Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

--- 581 ---

ma : I. Kw. met, en, benevens, gezamentlijk [= kalawan]. II. zie maha, II.

mi : of mih, Kw. de maan [= wulan].

mu : N. [sampeyan, K.] aanhechtsel aan naam- woorden, om het bezittelijk voornaamwoorden, om het bezittelijk voornaamwoord van den tweeden persoon uit te drukken: van u, uw [= kowe]. In sommige gevallen wordt amu, gebruikt; b.v. ramakamu, uw vader. kakangamu, uw oudere broeder. pagaweanamu, uw bedrijf.

mah : zie maha, II.

mih : zie mi.

mèh : of êmèh, K.N. bijna, bijkans, omtrent, schier, weldra [= gage]. êmèh mangke, binnen kort, weldra.

moh : of êmoh, I. N. onwillig, ongenegen; niet willen, niet verkiezen. II. zie bij momohan.

maha : I. K.N. opzettelijk, met opzet of voordacht iets doen; zich roekeloos in gevaar begeven, een gevaar trotseren; vermetel [= anjarag]. dimaha, N., dipun maha, K., l.v. II. Kw. K.N. groot, hoog, verheven, aanzienlijk; doch alleen in zamenstellingen vóór andere woorden, om het hoogste en voortreffelijkste uit te drukken [= luwih, Sd.Ml.id.; Skr. mahâ]; b.v. mahakawasa of mahawisesa, grootmagtig; de Grootmagtige, de Almagtige. mahadhuwur, N., maha inggil, K., mahaluhur, K.N.; allerhoogst; de Allerhoogste. mahaluwih, hoog verheven. mahasukci, grootheilig; de Allerheiligste. mahawikan, alwetend. mahamulya, grootheerlijk, overheerlijk; de Allerverhevenste, God. mahaadi, allervoortreffelijkst. mahayêkti, de allerwezenlijkste, de waarachtige, benaming der Godheid [Het wordt verklaard door pandhita kang têrus paningale]. Bij verkorting ook mah of ma [mah = agêng], inzonderheid, wanneer het woord met een ha begint, b.v. mahambara of mahambara, boven allen uitmunten. mahaagung of mahagung, de Allerhoogste. maharaja, ook maraja, oppervorst, opperkoning. Zie meer andere zamenstellingen beneden.

mau : zie wau.

mahindra : zie mahendra.

mahêribi : z.v.a. mahrib.

Muhammad : zie Mukhammad.

muhun : zie muwun.

maoni : zie waon.

maonah : K.N. een buitengewone magt hebben.

mahendra : ook mahindra, Kw. een hooge berg [mahindra = gunung gêdhe, Skr. mahêndra, naam van een der zeven voornaamste bergketens van Indiën; ook van Indra, den Hemelkoning: zamengesteld uit maha en endra].

mohanasara : naam van een wapentuig [zamengesteld uit sara en Skr. môhana, betooverend, ontzettend].

--- 582 ---

mair : Kw. zeeroover.

maera : Kw. dag [= ngina].

muara : zie puwara.

maerah : eign. der vrouw van Bismåkå.

maharêni : Kw. vorstin [= ratu wadon].

mahardika : Kw. een geleerde, priester [= pandhita, waarschijnlijk voor mardika of mradika, zie pardika].

maharsi : Kw. een hoogepriester, voornaam geleerde [= pandhita en pandhita luwih, Skr. maharsi, een Resi van een bijzondere orde: zamengesteld uit maha en rêsi].

mahrib : [Ar. maghrib], K.N. 1. de landen westelijk van Arabiën, Afrika, Mauritaniën, Barbarijën; 2. het gebed bij zonnenondergang [Het Arabische woord beteekent eigenlijk zonnenondergang. Men zegt en schrijft [magrib] en [maghrab] ; en deze laatste vorm is in het Soendasch en Maleisch in gebruik].

maudara : benaming van een soort van soldaten van den Soesoehoenan.

mahadewa : eign. van een Godheid; bijnaam van Batårå Goeroe [Bathara Guru, Skr. mahâdêwa, een naam van Siwa: zamengesteld uit maha en dewa].

mahadèwi : eign. van een godin [Skr. mahâdêwî, naam van Doerga, de gemalin van Siwa].

mahat : K.N. specerijen mengen, distileren. -mahatan, gedistileerd.

maot : [Ar. maut], de dood.

mahatali : benaming van een span paarden.

maitala : Kw. aarde, grond, bodem [Skr. mahîtala, de oppervlakte der aarde].

maetala : z.v.a. maitala.

maos : zie waca, waja en maja, -maosi en maosakên, zie pajêg.

maesa : K. [kêbo, N.] buffel [Skr. mahisa]. maesa bayangan, naam van een Kawische zangwijze. maesa langit, naam van een der zangwijzen, die Tengahan genoemd worden. maesadhanu of maesadanu, zie dhanu en danu.

mail : Ar. [?] een geschreven talisman.

moal : zie mokhal.

mail : Kw. afgemat van honger [= luwe en lêsu]..

mahluk : zie makhluk.

Maulud : zie Mulud.

mualiph : [Ar. muallif], zamensteller van een boek; iemand die bedreven is in het verhalen.

mahapurusa : Kw. = prawira [Skr. mahâpoeroesa, een groot man, zamengesteld uit maha en purusa].

mahphul : [Ar. mahfudh], bewaard, in het geheugen bewaard.

mahapunggung : en bij verkorting mapunggung, eign. van een vorst van Mendang-Kamoelan.

maejan : ook mejan, K.N. grafsteen, graftombe; de twee uiterste punten van een graftombe.

mahayya : z.v.a. mayu.

mahamuni : K.N. God [Skr. mahâmoeni, een naam van Boeda; zamengesteld uit mahâ (maha) en moeni, een heilige. Vrg. munindra].

mahambara : zie maha.

mahabara : z.v.a. mahambara.

--- 583 ---

mahang : Kw. meer, overtreffend [= luwih, Vrg. maha].

mahêng : Kw. naar iets zien, aanstaren.

muhang : Kw. 1. droog; 2. sterk, krachting; sterkte [= akas en rosa].

muhung : 1. z.v.a. mung, -2. zie puhung.

man : verkorting van paman.

mun : Kw. verdwijnen, vergaan.

mana : en mono, N. I. die, dat; die daar, dat daar; zulk, zulk een; en z.v.a. samana en samono of sêmana en sêmono, zie sêmana, boven [Vrg. mene]. II. mana, tusschenw. dat! och! manata, dat toch!

manuhara : zie manohara.

mani : 1. Kw. edelgesteente; het edelste van iets [Skr. mani, manih, edelgesteente, juweel, peerl: vrg. manik]. -2. [Ar. manii], het mannelijk zaad [Ml.id.; Sd. mêni]. -3. K.N. grondstof.

mêne : verkorting van mênèk.

mina : I. Kw. het wit in een wolk [= putihing mega]. lintang mina, K.N. de avondster. II. Kw. visch, zeevisch [= iwak banyu en iwak laut, Skr. mîna, visch; ook het hemelsteeken de visschen]. III. Kw. goederen die niet in gebruik zijn. tiyang mina, een vrijgesteld persoon, b.v. van het dragen van wapens.

muna : 1. zie puna, 2. muna, of mona, Kw. geluid geven, spreken [= wicantên, vrg. muni, bij uni]. munasika, zie beneden.

mene : N. z.v.a. samene of sêmene, zie sêmana en vrg. mana, I. -dimène, laat het maar! dimène minêb bae, laat het maar digt! [vrg. dimon en dimèn].

mona : zie muna.

mono : I. zie mana, I. II. N., montên, K., zich voordoen, iets voorgeven, veinzen.

muni : zie uni, II. -mahamuni, zie boven; munindra en muniwara, zie beneden.

manah : I. zie panah, II. K. [ati, N., galih, K.h.] hart, gemoed; lever [Skr. manas, manah, hart, gemoed, verstand]. amanah, K. [mikir, N., anggalih, K.N.] behartigen, bedenken, overleggen. kamanah, behartigd, bedacht, voorbedachtelijk. -manahan of mêmanahan, aard, geaardheid (van personen). tunggil mêmanahanipun, gelijkaardigheid. -pamanah, nadenken, gepeins, overleg, gedachte, gevoelen, besef, meening.

manèh : N. [ook maning, N., malih, K.] nog, nogmaals, wederom, weder, alweder.

manohara : of manuhara, Kw. K.N. aangenaam in het spreken, lieftallig, minzaam, beleefd, geestig; ook eign. van een der vrouwen van Ardjoenå [= manis arum, Skr. manôhara, aangenaam, bevallig, aanminnig].

munendra : z.v.a. munindra.

munindra : Kw. een priester van hoogen rang [= pandhita agêng, Skr. moenîndra, een heilige van hoogen rang, een Boeda of Boedaleeraar: zamengesteld uit moeni, een heilige, en indra (endra). Vrg. mahamuni].

--- 584 ---

mênêr : Kw. N. regtuitgaan, regtdoorgaan [Het grondwoord is ênêr, Kw. N., lêrês, K., regte rigting of koers. Vrg. bênêr]. -ngênêr, op iets in een regte rigting aanhouden of aanloopen. -ngênêrake, in een regte rigting naar iets toe doen loopen.

mênir : K.N. I. een gebroken rijstkorrel. samênir, een weinig. II. benaming van een soort van Sajor (toespijs bij de rijst). -mêniran, naam van een kruid, dat tot medicijn gebruikt wordt.

manira : N. voornaamwoord van den eersten persoon: ik, mij, mijN. Zie de Spraakkunst.

mênara : K.N. een baak in zee [Ar. manaarah], een luchter, een lichtbaak of vuurtoren, een toren van een moskee: Ml.id.].

manak : zie anak.

manik : Kw. edelgesteente; het middenpunt van iets; het zwart in het oog [= sêsotya en intên, Skr. manih: zie mani]. Manik Maya, eign. der twee eerste geschapene wezens; naam van een boek, dat de Javaansche Cosmogonie en Theogonie behelst [= Bathara Guru lan Sêmar]. Manik Astagina, naam van een Tjoepoe, in de Manik-Måjå.

mênèk : ook nèk, N. [bilih, K., ook mênawa, N., mênawi, K., yèn, K.N.] misschien, welligt; ingeval, indien, bijaldien, mits; dat.

menak : eign. van een persoon; en naam van een boek [Ar. manahah], collectief meervoud [minah], geschenk: een woord, waarmeê vele titels van boeken beginnen]. Menak Dadu en Menak Jingga, eign. van een Vorst van Blambangan. Menak Panatas, eign. van een Patih van Gending. Menak Sopal, eign. van een Patih van Trenggalek. Menak Wulung Wiladaka, eign. van een Patih van Gembong. Menak Pangsêng, Menak Calunthang, Menak Caluring, Menak Santênan, eigennamen van Javaansche hoofden, voorkomende in het werk Damar-Sasi.

maneka : Kw. verschillende kleuren, veelkleurig, bont; allerlei [van neka].

menaka : eign. van een Widådari [Skr. Mênakâ, een hemelbewoonster, de vrouw van Himâlaja]. Menakawati, eign. van een dochter van Ardjoenå.

Manikara : eign. van een Bagawan, die zijn verblijf in de zesde verdieping der aarde heeft [Skr. manikâra, een juwelier, werker in juweelen].

menakake : zie enak.

manikêm : Kw. edelgesteente; glans, luister [= sêsotya, Ml. robijn; Skr. mânikja, mânikjang, robijn].

munêk-munêk : zie ênêk.

manêkung : Kw. in een biddende houding, aandachtig voor zich nederzien [= muja sêmèdi en nênêdha ing Pangeran, van nêkung, grondvorm têkung, Vrg. kung, III.].

mênatu : [Ml. mainatu], wasscher, waschvrouw [vrg. mêlantên].

manis : K.N. zoet, liefelijk, lief, vriendelijk [Ml.id.]. kayu manis, kaneelboom. manis jangan, kaneel. rupa manis, eenzwarte kleur. -mêmanisi, zoete woorden geven, paaijen, tevreden stellen. -mêmanisan, zoetigheden, confituren; ook deringvinger [Ml. jari manis].

--- 585 ---

munasika : Kw. K.N. verhinderen, tegenwerken, tegenspreken; ook leed aandoen, nadeel doen [Het wordt verklaard door amrêdulèni, en is zamengesteld uit muna, en sika, II.]. kamunasika, l.v.

mênis-mênis : K.N. iets dat geheel rond is.

manawa : of mênawa, N., manawi of mênawi, K. [ook mênèk, N., bilih, K., yèn, K.N.] misschien, welligt, mogelijk, indien, bijaldien, ingeval; dat. bok manawa, misschien dat, bij- aldien.

mênawa : zie manawa.

manawi : zie manawa.

mênawi : zie manawa.

muniwara : Kw. een geluid maken; een priester [= pandhita].

manila : K.N. een edelgesteente, saphir.

munaphèk : [Ar. munaafiq], huichelachtig, huichelaar in de godsdienst, die voorgeeft te gelooven, terwijl hij in zijn hart niet gelooft; ongodsdienstig; ketter.

munajat : verzoeken, bidden; verzoek; bede; geheime wetenschappen bezitten [Ar. munaajat], het in 't geheim met iemand spreken, geheime verstandhouding hebben; gebeden].

maniyun : Kw. uit de hoogte naar beneden zweven of schieten, uit de lucht neêrschieten [waarschijnlijk is dit een schrijffout voor maniyup, dat verklaard wordt door tumurun saking madyantara, hetzelfde als niyup, zie tiyup.

mênêb : K.N. bezinken, van water, om helder te worden [Het grondwoord is ênêb, het bezinken]. -jênêb, zie boven. -ngênêbi, ergens in laten bezinken. -ngênêbake, N., -kên, K., iets laten bezinken.

minêb : zie inêb.

maning : z.v.a. manèh, lan maninge, en we derom, ook nog.

mênang : K.N. winnen, gewinnen, overwinnen [Ml.id.]. mênang prang, een gevecht winnen, den strijd winnen, zegevieren. -mênangi, N., mêningi, K., iets nog beleven; iemand nog in leven vinden. -mênangake, N., -kên, K., iemand laten winnen. -mênangan, overwinning; overwinnaar. -kamênangan, overwinning. -pamênang, overwinning; overwinnaar; ook naam van de woonplaats van Wrekodårå.

mênêng : zie nêng.

manêngkêri : Kw. doorklieven, doorsnijden, doorkappen; de lucht doorklieven, door de lucht vliegen [van têngkêr].

manêngsah : zie mungsuh.

manci : zie panci, -mancèni, zie wanci.

minangsraya : eign. van een persooN.

mêningi : zie mênang.

muncu : K.N. I. den kris in den gordel naar voren schuiven om er zich gemakkelijk van te kunnen bedienen. II. een gezwel. muncu-muncu, mondvol.

menco : naam van een vogel, een soort van ekster, de Béjå.

mônca : I. zie pônca. II. K.N. verschillend, onderscheiden, anders, afgelegen, vreemd. wong mônca, iemand van een andere plaats of ander land, een vreemdeling. môncawarna, N., môncawarni, K., verschillend [verschil...]

--- 586 ---

[...lend] van kleuren, bont; weérschijnend [Ml. pancawarna], Skr. pantjawarna; waaruit blijkt, dat ook dit mônca, in de beteekenis van verschillend, onderscheiden, van pônca, vijf, is afgeleid]. môncanagara, de van de hoofdplaats afgelegene landen, de provincies; bepaaldelijk de oostelijke en westelijke grensdistrikten van de vorstendommen van Soerakarta en Djokjokarta, die thans, na den oorlog met Dipå-nagårå, onder het onmiddelijk beheer van het Nederlandsch Gouvernement staan. môncanagara bang wetan, heeten deze oostelijke, en môncanagara bang kulon, de westelijke grensdistrikten. môncapat, K.N., ook wel môncasakawan, in Kråmå, heeten de vier eerste, ten Oosten, Westen, Zuiden, en Noorden van het een of ander dorp naast afgelegene dorpen; en desgelijks môncalima, N., môncagangsal, K., het tweede, môncanêm, het derde, môncawolu, het vierde, en môncasadasa, het vijfde telkens volgende viertal. nagara ing ngamônca, vreemde, verre rijken. mônca ing ngamônca, het een of ander vreemd land.

mancah : zie wancah.

mônca udrasa : zie pôncadrasa.

mancana : Kw. kwellen, plagen.

mancur : in poëzie ook umancur, K.N. met een straal uitstroomen of neêrstorten, stralen, schitteren [umancur = banyu kang mêtu ing bolongan, Het grondwoord is ancur, straal van vallend water. Vrg. cur, en thur]. mancur maring tawang, naar boven, in de hoogte stroomen. -pancuran, een kleine waterval, val van water van een kleine hoogte met een straal [Ml.id.]. -palancur, uitstroomen, afstroomen; stralen werpen.

muncar : K.N. in de hoogte schieten of spuiten, van water; opflikkeren, van een lamp; luisterrijk [Het grondwoord is uncar, opschieting; opflikkring; luister]. pating paluncar, naar alle kanten een glans verspreiden.

muncrat : K.N. uitspatten, uitspringen, zoo als van bloed [Het grondwoord is uncrat, uitspatting].

mèncrèt : K.N. weeken afgang, diarrhé hebben [eig. spuitende zijn. Het grondwoord is crèt of êcrèt, een klanknabootsend woord van het geluid van het spuiten van water of waterachtige stof door een naauwe opening Vrg. ngêcrèt, en vrg. bij moncrot].

moncrot : z.v.a. mèncrèt, [Het grondwoord is crot of êcrot, z.v.a. crèt of êcrèt, (zie bij mèncrèt), maar in grooter hoeveelheid. Vrg. ngêcroti].

môncarawat : Kw. weenen [vrg. rawat en môncadrasa, bij pôncadrasa].

mancêrêng : K.N. het fonkelen der oogen van iemand die toornig is.

mêncêrêng : z.v.a. mancêrêng.

mêncorong : K.N. helder, doorschijnend; flikkeren [zie ook bij corong, I.].

mancak : K.N. sprinkhanen vangen.

mêncak : K.N. kwaad, toornig.

mencok : K.N. ergens op zitten of zitten gaan, van alles wat vliegt, b.v. van een vogel op de tak van een boom; er in zitten, raken, treffen, van een pijl [De grondvorm is encok]. -encokan, [-...]

