I. K.N. een werktuig waarmede iets uitgehold wordt. -anjugil, iets, zoo als een steen uit den vloer, opligten. II. Kw. nog niet [= dèrèng].

jugul : Kw. dom, onwetend [= manungsa kang bodho]. jugulmudha, eign. van een persoon, en naam van een werk dat wetten behelst.

jegal : K.N. den voet ligten, ten val brengen.

jêglong : K.N. struikelen. -jêglongan, iets waarover men struikelt; een gat in den grond [vrg. jêgongan].

jagapura : benaming van een soort van soldaten.

jagapraja : benaming van een soort van soldaten.

jêgidhêg : K.N. zich niet verroeren, niet spreken.

--- 566 ---

jêgug : z.v.a. jugug.

jêgèk : K.N. een hooge borst zetten.

jugag : K.N. afbreken, afkorten; een rede eindigen.

jugug : K.N.; anjugug, blaffen, bassen. -panjugug, geblaf, gebas.

jagabela : benaming van een soort van troepen.

jagang : K.N. gracht, sloot.

jagung : K.N. mais, turksche weit [Sd.Ml. jagong].

jagong : K.N.; anjagong, naast of tegenover iemand zitten; een maaltijd of gezelschap houden. -anjagongi, oppassen, zorg dragen. -jagongan of jêjagongan, zamenzitten, naast en tegenover elkander zitten, hetzij al of niet bij een maaltijd; de maaltijd of maaltijden, die door de ouders van aanstaande echtgenooten vóór de voltrekking van het huwelijk aan de bloedverwanten en vrienden gegeven worden. -pajagongan, de plaats waar men op een gezelschap of feest zamenzit; ook een feestmaal.

jegung : K.N. onder het zitten den éénen voet om hoog houden.

jugang : K.N. in den grond graven. -anjugangi, gaten in den grond graven. -jugangan, een kuil, een graf.

jêginggis : K.N. iemand die van een ziekte hersteld is, maar er nog bleek uitziet.

jêgongan : K.N. een gat in den grond [vrg. jêglongan].

jaba : N., jawi, K., buiten. mantri jaba, N., mantri jawi, K., buiten-Mantri. ing jaba, N., ing jawi, K., buiten; uiterlijk. mênyang jaba, N., dhatêng jawi, K., naar buiten. ing sajaba, N., ing sajawi, K., buitenste, uiterste. sajabaning nagara, N., sajawining nagari, K., buiten de hoofdplaats. sajabaning rangkah, N., sajawining rangkah, K., buiten de tolpoort. jaba rangkah, N., jawi rangkah of jawi kori, K., naam van een distrikt. -anjaba of kajaba, N., anjawi of kajawi, K., buiten, behalven, uitgezonderd; tenzij; het kan niet anders tenzij. -ngajabakake, naar buiten doen gaan; uitwerpen; buitenstellen; uitzonderen, uitsluiten. -jaban, uitwendig; b.v. tômba jêjaban, uitwendige geneesmiddelen.

jibah : K.N. verantwoordelijk zijn [Ar. jiibah], antwoord; of verbastering van [waajibah], noodzakelijkheid, pligt]. -kajibah, verantwoordelijk, verpligt; verpligt zijn, aansprakelijk gesteld worden. -anjibahake, N., -kên, K., verantwoordelijk stellen.

jubah : K.N. een tabbaard, een groot, ruim kleed, met wijde mouwen, dat door priesters gedragen wordt [Ar. jubbah] ].

jobin : zie jubin.

jubin : of jobin, K.N. vloersteen, kalkachtigesteen die tot bevloerng gebruikt wordt; vloer.

jabaniyah : Ar. [?] de ingang der hel.

jabur : [Ar. Zabuur], de Psalmen van David [vrg. masmur]. kitab Jabur, het boek der Psalmen.

jêbir : K.N. breede lippen; varkenssnuit [vrg. jibir].

jêbur : K.N. in het water springen of vallen [vrg. cêbur en jêgur en cêgur].

