Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

--- 676 ---

ba : I. verkorting van aba. II. Kw. helder, klaar; een ruim, helder uitzigt [= bawera, Skr. bhâ, schijn, licht glans]. -praba en prabayasa of prabayaksa, zie boven.

bi : Kw. oudste, ouderling [= pinituwa]. bibi, zie beneden.

bu : Kw. verwonderd, verwondering [= gawok].

be : of êbe, I. naam van de tweede letter van het Arabische Alphabeth, en K.N. van het zesde jaar van een Windoe. II. be, verkorting van lambe, lip, rand, in bedang, zie beneden.

bo : een uitroep van verwondering he! ach! [= hèh, Skr. bhô, een vocative partikel. Vrg. babo].

bah : zie babah, II.

buh : gew. êmbuh, N. [kilap, K.] niet weten, onkundig zijn; gew. in den zin van: ik weet niet. êmbuh bênêr lan orane, ik weet niet, of het regt is, of niet. buh aku buh kowe, ik weet niet, of ik het ben, of gij het zijt; of ik of gij; één van ons beiden. -tanbuh of tambuh, zie tambuh.

bèh : I. Kw. juist, waar; geheel en al, zonder iets over te laten [= bênêr]. -kabèh, zie boven. II. vóór getallen der eenheid beteekent het in siminige districten van Java dertig; als: bèh ji, N., bèh tunggal, K., één en dertig. bèh ro, of bèh loro, N., bèh kalih, K., twee en dertig. bèh têlu, N., bèh tiga, K., drie en dertig; enz.

bau : K.N. de (boven-) arm; de stijlen van een deur; kracht, sterkte; ook benaming van een uitgestrektheid akkergrond, z.v.a. karya [= prakosa, Ml. schouder; Skr. bâhoe, arm; en zijde van een geometrische figuur]. pagawean bau suku, werk van armen en beenen, d.i. heerediensten. -baudhêndha, groote magt bezitten; een talrijke familie hebben. -baurêksa, magt, bescherming. ambaurêksa, beshermen. pambaurêksa, het plaats hebben van ambaurêksa, -baukêpini, zie pini.

bae : N. [kemawon, K., mawon, Md.]. maar, alleen, eenig. Het wordt achteraan geplaatst; b.v. kowe anaa kene bae, wees (blijf) gij maar hier. Dikwijls wordt het gebruikt met vooraan geplaatst mung of amung, even als in het Hollandsch: alleen maar, enkel maar. sabaène, zoo louter maar. dudu sabaène, het is niet iets zoo louter maar, d.w.z. er steekt iets bovennatuurlijks achter. -ambaèkake, N., -kên, K., [...] er maar bij laten, er niets om geven; iets, b.v. een bevel, onuitgevoerd laten.

bèi : verkorting van ngabèi, b.v. radèn bèi.

--- 677 ---

bahan : verkorting van abahan en babahan.

bahiya : of bahya, Kw. ongeluk, tegenspoed.

buanan : K.N. het oogvlies.

bainat : zie bayinat.

bahning : Kw. vuur, hitte [= gêni].

bahak : K.N.; ambahak, iets of iemand buit maken of gevankelijk wegvoeren, iets plunderen [= ngrayak]. ambêbahak, plunderen, rooven. -ambahaki, of ambêbahaki, meervoud; berooven, uitplunderen; een land afloopen.

baud : Kw. K.N. bedreven, bekwaam, kundig.

baita : K. [prau, N.] vaartuig, schip, schuit, boot, sloep, ark.

baeta : z.v.a. baita.

baitra : Kw. z.v.a. baita.

bahya : zie bahiya.

buaya : zie baya.

bahêm : K.N. baktand, kies. Ook bahêm wêkas, kies.

baung : K.N. gehuil, van een hond; een boschduivel. ambaung, huilen, van een hond.

ban : zie êmban.

bun : gew. êbun, K.N. daauw, mist [Sd. ibun, Ml. embun] . Vrg. awun-awun, amun-amun en umun-umun]. bun-bun, het vallen van den daauw, daauwen. bun-bun enjing ajawah, [of anjawah] sontên, daauw des morgens geeft regen 's avonds: een verbloemde spreekwijs om te kennen te geven, dat men een meisje ten huwelijk vraagt, met toespeling op de vruchtbaarheid van het huwelijk. -bun-bunan, zie beneden.

bana : Kw. I. woest, onbebouwd; wildernis; ook z.v.a. wana, bosch [= alas]. II. het firmament. III. aandringen, dringend verzoeken, bidden, smeken. Zoo ook bêbana [= anjêjaluk]. -ambêbani, iemand dringend om iets verzoeken. IV. pijl, wapen, geweer [= sanjata].

banu : of bani, [Ar. banuu of banii], kinderen, zonen, meervoud van [ibnu], ibnu, bani srail, [Ar. banii Israail] de kinderen Israëls; ook voor het land der kinderen Israëls.

bani : I. zie banu, II. bani, of bane, Kw. K.N. geluid, stem [Skr. bâni en wâni].

bane : zie bani, II.

bunuh : [Ml. bunuh] ; ambunuh, dooden.

bêna : K.N. watervloed, overstrooming; het overstroomd zijn van land [Vrg. banjir]. -kabênan, overstroomd zijn door een watervloed.

bena : en bènèh, Temb. Does. ander, anders [vrg. wênèh].

bona : z.v.a. bana [= alas en sanjata].

bènèh : zie bena.

banon : K. [bata, N.] gebakken steen, baksteen, metselsteen. pagêr banon, een steenen muur, wand. banon cinawi, bijnaam van Sembådrå. banon cêpuri, zie cêpuri, -ambanon, een muur gelijken. ambanon rêbah, gelijk een instortende muur. Zoo

--- 678 ---

noemt men het uitgetrouwd worden van twee gebroeders of gezusters op één en dezelfden dag.

bininda : Kw. zien.

bênêr : N. [lêrês, K., kasinggihan, K.h.] regt, juist, waar, billijk, behoorlijk, natuurlijk, wezenlijk; regt hebben, gelijk hebben [Ml.id. Het grondwoord schijnt ênêr, te zijn: zie bij mênêr]. dalane kang bênêr, de regte, (ware, juiste) weg. bênêr kangmasmu, uw broeder heeft gelijk. ora bênêr, ongelijk hebben. bênêre, regtens, billijkerwijze, billijk, eigenlijk. sabênêre, naar waarheid. -ambênêr, regt maken; regt toe regt aan loopen. kabênêr, l.v.; ook wat regt geoordeeld wordt; verpligt of gehouden door regterlijke uitspraak, verwezen door den regter. -ambênêri, juist op iets treffen; regten, regt doen, regt spreken, naar regt uitwijzen, vonnissen. kabênêran, regt, juist, juist ter snede, juist getroffen; waarheid ora kabênêran, onjuist, verkeerd, ongegrond. -ambênêrake, regt maken, te regt maken, in orde brengen, verbeteren, iets juist of regt maken, goedmaken, corrigeren; iemand gelijk geven. bênêran, gew. bêbênêran, het regt; geregtigheid, billijkheid; geregt, gerigt; regterlijke uitspraak.

bunar : K.N. een zwak gezigt, zwakke oogen.

bênik : K.N. knoop, van een kleed.

binak : Kw. wolk [= mega].

binik : [Ml.bini], een getrouwde vrouw.

bunêk : K.N. misselijk worden; radeloos, zich niet weten te helpen, geen uitkomst zien [vrg. ênêk, en bunêl].

bênèt : K.N. een geld- of kleerkast [Holl. kabinet].

banaspati : eign. van een boozen geest.

bênawi : zie bêngawan.

banowati : eign. van de gemalin van Vorst Soejodånå, een dochter van Saljwå, den vorst van Mòndåråkå.

bunêl : K.N. verlegen, radeloos [vrg. bunêk].

bênêm : K.N. verbranden.

bina-bina : Kw. = kagila-gila [Skr. bhinna, gebroken]. kabina-bina, zie boven.

bênang : K. [lawe, N.]. draad, garen [Sd.Ml.id. Vrg. wênang, I.]. bênang jêne, gouddraad.

bêning : zie ning, II.

binang : zie bang, II.

bonang : naam van een instrument dat bij de Gamellan behoort.

bênce : naam van een kleinen vogel, een soort van kwartel, waarvan het wijfje gêmak, genoemd en tot vechten gebruikt wordt.

bêncah : K.N. de muren van een vesting breken, slechten.

bancana : of bêncana, Kw. moeite, moeijelijkheid, bezwaar, plaag, ramp, onheil [= pakewuh, Ml.id.; Skr. bhandjana, brekend, bedervend; bedroevend, kwellend; en wantjana, bedrog]. agawe bêncana, onheil stichten, een ramp te weeg brengen. kabêncana, door een ramp getroffen.

bêncana : zie bancana.

bancur : I. K.N. goed kunnen wateren, ruim zog hebben.

--- 679 ---

II. Kw. vlak, ondiep [= cèthèk].

bancèr : Kw. bevallig, fraai, prachtig, sierlijk gekleed [= sigit]. ambancèr, K.N. zich behoorlijk, betamelijk gedragen.

buncur : K.N. het bloeden van een wond.

buncak : naam van een berg. -bancakan, K.N. uitdeeling van lekkernijen aan kinderen. Zoo worden genoemd de gekookte rijst en toebe reide groenten, die bij gelegenheid van de offerande voor een kind, dat vijf dagen oud geworden is, in een zeef of mand gedaan en aan de kinderen gegeven worden; die, nadat zij die opgegeten hebben, onder het zingen van eenige kinderliedjes bij herhaling een geschreeuw aanheffen.

bancik : K.N. een kleine pult, schrijflessenaar.

bencok : naam van een soort van kleine kikvorschen.

bêncèt : K.N. I. onverwachts overvallen. II. een zonnewijzer.

boncis : Holl. boontjes.

bancol : K.N. grappig, koddig. -bancolan, grappen maken.

bancang : K.N. dubbel, tweemaal, parallel.

buncang : K.N. opligten en weggooijen. kabuncang, of binuncang, weggegooid, weggevoerd, weggesleept [binuncang = binuwang].

bèncèng : K.N. voor den tweeden keer, voor de tweede maal; herhalen, verdubbelen; van elkander gescheiden; van meening verschillen.

boncèng : K.N.; amboncèng, achter iemand op een paard zitten.

bêndu : Kw. toorn, gramschap [= duka, Sd.id.]. babêndu, toornig zijn. babênduning Allah, de toorn van God. -ambêndoni, K. of K.h. [ook andukani, K.h.; nêpsoni, en nyêrêngêni, K.N.; nyênèni, N.] kwaad op iemand zijn, iemand berispen, bekijven, beknorren.

bindi : of bèndi, I. K.N. een rijtuig met twee wielen. II. bindi, naam van een wapen, een soort van strijdknods [Het wordt verklaard door gêgamaning pêrang, panggitik en gada].

bèndi : zie bindi, I.

bônda : I. Kw. lijf, lichaam [Skr. bandha; Pers. banda], hetzelfde; en worstelstrijd. Vrg. wônda]. bônda-binônda, lijf tegen lijf. bôndayuda, worstelstrijd, kampstrijd, [= pêrangan]. bôndawala, hetzelfde. abôndawala, een kampstrijd voeren. II. N. [bêsta, K.]; ambônda, een dief of gevangene binden, boeijen; iemand de handen op den rug binden, vleugelen [Skr. bandha, binding, band]. ambôndakalani, weêrstand bieden. -bandan of bêbandan, een gebondene, gevleugelde, gevangene, arrestant.

bêndana : K.N. veel beweging maken, ongestadig, wispelturig.

bandar : Ch. K.N. pachter [Waarschijnlijk is het een verkorting van het Pers., [Ml. syahbandar], havenmeester, een ambtenaar die met de inning der tollen belast is; van [bandar], zeehaven, koopstad]. -bandaran of kabandaran, Bandarij, een pachterswoning, het gebied van een pachter.

bundêr : K.N. rond; rondte, cirkel [Sd.Ml. bundar, rond]. garit bundêr, zie garit,

--- 680 ---

bandera : K.N. vlag, vaandel [Port. handeira, Sd.Ml.id.; Vrg. gandera].

bêndara : K.N. heer, gebieder, meester; gebiedster, meesteres.

bandrèk : K.N. met een valschen sleutel een slot openmaken; overspel bedrijven; overspel. bandrèk sadulur, N., bandrèk sadhèrèk, K., bloedschande. -bêbandrekan, personen die met elkander overspel bedrijven; met een ander of met elkander overspel bedrijven.

bandrêng : K.N.; ambandrêng, volharden.

bandring : K.N. slinger, om meê te werpen [Sd.id.]. ambandring, slingeren.

bundrêng : K.N. onklaar.

bendrong : K.N. gezamentlijk iets verrigten; bij een zon - of maanverduistering gezamentlijk in het rijstblok slaan. -ambendrongi, meervoud.

bandat : Kw. zeer, uitermate [= bangêt].

bandul : K.N. schommelen, wiegen. bandul-bandul, benaming van een kind als het twee maanden oud geworden is. -bandulan, schommel; wieg.

bandêng : K.N. naam van een soort van visschen. -bandêngan, naam van een plaats in den tuin van de Kadaton, waar vroeger een vijver was en waarin de Soesoehoenan zulke visschen hield.

bêndung : K.N.; ambêndung, afdammen, een dam in het water maken, afschutten; stuiten, tegenhouden [Ml.id.]. -bêndungan, dam, dijk, bedijking, afschutting, kade [Sd.Ml. bandungan].

bantu : K.N. vermeerderd; bijstand, hulp, voornamelijk in den oorlog [Sd.Ml.id. Vrg. wantu, II.]. bêbantu, helpen, bijstaan. -ambantoni, vermeerderen; vermenigvuldigen; iemand te hulp komen. -banton, wat tot hulp of bijstand dient. prajurit banton, hulptroepen.

binte : K.N. zich den scheen stooten; elkander met het scheenbeen een slag tegen de kuit geven. ambinte, iemand op die wijze schoppen.

buntu : K.N. digt gemaakt, toegestopt, verstopt. ambuntu, digt maken, toestoppen. -ambuntoni, iets digt maken, verstoppen. -bunton, iets dat digt gemaakt is; benaming van een vorm van metalen krisscheê, die geheel digt is, in onderscheiding van blewahan, cindhe bunton, benaming van een soort van lijnwaad.

banata : Kw. schip, vaartuig.

bantah : Kw. tegenspreken, twisten, strijden [= pêpadon ngèlmu, Ml. krakeel, gekijf, geschil, twist, oneenigheid; krakeelen, kijven, twisten]. -bêbantahan, met elkander in strijd zijn. [Sd. bantahan, krakeel, twist, strijd, oneenigheid; weêrstand; koppig, stijfhoofdig, eigenzinnig, vol kuren].

bantên : Kw. werktuig, middel; een slagtoffer; ook naam van een vroeger vorstendom op Java, thans een residentie: Bantam [= sêsarat en sarana].

banton : zie bantu.

bunton : zie buntu.

bantêr : K.N. snelle loop, stroom; groote haast; ijver; drift. -ambantêr, iets met drift verrigten. -kabantêrên, te driftig, van een paard.

