Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

ga : Kw. I. groot, aanzielijk [= gêdhe]. gaga, zie beneden. II. verkorting van ôngga.

gi : Kw. z.v.a. ge, spoedig, snel, gaauw [= akêbat], Vrg. ge en gya.

ge : I. z.v.a. age, [Vrg. gi en gya]. II. zie go.

go : N., ge, K., grondvorm van anggo, en angge, b.v. dipun ge, gebruikt worden.

gah : Kw. een koebeest [= lêmbu, Skr. gô, gauh].

gih : zie inggih.

gau : K.N. het gehuil van een hond.

gahan : Kw. Turksche weit, mais [= jagung].

gaok : K.N. het krassen van een kraai. gaok-gaok, krassen, aanhoudend krassen.

gaota : Kw. K.N. bedrijf, kostwinning; zorg. anggaota, winnen, verdienen (als kostwinning door werken). wong anggaota, N., tiyang anggaota, K., een werkman. -panggaota, ook wel panggauta, en bij verkorting panggota, kostwinning, beroep; werktuig, zintuig.

gaul : K.N. een mond zonder tanden, tandeloos.

--- 631 ---

ghaib : [Ar. ghaaib], verborgen, geheim [Ml.id.].

gaung : naam van een beest, dat omtrent de gedaante van een aap heeft.

gaèng : K.N. gehuil, geween.

gni : zie gêni.

gèn : zie ênggon.

gon : zie ênggon.

gana : I. zie gêgana, II. Kw. gedaante; zijn, wezen; zelf, alleen, in eigen persoon [= wontên, Skr. ghana, stevig, solide, vast, enz. Zie ook anggana]. III. K.N. een jonge bij; een rups waaruit een kapel ontstaat [= laron]. IV. eign. van een Batårå, die de bosschen en het wild beschermt.

gêni : [in poëzie ook gni en agni] N. [latu, K.] vuur [Skr. agni, vuur, en eign. van den God des vuurs]. -anggênèni, vuur stoken, vuur onder iets maken, op het vuur zetten.

guna : I. Kw. vuur, dat verkregen wordt door twee stukken hout tegen elkander te wrijven [= gêni agaran]; als Tj. Sengk. drie. II. K.N. kundig, bekwaam, geschikt, bevoegd, kundig; bekwaamheid, vermogen; nut; bezitting; kunnen, vermogen [= kasêktèn en aguna = luwih sêkti, Sd.Ml. nut, nuttig, voordeelig; Skr. goena, eigenschap, hoedanigheid; uitmuntende hoedanigheid, voortreffe-[...] kheid, verdienste]. kang guna, kunstenaar. tanpa guna, zonder nut, van geen belang. guna nastita, zich wel weten te gedragen. gunakaya, goederen, bezittingen, inkomsten. guna dewa, eign. van een zoon van Ardjoenå. guna talikrama, bijnaam van Joedistirå. -anggunani, zich bekwaam voordoen; betooveren, bekoren. -anggunakake, N., -kên, K., alles in het werk stellen, alle krachten inspannen. -gunan, tooverij, betoovering, bekoring. -kagunan, bekwaamheid, kunde. -pagunan, bekwaamheid, bedrevenheid, kunde, kunst. -pragunan en miguna, zie boven.

gene : N.; iya gene, en gew. yagene of geneya, ook ya geneya [punapaa, K.] waarom? [Dit is boven verkeerd onder ênggon, geplaatst. -pagene, waarom? hoe? wat?

gênah : K.N. bekend; duidelijk, klaar, verstaanbaar. -tan gênah of botên gênah, niet bekend; onduidelijk. -anggênahake, N., -kên, K., duidelijk maken, zich verstaanbaar uitdrukken.

ginau : K.N. zich in iets oefenen, zich op iets toeleggen [vrg. sinau en gêsau].

gêni roga : Kw. donkerrood [waarschijnlijk een schrijffout voor gêniraga, en zamengesteld uit gêni, en raga, Skr. râga, kleur].

gênitri : naam van een kleine ronde vrucht.

ganas : K.N. opvliegend, driftig, ligt geraakt, niet van duur, spoedig slijten.

gonas-ganès : K.N. de gemanierdheid van een vrouw in het spreken, zeer spraakzaam zijn.

gunawan : bijnaam van Wibisånå.

ganal : Kw. spoedig, snel, haastig. aganal, haast maken, met spoed iets verrigten.

--- 632 ---

ganêp : en angganêpi, z.v.a. gênêp en anggênêpi.

gênêp : N. [jangkêp, K.] voltallig, volledig, toereikend, genoegzaam [Ml.id.]. ora gênêp, onvolkomen, onvolmaakt. -anggênêpi, voltallig maken, aanvullen, niet laten ontbreken.

geneya : zie gene.

ganiyan : K.N. erbarmelijk, beklagenswaardig.

gêniyara : benaming van een bijzondere wijze van boetedoening.

ginêm : zie gunêm.

gunêm : K.N. of N., ginêm, K., meening, gevoelen; gesprek om over iets te beraadslagen. gunêming wuwus, de meening van een gezegde. agunêm, N., aginêm, K., een meening zeggen; een gesprek houden om over iets te beraadslagen [= cêcaturan]. -anggunêmi, N., angginêmi, K., over iets een meening uitbrengen, iets beraadslagen. -gunêman of gêgunêman, N., ginêman of gêginêman, K., met een ander of met elkander over en weder spreken, om over iets te beraadslagen. -pagunêman, N., paginêman, K., beraadslaging, gezamentlijk overleg; een raadsvergadering; de plaats waar beraadslaagd wordt; ook z.v.a. gunêman en ginêman.

gincu : K.N. een soort van rooden mergel, waarmede getjapt of gestempeld wordt.

gancar : K.N. vervolg, voortzetting; afstammeling, telg. gancaring cariyos, verkorting van een verhaal, beknopt verhaal. -anggancar, vervolgen, voortzetten, volbrengen.

gancèt : K.N. het paren van een hond.

gancang : K.N. spoedig, snel in het gaan; behendig. gancangan of gêgancangan, haast maken in het gaan; personen die snel gaan; met spoed.

goncèng : K.N.; anggoncèng, achterop zitten, b.v. bij iemand op een paard.

gênuk : K.N. een kleine aarden pot.

gônda : K.N. geur, reuk; reukwerk, wierook, balsem; ook benaming van een soort van Mangga; K. [dhèdhès, N.] civet, muskus [= ambu, Skr. gandha; geur; reukwerk]. sugônda, aangename, welriekende geur. agagônda, balsemen, reukwerk gebruiken. gôndakusuma, naam van een Kawische zangwijze. -anggandani, een geur verspreiden, bewierooken. -gêgandan, reukwerk. -pagandan, een reukvat; reukwerk.

gôndra : I. Kw. kracht, sterkte; waarde. II. K.N. moeijelijkheid, wederwaardigheid, ongeluk.

gandar : K.N. de houten steel van een pijl; een houten krisschede; het omhulsel of bekleedsel der ziel, d.i. het lichaam.

gêndèr : benaming van een muziekinstrument, dat bij de Gamellan behoort. -gênderan, het fatsoen van een Gender hebben, naar een Gender gelijken.

gêndari : eign. der gemalin van Destå-råtå, moeder der Koråwå's [Skr. Gândhârî].

gandera : of gêndera, K.N. vlag, vaandel, banier [een verbastering van bandera]. cagak gêndera of landheyan gêndera, vlaggestok. juru gêndera, vaandeldrager.

--- 633 ---

gandarwa : naam van een soort van hemelsche wezens [Skr. Gandharwa of Gandharba, naam van halfgoden, de toonkunstenaars der goden in Indra's hemel].

gandarwo : gêndrawo of gandruwo, naam van een soort van booze geesten of titans van het mannelijk geslacht, die zich voornamelijk in bosschen ophouden [misschien slechts verbasteringen van het voorgaande woord].

gandruwo : zie gandarwo.

gêndrawo : zie gandarwo.

gêndring : K.N. regt doorgaan zonder om te zien.

gandrung : Kw. verliefd zijn [= kaedanan tiyang èstri]. gandrung-gandrung, zeer verliefd zijn.

gandês : K.N. gepast, betamelijk spreken.

gandasastya : Kw. een wind die de bladeren van boomen afwaait.

gôndawati : eign. van een vrouw van Ardjoenå [Skr. Gandhawati, eign. der moeder van Abiåså].

gêndul : K.N. bottel, flesch, kruik. -gêndulan, bij bottels, bottelsgewijze.

gôndapura : naam van een gewas, dat op hooge bergen groeit, en waarvan een welriekende olie bereid wordt.

gandum : K.N. weit, tarwe [Pers. Ml. gandum] .

gêndam : K.N. een toovergebed uitspreken, betooveren, bezweren.

gundam : K.N. verschrikken, ontstellen. gundam-gundam, hevig ontstelllen.

gôndamaru : Kw. aan elkander sluiten; passen, voegen [Het wordt verklaard door ancur, lijm].

gèndèng : K.N. trekken; aftrekken; tot zich trekken. kagèndèng dening papêsthèn, door het noodlot getrokken worden. gèndèng ati, het hart trekken, het hart aftrekken, storen, verstrooijen. gèndèng-gèndèng ati, harten winnen, voor zich innemen.

ganti : gew. gênti, N., gêntos, K., afwisseling; afwisselen, vervangen [Sd.Ml.id.] gênti of gêgênti, N., gêntos of gêgêntos, K., vervanger, plaatsvervanger, opvolger. gênti-gênti, N., gêntos-gêntos, K., beurt om beurt, beurtelings, bij afwisseling. -anggêntèni, N., anggêntosi, K., iemand vervangen, aflossen, opvolgen, in iemands plaats komen. -anggêntèkake, N., anggêntosakên, K., doen of laten vervangen; een plaats of post ter vervanging geven aan iemand. -gumanti, N., gumantos, K., vervangen. -gêntèn, N., gêntosan, K., afwisseling, beurt; bij beurten.

gênti : zie ganti.

gantèn : K. [kinang, N.] de met Gambir, Pinang, tabak en kalk toebereide Sirih om gekaauwd te worden. anggantèn, Sirih kaauwen. -pagantenan, een beteldoos.

gêntèn : zie ganti.

gantar : K.N. een lange staak of stok van bamboe, waarop iets gedroogd wordt.

gantur : K.N.; gumantur, het geluid van iets dat valt, een ploffend geluid.

gêntur : K.N. geheel, volmaakt, volbracht, volkomen; zeer, uitermate [Het wordt verklaard door matêng tapane, Vrg. bêntur]. gêntur tapa,

--- 634 ---

door boetedoening volmaakt geworden, de boetedoeningen geheel volbracht hebben.

guntur : K.N. I. overgieten; geheel bedekken; een gat vullen, den grond gelijk maken. -anggunturi, iemand met iets overgieten, geheel met iets bedekken; met iets aanvullen. kagunturan, geheel met iets overgoten, bedekt zijn; een gevuld gat; een gelijk gemaakte grond. II. het ruischen van water; het ratelend geluid van den donder [Het wordt verklaard door banjir têka gunung, en tugêling gunung]. -gunturan, een aanhoudend bulderend geluid.

gèntèr : z.v.a. gantar.

gontor : z.v.a. guntur.

gantos : zie gadhe.

gêntos : zie ganti.

gantal : K.N. Gambir, Pinang en kalk in een Sirihblad gewikkeld, in den vorm van een peperhuisje. -gantalan, tusschentijd.

gintal : K.N.; anggintêli, tusschen den duim en eersten vinger knijpen.

gantilan : K.N. de stengel van een vrucht.

gantya : Kw. z.v.a. gênti.

gantang : Kw. hoog, hoogte [= awang-awang]. madya gantang, zie madya.

gantung : K.N.; anggantung, hangen, ophangen; tot nadere beslissing suspenderen, hangende houden, in beslag nemen, deponeren; in een betrekking schorsen [Sd.Ml.id.]. gantung kawin, zie kawin, -anggantungi, ergens ophangen; ergens deponeren. -anggantungake, N., -kên, K., doen of laten ophangen, in beslag nemen of deponeren. -gumantung, hangende, in een hangenden staat; hangende blijven, hangende gehouden, in beslag genomen. -gantungan, hetgeen opgehangen of gedeponeerd wordt; het geld, dat in regtszaken over eigendom bij de regtbank door den eischer en den gedaagde gedeponeerd en hun na den afloop der zaak teruggegeven wordt. -panggantung, ophanging; suspensie, schorsing, in beslagneming. -panggantungan, een plaats waar iets opgehangen of gedeponeerd wordt. -panggantungan, plaats waar iets opgehangen wordt, een rek; plaats waar misdadigers opgehangen worden; een galg.

gêntang : K.; anggêntangi [nitiri, K.N.] in een rijstblok slaan. -gêntangan, het slaan in een rijstblok, het daardoor veroorzaakte geluid [= titir].

gunting : K.N. schaar [Sd.Ml.id.]. gunting lilin, kaars-snuiter. -angguntingi, met een schaar snijden, knippen; een kaars snuiten. -sriguntingên, zie boven.

guntung : Kw. een leerling van een Boeda-priester.

gandhu : K.N. de knieschijf; ook naam van een vrucht.

gundha : K.N. naam van een zeker heestergewas. -gumundha lêmara, benaming van het rijstgewas in den tijd, als het fraai groen is.

gandhèn : K.N. een houten hamer. anggandhèn, met een houten hamer kloppen. -anggandhèni, met een houten hamer op iets oppen, beuken.

gêndhon : K.N. naam van een worm, die zich in het hout bevindt en door de Javanen als een lekkernij gegeten wordt.

--- 635 ---

gandhik : K.N. een steen waarop iets gewreven wordt; ook benaming van een soort van Mangga.

gandhèk : K.N. I. een gezant, afgezant, zendeling van een vorst, die namens den vorst een boodschap overbrengt, een heraut. II. de vrucht van den Tjepåkå-boom.

gandhok : K.N. een zijgebouw.

gêndhak : K.N. een korstondig vermaak, een genoegen van korten duur. gêndhak sikara, Kw. misstap, misdrijf, verkeerdheid.

gundhik : K.N. een bijzit [Sd.Ml.id.]; een groote Larong (vliegende witte mier), die voor den Koning der Larongs gehouden wordt.

gondhok : K.N. een krop, een gezwel aan den hals; een kropgezwel hebben [vrg. gondhong en gonjol]. wong gondhok, N., tiyang gondhok, K., menschen met kropgezwellen. dara gondhok, een kropperduif. pating garondhok, algemeen met kropgezwellen.

gandhos : K.N. brood van rijstemeel gebakken.

gêndhis : K. [gula, N.] suiker. gêndhis pasir, fijne, witte suiker. panggenan damêl gêndhis, een suikerfabriek.

gandhewa : K.N. [langkap, K.h.]. een boog, schietboog [Skr. gândiwa of gândîwa].

gandhowara : K.N. degedaantevan een boog hebben.

gandhul : K.N. aan iets hangen, bommelen; bij het spel schulden maken. -gumandhul, hangende zijn, aan een boom of van een hoogte afhangen, bijzonder van vruchten. -gandhulan, zich heen en weêr hewegen, schommelen, aanhoudend bommelen.

gundhil : K.N. zonder veêren of haar.

gundhul : K.N. kaal geschoren, een kaal geschoren hoofd [Sd.Ml. kaal, kaalhoofdigheid].

gèndhêl : K.N. zwaarte, gewigt; met moeite iets tot zich trekken, alle krachten inspannen.

gèndhèl : K.N. I. een gewigt van 1¼ pond. II. de opzwelling van een wond.

gendhol : K.N. de zwaarte van iets dat ergens aan hangt. -anggendholi, iemand van achteren vasthouden; tegenhouden, terughouden. -garendhol, aan iets vasthouden. ting garendhol, van alle kanten naar beneden hangen. -gendholan, de persoon dien men van achteren vasthoudt, iemand waarop men steunt, waaraan men zich vasthoudt; steun, beschermer. -panggendhol, het van achteren vasthouden, het tegenhouden. -pagendholan, iets waaraan men zich vasthoudt, een steun.

gondhèl : K.N. aan iets hangen, nederhangen. -anggondhèli, vast aan iets hangen, zich aan iets of iemand hechten, weigeren om iets te laten varen.

gondhol : K.N. iets in den snavel of bek dragen; een bruid naar de woning van haar aanstaanden echtgenoot brengen.

gundhala : Kw. een soort van trom; en K.N. in een rijstblok slaan als teeken van gevaar [= titir, In deze beteekenis is het woord alleen in de déså's in gebruik. Skr. goendala, het geluid van een kleine langwerpige trom].

gêndhiyêng : K.N. een aanhoudend geluid van de Gamellan.