--- 587 ---

[...encokan,] telkens zittend, van een vogel of pijl. -pencokan, de plaats waar, waarop of waarin iets zit.

mencos : K.N. den mond vertrekken, een scheven mond maken. mencos-mencos, gedurig den mond vertrekken.

mêncul : K.N. hovaardig, hoogmoedig.

muncul : K.N. onverwachts ergens verschijnen.

mancala : Kw. het lichaam in allerlei gedaanten brengen; springen [= lumumpat, van cala, I.].

mêncêlèk : K.N. zich in zijn geheel vertoonen.

mêncolot : zie colot.

mincla-mincle : K.N. luim; luimig, wispelturig.

mèncêp : K.N. den mond vertrekken, een uitdrukking van minachting [vrg. mènjêp].

mancung : K.N. de buitenste schil of het buitenste omkleedsel van een kokosbloem.

mèncèng : zie encang.

mencong : zie èncèng, en pencong.

mêncèngèh : K.N. zich laten zien, zich vertoonen.

mancungul : K.N. te voorschijn komen, vooral uit het water of uit den grond [vrg. mancongol].

mancongol : K.N. opborrelen, van water [vrg. mancungul].

mênur : naam eener bloem, een soort van Melati.

manuk : I. N. [pêksi, K.] vogel [Sd.id.]. manuk dara, een duif. asaur manuk, zie saur, II. -manuki, of mêmanuki, K.N. als een vogel beloeren, op een zekeren afstand iets gadeslaan. II. Kw. geest.

munkir : zie mungkir.

manda : Kw. rampzalig, ongelukkig [= apês, Skr. manda. Zie bij mônda].

mandi : N., mandos, K., I. giftig, venijnig; scherp, vinnig; krachtig. -kamandèn, N., kamandosan, K., giftigheid, venijnigheid; kwaadsprekendheid. kamandèn, K.N. buikpijN. II. een weinig, iets; gelijkend, -achtig [vrg. mônda].

menda : K. [wêdhus, N.] geit, schaap. menda jalêr, een bok, ram.

mônda : Kw. fijn, zacht; een weinig [Skr. manda, traag, loom; krank; ongelukkig; gering, weinig. Vrg. manda en mandi]. mônda-mônda, gelijkend.

mandah : 1. zie pandah, 2. tusschenwerpsel: och! dat!

mindah : z.v.a. mendah, zie pendah.

mandra : Kw. een wervelwind [= angin lesus, Skr. mandra, een laag, dof geluid, zooals het gerommel van wolken].

mundri : K.N. de knop op een Kópjah [vrg. nyamat].

mendra : Kw. omheengaan, in een kring gaan [= midêr].

môndra : Kw. I. velen, verscheidene; ver, verwijderd; zeer, uitermate [vrg. ôndra]. môndraguna, zeer bedreven; vele kundigheden bezitten; onverwinnelijk. II. spoor, overblijfsel; plaats [vrg. môntra].

mundur : zie umdur, ook van de linker naar de regterhand [regter...]

--- 588 ---

[...hand] schrijven. -munduran, achteruitgaan; antwoorden.

mandira : Kw. elke groote boom, voornamelijk de Waringin [= kayu wringin].

mandura : z.v.a. madura.

mandera : z.v.a. mandira.

mundara : Kw. de Toendjoengbloem [= sêkar tunjung].

mandraka : z.v.a. môndaraka.

môndaraka : Kw. K.N. beul, scherpregter; ook naam van den rijkszetel van vorst Saljå in de Bråtå-joedå, volgens de Javanen, de vroegere naam van het tegenwoordige Soemanap.

mandrawa : Kw. verte, afstand; ver, verwijderd [= kadohan].

mondring : of mondrèng, K.N. een jong meisje [mondrèng, wordt verklaard door wêlanjar].

mondrèng : zie mondring.

mundiring : K.N. pijn in den nek gevoelen.

mindaka : Kw. misleiding, bedrog; liegen, leugen. -mindakani, iemand misleiden, beliegen, bedriegen.

mandèkakên : zie wurung.

mêndat : K.N. buigen, inbuigen, door de zwaarte van een last of drukking, zoolang de drukking duurt [Het grondwoord is êndat, buiging]. -mêndatake, K., -kên, K., doen buigen.

mandos : zie mandi.

mindêl : zie indêl.

mêndap-mêndip : K.N. heimelijk de dienst verlaten; zieltogen, op het sterven liggen.

manudya : z.v.a. nudya = nuju, zie tuju.

mandum : zie dum.

mêndêm : K.N. [wuru, K.h.] dronken, bedwelmd; zeeziek; een roes [Ml. bedwelming, bedwelming der zinnen. Het grondwoord is êndêm, dronk, dronkenschap; bedwelming]. mêndêm-mêndêm, zich als een dronkaard houden. -ngêndêmi of mêndêmi, bedwelming veroorzaken, dronken maken. -mêndêman, dronkaard. -êndêm-êndamanêndêm-êndêman. of dêm-êndêman, zich met een ander of met elkander vermaken door zich dronken te drinken.

mêndêng : K.N. zonder omwegen, regt door gaan, regt voor de vuist.

mindêng : K.N. voortdurend, aanhoudend, bestendig [Sd. dikwijls. sami mindêng, altoos, altijd]. -mindêngake, N., -kên, K., doen voortduren, een voortgang nemen. -mindêngan, duurzaamheid, bestendigheid. samindêngane, N., samindênganipun, K., op den duur, aanhoudend, altoos.

mantu : I. Kw. bijvoegen, herhalen; vermeerderen, vermenigvuldigen [van wantu, II]. II. K.N. schoonzoon of schoondochter [Sd.Ml. minantu]. mantu of mêmantu, een schoonzoon of schoondochter maken, een zoon of dochter uithuwelijken. -mêmanton, iemand die een zoon of dochter aan een ander uithuwelijkt.

manut : zie anut.

mênut : Holl. minuut. jangkêp samênut, een volle minuut.

mêntah : K.N. raauw, onrijp, ongaar, ongekookt. -mêntahan, iets dat nog raauw is; iets dat nog in zijn geheel is; onvermengd; alles, niets uitgezonderd [vrg. wêtah]. -mêmêntahi, zie beneden.

--- 589 ---

mantianta : Kw. uitermate, zeer.

mantên : verkorting van jumantên [= intên].

mantun : zie mari.

montên : zie mono, II.

mintuna : I. benaming van een soort van zeeschildpad. II. Kw. ik, mij; mijn; wij, ons.

mantri : Kw. een plaatsvervanger van den Vorst; een persoon, die de bevelen van den Vorst ten uitvoer brengt; K.N. thans een titel van een ondergeschikt ambtenaar van den rang van panatus, onder een panèwu [= wakiling ratu, Skr. mantri, een raadsman, een raadsman of minister van een vorst. Zoo ook in het Maleisch]. mantri jêro, N., mantri lêbêt, K., een binnen-mantri, een Mantri binnen de hoofdplaats of binnen de KratoN. mantri jaba, N., mantri jawi, K., buiten-mantri. mantri karaton, titel van zekere beambten binnen het paleis. Ook worden de Mantri's naar hun rang in mantri sêpuh, en mantri anèm, onderscheiden. mantri kamisêpuh, de Mantri, die alle bevelen onmiddellijk van zijn heer ontvangt, om die aan de andere mantri's mede te deelen. mantri sapuluh, N., mantri sadasa, K., benaming van 15 (vroeger 10) medeleden van de Balé-mangoe die de regtszaken der personen onder het gebied van hun Wadånå behoorende bij deze regtbank, of, indien het een aanklagt tegen een onmiddelijken onderdaan van het Nederlandsch Gouvernement is, bij den Resident, moeten indienen, en verschillende commissies betrekkelijk deze regtszaken moeten uitvoeren. Zij worden gekozen uit de Panéwoe's van hun Wadånå. De instructies voor de behandeling der aan deze officieren van justitie opgedragene regtszaken zijn vervat in de Angger-sadåså. -kamantrèn, de betrekking of de woonplaats van een Mantri.

môntra : K.N. I. spoor, teeken, blijk, gelijkenis, [vrg. môndra, II.]. botên môntra, er is geen spoor van, dat, enz. II. een toovergebed, tooverformulier [= puji, Skr. mantra, een formuliergebed, tooverformulier; Ml.id.]. japa môntra, een toovergebed doen, betooveren. -mantrani, over iets een tooverformulier uitspreken, door een tooverformulier bezweren. -ngabimôntra, zie beneden. III. een vrouw die driftig, kwaad is. montro-montro, groote kwaadheid van een vrouw.

mintar : of mentar, Kw. weggaan, vertrekken, op reis gaan [mentar = lunga]. umintar, hetzelfde.

mintir : K.N. voortstroomen, onafgebroken of aanhoudend voortgaan; voortloopen, loopende zijn, van pachtpenningen, in verrekening met vooruitbetaalde pacht [Het grondwoord is intir, Kw. voortstrooming, z.v.a. kèli, en K.N. onafgebroken voortgang of toevloeijing]. mintir-mintir, een vuur dat aanhoudend blijft smeulen [vrg. ngintir-intir, beneden]. -kènti, zie boven. -ngintiri, en ngintirake, N., -kên, K., onafgebroken doen toestroomen of voortloopen. -intiran, een gedeelte van de pacht in afrekening van het vooruitbetaalde.

--- 590 ---

muntir : 1. z.v.a. nguntir, K.N. omdraaijen, wringen, twijnen, verdraaijen [Het grondwoord is untir, het omgedraaid, omgewrongen of gedraaid zijn]. kapuntir, z.v.a. kauntir, l.v. 2. zich in elkander winden of slingeren; slingersgewijze. -pulintir, in elkander gewrongen. pulintar-pulintir en pulintiran, zich in allerhande bogten wringen, allerhande krampachtige bewegingen met het lichaam maken. -maluntir, zamenvlechten.

mentar : zie mintar.

mèntèr : z.v.a. mintir.

mantaram : zie mataram.

mêntêr-mêntêr : K.N. trillend, van de boezem van een vrouw.

mintaraga : bijnaam van Ardjoenå, als boetedoener op den berg Endrå-Kilå; titel van een gedicht, dat de boetedoeningen van Ardjoenå beschrijft [= Arjuna Tapa].

mantuk : zie antuk, II.

mentak : Ml. mintak], beter [minta], z.v.a. minta, Kw. verzoeken, bidden: zie pinta, II.

mintokake : of -kên, zie pinton.

mêntas : zie êntas, ook in het huwelijk treden [De grondvorm is tas].

mantawis : zie mataram.

mêntul : K.N. veêrkrachtig zijn, meêgeven [Het grondwoord is êntul en beteekent: veêrkracht; een bamboezen veêr in een vogelknip; de vogelknip zelf; een medehelper om iets te erlangen].

mêntala : Kw. ongenaakbaar, onkwetsbaar, onoverwinbaar.

mantêp : zie antêp.

muntup : K.N. voor een gedeelte ergens uitsteken of te voorschijn komen [Het grondwoord is untup, het uitsteken]. -nguntupake, N., -kên, K., doen uitsteken.

mêntiyung : zie tiyung.

mantega : of mêntega, Sd.Ml. Port. manteiga, boter. -mêrtega, K.N. hetzelfde.

muntab : zie untab [= mêtu abêbarêngan].

manting : K.N. uitslaan, uitkloppen.

montong : K.N. het uitbotten van de knop der pisangbloem.

manusa : en gew. manungsa, K.N., manuswa, en manungswa, Kw., mensch; het menschdom [manungsa = uwong, Skr. manoesya en mânoesa; Sd. manusa, [Ml. manusia]. manuswapada, zie pada, -kamanungsan, vermenschelijkt, tot het menschelijk wezen behoorend [Het wordt verklaard door kauwong, konangan uwong, en katrêswan].

manasika : Kw. niet kwaad, niet toornig zijn; zich matigen [= tan bêndu].

manuswa : zie manusa.

mênul-mênul : K.N. omroeren, door elkander schudden.

manphangat : of munphangat, [Ar. manfa'at], nut, vrucht, voordeel. -manphangati of munphangati, nutten.

munphangat : zie manphangat.

mandhi : I. zie pandhi, II. Kw. verheugd maken, tot vreugde stemmen, verblijden.

--- 591 ---

mandho : K.N. de handen open houden.

mêndha : K.N. verminderen, afnemen, bedaren, bedaarder worden, ophouden, zich stil houden [Het grondwoord is êndha, vermindering, bedaring, verzachting, ophouding; ook uitstel, verzuim]. -mêndhani, gew. ngêndhani, iets verminderen, matigen, minder doen. ngêndhani, ook iemand uitstel geven.

mêndhe : Kw. uitstellen, staken.

mundhu : naam van een vrucht.

mondhan : Kw. troosten, opbeuren, bemoedigen.

mandhor : Port. mandador, een opziener, meesterknecht [Ml.id.].

mandhiri : Kw. staan, regeren.

mandhok : zie dhok.

mêndhak : zie êndhak en pêndhak.

mindhak : zie undhak.

mundhak : zie undhak en pundhak.

mêndhikil : K.N. kleine oneffenheid van den grond [vrg. mêndhukul].

mêndhukul : of mêndhokol, K.N. oneffen, hobbelig, knobbelig, knoestig, opgezwollen.

mêndhokol : zie mêndhukul.

mindhik-mindhik : K.N. zich onopgemerkt zonder gedruisch naar een plaats begeven [De grondvorm is indhik]. -ngindhik-indhiki, ongemerkt om iemand hêengaan, om hem van achteren te pakken.

mundhuk-mundhuk : K.N. al bukkende langzaam gaan of naderen [Het grondwoord is undhuk-undhuk, het al bukkende en langzaam gaan: grondv. undhuk, vrg. êndhak]. -ngundhuk-undhuki, al bukkende langzaam tot iemand naderen.

môndhasiya : naam van een Woekoe.

mandhala : Kw. = jagat en kabèh, [Skr. mandala, omtrek, cirkel, enz.]. mandhalagiri, naam van een soort van buikgordel of sjerp (udhêt) van gele zijde met een aan beide einden aangezet stuk Tjindé, die als dienstkleeding door Prinsessen, en door een bruid, gedragen wordt.

mêndhêlis : K.N. zigtbaar worden.

mandhêlong : K.N. den grond hobbelig maken; een deuk in iets maken.

mandhapan : K.N. een bijzondere, statige, wiegende gang van de zendelingen van een vorst of van een paard. Zoo ook mêmêndhapan.

mandhêg : zie andhêg.

mandhaga : Kw. de welvaart van een land.

mandhung : K.N. overkompleet, overtollig; ook benaming van een soort van ongewapende soldaten van den Soesoehoenan [Het grondwoord is andhung, het in onbruik zijn, doch bijkans niet in gebruik]. -ngandhung, ongebruikt liggen. -ngandhungi, iemand van voorraad voorzien. -ngandhungake, N., -kên, K., iets opbergen, in voorraad houden. -andhungan, zie boven. -mandhungan of kamandhungan, naam van de tweede poort van de Sitihinggil naar het paleis, waar de Mandoengs de wacht houden [kamandhungan, wordt verklaard door sajabane lawanging ratu kang kiwa].

mêndhang : I. K.N. een zonnestofje. wong mêndhang kasilir, iemand die als een zonnestofje (door den wind) wordt voortgedreven, een persoon die nergens een thuiskomen heeft. II. naam van een land. mêndhang agung, mêndhang

--- 592 ---

kumuwung, mêndhang tamtu, Mêndhangkamulan, mêndhang andong, mêndhang gowong, benamingen van oude rijken op Java.

mêndhung : K.N. een regenwolk, met regen wolken betrokken (van de lucht), regenachtig. -kumêndhung, naar een regenwolk gelijken [zie ook boven].

mendhong : naam van een soort van lang gras.

mandhingi : K.N. gelijk stellen, gelijk maken.

manuju : z.v.a. nuju.

munjuk : 1. K.N. opklimmen, naar boven gaan; oprispen. 2. K.h.; zie unjuk, I.

mênjutu : Kw. hobbelig, oneffen [Het wordt verklaard door monjol].

mênjila : K.N. afzondering, afgezonderd, zich afzonderen.

mènjêp : K.N. de onderlip uitsteken, een uitdrukking van minachting [vrg. mèncêp].

manujya : Kw. z.v.a. manuju.

mênjangan : N. [sangsam, K.] hert, hertebeest [Ml.id.]. mênjangan lanang, een reeboK. mênjangan wadon, een ree, een hinde.

munya : Kw. z.v.a. muni, zie uni.

mênyan : N. [sela, K.] benzoin (een zekere gom of hars), wierook [Sd.Ml.id.].

manyênak : Kw. dom, onwetend [= bodho].

manyura : Kw. een paauw; ook benaming van een wijze van spelen op de Gamellan [= manuk mêrak].

manyonyo : K.N. een buil aan het hoofd.

menyak : z.v.a. Sd.Ml. minyak, olie [Het wordt verklaard door puhan].

munyuk : Kw. aap. munyuk-munyuk, K.N. gebukt, krom gaan.

mênyêd : K.N. in of met de hand iets kneden, drukken. kawênyêd, lijd. vorm [De grondvorm is wênyêd, (zie boven). Vrg. ênyêt en ênêt, bij. pênèt].

mênyat : zie nyat.

mênyut : K.N. opslurpen, inslurpen.

monyat : Sd.Ml. aap.

mênyawak : K.N. een leguaan [Ml.id.; Sd. bayawak].

mênyang : ook wel nyang, N. [ook marang, N., dhatêng, K.] naar, tot, aan, jegens; door; ergens naar toe gaan [Het grondwoord is waarschijnlijk nya]. mênyang ngêndi, waarheên? waar naar toe? -mênyangan, een plaats waarheên.

manthêr : K.N. met een kleine straal in een min of meer loodregte rigting neêrstorten, uitstroomen, voortstroomen; stralen werpen; een glans verspreiden [Het grondwoord is andhêr, het op die wijze neêrstorten van water. Vrg. thur, II.].

manthur : zie thur, II.

mênthèr : K.N. wijd van elkander.

manthuk : zie anthuk.

mênthèk : K.N. een booze geest die in de gestalte van een kind de rijstvelden beschadigt.

munthuk : zie unthuk en punthuk.

mênthêk-mênthêk : K.N. poezelig, vet, malsch.

minthak-minthuk : of mindhuk-mindhuk, zie inthuk, II.

mènthèk-mènthèk : K.N. de bezwaarlijke gang van een zwangere vrouw.

mènthèl : K.N. nufje; hoer.

manthalit : K.N. verwikkeld, verward.

minthal-minthul : K.N. ongedekt, ontbloot, zigtbaar.