--- 681 ---

bêntar : Kw. I. scheur, spleet; een gespleten grond. II. hoog gelegen, hoog, hoogte, verhevenheid. siti bêntar, de verhevenheid voor den ingang in den Kraton van een Vorst, de Sitinggil.

bêntèr : K.N. warm; warmte, hitte; hevige strijd.

bêntur : I. Kw. door boeteoefeningen volmaakt worden [vrg. gêntur]. II. K.N. gooijen, smijten [= balang, Sd. weggooijen, wegsmijten]. -ambênturi, naar iets gooijen.

buntar : K.N. de geheele lengte van den steel van een lans. -ambuntari, met den steel van een lans afweren. -buntaran, eign. van een zoon van Patih Lawé, een hoofd van Toeban.

bintara : Kw. I. bitter [= pait]. II. een bosch [= alas].

bantat : K.N. hard, stevig, duurzaam [Ml. niet gaar gebakken].

bêntêt : K.N. vol; te vol, te veel zijn, overstroomen, overvloeijen. salawe bêntêt, volle vijfentwintig, in tegenoverstelling van salawe prah.

bintit : K.N. kleine zwakke oogen.

bontit : K.N. gekruld haar.

buntêt : K.N. zonder gat, ongeschonden, gaaf. karingêt buntêt, de zoogenaamde roode hond.

buntut : K.N. staart van een beest [Sd.Ml.id.]. apus buntut, een staartriem. -pambuntut, benaming van een belasting op rundvee en paarden. yatra pambuntut, staartgeld.

bêntus : K.N. stuiten, het hoofd of den kop tegen iets stooten. kabêntus, met het hoofd of den kop tegen iets aangeloopen; ook van een schip dat tegen een klip stoot. -ambêntusake, N., -kên, K., met het hoofd of den kop tegen iets aan doen stooten.

bontos : K.N. het onderste einde van een krisscheê [ook cocor, genaamd].

bantal : N. [lêmpir, K., kajang sirah, K.h.] kussen, hoofdkussen. abantal, tot hoofdkussen hebben, met het hoofd op iets als een hoofdkussen liggen. bantal padhomasan, naam van een distrikt.

bêntèl : K.N. bos. -ambêntèli, in bossen binden.

buntal : K.N. bloemen van verschillende kleuren aan elkander rijgen; aan een draad geregene takjes bloemen, die bruidegom en bruid op den trouwdag om de lendenen gebonden, dragen.

buntêl : K.N. ingepakt, ingewikkeld; bundel; kardoes; omkleedsel, waarin iets gewikkeld is [Ml. knoop, b.v. in een zakdoek; Sd. sabuntêl, een kluw, b.v. van garen]. ambuntêl, een bundel maken, inwikkelen, inpakken, overtrekken, bekleeden. ambuntêli, iets inwikkelen. -buntêlan, bundel, pak, rol.

bintulu : K.N. bont, van een kleed; bont chits, bont katoen.

buntala : Kw. grond, aarde [= lêmah, Skr. boetala, de aarde, de oppervlakte der aarde], ook benaming van een fatsoen van krissen.

banting : I. K.N.; ambanting, op den grond werpen; smijten, gooijen, neêrgooijen; afwerpen. banting-binanting, elkander op den grond gooijen. -ambantingi, meervoud. II. K.N. wasschen, zuiveren [Ml. kloppen,

--- 682 ---

slaan; hotsen; wasschen door kloppen. Vrg. pawantingan].

bênting : K.N. een buikgordel met haken. abêbênting, zulk een gordel om hebben.

bintang : K.N. ster; ordeteeken [Sd.Ml.id. Vrg. wintang en lintang].

binting : biting, bèntèng of bètèng, K.N. schans, bolwerk, vesting [Sd. bintèng, wal, stadswal; Skr. bhitti, een wal van aarde of metselwerk]. pojoking bèntèng, zie pojok, -bentengan, verschansing. gawe bentengan, N., damêl bentengan, K., verschansen.

buntung : K.N. verminkt, afgesneden, gebroken; ook naam van een soort van kleine krissen [Sd.Ml. verminkt].

bèntèng : zie binting.

banwara : Kw. schip, vaartuig [Het wordt verklaard door juragan prau].

bundhu : Kw. dubbel, -voudig; en, met, benevens; een talrijke familie hebben [= sugih sanak sadulur, en abala santana, Skr. bandhoe, een nabestaande, aanverwant; vriend; broeder. Vrg. wandhawa]. bandhu prawira, een familie van helden hebben.

bêndha : nam van een soort van broodvruchtboom.

bêndhe : K.N. een bekken, waarop geslagen wordt [Ml.id.]. ambêndhe, op een bende slaan; bekend maken, gerucht maken. -ambêbêndheni, menschen door het slaan op een bendé bij elkander roepen.

bêndho : K.N. hakmes, kapmes.

bendha : Kw. aanzienlijke bloedverwanten hebben; ook naam van een ronde vrucht [= bala santana kang bêcik].

bôndha : K.N. goederen; schatten; koopgoederen [Sd. bandha, Ml. [banda] ]. panêbasing bôndha, hetgeen door den pachter aan den verpachter betaald of geleverd wordt, om vrijgesteld te worden van de levering van bouwstoffen (takêr turun), zooals bamboe, dekriet, enz. -ambandhani, iemand van schatten voorzien.

bondhan : Kw.; ambondhan en ambondhanakên, z.v.a. nglowongakên, Bondhan Kajawan, eign. van den grootvader van Kjahi Hageng Sésélå.

bandhera : z.v.a. bandera.

bundhêt : K.N. verward, verwarring. -ambundhêti, verwarren.

bondhèt : K.N. van achteren vasthouden. -ambondhèti, iemand van achteren vasthouden; terughouden, tegengaan, beletten. -bêbondhetan, elkander van achteren vasthouden. bondhetan kônca, de slippen van elkanders kleêren vasthouden; handgemeen worden in den strijd.

bondhot : K.N. door elkander gegroeide takken.

bundhas : K.N. gekneusd.

bandhusa : K.N. een lijkbaar [Het wordt verklaard door tabêla]; Kw. een lijk in een kist leggen.

bêndhawa : Kw. een touw dat om een vracht ge-[...] wordt om die daaraan te dragen, een zeel.

bandhil : K.N. slinger. ri bandhil, naam van een soort van doren. ambandhil, naam van een soort van doren. ambandhil, slingeren. -bandhilan, een ring met een grooten steen.

--- 683 ---

bandhul : K.N. ballast.

bandhol : K.N. ondeugend; stout; ook benaming van een soort van schilden.

bundhêl : K.N. I. een knoop maken, vastknoopen. êdom bundhêl, een speld. -ambundhêli, knoopen, vastkoopen, digtknoopen, vertrouwen in iets stellen, staat op iets maken. pangandika sampeyan punapa kenging kula bundhêli, kan ik op uw woorden vertrouwen? -bundhêlan, geknoopt; een knoop. II. een afgekapte staart. III. het treden van een vogel.

bandhêm : K.N. werpen, gooijen, smijten; worp; bode, zendeling. -ambandhêmake, N., -kên, K., met iets naar iets gooijen.

bandhang : K.N. I. doorslaan, op hol gaan, van een paard. banjir bandhang, een hollende, d.i. sterke, en geweldige, overstrooming, springvloed. II. naam van een soort van visschen. III. een dik touw. IV. buit. ambandhang, of bêbandhang, buit maken. -bandhangan, buit gemaakt goed, buit; gevangene.

bandhung : K.N. I. een ronde put. II. zamen, gezamentlijk; een paar, wedergade [= têtimbangan]. -binandhung, z.v.a. kinêmbar, of rinangkêp. III. naam van een distrikt in het Oosten van Java.

bêndhèng : K.N. uitspannen.

banjar : Kw. K.N. rij, laan [Ml. Rij, gelid]. -ambanjari, in rijen planten. -banjaran, rijen, van huizen, boomen; bloemen, enz.

banjir : K.N. overstrooming, watervloed, het stroomen van water over het land [vrg. bêna]. -ambanjiri, een land overstroomen. kabanjiran, l.v. -banjiran, zich in een Bandjir vermaken.

banjur : N. [ook bacut, N., lajêng, K.] voortgang, vervolg; voortgaan, vervolgen; regt doorgaan, doorreizen; voort, onmiddekllijk, regtstreeks, daarop, daarna, vervolgens, dan. ambanjur, voort iets doen. ambanjur mulih, voort naar huis keeren. banjure, het vervolg. sabanjure, voortaan, in het vervolg. kabanjur, voortgezet, voortgezet raken, voortgang krijgen. -ambanjurake, doen voortgaan, voortgang doen nemen, voortzetten.

banjut : Kw.; ambanjut, wegwerpen, wegnemen [= birat]. Ambanjut nyawa, de ziel wegnemen, voor: doen sterven. banjutên aku, neem mij (uit het leven) weg!

bênjut : K.N. een buil aan het voorhoofd; ook naam van een landschap.

banjêl : K.N. hervatten; hernemen; op nieuw beginne.

banjêng : K.N.; ambanjêng, in rijen naast elkander zitten.

benjang : z.v.a. benjing, zie besuk.

benjing : zie besuk.

banya : Kw. dorp, désa.

banyu : N. [toya, K.] water. banyu Wêlônda, Selterswater. banyu rasa, kwik. banyumas, gouddraad; ook naam van een residentie op Java. banyu loro, amphibie. -ambanyu mili, gelijkvlietend water, noemt men het,

--- 684 ---

als men elk jaar één van zijne kinderen uithuwelijkt. -kabanyon, van water voorzien, met water bedekt. -pambanyon, een plaats waar zich water bevindt.

bonyo : K.N. zalf, blanketsel; ook een fijn, zacht vel; en een aarden kandelaar. ambonyo, of ambêbonyo, het lichaam met een zalf bestrijken, zalven, blanketten. -blonyo, hetzelfde.

banyon : K.N. de tanden zwart maken.

bênyunyak-bênyunyuk : K.N. tegen een gewoonte zondigen, uit onwetendheid dwalen; zeer vrijpostig.

banyak : K.N. gans. banyak dhalang, naam van een gouden gans, die tot de onderscheidingsteekenen van den Vorst behoort en bij een Vorstelijken optogt gedragen wordt. -banyakan, het tegen iets aanklotsen van water.

banyak : en bonyok, K.N. gekneusd, geschramd; schram; een groote opening, een diepe wond.

bonyok : zie bunyak.

banyol : K.N. grappig, kluchtig in het spreken; grap, klucht; snaak. -banyolan, of bêbanyolan, allerhande grappen maken; grap, pots.

bun-bun : zie bun.

bun-bunan : of êmbun-êmbunan, ook êmbun, K.N. de kruin van het hoofd. -ngêmbunan, op de kruin van het hoofd. -pangêmbun, de handen op de kruin van het hoofd houden, een teeken van den hoogsten eerbied.

bênthak : K.N. met een stok op een anderen slaan.

bênthuk : K.N.; ambênthuk, stooten, tegen iets stooten. -ambênthuk êndhas, het hoofd stooten.

bênthèt : K.N. barst, scheur, b.v. in een muur; opening; gescheurd, gebarsten.

banthèng : K.N. wilde stier of koe. bêbanthèng, een wilden stier gelijken, groote kracht bezitten.

bênthing : K.N. zamenpersen, zamenknellen, vast zamenbinden; zich dun maken.

bucu : K.N. bogchel, bult.

bacih : Kw. het aangezigt.

bocah : N. [lare, K.] kind (niet in betrekking tot de ouders), jonge knaap. bocah wadon of bocah wedok, meisje. bocah ingsun, mijn kinderen, noemt de Vorst zijn onderdanen. kaya bocah, kinderachtig. -kabocahan, kindschheid.

bacin : K.N. stank, stinken, zooals van verrot vleesch [Sd. bacing, stinkend].

bicantên : zie bicara.

bêcici : benaming van een soort van Pisang.

baceceran : z.v.a. kaceceran, zie kacèr.

bocor : [Ml. bocor], lek, lekken, lekkaadje; K.N. het aanhoudend tjilpen of piepen van een vogel.

bacira : Kw. een plaats waar een vorst zich aan zijn onderdanen vertoont.

bêcari : Kw. schreenwen, krijsschen, echo.

bicara : N., bicantên, K., raad; Ml. gesprek; spreken [zie bij wicara].

bacuk : K.N. iets om meê te hakken [vrg. bacok]. ambacuk, hakken.