--- 636 ---

gandhang : K.N.; gandhang-gandhang, met drift spreken.

gandhèng : K.N. elkander vasthouden; zamenbinden. -anggandhèngi, een snoer maken, schakelen, met elkander verbinden. -gandhengan, twee touwen aan elkander gebonden; elkander aan de handen vasthouden. -panggandhèng, aan eenschakeling.

gêndhêng : K.N. dom, onwetend, zinneloos, dwaas; een domoor, botterik. -galêndhêng, zich het voorkomen van domheid geven, zich dom aanstellen [glêndhêng, zie beneden].

gêndhing : K.N. een Gamellan-maker; een air op de Gamellan, een wijze van het bespelen van de Gamellan; ook naam van een plaats in het oosten van Java. -anggêndhing, een air zingen of op de Gamêllan spelen. -gêndhingan, een gezang bij de Gamellan.

gêndhèng : K.N. dakpan, tichel; een huis met tichels gedekt. gêndhèng-gêndhèng, een verheffing der stem onder het spreken of zingen. -gumêndhèng, een zuivere, duidelijke stem hebben.

gêndhung : K.N.; gumêndhung, opgeblazen, trotsch, verwaand.

gêndhong : K.N. in een rijstblok slaan, en wel met een houten hamer en op een van de Titir onderscheidene wijze; hetgeen geschiedt, wanneer iemand in een dorp eenig vee kwijt geraakt is, en ook geschieden moet door den vinder van eenig vee, om naderhand niet van diefstal beschuldigd te kunnen worden. gêgêndhong, door het slaan in een rijstblok de buren bij elkander roepen.

gendhong : K.N. een knapzak. anggendhong, op den rug dragen. -anggendhongake, N., -kên, K., iets op den rug doen of laten dragen. -gendhongan, vracht op den rug.

gondhang : K.N. 1. het keelgat; 2. de vrucht van den Talboom, die de gedaante van een groote noot heeft. gondhang kasih = gondhang têlasih, het groote met het kleine vermengen, twee dingen, die niet bij elkander passen, zamenvoegen; twee verschillende kleuren bij elkander; de vereeniging door het huwelijk van een mensch met een reuzin.

gondhong : K.N. een gezwel aan den hals, krop; een weverspoel [Sd. gondhongên, een kropgezwel. Vrg. gondhok en gonjol].

gênje : naam van een boom, waarvan de vruchten en bladen een dronkenmakende kracht bezitten.

gônja : K.N. de bovenste rand van iets; festoen; naam van soort van klimop.

genjah : Kw. K.N. niet lang van duur; wankelbaar, ongestadig; van planten en boomen gezegd, spoedig vrucht gevend. anggenjah, bespoedigen [= ngenggalakên]. wong nguyang lara anggenjah pati, iemand die ziekte inkoopt en den dood bespoedigt: een spreekwoord van iemand, die moedwillig in het verderf loopt.

ganjar : K.N. belooning, begiftiging, begunstiging. angganjar, beloonen, begiftigen, begunstigen. -angganjari, iemand met iets beloone begiftigen, begunstigen. -ganjaran, belooning, gift.

ganjur : Kw. piek, lans [Het wordt verklaard door gêgaman].

--- 637 ---

gênjara : z.v.a. kunjara, II. [Het wordt verklaard door wadhahe wong dosa].

gunjara : Kw. olifant [= gajah, Het is een verbastering van kunjara, I.]. -kunjaran, z.v.a. kunjaran, [vrg. gênjara].

gênjik : K.N. big, jong van een wild varken. anggênjik, bij het jong van een wild varken vergelijken.

gonjak : K.N. met een meisje gekscheren, een meisje voor den gek houden. -anggonjaki, gekheden maken, kortswijlen. -gonjakan, met elkander gekheden maken.

ganjid : Kw. toornig, kwaad; toorn, kwaadheid [= duka].

gênjot : K.N. regt overeind staande zich bewegen, wippen, kantelen, omwippen, omkantelen. -gumênjot, opwippen.

ganjutalaya : Kw. de afgrond der zee, ook de zee zelve, oceaan.

ganjêl : K.N. I. onderleggen, onderschuiven, iets vast doen staan door iets onder te leggen. II. zand in de oogen krijgen; een onaangename gewaarwording, een hinderlijk gevoel.

ganjil : K.N. oneven, oneffen, ongelijk [Ml.id.vrg. gathèt].

ginjal : K.N. met de voeten spartelen. ginjal-ginjal, aanhoudend met de voeten spartelen.

gonjol : K.N. vermeerdering, bijvoegsel; een gezwel of krop aan den hals [vrg. gondhok en gondhong].

gonjing : K.N. naar de ééne zijde overhellen, overwippen, kantelen. gonjang-ganjing, zich gedurig van de ééne naar de andere zijde bewegen, zich heên en weêr bewegen. -anggonjingake, N., -kên, K., doen overhellen, doen wippen.

gonjèng : K.N. van achteren vasthouden, aanhouden.

gonjong : K.N. een soort van batik.

gonyèh : K.N. 1. week, zacht; kwetsbaar. 2. de smaak van de schil der Katela.

ginyêr : K.N. in der rondte draaijen.

ganyang : K.N. op iets dat hard is bijten of kaauwen.

gana-gini : K.N. aandeel der goederen, dat man en vrouw volgens de wet toekomt: een regtsterm.

ganthi : naam van een boom, waarvan de vrucht tot medicijn dient.

gêntha : K.N. een bel, schel, klok [Sd.Ml.id.; Skr. ghantâ].

gêntho : K.N. een scheldwoord, gespuis.

gênthan : K.N. naam van het achterste gedeelte van den Kraton, waar de bijzitten van den Soesoehoenan wonen.

ganthol : K.N. een haak waarmeê men iets naar zich toe trekt of waaraan iets vastgehaakt wordt. angganthol, zich aan iets vasthaken. -anggantholi, aanhaken, vasthaken.

ganthêlo : of gênthêlo, K.N. een naakt lichaam. gênthêlo-gênthêlo, een schoon en vet lichaam, dat naakt is. ting ganthêlo, gedrochtelijk.

ganthêng : K.N. een lang touw, een regte lijn; een onafzienbare lengte. angganthêng, zich in een regte lijn lang uitstrekken.

gênthong : K.N. een groote aarden pot, om water in te bewaren [Sd.id.].

ganung : Kw. hals.

--- 638 ---

gunung : N. [rêdi, K.] berg, gebergte [Sd.Ml.id.]; ook benaming van een beambte die het opzigt over de wegen, bruggen en de policie buiten de hoofdplaats heeft; als Tj. Sengk. zeven. gunung sapikul, benaming van een soort van ringen met drie edelgesteenten op een rij, waarvan het middelste grooter is, dan de twee andere. -gunungan, iets dat naar een berg gelijkt, een heuvel, piramide; de eerste, voorste; het gebied van een Goenoeng; een bij het Wajangspel gebruikelijk, naar boven spits toeloopend, met uitgesneden boomen, bloemwerk en wilde dieren een boschachtigen berg voorstellend stuk leder, dat door den Dalang vóór en na het spel, en ook tusschen het spel tot aanduiding van een nieuw bedrijf, tot teeken in het midden van een tegen het scherm geplaatsten Pisangstam gestoken wordt; ook benaming van offerspijzen, die op de Garebeg's door den Vorst aan zijn dienstdoende ambtenaren gegeven worden, en in bamboezen ronde, van boven spitse, maar van onderen breed uitloopende werktuigen gedaan en plegtstatig gedragen worden. -pagunungan, gebergte, berglanden; ook de vastgestelde aan den Goenoeng op te brengen belasting.

goco : K.N. met iets, dat puntig is, steken, b.v. met een kris [= suduk, Ml. gocoh], met de vuist slaan, boksen].

guci : [Ml. guci], een verglaasde pot of kruik.

gacar : Kw. vervolgen [= buru].

gêcak : z.v.a. gêcêk.

gêcêk : K.N. door kloppen een punt week maken, b.v. de punt van een bamboe; uitrafelen, verpletteren, vernielen, vernietigen.

gêcok : K.N. naam van een soort van gekruide vleeschspijs.

gocèk : Kw. vatten, pakken [= cêkêl]. -anggocèki, met de hand iets omvatten, omspannen.

gêcos : K.N. een geluid dat door aanraking van een ander lichaam veroorzaakt wordt.

gêcêl : K.N. het hoofd of den hals drukken.

gêcul : K.N. hoovaardig, trotsch, verwaand.

gecol : K.N. een spruit die naast een' boom uit den grond opschiet, een uitlooper.

gra : z.v.a. agra [= pucuk, pangarêp en mundhuk].

gar : Kw. vreugde, blijdschap [= bungah]. -kawigaran, zie boven.

gir : Kw. het binnenste gedeelte der lendenen [= wêlakang].

gèr : I. zie anggèr, II. te haastig [= kasusu].

gur : Kw. verheugd, verblijd [= suka].

gor : z.v.a. agor.

garu : K.N. I. hark, egge [Sd.id.]; ook naam van een gewas, de aloë [Sd.Ml. aloëhout]. anggaru, met een hark of egge werken, harken, eggen [Ml. [menggaru], krabben, roskammen; Sd. garo, met de nagels krabben].

gêro : K.N. het brullen, zoo als van een tijger [vrg. gêrok]. anggêro of anggro, brullen [Sd. gêro, gillen, een gil geve-[...]. -galêro, brommen. -panggêro, gebrul.

giri : Kw. berg [= gunung, Skr. giri]; als Tj. Sengk. zeven. Hyang Giri, Girinasa of Giriraja en Bathara Giri, bijnamen van Batårå

--- 639 ---

Goeroe. -kagiri-giri, als bergen, zeer groot, zeer hoog [= sagunung-gunung en kaluwih-luwih].

giro : K.N. bevreesd, verschrikt, ontsteld. gêgiro, schrik aanjagen, verschrikken, z.v.a. gêgila, giro-giro, een verschrikkelijk geweld maken.

guru : K.N. meester, onderwijzer, leeraar [Sd.Ml.id.; Skr. goeroe, zwaar, gewigtig, groot, uitstekend, eerwaardig, en een godsdienstleeraar]. Bathara Guru of enkel Guru, eign. der Godheid, die door de Boedistische Javanen als de hoogste vereerd werd. guruning upas, een meester van vergif, d.i. een sterk werkend vergif. guru gôngsa, alles wat tot een volledig stel Gamellan behoort. guru alêman, een onderwijzer dien het alleen om lofspraken te doen is, die zich geleerd of deugdzaam voordoet zonder het te zijn. guru bakal, producten of opbrengsten in natura. guru dadi, bewerkte stoffen. angguguru of anggêguru, iemand tot onderwijzer nemen, bij iemand onderwijs genieten, een onderwijzer volgen, iemand zijn onderwijzer noemen; iets leeren, zich in iets oefenen, onderwijs in iets genieten. -angguroni, iemand onderwijzer noemen of tot onderwijzer nemen. ginuron, een onderwijzer genoemd worden. -maguru, z.v.a. angguguru, maguru gôngsa, naam van een Gong. -pangguru, lust en vatbaarheid om te leeren. -paguron, de woning van een onderwijzer, onderwijzerswoning.

gora : I. Kw. een bij; als Tj. Sengk. zeven. II. Kw. groot; een hoofd, aanvoerder. III. K.N. een zwaar geluid, een groffe stem; bulderen, ratelen [= swara gêdhe, swara kang sangêt, Skr. ghôra, schrikkelijk]. goragadha, of goragodha, een schrikverwekkend geluid; vervaarlijk, woest; door een zwaar geluid iemand schrik aanjagen, bevreesd maken [goragadha = pambêkaning buta en goragodha = angajrihi] ambêk goragadha, een woeste inborst.

grah : verkorting van gêrah.

graha : Kw. I. paleis [= kadhaton]. II. z.v.a. garwa.

garoh : K.N. een ledige klapperdop.

gêrah : I. K.N. gehuil, gedruisch, het geluid van den donder [= swara kang rame]. grah kapat = gêrah kapat, een onweder of stormgehuil van de vierde Mòngså, wanneer er vele onweders zijn. -gumêrah of gumrah, gedruisch door vele menschen, rumoer, geraas, getier [gumrah = baribin, Vrg. gumuruh]. II. K.N. groote hitte [= sumuk]; K.h. [lara, N., sakit, K.] ziek, krank; ziekte, pijn. gêrah uyang, de heete koorts hebben. gêrah toyan [murus, K.N.] buikloop. gêrah waja, tandpijn. -gêrahên, het heet hebben, sterk transspireren.

gêrih : z.v.a. gêrèh.

gêrèh : K.N. gedroogde zeevisch.

girah : K.N. in water spoelen, uitspoelen, waschen.

gurih : K.N. een kernachtigen, zoeten, aangenamen smaak hebben.

--- 640 ---

gorèh : K.N. allerhande bewegingen met het lichaam maken; onrustig, ongestadig, rusteloos.

goroh : N. [dora, K., cidra, K.N.] leugen; leugenachtig, valsch, trouweloos; liegen, de onwaarheid spreken. wong goroh, een leugenaar. pangawak goroh, een aartsleugenaar. -anggorohi, iemand beliegen, iets voorliegen, jokken. -anggorohake, iemand voor een leugenaar noemen.

grahana : K.N. zons- of maansverduistering, eklips [Ml.id.; Skr. grahana]. grahana sasi, N., grahana wulan, K., maansverduistering.

graut : K.N. met de vingers krabben. -anggrauti, iets of iemand met de vingers krabben.

graita : I. K.N.; anggraita, vatten, begrijpen, beseffen, een voorgevoel van iets hebben, naar iets raden, vermoeden [Skr. grahitâ, vattend, grijpend]. -panggraita, gedachte, voorgevoel; bevatting, schranderheid, doorzigt. II. Kw. verheugd, verblijd; zich verheugen.

garaita : benaming van een soort van Pisang.

grana : K. [irung, N., of liever K.N., en grana, K.h.] de neus [Skr. ghrâna].

garan : K.N. hecht of steel van een mes, gevest of greep van een sabel. -anggarani, iets van een hecht voorzien. -anggaranake, N., -kên, K., iets van een hecht laten voorzien, geven of bezorgen om van een hecht te voorzien.

garini : Kw. een getrouwde vrouw, gemalin [= garwa].

gurnan : Kw. bekwaam, geschikt.

gêrunêk : K.N. niet voldaan, ontevreden.

grênêng : K.N. mompelen, binnen 's monds praten. grênêng-grênêng, gedurig mompelen, neuriën.

grunêng : z.v.a. grênêng.

grinda : of gurinda, K.N. een slijpsteen; slijpen; K.h. anggrinda [ngurut, K.N.] de leden met de vingers zachtjes drukken, kneden en strijken. sisaning gurinda, het overblijfsel van den slijpsteen, d.i. een geslepen wapen.

gurinda : zie grinda.

gurunadi : Kw. een onbepaald gezag uitoefenen, zoo als van een leermeester over zijne diseipelen.

garundêl : of grundêl, K.N. gemor, murmurering. anggarundêl, morren, murmureren. -anggarundêli, over iets of iemand murmureren. -garundêlan, morren. -panggrundêl, gemor, murmurering; murmureerder.

gurundaya : naam der zwaluw, die de eetbare vogelnestjes maakt [vrg. guradaya].

gurnita : Kw. een schrikbarend geluid, een vervaarlijke stem [= swara kang rame en sêru, Skr. ghoêrnita, rollend]. anggurnita, een schrikbarend geluid maken.

grantês : K.N. zwarigheid, bezorgdheid, verlegenheid; bedenking, tegenzin, afkeer. ora grantês, zonder zwarigheid, zonder bedenking; niet ongenegen. -anggrantês, zwarigheid, bedenking maken. -panggrantês, [...] -et plaats hebben van anggrantês, beklag, geween, jammer.

grontol : K.N. de korrels van den stengel der Mais los maken. gêmrontol, bij het

--- 641 ---

losmaken der korrels van de Mais vergelijken; een groote menigte, velen.

grantang : z.v.a. garantang.

garantang : Kw. met een stok een geluid op een instrument voortbrengen [= têtabuhan]; ook naam van een Kawische zangwijze.

gèrèntèng : K.N. een kermend geluid dat 's nachts gehoord wordt, zonder dat men weet van waar het komt.

garendhol : zie gendhol.

garonjal : K.N. het lichaam trekken van pijn, opspringen. -garonjalan, stuiptrekkingen van het lichaam, spartelen. -panggronjal, sparteling.

grênjêl : K.N. op puntige steenen treden; de pijn die men daardoor aan de voeten gevoelt.

gurnang : Kw. gedruisch, en een oorlogsbekken, de Gong.

gêrok : K.N. brullen, uitbrullen, uitschreeuwen [vrg. gêro].

gorok : K.N. de keel afsnijden, een beest slagten. -gorokan, de gorgel, keel.

garukan : benaming van een zeer mager beest.

garakasih : benaming van den dag Selåså-Kaliwon, die voor de liefde of het zingenot voor zeer gunstig gehouden wordt [= malêm Sêlasa kaliwon].

garêd : K.N. rimpel.

gurda : de Kawische benaming van den Waringin [= kêkayon gêdhe ing alas].

gèrèd : of gèrèt, K.N.; anggèrèd of anggèrèt, slepen, trekken, langs den grond trekken; wegslepen, wegtrekken [De grondvorm is èrèd, Zie bij ngarad].

gorada : Kw. de donder [goradha = galudhuk].

gêrdaka : z.v.a. gurdaka.

gurdaka : Kw. toorn, gramschap.

gardapati : eign. van een vorst van het rijk van Kasaptå of Kapitoe, een bondgenoot der Koråwå's.

guradaya : z.v.a. gurudaya.

grêdêg : of garêdêg, zie grudug.

grudug : of garudug, en grêdêg of garêdêg, K.N. het geluid van vele stappen; een drom, een menigte die zich beweegt. -gumrudug of gumarudug en gumrêdêg, een dof gedreun veroorzaken, van de stappen eener menigte [vrg. kumrêtêg of kumarêtêg]. -anggudrugi, in een drom met een menigte tegelijk er op indringen.

garêdêg : zie grudug.

garudug : zie grudug.

grit : of gêrit, K.N. I. een soort van trompet. thongthong grit, zie thongthong. II. gekraak, een krakend geluid. pating galêrit, van alle kanten gekraak. -gumirit of gumrit, kraken; gekrak, geknars. Ook gumêrèt en gumêrot, kraken; en gumêrêt, geknars met de tanden [vrg. kêrot]. III. boschrijk. IV. insluiten, omsingelen.