--- 567 ---

jibir : K.N. de rand om de lippen [vrg. jêbir].

jubur : z.v.a. dubur.

jabirah : K.N. verhard zeeschuim.

jêbrèt : K.N.; anjêbrèt, een krakend, dreunend geluid. -jumêbrèt, een knallend, ratelend geluid; het geluid van den donder.

jèbrès : K.N. het haar om den mond van een beest [vrg. brès]; ook naam van een plaats.

jubris : K.N. een voorname vrouwelijke bediende.

Jabarail : [Ar Jibriil], eign. Gabriël.

jibar-jibur : K.N. zich vermaken met in het water te plassen.

jubriya : ook cubriya, K.N. trotsch, hoogmoedig [Ar. jabriyyah], trotschheid, hoogmoed].

jibêk : of jibêg, K.N. digt op een gedrongen, digt naast elkander, in groote menigte; overkropt zijn, van het gemoed.

jubak : Kw. gelijk, even als.

jabud : K.N. uittrekken, uitrukken, uithalen.

jêbad : K.N. zalf, balsem, welriekende olie. -anjêbadi, zalven, balsemen.

jêbad bèdri : naam van een oorlogswapen in den ouden tijd.

jêbus : K.N. uitkomen; een uitgang hebben; b.v. dalan iki jêbus ing kali, deze weg komt aan de rivier uit.

jêbos : K.N. denzelfden weg houden, hetzelfde spoor volgen; of z.v.a. jêbus.

jabêl : K.N.; anjabêl, iets dat men gegeven heeft terugvragen, hernemen.

jêbul : K.N. uitkomst, doorkomst, einde; doorheên; tot, aan; ergens toe komen [Sd. uitbotten, opkomen: vrg. jêbol]. ora nana jêbule, er is geen eind aan. -anjêbulake, N., -kên, K., ten einde brengen.

jêbol : K.N. openbreken; doorheêngaan [vrg. jêbul].

jibalu : K.N. begraven.

jêblos : K.N. in den grond vastraken; benaauwd, verlegen.

jiblès : K.N. gelijk zijn, gelijken. -anjiblèsi, gelijk maken.

jêblug : K.N. uitbarsten; ook naam van een berg.

jêblog : K.N. slijk, modder, drek. -jêblogan, Kw. een ligt vrouwmensch, een hoer [= sundêl].

jublêg : N. zwijgen, zich stil houden.

jêbag : K.N. een vogellokker [Ml. jebak], een val, strik, knip, om vogels of andere dieren te vangen].

jêbug : K.N. een oude betel- of pinangnoot; oud, versleten, afgeleefd. jaka jêbug, een oude vrijer [vrg. jubag].

jibêg : zie jibêk.

jubag : K.N. een oude vrijer of vrijster [vrg. jêbug].

jababah : K.N. uitgerekt, uitgestrekt; ruim, breed, wijd.

jêbobog : K.N. los door elkander hangend haar.

jabang : K.N. een jonge visch van het soort Lélé. jabang bayi, een pas geboren kind, een klein kind, een zuigeling: benaming van een klein kind tot dat het veertig dagen oud is.

jubung : K.N. polijsten, glad maken; vleijen.

jêbang : z.v.a. jabang.

--- 568 ---

jêbêng : K.N. de spitse punt van een lans met iets omwinden; een lans, die bij het steekspel gebruikt wordt.

jêbèng : K.N. een jonge priester.

jubungan : K.N. patrooN.

jatha : K.N. door elkander verward haar, ruig, harig; ook benaming van een soort van Boetå's [= gimbal, Skr. djatâ, zamengeklonterd en verward haar: het haar zoo als het gevlochten en gedragen wordt door God Siwa en kluizenaars; lang haar, nu eens zamengeklonterd en over het hoofd geslagen, zoodat het als een horen over het voorhoofd uitsteekt, dan eens los en achteloos over nek en schouders vallende]. jathasura, eign. van een Boetå-vorst. -parijatha, zie boven.