--- 685 ---

bacok : K.N. op iets kloppen of slaan, een kap in een boom maken [Ml. kappen, een wond toebrengen met een scherp wapen. Vrg. bacuk]. ambacokake cocote, iemand een klap op den mond geven.

bêcik : N. [sae, K., pênêd, K.N.] schoon, fraai, mooi, sierlijk, net; goed, wel, gaaf, deugdzaam, braaf [vrg. cik]. luwih bêcik, best, beter. bêcik bangêt, uitmuntend, voortreflijk. wis bêcik, onverbeterlijk. dadine bêcik, wel gelukken. -ambêciki, goed maken; schoon maken, verfraaijen; iemand goed doen, weldoen. kabêcikan, goedheid, deugd; weldaad, weldadigheid, gunst. -ambêcikake, iets in een goeden staat brengen, verbeteren; goed of schoon doen voorkomen, iemand in het gelijk stellen; zich goed voordoen.

bucêk : K.N. een beschadigde huid, bezeerd vel.

bècèk : K.N. gekookt schapevleesch.

bocok : K.N. een wond aan den kop van een haan, die hij onder het vechten ontvangen heeft [Ml. beschadigd, vermolmd, versleten].

bacot : K.N. bek, muil.

bacut : N. [ook banjur, N., lajêng, K.] voortgaan, vervolgen, regt doorgaan; regtstreeks, onmiddellijk, plotseling, vervolgens, daarna. bacut-bacut, gedurig voortgaan, zonder ophouden. kabacut, vervolgd, voortgezet, voortgezet raken.

bucal : zie buwang.

bacêm : K.N. inzouten, inpekelen.

bocong : zie pocong.

bacingah : Kw. verschillende kleuren bij elkander; een gemengd ras, b.v. een Boetå met een mensch. kutha Bacingah, naam van een vroegeren rijkszetel op Java, anders Kuthagêdhe, genaamd.

bra : I. z.v.a. abra, zie boven [vrg. wra, I. II. bra, en abra, Kw. flikkeren, schitteren, fonkelen; vuurrood [bra, en abra, = murub, gumêbyar, ambêranang, en prabawaning busana kang bêcik, Vrg. brah].

bar : I. z.v.a. sumêbar, II. Kw. gebrekkig, ellendig [= ina, papa, en luwas].

bêr : z.v.a. bur, grondvorm van ibêr, en balêbêr.

bir : Holl. bier.

bur : I. Kw. z.v.a. mabur, vliegen, wegvliegen, zich snel wegbegeven; K.N. een niet uitgelost pand [= malêsat]. bur manuk, en bur pêksi, zie beneden. -abur, K.N. z.v.a. ibur [beide zijn even als êbur, verlengde vormen van het grondwoord bur, terwijl ook ibêr, hetzelfde woord is met een kleine verandering van uitspraak, van den grondvorm bêr]. -mabur, z.v.a. mibur, of mibêr, vliegen, omvliegen, wegvliegen. -kabur, wegwaaijen. -buran, zie buran, beneden. -ngabur-abur, zie beneden. II. Holl. boor.

bèr : of êbèr, K.N. I. overstroomen, overvloeijen; milddadig, liefdadig, gulhartig, buitengemeen veel bekwaamheden aan den dag leggen; zeer kundig zijn [= bêlabar, Vrg. lubèr]. [lu...]

--- 686 ---

[...bèr].] bèrbudi, milddadig, edelmoedig. -ambèr, zie boven. -bèbèr, zie beneden. II. het geluid dat door het slaan op een bekken veroorzaakt wordt.

bara : I. K.N. z.v.a. ngambara, zie ambara, bêbara, overal rondgaan, rondloopen, rondzwerven, slenteren. II. Kw. mogelijk, misschien, indien [= mênawi]. pirabara, misschien dat, waarschijnlij, zoo mogelijk. bara-bara, naar gissing. III. N. toezegging, belofte; heffing, tol, belasting. IV. K.N. franje, borduursel. V. Kw. honderd millioen. Zie sabara, boven.

bari : N., met, en; door, aan, tegen, naar. adoh bari aku, verre van mij. wani bari aku, het tegen mij wagen. kawênku bari kowe, mijn verlangen naar u. sambari, zie boven.

baru : I. Kw. leven; groelkracht [= urip en ngukul]. II. naam van het fatsoen van een lans. III. [Ml. baharu], nieuw [Sd.id.]. taun baru, nieuw jaar: benaming van het Europesche nieuw jaar.

bêra : K.N. woest, onbebouwd; onbebouwd, woest land [Sd. bêrah, onbehouwd, braak]; ook een haan die nog niet gevochten heeft. bêbêran, woest, onbebouwd.

bêri : K.N. arend, griffloen.

biru : K.N. blaauw [Sd.Ml.id.]. langit biru, zie langit, -biron, blaauwe stof.

buri : N. [wingking, K.] achter, het achterste gedeelte [vrg. wuri]. ing buri, achter, van achteren, naderhand, later. putra saka ing buri, een kind uit een bij wijf of vrouw van den tweeden rang. mêtu buri, uit een bijwijf of vrouw van den tweeden rang geboren worden, in te genoverstelling van mêtu ngarêp, tut buri, zie bij anut, -pamburi, de achterste, iemand die achter gaat, volgeling, bediende.

buru : N., bujêng of bujung, K., vervolging. amburu, N., ambujêng, of ambujung, K., iets of iemand nazitten, achterna zitten, op iets of iemand jagt maken, iets of iemand vervolgen; iets najagen [Ml.id.]. ambêburu, N., ambêbujung, K., jagen, nazitten, vervolgen, met onbepaald voorwerp. -amburoni, ambujêngi, op iets of iemand jagt maken. -buron of bêburon, N., bujêngan of bêbujêngan, en bujungan, of bêbujungan, K., iets of iemand waarop jagt gemaakt wordt; wild beest; vervolgeling. -pamburonan, N., pambujêngan, K., een jagtplaats.

bèri : naam van een muziekinstrument, bekken, dat in de linkerhand gehouden en waarop met een stok geslagen wordt; ook een schenkblad [Skr. bhêri, een keteltrom].

brah : Kw. vlammen, branden [= murub, Vrg. bra, II.

barah : K.N. schurft, uitslag op de huid, melaatschheid; melaatsch [Sd. barêh, gezwel; gezwollen; zwellen; Ml.id.]. -barahên, de schurft hebben, melaatsch zijn.

bêrah : zie buruh.

buruh : N., bêrah, K., huurling, daglooner, werkman, lastdrager, koeli. ambêburuh, N., ambêbêrah, [ambê...]

--- 687 ---

[...bêrah,] K., als huurling, daglooner of koeli werk doen of de kost winnen. -buruhan, N., bêrahan, K., loon, werkloon, draagloon, onkosten voor transport [Sd. buruhanên, huurling].

borèh : N. [konyoh, K.] smeersel, een uit kruiden en bloemen gemaakt smeersel voor het lichaam, zalf, blanketsel [Ml. boreh] . -amborèhi, het lichaam met zalf besmeren, bestrijken, smeren.

birai : K.N. begeerte, verlangen, lust, genegenheid; beminnen, verliefd zijn; manbaar [Ml.id.]; ook Kawische benaming van de zangwijze Sinom. birai sandhang, minnares van kleeding: benaming van een meisje van 9 of 10 jaar, omdat het dan acht begint te slaan op haar kleeding. birai bêkti dhatêng Allah, met lust God dienen of vereeren.

burhan : [Ar. burhaan], overtuigend bewijs, teeken, blijk.

brahala : K.N. afgod, afgodsbeeld [= kang dèn pêpuja ing wong kapir, [Sd.Ml. bêrhala]. nêmbah brahala, een afgodsbeeld aanbidden. kang nêmbah brahala, een afgodendienaar.

broak-braok : K.N. razen, veel geschreeuw maken.

brahma : zie brama.

brahmana : gew. bramana, K.N. Bramin, iemand [...] de hoogste kaste bij de Hindoes [= pandhita sabrang, Skr. Brâmâna]; ook eign. van een zoon van Batårå-Bråmå. Brahmana Tirta, een Bramin die aan (stroomend) water gelijkt, d.i. die nergens een vast verblijf heeft.

borah-barèh : K.N. het dagelijksch onderhoud.

brana : K.N. I. goederen, schatten, rijkdom [= amal en kasugihan]. rajabrana, vorstengoed, schatten [zie ook bij raja]. II. wond, kwetsuur, steek [= tatu, Skr. wrana, wond, buil, zweer. anandhang brana, een wond ontvangen. -ambranani, wonden. kabranan, gewond, gekwetst [= kataton].

brani : K.N. naam van een hard gemaakt ijzer, staal [Het is hetzelfde woord als barani, [Ml. besi berani], magneet]. watu brani, N., sela brani, K., magneet, zeilsteen [Ml. batu berani], Sd. batuwani].

birun : Kw. man, mannelijk, van het mannelijk geslacht [= lanang].

biron : zie biru.

buran : of buran, K.N., met layang, of sêrat, verbonden, een last- of magtbrief tot opvatting van een voorvlugtige, door den Wadånå-djekså, met voorkennis en het zegel van den Rijksbestierder, verleend aan den Djekså, onder wien de voortvlugtige behoort, of ook aan den aanklager [Men beschouwt dit woord gewoonlijk als een verbastering van buron, doch warschijnlijk is het afgeleid van bur, I. en beteekent iemand die zich gaauw weggemaakt heeft, een voortvlugtige of wat een voortvlugtige betreft].

buron : zie buru.

barani : [Ml. berani], stout, durven, zich tegen iemand verstouten [z.v.a. het Jav. en Sd. wani, Vrg. brani].

--- 688 ---

baruna : Kw. water; en eign. van den God der zee, den Neptunus der Indianen [dewa kang rumêksa sadhasaring sêgara, Ml.id.; Skr. waroena]. baruna astra, of barunastra, naam van een wapen.

branah : K.N. vruchtbaar zijn, van een vrouw of beest; veel kinderen baren of jongen voortbrengen [verbastering van het [Ml. beranak], kinderen hebben of krijgen, baren, telen]. -branahan, voorttelen.

branang : K.N.; ambranang, een vuurroode kleur hebben, vuurrood; de kleur van toorn op het gelaat.

brancah : K.N. verscheiden, veelsoortig.

brancoh : z.v.a. brancah.

brondongan : K.N. een knallend geluid.

brintik : K.N. gekruld haar, kroes; bont.

brandhal : K.N. muiter, muiteling [vrg. kraman]. ambrandhal, muiterij plegen, vrijbuiten. -brandhalan, wat tot muiterij betrekking heeft.

brindhil : K.N. naakt, geheel uitgekleed, van alles beroofd; een boom zonder bladen; een hoofd zonder haar.

brundhul : z.v.a. brindhil.

bronjo : K.N. een gevlochten mand.

brênjul : K.N. oneffen, hobbelig. ting brênjul, overal oneffen of hobbelig, van den grond of van den weg.

branjangan : naam van een kleinen vogel met donkerroode, naar het bruine zwemende veêren.

branyak : K.N. snel en met deftigheid spreken.

bêrci : naam van een Kopjah van een donker blaauwe of zwarte kleur.

bêrcak : K.N. pokdalig [Ml.id. Vrg. burik].

burcèt : naam van een wilden watervogel, een snip.

brak : zie bruk.

brêk : K.N.; ngêbrêki, op iets nedervallen; fig, zich in het bezit van een plaats stellen [vrg. ngêbruki, bij bruk].

bruk : of bêruk, K.N. het ploffend geluid van iets dat valt [vrg. gêbrug]. bruk-bruk en brak-bruk, aanhoudend nederploffen. -ambruk, zie boven: ook voor eenigen tijd ergens wonen. -ngêbruki, op iets neêrploffen. -kumabruk, zie boven.

brok : zie ngêbrok.

barak : K.N.; ambarak, beesten stelen uit de weide [vrg. bradhat].

barèk : K.N. fraai, schoon; behoorlijk, betamelijk. ambarèk, zich behoorlijk gedragen.

bêrik : K.N. elkander raken, tegen elkander stooten. -ambêriki, op iemand aanvallen.

bêruk : zie bruk.

birak : Kw. wegwerpen, wegooijen [vrg. birat].

burak : I. K.N.; amburak, wegjagen, verjagen [vrg. ngurak]. II. [Ar. buraaq], naam van het paard of fabelachtig beest, waarop Mohammed volgens den Koran ten hemel gevaren is.

burik : K.N. pokdalig [Ml. gestreept, gespikkeld, van den huid of vel; ook pokdalig. Vrg. bêrcak].

buruk : Sd.Ml. bedorven, rottig, verrot, vergaan. [ver...]