garit : K.N. kerf, insnede, streep, lijn. anggarit, kerven, een streep maken. garit bundêr, cirkel.

garut : K.N. met de nagels krabben. -angga

--- 642 ---

ruti, iemand met de nagels krabben. -gêgarutan, elkander krabben; vol krabben. -panggarut, gekrab.

garot : K.N. elkander in den snavel of bek bijten. -garotan, zie beneden.

gêrit : zie grit.

gurit : Kw. I. berispen, verwijtingen doen. II. verhaal, gedicht [= angawi, Sd. èlmu guritan, dichtkuns]. anggurit, verhalen, dichten. ginurit, verhaald worden.

gèrèt : zie gèrèd.

gurita : Kw. schrift op metaal, volgens de Dåsånåmå.

grêtak : z.v.a. gêrtak.

gêrtak : K.N. zich kwaad toonen [Sd. bang maken, iemand doen schrikken; Ml. aansporen, b.v. een paard].

garotan : K.N. harde regen met wind. wana garotan, een bosch dat door harde regens en winden bedekt is.

grêtol : K.N. een fatsoen van een haarwrong.

garita-garitu : Kw. zich driftig aanstellen [Het wordt verklaard door pratingkah nora alon].

grisi : z.v.a. risi.

garês : K.N. I. de scheen. balung garês, N., tosan garês, K., het scheenbeen. II. ligt geraakt, zeer gevoelig zijn.

garis : K.N. lijn, streep, linie, regel, rei [Ml. schrabben, lijnen trekken. Vrg. baris]. anggarisi, met strepen betrekken. -garisan, liniaal; lijn, regel.

gêrus : K.N.; I. anggêrus, strijken, glad maken [Sd. geglansd; glanzen]. -gêrusan, hetgeen gestreken, glad gemaakt is. -panggêrus, het plaats hebben van anggêrus. -panggêrusan, een werktuig, waarmeêgestreken of glad gemaakt wordt, een strijkijzer. II. verdwenen, geslonken; een dunne buik.

giras : K.N. schuw, schuchteren; afkeerig.

giris : K.N. vervaard, van schrik bevangen; schrikken, ontstellen, ijzen; duchten, bevreesd zijn. anggêgiris, iemand vervaard maken, bang maken, verschrikken. -anggêgirisi, vervaarlijk, ontzaglijk. -anggirisake, vervaard maken, van schrik doen bevangen.

girisa : of gurisa, naam van een Kawische zangwijze, die echter ook nog in gebruik is.

grêsah : K.N. gejammer; jammeren, klagen.

garêsik : of grêsik, N. [tandhês, K.] naam van een plaats en distrik op Java, in de residentie Soerabaja, gewoonlijk Grissee genaamd.

garwa : K.h. [bojo, K.N., somah, N., semah, K.] gemalin, vrouw van een aanzienlijk persoon. anggarwa, tot gemalin nemen, trouwen. kagarwa, tot gemalin genomen, gehuwd.

griwa : Kw. keel, hals [= gulu, Skr. griwâ, nek].

gruwa : z.v.a. garwa en griwa.

gurawa : Kw. door herinnering aan iets of iemand verblijd worden. kagurawa, hetzelfde.

gorawa : Kw. ledig, eenzaam [= suwung].

growah : K.N. een gespleten grond, scheur in den grond. growahing manah, gescheurd van hart; lafhartig.

gruwêk : zie guwêk.

--- 643 ---

garwita : Kw. norsch iemand aanspreken [= sugal en galak, Skr. garwita, trotsch, hoogmoedig].

grewal : K.N. omkeeren, omslaan.

grèwèl : K.N. uit de hand glijden.

garawalan : z.v.a. gurawalan.

gurawalan : K.N. met groote haast gaan, zich snel bewegen, haastig, haast maken [agurawalan = akêkêbatan].

gruwung : K.N. zonder neus; geen neus hebben, zonder neus zijn.

growong : K.N. opening, holte, gat. -growongan, iets dat hol is, hol, holte; een domoor, weetniet.

garap : K.N. I. werk, verrigting, daad. anggarap, werken, verrigten; aan iets werken, iets onder handen hebben. anggarap damêl, een werk verrigten, iets onder handen of te doen hebben. -garapan, hetgeen gewerkt wordt, het werk. -panggarap, het plaats hebben van anggarap. II. in drift to iemand spreken [Sd. stamerend, stameren, stotteren]. -glarapan, zie beneden.

garopak : K.N. het kraken van iets dat breekt [vrg. garopyak].

gripis : K.N. een gescheurde rand of zoom.

garapsari : Kw. de maandstonden hebben.

garopyak : K.N. het krakend geluid van den tak van een boom [vrg. garopak en kopyak].

girap-girap : K.N. een gillend geluid laten hooren, angstgeschreeuw.

grêdhu : K.N. wacht, post; de wacht houden.

garudha : K.N. griffoen, arend [Het wordt verklaard door manuk kang mawa jalu, Skr. Garoeda, naam van een fabelachtigen vogel, den koning der vogels, het voertuig van Wisnoe. Ml.id.]. garudha sastra, benaming van een pijl, die gelijk een arend door de lucht vliegt. garudha nglayang, of ook enkel garudha, naam van een zekere slagorde.

goradha : zie bij gorada.

graji : K.N. zaag [Sd. ragaji, Ml. gergaji] ]. anggraji, zagen.

grêji : of gêrji, K.N. kleêrmaker, snijder.

garjita : Kw. een voorgevoel hebben, gissen, vermoeden, bij zich zelf overleggen; bedachtzaam, op zijn hoede zijn [= amikir].

grêjêg : z.v.a. garêjêg.

grujug : zie garujug.

garêjêg : K.N. volhouden, volharden, noodzaken. -gumrêjêg, krakeel. -garêjêgan, elkander iets betwisten.

garujug : of grujug, K.N. storten, uitstorten, uitgieten [vrg. garojog]. -gumrujug, het gedruisch van een waterval of van het storten van water; ruischen; geraas, getier [vrg. kumrujug].

garojog : K.N.; gumrojog, z.v.a. gumrujug, -garojogan, een bergstroom, waterval.

griya : K. [omah, N., dalêm, K.h.] woning, huis. Het wordt ook wel voor bijzondere benamingen van gebouwen geplaatst; b.v. griya pawon, griya kandhang, griya pandhapi, griya gandhok, griya pasanggrahan. -gagriya [-...]

--- 644 ---

[...gagriya] of gêgriya, een huis bezitten, wonen, zich vestigen. ingkang gêgriya, bewoner, inwoner. -anggriyani, bewonen. -pagriyan, woonstede, de plaats waar een huis staat, huizing, een huis met erf en bijgebouwen.

grayah : z.v.a. garayah.

garayah : K.N. met de hand tasten. -garayahan, met de handen rondtasten. -garayah-garuyuh, overal met de handen rondtasten. -gumrayah, zie beneden.

gareyak : z.v.a. gariyak.

gariyak : zie giyak.

groyok : K.N. stamelen, hakkelen, stotteren.

garywang : of garyyang, Kw. verschrikt [= kagèt].

grayang : K.N.; anggrayang, tasten, aanraken; den pols voelen; hebben, bezitten. -anggrayangi, betasten, bevoelen; in bezit trachten te komen, opspeuren. -panggrayangan, verdenking.

garayang : z.v.a. grayang.

gurayang : z.v.a. grayang.

grami : K. [dagang, N.] handel, koophandel; handelen. tiyang grami, handelaar, koopman. lumampah grami, koophandel drijven. ingkang kagrami, waarin handel gedreven wordt. -gramèn of gêgramèn, hetgeen tot den handel betrekking heeft; handel, koophandel; koopmanschap, handelswaren. lampah gramèn, koophandel drijven.

garma : z.v.a. gurma.

gurma : K.N. jager.

gurêm : K.N. een soort van kleine kippevloo.

gramèn : zie grami.

grêmêt : K.N. kruipen, langzaam in een rijachter elkander gaan, b.v. van mieren. -gumrêmêt, krielen, wemelen, kruipen. -anggrêmêti, naar iets toekruipen, langzaam zich in rijen naar een plaats begeven.

grimis : K.N. fijne regen, stofregen, motregen.

grompol : K.N. benaming van een zeker fatsoen van oorkrabben met juwelen.

grêmbêl : z.v.a. grumbul.

grimbil : z.v.a. grumbul.

grumbul : K.N. struik, struikgewas, kreupelbosch.

grambyang : K.N. waterig, waterachtig, vochtig.

grêmêng : zie gamêng.

garêmêng : zie gamêng.

garumung : K.N. aankeffen, aanbaffen, van alle kanten aanvallen, omsingelen. -gumarumung of gumrumung, het gonzend geluid van een groote menigte; gegons, rumoer.

grog : zie grogog.

gêrêg : K.N. het voortdrijven, aandrijven, aansporen. -anggêrêgake, N., -kên, K., voortdrijven, b.v. van buffels.

girig : z.v.a. kirig.

garegah : K.N. plotseling wakker worden.

guregah : z.v.a. garegah.

gara-gara : Kw. een strijd der elementen, een oproer of buitengewone beweging in de natuur, zoo als bij storm met donder, bliksem, zware regen en overstrooming, als teeken van een belangrijke gebeurtenis, [ge...]

--- 645 ---

[...beurtenis,] b.v. bij het afsterven van vorsten of aanzienlijke personen [Het wordt verklaard door prabawane manungsa kang luwih].

grêgut : zie gagut.

gargut : zie gagut.

gêrgut : zie gagut.

grêgêtên : zie gêgêt.

gragas : K.N. onverzadelijk, gulzig, vraatznchtig; een vraat; hebzuchtig, geldgierig; zwelgen.

gêrgês : K.N. naam van een soort van boschschildpad.

gargasi : naam van een grooten, onbekenden vogel [Ml. een soort van démons of booze geesten].

grègèl : K.N. nedervallen, nederploffen. -anggrègèli, ontvallen, onwillekeurig uit de hand vallen, zoo als door schrik of vrees.

grogol : K.N. palisade, palisadering, groote haag, perk, voor het vee. anggrogol, met palisaden afperken. -grogolan of pagrogolan, een omheinde plaats, een park.

gragap : K.N. onthutst, verlegen [vrg. gagap]. anggragap, onthutst of verlegen om iets zijn, over iets ontstellen. -gragapan of garapan, ontsteld, verschrikt.

garba : Kw. lichaam [Skr. garbha, de buik; een foetus, ongeboren kind; het binnenste; een binnenkamer; enz.]. guwa garba, het hol van het lichaam, d.i. het lijf of de buik.

grabah : K.N. aarden potten, aardewerk.

garubuh : K.N. aanval, attaque.

garbini : Kw. zwanger; zwanger zijn [= mêtêng en amêtêng, Skr. garbhinî, een zwangere vrouw].

grabadan : K.N. koopmansgoederen, koopmanschap.

garêbyar : zie gêbyar.

garobyak : K.N. nederploffen [vrg. garobyagan].

garubyug : K.N. getrappel, geluid dat door de stappen van een groote menigte veroorzaakt wordt. -gumrubyug, gedruisch maken door getrappel, van een menigte, met gedruisch aan komen draven.

garobyagan : K.N. een dreunend geluid [vrg. garobyak].

grêbêg : zie garêbêg.

grobag : K.N. een kar. nglampahakên grobag, een kar voeren.

grobog : K.N. een groote kist. -grobogan, naam van een distrikt, in de residentie Samarang.

garbêg : zie garêbêg.

garêbêg : garbêg of grêbêg, K.N. 1. gesuis, het suizen, van den wind; 2. benaming van drie groote jaarlijksche feesten, den 12den Moeloed, den 30sten Ramelan en den 10den Besar, waarop de vorst, van zijn onderdanen omringd, naar buiten op de Sitihinggil komt. Op deze feesten moeten alle ambtenaren, ook de dorpshoofden, op de hoofdplaats versschijnen, om den vorst hun hulde te bewijzen. -anggarêbêg, in menigte een aanzienlijk persoon omringen en begeleiden. -grêbêgan, personen die een Garebeg vieren. -gumrêbêg, suizen, loeijen, van wind [vrg. gubrug, beneden].

gêrbong : K.N. een tentwagen, een wagen die van

--- 646 ---

alle kanten omhangen is. gêrbong kandhêm, benaming van een wijze van dienstkleeding van Javaansche ambtenaren.

grathok : zie gathok.

grothèl : K.N. weêrhaak, weêrhaken.

gruthal-gruthal : K.N. onbeschoft, onbeleefd; waaghals.

grêng : verbonden met alas of wana, een groot, gevaarlijk bosch [vrg. gêrêng].

garang : K.N. boven het vuur droogen of bakken. -garangan, hetgeen boven het vuur gedroogd of gebakken wordt; ook naam van een beest, dat naar een kat gelijkt en zich in holen ophoudt, een soort van vos. -gumarang, zie beneden.

garing : K.N. dor, droog, uitgedroogd; verdorren [vrg. aking].

garung : K.N. egge. anggarung, eggen.

garèng : K.N. een klein wild.

gêrang : K.N. gesleten, afgesleten, versleten, afgedragen; oud, afgeleefd. sapu gêrang, een oude bezem.

gêrêng : K.N. gebrom, gegrom, gebriesch, gebrul. anggêrêng, brommen, grommen, morren, brieschen, brullen. gêrêng-gêrêng, aanhoudend grommen, morren. -pating galêrêng, overal grommen of brullen.

gêring : K.N. pestziekte onder menschen of vee [Sd. krank, ziek, ongesteld]. -pagêring, een besmettelijke ziekte, de pest. -gêringan, hartzeer.

gêrong : K.N. een diep gat in den grond.

girang : K.N. zeer vrolijk zijn, luidruchtige vreugde [= bungah en bêgar]; ook naam van een gewas.

giring : K.N. voor zich heên drijven. gêgiring bêburon, het wild voor zich heên drijven, opjagen. têmugiring, naam van een wortel, die tot medicijn gebruikt wordt.

gurung : K.N. de keel, het keelgat, de luchtpijp.

gorèng : K.N.; anggorèng, in een pan braden, bakken, frijten, roosten [Sd. goring, id.]. -gorengan, het gebakkene; gebraden, geroost. -panggorèng, het plaats hebben van anggorèng, -panggorengan, braadpan, braadspit.

grangsang : K.N. overdaad, groote trek tot eten, vraatzucht.

gringsing : benaming van een soort van batik.

grêngjak : z.v.a. grêngjok.

grêngjok : K.N. zich snel wegbegeven, schielijk opstaan en heêngaan.

granggang : K.N. puntige bamboe.

gringgingên : of garinggingên, K.N. verstijving, stijfheid in de leden; slapen, van een lid.

gèk : K.N. twijfelachtig, onwaarschijnlijk.

gada : K.N. naam van een wapen, een knods, strijdknods, oorlogsknodsi [Ml.id., Skr. gadâ]. anggada, met een strijdknods slaan of vechten. -manggada, Kw. hatzelfde.

gêdandapan : K.N. hevig ontstellen, vervaard zijn.

gêdêr : K.N. geraas, getier [vrg. gêtêr]. -gumêdêr, geraas, rumoer, getier maken, zooals an twistende menschen.

godri : Kw. fijn, zacht [= alus].

gudêr : naam van een soort van lekkernij.

gidrah : K.N. beweging van het lichaam; dartel.

--- 647 ---

pating galidrah, allerhande bewegingen met het lichaam maken; overal van vreugde rondspringen.

gêdrug : K.N.; anggêdrug, met den voet op den grond stampen. gêdrug-gêdrug, herhaaldelijk met den voet op den grond stampen. -anggêdrugake, N., -kên, K., met iets op den grond stampen.

gidro-gidro : K.N. schrik aanjangen.

gadarba : Kw. wolf.

gêdidag : N. zijn behoefte doen.

gaduwung : z.v.a. kaduwung.

gudèl : K.N. jong van een buffel, buffelkalf.

gada madana : naam der kluis van Pannembahan Kapi-Djembawan.

gadag : K.N. een reuk die zich verspreidt.

gadug : N. bereiken; tot, aan.

gudag : K.N.; anggudag, den kop stooten; op iemand aanvallen, iemand bestrijden [vrg. sudhang en babuk].

gadgada : Kw. I. hevig ontsteld, zeer bedroefd [= kagèt, Skr. gadgada, onbestemde of onwillekeurige uiting van een geluid, zooals gesnik]. II. gadgada of kadgada, daarop, vervolgens [= tangginas].

gêdibal : K.N. aarde die aan de voetzolen kleeft [vrg. gabul]. gêdibal sampeyan, en bij verkorting gêbal sampeyan of bal sampeyan, de aarde die aan uw voeten kleeft, doorgaans met voorafgaand kawula of kula, een zeer nederige uitdrukking voor uw onderdanigste dienaar, d.w.z. ik.

gêdublong : N. zijn behoefte doen.

gadêbêg : K.N. het geluid van stappen.

gadêbog : K.N. de stam van den Pisang.

gadêbug : of gêdêbug, K.N. nederploffen, een ploffend geluid van iets dat valt; ook z.v.a. gadêbêg, -gêdêbugan, zich in een nederploffenden staat bevinden; nergens rust hebben.

gudebag : K.N. een lang breed zwaard, een lang lemmet dat aan den steel van een lans wordt vastgemaakt [Het wordt verklaard door gêgaman].

gêdubang : z.v.a. idu bang, Sirih-spog.

gati : I. Kw. wezenlijk, waar [= têmên en nyata]. -anggatèkake, iets voor waar houden. -gatèn, in waarheid, inderdaad. II. gati, N., gatos, K., spoed, haast [= gawe kang pêrlu]. -anggatèkake, N., anggatosakên, K., spoed maken. -gumati, N., gumatos, K., bezorgd; zorg dragen, bezorgen, verplegen. -anggumatèni, N., anggumatosi, K., voor iemand zorg dragen, iemand bezorgen, van al het noodige voorzien, volop te eten geven.

gêti : K.N. broos [vrg. gêtas]; ook naam van een soort van lekkernij.

gita : Kw. I. verschrikt, ontsteld; ontsteltenis, schrik; haastig, een spoedig besluit nemen [= kagèt, angêgèt-êgèti en gupuh-gupuh]. gitaning wadya, de ontsteltenis van het volk. II. Kw. gedicht, opstel, verhaal, taal [= kocap, [ko...]