--- 593 ---

menthok : K.N. een soort van bergeend.

mênthèng : K.N. uitrekken, uitzetten, spannen [vrg. pênthang].

mênthongol : K.N. boven het water uitsteken.

manungku : z.v.a. nungku.

manungsa : zie manusa.

manungsuh : zie mungsuh.

maca : zie waca.

macan : N. [sima, K.] tijger. macan kombang, zie kombang, en macan tutul, zie tutul, -ngêmacan, een tijger gelijken; b.v. lampah ngêmacan ngêlih, een gang als die van een hongerigen tijger, d.i. een deftige gang met wijde stappen en de schouders beurtelings met elken stap vooruit bewegende. -macanan, de gedaante van een tijger hebben, naar een tijger gelijken; tijgerachtig; ook naam van een soort van spinnen, en van een soort van damspel.

micantên : zie wicantên.

macundhuk : z.v.a. cundhuk.

macucu : K.N. door het maken van een spitsen mond of het zamentrekken der lippen een teeken van minachting geven.

macicil : K.N. staren, staroogen.

mucicil : z.v.a. macicil.

micara : N., zie wicara, ook zich behoorlijk uitdrukken; beleefd spreken [Het wordt ook verklaard door kang pintêr pêpadon]. -micarani, iemand beleefd aanspreken.

mêcakakên : zie wêca, II.

macêki : K.N. iemand geheimhouding aanbevelen.

mucat : K.N. uithalen, uittrekken, aftrekken, afstroopen. mucat ponang ali-ali, den ring van den vinger trekken.

macaswara : Kw. een pronkaard; een ijdel mensch [= wong bêsus].

mical : zie wilang.

macapat : verkorting van môncapat, zie bij mônca, ook gemeen, gering, niet van hoogen rang; algemeen. têmbang macapat, de algemeen in gebruik zijnde zangwijzen.

macung : K.N. onmiddellijk onder een hoofd staan, zonder tusschenkomst van een ander aan een hoofd verantwoordelijk zijn [Het grondwoord is acung, horizontale uitstrekking, b.v. van den arm: vrg. acêng]. -ngacung, horizontaal uitgestrekt zijn. -ngacungake, N., -kên, K., in een horizontale rigting houden, uitstrekken of uitsteken; een gemagtigde voor zich aanstellen. -acungan, gemagtigde, agent.

mucang : Kw. Sirih kaauwen [= nginang, waarschijnlijk van pucang]. -pamucang, z.v.a. panginang, en sapamujang, z.v.a. sapanginang, -pamuncang, hetzelfde. -pamuncangan, K. een beteldoos [= wadhah gantèn].

mra : Kw. tusschen iets steken, zich tusschen iets verbergen [= sumêlap].

mar : of êmar, K.N. verslapping der leden door vermoeidheid; Kw.K.N. verlegen, ongerust, huiverig, bevreesd, bekommerd [= kumêsar, Vrg. mir en mamar].

mêr : Kw. zich heimelijk weg maken, stilletjes heengaan.

mir : of êmir, Kw. K.N. ongerust, verlegen, onzeker, huiverig, bevreesd, bekommerd [= maras-maras, [mara...]

--- 594 ---

[...s-maras,] Vrg. mar]. mirmir, ongerust, verlegen zijn; onzeker zijn, twijfelen.

mur : Kw. vliegen [= mibêr, waarschijnlijk van den grondvorm wur, II].

mèr : Kw. ver, verwijderd [= adoh, Vrg. wèr]. -pamèr, zie boven.

mor : zie bij awor.

mara : zie para, I. IV. en V.

mari : N., mantun, K., ophouden, uitscheiden; beter worden, herstellen, genezen. -marèni, N., mantuni, K., met iets ophouden of uitscheiden, doen ophouden of uitscheiden; ontslaan uit een post; verbeteren, herstellen, een zieke genezen. -marèkake, N., mantunakên, K., middelen gebruiken om te doen ophouden; een zieke medicijn ingeven. marèkake ngêlak, den dorst lesschen.

maru : K.N. benaming die de onderscheidene vrouwen van één man elkander geven.

mêri : K.N. het jong of kuiken van een eend [umêri = anak bèbèk, Sd. mêrih, eend, eendvogel].

miru : zie wiru.

mire : K.N. naar de linker zijde; op zijde gaan; ontwijken [= sumingkir]. -mirèkake, N., -kên, K., links laten liggen; onverschillig behandelen.

mura : Kw. gaan, weggaan, vertrekken, op reis gaan [= alungaa].

muri : zie wuri, mêmuri of muri-muri, navolgen, nabootsen; volgen, gehoorzamen.

mure : K.N. zich uitbreiden, verspreiden [murenya = dawane].

mera : Kw. wolk [= mega].

mèri : K.N. nijd, afgunst; benijden. -kumèrèn, nijdig zijn, afgunst voeden.

mèru : z.v.a. sumèru [Skr. Méroe, naam van een heiligen berg, de zetel van Brahmâ].

mori : K.N. Europeesch lijnwaad, fijn wit linnen [Hind. Ml. mori], een soort van fijn blaauw katoen]. mori jawa, N., mori jawi, K., Javaansch lijnwaad.

mrih : zie purih.

marah : zie warah en parah.

mêruh : N. stelen. mêmêruh, K.N. iemands goed verkwisten, doorbrengen; stelen. -mêruhake, zie wêruh.

mirah : I. K.N. een edelgesteente, robijn of karbonkel. II. zie murah.

murah : N., mirah, K., overvloedig, mild, milddadig, goedertieren; goedkoop [Sd.Ml.id.]. -kamurahan, N., kamirahan, K., milddadigheid.

muruh : zie uruh.

maraos : K. neiging tot iemand hebben, iemand genegen zijn [van raos, zie rasa].

miraos : zie wirasa.

marna : zie warna.

mêrna : z.v.a. marna, zie warna.

murni : Kw. fraai, schoon, goed.

mrina : zie murina.

marani : zie paran.

murina : of mrina, K.N. zich iets aantrekken; ontevreden zijn; ontevreden; nijdig, afgunstig. -murinani, zich iemand aantrekken.

muroni : zie wuru.

--- 595 ---

marnani : zie warna.

mranani : zie prana, I.

marnèkakên : zie warna.

mrandangi : K.N. regt op iemand aanvallen.

mrantak : en marèntèk, K.N. een vuur dat zich uitbreidt.

marèntèk : zie mrantak.

mruntus : K.N. een uitslag op de huid; droppels zweet op het lichaam.

mrêcu : zie marcu.

marcu : mêrcu of mrêcu, Kw. woest, wild, driftig, kwaad, toornig; de glans of het schitteren van den bliksem [= galak, srêngên en cêlèrèting kilat]. marcukundha, naam van den troon van Batårå-Goeroe; ook eign. van een Bagawan [Het wordt verklaard door palênggahan ing suralaya]. marcujiwa, naam van een soort van pijlen.

mêrcu : 1. zie marcu, 2. Kw. berg [Ml. een wachttoren].

murca : Kw. verdwijnen, verloren, weggaan; als Tj. SengK. nul [= ilang, Ml. en Skr. moêrtjâ, bezwijming, verlies van bewustzijn].

marica : N., mariyos, K., peper [Skr. maritja].

mrucut : zie marucut.

marucut : of mrucut, K.N. uitglijden; uit de hand glijden [vrg. katrucut].

murcita : 1. zie wurcita, -2. z.v.a. murca, [Skr. moêrtjita, bezwijmd, bewusteloos]. -3. Kw. aardworm, regenworm; ook benaming van een soort van hagedissen.

marcapada : Kw. K.N. de aarde, de wereld [= ing dunya, zamengesteld uit Skr. martya, mensch, sterveling; ook de woonplaats der stervelingen, de aarde, de wereld; en pada].

muriring : z.v.a. muringring.

mrak : zie mêrak.

mrik : z.v.a. amrik, -sumrik, zie boven.

murka : K.N. inhalig; ontevreden, ondankbaar; willekeurig, gruwzaam [Ml. vertoornd; Skr. moêrkha, dwaas, dom].

marak : 1. zie parak, 2. K.N. visschen vangen door het water te laten afdrijven.

mêrak : of mrak, K.N. paauw [Sd.Ml.id.]; ook z.v.a. mêrakan, 2. -mêrakan, 1. de gedaante van een paauw hebben, naar een paauw gelijken; 2. een soort van lang gras.

mirik : K.N. pogen, streven.

murak : K.N. een geslagt beest in stukken snijden om het te verdeelen. -pamurakan, de plaats waar een beest in stukken gehakt wordt; een geregtsplaats; de plaats aan de tweede poort vóór de Aloenaloen; ook naam van deze poort, ook pangurakan, genaamd [zie bij urak].

murêk : Kw. uitspannen, een boog spannen [= mênthang].

muruk : zie wuruk.

marakèh : naam van een Woekoe.

marakake : zie paran.

marakata : Kw. ontzag, eerbied wekken; benaming van den troon van Batårå-Goeroe in de Swargå [= kumêdhap, Skr. marakata en mârakata, smaragd, de kleur van smaragd].

--- 596 ---

markatak : K.N. benaming van het rijstgewas in de vijfde halve maand, wanneer de vrucht hier en daar uit de aren begint te komen; zich uitbreiden (van een vuur).

markutuk : of markotok, K.N. een uitslag op de huid.

markotok : zie markutuk.

mrakas : K.N. blik, van bliK. wêsi mrakas, N., tosan mrakas, K., blik. talang mrakas, een blikken geut.

markongkong : z.v.a. mêrkungkung.

mêrkungkung : K.N. nederhurken; zich bukken, zich krommen van pijn [vrg. kungkung].

mrêdu : of mêrdu of mardu, Kw. liefelijk; geurig, welriekend; geur [= manis, Ml. liefelijk, aangenaam, van stem of toon; Skr. mredoe, zacht, niet scherp of ruw].

mardu : of mêrdu, zie mrêdu.

murda : Kw. hoofd; oorsprong, begin [= êndhas, Skr. moêrddhâ, hoofd]. kalinggamurda, op het hoofd geplaatst, boven het hoofd gehouden. aksara murda, kapitale letters. -murdani, beginnen.

mirud : of mirut, Kw. bevreesd, bang zijn; K.N. zich onderwerpen, het gezag van een ander over zich erkennen [mirut = ajrih ing manah].

murad : [Ar. muraad], bedoeld; bedoeling, beteekenis.

murid : [Ar. muriid], K.N. leerling, discipel [Sd. Ml.id.].

murud : z.v.a. morod [= mundur, of meer bepaald, zich uit dit aardsche leven terug trekken en ten hemel varen. Het grondwoord is urud, hemelvaart].

merad : I. z.v.a. morod. II. zie mekhrad.

morod : K.N. zich terugtrekken of onttrekken; de wijk nemen, zich wegmaken, onopgemerkt heengaan [vrg. murud].

miruda : Kw. zich heimelijk weg begeven, de vlugt nemen [= minggat].

mradini : en mradinakên, zie warata.

mardika : I. K.N. vrij, een vrij man, iemand die geen verpligte heerediensten doet, een burger [= luput ing pagawean, Sd.Ml. vrij, vrijheid, vrijzijn]. -ngamardika, als een vrij man leven, onafhankelijk zijn. -mardikakake, N., -kên, K., vrij maken, een slaaf in vrijheid stellen. kamardikakake, l.v. -pamardika, vrijheid. II. mardika of mradika, zie pardika.

mêrdud : K.N. eigenzinnig, koppig, onwillig [Ar. marduud], geweigerd, afgeslagen].

mêrdesa : N., zich naar een désa begeven [van pradesa, of zamengetrokken uit maradesa, zamengesteld uit mara, (zie para, IV) en desa].

mardawa : Kw. verlengen, lang maken [van dawa].

mêrdapa : K.N. naar een jong blad gelijken [van pradapa of pêrdapa, zie dapa].

mrêdêng : K.N. noodzaken, dwingen.

mrêta : zie mêrta.

marta : zie mêrta.

mêrta : mrêta of marta, Kw. verkwikkend; verkwikken, laven; gelukkig maken, zalig maken

--- 597 ---

[= adhêm, padhang, urip, nguripi, tômba en pangapura]. toya mêrta, een verkwikkend (levenmakend) water. martalulut, benaming van een soort van scherpregters van den Soesoehoenan. -mêrtani, iemand gelukkig maken, zalig maken. -pamêrta, zaligmaker. -paramêrta en palamarta, zie boven.

mêrti : Kw. de zalige toestand der dooden [= pati, Skr. mreti, dood].

murti : Kw. 1. voortreffelijk, schoon, aangenaam. -2. incarnatie; en bijnaam van Batårå-Wisnoe, wegens zijn menigvuldige incarnaties. -3. hagedis [= nyata, titis en cêcak, Skr. moêrti, zelfstandigheid, vastheid, lichaam, vorm, gestalte].

mrutu : K.N. het steken van een kleine vlieg.

mirit : K.N. nadoen, nabootsen.

mirut : zie mirud.

maruta : Kw. wind [Het wordt verklaard door angin gawa gônda, Skr. maroeta en mâroeta, lucht, wind].

mratani : en mratakake, zie warata.

martani : zie warta.

martèni : zie warta.

martak-martakake : N., -kên, K., een gerucht uitstrooijen [van warta].

murtad : [Ar. murtadd], een afvallige, verzaker van zijn godsdienst.

morotake : N., -kên, K., iets beneden de waarde verkoopen, verkwantselen, verzwendelen.

martosi : zie warta.

maratuwa : zie bij tuwa.

mratêlu : zie têlu.

mêrtyu : Kw. vuur; iets dat brandt; venijn, vergif; een venijnig wapen. mêrtyu jiwa, (het vuur der ziel) een bijnaam van Batårå-Goeroe.

mara tamu : zie bij pratamu.

mratiga : zie tiga.

mêrtega : zie mêntega.

maratiga : zie tiga.

maras : I. zie waras, II. K.N. verontrust, ongerust, verlegen; kleinmoedig; twijfelachtig; verlegenheid; twijfel; zich ongerust maken, zich verontrusten, duchten. ora maras, N., botên maras, K., veilig. -marasi, verontrusten, ongerust maken [Een ander zie bij paras]. mêmarasi, verontrustend, ontzaggelijk.

maris : zie waris.

marus : Kw. bloed [= gêtih].

miris : K.N. ontmoedigd worden, moedeloos, bang zijn, duchten; moedeloos, beducht; moedeloosheid.

mirus : naam van een edelgesteente, een soort van smaragd.

murus : K.N. [gêrah toyan, K.h.] aan den afgang zijn, den buikloop hebben; buikloop [Sd.id. De grondvorm is urus]. -murusi, afgang verwekkend, buikzuiverend.

mirasa : zie wirasa.

marasraya : Kw. te hulp komen in een oorlog [= amrih rowang, zamengesteld uit mara (zie para, IV.) en sraya].

mrasuk : zie rasuk.

--- 598 ---

mursid : Ar. geleerd, geletterd [Ar. mursyid], leidsman op den regten weg].

marsudi : K.N. naar iets verlangen, streven, pogen; op iets aandringen, sterk uitnoodigen [van sudi].

marasadu : Kw. slim, geslepen, bedreven zijn [van sadu].

mursita : zie wursita.

mursal : K.N. wederspannig, hardnekkig; moedwillig, ongehoorzaam; onwettig. -pamursal, wederspannigheid; een wederspannige.

marasêpuh : zie bij sêpuh.

marasudha : Kw. een medelijdend hart [= manah wêlasan].

murwat : K.N. gedaante; waardering, schatting; schatten, waarderen, begrooten. kamurwat, l.v. ora murwat, N., botên murwat, onwaardig. -murwati, waarderen, schatten. -murwatan, het gewaardeerde; schatting. murwatan kula, naar mijn schatting.

marawayan : K.N. overstroomen, bedekken.

mrewang : K.N. een makker nemen, een bediende nemen: van rewang.

mêrlik : of marêlik, zie pêlik.

marlupa : Kw. afgemat, vermoeid [van lupa].

mrêp : verkorting van mêrêp.

marêp : N. [gew. madhêp, N., majêng, K.] het gezigt naar voren rigten [van arêp].

mêrêp : I. K.N. vechten, in het naauw brengen; een gevecht gaande houden; sterk aansporen, aanhitsen [vrg. mêrêb en ngêrêb]. II. z.v.a. marêk.

marapi : naam van een berg.

mripih : z.v.a. maripih.

maripih : K.N. teregt wijzen, vermanen.

marpada : verkorting van marcapada.

marapada : Kw. de hemel; hemelsch [= kaswargan. zamengesteld uit het Skr. mâra, dood, en pada, Vrg. marabuwana].

mrapit : K.N. geheel en al, alles wat er toebehoort.

mripat : of maripat, K., [mata, N., paningal en soca, K.h.] oog, de oogen; maas of steek van een net. samripat, een maas of steek.

mripit : K.N. digt langs iets heen, voorbijgaan.

marpat : Kw. gelijken, gelijk zijn.

marapat : zie pat.

marapit : K.N. in lange rijen aan beide zijden naast iemand gaan [misschien van apit].

maripat : zie mripat.

mrapal : zie papal.

mirudha : Kw. verdwijnen, onzigtbaar worden.

mêrdhatêng : zie bij dhatêng.

maradhatêng : zie dhatêng.

mêrdhayoh : zie dhayoh.

mara dhayoh : zie bij dhayoh.

mraja : verkorting van maharaja.

maraja : verkorting van maharaja.

marjan : of mêrjan, [Pers. Ar. marjaan], K.N. koraal, koralen [Sd.Ml.id.].

mrajak : K.N. zich vermenigvuldigen, zich voortplanten, van een boom, die zich door het afvallen van zijn vruchten vanzelfs voortplant.

mrojol : K.N. indringen, doordringen, doorkruipen [vrg. brojol]. mrojol ing

--- 599 ---

akarêp, door iets dat digt aan elkander sluit heêndringen; achter een geheim trachten te komen.

marjaya : zie parjaya.

marya : Kw. z.v.a. maro, zie paro.

murya : naam van een berg.

muryani : Kw. doen, werken [waarschijnlijk van den grondvorm wurya, en van daar ook wuryan].

mariyos : ziei marica.

mriyêm : z.v.a. mariyêm.

maryam : [Ar. Maryam], eign. Mirjam, Maria.

mariyêm : K.N. kanon, geschut [Sd.Ml. mariyam].

mrêm : verkorting van mêrêm.

marma : I. N. [ook mula, N., mila, K.] oorzaak, reden [= karana en mulane]. marmane, reden waarom. II. zie mirma.

mirma : of marma, Kw. medelijden, mededoogen; jammer; gunst, genade [= pangewan]. -pamirma, het mededoogen hebben. -palimarma, zie boven.

marêm : zie rêm. -marêmi zie parêm.

mêrêm : K.N. gesloten oogen, met gesloten oogen; de oogen sluiten; slaperig zijn [mrêm en amrêm = aturu. De grondvorm is rêm, vrg. rêm-rêm. Sd. mêram, blindheid]. mêrêm mêlik, de oogen sluiten en openen; niet kunnen slapen; ongerust zijn.

mraman : K.N. zich uitbreiden, overslaan, van een vuur.

marminta : Kw. verzoeken, bidden [van minta, zie pinta, II.].

mirmir : zie mir.

marmita : z.v.a. marma.

marimpi : K.N. in den droom spreken [van impi]. -marimpèni, droomende tot iemand spreken; in den droom iets openbaren.

mrêmomong : of mêrmomong, K.N. het flikkeren van een vuur.

marêmbèh : K.N. doorzijpen; water dat door een dam dringt; tranen in de oogen.

marambahi : Kw. effen, gelijk maken; zich overal verspreiden [= amratani, Vrg. nyarambahi of narambahi, bij sarambah].

mrambat : of marambat, K.N. het kruipen of slingeren van een klimgewas; schuins afloopen, afklimmen [van rambat].

mrambut : K.N. de schil van rijst; kaf, pel [van rambut].

marambat : zie mrambat.

mrêmbês : K.N. afvloeijen, nedervloeijen [van rêmbês].

mrêgu : zie mêrgu.

marga : Kw., margi, K. [dalan, N.] weg, straat; koers; middel, oorzaak [Skr. mârga, weg, pad]. margi alit, pad, voetpad. amarga, en amarga saka, of amarga têka, N., amargi, of amargi saking, K., van wege dat, doordien, doordat; door middel van. margani of margini, K., als weg betreden, den weg door iets heên nemen, door iets heen gaan.

margi : zie marga.

mêrgu : of mrêgu, Kw. een wild beest [= bêburon, Ml. en Skr. mrega, een wild, wild gedierte].