jathok : K.N. in gereedheid gebracht.

jèthêk : K.N. slijk, modder.

jothak : K.N. krakeel, twist tusschen kinderen.

jêng : I. verkorting van jênêng, II. Kw. voet, voeten [= suku]. jêng, Kw.; kangjêng, K.N. een voorzetsel voor titels van hooggeplaatste personen; b.v. kangjêng pangeran, kangjêng tuwan residhèn, kangjêng gupêrmèn, Zoo ook kangjêng nyonyah, Mevrouw, namvrouw van den Resident. Ook wel voor andere namen; b.v. Kangjêng Kyai Maesanular, naam van een kris van den Soesoehoenan. -jêngandika of ijêngandika, een voornaamwoord niet wel gebruikt kan worden. Zie de Spraakkunst.

jung : K.N. een uitgestrektheid gronds van vier bahoe [Ml.id.]. jung sacacah, een uitdrukking, waardoor verstaan wordt, dat van elke Djoeng vier reälen betaald moeten worden. sajung, een Djoeng. -panajung, iemand die een Djoeng lands bezit. -panajungan, in het bezit van een Djoeng lands zijn; b.v. abdi dalêm panajungan, -panigang jung, iemand die drie Djoeng land in bezit heeft.

jong : K.N. 1. een zwarte vlek op de huid. 2. benaming van een soort van rijtuig, dat in vroegere tijden bij de Javanen in gebruik geweest is. 3. naam van een groot Chineesch vaartuig [= payung en prau, Ml. naam van een groot Chineesch vaartuig]. jong surat, een soort van gebloemde zijden stof. jong rahab, naam van een medicinale droogerij.

jangan : K.N. gekookte groentens, groentesoep, soep; ook naam van een slang. manis jangan, cassia, kaneel. -janganan, moekruiden, groentens.

jangur : K.N. stil zitten zonder te spreken.

jêngêr : K.N. ontsteld of verstomd zijn van verwondering. -anjêngêr, zich ontsteld of verwonderd toonen door te zwijgen, een stomme verwondering toonen.

jongor : K.N. voorovervallen.

jêngèk : K.N. het hoofd achter over houden en hard schreeuwen. -jêngèngèk, het hoofd achterover houden.

jongok : K.N. het hoofd buigen en over iets heên kijken. -jêngongok, het hoofd voorover houden.

--- 569 ---

jêngku : K.h. [dhêngkul, K.N.] de knie, knieëN. -anjêngku, tot aan de knie.

jôngka : K.N. passer; voorspelling, voornitberekening [Ml. passer; model, voorbeeld; bepaalde prijs, gezette tijd, gewone hoeveelheid; ook denken, vermoeden, gissen, raden]. -anjôngka, passen, afpassen, meten; voorspellen, vooruitzeggen.

jangkah : ook cangkah, K.N. schrede, stap, trede, pas [Ml.id. Vrg. langkah]. -anjangkah, stappen, schrijden, een schrede doen. -jumangkah, daar henen stappen; overheên stappende. jumangkah-jangkah, de stappen regelen, stap voor stap doen; een trotsche gang.

jangkar : K.N. I. onvolwassen, nog niet rijp zijn. II. een touw waarmede een vaartuig vastgebonden wordt; een anker [Ml.id.]. ambucal jangkar, het anker uitwerpen.

jêngkar : K.h. weggaan, vertrekken.

jêngkêr : K.N. een knoest of uitstekende wortel van een boom; iets dat zeer hard is; een groot en sterk mensch.

jungkar : K.N. instorten, omvervallen. jungkarangin, deftig, trotsch.

jungkir : K.N. op het hoofd staan. -anjungkir, op het hoofd gaan staan. jungkar-jungkir, kopje over, een kinderspel.

jangkrik : K.N. krekel, kleine sprinkhaan [Ml.id.].