--- 648 ---

[...cap,] Skr. gîta, zang, gezang]. anggita, een gedicht maken, verhalen; overdenken, overleggen.

gêtih : N. [rah of êrah, K., darah, K.N.] bloed [Sd.id.]. mêtu gêtih, bloeden. ngising gêtih, bloedafgang hebben. -gêtihên, aan het bloeden, van een deel van het lichaam, dat zoo geslagen is dat het bloedt.

gatèn : zie gati, I.

gêtun : Kw. genegen zijn; K.N. [ngungun, K.h.] aangedaan; deelnemen in iemands leed, betreuren, beklagen; spijt, spijten; verwonderd, zich verwonderen. gêtun manah kula, het doet mij leed. -anggêtuni, bewonderen, zich over iets verwonderen.

gatra : Kw. bijna, bijkans; K.N. schets, plan, ontwerp; gedaante, teekening.

gotra : Kw. geslacht, familie, volk [= anak putra, bala en barêngan, Skr. gôtra]. sagotra, zie boven.

gotri : K.N. fijne hagel, schroot.

gêtêr : K.N. 1. een daverend geluid, gedruisch, geraas, geweld [vrg. gêdêr, en vrg. kêtêr]; 2. ontsteltenis, rilling, beving, ongerustheid; van schrik beven of rillen. gêtêr patêr, een schrikbarend geluid, veroorzaakt door het ratelen van den donder en het kletteren van zwaren regen [= swara rame kang amor udan]. -gumêtêr, 1. geraas maken; 2. rillen, sidderen, beven, van angst of schrik. -anggêtêri, een daverend geluid veroorzaken.

gêtir : K.N. een wrange smaak.

gotrah : K.N. algemeen geprezen, beroemd, vermaard [= kamisuwur]. sagotrah, zie boven.

gêtak : K.N.; anggêtak, hard schreeuwen; iemand hard aanspreken, aanbassen.

gitik : Kw. raken, bereiken, verkrijgen; K.N. [gêbug, N., gêbag, K.] iets waarmeê men slaat, een roede of dunne stok [Sd. slaan, kloppen, afrossen]. anggitik, slaan. anggitik prang, oorlog voeren, slag leveren. -anggitiki, meervoud. -anggitikake, N., -kên, K., iets bezigen om te slaan, met iets slaan. -panggitik, het plaats hebben van anggitik, slag.

gutuk : K.N. I. een tientallige berekening. II. worp [= balang]. anggutuk, uit de verte werpen, gooijen. gutuk api, vuurpijl, bom, granaat. -anggutukake, N., -kên, K., iets ver werpen. III. K.N. [of K., ompong, N., kêmpong, K.N.]. zonder tanden, tandeloos.

gatos : zie gati, II.

gêtas : K.N. broos, breekbaar, iets dat ligt breekt [Ml. id.; vrg. gêti].

gatêl : K.N. jeuk, jeuking, jeuken [Ml.id.]; de koesterende warmte der zon. panas gumatêl-gatêl een jeukende warmte, d.i. de tijd tusschen 9 en 10 uur des morgens.

gitêl : K.N.; anggitêl, knijpen [vrg. ciwêl]. -anggitêli, met de vingers knij-[...] .

gêtapan : K.N. schrikachtig.

gêtêm : K.N. met de tanden knarsen; een kwaad voornemen hebben, iets kwaads in het schild voeren [Ml. op de lippen bijten].

--- 649 ---

gatgada : z.v.a. gadgada.

gut-gutên : Kw. zeer moedig, onversaagd, dapper [= nêpsu kang luwih bangêt].

gotong : K.N. verscheidene personen die aan iets dragen. anggotong, met zijn tweeën of velen iets dragen. gotong mayit, lijkdrager. -gotongan, een vracht die door verscheidene personen gedragen wordt. barang gotongan, vrachtgoederen.

gas : of êgas, K.N. een lengtemaat, een el, de lengte van den elleboog af tot de uiterste punt van den middelsten vinger.

gusi : K.N. het tandvleesch [Ml.id., Sd. gêgusi].

gasah : K.N. aanhitsen, opstoken, aanmoedigen.

gêsah : zie gusah.

gusah : N., gêsah, K., wegjagen, verdrijven.

gèsèh : K.N. afwijking, verschil, onderscheid, tweespalt; tegenzin. -gèsèh-gèsèh, ongelijkvormig. -pagesehan, verschil.

gêsau : K.N. zich op iets toeleggen, zich in een wetenschap oefenen [vrg. ginau en sinau].

gusar : [Ml. gusar], boos worden, zich kwaad maken, kwalijk nemen.

gusir : K.N. met de snuit den grond omwoelen, b.v. van een varken.

gèsrèk : K.N. elkander tarten en moedwillig met elkander vechten.

gasik : K.N. een zuivere grond.

gisik : K.N. strand, zeestrand, oever, kust; duinen. Zoo ook gêgisik.

gosok : K.N.; anggosok, wrijven, schuren, [Ml.id.,Sd. strijkstok. Vrg. kosok].

gusti : K.h. [bêndara, K.N.] Heer: naam en titel die alleen aan God, aan een Vorst en aan echte zonen van den Vorst gegeven wordt. Gusti Allah, de Heere God. Radèn Mas Gusta,Gusti. of Gusti Timur, naam der echte zonen van den Vorst gedurende hun kindsche jaren. kangjêng gusti, titel van de jongere echte zonen van den Vorst (uitgezonderd den kroonprins), wanneer zij tot mannelijke jaren gekomen en tot den titel van Pangeran verheven zijn. para gusti, de bijzitten van den Vorst. -anggusti, iemand als Goesti erkennen of Goesti noemen.

gesus : Kw. in de war, in verlegenheid zijn.

gusis : K.N. weggejaagd; weggevaagd, geheel opgeruimd, niets overgelaten [= êntèk en bubar].

gèspêr : Holl. gesp, gespen.

gas-gasan : K.N. gretig, gulzig in het eten, gulzig inslikken, opzwelgen, verzwelgen.

gisthi : Kw. steen, rots.

gusthi : of gosthi, Kw. raad, meening [= gunêm en pranata, Skr. gôstî, gesprek, zamenspraak, onderhoud]. anggusthi, raadplegen, overleggen [= agunêm].

gosthi : zie gusthi.

gêsang : K. [urip, N.] leven; levend. gêsang malih, herleven. toya gêsang, levend water, bronwater. gêsang toya kalih, op het land en in het water leven, amphibie. -anggêsangi, in het leven houden, in het leven sparen. kagêsangan, het leven. -anggêsangakên, [-anggêsangakê...]

--- 650 ---

[...n,] levend maken. -gêsangan, levend, b.v. kapêndhêm gêsangan, levend begraven worden. -pagêsangan, wijze van leven. -panggêsangan, hetgeen in het leven houdt of tot levensonderhoud dient, levensmiddel, bestaan, kostwinning.

gêsêng : zie gosong.

gosang : K.N. een vrucht zonder pitten.

gosong : I. N., gêsêng, K. [of liever beide K.N.] gezengd, geschroeid, aangebrand; zengen, schroeijen, verzengen, aanbranden, verbranden, zwart branden. -anggêsêngake, N., -kên, K., iets zengen, doen verzengen of verbranden. -panggosong, en panggêsêng, het aanbranden, verbranden. II. Kw.; gosongi, met zijn velen iets of iemand vasthouden. ginosongan, door velen vastgehouden worden.

gwa : verkorting van guwa.

gawa : I. N.; anggawa [ambêkta, K.] met zich dragen, brengen, voeren, leiden; overbrengen, aanvoeren, vervoeren [Sd.Ml. bawa, zie bij mawa]. -anggawani, iemand iets te dragen of te brengen geven, medegeven. -anggawakake, laten dragen, laten brengen, iets meêgeven aan iemand. -gêgawan, hetgeen men met zich draagt, brengt of voert, hetgeen aangebracht wordt, aanvoer, huwelijksgift, uitzet. -panggawa, het meêbrengen, meêvoeren; toevoer; een stiefkind. II. Kw. in de war, verlegen zijn [= bingung].

gawe : N. [damêl, K.] werken, maken, doen, handelen, scheppen, vervaardigen, stichten, bouwen; zwarigheid maken; iets tot iets maken, d.i. iets tot iets bezigen of gebruiken; iemand iets maken, d.i. iemand tot iets aanstellen, benoemen; werk, daad, verrigting; het dienen tot iets; een bruiloftsfeest; als Tj. Sengk. vier [Sd. arbeiden, werken]. gawening wong, een uitgestrektheid gronds, zooveel als een man met zijn gezin bearbeiden kan, d.i. een Bahoe of ¼ Djoeng. agawe prakara, een regtszaak maken, d.i. aanleiding tot een regtszaak geven. agawe nêpsu, toornig maken. tanpa gawe, nutteloos, onnut, vergeefs. agawe anggitik, bezigen om te slaan. kagawe of digawe, tot iets gebezigd worden, tot iets dienen, strekken. apa gawene aku koundang, waartoe dient het dat gij mij roept, d.i. waarom roept gij mij? ana gawemu apa, wat hebt gij er te doen? agawe ngamal, iets leenen en niet teruggeven. gawe-gawe, iets verzinnen, liegen. -anggawèkake, laten maken; gebruiken om iets te maken; voor een ander maken, werken, enz. -gawean of gaweyan, maaksel, gewrocht; iets dat gemaakt, niet echt, valsch is. supata gaweyan, valsche eed, meineed. -pagawe, gew. panggawe, iemands bedrijf, toedoen, in een slechten zin, slechte streek. -manggawe, iets (slechts) uitrigten, door het een of ander iemand onheil berokkenen. -magawe, den grond bearbeiden. -magawèkake, laten werken, alleen van dieren, die men ter beploeging van het veld gebruikt. -mawa gawe, iemand ongelukkig maken, mishandelen.

--- 651 ---

-pagawean of pagaweyan, ook wel panggawean of panggaweyan, werk, daad, handeling, bedrijf, arbeid, bezigheid, beroep, ambacht, kostwinning.

guwa : I. K.N. grot, hol, spelonk [Sd. guhah, Ml. gowah], Skr. goehâ]. guwa miring, naam van een land. guwa garba, zie garba. II. [Ml. gowa], ik mij.

gowana : Kw. hij die, welke, wat [= ingkang].

gwari : zie guwari.

gawar : K.N. waarschuwing, terughouding.

gawêr : K.N. niet verzadigd, niet voldaan zijn.

giwar : K.N.; anggiwar, op zijde springen, uitwijken, uit den weg gaan, vermijden.

guwari : of gwari, Kw. spoed, haast [= gage].

gawuk : Kw. wolk [= mega].

gawok : K.N. verbaasd, verwonderd. kagawok, hetzelfde. -anggawoki, verbaasd maken, in verbazing zetten. kagawokan, l.v.; verbaasdheid, verwondering.

guwêk : K.N. met de hand verscheuren, openscheuren. -gruwêk, met de hand krabben. -anggruwêki, met de hand iemand of in iets krabben, het lichaam krabben.

gowak : naam van een nachtvogel.

gowok : K.N. holte, opening; ook naam van een vrucht. -glowokan, een kuil.

gawat : K.N. moeijelijk, gevaarlijk, onveilig, ge-[...] mzinnig, vervaarlijk, ontzaggelijk. margi gawat, een moeijelijke, gevaarlijke weg, een weg die door roovers of wild gedierte onveilig gemaakt wordt. watêk gawat, een moeijelijke inborst, een gevaarlijk karakter, van iemand, met wien men niet goed over weg kan, die zijn naasten overal zoekt te schaden.

guwaya : K.N. de kleur van het gelaat.

gawang : 1. K.N. kozijn. 2. Kawische benaming van de Tjemårå [= cêmara]. -gawangan, een raam, een rak waarop iet gehangen wordt. -gumawang, helder, klaar, duidelijk. -gawang-gawangan, zeer klaar, zeer duidelijk.

gawing : K.N. overschot, overblijfsel, restant. anggawing, iets overlaten, laten overblijven.

giwang : K.N. bewegen. giwanggara, Kw. de zon. -gumiwang, K.N. veranderen; afhellen, afdalen, nederdalen; het dalen of ondergaan der zon; ook z.v.a. gumawang [= owah, miring en padhang]. -gliwang, zie beneden.

guwang : z.v.a. buwang.

guwing : K.N. een gespletene lip.

gowang : K.N. een scherf in een snede.

gowèng : K.N. een scherf of scheur in een rand.

gowong : vroegere benaming van het distrik! Ledok.

gul : verkorting van unggul of munggul.

gol : K.N. hefboom.

gala : I. Kw. stevig, hecht, sterk; lans, piek [= kukuh en tumbak]. gêgala, kracht, sterkte, dapperheid; het merg in de beenen; lood [= prajurit kang sinêlir en timah]; bezielen, leven in iets brengen. II. K.N. vullen, aanvullen. Zoo ook gêgala.

gêla : K.N. afkeer, tegenzin, afneiging. gêgêla, een afneiging hebben, afkeerig zijn.

gêlu : K.N. een bal of kloot aarde, die onder een

--- 652 ---

lijk in het graf gelegd wordt, om het op de regter zijde te doen liggen. Zeven zulke van klei gemaakte ballen worden tot dat einde op eenigen afstand van elkander onder het lijk gelegd. -anggêloni, een kloot aarde onder een lijk leggen.

gila : K.N. afgrijzen, afschuw, afschrik; een afgrijzen hebben [= wêdi en agila = gawokan]. anggêgila, afgrijzen verwekken. -anggêgilani, afgrijzen verwekkend, afgrijslijk, verschrikkelijk, akelig. -kagila-gila, afschuwelijk. -kamêgilan of kumêgilan, zie boven.

gili : 1. K.N. gedurig, onafgebroken in een rij, voortgaan, aanhoudend te voorschijn komen. 2. Temb. Pas. weg. 3. Kw. eiland [= pulo].

gula : N. [gêndhis, K.] suiker, broodsuiker [Sd.Ml.id.; Skr. goela, ruwe, ongeraffineerde suiker]. gula prawa, gesmolten suiker. dhangdhanggula, zie dhangdhang.

gulu : K.N. [jôngga, K.h.] hals, keel. -gulon, een kraag. -panggulu, de tweede, de tweede in rang, het tweede kind, dat onmiddellijk op het oudste volgt.

gola : z.v.a. pragola.

galih : K.h. [ati, N., manah, K.] hart, gemoed. anggalih, behartigen, overleggen, overwegen, zijn gedachte over iets laten gaan, overdenken, nadenken, bedenken, beseffen. sampun dados galih sampeyan, trek het u niet aan, neem het niet kwalijk. kagalih, voorbedachtelijk. -panggalih, behartiging, overdenking, overlegging, gepeins; gedachte, meening, gevoelen, besef.

galuh : Kw. vrouw; prinses; ook naam van een land [= putri, Skr. galoêh, een soort van edelgesteente].

gêlah : K.N. uitvaagsel, slecht, kwaad [Sd. gêlêh, vuil, morsig; verfoeijen; haat, tegenzin]. gêlah-gêlah, het allerslechtste. gêlahing jagad, het uitvaagsel der wereld. -magêlah, z.v.a. gêlah.

glana : Kw. dom, slecht, bedorven, woest, wild; ook naam van een roofvogel, kuikendief [= blilu en galak, Skr. glâna, vermoeid, afgemat].

glintir : K.N. 1. zamenrollen; 2. een enkel stuk. limang glintir, vijf stuks, vijf personen. glintiran, een rol, stuk, brok.

galenteran : K.N. aan zich zelven overgelaten zijn, door niemand verzorgd worden; iets waarop geen acht geslagen wordt.

gulinting : K.N. op den grond vallen en liggen blijven. pating gulinting, op den grond verstrooid liggen.

glêndhah-glêndhah : K.N. slenteren, rondslenteren.

glèndhèr : K.N. omwentelen.

glandhang : K.N. aan iets trekken, uitrukken, wegrukken.

glêndhêng : K.N. mompelen, binnen 's monds praten [galêndhêng, zie bij gêndhêng]. glêndhang-glêndhêng, aanhoudend mompelen.

glindhing : K.N.; angglindhing, of anggalindhing, rollen, afrollen, tuimelen, omwentelen, meestat van kleine voorwerpen. rupiah glindhing, klinkende

--- 653 ---

munt. -gumlindhing, rollen. -glindhingan, iets dat rolt; een wiel, rad. -tapak gêlindhingan, zie tapak.

glundhung : K.N.; angglundhung of anggalundhung, rollen, afrollen, tuimelen, omwentelen; zich laten rollen, zich laten afrollen; meestal van groote voorwerpen [vrg. glindhing]. -kaglundhung, komen te rollen, af te rollen, enz. -gumalundhung, rollen, wentelen, afrollen. -angglundhungi, iets doen afrollen. -anggalundhungake, N., -kên, K., laten rollen, iets afrollen, afwentelen. -glundhungan, iets dat afgerold wordt; een rol; woelen.

glondhong : of gêlondhong, K.N. een ronde hol; een balk, ruwe balk [Ml. balk]. -galondhongan, benaming van een zeker soort van gestreept linnen.

galêndhêng : zie gêndhêng.

galindhing : zie glindhing.

galundhung : zie glundhung.

galondhong : zie glondhong.

gêlacutan : Kw. zich haasten, spoed maken.

galar : K.N. bamboezen zitting van een ambèn, gespleten bamboe, die aan elkander gehecht tot zitting op een rustbank gelegd wordt; planken van een zolderwerk, vloering van een brug, van een paardestal of iets dergelijks; ook benaming van een soort van Djamboe. galar konus, gestreept.

galêr : K.N. streep, lijn op den huid en in de palm der hand.

galur : K.N. striem, streep, regte lijn, lange reeks; goede volgorde of verband in een verhaal; van het begin tot het einde. -galuran een lang spoor, een voor.

gêlar : K.N. orde, regeling; ten toon spreiding, vertooning; list; slagorde. anggêlar, spreiden, uitspreiden, ordenen. gêlaring prang, slagorde. sagêlar sapapan, een geheel bezette plaats, een groote menigte troepen. akarya gêlar, een vertooning maken, een list gebruiken. -gumêlar, uitgespreid, ten toon gesteld; geregeld, gerangschikt; zich vertoonen, openliggen; duidelijk zijn. -anggêlari, bespreiden, met spreijen beleggen; iets vertoonen, een list gebruiken, vertooning maken, goochelen, begoochelen. -gêlaran, iets dat uitgespreid wordt, een mat, een deken, enz. -panggêlar, uitspreiding, ontrolling. -pagêlaran, de plaats waar iets uitgespreid wordt; naam van een plaats ten Noorden beneden de Siti-hinggil, met een plat dak van bamboe aan de oostzijde, waar de ambtenaren op Maandag, Donderdag en Zaturdag, wanneer de Vorst zich aan zijn aan zijn onderdanen vertoont, op hun matjes van rotting naar rang en orde gezeten, hun opwachting maken bij den Vorst (zelfs dan, wanneer de Vorst op die dagen zich daar niet vertoont), die dan aldaar gezeten is in de Bangsal-Pangrawit.

gilir : K.N. afwisselend, beurtelings; elkander vervangen, aflossen [Ml.id.]. -anggiliri, iemand vervangen, aflossen. -anggilirake, N., -kên, K., doen of laten vervangen of aflossen. -giliran, afwisseling, beurt.

glura : z.v.a. galura.

galêro : zie gêro.