--- 600 ---

mêrêg : K.N. aanhitsen, aansporen, aandrijven [waarschijnlijk van wêrêg]. -pamarêg, aandrijver.

marigi : K.N. beelden op een muur maken.

mêrgak : K.N. stuiten, hinderen [vrg. mênggak, bij pênggak].

mragadi : zie wragad.

margêdut : K.N. zich verzetten, zijn eigen zin doen.

mragati : zie wragat.

mragol : K.N. slagen afweren, pareren.

mêrgil : I. K.N. groot, ontzaggelijk; tot een grooten hoop vereenigd; een groot boschwild. II. K.N. op zijde gaan, uit den weg gaan, het spoor verlaten; afwijken, overtreden. III. Kw. regelen, geregeld.

mêrgul : Holl. vergulden; verguldsel [van het Holl. verguld].

marêgi : en marêgakên, zie warêg.

mragagah : zie gagah.

mêrgagah : zie gagah.

mêrgêgêg : K.N. op den weg blijven staan, niet uitwijken.

mragang : K.N. velen die met ijver werkzaam zijn [van ragang].

mrêb : of mêrba, Kw. helder te voorschijn komen [= padhang en wiyos].

mêrêb : z.v.a. mêrêp, I.

mirib : zie irib.

murub : zie urub.

mrêbuk : zie marbuk.

marbuk : of mrêbuk, K.N. een sterken geur verspreiden.

mêrbut : z.v.a. ngrêbut, van rêbut.

mêrbot : Ar. een priester die de Bedoeg slaat [Ar. marbuuth], gebonden; ook benaming van een soort van Mohammedaansche priesters in Afrika].

mêrbês : K.N. lekken, druppelen [vrg. bêrbês].

marabuwana : Kw. de hemel [marabwana = kaswargan, zamengesteld uit het Skr. mâra, dood, en buwana, Vrg. marapada].

mêrbabu : naam van een berg.

mrababak : z.v.a. brababak.

marotholi : K.N. het vergaan van een lijk.

mring : zie para, IV.

marang : zie para, IV.

maring : zie para, IV. -maringi en maringake of -kên, zie paring.

marung : zie warung.

marong : K.N. vuurkleur, vuurrood.

mêrang : 1. zie prang, -2. K.N. stroo, padistroo, drooge stopples [Sd.Ml.id.

mirang : zie wirang, -mêmirang, K.N. beschaamd maken.

mirêng : K. [ngrungu, N., midhangêt, K.h.] hooren. kamirêng, l.v. [Men vindt echter ook kapirêng, en de grondvorm schijnt werkelijk pirêng, te zijn. Vrg. pilêng]. -mirêngakên, aanhooren. -pamirêng, het hooren, gehoor; hoorder. -kamirêngan, te hooren, verneembaar voor het gehoor.

miring : zie iring, ook afhellen, schuins afloopen, van vlakke lichamen; dalen, van den prijs. sêratan miring, overhellend, d.i. loopend, cursief, schrift. -mêmiringi, zie piring, II. -miringake, N., -kên, K., doen afhellen; den prijs doen dalen. kamiringake, l.v.

--- 601 ---

mirong : 1. K.N. iets over den schouder slaan, den schouder bedekken; 2. Kw. valsch, onopregt, verraderlijk; K.N. afvallig worden, muiten [= sèdhèng ing galih].

murang : K.N. afwijken, afdwalen [= anyimpang]. murang margi, van den weg afdwalen. mêmurang lampah, verkeerde stappen doen. murang tata, hoofdig; een woest mensch. murangkara, = murang prakara, tegenstreven; wederspannig. murang sarak, zie sarak.

muring : zie uring.

merang : 1. zie perang, -2. Kw. K.N. z.v.a. mirang, zie wirang [grondvorm erang, Kw. z.v.a. wirang]. -ngerang-erang, K.N. [nglêlingsêm, K.h.] te schande maken, door bespotting ten toon stellen.

muringring : K.N. huiveren, de haren te berge rijzen [vrg. muriring].

mrangkani : en mrangkakake, zie warôngka.

mringkus : K.N. ineengedrongen.

maringkil : K.N. blijken; zigtbaar worden.

mrangkang : zie brangkang.

mrêngkang : K.N. zich verzetten, wederspannig zijn [vrg. wrêngkêng].

mrêngut : of marêngut, K.N. grimmen, een grimmig gezigt maken; norsch [vrg. basêngut].

mrongos : of marongos, K.N. uitsteken, van de tanden [De grondvorm is parongos, Vrg. pringis].

marungsit : zie rusit.

mranggi : K.N. een persoon die krisscheden maakt.

mirungga : K.N. iemand in het onzekere laten, in de war brengen; slechts in de verbeelding bestaan [van rungga].

mranggal : K.N. dadelijk op iemand aanvallen; iemand in de reden vallen.

mrunggul : of mirunggul, K.N. afsnijden, afkappen [vrg. mronggol bij pronggol].

mirunggul : zie mrunggul.

mranggolang : Kw. afweren, pareren.

marangi : zie warangan.

mrêngangah : of mêrngangah, K.N. vuurrood; gloed.

marongan : K.N. eene brandende, gloeijende kool.

murungake : zie wurung.

muk : z.v.a. ngamuk [zie amuk].

mèk : of êmèk, K.N.; ngêmèk, met de hand tasten, voelen, bevoelen [vrg. amèk, bij apèk]. -ngêmèk-mèki of ngêmèk-êmèki, aanhoudend bevoelen, overal rondtasten. dimèk-mèki, l.v. -mèk-mekan, rondtasten, in het donker met de handen naar iets zoeken. -mèmèk, N. aannemen.

mika : Kw. strekken, verstrekken, dienen, doelen [= pinôngka].

muka : Kw. aangezigt, mond, hoofd; hoofd, aanvoerder, voorste [= cangkêm en wadana, Ml.id.; Skr. moekha. Vrg. mukya].

makah : K.N. twee posten te gelijk bekleeden; twee heeren dienen.

Mêkah : [Ar. makkah], naam der stad Mekka.

mukah : K.N. niet volbrengen.

Mikail : of Mingkail, eign. van den engel Michaël.

makna : [Ar. ma'anii], K.N. bedoeling, zin, beteekenis, [betee...]

--- 602 ---

[...kenis,] uitlegging. -maknani, de uitlegging van iets geven, verklaren. dimaknani, l.v.

mikan : zie wikan.

mêkanjar : K.N. woedend om zich heên slaan.

makcus : zie nyus.

mêkar : zie êkar.

mukar : Kw. de voorste, eerste; hoofd, aanvoerder [= pangarêp].

mukir : z.v.a. mungkir.

mikara : zie wikara.

makruh : [Ar. makruuh], iets waarvan men afkeer heeft; spijzen die door naauwgezette Mohammedanen niet gegeten worden.

mikhrad : mekhrad of merad, [Ar. mi'raj], hemelvaart.

mekhrad : zie mikhrad.

makirtya : z.v.a. kirtya.

makhripat : [Ar. ma'rifah], kennis.

mukharam : [Ar. Muharram], naam van de eerste maand van het Mohammedaansche jaar, die ook Soerå genoemd wordt.

makhruph : of makhrub, [Ar. ma'ruuf], bekend, beroemd, vermaard.

makhrub : zie makhruph.

mukarab : [Ar. muqarrab], genaderd, in de nabijheid van iemand toegelaten; zich in tegenwoordigheid van God bevinden.

mukok : K.N. misselijk worden.

makakat : K.N. gewoon, gebruikelijk; gewoonte [misschien verbastering van het [Ar. mahaqqaqat] ].

mukti : Kw. K.N. zich aangenaam gevoelen, b.v. na een lekker maal; gelukkig, zalig, gelukzalig; zaligheid, genot [Skr. moekti, bevrijding, verlossing; eindelijke, volkomene verlossing der ziel van het lichaam, het toppunt van zaligheid]. -muktèkake, N., -kên, K., gelukzalig maken, rijkelijk doen genieten, verzadigen. -kamuktèn, geluk, zaligheid, genot, genieting, geneugte; eer, aanzien; aanzienlijk.

mukêt : K.N. I. omwinden, omwikkelen. II. uitgeperste kokospit.

muktah : Kw. dood [= pêjah, Skr. moekta, moektah, bevrijd, verlost; volkomen verlost van het lichaam: vrg. mukti].

makatên : zie mangkana.

makitun : K.N. alles, het geheel omvatten.

mêkatên : zie mangkana.

mêkètên : zie mangkana.

mêkotên : zie mangkana.

makêti : zie wakêt.

mukhtamat : of mutamat, [Ar. mu'tamat], waar men zich op verlaat, geloofwaardig, een algemeen aangenomen gevoelen.

mêkas : zie wêkas.

muksa : ook muksya, Kw. verdwijnen, verloren gaan, onzigtbaar worden [= ilang, waarschijnlijk het [Ar. muqsaa], ver verwijderd]. -kamuksan, K.N. hetgeen onzigtbaar is, het eeuwige leven, de eeuwigheid, de hemel; ook aardsch, het aardsche.

maksih : zie isih.

maksar : Ar. [?] een altaar. ara-ara maksar, K.N. hetzelfde.

maksud : [Ar. maqsuud], hetgeen bedoeld wordt, meening, beteekenis. -maksudi, de beteekenis van iets opgeven, verklaren.

--- 603 ---

muksala : benaming van een soort van pijlen.

muksya : zie muksa.

maksiyat : [Ar. ma'shiyat], weêrspannigheid, ongehoorzaamheid; weêrspannig, ongodsdienstig, goddeloos.

muksab : z.v.a. muksa [misschien het Ar. mu'zab], ver weggevoerd, ver verwijderd].

mêkul : z.v.a. mêngkul.

mokhal : ook wel moal, [Ar. muhaal], K.N. ongerijmd, onbestaanbaar; ongehoord, onmogelijk, wonderbaar. -kamokalan, ongerijmdheid, een hersenschim.

makhluk : of mahluk, Ar. mahluuq], K.N. geschapen, schepsel.

muklis : Kw. een rein hart [= putihing ati, Ar. mukhlish], rein, ongeveinsd, ongeveinsd handelend].

makili : zie wakil.

maklum : Ar. K.h. [pangapura, N., pangapuntên, K.] vergiffenis, genade; toegevend, toegeeflijk; zich ontschuldigen [Ar. makzhuum], ingehouden, bedwongen, van toorn]. -maklumi, iemand iets vergeven.

maklêng : K.N. stilzwijgend heêngaan, vertrekken zonder iets te zeggen.

makidhupuh : K.N. in een nederige houding zitten [vrg. kadhêpêk, en dhupuk].

mukhjijat : [Ar. mu'jizat], wonder. -kamukjijatan, een wonderteeken.

mukya : Kw. z.v.a. muka [= pangarêp en luwih, en minukya = linuwihakên, Skr. moekhja, hoofd, voornaamste].

mak nyus : zie nyus.

mak nyêng : K.N. ligt, gemakkelijk te dragen, niet zwaar.

makam : Ar. K.N. graf, begraafplaats [Ar. maqaam], plaats, woning]. -pamakaman, de plaats waar begraven wordt, kerkhof.

makmin : [Ar. mu'min], een geloovige, een Mohammedaan.

mukmum : [Ar. ma'mum], door den Iman voorgegaan in het gebed, bij het bidden den voorganger in het gebed volgen, hem nadoen en naspreken [Ml.id.].

Mukhammad : of Muhammad, [Ar. Muhammad], eign. Mohammed. Nabi Mukhammad, de profeet Mohammed. umat Mukhammad, volk van Mohammed, Mohammedaan.

makutha : K.N. kroon [Sd.Ml.id.; Skr. makoeta]. amakutha, een kroon dragen.

makungkung : K.N. krom, gebogen, gebukt zitten [vrg. kung, III.].

makongkong : z.v.a. makungkung.

makangsali : K. [ook mikantuki, K., makolèhi, N.] baten, tot iets baten, verstrekken: van angsal, II.

mada : zie wada.

madu : N., mabên, K., honing; zoet [Sd.Ml.id.; Skr. madhoe, zoet; honing]. madukara, Kw. zoet; honingbij; ook naam van de woonplaats van Ardjoenå [= manis, kombang en padalêman Radèn Janaka, Skr. madhoekara, bij, honingbij, eig. honingmaker]. madu pinasthika, honingzeem, honingraat. madubrata, Kw. bij, honingbij. madurêtna, naam van een Kawische zangwijze.

--- 604 ---

made : I. zie madya, II. = gawe, van de, I. III. zie sade. IV. Kw. de rust- of slaapplaats in een huis, rustvbank, waaruit meestal het geheele ameublement van een Javaansch huis bestaat [= bale pomahan en palênggahan]. made omahe, N., made griyanipun, K., zijn huis en huisraad, huis een inboedel.

mêdi : zie wêdi.

muda : eie wuda.

meda : I. Kw. loop, gang, wijze. II. K.N. kuur; kuren, grillen hebben.

midih : I. Kw. met de vingers drukken. II. K.N. de wenkbraauwen of de knevels verwen.

madahab : [Ar. madzhab], godsdienst, in den zin van godsdienstsecte, bijzondere geloofsleer, bijzonder stelsel.

madon : I. zie wadon, II. K.N. half gaar gekookte eijeren.

modin : [Ar. mu'adzdzin of muudzin], K.N. een priester of tempeldienaar, die de uren van het gebed moet aankondigen [vrg. adan].

madana : zie wadana.

mudana : verkorting van samudana.

modana : Kw. toespraak, troost [= pangucap en panglipur].

madèni : zie wadi.

maduntên : zie madura.

midêr : zie idêr.

modar : N. het sterven van een beest, kreperen; gekrepeerd; met verachting ook z.v.a. mati, van een mensch [vrg. jidêng, jidhèt en madodong].

madura : Kw. zoet [= manis, Skr. madhoera]; N., maduntên, K., naam van een eiland en vorstendom.

madrin : eign. der tweede vrouw van Pandoe, moeder van Nakoelå en Sadewå [Skr. mâdrî].

midak : zie idak.

madèkake : zie wadi.

mêdêd : K.N. sterk draaijen, ronddraaijen [Het grondwoord is êdêd, sterke draaijing, b.v. van een tol].

midid : K.N. waaijen, van den wind: het waait. anginipun midid, het waait sterk.

modod : K.N. langer worden, toenemen.

midadarèni : zie widadara.

madodong : K.N. uitgestrekt op den grond liggen zonder zich te verroeren; N., gekrepeerd [vrg. jidêng, jidhèt en modar].

mêdiding : K.N. van koude rillen.

mêdudung : K.N. onmiddellijk na den maaltijd zijn behoefte doen [Het wordt verklaard door warêg].

madat : K.N. of N. [cêmêngan, K.] toebereide opium [Sd.Ml.id. Vrg. apyun]. -madati, K.N. [nyêrèt, N., ngêsês, K.] opium rooken, amfioen schuiven.

mêdêt : z.v.a. mêdêd.

modata : Kw. iets weten voor dat men er berigt van ontvangen heeft [vrg. mudita, II.].

mudita : Kw. I. gelukkig, zalig [= rahayu, Skr. moedita, verheugd, gelukkig].

--- 605 ---

II. z.v.a. modata [= wêruh durung winarah]. III. verkorting van pramudita.

mêdosi : zie wêdi.

madal : K.N. indrukken; onschadelijk, onkwetsbaar.

mêdal : zie wêtu.

mêdêl : zie wêdêl.

mudal : K.N. opwellen, van vuiligheid [van udal].

madulake : of -kên, zie wadul.

madya : ook made, Kw. midden; middelmatig; middelste [= sêdhêng, Skr. madhja]. samadya, in het midden; het middelste [= satêngah]. madyaning jagad, het midden der wereld. madya gantang, het midden van het luchtruim [= têngah ngawang-awang en têngahing dhuwur]. madyapada, de grond dien men betreedt, de aarde. -pamade, ook pramade, Kw. de middelste, bijnaam van Ardjoenå, den middelsten der vijf zonen van Pandoe [Pramade = Janaka Anom].

madyèn : Kw. met welgevallen aannemen, voor lief nemen, tevreden zijn; dankbaar zijn, danken [= tarima].