--- 689 ---

[...gaan.] -burukan, K.N. roof, buit, van wild gedierte [waarschijnlijk eig. aas, kreng].

bèrèk : K.N. den hals afsnijden.

berok : K.N. een groote bok.

borok : K.N. uitslag op het hoofd, schurft.

brokoh : K.N. een draagmand; die op reis meêgenomen en door koelies gedragen wordt.

barkuh : zie bêkuh.

bêrkah : zie bêrkat.

brakat : Kw. genezen, hersteld.

brakot : K.N. het bijten, van een paard. -ambrakot, bijten, van een paard.

brukut : of barungkut, K.N. van alle kanten besloten, geheel bedekt, zonder opening, onzigtbaar, verborgen.

bêrkat : ook bêrkah, [Ar. barakah], K.N. zegen, voorspoed, geluk [Sd.Ml.id.]. kyai bêrkat, naam van een kleinen koperen rijstpot, afkomstig van zekeren heilige, Soenan Lèpèn genaamd, waarin de rijst gekookt wordt, die op het feest Moeloed in het jaar Dal op een groot porceleinen bord, Kyai Blawong, genaamd, op een tafeltje voor den Soesoehoenan in de Soerambi staat, en nadat de Vorst naar de Sitihinggil teruggekeerd is, door den Rijksbestierder aan de beambten van den Vorst wordt uitgedeeld. Deze rijstpot bezit volgens het bijgeloof der Javanen de bovennatuurlijke wagt, om in hongersnood of dure tijden met de weinige rijst, die daarin gekookt wordt, te kunnen spijzigen; iets dat tijdens de regering van Sultan Agoeng herhaalde malen ondervonden zou zijn. -amêrkati, ook ambêrkahi, zegenen.

brukutut : of pêrkutut, K.N. naam eener soort van duif, tortelduif.

barêkis : zie bêkis.

barêkos : zie bêkos.

bêrkasakan : K.N. naam van een soort van booze geesten of Boetå's, die zich op bergen en in bosschen ophouden: berg- of boschgeest, berg- of boschduivel.

brèk-brèk : K.N. schreeuwen.

borak-barik : z.v.a. bolak-balik, zie balik.

bêrud : en bêrèd, K.N. schram; zich schrammen. sabrèt, zie boven. -bêrud-bêrud, schrabben. -kabêrut, zie boven.

bêrèd : zie bêrud.

bêrod : of bêrot, K.N. dringen; vooruitdringen, vooruitstreven; vergen; ook naam van een visch.

bêrduwak : K.N. zich aan den rand van iets bevinden; ook naam van een soort van troepen.

brata : I. z.v.a. brôngta [= susah]. II. Kw. gang, bedrijf; boetedoening [= laku, en tapa, Skr. wrata, een verdienstelijke, hetzij vrijwillige of door een gelofte op zich genomene strenge oefening of boetedoening, zoo als vasten of andere onthouding, blootstelling aan hitte of koude, enz.]. bratani, voor iemand boete doen. tayogabrata, boete doen, boeteoefening verrigten. bratayuda, oorlogsbedrijf; naam van een heldendicht, waarin de strijd tusschen de Pandåwå's en Koråwå's om het bezit van het rijk van Ngastinå bezongen wordt [Skr. Mahâ-bhârata. De afleiding van den

--- 690 ---

naam van dit heldendicht is niet zeker. De Javaansche benaming laat zich het gemakkelijkst afleiden als zamenstelling van het Skr. bhrâtre, bhrâtâ, broeder, en yuda, strijd, oorlog, zoodat het de broederoorlog beteekent]. -dewabrata, zie dewa, Bratasena, bijnaam van Wrekodårå. Bratawali, naam van een bitter kruid, een soort van alsem. Bratajaya, bijnaam van Sembådrå. -ambratani, voor iemand boete doen. -bratan = pratapan, -pabratan of pabaratan, plaats van bedrijven, oorlogstooneel, slagveld [= paprangan, en panggenan prang, Anderen schrijven pabratan of pabaratan].

bratu : K.N. voorschot bij het spel. -ambratoni, iemand bij het spel geld schieten, iemand door een voorschot te hulp komen om voort te kunnen spelen.

barat : K.N. wind, windvlaag, stormwind [Ml. West, het Westen]. jêmparing barat, een windpijl. -kabaratan, door een stormwind overvallen. -pabaratan, zie pabratan, bij brata, II.

bêrut : zie bêrud.

bêrot : zie bêrod.

birat : K.N. weggeworpen; verloren, verdwenen [vrg. birak]. ambirat, wegwerpen; verwerpen; afschaffen [= ambuwang, en ambuwang sêka ing panggonane]. -pambirat, het plaats hebben van ambirat [= pambuwang].

burat : Kw. zalf, blanketsel [= bêborèh, Ml.id.]. aburat, met zalf besmeren.

burit : K.N. achterste gedeelte van iets, achtersteven van een schip [Ml.id.]; ook sodomie. amburit, sodomie plegen. -pamburit, sodomiet.

borot : K.N. lek, lekken; klappen. -borotan, sluikhandel.

baritu : Kw. verschillende gedaanten of kleuren [= warna-warna].

brotol : K.N. het gedeelte van het lichaam van een vogel waar de staart begint.

brêtya : Kw. volk, troepen [= wadyabala, Skr. bhretya, te onderhouden; onderdaan; dienaar].

bras : zie bêras.

bris : K.N. lang, dik haar [vrg. brès].

brès : z.v.a. jèbrès, [vrg. bris].

baris : K.N. troepen krijgsvolk; ook de veêren aan de zijden van een haan [Sd.Ml. streep, lijn, regel; rij, gelid, van krijgslieden: [vrg. garis]. abaris, gelegerd, gekampeerd zijn, van troepen. -ambarisi, met troepen bezetten, van troepen voorzien. -barisan, een corps troepen. pabarisan, ook pambarisan, plaats waar zich troepen bevinden, legerplaats, kamp, garnizoensplaats.

barus : I. K.N. omvallen. II. naam van een plaats op Sumatra, waar de kamfer van daan komt, die daarom kapur barus, genoemd wordt [Ml.id.].

barès : K.N. eenvoudig, opregt, openhartig [= pêsaja].

bêras : of bras, N. [uwos, K.] on t[...] sterde rijst [Ml.id.]. bêras putih, witte rijst.

burus : K.N. eenvoudig, eerlijk ora burus, N., botên burus, K., oneerlijk.

boros : K.N. verkwister, doorbrenger [Ml.

--- 691 ---

boros , memboros], verkwister, doorbrenger]; ook naam van een eetbare plant. boros wana, bòròs die in de bosschen groeit, wilde bòròs.

brisik : zie bisik.

brosod : zie barêsod.

barêsod : K.N. onmiddellijk, dadelijk, gaauw. pating barêsod, zich overal haasten; uit elkander loopen, zich naar alle kanten verspreiden [vrg. barêsat, bij bêsat].

barêsat : zie bêsat.

brêsih : beter barêsih, ook bêrsih, K.N. rein, zuiver, onbesmet; schoon; afgeloopen, geheel tot stand gekomen [Sd., Ml.id.; ook [Ml. bersih] . Vrg. rêsik]. barêsih desa, N., barêsih dhusun, K., naam van een offer in de maand Roewah bij de dorpelingen ing gebruik en toegewijd aan den eersten ontginner van het dorp. -ambarêsihi, reinigen, zuiveren, schoon maken; een zaak ophelderen, klaar maken; iemand zuiveren door middel van een eed. -barsiyan, zie beneden.

barêsih : zie brêsih.

brusahan : K.N. bederf, bederving.

burisrawa : eign. van een zoon van Saljå, den Vorst van Mòndåråkå.

brusêm : K.N. het geluid dat door spuiten van water veroorzaakt wordt.

barsiyan : K.N. eene doos waarin alles van het [...] ilet van een Javaansche vrouw bewaard wordt [waarschijnlijk van barêsih].

breso-breso : of bresa-breso, K.N. knorren, wrevelig zijn; knorrig.

brastha : Kw. geheel verbrijzeld, vergaan, verdelgd, verdwenen [= lêbur en rusak, Skr. brasta, gevallen, verloren; ook geroosterd, verzengd].

berawa : bijnaam van Batårå-Kålå [Skr. bhairawa, verschrikkelijk; ook een bijnaam van Siwa in een bijzondere gedaante].

birawa : Kw. ontzaggelijk, zeer groot, aanzienlijk, van hoogen rang, majestueus [abirawa, wordt verklaard door murub, bungah, en luwih rowa, Waarschijnlijk is het het Skr. bhairawa: zie berawa].

bruwah : K.N. smullen, zwelgen, in overdaad leven.

buruwan : z.v.a. buruhan, zie buruh.

brewok : K.N. een gezigt dat geheel met haar bedekt is.

bruwêt : K.N. gekrabbel, onduidelijk schrift.

brawala : K.N. twist, strijd met woorden, woordentwist [zamengesteld uit bra, I. en wala, I.]. abrawala, strijden, twisten, redetwisten.

brêwala : z.v.a. brawala.

brawijaya : eign. der Vorsten van Mådjåpahit.

bruwang : K.N. een vergiftige paddestoel [Sd. baruwang, gift, vergift, venijn].

brol : K.N. naar buiten dringen, te voorschijn komen. ambrol, zie boven.

barla : Kw. gedaante; ook naam van een wapentuig van Doersåsånå.

barêp : N. de eerste, voorste, oudste [van arêp]; en z.v.a. pambarêp, N., pambajêng, K. [pambayun, K.] eerstgeborene, oudste, kind.

burpêksi : Kw. (eign. wegvliegen als een vogel) zijn huis verlaten zonder iets mede te nemen.

bradhat : K.N. veedief. ambradhat, beesten

--- 692 ---

stelen van den stal of van de markt [vrg. barak].

braja : Kw. I. wapen [= gêgaman]. brajatiksna, een puntig wapen. brajatiksna lungit, de scherpe, puntige, Brådjå-tiksnå: benaming van een zekere slagorde. macanan anir braja, benaming van een corps soldaten van den Soesoehoenan. brajanala, naam van de derde poort van den Kraton naar de Aloenaloen toe, volgende op de Kamandoengan; ook naam van een soort van soldaten of poortwachters. pangawak braja, zie bij awak. II. eenvoudig, opregt, zonder achterhoudendheid. III. braja of brajyu, een hevige storm [brajya = barat gêdhe, Skr. wrâdji, een windvlaag].

brojol : bêrojol of barojol, K.N.; ambrojol, digt aan elkander sluiten; door een naauwe reet heensluipen, doordringen; door iets heen vallen [vrg. mrojol].

brajya : zie braja, III.

bêrjôngga : Kw. een geleerde dichter [vrg. bujôngga, I.].

braya : Kw. makker, gezel [Sd. baraya, maagschap, verwantschap; nabestaande]. dhêndhabraya, K.N. boete wegens roof, niet met moord gepaard, waarvan de daders al of niet bekend zijn; maar niet gevat kunnen worden, opgelegd aan de bevolking der désa, waar de misdaad gepleegd is.

bareyan : naam van een plaats bij Patjittan, waarheên vroeger misdadigers van Djocjokarta gebannen werden.

brayat : K.N. huisgezin, alles wat tot een huisgezin of familie behoort [vrg. rayat].

brama : ook, en eig., brahma, Kw. vuur; ook eign. van een Batårå, en naam van een berg in het Oosten van Java [= gêni en panas, Skr. Brâhmâ, eign. van de eerste Godheid in de Indische drieëenheid]. bramastra of bramaastra, K.N. een vuurpijl [= jêmparing latu tumurun saking dewa, Skr. brahmâstra, het wapen van Brahma, een fabelachtig van Brahma afkomstig wapentuig: zamengesteld uit brama, en astra]. brama kêndhali, eign. van een uit ijzer geschapen wezen, in de Manik-Måjå. bramatya, zie beneden.

bramana : zie brahmana.

bramani : eign. van een zoon van Batårå-Bråmå [Het wordt verklaard door pandhita wadon, Skr. brâhmani, de vrouw van een Bramien, een vrouw van de kaste der Bramienen].

burmanuk : N., burpêksi, K., zijn huis verlaten zonder iets mede te nemen; eig. wegvliegen als een vogel [zamengesteld uit bur, en manuk of pêksi].

bramara : of brêmara, Kw. een groote bij, wesp, hommel [= kombang, en tawon, Skr. bhramara, een groote zwarte bij]. bramara wilasita, naam van een Kawische zang [...] [Het wordt verklaard door kombang ngêlèng].

bramatya : Kw. groote toorn, gramschap [= duka panasing galih, zameng. uit brama, en atya].

brambang : K.N. ajuin, uijen [vrg. bawang].

--- 693 ---

bêrêg : K.N. jagt op groot wild maken, vervolgen. binêrêg, vervolgd worden.

berag : K.N. hoogmoedig, trotsch.

barigo : Kw. een koe [= sapi wadon].

brigih : Kw. verschrikken, schrik aanjagen.

bêrgundung : K.N. een vasten wil hebben, volharden, voortgaan [vrg. brêgêdug].

brêgada : Holl. brigade, een groote legerafdeeling.

brêgêdud : z.v.a. bêrgundung.

brêgas : K.N. een gezond voorkomen hebben.

bargawa : zie bij bargawastra.

bargawastra : naam van een wapen van Wrekodårå, afkomstig van Råmå-Bargårå [zamengesteld uit astra, en bargawa, Skr. Bhârgawa, een naam van Parasoe-Kama].

brêgagah : zie gagah.

bêrgogog : K.N. van nabij zigtbaar zijn.

briga-brigi : K.N. vergrammen, zeer vergramd zijn.

breg-bregan : K.N. opgetogen van vreugde, zeer verheugd zijn.

brabah : of bêrabah, K.N. schreeuwerig, schreeuwachtig, luidruchtig, scherp; in drift spreken, harde, scherpe woorden gebruiken.

barêbah : zie barubuh.

barubah : Kw. in de war, in verlegenheid zijn; en z.v.a. bubrah [= rusaking galih].

barubuh : N., barêbah, K., instorten, nederstor-[...] -en [van rubuh].

bêrabah : zie brabah.

baribin : K.N. veel en luid praten, veel praats hebben [Ml.id.]. -ambaribini, door veel praten iemand storen, hinderlijk zijn.

brêbêk : K.N. molm [vrg. bêbêk]. ambrêbêk, vermolmen. -brêbêkan, een stuk vermolmd hout.

bèrbudi : zie bèr, I.

brêbês : of bêrbês, K.N. zijpelen, druppelen, biggelen [vrg. mêrbês]. ambrêbês mili, tranen storten.

barabas : of bêrabas, K.N. doorzijpelen, doordringen, indringen; olie die spoedig verteert en uitbrandt [vrg. brêbês].

burbuwah : Kw. vruchtbaar [burbuwa, wordt verklaard door jagad rusak, Het schijnt hetzelfde woord te zijn als burbuwas].

barbuwas : Kw. de wereld [= jagad en burwaswa, wordt verklaard door awang-awang, Het schijnt een zamengesteld woord te zijn uit bur, I. en buwas, Skr. bhoewas, de hemel, het luchtruim. Vrg. burbuwah].