jingkat : K.N. van schrik opvliegen, hevig ontstellen [Ml. hinken; het been schielijk terugtrekken, opspringen, b.v. van schriK. Vrg. jingklak].

jungkat : I. K.h. [têkên, K.N.] een staf, stok, wandelstoK. II. N. [sêrat, K., pêthat, K.h.] kam. jêjungkat, kammen. -anjungkati, iemand kammen, iemand het haar uitkammen. tukang anjungkati of juru anjungkati, een kammer of kapper, kamster of kapster.

jungkit : K.N. achteruitslaan, achteruitschoppen.

jungkas : T.D. z.v.a. jungkat.

jingkol : naam van een boom, die een ronde, bruine vrucht draagt, een soort van kastanje [vrg. jring].

jungkêl : K.N. met het gezigt op den grond vallen [Vrg. kajungkal]. -anjungkêlake, N., -kên, K., iets naar beneden doen hellen.

jengkol : z.v.a. jingkol.

jêngklok : K.N. struikelen [vrg. jêkluk]. -kajêngklok, raken te struikelen.

jingklak : K.N. van schrik opvliegen [vrg. jingkat].

jêngkelang : K.N. op de eene zijde vallen. -kajêngkelang, het evenwigt verliezen, dreigen om te vallen. Men vindt ook kajungkelang.

jingklong : K.N. een soort van groote muggen.

jangkêp : K. [gênêp, N.] voltallig, volledig [Sd. jangkap, even, gelijk getal. Vrg. sangkêp]. jangkêp samênut, een volle minuut. botên jangkêp, onvolkomen, onvolmaakt. -anjangkêpi, voltallig maken, niets laten ontbreken.

jangkang : naam van een boom en van de vrucht daarvan. [daar...]

--- 570 ---

[...van.] -jangkangan, naar een Djangkang gelijken; een soort van muts.

jangkung : K.N.; anjangkung, in de lucht zweven, zwevende naar iets gluren, zoo als een roofvogel naar zijn prooi; gadeslaan. -anjangkungi, uit de hoogte het oog op iemand vestigen.

jêngkang : K.N.; kajêngkang, dreigen om achterover te vallen, achterover hellen. -anjêngkangake, N., -kên, K., duwen, stooten, terugstooten, tegenhouden.

jêngking : K.N. zich naar den grond bukken.

jungkang : naam van een klein insekt.

jungkung : I. K.N.; anjungkung, volharden, voortgaan; ijverig zijn in het bidden. jungkung murdiya, eign. van een Vorst van Simbar-malåkå. II. zie jukung.

jèngkèng : K.N. de knieën op den grond buigen, knielen.

jongkong : naam van een van rijst klaar gemaakte spijs. -anjongkongake, N., -kên, K., stooten; omstooten, omverstooten, omwerpen; afstooten; schuiven.

jangêt : K.N. een reep of strook leder, lederen riem [Sd.Ml.id.]. -anjangêt, voor de eerste maal beploegen.

jêngat : K.N. van schrik of verwondering het hoofd opligten. -jêngat-jêngit, herhaaldelijk het hoofd opligten.

jungut : 1. Kw. schandelijk, gemeen, slecht [= nistha en ala]; 2. K.N. een geheime slaap- of bidplaats. -pajungutan, een sekreet nabij een badplaats.

jangês : K.N. pikdonker, pikzwart.

jong surat : zie jong.

jangil : z.v.a. jêngil.

jêngil : K.N. een losse tand.

janglar : K.N. scheur, opening.