Madiun : naam van een distrikt en hoofdplaats op Java.

madayèng : Kw. valsch, bedriegelijk [= cidra].

madêg : zie adêg.

madung : zie wadung.

madungdung : Kw. jagt op iets maken, vervolgen [van dungdung].

mit : verkorting van amit of pamit.

mèt : verkorting van amèt, -mèmèt, K.N. in een rivier visschen. -mèmèti, zie beneden.

mot : verkorting van amot.

mata : N. [mripat, K., paningal en soca, K.h.] oog, de oogen; maas, steek, van een net [Sd.Ml.id.]. samata, een maas, steek, van een net. amata, oogen hebben, van oogen voorzien zijn. mata itik, K.N. een knoopsgat. mata iwak, K.N. een soort van waterkers. mata pita, een wegwijzer, een vertrouwde, vertrouweling.

matu : N. met een steen werpen; ook zoo hard als een steen zijn [van watu]; Kw. wrevelig, kwaad.

mêta : K.N. een woedende olifant [= gajah nêpsu en mata, = srêngên, Skr. matta, woedend, verwoed; een woedende olifant]. gajah mêta, benaming van een zekere slagorde.

mêtu : zie wêtu.

mote : en gewoonlijk mutyara, ook wel mutiara, K.N. parel [mutyara, = sêsotya, Sd. mutyara, [Ml. mutia of mutiara], Skr. moetya].

matuh : K.N. zich aan iets gewennen, gewoon raken; gewoonte [waarschynlijk van patuh].

mutah : zie wutah.

mêtahakên : zie wutuh.

mutuhake : zie wutuh.

matianta : zie ati, II.

mutiara : zie mote.

matun : zie watun.

mitra : K.N. bondgenoot, vriend; bondgenootschap.

--- 606 ---

[= karuh, sanak en sêsanakan, Skr. mitra]. -mitran of mêmitran, met een ander of met elkander bondgenoot of bevriend zijn. -mamitra, vriend; vriendschap. -pamitran, vriendschap. pratôndha pamitran, bewijs van vriendschap.

matur : zie atur.

matara : zie watara, ook Kw. bijaldien, ingeval [= saengga].

Mataram : of Mantaram, N., Matawis of Mantawis, K. naam van een distrikt, vroeger een rijk, op Java [Skr. manthara, mantharang, een fort, sterkte]. sudibya rajaputra narendra Mataram, zie sudibya.

matak : K.N. zie watak, I.; ook toenemen, vermeerderen.

matêk : K.N. zie watak, I.; ook indachtig maken.

mêtêk : zie pêtêk, ook K.N. zeer, uitermate.

mataka : verkorting van ngima-imataka.

mutada : Kw. taalkennis bezitten; de inhoud van een geschrift [= sarasaning layang en mêngku kèhing basa].

mata : zie mêta.

matis : Kw. koud; eenzaam [= adhêm en sêpi. Van atis].

matsika : Kw. 1. duizendpoot; 2. alle, alles [= kêlabang].

matêsi : zie watês.

matsya : Kw. visch [Skr. matsya].

matuwa : Kw. overtreffend, meert dan [= luwih].

mutawatir : zie watir.

matawis : zie watara, en mataram.

mutawatos : zie watir.

mutajilah : K.N. ketter; dweeper; ongodsdienstig [Ar. mu'tazilah], naam van een kettersche Mohammedaanshce sekte].

matya : Kw. zeer, uitermate [= bangêt, waarschijnlijk van ati, II.].

mêtya : Kw. z.v.a. mêtu, zie wêtu.

mitya : Kw. groote magt, bovennatuurlijk vermogen; ook z.v.a. mêtya.

mutyara : zie mote.

mityakardha : Kw. zeer verlegen zijn.

mutamat : zie mukhtamat.

matimbun : z.v.a. timbun.

mutabar : K.N. algemeen, overal verspreid.

matang : I. Kw. oorzaak, reden [Skr. mata, matang, verstaan, aangenomen, in acht genomen, acht gegeven; achtgeving]. matangnya, om die reden, derhalve [zie ook beneden]. II. zie watang.

matêng : K.N. rijp, gaar; geronnen, diK. rah matêng, geronnen bloed. dadi matêng, N., dados matêng, K., rijpen. -matêngake, N., -kên, K., gaar maken. -matêngan, iets dat gaar is.

mêtêng : zie wêtêng, -mêtêngi, zie pêtêng.

matangnya : Kw. op iemand wachten [zie ook bij matang].

matêngga : I. Kw. olifant [= gajah, Skr. matangga en mâtangga]. II. z.v.a. têngga.

mas : of êmas, K.N. [jêne, K.] goud, gouden; ook een titel van een fatsoenlijk man bij de Javanen [Sd.Ml.id.]. mas adi, fijn goud.

--- 607 ---

maskar : verkorting van mas sêkar, goudsbloem.

maskumambang : naam van een zangwijze. radèn mas, titel der na-achterkleinzonen van den Vorst; ook van de onechte zonen van den Vorst gedurende hun kindschheid, vóórdat zij tot den titel van Kangdjeng Pangéran verheven zijn. radèn mas gusti, titel van de echte zonen van den Vorst gedurende hun kindschheid. radèn mas riya, titel der achterkleinzonen van den Vorst; ook van den oudsten zoon van een dochter van den Vorst, die met een onedele gehuwd is, en van een Raden-mas of Raden-bagoes, die met een dochter van den Vorst getrouwd is. radèn mas ariya, titel der kleinzonen van den Vorst en van den Kroonprins, vóór dat zij tot Pangéran verheven zijn. mas ajêng, titel van fatsoenlijke vrouwen, die niet van vorstelijk bloed zijn. bok mas of êmbok mas, een titel van vrouwen, die gelijk staat met dien van Mas bij de mannen. adhimas, noemt men zijn jongeren, en kangmas, zijn ouderen broeder. kangmas, noemt ook de vrouw haar man. -kêmasan, goudsmid.

mêsa : zie mêsang.

mêsi : zie wêsi.

musa : ook mungsa, [Ar. Muusaa], de eign. Mozes.

mesa : verkorting van maesa.

masêh : Kw. naderen, digtbij komen [= maju, van den grondvorm asêh. Zie bij nasêh].

masuh : K.N. linnengoed wasschen [Ml. basuh] . De grondvorm is wasuh, Men vindt ook asuh, Kw. = suci, rein. Vrg. wisuh en masoh]. masuh awak, het lichaam reinigen door onthouding van zingenot. diwasuh, l.v. juru masuh, een wasscher. -masuhake, N., -kên, K., laten wasschen; voor een ander wasschen. -pamasuh, het plaats hebben van masuh, juru pamasuh, waascher. -pawasuhan, de plaats waar men linnengoed wascht. -pamasuhan, z.v.a. pawasuhan, en iets waarin men wascht.

masoh : K.N. zuiveren, reinigen; verbeteren [vrg. masuh]. masohing sarengat, de godsdienst zuiveren, verbeteren.

misih : zie isih, -misihake, doen voortduren.

misuh : zie wisuh, en pisuh.

misuhur : z.v.a. misuwur.

mêsiasat : zie wêsiyasat.

masallah : [Ar. maasyaa Allah], wat God wil! wat God behaagt!

musna : Kw. verdwijnen, onzigtbaar worden [= ilang, Sd.id.; Skr. moesnat].

masin : zie asin, ook van dieren: aan een steen likken of in den grond pikken.

musoni : zie wusu.

misanan : K.N. de betrekking van kindskinderen van broeders of zusters; achterneef.

musaniph : zie musanib.

musanib : beter musaniph, [Ar. mushannif], auteur, schrijver, van een boek.

misuntha : eign. van een persooN.

misra : ook mingsra, K.N. winst, voordeel [misra, zie beneden].

misri : z.v.a. misra.

Mêsir : [Ar. Mishr], K.N. de naam van Egypten, en van den hoofdstad [vrg. misra]. tanah Mêsir, [Mê...]

--- 608 ---

[...sir,] Egyptenland. wong Mêsir, N., tiyang Mêsir, K., Egyptenaar.

musir : Kw. vervolgen, verdrijven [= amburu. Van usir].

masrik : [Ar. masyriq], het Oosten, benaming der landen, die ten Oosten van Arabië liggen.

musrik : [Ar. musrik], iemand die aan God natuurgenooten toekent, een veelgodendienaar, een heiden.

masrut : Ar. [?] werktuig, middel.

maski : of mêski, Temb. Pas. al ware het, alhoewel, afschoon [Ml.id., Port. mas que].

misik : zie wisik, ook Kw. bij een vrouw slapen.

mosik : zie osik.

musika : Kw. rot, muis [= tikus, Skr. moêsika].

mêsakake : en -kên, zie mêsa.

mêskin : zie miskin.

miskin : of mêskin, K.N. arm, behoeftig [Ar. miskiin] ; Ml.id.]. wong miskin, een arm mensch.

mêsakake : en -kên, zie êsak.

musakat : K.N. armoede, nooddruft; armoedig, ellendig [waarschijnlijk het Ar. musyaqqat] ; moeijelijkheid, ellende].

musakaph : Ar. een oud familiestuk, dat bij erfenis van den een op den ander overgaat [misschien het Ar. mushhaf] ; een boek, inzonderheid een exemplaar van den Koran].

misuda : zie wisuda.

mastu : Kw. leven [misschien van wastu].

mastani : zie wasta.

mêstri : Holl. meester, geneesmeester. -mêstrèkake, N., -kên, K., een geneesmeester aanwenden, iemand door een geneesmeester laten genezen.

mustari : [Ar. musytarii], benaming van een ster: de planeet Jupiter [Sd. mostari, Ml.id.].

mastaka : ook wel mêstaka en mustaka, Kw. top, kruin; K.h. [êndhas, N., sirah, K.] het hoofd; K.N. top of toren van een tempel [= pucuking masjid en mustaka = panunggul, en sirah, Sd. het hoofd; Skr. mastaka, het hoofd, de schedel; de top van iets].

mêstaka : zie mastaka.

mustaka : zie mastaka.

mastuti : ngastuti en mangastuti, Kw. huldigen, eerbiedigen, loven, goedkeuren [ngastuti = ngabêkti en jumurung. Het grondwoord is astuti, hulde, eerbied = bêkti en sêmbah, Skr. stoeti, lof, lofspraak].

mustapha : [Ar. musthafaa], de uitverkorene, een eerenaam van Mohammed.

mustajab : [Ar. mustajaab], die (of hetgeen) verhoord wordt.

mustijab : z.v.a. mustajab.

mêssa : of mêsa, z.v.a. mêksa, zie pêksa, pamulang mêssa, K. [pamuruk mêrdi, N., wulang rèh, K.N.] zedeleer. -mêsakake, N., -kên, K., z.v.a. mêksakake, en -kên.

mêsês : K.N. suizen of loeijen, van den win [van sês of êsês].

masisa : Kw. hard schreeuwen [= apêtak].

masesa : z.v.a. misesa zie wisesa.

mêsesa : z.v.a. misesa, zie wisesa.

--- 609 ---

misesa : zie wisesa.

missra : z.v.a. Mêsir, Zoo in de zamenstelling sang maha missra mulku, de groote koning van Egypten.

massalah : z.v.a. masallah.

misuwur : zie suwur.

musawarat : [Ar. musyaawarat], raadpleging [Ml.id.]. -musawaratake, N., -kên, K., omtrent iets raadplegen.

maswapati : z.v.a. mangsah pati [= ratu ing Wiratha].

misil : ook mingsil, K.N. I. voordeel, winst, eigendom. II. inhoud, begrip, beteekenis.

musal : Ar. [?] kleed.

musala : naam van een onbekend wapen [Skr. moesala, een knods].

muslakhah : [Ar. maslaahah], nuttigheid om een heilzame reden: verleening van verzachting van straf door den Vorst, om staatkundige of andere gewigtige redenen.

muslim : [Ar. muslim], Muzelman, een regtzinnige.

masapi : benaming van een soort fijn wit linnen dat in vroegere tijden te Madura vervaar digd werd.

misêpuh : verkorting van kamisêpuh.

muspra : K.N. verdwijnen; verdwijning; kwijtschelding.

musaphir : Ar. K.N. bedelaar [Sd.id.; waarschijnlijk het Ar. musyaafir], reizenden, reiziger].

maspadakake : zie waspada.

maspadosakên : zie waspada.

misudha : Kw. tot zich trekken, aanhalen.

masidhêm : Kw. geëindigd, gedaan; de nacht, duisternis; de dood [= mênêng, wêkasane, patine, pêtêng en wêngi, van sidhêm].

masjid : of mêsjid, [Ar. masjid], K.N. moskee, tempel [vrg. masigit en pasigit].

masoyi : naam van een boom, waarvan de vrucht als medicijn gebruikt wordt.

misaya : zie wisaya.

masiyati : en masiyatake, of -kên, zie wasiyat.

mêsiyasat : zie wêsiyasat.

masyang : Kw. uitdagen; uitdaging.

mèsêm : zie èsêm.

musama : [Ar. musamma], genaamd [vrg. asma].

masmur : [Mazmuur], psalm: benaming van de Psalmen van David [vrg. jabur].

masumpêk : z.v.a. sumpêk, zie supêk.

masigit : Sd. moskee, tempel [een verbasterde uitspraak van het Ar. masjid], Vrg. masjid en pasigit].

masgul : [Ar. masyghuul], geheel door iets bezig gehouden, bekommerd; bekommering.

musibat : [Ar. mushiibat], onheil, ramp, waardoor iemand getroffen wordt; ook ongenade.

misbyah : [Ar. madzbah],, K.N. altaar [Ml.id.].

mawa : I. Kw. verkorting van mawawa, zie pawawa. II. K.N. zie wawa, I. III. N. [gew. nganggo, N.], mawi, K., met; met iets zijn, in den zin van hebben, aan of bij zich hebben [Het schijnt, even als nganggo, eigenlijk een werkwoord te zijn, het Sd. mawa, z.v.a. het [Ml. bawa], en het Jav. gawa, met zich voeren, brengen; van het grondwoord wawa,

--- 610 ---

hetgeen ik door bêkta, en winawan, door ginawa, verklaard vind]. amawa sabab, een oorzaak of aanleiding hebben. amawi gandera, een vaandel bij zich hebben. amawi prakawis, een regtszaak hebben. mawi-mawi, al naar mate van, al naar dat. botên mawi, K. [ora nganggo, N., tanpa, K.N.] niet met, d.i. zonder. kang mawa, N., ingkang mawi, K., de reden, de oorzaak; dewijl, omdat, vermits, daar want. mawa gawe, en mawi damêl, zie gawe, en damêl.

muwa : Kw. spreken, zeggen; spraak, taal [= ucapên en pangucap].

miwah : I. K. zie muwah, II. Kw. moeijelijk, moeijelijkheid [= ewuh].

muwah : I. Kw. juist, tijdig; rijp zijn. II. Kw. vermeerderen, toenemen, bij komen [van wah, II., z.v.a. wêwah]; en muwah, N., miwah, K., er komt bij; alsmede, en, of [= atawa].

miwaha : zie wiwaha.

mêwahi : en mêwahakên, zie wuwuh.

muwuhi : en muwuhake, zie wuwuh.

mèwèhi : en mèwèhake, zie awèh.

mawuhake : en -kên, zie wawuh.

mawon : zie kemawon.

muwun : of muhun, K.h. [tangis en nangis, K.N.] geween; weenen, schreijen. -muwuni, beweenen. -pamuwun, geween. -pamuwunan, plaats van geween.

mawantu : Kw. aanhoudend, onafgebroken; vervolgen [van wantu, II. Vrg. mantu].

mawantah : Kw. den grond bedekken, overstroomen [van wantah].

mawanti-wanti : zie wanti-wanti.

mawantya : z.v.a. mawantu.

mawar : [Ml. mawar], rozeboom, roos. banyu mawar, N., toya mawar, K., rozewater.

mawur : K.N. zich verstrooijen, zich verspreiden [van awur, grondvorm wur].

miwir : K.N. uitpluizen, uithalen, uittrekken.

muwêr : K.N. draaijen, zich gedurig op een plaats omdraaijen [van uwêr, het draaijen, b.v. van een tol; ook een ring onder om het gevest van een kris: zie boven].

muwuri : K.N. bestrooijen [van wuwur]. kawuwuran awu, bestrooid met asch.

mowori : zie awor.

mawêrdi : Kw. veel, in menigte [van het Skr. wreddhi, vermeerdering, toeneming, aanwas, voorspoed, enz. Van hier ook wêrdèn].

mawurda : Kw. tot duizendmaal tien duizend maken; in het oneindige vermenigvuldigen [van wurda].

mowor sambu : K.N. zich onder een grooten hoop verliezen [vrg. momor sambu, bij awor].

mawrat : zie awrat.

mawarsa : zie warsa.

mèwèr-mèwèr : K.N. nokken, snikken.

mawad : K.N. zich afzonderen, zich op een afgelegene plaats vestigen.

mawud : zie awut.

mawi dara : Kw. de eerste dag der nieuwe maan [= tanggal pisan].

--- 611 ---

mawat : Kw. misdaad, straf [mawwat = duraka].

mawut : zie awut.

miwiti : zie wiwit.

mawas : zie awas, -mawasake, en -kên, zie wawas.

muwus : zie uwus, II.

mawastya : Kw. zekerlijk, waar.

mawal : K.N. tegenspreken.

miwal : zie wiwal.

mawêlu : zie wêlu.

mwang : zie bij myang.

mawang : zie wawang.

muwêng : z.v.a. mubêng zie ubêng.

muwung : ook mungwung, K.N. op het hoofd doen neêrkomen; het haar van het hoofd nat maken; uit de hoogte op iets of iemand slaan; genoegen in iets nemen, zich laten welgevallen [De grondvorm is waarschijnlijk puwung, zie puwungan].

mawinga : en mawinga-winga, zie winga.

mawong sanak : N., zich iemand tot vriend maken, iemand tot vriend aannemen: van pawong sanak, zie wong.

mawongan : K.N. een vrouwelijke bediende nemen: van pawongan, zie wong.

mal : of êmal, gew. amal, ook wel ngamal, [Ar. maal], K.N. bezitting, eigendom, roerende goederen. raja mal, raja êmal of raja amal, zie raja.

mala : I. zie pala, II. II. gew. mêmala, K.N. onreinheid, onzuiverheid, vuiligheid, vlek; euvel, kwaal [mêmala = laraning badan kang amawa tatu, Skr. mala]. rupaning mêmala, allerlei kwalen. nirmala of anirmala, benaming van een veertigtal soldaten van den Soesoehoenan.

mila : zie mula.

mili : zie ili.

milu : zie ilu.

mula : N., mila, K., oorsprong, begin; oorzaak, reden; reden waarom; daarom; om reden dat, dewijl [Ml.id.; Skr. moêla, wortel, oorsprong, begin]. mulane, N., milanipun, K., reden waarom; derhalven. cilik mula, N., alit mila, K., van klein af aan. bocah mula, van kind af aan. dhatêng kula mila, van mijn aankomst af aan. mila mêkatên, de reden is aldus, om deze reden. -kamula, kamulan, en pramila, zie boven. -ngamulakake, N., -kên, K., een begin met iets maken.

mulu : Kw. zien. -pamulu, gezigt, gelaat; gedaante, vorm [= ulat]. pamulu banyu, zie bij ulu.

mule : gew. mêmule, K.N. offeren, een offermaaltijd aanrigten. -ngamulèni, en mulèkake, N., -kên, K., hetzelfde. -pamule, betuiging van hoogachting of eerbied; offerande.

mèlu : zie ilu.

mele : K.N. de tong uitsteken.

molu : zie wolu.

molo : K.N. top, topppunt; nokbalk van een gebouw [waarschijnlijk van polo]. cacah molo, aantal nokbalken, d.i. aantal huizen, groote en kleine, die maar nokbalken hebben.