brêbêl : K.N. uitstroomen [vrg. brubul, bij bubul, III.].

brubul : zie bubul, III.

brabeyan : of barabeyan, K.N. ingewanden, darmen, van een mensch [Vrg. jêrohan, sêrêgan, en wêdhal]. -kabrabeyan, zie boven.

brêbêg : K.N.; ambrêbêgi, iemand storen, hinderen.

brababak : Kw. vlammende oogen van toorn [vrg. mrababak].

brêng : naa van een soort van groene kever. brêngkutis, naam van een soort van zwarte kever.

barang : K.N. eenig bijzonder ding, eenige zaak, eenig goed, iets; ding, dingen, goed, goederen

--- 694 ---

[Ml.id.]. barang kang kurang, iets dat er ontbreekt, of dingen die er ontbreken. barang mal of barang dandosan, eenige bezitting, eenig goed. sabarang, alle bijzondere; alle, wie het ook zijn mogen. sabarang prakara, alle bijzondere regtszaken. sabarang wong nyambut gawe, alle handwerkslieden. barang bèrèng, eenig ding, wat het ook zij: mubarang, zie boven. -wong barang, iemand die rondgaat om voor geld kunsten te vertoonen; een rondgaand kunstenaar of speelman. ambêbarang, rondgaan om kunsten te vertoonen [vrg. bara, I.]. -barangan, hetgeen door een rondgaande kunstenaar vertoond wordt.

barêng : N. [sarêng, K.] zamen, gezamentlijk, tegelijk; gelijktijdig; toen, wanneer, tijdens [vrg. barung en parêng]. -kabarêng, tegelijk met iets anders plaats hebben. -ambarêngi, tegelijker tijd met iets zamen treffen; iets gezamentlijk doen of verrigten; iets juist van pasdoen. -barêngan, vereenigd, gezamentlijk zamen, tegelijk of gelijktijdig met een ander of met elkander.

baring : K.N. zot, onverstandig, gek; zinneloos. wong baring, een gek mensch, een zot, dwaas.

barung : K.N. z.v.a. barêng, [De grondvorm is arung, zie bij ngarung]. abarung, tegelijk, gelijktijdig. dipun barung, gelijktijdig vergezeld worden door iets anders. -ambarungi, zamen doen gaan, gepaard doen gaan. binarungan, gepaard, vereenigd. -barungan, tegelijk of gelijktijdig, met een ander of met elkander.

barong : K.N. het geluid van de Gamellan. -barongan, vermomming.

bêrung : K.N. stijf op iets staan, volharden, volhouden. -pambêrung, halstarrigheid.

biring : naam van een bijzonder fatsoen van lansen.

burêng : K.N. bemorsen, bevuilen, bezwalken.

berang : K.N. hakmes, kapmes.

bèrèng : K.N. gezwollene lippen. barang bèrèng, zie bij barang.

borang : K.N. voetangel, puntige bamboe, die in den grond gestoken en met aarde bedekt wordt, om wonden toe te brengen aan de voeten van hem, die daarop trapt. -amborangake, N., -kên, K., van borangs voorzien; bij borangs vergelijken; tot borangs maken.

borong : K.N. I. alles verkoopen, uitverkoopen, een geheelen winkel leêg koopen [Ml. koop of verkoop in het groot, in het groot koopen of verkoopen; iets koopen met al wat er in is]. II. K.N. [of K.h., bodho, N. of K.N., blilu, K.N.]. onkundig, onwetend [Sd. burung, simpel, dwaas, zot]. môngsa boronga, gij zult (of hij zal) het wel weten of wel begrijpen: ik laat het aan uw (of zijn) kennis, oordeel of inzigt over. -amborongake, N., -kên, K., iets geheel aan iemands beleid overlaten, toevertrouwen, aanbevelen.

brungkah : K.N. de wortels van een boom, die boven den grond uitsteken.

brêngkutis : zie brang.

bêrengkesan : K.N. met bladen omwikkeld, omwonden.

brangkal : K.N. een stuk of brok van een baksteen, [bak...]

--- 695 ---

[...steen,] iets van den grond opnemen. -ambrengkalake, N., -kên, K., voor iemand iets van den grond opnemen.

brèngkèl : K.N. nijdig, afgunstig.

brêngkêlo : K.N. hardnekkig, weêrspannig.

brangkang : of bêrangkang, ook mrangkang, K.N. op handen en voeten loopen, kruipen [Ml. merangkang] ; ook benaming van een kind van zes maanden [De grondvorm is rangkang]. -brangkangan, in een kruipende houding, kruipende zijn.

bêrangkang : zie brangkang.

burangkang : z.v.a. brangkang.

brangti : ook brôngta, Kw. groote droefheid, een smartelijk verlangen; van liefde kwijnen; groote verliefdheid; ook dichterlijke benaming van de zangwijze Asmårå-dårå [Skr. bhrânti, ronddraaijing, rondslingering; en bhrânta, rondgedraaid, rondgeslingerd. Vrg. brata, I.

brôngta : zie brangti.

brangas : K.N. heet zijn, kwaad, toornig. -kabrangas, toornig gemaakt, driftig. -brangasan, van een driftigen, oploopenden aard, driftig, oploopend, ongeduldig, twistgierig; drift.

brangus : K.N. halster.

brêngos : of barêngos, N. [of K.N., rawis, K., kumbala, K.h.] knevelbaard, knevels, en wel die over den mond heen hangen. brêngos lèmèt, zie lèmèt.

brongsong : of bêrongsong, K.N. muilband [Sd.id.]. -ambrongsongi, muilbanden.

branggah : K.N. een buffel met mooije horens; een welgekleed mensch.

brènggèh : K.N. getakt, van takken voorzien, dubbelhartig, valsch.

brangbangan : K.N. het roffelen op een trom.

brêngingèh : zie bêngingèh.

brêngêngêng : K.N. brommen; gebrom, gegons, van bijen.

bêk : z.v.a. ambêk.

buk : of êbuk, ook buku, Holl. boek: zie êbuk, II. -buk-bukan, zie beneden.

bèk : I. z.v.a. darbèk, -ngêbèki, K.N. in bezit nemen. II. tusschenw. toch! [vrg. bok, II.]. III. Temb. Pas. moeder [vrg. bok, I.].

bok : of êmbok, I. K.N. [ook biyang of biyung, K.N.; ibu, K.h.] moeder; ook benaming van een getrouwde vrouw. bok sudagar, de vrouw van den koopman. bok ratu, titel der vrouwen van den Vorst. kakang bok, oudere zuster. bok ayu, en bok ajêng, oudere zuster; ook een benaming van fatsoenlijke vrouwen, z.v.a. mevrouw, en jufvrouw of mejufvrouw. Vele Javaansche vrouwen worden naar den naam van haar eerste kind genoemd: zie biyang, bokmas of êmbokmas, zie mas, bokne of êmbokne, of ook bokêne, zijn (of haar) moeder. II. bok, K.N. een tusschenwerpsel, vóór een woord, gewoonlijk voor de Jussief, z.v.a. het aanhechtsel ta, toch! bok aja, N., bok sampun, K., dat toch niet. -bokmênawa, N., bokmênawi, of bok bilih, K.,

--- 696 ---

ligt, welligt; mogelijk dat, mitschien dat; bijaldien, ingeval, indien.

baka : I. [Ar. baqaa], K.N. blijvend, bestendig, duurzaam, onvergankelijk, onverderflijk, onsterflijk, eeuwig [Ml.id.]. II. naam van een watervogel; ook eign. van een der oude Javaansche Vorsten, een Vorst van Prambanan.

baku : K.N. 1. z.v.a. bakuh, [Ml. baku], stijf, gestremd, gestold]. bêbaku, magt hebben. II. de stam van een boom of van een geslacht. bêbaku, grondregel, rigtsnoer; ook titel van een boek.

bêku : benaming van een soort van Mangga.

buka : Kw. opening, begin; aanvang, verschijning, openbaring [= ungkabi, Ml. buka], openen; ontdekken; open, bloot. Vrg. bukak]. ambuka, openen, beginnen, zigtbaar worden, verschijnen. bêbuka, begin [= wiwitan]. bêbukaning sêrat, het begin van een brief. -ambukakake, N., -kên, K., openleggen, zigtbaar maken; uitleggen, verklaren. -pambuka, opening; begin; het eerste eten na de vasten. -tarbuka, zie boven.

buku : zie buk.

beka : I. Kw. beproeving, verzoeking. ambeka, in verzoeking brengen. II. K.N. een kind dat gedurig huilt.

bakah : Kw. in, binnen; diep, diepte [= lêbêt].

bakuh : K.N. sterk, stevig, vast, duurzaam; sterkte.

bêkuh : K.N. 1. tusschenw, van kwaadheid, och! 2. kuch. ambêkuh, kuchen. bêkah-bêkuh, herhaaldelijk kuchen; morren, zich kwaad toonen. -barkuh, een kuchend geluid maken.

bukuh : K.N. met een gebukt hoofd en de handen in den schoot zitten. -mabukuh, hetzelfde.

bêkicik : K.N. geen verlies in het spel kunnen lijden.

bakar : K.N. ijzer heet maken om het te smeden; roosten [Ml. branden; verbranden; braden, in het vuur of onder den asch; blaken].

bakur : K.N.; bakur-bakur, veel beweging bij het spreken maken.

bêkèr : K.N. het hinneken van een paard.

bikir : K.N.; bikiran, naam van een speelgoed van kinderen van een klapperdop gemaakt, een soort van tol; daarmede spelen.

bukur : K.N. een groote zeeschulp. bukur pangarib-arib, naam van een gebouw bij den ingang in de Soerålåjå. -buburan, Kw. een plaats van dooden, een slagveld [= pasetran en papêrangan].

bokor : K.N. een kleine koperen, zilveren of gouden kom [Sd.Ml. een kleine kom, bekken; waschkom; ook een kleine kruik of kan, met of zonder deksel]. -bokoran, op de wijze van een Bòkòr, benaming van een bijzondere wijze van opmaken van het haar. Dezen vorm wordt aan den haarwrong van een bruid gegeven.

bêkik : K.N. uitroepen, toeroepen, toeschre-[...] wen.

bêkuk : K.N. buigen, krom maken [vrg. bêngkuk].

bikak : zie bukak.

--- 697 ---

bukak : Ml. open, geöpend [vrg. buka]. ambukak, N., ambikak, K., openen.

bêkakrakan : K.N. een geluid dat zich in alle rigtingen laat hooren.

bêkakak : K.N. een geregt van vleesch, vleeschspijs; ook jonge bamboe.

bêkakas : K.N. werktuig, gereedschap [zie pakakas]. bêkakasing prang, krijgsgereedschap, oorlogstuig.

bakda : [Ar. ba'da], na; K.N. na het einde of den afloop van een gebed, vasten, feest, enz.

bêkta : K.; ambêkta [anggawa, N.] met zich dragen, brengen, voeren, leiden; overbrengen, aanvoeren, vervoeren. -ambêktani, iemand iets te dragen of te brengen geven, medegeven. -ambêktakakên, laten brengen, dragen of leiden, iets meêgeven aan iemand. -bêbêktan, hetgeen men met zich draagt, brengt of voert, hetgeen aangebracht wordt, aanvoer, hetgeen een vrouw ten huwelijk meêbrengt, huwelijksgift. -pambêkta, het meêbrengen, meêvoeren; een stief kind.

bêkti : I. K.N. hulde, eerbied, eerbiedige hulde; ook een som gelds of een geschenk, dat behalven de pacht voor het verkrijgen van een ambt, of voor de opvolging, betaald wordt, en gewoonlijk zoo veel bedraagt, als het land, dat men in leen krijgt, in twee en een half jaar aan pacht opbrengt [Ml. dienst, eeredienst; Sd. bakti, godvruchtig, vroom; Skr. bhakti, dienst, eeredienst, onderdanigheid]. bêbêkti, geld voor een ambt geven. -ngabêkti, eerbiedige hulde bewijzen, eerbiedigen, vereeren. -pangabêkti, bewijzing van eerbied, eerbiedenis, eerbiedige groete. -bêktèn, het bekti-geschenk betreffend; b.v. yatra bêktèn, bekti-geld. II. Kw. waar, wezenlijk, waarheid [Skr. bhakti, ook geloof].

bukti : Kw. eten; spijs [= mangan en pangan, Skr. bhoekti].

bakit : Kw. kunnen, vermogen, bekwaam, in staat zijn [= bisa, Vrg. bangkit].

bikut : K.N. druk bezig zijn, het druk hebben.

bukêt : K.N. troebel water [vrg. butêk].

bukit : [Ml. bukit], berg, heuvel.

bêkatul : K.N. fijne dedak of zemelen, waarvan gebak gemaakt wordt [vrg. pêkatul].

bêksa : K.N. dans, van mannen [vrg. jogèd]. tiyang bêksa, danser. ambêksa, dansen, tandakken, van mannen. -bêksan of bêbêksan, een partij waarop mannen tandakken, danspartij, bal.

biksa : Kw. houding, gedrag. durbiksa, een slecht gedrag.

biksu : Kw. koe, koebeest [= sapi].

bakès : z.v.a. bêkis.

bêkis : K.N. bits, bitsheid, norsch in het spreken [vrg. bêkus]. pating barêkis, overal met bitsheid behandeld worden.

bêkus : K.N. toesnaauwen, uitvaren [vrg. bêkis].

bêkos : K.N. een zissend of kissend geluid. -barêkos, blaten, brullen. pating barêkos, een algemeen geblaat en gebrul.

bêkisar : K.N. bastaard van een boschhaan uit een gewone hen.