--- 654 ---

galura : K.N. ongeregeldheid, wanorde, verwarring van gedachten, regeringloosheid [Ml. hevige branding der zee].

glirih : K.N. kermen, stenen [vrg. gluruh].

gluruh : of galuruh, K.N. het gekerm van zieke; zwaar kermen, het uitschreeuwen [vrg. glirih]. gluruh-gluruh, aanhoudend zwaar kermen.

glarapan : K.N. schrikken, ontstellen [vrg. garap, II.].

galêrêng : zie gêrêng.

galak : K.N. woest, verwoed; wild, ongetemd; woestheid [Sd.Ml.id.]. galak ulat, een vurig, levendig gezigt. anggêgalak, verwoed maken, hitsen.

gêlak : K.N. spoedig, gaauw; haast; spoed maken, zich haasten; rusteloos. -anggêlakake, N., -kên, K., tot spoed aandrijven. -gêlakan, met spoed.

golèk : I. N. [upados of ngupados, K., ucal, Md.] zoeken, met een onbepaald voorwerp. golèk-golèk, aanhoudend zoeken. -anggolèki, iets bepaalds zoeken, naar iets of iemand zoeken, opzoeken. -anggolèkake, laten zoeken, naar iets laten zoeken; voor een ander zoeken. II. K.N. pop [Sd. beeld].

golok : K.N. een soort van kris of klein zwaard, dat door priesters gedragen wordt [Ml. houwe; hakmes].

galidrah : zie gidrah.

gêladrah : K.N.; anggêladrah, verspreid op den grond liggen. -guladrahan, zich op den grond wentelen.

guladrahan : zie gêladrah.

gêlit : K.N. kerf, insnede; gewricht, lid, afdeeling. -gêlitan of gêgêlitan, gewricht, de gewrichten aan het lichaam; oorsprong, begin.

gêlut : K.N.; anggêlut, omspannen, omvatten, zoo als van menschen, die met elkander worstelen; worstelen [vrg. gulêt]. -gêgêlutan, elkander omvatten; met elkander worstelen.

gilut : K.h.; anggilut [ook ngwaja, K.h., mamah, K.N.] kaauwen, op iets kaauwen; lang een zaak overwegen, overleggen, overdenken. -panggilut, gevoelen, meening.

gulêt : K.N. om elkander geslingerd; zich om elkander slingeren, elkander omhelzen [vrg. gêlut].

gêlas : Holl. glas [Sd.Ml.id.].

gêlis : N. [enggal, K.] spoedig, dra. aglis, met spoed; spoed maken, haasten [= kêbat]. dèn aglis, maak haast.

gilês : K.N.; anggilês, rollen, overheen rollen. -anggilêsi, over iets heên rollen, malen.

gilis : z.v.a. gilês.

galoso : K.N. lang uitgestrekt liggen.

gêlasah : K.N.; anggêlasah, in menigte op [...] grond verspreid liggen, meestal van groote voorwerpen [vrg. bêlasah].

gulasah : z.v.a. gêlasah.

galusur : K.N. met de hand over iets heên strijken.

--- 655 ---

galasaran : K.N. zich van pijn op den grond wentelen.

gulasaran : z.v.a. galasaran.

galuwèh : K.N.; galuwah-galuwèh, schertsen, jokken, den gek scheren. -gumluwèh of gêmluwèh, onbedachtzaam, ligtvaardig.

gulawênthah : K.N. een kind opvoeden, groot brengen, van alles voorzien; opvoeding.

glawat : z.v.a. gulawat.

gulawat : K.N. de handen uitstreken.

gliwang : K.N. in onzekerheid verkeeren, weifelen [vrg. giwang]. -anggliwangake, N., -kên, K., iemand doen weifelen.

gêlali : z.v.a. gulali.

gulali : K.N. gesmolten suiker.

gêlap : K.N. I. ergens in- of doorbreken, een dak openbreken om in een huis te komen. II. bliksem, donderslag [Sd. bliksem, weêrlicht]. tuntugêlap, donderkeil, dondersteen. sambêrgêlap, door den donder getroffen, een vloek, verwensching.

gilap : K.N. I. blinkend; glans, vernis [Sd. blinken, schitteren]. payung gilap, een geheel vergulde zonnescherm, een der onderscheidingsteekenen van den Vorst en van de echte zonen van den Vorst. -gumilap, blinken, schitteren, glinsteren. II. schuw, schuchteren, schrikachtig [vrg. [...] -ligap].

galêpang : zie galêpung.

galêpung : N., galêpang, K., meel; tot stof gemalen.

galadhi : of gêladhi, K.N. parade. anggaladhi, oefenen, exerceren, drillen.

galedhah : K.N.; anggaledhahi, overal doorzoeken, alles omkeeren of omhalen om te doorzoeken.

gladhak : z.v.a. gladhag, zie galadhag.

glêdhêg : K.N. I. een etenskast. II. het zachte rollen van den donder [vrg. gludhug]. -gumlêdhêg, rommelen, donderen, ruischen, zieden.

glidhig : K.N. werkman, daglooner, iemand die verpligte heerendiensten doet; naar alles de handen uitstrekken, doorsnuffelen, zich alles toeeigenen; inhalig, begeerlijk, hebzuchtig. angglidhig, als daglooner werken.

glodhog : K.N. een zeer klein nest van een vogel; het huisje of de cel van een bij; een houten kast, waarin door twee personen onderscheidingsteekenen van den Vorst gedragen worden. -angglodhogi, de huid verwisselen.

galadhag : gêladhag of gladhag, Kw. een korte piek, waarmeê men op wilde dieren jaagt; K.N. de stutten, waaraan een pagger vastgemaakt is; en naam van een plaats aan de noordzijde van de Aloen-aloen, waar de gevangenhuizen staan, en waar de transportmiddelen voor de dienst van den Vorst (lastdragers en lastpaarden) geleverd moeten worden. kori galadhag, naam van een poort dáár. wong galadhag, een lastdrager, en jaran galadhag, een lastpaard, voor de dienst van den Vorst. mantri galadhag, benaming der ambtenaren, die genoemde transportmiddelen ten behoeve van den Vorst voor niet moeten leveren. wadhana galadhag, het hoofd der Mantri-Galadag, de opperleverancier [opperleveran...]

--- 656 ---

[...cier] van koeli's en andere middelen van vervoer. paseban galadhag, de Paséban der Mantri-Galadag. anggaladhag, met korte pieken op wilde dieren jagen. -galadhagan, een rak, waarop de Javanen hun pieken leggen; vroeger ook een kapstok om linnengoed op te hangen, z.v.a. sampiran.

galudhug : gêludhug of gludhug, K.N. donder, onweder, het ratelen van den donder [vrg. glêdhêg, II]. -gumludhug, donderen, bulderen, zieden.

galedhegan : K.N. rad, wiel; ook naam van een poort die naar de Aloen-aloen leidt.

galiyir : K.N. slaperig zijn, vaak hebben.

galuyur : z.v.a. galoyor.

galeyor : naam van een soort van peulvrucht of Katjang.

galoyor : K.N. waggelen, wankelen. gloyar-gloyor, gedurig waggelen. -galoyoran, waggelend, in een waggelenden toestand verkeeren.

glayêm : K.N. onduidelijk.

gulma : I. Kw. boom, geboomte [Skr. goelma, struik, struikgewas]. II. K.N. getal van duizend millioen [Skr. goelma, een legerafdeeling, bestaande uit 9 olifanten, 9 strijdkarren, 27 ruiters en 45 voetknechten]. sagulma, duizend millioen.

gêlam : naam van een zeker geneeskruid.

gêlêm : N. [purun, K.] geneigd, gewillig, genegen zijn, willen, verkiezen. ora gêlêm, niet willen. gêlêman, gewillig, alles doende wat men verlangt.

gulamit : K.N. 1. met een touw, rottan of gespletene bamboe aan elkander vasthechten; 2. aanhoudend klagen of kermen.

galimpyo : Kw. rondomheên gaan, rondgaan, [= amidêr].

galimpang : K.N. omrollen. -anggalimpangake, N., -kên, K., afwentelen. -galimpangan, zich rollen, zich wentelen, woelen, rondwoelen.

galimbung : K.N. alleen gelaten, zonder hulp, zonder makker. -galimbungan, in een verlaten toestand verkeeren. -galimbang-galimbung, radeloos, verlegen zijn.

glumung : Kw. effen, gelijk; overal, algemeen [= wêrata].

glugu : zie galugu.

gilig : K.N. I. langwerpig rond zijn, een lange rol. II. eenstemmig, eensgezind; overeenkomen.

galêga : zie galugu.

galuga : K.N. 1. een stof uit het plantenrijk waarmeê men rood verwt; 2. een soort van rooden mergel, waarvan foelie voor spiegels gemaakt wordt. anggaluga, met Galoegå roodverwen.

galugu : of glugu, I. N., galêga, K. [gew. tirisan, K.] kokosboom, klapperboom. II. K.N. naam van een gewas, van welks schors het gewone Javaansche papier gemaakt wordt.

glagah : K.N. een soort van lang rietgras.

galigèn : K.N. staafijzer.

galaganjur : z.v.a. kalaganjur.

--- 657 ---

glêgêr : K.N. het bulderen, zooals van den donder. -gumlêgêr of gumalêgêr, een donderend geluid; bulderen, ruischen; het bulderen van een kanonschot; schot.

gligir : zie gigir.

gil-gilan : K.N. groote haast maken.

galigap : K.N. onthutst, ontsteld [vrg. gilap]. -galigapên, ontstellen.

gulagêpan : K.N. door het indringen van te veel water in de keel bijkans stikken.

galibrah : zie gibrah.

glibêd : of galibêd, K.N. heên en weêr loopen. glibêd-gêlibêd, gedurig heên en weêr loopen; kruisen. -glibêdan of galibêdan, zich om iets of iemand heên en weêr bewegen. -pangglibêdan, wijkplaats.

glubud : en globod, K.N. slof, slordig, liederlijk.

globod : zie glubud.

galêbyar : zie gêbyar.

galathik : naam van een kleinen vogel, het rijstdiefje.

galethak : K.N. op den grond liggen. pating galethak, verspreid op den grond liggen.

galang : K.N. ondersteunen, onderstutten; bouwen.

galêng : K.N. dam tot afscheiding of grens van een rijstveld. -galêngan, de dam zelf; een ingedamd stuk rijstveld.

galing : K.N. naam van een gewas [= gabah, ook = obah]. -golang-galing, waggelen, dobberen, zich bewegen; ook naam van een soort van kogels.

gêlang : K.N. [binggêl, K.h.] armring, bracelet [Sd.Ml.id.]. anggêlang, een armring dragen. gêlang kana, naam van een soort van armbanden, die met figuren versierd zijn. têpung gêlang, zie têpung, têmu gêlang, iets geheel omvatten, omsluiten. gêgêlang, naam van een landschap ten Noorden van Prånå-rågå.

gêlêng : zie gêlung, gêlêngan, zie bij golong.

gêlung : I. N., gêlêng, K., zamenbinding, vereeniging [Sd. opbinden, opknoopen]. anggêlung, N., anggêlêng, K., zamenbinden, vereenigen; een verhaal maken. II. K.N. [ukêl, K.h.]. haarwrong, kapsel. anggêlung, een haarwrong maken, het haar in een wrong knoopen, het haar opmaken. -anggêlungi, in het haar knoopen, bij het opmaken van het haar er iets, b.v. bloemen, indoen. -anggêlungake, N., -kên, K., voor een ander het haar in een wrong opmaken; iets in het haar knoopen. -gêlungan, zich het haar in een wrong knoopen; het haar in een wrong opgemaakt hebben; het in een wrong opgemaakte haar. -panggêlung, kapper.

gilang : K.N. een vlakke, groote, ronde steen [Ml. schitteren, blinken]. gilang-gilang, glans; een glans verspreiden; onverzorgd, onbegraven liggen, van een lijk. -gumilang, weêrkaatsen, terugstralen, schitteren [Sd.Ml.id.]. gumilang-gilang, aanhoudend of in menigte weêrkaatsen, b.v. van de stralen der zon; schitteren, helder schijnen, een glans verspreiden.

giling : K.N. molen; rollen [Sd.Ml. malen]. giling

--- 658 ---

wêsi, zie beneden. Anggiling, ronddraaijen. -gilingan, iets dat rolt, in de rondte draait, een rad, molensteen, kraan; een molen, een suikermolen, die door buffels gedreven wordt. -pagilingan, een molen. watu pagilingan, een molensteen. -panggilingan, een handmolen. Panggilingan gêndhis, een suikermolen.

gulang : K.N.; anggulang of anggêgulang, K.N. leeren, zich in een kunst oefenen, onderwijs genieten, onderwezen worden. anggêgulang padu, zich in het twisten oefenen. kagulang of ginulang, zich oefenen [vrg. ginau en sinau]. dhêmên gêgulang, leergierig. gulang-gulang, aanhoudend leeren, zich oefenen; gekheden maken. -gêgulangan, iets waarin men zich oefent.

guling : K.N. een lang kussen; zich lang uitstrekken; slapen [= sare en bantal, Sd.Ml. rollen, wentelen. gêguling, Sd. lang kussen]. -gumuling, omrollen, neêrrollen, omvallen; omver gevallen. kantu gumuling ing siti, flaauw gevallen opden grond neêrrollen. -pagulingan, Kw. slaapplaats, slaapstede, ledikant [= panggenan sare].

gulung : K.N. rol; ook naam van een soort van zoete appelen. anggulung, oprollen, een rol maken [Sd.Ml.id.]. kagulung-gulung, wentelen. daluwang sagulung, een rol papier. jêruk gulung, naam van een soort van limoen. -anggulungi, oprollen, meervoud. -gumulung, opgerold; rollen. -gulungan, een rol, baal; zich op den grond rollen, omwentelen. -panggulung, oprolling, zamenrolling.

golong : K.N. vereenigd, op een hoop of in een troep bij elkander; een bol rijst. agolong, vereenigd zijn. anggolong, vereenigen, op een hoop bij elkander brengen. -anggolongake, N., -kên, K., iets vereenigen met iets anders, onder dezelfde afdeeling plaatsen. -golongan of gêgolongan, in Kråmå ook gêlêngan of gêgêlêngan, met een ander of met elkander in een troep, schare of afdeeling vereenigd zijn; vereeniging van menschen of dieren, een hoop, schaar; verzameling, menigte, kudde, troep, komplot. Zoo worden ook de vijf groote afdeelingen genoemd, waarin de Javaansche maatschappij van Soerakarta verdeeld is, namelijk de Kadipaten, de Kamisepoehan, de Kapatiän, de Pradjoerittan en de Pangoelon. -golong-golong, gezellig verkeer.

galungsur : K.N.; anggalungsur, met de hand bestrijken en bevoelen.

gêlangsaran : K.N. I. iets dat men dagelijks aan het lichaam draagt. II. op den grond liggen en zich krommen.

gilingwêsi : naam van een der oudste rijken van Java.

glanggang : of gêlanggang, K.N. naam van een soort van lang riet; overeind staan, vast staan blijven; moed, dapperheid, standvastigheid [Ml. gelagang of gelanggang], strijdperk voor een hanegevecht, slagveld].

glinggang : K.N. een drooge boom, droog hout.

glonggong : K.N. droog riet.

gape : K.N. iemand voor zich trachten in te nemen, vleijen.