--- 612 ---

malah : K.N. bovendien, daarenboven, en ook, zelfs [vrg. malar]. malah-malah, ten laatste, eindelijk nog. malah luwih, N., malah langkung, K., daarenboven. -malahi, met moeite iest verrigten.

malih : I. zie palih. II. K.N. veranderen van gedaante, zich in iets veranderen; verbasteren; K. [manèh, en maning, N.] andermaal, nogmaals, nog, wederom, weder [van alih, zie ngalih]. sapisan malih, nog eenmaal, nogmaals. punapa malih, zie apa, kalih dening malih, zie kalih.

malèh : z.v.a. malih.

mêlèh : zie wêlèh.

milah : zie wilah.

mulih : zie ulih, -mulihake, zie pulih.

muluh : zie wuluh.

mulèh : z.v.a. mulih.

mêlahi : zie wêlah.

malaekat : [målå-hékat] [Ar. Malaaikat], K.N. engel [Sd.Ml.id.]. Malaekat Jabarail, de engel Gabriël.

maliawan : naam van een berg.

malana : mêlana of mulana, I. Kw. z.v.a. lêlana [zie lana = atinggal bale umah lunga nuruti karêp]. -malanani, zie palana. II. mulana, Kw. een zwervende priester [wong santri kang anjajah praja, Deze verklaring schijnt echter alleen te steunen op de afleiding van het woord uit het Javaansch: maar het zal wel hetzelfde zijn als het [Ar. marlaanaa], ook wel [maralaanaa], eig. onze heer: een titel van overheidspersonen en regters of wetgeleerden. Zoo ook in het Maleisch].

mulana : zie malana.

mlincar : K.N., vadsig, lui, traag.

mlancong : of mêlancong, K.N. rondloopen, rondslenteren.

mlèncèng : of mêlèncèng en mlencong, of mêlencong, K.N., missen, niet raken [van mèncèng of mencong, zie èncèng].

mlencong : zie mlèncèng.

malindêr : K.N. stijfheid in de leden; rheumatisme.

mlintu : zie bij liru.

mlantên : of mêlantên, K.N. bleeker, wasscher. mlantênakên, bleeken, wit maken, zuiveren.

maluntir : zie muntir.

malinjo : naam van een vrucht.

mlinyah : of mlinyèh, K.N. brandmerk.

mlinyèh : zie mlinyah.

malonyoh : K.N. schroeijen, zamenkrimpen van het vel [van lonyoh].

malênyok : K.N. indrukken, een deuk maken.

malar : Kw. bovendien, daarenboven [= malah].

mêlar : zie lar, II.

milar : zie ilar en wilar.

milir : K.N. afvaren, een rivier afzakken, vlotten [Sd.Ml.id. Het grondwoord is ilir, het afvaren]. -milirake, N., -kên, K., doen afzakken. -ngiliri, een stroom met iets afvaren of afzakken [Een ander zie bij ilir, boven]. -ngilirake, N., -kên, K., laten afzakken, afvoeren.

--- 613 ---

mular : of molar, Kw. weenen; geween, gehuil [molar, wordt verklaard door duwe panjaluk]. -pamular, verzoek, bede [= panjaluk].

mulur : zie ulur.

molar : zie mular.

malêri : zie walêr.

malirik : K.N. de oogen in het hoofd verdraaijen [van lirik, Vrg. malerok].

malerok : K.N. schuins zien; een scheven mond maken [vrg. malirik en nglirik, bij lirik]. -maleroki, iemand schuins aanzien.

mlarat : z.v.a. malarat.

malarat : K.N. behoeftig, arm; behoefte, nood [Sd. malarat of mararat, [Ar. madharat], schade, nadeel, slechte toestand, bekrompenheid]. dadi malarat, N., dados malarat, K., verarmen. -mlarati, iemand tot armoede brengen; schadelijk, ongezond. kamlaratan, verarmd, in bekrompenheid; behoefte, nood, armoede, bekrompenheid.

malirit : K.N. overheên strijken, afvegen.

mulku : [Ar. mulku], koning, vorst. sang maha missra mulku, zie missra.

malak : K.N. zich alles toeeigenen.

malik : zie walik.

mêlik : zie pêlik, ook z.v.a. malèk, zie êlèk.

mêluk : 1. zie pêluk, 2. K.N. buigen [van êluk].

mêlèk : zie êlèk.

mulêk : zie ulêk.

muluk : zie uluk en puluk.

melik : I. [Ar. milk], K.N. bezitting, eigendom. II. K.N. begeeren, begeerte hebben naar iets wat een ander toebehoort. -melikan, het begeerde voorwerp.

melok : K.N. duidelijk, zigtbaar [Vrg. mêlik en mêlok, bij pêlik, I. en pêlok].

malaku : 1. zie laku, 2. malaku, en malakya, Kw. verzoeken, bidden [beide = anjaluk].

maluku : zie waluku.

malêkah : K.N. een scheur of spleet in den grond maken; een kind ter wereld brengen, baren.

malakul maot : [Ar. Malaakul mauut], de engel des doods.

malakya : zie malaku.

molak-malik : zie walik.

malad : of malêd, Kw. bidden, verzoeken; een begeerte hebben [Zie ook malat]. -maladi, of malêdi, iemand of om iets bidden; een begeerte naar iets hebben [Een ander malêdi, zie bij walêd].

malêd : zie malad.

mulad : zie ulad.

mulud : ook, en eigenlijk, maulud, [Ar. Mauluud], geboren; geboorte, geboortedag; K.N. naam van de derde maand van het Mohammedaansche jaar, anders Rabingoelawal genaamd, waarin Mohammed geboren is. dhikir maulud, zie dhikir, garêbêg mulud, zie garêbêg.

mèlèd : K.N. I. eigendom, bezitting.

--- 614 ---

II. de tong uitsteken.

malêdug : zie balêdug.

malat : z.v.a. malad, malatkung, Kw. een smartelijk verlangen, diepe droefheid.

mêlit : zie wêlit.

mulat : zie ulat, ook Kw. een edelgesteente van groote waarde.

malata : z.v.a. lata.

mêloto : K.N. grappig, koddig; in scherts een leugen zeggen; zwetsen, snoeven, pogchen; een zwetser. een snoever.

mlatar : zie latar.

mlêtêr : z.v.a. malêtêr.

malêtêr : iemand overal achterna loopen.

mlêtuk : z.v.a. malêtuk.

malêtuk : K.N. geheel wit; ook in groote menigte verschijnen.

malati : zie walat, II.

milêti : zie wilêt.

malês : zie walês.

mêlas : zie wêlas.

mêlês : K.N. pik zwart.

milis : zie wilis.

mulês : K.N. zich omdraaijen, dwarlen; een dwarlwind; pijnlijk, van den buik, buikpijn. -mulêsake, N., -kên, K., buikpijn veroorzaken.

mulus : K.N. geheel en al, zonder gebreken, volmaakt, welgemaakt. cêmêng mulus, geheel zwart. pêthak mulus, geheel wit.

mlèsèh : K.N. zich in menigte op den grond verspreiden [van lèsèh].

malesuh : K.N. de huid afstroopen.

mulwa : naam van een vrucht.

maluwa : K.N. een onbewoonde grond, een onbebouwd land.

malawar : Kw. zich overal verspreiden, bedekken, geheel bemorsen.

malawat : Kw. vrij rondloopen, van beesten, b.v. op een weide [= asaba].

maliwat : z.v.a. ngliwat, zie liwat.

maliwis : K.N. naam van een soort van taling.

malawapati : naam van den rijkszetel van één der bondgenooten van de Koråwå's in de Bråtåjoedå.

mluwang : en miluwang, K.N. zich in een hol begeven, zich verbergen: van luwang, I.

miluwang : zie mluwang.

malela : K.N. glinsterende, zwarte grond of zand; Kw. staal [Ml. staal].

mêlolo : K.N. pruilen [van lolo].

milulu : Kw. waar, wezenlijk. amilulu, waar maken, bevestigen.

malêlêt : K.N. omheên slingeren, zich omwikkelen.

milalati : zie wilalat.

malêlêng : K.N. aanstaren.

mlêpah : z.v.a. malêpah.

mlêpuh : z.v.a. malêpuh.

malêpah : zie malupuh.

malêpuh : K.N. met blaren; blaren op de huid door brand veroorzaakt.

malupuh : N., malêpah, K., berouw toonen, vergiffenis vragen [misschien van plupuh].

malopor : K.N. I. het uitvloeijen der hersenen uit de hersenpan.

--- 615 ---

II. K.N. liegen; een leugenaar.

mlapat : of malapat, K.N. ongezien, ongemerkt iemand volgen.

malapat : zie mlapat.

malêdhing : K.N. zich geheel ontblooten, geheel naakt zijn; het bloote achterste laten zien.

malujêng : zie waluku.

malaya : Kw. omzwerven [van laya].

maliyo : benaming van een soort van wit linnen dat van Borneo komt.

maluya : Kw. welvarend, gelukkig, gezond zijn [van waluya].

malya : Kw. z.v.a. milu.

milya : Kw. z.v.a. milu [= tumut].

mulya : K.N. 1. heerlijk, luisterrijk, verheven; 2. hersteld; volkomen genezen of gezond; zich in den vorigen staat herstellen; herstelling [= ilang larane, Sd.Ml. heerlijk, luisterrijk, verheven, aanzienlijk. In deze beteekenis is het waarschijnlijk afgeleid van mula, Skr. maula, van zuiver bloed, van een aanzienlijke afkomst. In de tweede beteekenis is het afgeleid van pulih of ulih]. mahamulya, zie maha, -mulyakake, N., -kên, K., verheerlijken; hersteld maken, herstellen, genezen. -kamulyan, heerlijkheid, luister, majesteit; achtbaar [= nugraha].

malyarata : benaming van het paleis van Batårå-Éndrå.

malaywèng : Kw. z.v.a. malayu.

malam : N. [lilin, K.] was [Sd.Ml.id.]; ook benaming van een soort van Mangga. damar malam, zie damar.

malêm : I. K.N. vochtig, klam; vocht. II. Kw. nacht [= wêngi, Ml.id.]; K.N. de nacht vóór een volgenden dag, en die volgens de Mohammedaansche tijdrekening tot dezen volgenden dag behoort; b.v. malêm Salasa, de nacht vóór Dingsdag, d.i. volgens onze tijdrekening, Maandag nacht. ing malêm Sanèn wanci jam kalih, in den nacht vóór Maandag (d.i. Zondag nacht) om twee uur. -malêman, offeranden van spijzen, die in de maand Ramelan tegen zonnenondergang uitgedeeld worden, op den 21sten door den Vorst, op den 23sten door den Kroonprins, op den 25sten door de Pangerans aan het hof, op den 27sten door den Raden Adipati, op den 29sten door de Toemenggoengs, ter gedachtenis van Mohammed, die in zijn afzondering in een spelonk op die avonden van de voor hem gereedgemaakte spijzen geen gebruik wilde maken, waarop die aan zijn volk uitgedeeld werden. -pamalêm, het doen en uitdeelen van die offeranden. -pamalêman, z.v.a. malêman.

malim : [Ar. muallim], onderwijzer, meester; K.N. stuurman; geneeskundige; geneeskunde [Ml. meester, stuurman, leidsman].

mulêm : Kw. behagen scheppen, genoegen hebben [= adhêmên].

mlamari : K.N. verbergen, bedekken.

malmil : K.N. snoepen [vrg. kacêmal-kacêmil].

malompong : K.N. een holte, een gat of een gat maken; ook stomme verwondering toonen, met verwondering naar iets zien zonder te spreken [spre...]

--- 616 ---

[...ken] [De grondvorm is lompong, zie lompongan].

malimpingi : K.N. op iets doelen, naar iets wijzen; toespeling op iets maken.

malembat : K.N. het een op het ander, b.v. van de eenen boom op den anderen, springen; van de eene plaats naar de andere brengen; van den een op den ander overdragen [van lembat, Vrg. malembang].

malêmbung : K.N. uitdijen, zich uitzetten, grooter worden.

malembang : z.v.a. malembat.

malaga : Kw. zich naar het slagveld begeven [van palaga, zie laga].

malige : Kw. K.N. een troon, een gouden stoel, een koepel [Ml. Maligai], paleis, of dat gedeelte van het paleis waar de slaapvertrekken zijn]. -maligèn, zitplaats [= palungguhan].

mêlagar : K.N. in den brand steken, verbranden [De grondvorm is wêlagar]. kawêlagar, l.v.: zie boven.

milêg-milêg : K.N. den buik overladen, te veel gegeten hebben; overladen overkropt [van pilêg?].

malbèng : z.v.a. malêbèng.

malêbèng : ineensmelting van malêbu ing.

malathi : naam van een kleine, witte, welriekende bloem, een soort van jasmijn, waarvan gewoonlijk ruikers gemaakt worden en die de vrouwen in het haar dragen [Ml.id.].

malêthik : K.N. het sprengen, spatten van water; als Tj. Sengk. nul [vrg. malêtik, bij plêtik].

malothot : K.N. I. een zweer uitdrukken. II. liegen; leugenaar.

malang : zie alang.

maling : N. [pandung en mandung, K.] bij nacht stelen; stelen in 't algemeen; een dief [Sd.Ml.id.: waarschijnlijk van aling]. -malingi, iemand bestelen. kamalingan, bestolen; diefstal. -malingan, gestolen goed.

mêlêng : zie pêlêng, -mêlêng-mêlêng, zie beneden.

mêling : zie wêling, -mêlingi, iemand met iets belasten [Een ander zie bij pêling].

mêlung : K.N. lang adem halen, de stem of het geluid rekken. mêlang-mêlung, herhaaldelijk lang uithalen; zuigen.

milang : zie wilang.

mulang : zie wuruk.

mulung : zie ulung, wulung, en pulung, ook K.N. een toestemmend antwoord geven.

malongo : K.N. met open mond naar iets staan te kijken [vrg. malongok].

milangoni : z.v.a. nglangoni, zie langon.

malongok : z.v.a. malongo, [De grondvorm is longok, vrg. nglongok].

malangkrik : K.N. de handen in de zijden zetten [vrg. mangkrak, en malang kadhak].

malangkring : K.N. het zitten van een vogel op den tak van een boom [Vrg. malangkrong].

malangkrong : K.N. op een boom zitten, op een hoom zijn verblijf houden [Vrg. malangkring].

malang kadhak : z.v.a. malangkrik.

malêngkung : zie palêngkung.

--- 617 ---

mlongos : K.N. onwillig zijn om te luisteren.

malangsumirang : K.N. onbehoorlijk, onbetamelijk.

mêlang-mêlang : K.N. ongerust, ongerustheid, ongerust zijn [vrg. sumêlang]. bangêt mêlang-mêlange atiku, ik verkeer in groote ongerustheid.

mêlêng-mêlêng : K.N. blinkend; vernis.

milang-miling : zie iling.

miling-miling : zie iling.

mepu : Kw. duister, donker; verlegen, in de war zijn.

mepe : zie pe.

mèpèh : K. goud louteren.

mapan : I. zie papan, II. z.v.a. apan.

muphakat : [Ar. muwafakat], K.N. overeenstemming, eenstemmigheid; met overeenstemming, overeenstemmend, eenstemmig, met algemeene stemmen; overeenstemmen. -muphakatake, N., -kên, K., iets met algemeene overeenstemming doen aannemen.

maphad : Ar. gestorven, dood zijn [beter maphat, van waphat, Ar. wafaat], iemands dood, het overlijden].

mèpèd : K.N. zamendrukken, digt aan elkander sluiten [vrg. mipit, bij pipit].

mopol : zie bij pupul, III.

mêpêg : K.N. I. volwassen, volgroeid. woh kang mêpêg gêdhene, vruchten, die haar volkomene grootte bereikt hebben. amêpêg birai, huwbaar geworden zijn, van een meisje. -pamêpêg, de volle rijpheid, van vruchten; de volle maan. II. beletten, tegengaan.

mupung : z.v.a. mungpung, of mumpung, zie pungpung.

muphangat : Ar. zich aangenaam, wel gevoelen, [waarschijnlijk verbastering van het Ar. mu'aafaat], behoud voor leed of uit een ziekte].

mapunggung : zie mahapunggung.

mêdhi : zie wêdhi.

mudha : 1. Kw. onnoozel, onwetend [= balilu, Skr. moêdha]; 2. Ml. jeugdig, jong [= anom].

mudhi : K.N. stuur, roer [Sd.Ml.id.]. juru mudhi, stuurman. -kamudhi, kêmudhi of kumudhi, roer van een schip. -ngêmudhèni, z.v.a. mudhèni, sturen. -mudhèkake, N., -kên, K., een schip sturen.

mudhèh : Kw. roepen, ontbieden [= undang].

madhahi : zie wadhah.

mêdhun : zie udhun.

midhun : z.v.a. mêdhun, zie udhun.

mudhun : zie udhun.

madhana : Kw. verliefd zijn; den bijslaap uitoefenen [asmara].

mêdhar : zie wêdhar.

mudhari : van wudhar, z.v.a. ngudhari, zie udhar.

madharan : zie dhahar.

mudhik : zie udhik.

madhuki : zie wadhuk.

medhak-medhok : K.N. op een onbetamelijke wijze tandakken.

mudhak-mudhêk : K.N. zich slechts tot één plaats bepalen.

mêdhit : K.N. gierig, karig. wong mêdhit, N., tiyang mêdhit, K., een gierigaard.

madhul : K.N. zich verspreiden, uit elkander

--- 618 ---

vliegen. madhul-madhul, K.N. zich naar alle kanten verspreiden.