--- 698 ---

bukasri : Kw. een hoofdversiersel.

bakwi : Kw. een wild varken [= cèlèng].

bakiwit : K.N. onderdoen, verliezen.

bakal : N. [badhe, K.] toekomend; zullen, willen of gaan doen; iets zullen worden; de stof of hetgeen waaruit iets gemaakt zal worden, b.v. het laken, waaruit een kleedingstuk, of het hout, waaruit een tafel gemaakt zal worden. bêbakal, vreemd, ongewoon; een voorbeeld geven. -ambakali, tot iets vooruit bestemmen; met iets beginnen. -bêbakalan, voorteken, voorbode.

bakil : K.N. verschil hebben, twisten, strijden.

bakul : K.N. een kleinhandelaar; een koopvrouw: want de kleine handel wordt op Java gewoonlijk door vrouwen gedreven.

bêkêl : K.N. een ondergeschikt hoofd onder een Loerah. Zoo kan elk hoofd genoemd worden in betrekking tot zijn hoofd, die dan Loerah heet. bêkêl desa, N., bêkêl dhusun, K., dorpshoofd, onder een Demang of Distriktshoofd. ambêkêli, als Bekel bestieren, het gezag van een Bekel uitoefenen. kabêkêlan, Bekel-ambt, het ambt of gebied van een Bekel.

bèkèl : K.N. een dikke buik.

bakyu : verkorting van bok ayu.

bêkêm : K.N. zich dwingen om een wind te laten.

buk-bukan : K.N. 1. gelijk op spelen, niet winnen of verliezen; 2. een wortel, die in den grond gebleven, op nieuw uitschiet [Vrg. êbuk, I.].

bakung : naam van een bloem, een lelie [Ml.id.].

bikang : naam van een soort van gebak [Ml. een klein dik rijstkoekje].

bukung : Kw. gespikkeld, gevlakt, bont [= tutul].

bokong N. [bocong of pocong, K.]. 1. bil, de billen, het achterste, de aars; 2. post, bediening.

bêkingking : K.N. naam van een soort van witte slak [vrg. sompil].

bêkungkung : K.N. net, valstrik [waarschijnlijk van kungkung].

bêd : grondvorm van ubêd, en bêbêd.

bod : of êbod, K.N. de geheele afdoening van een schuld.

badi : zie abadi.

buda : Kw. K.N. Boeda, Boedistisch [Skr. boeddha, een wijze; een met godlijke eer vereerd leeraar der Boedisten; en bauddha, een aanhanger of volgeling der Boeddha's, een Boedist]. wong buda, een Boedist, heiden. jaman Buda, de Boeda-eeuw, Boeda-tijd, d.i. de tijd vóór de invoering van het Mohammedanisme op Java. dina Buda, Boeda-dag, Woensdag. Buda cêmêngan, Woensdag-Wagé.

budi : K.N. geest, verstand, rede, vernuft, beleid, overleg, wijsheid; inborst, geaardheid; begeerte, verlangen [Sd.Ml.id.; Skr. boeddhi, verstand. Vrg. budya, en budaya]. tanpa budi, ongevoelig; zinnelijk. anggugoni budi, eigenwijs. budadaya, sterke inborst, schranderheid; list gebruiken, verzinnen. ambudi, 1. [mikir, N., anggalih, K., overdenken,

--- 699 ---

overwegen, overleggen; verlangen, begeeren; 2. beweging met het lichaam maken om zich van een last te ontdoen, zich verzetten, zich wederspanning toonen. ambudi pêjah, den dood te gemoed treden. -ambudèni, iemand om raad of hulp vragen. -bêbudèn, geaardheid, inborst; hoedanigheid, eigenschap. bêcik bêbudène, bescheiden, beleefd. -pambudi, overdenking, gepeins, overleg. angsal pambudi, een list vinden.

beda : Kw. K.N. onderscheid, verschil; onderscheiden, verschillend, anders, verscheiden [= seje, Sd. Ml.id.; Skr. bhêda]. ambeda, onderscheiden, een onderscheid maken, verschillen. ambabeda, K.N. iemand sarren, tergen, plagen. kabeda, getergd worden. -pambeda, sarring; een twiststoker, opstoker. -prabeda, z.v.a. beda, [Skr. prabhêda, verschil; soort].

bedah : N. indien, ingeval.

badan : K.N. [of beter K., awak, N., en sarira, K.h.]. lichaam, lijf [Ar. badan] ; Sd.Ml.id.]. badan nyawa, lichaam en ziel. badan kula, mijn persoon, ik. paukuman badan, lijfstraffe.

badra : Kw. een regenwolk, donkere lucht. Badra Irawan, groote droefheid, donkerheid des gemoeds. bayubadra, zie bayu.

bidak : z.v.a. pidak.

bêdudan : K.N. [watangan, K.h.]. een amfioenpijp van udud.

baduwi : [Ar. badawii, badawii of badaawii], Beduin, landbewoner, woestijnbewoner [Ml.id.].

badal : I. [Ar. badal], K.N. plaatsvervanger, vertegenwoordiger, gemagtigde. Zoo ook bêbadal. II. K.N. verijdelen [misschien eig. veranderen, door voor iets, iets anders in de plaats te stellen; of verbastering van batal]. -ambadali, hetzelfde.

budya : Kw. z.v.a. budi [= wêwatak].

budaya : Kw. verstand, begrip [vrg. budi]. -kabudayan, met verstand uitgerust, verstandig.

budiman : Kw. waar, opregt [Ml. en Skr. boeddhimân, verstandig, wijs: van budi]; ook eig van den vorst der vogelen.

bedang : K.N. verkorting van lambe dandang, met een Dandang-lip, d.i. met een naar buiten omliggenden rand zooals een Dandang; b.v. gêlas bèd, een glas (kelk) met zulk een rand.

bodong : K.N. de opzwelling van den navel van een zwangere vrouw.

bidêngah : Ar. zich het goed van anderen toeëigenen; voorgeven, veinzen, huichelen.

bêt : K.N. op eens, met een; gedaan, ten einde.

bit : zie bij babit.

but : grondvorm van ibut, ook van rêbut, en krubut, -buttarêp, zie beneden.

bot : I. grondvorm van en z.v.a. abot, nog in gebruik, wanneer het als zelfstandig naamwoord met het aanhechtsel he, verbonden, en dus niet meer één lettergrepig is. Zoo ook yèn ana bot pakewuhe, als het zwarigheid of moeijelijkheid heeft. II. z.v.a. bata, en prabata, botrawi, [bo...]

--- 700 ---

[...trawi,] Kw. het metselwerk om een vijver [= balumbang of balumbangan].

bata : N. [banon, K.] gebakken steen, baksteen, metselsteen [Sd.Ml.id.]. batarana, een gelijk geplaveide grond. binatarana, gepiaveid. pagêr bata, een steenen muur, wand. bêbata, metselen. -ambata, een muur gelijken. ambata rubuh, gelijk een instortende muur. Zoo noemt men het uitgetrouwd worden van twee gebroeders of gezusters op één en denzelfden dag.

batu : Sd.Ml. z.v.a. watu, tukang batu, werkman in steen: steenhouwer of metselaar.

bate : Kw. halsketen, ketting. abate, een ketting dragen, van een ketting voorzien.

buta : N. [danawa, K.] een démon, Titan of reus [Skr. bhoêta, een démon, booze, verslindende, vooral op begraafplaatsen rondwarende geest]; Kw. woest, wild; sterk; donker; bedorven, verloren, verwoest [= galak, rosa, pêtêng, rusak en ilang, en abuta = apêtêng, en kagila-gila, Skr. bhauta, démonisch, [Ml. buta], blind. Vrg. wuta]. -buta tuli, K.N. onvoorziens [Ml. buta tuli], blindelings, onbedacht: zamengesteld uit buta, [Ml. buta], blind, en tuli, doof].

batih : K.N. gezin, huisgezin; een bediende die tot de familie behoort [vrg. rayat en brayat]. -kabatih, tot de familie gerekend worden.

bêtah : I. K. zie butuh, II. K.N. uithouden, volhouden, volharden, verduren. kabêtah, uitgehouden, volgehouden; standvastig. abêtah, voortgaan met iets te doen. -ambêtahake, N., -kên, K., iets verduren, verdragen.

butuh : K.N. tegenloopen, stuiten; in het naauw zijn; N., bêtah, K., armoede, gebrek; behoeftig, armoedig, onvermogend, gebrek lijden. butuh dhuwit, gebrek aan geld hebben, om geld verlegen zijn. -kabutuh, K.N. er tegen aangeloopen, in het naauw gebracht. -ambutuhake, N., -kên, K., iemand in het naauw, in de war brengen, verhinderen.

bètèh : K.N. twist, tegenspraak. abètèh, tegenspreken, logenstraffen.

botoh : K.N. teregtwijzen, aansporen, aanzetten; iemand die de zaak van een ander bestiert of beheert; een speler, dobbelaar [Het grondwoord schijnt toh, te zijn]. bêbotoh, op het spel zetten. -ambotohi, of ambêbotohi, iemand tot het spel aanzetten, aansporen; ook de zaak van een ander bestieren of beheeren. -ambotohake, N., -kên, K., iets ter bestiering of beheering geven aan iemand. -botohan of bêbotohan, met een ander of met elkander spelen, dobbelen. -kabotohan, spel, dobbelspel. -ngabotohan, een speel- of dobbelpartij.

batin : N., batos, K., inwendig, van [...] nen; binnenste [Ar. baathin] ; Ml.id. Het tegenovergestelde is lair]. batine, N., batosipun, K., zijn binnenste. wong isining batin, bezetting.

--- 701 ---

butun : benaming van een soort van limoen.

botên : K. [ora, N.] neen, niet [Het is een Kråmåvorm van boya]. botên wontên, er is niet. botên-botênipun, volstrekt niet. botên kadugi, niet in staat zijn, niet vermogen. botên mawi, zonder. yèn botên, zoo niet; anders, anderzins.

Batanakawarsa : Kawische benaming van MadoeKårå, de woonplaats van Ardjoenå.

batur : N. [rencang, K.] gezel, makker, maat, kameraad; gew. voor bediende, knecht; ook de onderlaag van een muur [Sd. gezel, makker, maat, medemakker; gezelschap]. batur wadon, eene dienstmaagd. -binatur, naam van een Waringinboom op de Aloenaloen van de Kraton te Soerakarta.

botor : K.N. de pit van de Ketjipirvrucht.

botrawi : zie bot, II.

butarêpan : z.v.a. buttarêpan.

batak : Kw. voorgaan, de eerste zijn in het gaan. -pambatak, voordanser, voordanseres; voorganger [= pangarêping bêdhaya].

bêtèk : K.N. spoor, teeken, blijk, oorzaak, reden.

butêk : K.N. troebel, donker, onzeker [Ml. troebel, niet helder. Vrg. bukêt].

butarêp : ongebruikelijk [zamengesteld uit but, en arêp]. buttarêpan, N., buttajêngan, K., naijverig, jaloersch; jaloerschheid, achterdocht. -ambutarêpakên, iemand van overspel beschuldigen, verdacht houden.

buttajêngan : zie buttarêp.

bettamal : K.N. schatkamer, schatkist, thesaurie [Ar. baitul maal] ; Ml.id.].

batos : zie batin.

Batawi : zie Batawiyah.

bituwah : K.N. nalatenschap.

Batawiyah : of Batawi, K.N. naam van de stad Batavia.

batal : [Ar. bathaal], K.N. ijdel, vruchteloos zijn, verijdeld worden. -ambatalake, N., -kên, K., verijdelen, niet tot stand doen komen.

botol : I. Holl. bottel, flesch. II. z.v.a. butul.

butul : K.N. doorheêngaan; door en door; regtstreeks. ora bisa butul, N., botên sagêd butul, K., ondoordringlijk. -ambutulake, N., -kên, K., door heên doen gaan. -butulan, doorgang, kleine poort, geheime deur, achterdeur.

betal mukadas : [Ar. baitul muqaddas], naam van de stad Jeruzalem [eig. de plaats van het Heiligdom, van den heiligen tempel; Ml.id.].

butajêngan : z.v.a. buttajêngan, zie buttarêp].

batang : K.N. verklaring, uitlegging, beteekenis. ambatang, uitleggen, verklaren, van een droom [= ambadhe]. -pambatang, uitlegging, verklaring' uitlegger. -prabatang, zie boven.

biting : Kw. slaan, vechten.

biting : I. K.N. een pin of naald van bamboe.

butêng : K.N. dol, driftig, verwoed, razend.

bètèng : zie binting, II. zie binting,

--- 702 ---

III. Kw. honderdtal. sabiting, honderd. kalih biting, twee honderd.

bas : Holl. baas.

basa : I. K.N. spraak, taal in't algemeen; uitdrukking, die men bezigt, manier, van zich uit te drukken, beleefde taal, beleefde manier van zich nit te drukken, beleefdheid [Sd.Ml.id., Skr. bhâsâ]. juru basa, zie juru, -ambasani, van iemand een uitdrukking bezigen; iemand beleefd aanspreken. -ambasakake, N., -kên, in woorden brengen, tot taal maken, vertalen; van iemand of iets een uitdrukking bezigen; iemand tot een waardigheid benoemen. -bêbasan, spreekmanier, spreekwoord; een spreekwoordelijk gezegde. -paribasa, zie boven. II. N. tijdens, toen, wanneer.

basi : K.N. opgeld, agio [Ml.id.].

basu : K.N. hondedrek.

bêsa : verkorting van bêksa.

bisa : N. [sagêd, K.] bekwaam; vermogen, kunnen, in staat zijn; kundig, ervaren, verstandig [Sd.Ml. verstandig, bekwaam, kundig, ervaren; Skr. wisâ, verstand]. ing sabisa-bisaku, zoo veel ik maar kan. bisa tata, regelkundig. ora bisa, onbekwaam, ongeschikt. -ambisakake, iemand of zich bekwaam maken, oefenen, in staat stellen. -gumisa, [sumagêd, K., cumênthaka, K.N.] zich aanstellen alsof men bekwaam was, zich inbeelden bekwaam te zijn; verwaand. -kabisan, bekwaamheid, kunde, ervarenheid, bedrevenheid.

bisu : K.N. sprakeloos, stom. ambisu, zich stom houden, zwijgen. -ambisokake, N., -kên, K., doen verstommen, stom maken.

bèsi : K.N. een groote schotel.

boso : z.v.a. basah [vrg. bosok].

basah : K.N. verrot, vergaan, van een lijk [Sd. basêh, Ml. basah], vochtig, nat; nocht. Vrg. bosok]. -ambasahi, zich uitdossen, in staatsie kleeden. binasahan, in staatsie gekleed, uitgedost. -basahan, N. [kampuhan, K.] dienstkleeding, staatsiekleeding. -bêlasah, zie beneden.

busah-basèh : zie bosah-basih.

bosah-basih : of busah-basèh, K.N. wanorde; in wanorde, alles door elkander verward, gehavend [vrg. bosak-basik].

besan : K.N. benaming der betrekking van de wederzijdsche ouders van getrouwde lieden [Ml.id.]. -ambêbesani, zich met iemand vermaagschappen door zijn kind met een kind van den ander te laten trouwen. -bêbesanan, door het doen trouwen van kinderen met een ander of met elkander in de betrekking van Bésan staan.

bosên : K.N. walgen, een walg of tegenzin hebben, zich vervelen [Sd.id.Ml. bosan of busang] ]. -ambosêni, een tegenzin te [...] brengen. -ambosênake, N., -kên, K., doen walgen; walgelijk, vervelend, onverdraaglijk.

bisana : Kw. vreeslijk, schrikbarend, vervaarlijk, [vervaar...]