jangji : of janji, K.N. overeenkomst, verbindtenis, verdrag, contract, voorwaarde, belofte, toezegging; aanbesteding; afspreken [Ml.id.]. adamêl jangji, een overeenkomst treffen, een contract maken. layang jangji, N., serat jangji, K., contract, verbond, testament. jangji tempo, bepaling van den vervaltijd van pacht. dhatêng ing jangji, aan den bepaalden termijn komen, d.i. zijn levenseinde bereiken, overlijden. -anjangjèni, iemand iets toezeggen; verbinden. -anjangjèkake, N., -kên, K. voorwaarden stellen; iets beloven, toezeggen; aanbesteden. -prajangji, onderlinge overeenkomst, belofte. aprangjangji, met elkander overeenkomen, bedingen, beloven, verloven, aanbesteden. -jangjean of prajangjean, wederzijdsche overeenkomst, afspraak, verbindtenis, verbond, verdrag, contract, beding, aanbesteding. aprajangjean, met een ander of met elkander afspreken. -mrajangjèkake, N., -kên, K., z.v.a. anjangjèkake, N., -kên, K.

jingjing : zie jinjing.

jungjung : of junjung, K.N.; anjungjung of anjanjung, tillen, heffen; optillen, opligten, opheffer; verheffen, in rang verheffen, tot een rang of post verheffen [Sd.Ml.id.]. -anjungjungi of anjunjungi, meervoud.

jongjong : K.N. een spitse mond, snuit.

--- 571 ---

jungjung seta : eign. van een hoofd.

jênggu : K.N. het geluid van de Gamellan. pating jalênggu, het geluid van de Gamellan dat zich heinde en ver laat hooren.

jingga : K.N. roodachtig, ros, hoogrood [Ml. oranjekleur, zooals van de schil van Chinaasappels, hoog oranje]. mas jingga, hoog rood goud.

jôngga : 1. K.h. [= gulu, K.N.] hals; 2. K.N. dom, onwetend [= tênggak en bodho]. -prajôngga, eign. van een persooN.

jênggan : K.N. zonder bezigheden zijn, niets te doen hebben.

jênggini : eign. van een Boetå van het vrouwelijk geslacht.

jênggur : K.N. het geluid van een Gong. pating jalênggur, het geluid van een Gong dat naar alle kanten gehoord wordt.

jènggèr : ook cènggèr, K.N. hanekam [Ml. jengger] .

jênggiri : naam van een verdicht of fabelachtig dier, zoo als men zegt, een soort van tijger.

janggirat : K.N. wild om zich heen zien.

janggrung : K.N. een danseres die bij nacht op straat danst; den nacht op een tandakspartij doorbrengen. -janggrungan, een danspartij bij nacht op straat.

jinggring : K.N. een soort van lang gras.

jênggurêng : K.N. gemelijk, knorrig; ernstig; ernst.

jonggring sêlaka : naam van het paleis van Batårå-Goeroe in de Soerå-låjå [= kadhatone Bathara Guru].

janggut : K.N. [of N., kêthêkan, K.h. of K.] de kin [Ml. de kin, en de baard aan de kin; Sd. janggot, de baard. Vrg. jenggot].

jênggit : K.N. in het haar vatten, aan de haren trekken.

jenggot : K.N. baard, kinbaard, de baard aan de kin [vrg. janggut].

janggêl : K.N. de steel, waaraan de korrels van de Mais vastzitten; het vleezige gedeelte van den staart der paarden, waaraan de haren groeijen. -kajanggêlan, tot aan de Djanggel afgegesneden, van den staart van een paard.

jènggèl : K.N. zich oprigten en weêr neêrleggen.

jonggol : K.N. op een plaats zitten blijven.

jênggala : Kw. woest, wild [Skr. djânggala]; ook naam van een vroeger rijk op Java, het tegenwoordige Soerabaja.

jênggèlèk : K.N.; anjênggèlèk, zich oprigten, van iemand die ligt; zich uit den slaap oprigten en de oogen openen.

janggaleka : naam van een bloem.

jangglêng : K.N. een soort van paardevlieg.

janggilang-janggilêng : K.N. om zich hêen zien.

jênggung : K.N. iemand uit scherts een klap aan het hoofd geven.

jong biraji : naam van een rijK.

jêngandika : zie jêng, II.

jêngèngèk : zie jêngèk.

jêngongok : zie jongok.