madhêp : I. N. [ook wel marêp, N., majêng, K.] met het gezigt of het front ergens naar toe; het gezigt ergens naar toe of ergens op rigten of gerigt houden; iets bedoelen, op een zaak bedacht zijn [van adhêp]. madhêp lawang, met het gezigt naar de deur. madhêp ing keblat, met het gezigt naar Mekka, bij het gebed. II. K.N. een volwassene kip.

madhang : N. rijst eten [van wadhang?]. -madhangan, personen die zamen rijst eten. -madhangi, en madhangake of -kên, zie padhang.

midhang : K.N. I. voor zijn pleizier ergens naar toe gaan, zich vermaken. II. gedurende een ziekte een gelofte doen. -midhangan, zie beneden.

mudhêng : K. verstaan, begrijpen.

mêdhang kamulan : z.v.a. mêndhang kamulan, zie mêndhang.

madhangkungan : naam van de twintigste Woekoe.

midhangan : K.h. [pundhak, K.N.]. schouder, oksel. -pamidhangan, de schouders.

midhangêt : K.h. [ook miyarsa, K.h., ngrungu, N., mirêng, K.] hooren. -midhangêtakên, aanhooren. -pamidhangêt, het plaats hebben van midhangêt.

maja : I. naam van een vrucht, die de gedaante van een appel en een zoetachtigen smaak heeft, maar waarvan de pit bitter is [Skr. madjâ, merg van beenen, pit of sap van boomen]. majapahit, N., maospahit, K., naam van een vroegeren rijkszetel op Java. majatikta, majalangu, en majalêngka (ook in Kråmå maostikta, enz.) Kawische benamingen van Mådjå-pahit. majaranu, naam van een land. II. Kw. zijn, voorhanden zijn; kind [= ana en anak].

maju : zie aju.

miji : K.N. uitkiezen, er één uit nemen, afzonderen; ook afzonderlijk onder een hoofd staan, van mindere beambten, die onmiddellijk onder den Soesoehoenan, Kroonprins, Rijksbestierder of andere aanzienlijke personen staan [van iji]. kapiji, afgezonderd. -miji pinilih, en miji pinilih lêbêt, benaming van twee soorten van soldaten van den Soesoehoenan. -mijèkake, N., -kên, K., aan één boven anderen de voorkeur geven.

meja : K.N. tafel [Port. mesa of meza; Sd.Ml.id.]. meja bundir, een ronde tafel.

majuh : Kw. eten.

mujah : zie mojah.

mojah : of mujah, K.N. kous; handschoen [Pers. mauzat], laars; kous; Ml.id.]. -mojahan, van kousen voorzien zijn, kousen dragen.

mêjên : K.N. stuip; stuipen hebben.

mejan : zie maejan.

mêjana : Kw. middelmatig, gering, niet veel waard; geringachten, minachten [= angina]. -mêjanani, iemand geringachten, minachten, kleinachten, met minachting iemand behandelen; iemands bevelen met onverschilligheid vernemen, niet opvolgen.

mêjani : K.N. den prijs van een te verrigten wonder bepalen [vrg. mêjaji].

--- 619 ---

majar : zie jar, en ajar.

mijir : zie ijir, en pijir.

mujur : K.N. in de lengte uitgestrekt; in de lengte ergens naar toe gerigt zijn of liggen; regtuit, regtdoor, regt voor de vuist; billijk, regtvaardig; ook gelukkig in het spel zijn [van ujur].

mojar : zie ujar, ook naam van een medicinaal kruid, ander godhong wuni genaamd.

mijêrah : K.N. I. tellen, rekenen [vrg. ejrah]. II. dwingen, noodzaken.

majik : Kw. raadplegen.

mêjak : en mêjêk, zie wêjak.

mijiki : zie wijik.

majakan : naam van een boom, waarvan men de vrucht gebruikt tot medicijn of om de tanden zwart te maken.

majad : K.N. natuurlijk, natuurlijk en waarschijnlijk gevolg van iets, natuurlijkheid, waarschijnlijkheid; natuurlijk zijn [waarschijnlijk het Ar. majaaz], doorgang, passage; passend, voegzaam, gevoeglijk]. ing majad, natuurlijkerwijze. majade, N., majadipun, K., het is natuurlijk, dat, enz.

mujadahi : Ar. K.N. wederstaan, bestrijden; een aandoening overwinnen [van het Ar. mujaadah], ernstige aanwending van moeite, strijd met iemand of iets].

majusi : K.N. opstoken, aanhitsen.

mijil : zie wijil.

mêjaji : N. de waarde van iets bepalen [vrg. mêjani].

mujya : Kw. z.v.a. muji, zie puja.

mêjêgi : K.N. het voorhoofd schilderen.

majibi : zie wajib.

majêng : zie paju, en payu.

mêjang : I. zie wêjang, II. Kw. van elkander scheiden; tegenspreken.

mujang : K.N. voor een schuld dienen, pandeling zijn [misschien van wujang, vrg. bujang]. -mujangake, N., -kên, K., iemand als pandeling voor een schuld laten dienen; een schuld afbetalen door als pandeling te dienen. -mujangan, pandeling, iemand die voor een schuld dient. -pamujang, het dienen als pandeling. -pamujangan, pandelingschap.

mujung : K.N. uitgestrekt liggen, liggende het geheele lichaam met een kleed bedekken [van ujung].

majangi : zie wajang.

maya : Kw. I. verborgen; schaduw; een beschaduwde plaats [= samar en wêwayangan, Skr. mâja, bedrog, begoocheling der zinnen, illusie; ook het schijnbaar, onwezenlijk bestaan van al het zinnelijke, gepersonificeerd als een godin, de gemalin van Brahmâ, en de onmiddelijke oorzaak der schepping. Ml. begoocheling der zinnen, schim, schaduw]. manikmaya, zie manik, -winaya, zie boven. -kêmayan, zie boven. II. licht, glans; helder, schitterend. maya-maya, een helderen glans verspreiden, van een schoon gelaat. katon maya-maya, K.N. doorschijnend.

mayo : I. K.N. zeere oogen hebben. II. zie ayo.

mayun : Kw. willen, verlangen, begeeren: van ayun [= arêp].

--- 620 ---

mayar : K.N. ligt, gemakkelijk.

mayor : Holl. majoor.

miyarakên : zie wiyar.

myarsa : zie piyarsa.

mayuk : K.N. een schuinsche rigting nemen.

miyak : zie wiyak en piyak.

muyêk : K.N. naar alle kanten, overal, geheel en al.

mèyèk-mèyèk : K.N. onder een last bezwijken.

mayid : z.v.a. mayit.

myat : zie miyat.

mayat : K.N. schuins oploopen [Het grondwoord is ayat, glooijing, schuinte].

mayit : [Ar. mayyit], K.N. een doode, een lijk [Sd.Ml.id.]. gotong mayit, lijkdrager.

miyat : of umiyat en myat, Kw. zien [= andêlêng of ningali]. -miyatani, bezien, beoogen, bedoelen; aan het oogmerk voldoen. datan miyatani, niet aan het oogmerk voldoen; geen uitwerking hebben.

miyut : K.N. waggelen, schommelen. miyut-miyut, aanhoudend schommelen.

miyos : zie wiyos.

mayas suta : Kw. de zon [Skr. Mâjâsoeta, naam van Boedha, den stichter der Boedhasekte: zamengesteld uit maya en suta].

mayag : K.N. dik, vet.

myang : Kw. en, met, benevens [= miwah en mwang = kalawan].

mayang : I. K.N. de bloem van de Pinang [Ml. de bloesem van den kokosboom, betel of andere boomen van die soort; Sd. bloesem]. kêmbar mayang, zie kêmbar. II. Kw. verwoest, bedorven [= rusak]. -kamayangan, zie boven. III. zie wayang.

mayêng : zie ayêng.

miyang : Kw. naar, tot, aan [= mênyang].

muyêng : zie uyêng en puyêng.

moyang : K.N. rondloopen, omzwerven, dolen.

mayangkara : bijnaam van Hanoman [Het wordt verklaard door wêwayangan].

miyanggo : Kw. leguaan.

mama : zie papa.

mami : Kw. ik, mij, wij, ons; mijn [= aku].

mimi : K.N. een soort van kleine slakken; ook naam van een medicinale droogerij.

muma : Kw. droog gras [= sukêt mati].

mumu : Kw. gunst, genegenheid [= asih].

meme : zie pe.

mamah : K.N. [anggilut en ngwaja, K.h.] kaauwen, tusschen de tanden kaauwen; kieskaauwen [Ml.id.Vrg. ngêmah]. kamamah, l.v.

momohan : K.N. versleten, afgedragen; vodden [van amoh, De grondvorm is dus moh].

mêmêntahi : K.N. tusschen beiden komen; partijen met elkander verzoenen.

mêmêndhapan : zie mandhapan.

mamar : K.N. verbijsterd, onduidelijk voor de tegen. [Ml. gekneusd, vermink, verzwakt. Vrg. mar].

mimir : K.N. melaatsch; vergaan, vergruisd.

mumur : K.N. door elkander vermengd [vrg. momor].

--- 621 ---

momor : zie awor.

mamrih : zie amrih.

mêmarih : K.N. teregtwijzen, aanwijzen.

mamarta : zie warta.

mamarti : zie warta.

mamartos : zie warta.

mamring : K.N. een verlatene plaats, somber. mamringe alas iki, de somberheid van dit bosch.

mèmrèng : benaming van een waarschijnlijk verdicht of fabelachtig dier, behoorende, zoo als men zegt, tot de soort der reebokken of langharige hertebeesten. mèmrèng mas, een dier van goud, dat de gedaante van een buffel zonder horens heeft en tot de onderscheidingsteekenen van den Soesoehoenan behoort.

mamak : K.N. dom, onwetend.

mêmak : K.N. niet veel haar op het hoofd hebben.

mèmèk : zie mèk.

mumuk : K.N. blind, onzigtbaar; ongeregt, onregtvaardig.

mêmêd : K.N. niet te verbeteren, onverbeterlijk.

mumud : K.N. tot brij worden, in een brij veranderen.

mamêdan : Kw. een ziekte veroorzaken.

mêmêdos : zie wêdi.

mumêt : K.N. duizelig, duizelig in het hoofd; [ngêlu, K.N., puyêng, K.h.] hoofdpijn.

mèmèt : zie mèt.

momot : zie amot, -momoti en momotan zie amot en wowot.

mimiti : zie wiwit.

memuti : zie emut.

mèmèti : K.N. eijeren leggen.

mêmês : K.N. mollig, zacht.

mimis : K.N. kogel, geweerkogel [Sd.Ml. hagel]. -ngêmimis of angmimis, als een kogel zijn.

momol : K.N. zacht, week, malsch.

mêmpan : K.N. I. met een snedig wapen snijden of wonden [van êmpan, zie êmpa]. II. branden, in vlam staan.

mêmpên : K.N. zich stil houden, geen geluid maken.

mumpuni : K.N. beheerschen, overheerschen, in onderwerping brengen, heerschen, regeren; volleerd, volkomen bedreven in een wetenschap [= anguwisi].

mampir : zie ampir.

mèmpêr : zie èmpêr.

mamprang : Kw. kwalijk nemen, gebelgd zijn.

mamprung : K.N. doorslaan, op hol gaan.

mampêt : zie ampêt en pampêt.

mampus : [Ml. mampus], dood, gestorven [van het grondwoord ampus, [ampus], uitdoen, uitwisschen].

mimpês : K.N. afnemen, verminderen.

mêmpis-mêmpis : zie êmpis.

mêmplak : K.N. zeer wit zijn.

mumpluk : K.N. schuimbekken [van umpluk].

mampang : K.N. zich verzetten, dwarsboomen, tegengaan, beletten; vermetel, brutaal zijn [van den grondvorm ampang, [Ml. ampang], dwars in den weg, in het midden; dwars in den weg leggen;

--- 622 ---

een weg afsnijden, een haven afsluiten. Vrg. mumpang en mumpung].

mêmpêng : K.N. in een staat van volkomenheid zijn, nog op het hoogst, op zijn best of op zijn sterkst zijn; b.v. wanine mêmpêng, zjn moed is volkomen, d.i. hij is vol moed. wayahe mêmpêng, hij is in den bloei van zijn leven. -pamêmpêng, Kw. de juiste tijd.

mimpêng : Kw. middelmatig.

mumpang : Kw. I. durven, wagen [vrg. mampang en mumpung, I.] mumpangkara, zich tegen de wetten of wettig gezag verzetten. II. op elkander liggen [vrg. tumpang].

mumpung : K.N. I. vermetel [vrg. mampang, en mumpang, I.]. mampang-mumpung, zeer vermetel; willekeurig handelen; geweld gebruiken. II. zie pungpung.

mambu : zie ambu, mambu angin, N., mambêt angin, K., naar den wind rieken, verschaald, verslagen; ook mambu angin, K.N. korst.

mimba : z.v.a. memba, zie emba.

memba : I. zie emba, II. Kw. de hoofdplaats verlaten, zich verwijderen, weggaan.

mimbuh : zie imbuh.

mimbar : [Ar. mimbar], K.N. kansel, predikstoel, in een Moskee.

mambêk : of mambêg, zie ambêg, ook niet gewoon om te verliezen, onoverwinnelijk.

mumbuk : K.N. opstapelen [van umbuk].

mambêt : zie ambu en mambu.

mumbul : zie umbul.

mambêg : zie mambêk.

mambêng : zie ambêng.

mamang : of mangmang, Kw. K.N. huiverig, bevreesd zijn, aarzelen, twijfelen; zich ongerust maken [mamang = durung pracaya, vrg. mimang].

mimang : Kw. in de war, verlegen zijn [vrg. mamang].

momong : zie among, momong murka, eign. van een Boetå-hoofd [Het verklaard door wuru].

muga : N., mugi, K., moge, dat, moge, bij wenschen, met volgenden Jussief. Zoo ook kang muga, N., ingkang mugi, K., en meer dringend of smeekend muga-muga, of kang muga-muga, N., mugi-mugi of ingkang mugi-mugi, K.

mugi : zie muga.

mega : K.N. wolk [Sd.Ml.id.; Skr. mêgha]. mega mêndhung, een regenwolk, naam van een hoogen berg in het Westen van Java.

moga : I. Kw. wezenlijk, waar; omdat, dewijl [= nyata en amoga, = anyata]. II. benaming van een onbekend wapen [amoga, wordt verklaard door sênjata]. III. naam van een soort van buikband of gordel. IV. Kw. doen, maken, werken. V. Kw. buffel [= kêbo].

mêgahake : N., -kên, K., zwarigheden in iets zien [van wêgah].

miguna : Kw. ophitsen, opstoken [van guna]. -migunani, tot voordeel strekken, baten, aan het oogmerk voldoen.

migênani : Kw. = anglarani [van wigêna].

mêgar : zie êgar.

mugarèni : K.N. aanwijzen, teregtwijzen [van wugari].

--- 623 ---

mêgrog : K.N. zich langzaam openen.

mogok : K.N. zich verzetten, weigeren, onwillig, wederspannig zijn. -pamogok, onwilligheid, weêrspannigheid, weigering.

mêgatruh : naam van een zangwijze.

magêtan : naam van een distrikt op Java. -kamagêtan, het Magetansche.

megos : K.N. scheef maken.

magasesa : Kw. niet geheel dood zijn.

magawan : zie bagawan.

mogol : K.N. onrijp, niet gaar.

magoli : K.N. iemand in den weg treden, tegenhouden, wederstaan; iemand moeijelijkheden in den weg leggen.

moglèng : K.N. slechts met de punt in de gordel gestoken zijn, bijna geheel er uitsteken, van een kris; een kris bijkans geheel uit den gordel halen om hem te laten zien [vrg. ngoglèng en mongglèng].

mêgap-mêgap : K.N. hijgen, snel adem halen.

migêg : K.N. verwonderd, ontsteld [vrg. wigugên en wagugên]. migêg-migêg, zeer ontsteld zijn, van groote ontsteltenis bewegingloos zijn.

magang : K.N. op een aanstelling wachten, om een post verzoeken; iemand die op een aanstelling wacht. -magangan of pamagangan, woning of plaats van een Magang; naam van een plein ten zuiden van de Kraton.

mobah : K.N. zich bewegen; weifelen, twijfelen; twijfelachtig [van obah].

mabên : zie madu, -mabêni, zie padu.

mibra : Kw. zoeken [= pados].

mabur : zie bur.

mibêr : zie ibêr.

mibur : zie ibêr.

mubarang : K.N. of N., alle, alle bijzondere, zonder onderscheid welke [van barang]; b.v. nguruni ing mubarang wragad, in alle kosten deelen. -samubarang, zie boven.

mubadir : Ar. berouw, spijt [?]

mobat-mabit : zie obat-abit.

mabul : K.N. een vlok.

mubal : zie ubal, ook K.N. een bonte staart.

mublak : K.N. glans, schijnsel.

moblong-moblong : K.N. een vrouw die de cokette speelt.

mubyar : K.N. glinsteren, schitteren, een glans verspreiden [van ubyar].

mabyung : zie byung.

mubyung : Kw. zich op een punt verzamelen [van ubyung].

mubêng : zie ubêng.

motha : zie potha, ook K.N. zeildoek, zeil [= gêblêg].

mothah : K.N. sterk op iets aandringen, aanhoudend bidden, smekend verzoeken [= duwe panjaluk]. mothah-mothah, de vooruitstekende buik van een zwangere vrouw; zwanger zijn. -pamothah, een dringend verzoek; iemand die een dringend verzoek doet, aanhoudend smeekt.

mathinthing : K.N. digt aan het lichaam sluiten.

mêthanthang : mêthangthang of muthangthang, K.N. zich op zijn gemak neêrvlijen.

mengok : K.N. een groot, breed gezigt hebben.