--- 703 ---

[...lijk,] ijsselijk [= kagila-gila, Skr. bhîsana].

busana : Kw. K.N. dos, prachtig gewaad [= panganggo, en sêsandhangan, Skr. bhoêsana, versiering, versiersel]. busananing pêrang, oorlogsdos, oorlogsgewaad. abusana, gedoscht zijn. -ambusanani, iemand dosschen, uitdosschen, opschikken. kabusanan, gedoscht, opgeschikt.

bisana : Kw. ruim, breed; gestoord, verhinderd [bisana = jêmbar en baribin].

busunônda : Kw. een vlinder; een bijzonder fatsoen van hoed; ook eign. van een tooverhoed [= kêkupu].

basônta : Kw. de maan [= rêmbulan, Skr. bhasanta]; ook naam van een Kawische zangwijze.

basar : z.v.a. basir.

basir : Kw. altoosdurend, eeuwig.

bêsar : Sd.Ml. groot; K.N. naam van de twaalfde maand van het Mohammedaansche jaar, anders dulkijah, genaamd. -bêsaran, naam van een kruid dat tot medicijn gebruikt wordt.

bêsur : I. Kw. met goud bezet, versierd. II. K.N. stout, ondeugend.

bêsèr : Holl. zich bezeeren, de huid schrammen.

busur : naam van een wapen, een soort van boog [= gandhewa, Ml. een boog, halve cirkel, een schietboog].

bèsèr : K.N. het water niet kunnen houden, dikwijls moeten wateren.

basara : zie baswara.

bêsero : Ml. [?] een geheim openbaar maken, verraden.

bêsik : K.N. met een hak den grond schoon maken. -ambêsiki, uittrekken, uitwieden.

bisik : K.N. zachtjes spreken, fluisteren [Ml. gefluister; in het oor fluisteren, influisteren. Vrg. wisik]. abêbisik, iets toefluisteren [= calathu lirih tinampèlkên kuping]. -ambisiki, fluisteren, iemand iets toefluisteren. -bisikan, of bêbisikan, hetgeen men iemand toefluistert; naam; genoemd [= aran]. -brisik, z.v.a. bisik.

busêk : K.N. verward, door elkander. -busêkan, een verwarde hoop, alles door elkander.

busik : K.N. geschramd, geraakt, van de huid, een uitslag op de huid; de roode hond.

busuk : K.N. onwetend, dom, slecht, gemeen; valsch. bêbusuk, zich dom aanstellen. -ambusuki, iemand dom noemen.

besuk : N., benjing, K., de toekomst; toekomstig, in de toekomst, met der tijd, naderhand, namaals; tegen een toekomende tijd; tegen dat [van esuk en enjing]. ing besuk, N., ing benjing, K., in de toekomst, met der tijd. besuk apa, N., benjing punapa, wanneer? besuk ing dina Rêbo, tegen Woensdag. benjing agêng, tegen dat hij groot is. besuk esuk, N., benjing enjing, tegen morgen; morgen ochtend, morgen vroeg, of morgen. kapriye iki dadine besuk, wat moet er in de toekomst van worden besuk manèh, naderhand weêr.

--- 704 ---

bosok : K.N. rot, verrot, bedorven, van vruchten en ander eten; verrotten [Ml. busuk] id. Vrg. boso en basah].

basuki : of bêsuki, Kw. onbeschadigd, welvarend, voorspoedig, gelukkig, heil, welvaart, geluk; ook naam van een distrikt in het Oosten van Java.

biseka : Kw. verfraaid, versierd [= inguparêngga].

baskara : Kw. de zon [= srêngenge, Skr. bhâskara. Vrg. bagaskara, bij bagas]. -kabaskaran, door de zon bestraald [= kasorotan surya].

bêskup : K.N.; ambêskup, wegnemen, in beslag nemen, in beslag houden.

bosak-basik : K.N. verward, ongeregeld [vrg. bosah-basih].

Basudewa : eign. van een Vorst van Madura, den vader van Bålå-déwå, Dewi Koenti en Kresnå.

bêsta : K. [bônda, N.]; ambêsta, een dief of gevangene binden, boeijen, de handen op den rug binden, vleugelen. bêstan of bêbêstan, een gebondene, geboeide, gevleugelde, gevangene.

bêstu : K.N. bepaald, vastgesteld. ambêstu, bepalen, vaststellen. botên kabêstu, onbepaald.

bêsat : z.v.a. mêsat. pating barêsat, zich snel naar alle kanten verspreiden.

bêsut : of bêsot, K.N.; ambêsut of ambêsot, afvegen, schoon maken; zuiveren, louteren, van metaal.

bêsèt : zie busèt.

bêsot : zie bêsut.

busèt : of bêsèt, K.N. afgevild. ambusèt of ambêsèt, de huid afstroopen, villen.

basuta : Kw. worm, made, gewormte [= ulêr].

bêsturu : Kw. onbedachtzaam, onverschillig. -kabêsturon, K.N. onbedachtzaam, onverschillig zijn.

bêstrong : K.N. donderbus.

bêsus : K.N. ijdel, praalzuchtig; vermaak in iets scheppen; pralen, pronken; deftig, statig van een man of de kleeding van een man. -bêsusan of bêbêsusan, deftiglijk, van de kleeding van een man. -bêsusan of bêbêsusan, deftiglijk, van den kleeding van een man. kabêsusan, ijdelheid, pralerij.

bêsa : z.v.a. bêksa.

bêsusu : naam van een zekere aardvrucht.

bêsisik : K.N. vuiligheid aan het lichaam.

baswara : ook basara, Kw. vlammen [= baswara = murub en srêngenge, en basara = murub, Skr. bhâswara, schijnend, stralend; de zon].

bêsil : K.N.; ambêsêli, omkoopen.

bêsalèn : zie busalèn.

busalèn : of bêsalèn, K.N. smederij, smidse. -pabusalèn, hetzelfde.

bêsêp : K.N. snuiven.

basija : Kw. zuiver, rein [= rêsik].

bisaya : Kw. overtreffen, uitmunten; zeer, uitermate [= liwat luwih, Skr. wisâja, een voorwerp der zinnen; een voorwerp van verlangen; waardig voorwerp van bemoeijing. Vrg. wisaya].

basma : Kw. een wrat op de huid.

--- 705 ---

bêsmi : K. [obong, N.] het branden; zich verbranden [= gêsêng, waarschijnlijk Kråmåvorm van het Skr. bhasma, asch]. ambêsmi, branden, verbranden; afbranden; in brand steken. kabêsmi, l.v., en in brand raken. -ambêsmèni, ten aanzien van iemand of iets, b.v. onder iets, iets branden, den brand in iets steken. kabêsmèn, lijden, een verlies lijden door brand; brand hebben; een afgebrande plaats. -ambêsmèkakên, in brand doen raken, brand veroorzaken, doen branden, doen verbranden [van kabêsmi]; voor een ander branden of in brand steken [van ambêsmi]. -pambêsmi, het plaats hebben van ambêsmi.

bisma : eign. van een Panditå aan het hof van Ngastina [Skr. Bhisma].

bêsêm : K.N. vuil, bleek; een bleek gelaat.

bêsmaka : eign. van een Vorst van Koembinå (Soemanap), jongeren broeder van Basoe-Déwå.

bismillahirrahmaniirakhim : [Ar. Bismillaahirrahmaanirrahiim], in den naam van God, den genadigen, den barmhartigen: het gewoon formuliergebed der Mohammedanen bij alles wat zij beginnen.

busung : K.N. gezwollen; een gezwollen buik; waterzucht; een kat die bezet is [Ml. gezwollen, gezwollen van buik; Sd. waterzucht.

bêsêngèk : K.N. toebereide vleeschspijs.

basêngut : K.N.; ambasêngut, een zuur, norsch gezigt; iemand stuursch aanzien [vrg. marêngut].

bawa : 1. K.N. stem, geluid; voorzanger, voorbidder. ambawa, voorgaan in het gebed, voorzingen. -ambawani, voorgaan, vooruitgaan. II. Kw. aard, gëaardheid, inborst; houding, manieren, gedrag; reden, oorzaak; magt [Skr. bhâwa, wijze van zijn, gesteldheid, staat, toestand, natuur; beweging, houding; handeling; bovenmenschelijke magt]. bawane, de reden er van, aangezien, vermits, omdat, dewijl [Sd. bawaning, Ml. bahwa] ]. bawaning jêjaka sêpuh, de geaardheid van een ouden volwassen jongeling of jong gezel. bawa lêksana, zeer gelukkig zijn. bawarasa, de aard van het overleg; zamen overleggen. -wibawa, prabawa, en paribawa, zie boven.

buwi : Holl. boei. -kabuwi, geboeid.

bawah : K.N. onder, onderhoorigheid; gebied [Ml. onder]. sabawah, een wijk. -kabawah, onderhoorig, tot een gebied behooren, afhangen; gebied, grondgebied. -ambawahake, N., -kên, K., onder zich hebben, onder zijn gebied hebben. bawahan, gebied; ook huwelijksfeest, bruiloft. -kabawahan, gebied.

bawuh : Kw. gemakkelijk, ligt [= gampang].

buwuh : z.v.a. wuwuh.

bawon : K.N. het aandeel van de padi voor het snijden. -ambawoni, het aandeel voor het snijden van de padi vragen of nemen.

bawana : zie buwana.

buwana : ook bawana, Kw. de wereld; ook het firmament [= jagad, Skr. bhoewana, een wereld; hemel; en bhawana, een verblijfplaats, plek, woning]. Pakubuwana, de spijker [spij...]

--- 706 ---

[...ker] der wereld: een titel der Vorsten van Soerakarta.

bawani : Kw. een vlieg [= lalêr]. -ambawani, zie bawa, I.

buwanan : K.N. blind, een verzwakt gezigt.

bawur : K.N. verward, verhinderd, ongeregeld, in de war. -blawur, zie beneden.

bawera : K.N. helder, klaar, een ruim gezigt.

bawak : K.N. de steel van een patjoel (hak).

bawuk : K.N. beschimmeld.

buwak : K.N.; ambuwak, wegsmijten; vernietigen [vrg. buwang].

bawat : K.N. praal, pracht; een staatsie-pajoeng, als onderscheidingsteeken van den Vorst, van de echte kinderen van den Vorst en van den Rijksbestierder, een soort van regen- of zonnescherm van de bladen van den talboom gemaakt. Die van den Vorst en van den Kroonsprins onderscheidt zich door een glazen knop aan het boveneinde [Sd. payung bawat, een koninklijke zonnescherm. amangku bawat, een hoogen rang bezitten.

bawol : Kw. geven; gift [= awèh].

bawang : K.N. witte uijen, ajuin, knoflook [Sd.Ml.id. Vrg. brambang]. sabawang sumilir, een weinig.

buwang : N., bucal, K., wegwerping, uitwerping; weggeworpen, gebannen [Ml.id.Vrg. guwang, ambuwang, N., ambucal, K., wegwerpen, weggooijen; bannen, verbannen; verwerpen; afschaffen. ambuwang dhadhu, N., ambucal dhadhu, K., de dobbelsteenen werpen, dobbelen. ambucal sêrat, een brief verzenden. ambucal pisaid, eenig geld geven als bewijs van aangifte van een zaak. binucal kajèn, eerloos. ambucal tatakrama, de beleefdheid uit het oog verliezen. ambuwangi, N. ambucali, K., meervoud. -buwangan, N., bucalan, K., iets dat weggeworpen is; uitschot. bocah buwangan, een weggeworpen kind, vondeling. -pambuwangan, N., pambucalan, K., ballingschap.

buwêng : K.N. holrond, iets dat hol en rond is.

bal : zie bij gêdibal.

bêl : K.N. ontvlambaar, ligt vuur vatten.

bol : z.v.a. êbol, ook benaming van een soort van Djamboe.

bala : K.N. volk, onderdanen, troepen, krijgsbende, leger [Ml.id., Skr. bala, sterk, sterkte, legermagt, leger]; ook benaming van een soort van Mangga. wadyabala, gewapende magt. rajabala, Vorsten die onderdanen zijn. abala ratu, een leger van Vorsten hebben. balagana, troepen die in de lucht strijden. balakuswa, het geheele leger. baladewa, eign. van een Vorst van Madura, ouderen broeder van Kresnå en Sembådrå [Skr. Baladéwa]. -ambalani, van troepen voorzien.