--- 659 ---

gupa : verkorting van gupita.

gêpah : zie gupuh.

gipih : zie gupuh.

gupuh : N., gêpah, K., gipih, Kw., spoed, haast; zich spoeden, zich haasten, haast maken [gupuh = enggal-enggalan en gipih = kêbat, Ml.id.]. gupuh-gupuh, met grooten haast iets verrigten.

gupoh : z.v.a. gupuh.

gupana : Kw. worden, geschieden [= dados].

gapura : Kw. een uitstekende punt; hoog, in de lucht zweven; poort, deur; ingang van den Kraton [= lêlawang en lawanging ratu].

guphêrnur : Holl. gouverneur.

guphêrmèn : Holl. gouvernement.

gapruk : K.N. klinken, kletteren (van tegen elkander rakende wapens).

gapuk : z.v.a. gêpuk.

gapok : z.v.a. gêpok.

gêpok : K.N. iets of iemand raken, aanraken, aantasten. kagêpok, aangetast worden, van een ziekte. -gêpokan, een ander of elkander aanraken; aanraking; botsing.

gêpuk : K.N. vermolmd, broos, vergaan. anggêpuk, vermolmen, tot gruis maken, verbrijzelen, verpletteren; verwoesten, bederven; op iets aanvallen.

gupak : K.N. bemorst; zich bemorsen, vuil ma-[...] .

gepak : K.N. afgeweken, afgedwaald. anggepak, ter zijde gaan, afwijken, afdwalen.

gopok : K.N. onecht, valsch; ruw, grof.

gapit : K.N. pers van gespletene bamboe, waarin of waartusschen iets geklemd wordt [vrg. apit]; ook naam van de eerste poort, die van de Siti-hinggil naar de Kraton leidt. anggapit, persen; klemmen. -anggapiti, meervoud.

gupit : K.N. naauw, eng, beperkt; een geheime slaapplaats [= pakewuh]. II. Kw. een opstel maken [vrg. gupita].

gupita : Kw. I. prinses. II. schrikachtig. III. verhalen, vertellen [= cinarita, en anggupita = anggunêm]. ginupita, verhaald worden.

gopèl : K.N. een stuk of brok afbreken.

gapila : of gêpila, Kw. wit.

gupala : Kw. K.N. afgodsbeeld, afgod [= buta].

gêpluk : K.N. met een knuppel slaan.

gapyak : K.N. spraakzaam; zich jegens een vreemde familiaar toonen [= rahab ing patêmbungan].

gapyuk : K.N. elkander raken, aan elkander stooten, de handen in elkander slaan [= gêpokan awak]. gumapyuk, elkander rakende. -gapyukakên, elkander doen raken, bij elkander brengen, vereenigen.

gêpyok : K.N. met een stok vruchten van een boom slaan.

gupyuk : K.N. veel gedruisch maken; velen die tegelijk een aanval doen, vereenigen.

gopyak : K.N. twee stukken hout, die aan een gespannen touw vastgemaakt, elkander raken en door wier geluid de vogels van boomen veldvruchten verdreven worden. -garopyak, zie boven.

--- 660 ---

gop-gopan : K.N. overmatig drinken, zuipen.

gêpèng : en gèpèng, K.N. plat [Sd. gèpèng, neus, platneus]. sambêl gêpèng, benaming van een soort van Sambel, gemaakt van half gaar gebraden Katjangboonen, met Spaansche peper, zout en trassi gestooten, zoodat de Katjangboonen plat worden. anggèpèng, plat maken.

gipang : naam van een lekkernij van rijst en suiker bereid.

gèpèng : zie gêpèng.

gadha : Kw. verschrikken, schrik aanjagen, doen ontstellen [Skr. gâdha, hevig, streng, hard].

gadhu : K.N. velden door middel van dijken en waterleidingen in de drooge moeson bebouwen [het tegenovergestelde van walikan].

gadhe : N., gantos, K.; anggadhe, en anggantos, in pand nemen [Ml. pand; Sd. verpanden]. gadhe-ginadhe, van elkander in pand nemen, panden en verpanden. -anggadhèkake, N., anggantosakên, K., iets tot pand geven, verpanden. -gadhèn, N., gantosan, K., pand, pandgoed, beleend goed, onderpand. -panggadhe, N., panggantos, K., verpanding; een pandhouder.

gadho : K.N. enkel vleesch eten zonder toespijs.

gêdhe : N. [agêng, K.] groot, dik, zwaar, sterk; verheven in rang, aanzienlijk, voornaam; hoog, hoogmoedig [Sd. id.]. angin gêdhe, zware wind. kaline gêdhe, de rivier staat hoog. ati gêdhe, een hoog hart; hooghartig. aksara gêdhe, kapitale letter. -anggêdhèni, grooter maken. -anggêdhèkake, groot of hoog maken, vergrooten; hoog op prijs houden. -gumêdhe, ook wel gêmêdhe, zich groot voordoen; grootsch, hoogmoedig, trotsch. -gêdhèn, grootte, uitgebreidheid; in het groot, omslagtig; omslagtigheid. -panggêdhe, voornaamste, hoofd, aanvoerder. -manggêdhèni, als aanvoerder het bevel voeren. -kagêdhèn, te groot.

gudhe : K.N. naam van een peulvrucht, die door de Javanen als toespijs bij de rijst gegeten wordt.

godha : K.N. verzoeking, beproeving [Sd. gevaarlijk]. anggodha, in verzoeking brengen, verzoeken; plagen. -panggodha, verzoeking, beproeving; verzoeker.

godhi : K.N. zwachtel; vlechtwerk, waarmeê de punt van een lans aan den steel wordt vastgemaakt. anggodhi, winden, omwinden, omzwachtelen, vastmaken.

gadhah : K. [duwe, N., kagungan, K.h.] het bezit van iets; bezitten, hebben. gadhah anak, een kind hebben, vader of moeder van een kind zijn. ingkang gadhah, de bezitter of eigenaar. gadhah atur, een voorstel doen. -anggadhahi, iets bezitten, in het bezit van iets zijn; iemand in het bezit stellen. -anggadhahkên, iets in bezit geven aan iemand. -gadhahan [duwèk, N., kagungan, K.h.] hetgeen bezeten wordt, eigendom, bezitting, toebehooren. -gadhahan kula, het mij toebehoorende, het (de) mijne. gadhahan kula pajêg, de ij toekomende pacht.

gadhuh : K.N.; anggadhuh, tijdelijk iets bezitten, in tijdelijk bezit, in leen hebben. -anggadhuhi, [-anggadhuhi...]

--- 661 ---

[...,] iemand iets in tijdelijk bezit of leen geven, iemand met iets beleenen. -anggadhuhake, N., -kên, K., iets, voornamelijk landen, in tijdelijk bezit of leen geven aan iemand. -gadhuhan, een leengoed, leenbezittingen, landen die in tijdelijk bezit gegeven worden, apanage.

gêdhah : K.N. donkerblaauw, groenachtig of grijsblaauw, donkergroen; glas; spiegel.- gêdhahan, een stof van die kleur.

gidhuh : K.N. in de war zijn; verdriet. -anggidhuhi, in de war brengen, in verlegenheid brengen, verlegen maken.

godhoh : K.N. oorlel.

gêdhohan : K.N. de ingewanden van den buik.

gadhèn : zie gadhe.

gêdhèn : zie gêdhe.

gadhak : Kw. dorst hebben, dorst lijden [= ngêlak].

gadhil : K.N. met de slagtanden slaan of treffen.

gadhêle : naam van een soort van peulvrucht.

gudhali : naam van een vogel, een soort van groote zwaluwe [vrg. kadhali].

gêdhêmpalan : K.N. moeite hebben in het gaan, een moelijke gang.

gêdhag : K.N. pralen, snoeven, opsnijden.

gêdhêg : I. zie gêdhug. II. K.N. een kemirinoot, die na het kloppen onbeschadigd gebleven is. III. K.N. schudden, bewegen, heên en weêr bewegen [Sd. gêdhag, id. Vrg. gèdhèg]. IV. gêgêdhêg, Kw. vuil, morsig; kwaad, slecht. -anggêgêdhêgi, iemand in het kwade overtreffen.

gêdhig : K.N. dorschen. gêdhag-gêdhig, voortvarend.

gêdhug : en gêdhêg, K.N. ten einde toe, tot den laatsten man, geheel en al; het uiterste, laatste. gêgêdhug, tegen iets stooten, aanleunen; voornaamste, eerste in rang, hoofd, aanvoerder. -anggêdhugi, en anggêdhêgi, geheel voltooijen; de maat geheel vol maken.

gêdhèg : K.N. aan elkander gevlochten bamboe; een heining daarvan. pagêr gêdhèg pawon, een omheining van Gedeg om een kombuis.

gêdhog : K.N. op iets slaan of kloppen, benaming van een soort van Wajang [onderscheiden van de wayang purwa, Beide zijn van leder en onderscheiden van de wayang kalithik, Vrg. bèbèr]; ook een soort van gestreepte zijden stof. gêdhag-gêdhog of gêdhog-gêdhog, aanhoudend kloppen, met de voeten stampen. -gêdhogan, paardestal [Ml.id.; Sd. gêdhogang, Vrg. kadhogan]. -pagêdhogan, de plaats waar een paardestal staat.

gudhig : K.N. schurft, schurftig. asu gudhig, een schurftige hond.

gèdhèg : K.N. het hoofd schudden [vrg. gêdhêg, III.] agèdhèg-gèdhèg, aanhoudend het hoofd schudden.

godhèg : K.N. de bakkebaard; een versiersel aan het gebit van een paard.

--- 662 ---

godhog : K.N.; anggodhog, in water koken. -anggodhogake, N., -kên, K., voor iemand in water koken. -godhogan, hetgeen in water gekookt is of wordt, kooksel.

gadhêgêl : K.N. afkeerig, ongenegen zijn.

gadhang : K.N. bestemmen, vooruitbestemmen, vooruit tot opvolger benoemen; verwachten, een verwachting hebben van iemand of iets. -gadhangan, een persoon die vooruit tot een waardigheid benoemd is; vooruitbeschikking; lot, deel.

gadhing : 1. K.N. de slagtanden van een olifant, olifantstand, elpenbeen, ivoor; ook naam van een soort van bamboe, en van een soort van kleine gele kokosnoten [Sd.Ml.id.]. 2. K. [umbêl, N.] snot. anggadhing, met de slagtanden treffen of slaan. gadhing pangukir, eign. van een priester. -gadhingan, haastig, gretig; ook naam van een soort van ongedierte, een soort van houtworm.

gadhung : K.N. I. om den tuin leiden, misleiden, bedriegen. II. een groene kleur; ook naam van een aardvrucht, een soort van aardappel, die een dronkenmakende kracht heeft en vergiftig van aard is, dioscorea trifoliata [Ml.id.]; ook benaming van een soort van Mangga. gadhung mlathi, naam van een poort aan den Zuidkant van de Kraton te Soerakarta. -gumadhung, of gêmadhung, benaming van het rijstgewas vóórdat het aren gekregen heeft.

gêdhang : N. [pisang, K.] pisang, banaan [Sd.id.]. uwit gêdhang, pisangboom, banaanboom. rara gêdhang, een meisje dat, terwijl hat ongetrouwd is, zwanger wordt. -gêdhang sarira, K.N. zie lirang.

gêdhong : K.N. I. een steenen gebouw, dat tot pakhuis, gevangenis enz. dient; een vertrek of kamer in een huis; voorraadkamer, magazijn, schatkamer of kelder [Ml.id., Sd. huis, woonhuis]. gêdhong gêgaman, N., gêdhong dêdamêl, K., tuighuis. gêdhong kopi, koffijpakhuis. gêdhong têngên, en gêdhong kiwa, naam van twee gebouwen, de voorraadkamers van den Vorst, aan de regter en linkerzijde bij den ingang van de Kraton. wadana gêdhong têngên, en wadana gêdhong kiwa, naam van twee Binnenwadånå's, die het opzigt over deze voorraadkamers en beurtelings over de huishoudelijke uitgaven van den Vorst hebben; de opperpakhuismeesters en voorraadbezorgers van den Vorst. mantri gêdhong, benaming van zekere beambten van den Vorst. mantri ênèm gêdhong, en mantri sêpuh gêdhong, benaming van zekere beambten van den Kroonprins. anggêdhong, in een steenen gebouw doen, in een gevangenis zetten. -gêdhongan, vertrek; gevangenis. II. kok. III. huisraad; zwachtel, luijer, windsel. ucul gêdhong, zie ucul.

gudhang : I. K.N. bladeren in klappermelk gekookt. II. Sd.Ml. pakhuis, voorraadkamer, magazijn.

gèdhèng : K.N. een bos padi. -anggèdhèngi, padi in een bos binden.

godhong : K.N. [of N., dhaon, K.] blad, boomblad. anggodhong, als een blad zijn,

--- 663 ---

naar een blad gelijken. -godhongan of gêgodhongan, bladeren, gebladerte, loof; groentens.

godhingga : Kw. beproeven, toetsen.

gajah : K.N. olifant [Sd.Ml.id.; Skr. gadjah]. gajah mas, een gouden olifant, één der onderscheidingsteekenen van den Kroonprins. gajah ulam, walvisch. gajah mati, N., gajah pêjah, K., naam van een klasse van menschen, die in den omtrek van Karta Soera wonen, en wier vrouwen de zweepen, buikgordels en ander paardetuig voor het hof van Soerakarta vervaardigen, terwijl de mannen eenig handwerk uitoefenen. gajahoya, vroegere benaming van Ngastinå. -gêgajahan, hetgeen tot een olifant behoort; bij een olifant vergelijken. -pagajahan, stal van een olifant.

gajih : I. K.N. vet, smeer, ongel, talk [Sd.id.]. -pagajih, bouwgrond aan den kant van een rivier, dat in de goede moeson bebouwd kan worden. II. Holl. gage, besoldiging, loon, tractement, wedde, jaargeld [Sd.Ml. gaji]. -gajihan, loontrekkend.

gêjak : K.N. in een vijzel stampen [vrg. gajag].

gajul : K.N. bijvoegen, toevoegen.

gêjlig : zie gêjig.

gêjujur : K.N. tegenspoed hebben [vrg. kajujur].

gêjojor : K.N. het lichaam rekeen, zich stijf maken [vrg. kajojor].

gajêg : K.N. I. toevallig, nu en dan; gissen, meenen. gajêge, bij toeval. gajêg purun gajêg botên, nu eens wilde hij, dan weêr niet. II. bekwaam, geschikt.

gêjag : en gêjug, K.N.; anggêjag, en anggêjug, met de voeten stampen [vrg. gêjak].

gêjêg : en gujêg, K.N.; anggêjêg en anggujêg, op iets aandringen, aanhouden, dringend om iets verzoeken [vrg. gêjag, gêjig en gêjak].

gêjig : K.N. [vrg. gêjag]. anggêjigi en anggêjligi, op den grond stampen.

gêjug : zie gêjag.

gujêg : zie gêjêg.

gojag : z.v.a. gojog.

gojog : K.N. omschudden, omroeren; een scheldwoord. gêgojog, iemand uitschelden.

gujêng : I. K.N.; anggujêngi, K.N. vasthouden, met de handen iets vasthouden; beletten, tegenhouden. kaulungake buntute, kagujêngi êndhase, iemand den staart aanbieden en het hoofd of den kop terughouden, d.i. aan iemands verlangen slechts ten deele voldoen. -gujêngan, iets dat, of iemand die, tegengehouden wordt. II. K., zie guyu.

gya : z.v.a. gi en ge of age [= age-age].

guyu : N., gujêng, K., hat lachen. anggêguyu, N., anggêgujêng, K., iemand uitlachen. -angguyoni, N., anggujêngi, K., belachen, bespotten. -angguyokake, N., anggujêngakên, [anggu...]

--- 664 ---

[...jêngakên,] K., doen lachen. -gumuyu, N., gumujêng, K., lachen; lachend [Sd. gêmujêng, het lachen, gelach]. -guyon, N., gujêngan, K., iets waarover men lacht; met een ander of met elkander lachen, schertsen; scherts, kortswijl. -paguyon, N., pagujêngan, K., scherts, boert. -maguyoni, N., magujêngi, K., schertsen, boerten.

gyuh : Kw. droefheid, komeer; verlegenheid.

gayuh : K.N.; anggayuh, de handen naar iets dat hoog is of hangt uitstrekken, naar iets in den hoogte grijpen.

gyan : Kw. z.v.a. gon [= ênggon].

guyon : zie guyu.

giyanti : naam van een plaats, twaalf palen ten Oosten van Soerakarta, waar in het jaar 1755, na de verzoening van den Soesoehoenan Pakoe-Boewånå III en zijn oom Mangkoe-Boemi, deze laatste door den Gouverneur-Generaal Hartingh tot Sultan over het hem afgestane gedeelte van het rijk verheven is; hetgeen aan het Vorstondom van Djokjokarta het ontstaan gegeven heeft. -giyantipura, naam van een rijk. -pagiyanti, het voorgevallene te Gijanti.

gayêr : K.N. onophoudelijk.

gayor : K.N. I. de slagtanden van een Kidang. II. een stellage waaraan de Gong gehangen wordt.

giyêr : z.v.a. gayêr.

gyak : verkorting van giyak.

giyak : K.N. uitgillen, uitroepen, uitschreeuwen. giyak-giyak, het aanhoudend uitgillen, uitgelaten vrolijk zijn; luidruchtige vrolijkheid. -gariyak, uitgelaten vrolijk zijn, juichen. pating gariyak, overal luidruchtig vrolijk zijn.

gayat : Kw. waarheid; wezenlijk, inderdaad [= kasinggihan].

gayut : K.N. aan twee einden vastbinden; van het eene werk tot het andere overgaan.

gyati : verkorting van ngagèti, zie kagèt.

gayol : K.N. een werktuig waarmeê men den grond zuivert.

gayya : Kw. z.v.a. gawe.

gêyayas : K.N. bleek van kleur, van het gelaat; verbleekt.

gayam : naam van een grooten boom, waarbij of in welks nabijheid zich een bron bevindt.

gayêm : K.N. herkaauwen. -anggayêmi, iets herkaauwen.

gi-age : of ge-age, z.v.a. age-age.

guyub : K.N. vereeniging, overeenstemming, zamenspanning, zamenrotting, aanhang; overeenstemmen; eenstemmig. -angguyubi, met iemand of iets zich vereenigen, met iets instemmen; iemand aanhangen. -gêguyuban, zich met een ander of met elkander vereenigen; karavane.

gayêng : K.N. gedurig in de rondte gaan; omga-[...], omwandelen; bedreven, bekwaam zijn; aanhoudend, zonder einde.

guyang : K.N.; angguyang, een beest in een rivier of in een wed wasschen.