--- 624 ---

mêthèthèk : K.N. den buik vooruitsteken.

mêthuthuk : K.N. een opgeworpen heuvel; een opgeblazen mensch.

mathingkrik : K.N. zich op een hoogte plaatsen; een trotsche houding aannemen.

mêthangkrok : K.N. de handen om een boom slaan, om er op te klimmen.

muthangkus : Kw. zich het aanzien van een geleerde geven.

mêthangthang : zie mêthanthang.

ming : zie ping en mung.

mung : N., amung, K.N., namung, K.; ook wel ming, N., aming, Kw. K.N., naming, K.; en amêng, Kw. en K.D., zie amung, waar echter de onderscheiding van het gebruik dezer woorden in de verschillende taalsoorten op die wijze, zoo als hier geschied is, verbeterd moet worden. Ook is daar bij ngamungake, N., als het gewone Kråmå, ngamungakên, te voegen.

mong : zie among, ook Kw. tijger [= macan].

mangu : Kw. huiverig, bevreesd, beschroomd, met ontzag vervuld zijn [Het wordt ook verklaard door sawêg ginalih]; ook naam van een poort ten Zuiden onder aan de Sitinggil van de Kraton te Soerakarta in vroeger tijd. balemangu, naam der Pandåpå, vóór de woning van den Rijksbestierder, en van de regtbank, die dáár gehouden wordt en waarvan de Rijksbestierder de voorzitter is.

mênga : zie wênga.

mêngi : K.N. kuch, kuchen; kortademig, engborstig [Sd. engborstigheid].

minge : z.v.a. mengo.

mungu : zie wungu.

mengo : K.N. het hoofd of aangezigt wenden, keeren, afwenden; op zijde zien; van den weg afgaan, een anderen weg kiezen [vrg. minge].

mangah-mangah : K.N. roode kleur van het gelaat [De grondvorm is angah, Vrg. ngangah-angah].

mangun : zie wangun.

mangêni : zie wangên.

mangunah : Ar. magt, aanzien [Ar. ma'uunah], hulp, hulpmiddel].

mangênèni : z.v.a. ngênèni, van kêni.

mangunandika : Kw. z.v.a. ngunadika [zie unadika].

mangunêng : Kw. 1. in beweging brengen; 2. droefheid, hartzeer.

mangandon : z.v.a. andon.

mangandikani : en mangandikakakên, zie andika, II.

manguntur : naam van de poort bij den ingang van de Sitinggil [Het wordt verklaard door sitinggil]. manguntur tangkil, naam van een klein gebouw op de Sitinggil. mangunturniti, naam van een gebouw in den voorhof van de Soerålåjå.

mangundhuh : z.v.a. ngundhuh, zie undhuh.

mingêr : K.N. op zijde gaan, langs heên gaan [van ingêr, Zie ook bij ingêr]. mingar-mingêr, of mingêr-mingêr, verschuiven, van de eene plaats naar de andere verschuiven.

mangèrnawa : Kw. zeewaarts gaan: van hèrnawa [zie bij hèr, I.].

mangaras : Kw. z.v.a. ngaras, zie aras.

--- 625 ---

mangarsa : K., naar voren, voorwaarts: van ngarsa, zie arsa.

mangar-mangar : K.N. van de zon gebrand.

mungur-mungur : K.N. rood in het gezigt worden, ten gevolge van het gebruik van sterken drank of van iets dat iemand niet wel bekomt.

mangke : zie mêngko.

mêngku : zie wêngku.

mêngko : N., mangke, K., mangkin, Kw. aanstaande, toekomende; aanstonds, dadelijk, straks, op 't oogenblik, zoo met één; ook wacht! [Sd. mangke, id. Vrg. rêke, De grondvorm is dus ko, en ke, z.v.a. het demonstrative ka, ki of ku]. -ing mêngko, N., ing mangke, K., of ook enkel mêngko, N., mangke, K., thans. samêngko of ing samêngko, N., samangke, of ing samangke, K., samangkin, Kw. tegenwoordig. mêngko sore, N., mangke sontên, K., aanstaande avond, d.i. heden avond. mangke wulan, aanstaande, of toekomende, maand. dunya mangke, de toekomende wereld. mêngko sadhela êngkas, wacht nog een oogenblik! dasalan mangkin, tot heden toe. sadina mangkin, heden ten dage.

môngka : I. verkorting van minôngka, b.v. mangkane, het oogmerk daarvan. mangkane matèni sira, hij heeft het oogmerk om u te dooden. II. K.N. een voegwoord, dat dient om een volgende zin met een voorgaanden naauw en met nadruk te verbinden; zoo veel als ons èn, met nadruk, of ons voegwoord nu [Ml. maka] . Meestal wordt het gebruikt tot verbinding van twee onderstellingen; b.v. anadene wong kang ambedhang iku mau, yèn nganti tatu utawa mati, môngka ana ahli warise ora narima, Indien nu die genoemde overspeler gewond raakt of sterft, en er zijn erfgenamen van hem, die niet tevreden zijn.

mangêkah : zie mangukuh.

mangukuh : N., mangêkah, K., stevig, sterk maken; bij iets dat stevig is vergelijken. -mangukuhan, eign. van een Vorst van Mendang-Kamoelan.

mingkail : zie mikail.

mangkin : zie mêngko, ook verkorting van samangkin.

mangkana : mangkono of mêngkono, N., mangkotên, makotên of mêkotên, Md., makatên, mêkatên of mêngkatên, K., op die wijze, in dier voege, zoo, alzoo, zoodanig; en mangkene of mêngkene, N., makètên, mêkètên, mangkètên of mêngkètên, Md., doch ook makatên, mêkatên of mêngkatên, K., op deze wijze, in dezer voege, dus, aldus, dusdanig [van kana, kono en kene, zie kana, II.]. kaya mêngkono, zulk een. yèn mêngkono, als het zoo is; bij gevolg. yèn ora mêngkonoa, indien het niet zoo ware. mêngkono manèh, zoo wederom; desgelijks. mila mêkatên, de reden is aldus, de reden is deze.

mangkene : zie mangkana.

mangkone : zie mangkana.

mêngkene : zie mangkana.

--- 626 ---

mêngkoni : zie wêngku.

mangkono : zie mangkana.

mêngkono : zie mangkana.

mêngkonok : z.v.a. mêngkono.

mêngkêr : zie ungkur, -mêngkêri, en mêngkêrakên, zie pungkur.

mungkar : K.N. afvallig worden [= nyimpang, misschien het [Ar. munkar], niet erkend, verworpen, slecht, enz.].

mungkir : of munkir, ook wel mukir, K.N. verloochenen, niet erkennen; loochenen, ontkennen [Ar. munkir], niet erkennend, verloochenend; Sd.Ml.id.]. -mungkiri, iemand of iets verloochenen, niet erkennen. -pamungkir, verloochening, ontkenning.

mungkur : zie ungkur, -mungkuri, en mungkurake, zie pungkur.

mangkara : Kw. I. onbestaanbaar, onmogelijk. II. garnaal of zeekreeft; ook naam van een Windoe [= urang sêgara, Skr. makara, naam van een fabelachtig zeemonster, dikwijls afgebeeld met den kop en voorpooten van een antilope, en met het lijf en den staart van een visch; ook naam van het hemelteeken de Steenbok]. mangkara byuha, de slagorde van den kreeft.

mangkrak : K.N. de handen in de zijden zetten, een houding van kwaadheid en dapperheid aannemen [= langkung duka sarwi asru ngandika, Het wordt ook verklaard door baribin, en rame, Vrg. malangkrik].

mangkruk-mangkruk : K.N. op een hoogte zitten.

mêngkarag : K.N. van schrik beven.

mêngkirig : K.N. het in de hoogte rijzen der haren van schrik.

mêngkorog : K.N. ruig haar; vrees, angst.

mêngkurêb : zie kurêb.

mingkrang : K.N. in een onwelvoeglijke houding zitten [vrg. ngingkrang].

mèngkrèng-mèngkrèng : K.N. zich op den rand van iets bevinden.

mangkak : K.N. vuil, morsig.

mengkok : K.N. weigeren, onwillig zijn.

mongkok : K.N. zich door vleijerij geëerd gevoelen; ook naam van een wijze van op de Gamellan te spelen.

mungkuk-mungkuk : z.v.a. mungkug-mungkug.

mengkod : z.v.a. mengkot.

mingkêd : zie ingkêd, eig. wijken, ontwijken. mingkêd sarambut, een haar breed wijken.

mangkidi : zie wangkid.

mangkat : zie angkat.

mengkot : K.N. zich door een beweging van het lichaam onwillig toonen. mengkot-mengkot, zich door draaijen en keeren afkeerig toonen.

mangkètên : zie mangkana.

mangkotên : zie mangkana.

mêngkatên : zie mangkana.

mêngkètên : zie mangkana.

mangkoti : zie wangkot.

mangkas : Kw. met drift iets verrigten.

mingkis : zie wingkis.

mangkawa : zie wangkawa.

mangkêl : K.N. in de keel zitten blijven; een onaangenamen nasmaak hebben; zeer aangedaan, bedroefd zijn.

mangkul : z.v.a. manggul.

--- 627 ---

mungkul : K.N. in de Godsdienst volharden, regtzinnig, godsdienstig zijn.

mangkali : zie wangkal.

mangkili : zie wangkil.

mingkup : K.N. open, zich openen [van ingkup]. -ngingkupake, N., -kên, K., open maken, verder uitzetten, uitbreiden.

mangkya : Kw. z.v.a. mangke.

mingkêm : zie ingkêm.

mingak-minguk : zie pinguk.

mungkug-mungkug : ook mungkuk-mungkuk, K.N. walgen; misselijk.

mêngkab : zie êngkab.

mêngkang : zie wêngkang.

mangidul : zie kidul.

mangetan : zie wetan.

mèngêti : zie èngêt.

mingit-mingit : K.N. spits, puntig.

mangsi : I. K.N. inkt [Sd.Ml.id., Skr. masi]. -minangsi, met inkt geverwd, de kleur van inkt aan iets gegeven. -mangsèn, inktkoker. II. zie môngsa, III.

mungsa : zie musa.

mungsi : naam van een medicinale droogerij.

môngsa : I. K.N. tijd; getijde, jaargetijde, saizoen, moeson, [Sd. mangsa, id., [Ml. masa] ; Skr. mângsa, tijd, en mâsa, een maand of twaalfde gedeelte van een jaar]. De Javanen verdee-[...] het natuurlijke jaar in 12 saizoenen, waarvan de twaalfde en de vijf eersten te zamen môngsa katiga, en de zes anderen môngsa rêndhêng, genoemd worden. Het eerste is, wat men de drooge of goede moeson, of ook de Oostmoeson noemt; het tweede de regen- of kwade moeson, of de Westmoeson. mangsanipun tiyang nêdha, de tijd dat de menschen eten. samôngsa of ing samôngsa en samangsane, N., samangsanipun, K., al wanneer, zoodra als. samôngsa-môngsa of ing samôngsa-môngsa en samôngsa-mangsane of ing samôngsa-mangsane, N., samôngsa-mangsanipun of ing samôngsa-mangsanipun, K., ten allen tijde; langzamerhand, van lieverlede; zoo dikwijls als. môngsa panèn, de oogsttijd. môngsa panas, zomer [Sd.id.]. durung môngsa, N., dèrèng môngsa, K., ontijdig. môngsa jêne, zie jêne en môngsa irêngan, zie irêng. II. K.N. verslinden, vreten, opvreten, van wild gedierte of Boetå's. Zoo ook mamôngsa, minôngsa, dimôngsa, of dipun môngsa, l.v. -mangsan, hetgeen verslonden, opgevreten wordt, prooi. III. K.N. ook mangsi, K., in ontkennende onderstellingen met volgende Jussief: wel niet zullen; het zal wel niet zijn dat; b.v. môngsa anêdhaa tiyang, hij zal wel geen menschen eten. kowe môngsa ora sumurupa, gij weet immers zeer wel. IV. Kw. matig, middelmatig, redelijk [Skr. masa, maat]. madumôngsa, redelijk zoet.

mêngês : K.N. flikkeren.

mingis : K.N. slechts gedeeltelijk ontblooten; voor een gedeelte zigtbaar zijn.

mèngêsa : I. Kw. dwarrelen. II. K.N. scherp, puntig.

mangsah : K.N. zie angsah, ook raken, treffen; en

--- 628 ---

goed werken, van een geneesmiddel. mangsah prang, aanrukken ten strijde. mangsah pati, eign. van den Vorst van Wiråtå in de Bråtå-joedå [Vrg. maswapati].

mêngsah : zie mungsuh.

mungsuh : N., mêngsah, K., vijand [Ml. musuh] ]. amungsuh, N., amêngsah, K., iemand als vijand hebben, tegen iemand strijden, iemand bevechten. -mêmungsuhan, N., mêmêngsahan, K., met een ander of met elkander vijand zijn, in vijandschap leven; vijandschap [Sd. mêmungsuhan]. -manungsuh, N., manêngsah, K., vijandig tegen iemand gezind zijn.

mingsra : zie misra.

mingsêr : zie ingsêr.

mungsêr : K.N. een kring vormen, zich in een kring draaijen.

mangsuk : zie pasuk.

mingsêk : zie ingsêg.

mangsud : K.N. vermengen, vereenigen [vrg. ngasut].

mangsit : zie wangsit.

mangsil : K.N. een streng garen.

mangsul : zie wangsul.

mingsil : z.v.a. misil.

mangsup : Kw. ingaan, naar binnen gaan, indringen [= lumêbu].

mingsêg : zie ingsêg.

mongwa : z.v.a. wongwa.

manguwuh : z.v.a. nguwuh.

manguwir-uwir : zie nguwir-uwir.

mangwang : zie wangwang.

mungwung : zie muwung.

mungal : K.N. uitsteken, zoodat het voor een gedeelte zigtbaar is; zich half ontblooten; een uitstekende punt [grondwoord ungal, het uitsteken, zoodat het gedeeltelijk zigtbaar is; het half ontbloot zijn. Vrg. mungil]. -ngungalake, N., -kên, K., doen uitsteken, half ontblooten, laten zien of vertoonen.

mungêl : zie ungêl.

mungil : z.v.a. mungal.

manglah : K.N. iemand scherp berispen [misschien van lah of van kêlah]. -pamanglah, zucht.

mangilèn : zie kulon.

mangulon : zie kulon.

manglar : Kw. uitwijken, ontwijken, uit den weg gaan. manglar monga, naam van een onheilspellenden vogel.

mangalèr : zie lor.

mangalor : zie lor.

minglêp : K.N. ergens in of doorkruipen.

manglong : z.v.a. manglung.

manglung : K.N. voorover; zich voorover buigen om naar iets te zien of te luisteren; op de loer liggen. manglung-manglung, gedurig op de loer liggen. manglung asta, de hand voorover buigen, uitstrekken.

mangap : K.N. den mond wijd openzetten, om naar iets te happen; den bek of muil openhouden.

mungup : K.N. een gedeelte van het geheel zien.

manguyu : K.N. bediende of ondergeschikte valleen Tåpå [= sabating pandhita].

mangmuk : verkorting van mangamuk, z.v.a. ngamuk.

mangambêk : K.N. overwegen, overleggen: van

--- 629 ---

ambêk, [mangambêk-ambêk, wordt verklaard door ngêsah-êsah].

mangmang : zie mamang.

mongmong : zie among.

manggu : K.N.; manggu-manggu, besluiteloos.

minggu : [Ml. Minggu], Zondag, [Port. Domingo].

môngga : K.N. den moed hebben of besluiten kunnen iets te doen; durven, in staat zijn, vermogen; ook z.v.a. sumôngga [zie boven: hetgeen dus uit su, en môngga, is zamengesteld].

manggoh : z.v.a. mungguh.

mênggah : I. K.N. stokken, verhinderd worden verder te spreken. mênggah-mênggah, afgebroken, telkens afgebroken. II. K. zie mungguh.

minggah : zie ungguh.

munggah : zie ungguh.

mungguh : N., mênggah, K., aangaande, betreffende, wat aangaat, wat betreft, nopens, wegens, omtrent; ook bij, b.v. zweren bij God.

mênggèh-mênggèh : K.N. ademen, snel adem halen, buiten adem zijn.

manggèn : zie ênggon.

manggon : zie ênggon.

minggun : K.N. zwaarmoedig, droefgeestig.

manggar : K.N. de kokosbloem.

mênggêr : K.N. I. een hoogte, heuvel, ook naam van een plaats [vrg. tênggêr en punggur]. II. zonder zich te verroeren op een plaats staan blijven.

munggur : Kw. hoog [vrg. pênggêr]. munggur pèrèng, naam van een landstreek, 16 palen ten Oosten van Soerakarta.

minggring-minggring : of minggrang-minggring, K.N. bevreesd zijn.

mênggik : K.N. dun, mager [De grondvorm is ênggik]. -ngênggik, vermageren, mager worden, uitteeren.

menggok : K.N. ter zijden of op zijde gaan, zich wenden, afwijken, dwalen [De grondvorm is enggok, wending]. -menggak-menggok, heên en weêr, van de ééne naar de andere zijde zich wenden, gaan of wijken. -ngenggokake, N., -kên, K., iets wenden; op een dwaalweg brengen, doen dwalen. -enggokan of enggokan, wending, bogt, hoek, van een weg of stroom.

minggat : K.N. zich heimelijk weg maken, vlugten: van inggat, -nginggati, tot iemand vlugten. kainggatan, de persoon, die een vlugteling bij zich ontvangt. -nginggatake, N., -kên, K., laten vlugten, iemand in de vlugt behulpzaam zijn.

manggis : naam van een zeer smakelijke boomvrucht, die een dikke schil heeft, waarin zich zoete vleeschachtige witte pitten bevinden: de Manggistan, Garcinia Mangostana [Ml. manggis of manggista] . -ngêmanggis, naar een Manggistan gelijken.

munggwing : z.v.a. munggèng.

munggul : zie unggul.

manggala : Kw. K.N. hoofd, aanvoerder, opperbevelhebber in den oorlog; ook Kw. olifant [= kapala, pangarêp, wiwitan en prajurit rosa, Skr. gelukkig, voorspoedig]. manggalagita, naam van een Kawische zangwijze. -pra manggala, z.v.a. manggala.

--- 630 ---

mongglèng : K.N. uittrekken, uithalen [vrg. moglèng].

mênggêp : K.N. stil voor zich neêrzien, zeer aandachtig, zeer met iets ingenomen zijn.

manggung : K.N. 1. voortdurend, steeds, aanhoudend; 2. het geluid van een tortelduif; 3. een meisje dat tot bijzit van den Vorst bestemd is en in de Kraton opgeleid wordt [van anggung].

munggang : zie monggang.

mungging : z.v.a. munggèng.

munggèng : Kw. zich ergens bevinden, ergens zijn [= ana ing, Vrg. anggèng].

menggung : Kw. zich bewegen.

monggang : of munggang, benaming van een wijze van op de Gamellan te spelen.

mangang : K.N. met de handen niet geheel kunnen omspannen.

minging : K.N. een sterken reuk of geur van zich verspreiden.

mèngèng : K.N. weifelen, er van afzien [= kurang tumêmên].

mangangah : zie ngangah.

mangangên-angên : K.N. overdenken, overleggen [van angên].

mangungkung : Kw. droefheid; boetedoening [van kung IV.].

mangangge : zie anggo.

manganggo : zie anggo.

manginggil : zie inggil.