--- 665 ---

guyêng : z.v.a. gayêng.

geyong : K.N. aan een touw hangen. geyong-geyong, aan een touw hangende gedurig heên en weêr slingeren.

goyang : K.N. schudden, heên en weêr bewegen, roeren, in beweging brengen, luiden [Sd.Ml.id.]. goyang kapala, het hoofd schudden.

ganya : Kw. wensch, bede; bevel [= puja en pakon].

ganyana : Kw. duidelijk zien [= awas en angên-angên].

gêm : grondvorm van agêm, II. en van gêgêm.

gama : zie agama.

gami : zie agama.

gêmi : K.N. spaarzaam, zuinig, sober, matig. -anggêmèni, iets besparen, zuinig te werk gaan, bezuinigen; opzamelen; verzwijgen.

goma : Kw. vreugde; geven, schenken [= suka]. -goman, gunst, belooning.

gêmah : I. K.N. vruchtbaar, vruchtbaarheid van den grond, vette aarde. II. zamensmelting van gêgêm en mamah.

gêmuh : K.N. poezelig rond zijn; kluwen garen; ronde borsten. sagêmuh, een kluwen.

gaman : gew. gêgaman, N. [dêdamêl, K.] wapen, wapentuig; gewapende, gewapende magt, wapenbende.

gumun : K.N. verwonderd; verwondering; zich verwonderen. -anggumunake, N., -kên, K., iemand verwonderen, verwondering wekken; verwonderlijk. -gêgumunan, verwondering.

gumana : K.N. een niet geheel volwassen bij.

goman : zie goma.

gimêr : K.N. ronddraaijen; naam van een spel met een draaitolletje, waarop oogen of nommers staan, of met een Gòbog (een stuk geld met een gat er in), dat rondgedraaid wordt, en waarbij de kans afhangt van de zijde, waarop het valt; Gimer spelen.

gimir : K.N. bewogen, aangedaan; onbestendig, wispelturig; verliefd; bewogen worden; wankelen, afwijken, afdwalen; verliefd worden. gêgimir, van de eene tot de andere overgaan, veranderlijk in de genegenheid tot vrouwen zijn. kagimir, zeer verliefd zijn. -anggimirake, N., -kên, K., doen afdwalen, tot het kwaad doen overhellen; verliefd doen zijn, verliefd maken.

gumêr : K.N. een groot gedruisch; het kletteren van wapens. gumêr-gumêr, zeer levendig, veel gedruisch maken.

gumrah : zie gêrah, I.

gumuruh : K.N. gedruisch van vele menschen, rumoer, geraas, getier [= baribin en swara kang rame, Ml.id. Vrg. gumêrah, bij gêrah, I.].

gumrènjèng : K.N. een kletterend geluid, als van den regen.

gumakgumarêk. : K.N. vele stemmen die zich tegelijk laten hooren.

gumêrêt : zie bij grit, II.

gumêrit : of gumrit, zie grit, II.

gumêrèt : zie bij grit, II.

gumêrot : zie bij grit, II.

--- 666 ---

gumrawah : K.N. een ruischend geluid, als van water; het uitbruischen van water [vrg. kêmrawak].

gumriwis : K.N. het gedruisch van een groote menigte.

gêmrujug : z.v.a. gumrujug.

gêmrojog : z.v.a. gumrojog.

gumrayah : K.N. door een grooten hoop omringd worden; velen, een groote menigte, een groot getal [waarschijnlijk van grayah].

gumriyêng : K.N. zwaar beladen, onder een last gebukt, zeer gedrukt gaan; groote droefheid hebben.

gêmrumung : z.v.a. gumrumung.

gumrêmêng : zie bij gamêng.

gêmrumung : z.v.a. gumarumung.

gêmrêbêg : K.N. het knakkend geluid van hout dat brandt [vrg. gumrêbêg, bij garêbêg].

gêmrubug : z.v.a. gumrubug.

gumrubug : K.N. huilen, loeijen, van den wind; een donderend geluid, het geluid van den val van een zwaar lichaam [vrg. garêbêg en gêbrug].

gumarang : K.N. een voorspelling van een ramp door een koebeest.

gêmrênggêng : z.v.a. gumrênggêng.

gumrênggêng : K.N. gebrom; brommen.

gêmak : N. [puyuh, K.] naam van het wijfje van den bênce, een kleinen vogel, een soort van kwartel, waarvan het wijfje tot vechten gebruikt wordt.

gumuk : K.N. een hoop aarde, een heuvel.

gêmêt : K.N. geheel en al, niets overslaan, niets overlaten, geheel verteren of opmaken. priksanên sing gêmêt, onderzoek het naauwkeurig (zonder iets over te slaan).

gêmati : z.v.a. gumati.

gêmês : Ml. gemas, hard, wreed, woedend, wild.

gumisa : zie bisa.

gêmuwik : K.N. grommen, brommen.

gamêl : Kw. vatten, vasthouden, omvatten [ginamêl = cinêkêl]; K.N. een geringe bediende, stalknecht, iemand die de paarden bezorgt. -anggamêli, op verschillende instrumenten tegelijk spelen, een concert maken. -gamêlan, K.N. of N. [gôngsa, K.] een orchest of volledig stel van Javaansche muziekinstrumenten. gamêlan salendro, en gamêlan pelog, benamingen van twee verschillende Gamellans, zamengesteld uit dezelfde soort van instrumenten, maar die op verschillenden toon gestemd zijn. De eerste wordt bij de Wajang-poerwå, de andere bij de Wajang-gedog gespeeld. gamêlan miring, benaming van de Gamelan die bij de Wajang-kalitik bespeeld wordt. gamêlan sakatèn, zie sakatèn.

gèmèl : Kw.; anggèmèli, iemand van achteren vasthouden, terughouden, tegenhouden; toeroepen, terugroepen, waarschuwen [= nyêkêli].

gêmluwèh : z.v.a. gumluwèh, zie galuwèh.

gêmlêdhêg : z.v.a. gumlêdhêg, zie glêdhêg.

gêmpur : K.N. verdelgd, vernietigd, vergaan of verbrijzeld [= rusak kabèh]. anggêmpur,

--- 667 ---

verdelgen, vernietigen, verpletteren, verbrijzelen.

gamparan : K.N. houten schoenen, klompen.

gampil : zie gampang.

gêmpal : K.N. gespalten; spalten, breken, afbreken, afbrokkelen; verminderen; iemand benadeelen; wanhopen; een kluit, klomp; ook z.v.a. gêmpol, [Ml. kluit, klomp, brok. Vrg. gêmpil]. gêmpaling warôngka, het spalten of breken van een krisscheê. atur gêmpal, een gespaltene verklaring, een regtsterm voor: een verklaring, die strijdigheden bevat of niet klaar is. -gêmpalan, een afgebrokkeld stuk, brok.

gêmpil : K.N. een afgescheurd of afgebroken stuk; een kluit of klomp; verminderd; vermindering [vrg. gêmpal].

gêmpol : K.N. gezwollen, dik; een soort van gebak.

gumaplok : K.N. iets met zekerheid voorzeggen; stellig aan een belofte voldoen.

gêmplêngan : K.N. iets dat plat is, een plaat.

gampang : N., gampil, K., ligt, gemakkelijk, zonder moeite, zonder bezwaar, eenvoudig [Ml.id.]. gêgampang, N., gêgampil, K., iets voor gemakkelijk houden, iets ligt tellen, ligt over iets heên stappen, geen zwarigheid in iets vinden. -gumampang, N., gumampil, K., hetzelfde; en gemakkelijk zijn. -anggampangake, N., anggampilakên, K., verligten.

gamping : K.N. ongebluschte kalk. gunung gamping, een kalkberg.

gampèng : K.N. een hol of gat aan den oever van een rivier.

gêmpang : Kw. geheel vergaan, verdwenen [= tumpês].

gêmpung : I. Kw. z.v.a. gêmpang, II. K.N. een wrok voeden; koppig, stijfhoofdig [= kakuning ati].

gêmêdhe : zie gêdhe.

gêmadhung : zie gadhung.

gêmajang : zie bajang.

gumajang : zie bajang.

gumyah : Kw. een groot gedruisch, beweging van een groote menigte.

gumyur : Kw. van schrik beven, hevig ontstellen [= kagèt en kumêpyur].

gêmampang : z.v.a. gumampang, zie gampang.

gêmagus : zie bagus.

gumagus : zie bagus.

gambuh : K.N. beleefdheid, vriendelijkheid; ook benaming van een soort van Maduresche dansers, met schild, boog of Dadap, en gekleed met een saroeng en een lange sjerp, Sondé genaamd; ook naam van één der zangwijzen, die Tengahan genoemd worden.

gambar : K.N. schilderij, afbeelding, afbeeldsel, afteekening, prent, tafereel, beeld, portrait [Sd.Ml.id.]. anggamar, afbeelden, afteekenen, schilderen, een portrait maken. gambar bumi, gambar tanah, of gambar nagara, landkaart. gambar supêna, eign. van een dochter van Karnå.

gambir : K.N. Gambir, een struikgewas met een kleine witte bloem met een bruinen rand, waarvan de bladen tot een dik sop gekookt worden, dat vervolgens [vervol...]

--- 668 ---

[...gens] tot balletjes of koekjes gevormd en met Betel gekaauwd wordt. gambiranom, naam van een tooneelstuk.

gêmbor : K.N. schreeuwen, geschreeuw. gêmbor-gêmbor, aanhoudend schreeuwen, hard schreeuwen. pating galêmbor, overal geschreeuw.

gambira : Kw. opgeruimdheid, vrolijkheid [= bêgar, en wani agêng manahe, Ml. groote moed, moedig; Skr. gambhîra, diep, eigenlijk en figuurlijk]. gambilalaya, de zee, oceaan.

gambrêng : K.N. veel haar, zeer harig.

gêmbrongan : K.N. het geluid van het kloppen in een rijstblok.

gêmbok : K.N. een slot; ook de vrouwelijke schaamdeelen.

gombak : K.N. een bos haar dat op de kruin van het hoofd staan blijft, terwijl het overige afgeschoren is.

gambas : naam van een kruipende plant, waaraan een vrucht groeit, die gelijk is aan een watermeloen.

gêmbès : K.N. een doosje, waarin geld of tabak gedaan wordt.

gambul : K.N. in de hoogte, naar boven gooijen.

gimbal : K.N. aan elkander kleven.

gèmbèl : K.N. een kossem, een halskwab [vrg. gombèl]. menda gèmbèl, een schaap met wol.

gembol : K.N. 1. gevlamd hout; 2. houten sirihdoos; 3. in een kleedje of doek iets voor zich dragen.

gombal : K.N. een oud versleten kleed; zeer armoedig. -gombalan, lompen, oude vodden.

gombèl : K.N. de lellen van een haan [vrg. gèmbèl].

gêmbili : naam van een soort van aardvrucht, die langwerpig rond is.

gêmbolo : naam van een soort van aardvrucht.

gimblah-gimblah : K.N. zwaarlijvig, dik, vet.

gêmblug : Kw. varken.

gumablug : K.N. een pijl die van een lichaam afstuit zonder te wonden.

gêmblung : K.N. zinneloos; als een gek spreken; liegen, een leugen vertellen [= edan].

gêmblèng : K.N. dun, plat maken (van metaal). -gêmblengan, een dunne metalen plaat.

gêmêbyar : z.v.a. gumêbyar, zie gêbyar.

gombyok : K.N. bloemwerk, borduursel, franje.

gêmbyakan : K.N. een vrolijk gezelschap, luidruchtige vrolijkheid.

gambyong : K.N. zich als een bruid opschikken.

gombyong : K.N. kwast, franje. -anggombyongi, van kwasten of franje voorzien.

gêmêbêg : of gumêbêg, zie gêbêg.

gambang : naam van een inlandsch muziekinstrument, bestaande uit een soort van trog, waarop metalen of houten staven liggen.

gêmbung : K.N. romp, lichaam zonder hoofd.

gêmbèng : K.N. ligt tot weenen gebracht worden, over elke kleinigheid dadelijk weenen.

gêmbong : K.N. volop te drinken geven; aan all begeerten voldoen; ook naam van een distrikt op Java.

gèmbèng : z.v.a. gêmbèng.

gamêng : K.N. een grooten drom op een afstand zien.

--- 669 ---

-garêmêng of grêmêng, schemerend beeld van een voorwerp in de verte; iets in het oor fluisteren. -gumrêmêng, binnen 's monds spreken, mompelen.

gaga : 1. Kw. hoog, hoog gelegen; hoogte; ook trachten, streven, pogen [= dhuwur en mamrih, Vrg. gangga, en gêgên]; 2. N., gagi, K., rijst die op hooge gronden gezaaid wordt, die niet door waterleidingen, maar alleen door den regen vruchtbaar gemaakt worden [Ml.id.] -pagagan, N., pagagèn, K., veld, dat met Gaga bezaaid is, of dat tot Gaga dient.

gagi : zie gaga, 2.

gage : zie age.

gêga : zie gugu.

gugu : N., gêga, K.; anggugu, en anggêga, vertrouwen, gelooven; gehoor geven, gehoorzamen [gugu = tinurut]. -anggugoni, N., anggêgani, K., betrouwen. anggugoni budi, eigenwijs. -gugon, K.N. ligtgeloovig. gugon tuwon, hetzelfde.

gege : zie age, -panggege, zie boven.

gogo : K.N. met de hand grijpen, vatten; met de handen visschen; met de hand visschen in het water vangen, namelijk in ondiepe rivieren, waar de visschen tusschen de klippen of in holen zich ophouden.

gagah : K.N. gespierd van lichaam; sterk, krachtig, standvastig; moedig [= rosa, Ml.id.]. -anggagahi, iemand krachtig, sterk noemen, hem aanmoedigen; kracht aanwenden. anggagahi nagari, een rijk met kracht verdedigen. -mragagah of mêrgagah, een dappere houding aannemen. -brêgagah, hetzelfde.

gugah : N., anggugah, [ngwungu, K.] wekken, wakker maken; doen verdwijnen. -panggugah, het plaats hebben van anggugah, wekker.

guguh : K.N. van ouderdom kwijnen, afvallen, vervallen.

gêgên Kw. pogen, trachten, streven [vrg. gaga, 1.].

gugon : zie gugu.

gagana : of gêgana, ook bij verkorting gana, Kw. de wolkenhemen, het uitspansel, luchtruim [gagana = kayangane mega en ing dhuwur, en gana = awang-awang, dhuwur, en mega, Skr. gagana of gagana, het luchtruim, en ghana, een wolk]. mêdal ing gagana, den weg door de lucht nemen, door de lucht gaan, d.i. vliegen.

gagra : Kw. been, beenderen [= balung en babalung].

gagar : K.N. eijeren die door een klip verlaten zijn; zonder kinderen sterven, geen kinderen nalaten; bedorven, vergaan; ook z.v.a. gagrag.

gêgêr : K.N. I. staan blijven, stand houden [vrg. gêgrêg]. II. gêgêr, en gigir, rug; helling [Sd. gigir, zijde, kant. Vrg. pungkuran]. gêgêring gunung, de rug of helling van een berg. gigir kula, mijn rug. -gligir, schuins afloopend, een hellende kromme rug.

gigir : zie gêgêr.

gugur : K.N. 1. inzakken, instorten, van een berg

--- 670 ---

[Sd. donder. Vrg. gugrug]; 2. gestoord worden; mislukken [Ml. bij ongeluk vallen, ontijdig afvallen]. -angguguri, iemand storen. -panggugur, instorting van grond.

gègèr : K.N. opschudding, groote beweging, verwarring, oproer [Ml.id.]. -anggègèri, in opschudding, in rep en roer brengen, in beweging zetten. kagegeran, in rep en roer gebracht; opschudding.

gogor : K.N. het jongen van een tijger.

gagrak : K.N. gewoonte, gebruik, wijze.

gagarmayang : eign. van een Widådari.

gagrag : K.N. afvallen, van bladen; een plaats verlaten; een gebruik laten varen, van een oude gewoonte afwijken; een natuurlijken dood sterven; een doel niet bereiken; een uitgestorven boom; een verijdeld plan. gagragan, kist; stel. sagagragan, een stel. Men verstaat hieronder een stel of volledig getal doosjes, die bij een sirihdoos (pakinangan) behooren. Zulk een Sirihdoos is namelijk en groote doos of kistje, dat twee doosjes met deksels (cêpuk), één voor gambir en één voor tabak, één doosje zonder deksel (bathok) voor de Pinang, en een potje voor de kalk (papon), bevat. Deze doosjes bij elkander noemt men gagragan pakinangan.

gêgrêg : K.N. onbeweeglijk staan [vrg. gêgêr, I.].

gigrig ; K.N. afgebrokkeld; afbrokkelen, in een vallenden toestand zijn; ontmoedigd; den moed laten zakken.

gugrag : K.N. in stukken vallen, verbrijzeld, vergaan.

gugrug : K.N. instorten, inzakken, van een put [vrg. gugur, I.]. -gugrugan, een ingestort gebouw, enz., puinhoop, gruis.

gogrog : en rogrog, z.v.a. gagrak, [De grondvorm is grog]. udan rogrog asêm, N., jawah rogrog asêm, K., regenbui.

gagak : K.N. kraai, raaf [Ml.id., Sd. gaga]. gagak rimang, naam van een paard.

guguk : K.N. op een bijzondere wijze lachen.

gogik : naam van een vogel met zwarte vederen.

gogok : K.N. een soort van waterkan, (kendi) met een tuit; het water door een tuit in de keel gieten.

gagat : K.N. het aanbreken van den dag; beginnen. anggagat prang malih, den strijd hervatten, op nieuw beginnen te oorlogen. -gagatan, naam van een désa, op eenigen afstand van Båjå-lali.

gagut : K.N. volhouden, volharden. -gargut, gêrgut of grêgut, driftig, voortvarend, woedend [= srêgêp ên anêmên]. -gumrêgut, vol moed en dapperheid, moedig, dapper [= nêmên tandange ing prang].

gêgêt : K.N.; anggêgêt, knarsen, met de tanden knarsen; met den snavel bijten. -grêgêtên, de tanden laten zien, tegen iemand met de tanden knarsen.

gigit : K.N. bijten, knabbelen. gigit waja, de tanden laten zien. gigit-gigit, knagen, knabbelen.

gugat : K.N. aanklagt voor een regtbank. anggugat, [ang...]

--- 671 ---

[...gugat,] voor de regtbank aanklagen [Sd.id.]. kang gugat, de aanklager, eischer. kagugat of ginugat, aangeklaagd; aangeklaagde, gedaagde. gugat-ginugat, elkander aanklagen. sêrat gugat of sêrat aturan gugat, een schriftelijk bij de regtbank ingediende aanklagte. -anggugatake, N., -kên, K., iets aanklagen, wegens iets een aanklagte doen; door een anderen een aanklagte laten doen. -gugatan, de zaak waarover iemand een aanklagte doet. -panggugat, het plaats hebben van anggugat, aanklagte; aanklager [Sd. aanklager].

gagas : K.N. bij zich zelven overleggen, overwegen, nadenken. gagas-gagas, lang over iets denken, wikken en wegen. kagagas, indachtig zijn, zich herinneren; zeer geroerd, door een gedachte gekweld.

gêgês : K.N. in een boom kappen om hem te doen uitsterven; van droefheid en hartzeer wegkwijnen.

gêgawan : zie gawa.

gagal : K.N. mistasten, misgrijpen; verkeerd verstaan.

gigal : K.N. afvallen, nederstorten.

gigol : z.v.a. gigal.

gagap : K.N. in het donker rondtasten. -anggagapi, betasten, bevoelen, naar iets in het donker rondtasten, zoeken, onderzoeken, opsporen. -garagap, zie boven.

gugup : K.N. gejaagd, gejaagdheid, gejaagd zijn, ijlen, zich haasten; in allerijl.

gêgêm : K.N. vuist; handvol [van den grondvorm gêm, vrg. agêm, II.; [Ml. genggam] ]. -sagêgêm, een greep, een handvol. anggêgêm, met of in de vuist vatten of houden. -panggêgêm, met of in de vuist vatten of houden. -panggêgêm, een gesloten hand, gebalde vuist. -gêgêman, bij vuisten vol.

gègêg : K.N. trekken, tobben.

gagang : K.N. steel, stengel, van een blad of vrucht; ook gagang of ganggang, eign. van een Djawåtå.

gagung : Kw. Turksche weit, mais [= jagung].

gabu : benaming van een soort van Pisang.

gabah : K.N. rijst die van het stroo ontdaan, maar nog niet ontbolsterd is, rijstkoorrels in den bolster.

gubah : K.N. I. gordijn, behangsel. anggubahi, van een gordijn voorzien, met een gordijn bedekken. II. anggubah, in kleine stukken snijden, kerven; in repen scheuren; zamenrijgen; een gedicht maken. -gêgubahan, met bloemen doorstoken.

gêbincih : zie gêbiri.

gabêr : K.N. met den mond proesten, als teeken van minachting.

gêbêr : K.N. gordijn, behangsel.

gubar : of gobar, K.N. een oorlogsbekken [= bêndhe en bèri].

gobar : zie gubar.

gêbiri : N., gêbincih, K., z.v.a. kêbiri, en kêbincih.

gibrah : K.N. beweging met het lichaam maken, zich bewegen. pating galibrah, allerhande bewegingen met het lichaam maken. gibrah-gibrah, veel beweging maken om zijn moed en dapperheid te toonen.

--- 672 ---

gèbrèh : K.N. klappen, verklappen, verklikken.

gobrah : K.N. met bloed bedekt, bloedig, bebloed [vrg. gubras]. gobrah-gobrah, geheel met bloed bedekt.

gêbrès : K.N. met den neus snuiven.

gubras : K.N. vuil, bevlekt, bemorst [vrg. gobrah]. gubras rah, met bloed bevlekt.

gêbrag : K.N. met de hand of den voet tegen iets stooten of slaan; een paard de sporen geven.

gêbrug : K.N. een ploffend geluid van een zwaar lichaam dat op den grond valt, het geluid van het stampen op den grond. -gumêbrug, hetzelfde, ploffen.

gobèn : K.N. een vijl.

gubêd : K.N.; anggubêd, omwinden, omslingeren; sterk bij iemand aandringen, aanhouden, niet loslaten [vrg. ubêd en gubêl].

gabês : K.N. riet dat geen sappen heeft.

gabus : K.N. I. een soort van zacht, voos, sponsachtig hout [Ml.id. Vrg. gabêng]. II. scherp maken, scherpen.

gibas : K.N. een schaap met een dikken, vetten staart.

gabul : K.N. aarde die aan iets kleeft, zich aan iets vastzet.

gêbal : I. K.N. een voorschot vragen. -gêbalan, voorschot. maringi gêbalan, een voorschot geven, voorschieten. II. zie gêdibal.

gêbèl : K.N. een menigte.

gubêl : K.N.; anggubêl, zich om iets heên slingeren, sterk bij iemand op iets aandringen, dringend verzoeken [vrg. gubêd]. -panggubêl, dringend verzoek.

gablog : of gêblog, K.N. met de vlakke hand op den rug of op de borst slaan [vrg. gêblèg, I.].

gêblag : K.N.; anggêblag, achterovervallen, neêrvallen, neêrstorten.

gêblêg : K.N. 1. grof linnen; 2. zeer dom zijn.

gêblèg : K.N. I. met de vlakke hand slaan [vrg. gablog]. II. gevlochten rottan.

gêblog : zie gablog.

gêbyah : K.N. overvloedig, algemeen.

gêbyar : K.N. schitterende glans, geflikker. gêbyar-gêbyar, schitterend. -gumêbyar, schitteren, flikkeren. -gêbyaran, schittering, flikkering. sagêbyaran, een oogenblik, oogenblikkelijk. -pating garêbyar, of pating galêbyar, aan alle kanten een schitterenden glans verspreiden, overal schitteren, flikkeren.

gêbyur : K.N. in het water springen [vrg. nyêgur en nyêbur]. -gumêbyur, in het water springende. -anggêbyurake, N., -kên, K., in het water werpen.

gêbyas : K.N. een fleschje, waarin welriekende olie gedaan wordt.

gêbyug : K.N. alles door elkander.

gêbyog : K.N. een geschaafde plank; een planken beschot, een huis van planken. pagêr gêbyog, een planken omheining.

--- 673 ---

gabag : K.N. digt naast elkander; naam van een huidziekte, de mazelen.

gabug : K.N. ledig, van korenaren; onvruchtbaar, van een vrouw, kinderloos.

gêbag : I. K. zie gêbug. II. Kw. zamentellen, vereenigen. III. K.N. snel loopen. -gêbagan, velen die snel loopen, zich haasten.

gêbêg : K.N. I. glad, glanzig. anggêbêg, glad of glanzig maken; wrijven, om glad of glanzig te maken, poetsen, polijsten [Sd. gêbêg, polijsten, bruineren]. -anggêbêgi, meervoud. -panggêbêg, het plaats hebben van anggêbêg. II. aan iets knaauwen. ginêbêg-gêbêg, gedurig aan iets knaauwen. -gumêbêg of gêmêbêg, een jonge buffel of koe, die haast voor den ploeg gebruikt kan worden.

gêbug : K.N. een roede of dunne stok [vrg. gitik]. anggêbug, N., anggêbag, K. [anggitik, K.N.] daarmede slaan; slaan in 't algemeen; een vijand slag leveren; een plaats vijandelijk aantasten. -anggêbugi, N., anggêbagi, K., meervoud: iemand slagen geven, met slagen kastijden, mishandelen. anggêbug-gêbugi, N., anggêbag-gêbagi, K., afrossen. -anggêbugake, N., anggêbagakên, K., gebruiken om te slaan, met iets slaan. -panggêbug, N., panggêbag, K., het plaats hebben van anggêbug of anggêbag, ook slag.

gubug : K.N. een gemeen huis, hut of stulp; een wachthuisje.

gèbèg : K.N. het hoofd draaijen.

gobog : K.N. 1. een stuk geld met een gat er in; 2. laag N. oor, de ooren.

gobag-gabig : K.N. een rillende beweging van het lichaam.

gabêng : K.N. voos; voos hout, hout waarvan kurken gesneden worden [vrg. gabus].

gêbang : I. Kawische benaming van den Waroeboom. II. K.N. met een wapen tegen een ander pareren, op een ander slaan.

gêbêng : K.N. met de hand vatten of vasthouden. -gêbêngan, hoop, troep.

gebang : K.N. naam van een soort van lang riet. -anggebang, kwellen, voor den gek houden.

gobang : K.N. een lang mes; ook oortje, twee duiten. sagobang, een oortje.

gêbingan : K.N. balk.

gatha : Kw. vat, iets waarin iets gedaan wordt [= wadhah, Skr. ghata, een groote aarden pot voor water].

gathi : Kw. een geluid maken, luiden, klinken [= muni, Skr. ghati, een Indische klok, een metalen plaat, waarop de uren geslagen worden].

gêthana-gêthini : Kw. opvliegend, driftig.

gathik : K.N. elkander raken, aan elkander stooten; met de tanden klapperen [vrg. gathuk].

gathuk : K.N. aan elkander raken, aansluiten; elkander ontmoeten; overeenstemmen [vrg. gathik].

gathok : K.N. I. geluid, een geluid maken [vrg. gêthok]. -grathok, bij het werk door veel kloppen leven maken. II. bijkans gedaan zijn.

gêthuk : K.N. een soort van lekkernij.

--- 674 ---

gêthèk : K.N. de eerste helft van den dag. sagêthèk, een halve (nam. eerste helft van een) dag. kalih gêthèk, anderhalve dag.

gêthok : K.N. met de knokkels van de vingers kloppen [vrg. gathok].

githok : K.N. het haar in den nek; de nek [vrg. cêngêl].

guthêk : K.N. een afdeeling in een huis, een afzonderlijk vertrek, kamer.

gèthèk : K.N. 1. lidteeken; 2. een houtvlot [Sd. vlot van hout of bamboe].

gethok : K.N. liegen; een leugenaar.

gothol : z.v.a. gethol.

guthaka : Kw. hol, grot, spelonk, put; ook Kawische benaming van den vogel Bango [= guwa, sumur en manuk bango]. ing giri guthaka, op bergen of in holen, waar het ook zij.

gothaka : naam van een heilige slang [Skr. ghôtaka, een paard].

gathèt : K.N. oneven, oneffen, ongelijk [vrg. ganjil].

guthit : Kw. beschadigd, bedorven [= rêmpit].

gathita : Kw. I. binden, vastbinden [Skr. ghatita, aansluitend, zamengevoegd, verbonden]. II. slaan; klokslag, uur [= mukul en êjam, Vrg. gathi]. III. vlug, behendig.

gathutkaca : zie gathotkaca.

gathotkaca : of gathutkaca, eign. van een zoon van Wrekodårå bij Arimbi [Skr. Ghatôtkatja].

gathul : eign. van een Demang.

gathèl : K.N. het hoofd van het membrum virile.

gethol : zie gothil.

gothil : gothol en gethol, K.N. liegen; leugenaar. gêgothil, belie gen, bedriegen, misleiden.

gothol : zie gothil.

gathung : K.N. in de hoogte houden.

gêthing : K.N. afkeer, haat; haten, een afkeer hebben. -anggêthingi, iemand haten.

githang : K.N. onderscheid, verschil.

gethang : K.N. ontbreken, niet voorhanden zijn.

gothang : K.N. een krekel of sprinkhaan, die een been verloren heeft.

gêng : I. een Kråmåvorm van gung, z.v.a. agêng, Zoo vooral in gêngipun, de grootte er van. gênggêng, zie beneden. II. z.v.a. ngênggêng.

gong : of êgong, K.N. naam van een muziekinstrument, een groot koperen bekken, dat loshangend met een elastieken hamer geslagen wordt. -ngêgongi, op een Gong slaan.

gung : gew. agung, I. Kw. z.v.a. agêng, groot; en menigte, aantal [= gêdhe, akèh, en kabèh]; K.N. hoog, van stilstaand water, dat hoog staat, zooals in een put; en verheven, aanzienlijk. kang maha Agung, of kang mahagung, K.N. de Allerhoogste. gung, is ook de naam van een Waringinboom op de Aloenaloen te Soerakarta. sagung, Kw. de gansche menigte, alle [= sakabèhe, en sarupane]; b.v. sagung para nrêpati, al de Vorsten. -ngagungake, N., -kên, K. [ook ngagêngakên, K.] hoog doen staan, van water. -gunggung, K.N. 1. som, getal, bedrag, totaal; 2. lof, roem. anggunggung,

--- 675 ---

1. opsommen, optellen; 2. loven, roemen, prijzen, aanprijzen, aanbevelen; zich beroemen. -panggunggung, lof, roem, lofspraak. -panggunggungan, het voorwerp van lof. -kagungan, zie boven. II. Kw. z.v.a. anggung, steeds, bestendig.

gungu : Kw. verblijfplaats, plaats waar men logeert [= pondhokan].

gongra : Kw. herinnering, aandenken [= eling].

gôngsa : K.N. het metaal waarvan de instrumenten van een Gamellan vervaardigd worden, een soort van klokkemetaal [Ml. ganggsa] ]: K. [gamêlan, N.] een orchest of volledig stel Javaansche muziekinstrumenten. -pragôngsa, zie boven.

gangsar : K.N. spoed maken, er spoed achter zetten.

gangsir : K.N. een soort van grooten krekel, die zich in den grond ophoudt [vrg. jangkrik]. anggangsir, als een krekel een gat in den grond maken, ondergraven, ondermijnen, doorgraven om te stelen.

gangsur : K.N. glad maken, polijsten; langs heen strijken; zich schrammen, bezeeren.

gingsir : K.N. van plaats of van gedachten veranderen. -gumingsir, wijken, afwijken, van een voornemen afzien.

gangsal : K. [lima, N.] vijf [Sd. oneven, oneffen]. gangsal dintên, vijf dagen. gangsal wêlas, vijftien. -anggangsali, een offerande doen voor een vrouw in de derde maand van haar zwangerschap. -gangsalan, K. [doch weining in gebruik; dalima, K.N.] granaatappel. para gangsalan, vijfde gedeelte. sapara gangsalan, een vijfde. gangsal wêlasan, vervijftiening, nam. zoodat tien vijftien wordt, vermeerdering om de helft van pacht, als die niet op den gezetten tijd gestort wordt.

gangsul : K.N. aanstootelijk, ergernis wekkend; aanstootelijkheid.

gingsul : K.N. een rei tanden die ongelijk uitsteken.

gangsing : K.N. zuivere grond. -gangsingan, met een tol spelen.

gangga : Kw. hoog, verheven [vrg. gaga, 1.]; ook naam van de rivier de Ganges [Skr. Gangga].

ganggu : K.N. storen, lastig vallen [Ml.id.]. ganggu-ganggu, gedurig storen, hinderlijk zijn.

ganggas : K.N. I. iemand in het gezigt zien. II. vlug, bij de hand zijn.

ganggang : zie gagang.

ganggêng : naam van een soort van gras dat op het water groeit.

ganggong : K.N. modtromp, mondtrompetje, een kinderspeeltuig [Ml. gonggong] . vrg. rinding].

gênggêng : K.N. een onafzienbare rei [= bêbanjaran].

ginggang : K.N. I. zich een weinig verwijderen, afwijken; wankelen, waggelen [= pisah]. ginggang saking kasêcanipun, afwijken van zijn trouw. II. naam van een soort gestreept, of ook wel geruit Oostindisch lijnwaad, Ginggang [Ml.id.].

gunggung : zie gung, I.

gonggang : K.N. tusschenruimte.

gungan : of ugungan, 1. K.N. dien men alles toegeeft, vertroeteld; 2. Kw. onnoozel; onnoozelheid [= bodho].