bali : N. [wangsul, K.] I. keeren, omkeeren, terugkeeren; teruggekeerd, omgekeerd; terug; teruggegeven worden [Ml.id.Vrg. wali, en balik]. anggawa bali, wederbrengen, terugbrengen. -ambalèni, naar of tot iets terugkeeren; terugzenden, terug drijven, de wijk doen nemen. -ambalèkake, iets terugzenden, terug brengen, teruggeven,

--- 707 ---

terug doen keeren; verdrijven, uitsluiten. -bola-bali, gedurig terugkeeren, gedurig heên en weêr gaan; hervatten. -ambolan-balèni, iets gedurig hervatten. II. naam van een eiland beoosten Java. jêruk bali, zie jêruk.

bale : K.N. een lig- of zitplaats van bamboe gemaakt, het voornaamste meuble in een Javaansch huis; ook een zitplaats om bij gelegenheid te gebruiken, zoo als een paviljoen of galerij [Ml.id. Vrg. bangsal]. sabale griya, huis en inboedel, huis en have. balemangu, zie mangu, bale bang, naam van een gebouw op de Sitinggil van de Kraton te Soerakarta. bale kêncur, naam van een plaats achter een tempel, waar men overnachten kan. bale sawo, naam van een zitplaats.

bêlo : K.N. het jong van een paard of ezel, veulen [Sd.id.].

bulu : naam van een boom. -bulu-bulu, K.N. een vederbos [vrg. wulu, I.].

bule : K.N. wit van vel, blank; ook een uitslag op de huid.

bela : I. K.N. mede sterven [= milu mati, [Ml.id.]. Zoo mati bela of bela mati, -ambelani, met iemand mede sterven, iemand in den dood volgen. ambelani prihatin, deelnemen in iemands droefheid. -ambelakake, N., -kên, K., iemand met een ander doen of laten sterven, hem in den dood doen of laten volgen. -pabelan, de plaats waar zich iemand voor een afgestorvene ten doode wijdt. II. Kw. anders, verschillend, verkeerd [Skr. bhêla, onverstandig, dwaas]. abela, iets verkeerd doen. abela tômpa, iets verkeerd verstaan.

bolu : K.N. de punt van een kokosnoot; ook naam van een soort van gebak.

baluh : gew. bêbaluh, K.N. aanhang. -ambaluhi of ambêbaluhi, iemand aanhangen, met iemand meêdoen, partij maken of zamenspannen in een strijd; tot den vijand overgaan, overloopen.

bêlah : Kw. K.N. gespleten; splijten, barsten; spleet, barst [Sd.Ml.id.Vrg. bêdhah]; K.N. half, helft, een schoof, nam. een halve gèdhèng, sabêlah, de éénr helft; een schoof, bos; ook een vadem. Achter telwoorden wordt bêlah, zoo gebruikt, dat er atus, honderd, bij verstaan wordt; b.v. karo bêlah, anderhalf honderd. katiga bêlah, derdehalf honderd. kalih bêlah èwu, anderhalf duizend. bêlahini, de moedermond; den bijslaap uitoefenen [Vrg. margaina, bij ina]. -ambêlahi, de padi in schoven binden van een halve gèdhèng, ook vademen, omvademen. -ambêlahake, N., -kên, K., doen splijten of barsten. -pambêlah, roeijer; matroos, zeeman [vrg. wêlah, 2.].

bêlèh : I. Temb. Pas. neen, niet. II. grondvorm van ambêlèh, Zoo geb. wijs: bêlèhên, slagt het.

bilih : K. [mênèk, N.; ook mênawa, N., mênawi, K., yèn, K.N.] misschien, welligt; ingeval, bijaldien, indien, mits; dat.

--- 708 ---

bulah : K.N. anders, verschillend; indien, bijaldien.

bolèh : gew. bêbolèh, K.N. raadgeving; opstoking. -ambolèhi of ambêbolèhi, iemand op een zachte en voorzigtige wijze raad geven; iemand opstoken.

bilai : K.N. bezoeking, plaag, ongeluk, onheil, tegenspoed, ramp; gevaar; ongelukkig [waarschijnlijk het Ar. balaa], dat hetzelfde beteekent; Ml.id.]. nêmu bilai, N., manggih bilai, K., onheil ondervinden; verongelukken. -ambilaèni, iemand ongelukkig maken, schaden; verderflijk, schadelijk.

blaeran : K.N. vomeren, overgeven, braken; vomatief.

bala upata : of balapata, eign. van een deurwachter van het paleis van Batårå-Goeroe.

bulan : Sd.Ml. maan; maand [Jav. wulan en rêmbulan]. abis bulan, het einde van de maand: een Maleische uitdrukking.

blênik : z.v.a. balênik.

balênik : K.N. een weinig, een klein gedeelte van iets. -balênikan, bij kleine deelen, uittreksels van een geheel. sêrat balênikan, een boek dat uittreksels uit andere geschriften bevat, Chrestomathie.

blunat : K.N. ondeugend, zedeloos; wederspannig, hardnekkig, halsstarrig; wangedrag, ondeugd. -blunatan, vol ondeugende streken, een deugniet.

blandar : z.v.a. balandar.

balandar : K.N. een lange doorloopende dwarsbalk, de balk waarop het voorste of onderste gedeelte van het dak rust, de gording van een dak; ook een buffel, die een anderen naloopt. -blandaran, naar een blandar gelijken, iets dat zeer lang is.

balondrokakên : K.N. verleiden, verlokken, misleiden, in het net brengen.

balêndok : of blêndok, K.N. gom, hars van een boom, die tot medicijn gebruikt wordt.

balênto : K.N. onecht, valsch.

Balontên : zie Balora.

bêlantik : of blantik, K.N. iemand die voor anderen in commissie verkoopt, een makelaar [Ml. het houtje waarmeê een strik of val gespannen wordt].

blêntang-blêntèng : K.N. afwijkend, verschillend; een vlek.

blondho : K.N. oliekoek van klapper bereid.

blêndhêr : K.N. zwaarlijvig, dik.

blandhong : K.N. een houtwerker, timmerman. -blandhongan, een bewerkt stuk hout; ook onbeleefd, ongemanierd.

blônja : of bêlônja, K.N. kosten, onkosten, uitgaven; loon, werkloon, dagloon, soldij; bezoldiging [Ml.id., Sd. balanya]. mêdalakên balônja, onkosten maken. -amblanjani, iemand bezoldigen, zijn loon geven, tractement betalen. -bêlanjan, soldij trekkend.

blenjani : K.N. zijn belofte verbreken, trouwloos handelen, teleurstellen.

blonyo : zie bonyo.

balênyik : benaming van een soort van Mangga.

blacan : K.N. een beest dat zijn gewone hoogte niet bereikt, dat klein blijft, een dwerg.

--- 709 ---

balur : K.N. striem [vrg. bilur]. balur-balur, met striemen bedekt, geheel gewond zijn; schrabben.

bêlêr : K.N. stout, ondeugend, dartel. anak bêlêr, een ondeugend kind.

bilur : z.v.a. balur en bilur-bilur, z.v.a. balur-balur, -ambilurake, N., -kên, K., striemen slaan.

bolor : K.N. bedorven, vergaan (van spijzen). -bolorên, geheel bedorven zijn.

balere : K.N. met de oogen spelen, eene wellustige vrouw.

Balora : N., Balontên, naam van een plaats en distrikt op Java.

blarak : K.N. een kokosblad; ook zich als een gek kleeden.

blorok : K.N. bont, van gevederte, bonte vederen hebben.

balêrêt : of blêrêt, K.N. glimmen.

balurti : verkorting van baluwarti.

blarutan : K.N. verwoesting, verdelging.

balêrêng : K.N. schitterend, verblindend. -ambalêrêngi, de oogen verblinden, een grooten glans verspreiden. -kablêrêngên, verblind worden. -balêrêngên, hetzelfde.

blorong-blorong : K.N. zwart en wit, bont.

blarongan : K.N. iets dat een stank van zich geeft.

balik : K.N. omgekeerd, teruggekeerd; omgekeerd, integendeel [Sd.Ml. keeren, wenden, draaijen, zwenken, omkeeren, omdraaijen, terugkeeren. Vrg. walik, wali, bali, en biluk]. ambalik, omkeeren, een andere gedaante aannemen; tot een ander overgaan, een anderen heer gaan dienen. kabalik, omgekeerd. bolak-balik, ook borak-barik, in groote wanorde zijn, alles het onderste boven gekeerd.

balok : Holl. balk, balken.

bêlêk : K.N. menigte, hoop, drom, velen [vrg. bêblêg]. abêlêk, in menigte.

bêlik : K.N. schateren, hard lachen. bêlik-bêlik, aanhoudend schateren. -bêbêlik, een waterput aan den oever van een rivier.

bêluk : K.N. I. dikke rook, walm. II. toeroepen, toeschreeuwen. bêlak-bêluk, iemand toeschreeuwen. III. naam van een vogel, de steenarend.

bêlèk : K.N. kerf. ambêlèk, kerven. -bêlekan, opening.

bêlok : Holl. K.N. blok; een houten machine waarin de voeten van een gevangene gezet worden. ambêlok, de voeten, of iemand, in een blok zetten. -bêlokan, de plaats waar zich zulk een blok bevindt, gevangenis, arrest; ook een leest. -pambêlok, het plaats hebben van ambêlok.

bilik : Kw. K.N. afscheiding, afscheidsel, beslotene ruimte; graad, van rangen [Ml. vertrek, kamer]. bilik-bilik, naar mate van.

biluk : K.N. omzwaaijen [vrg. balik].

bulak : K.N. vlakte, vlak veld tusschen twee dorpen.

bèlèk : K.N. dikke, gezwollene oogen, eene oogziekte. -bèlèkên, zeere oogen hebben.

--- 710 ---

balaka : of bêlaka, K.N. rondborstig, openhartig, onbewimpeld, regt voor de vuist, zonder omwegen [Ml. al te gader, geheel en al, geheel. Vrg. wêlaka, Skr. bâlaka, een kind, een dwaas. balakane, ronduit gesproken. -ambalakani, iemand iets onbewimpeld zeggen, ronduit verklaren, openbaren. -ambalakake, N., -kên, K., iets onbewimpeld zeggen, ronduit verklaren of openbaren aan iemand.

bêlukekan : K.N. moeite doen om over te geven.

blêkithi : Kw. mier [= sêmut].

blêkathêk : K.N. morsig, vuil.

blêkthuthur : naam van een soort van booze geesten.

balud : of balut, K.N. gezwollene oogen [balut = mripat kang bêngêp, Ml. gezwollen oogen, nam. door schreijen]. balud-balud, zeer dik gezwollene oogen.

blodir : Holl. borduren. kablodir, geborduurd. -blodiran, borduursel.

baludru : K.N. fluweel [Sd. biludru, Ml. beludru beludu], Port. veludo].

baluduk : K.N. overstroomen, overvloeijen.

baladan : K.N. verpligte heerendiensten.

balêdig : K.N. vervolgen.

balêdug : of blêdug, K.N. stof dat stuift, wolk van stof; stuiven, zich naar alle kanten verspreiden; ook het jong van een olifant. -malêdug, gelijk stof worden.

baludag : of bludag, K.N. overstroomen, overvloeijen; overkoken, overvloed hebben.

balut : zie balud.

belot : K.N. 1. vuiligheid aan het lichaam; 2. wederspannig, wederbarstig, onwillig [vrg. bonglot]. ambelot, zich verzetten, wederstreven.

balitung : naam van een soort van ijzer, staafijzer. raja blitu, benaming van een soort van Pisang.

blas : Kw. onzigtbaar worden, verdwijnen [= gêlis lunga]. -bablas, K.N. door iets heengedrongen of doorgegaan zijn, b.v. door de lucht, door water, door een gedrang, of door een vast lichaam; regtstreeks.

blês : zie bêlês.

bêlas : zie wêlas, II.

bêlês : of blês, K.N. in den grond gezonken, verzonken. êblês, ambêlês, of amblês, zinken, in den grond zinken, verzinken.

bilas : K.N. rein, zuiver [Ml. overspoelen, b.v. het lichaam, als men zich gebaad heeft]. -pambilasan, een middel tot zuivering.

bulus : K.N. een zwarte rivier-schildpad [Ml.id.]. abêbulus, naar een Boeloes gelijken.

bèlès : K.N. zeere oogen, oogziekte [Ml. bilas] ].

bolos : K.N.; ambolos, zich heimelijk wegmaken, stilletjes heêngaan [vrg. los].

bêlasah : K.N.; ambêlasah, in menigte op de grond verspreid liggen, meestal van kleine voorwerpen, b.v. van bloemen [vrg. gêlasah, waarschijnlijk van basah].

balasar : bêlasar of blasar, K.N. omdolen, omzwerven; [om...]

--- 711 ---

[...zwerven;] ondeugend, koppig; een losbol. ambêlasar, uitspatten.

balêsar : K.N. verspreid, verstrooid. pating balêsar, overal verspreid of verstrooid.

bêlasar : zie balasar.

blusuk : K.N. in de modder blijven steken. -amblusukake, N., -kên, K., iemand in de modder duwen. -blusak-bêlusuk, onbeschoft, ongemanierd.

balasakan : K.N. zijn eigen weg gaan; ook naam van een muziekinstrument.

bêlusak-bêlusuk : zie blusuk.

balewah : K.N. een niet geheel aan elkander sluitende metalen krisschede, zoodat op nagenoeg een duim breed van onderen af tot aan boven toe de houten schede door het metalen overtreksel heen te zien blijft. -blewahan, benaming van die soort van metalen krisscheden, in tegenoverstelling van bunton.

bêlawah : K.N. zeer rijk zijn.

balawanan : K.N. elkander tegenspreken [van lawan].

blawur : K.N. niet duidelijk zien; ook schimmel [vrg. bawur, en baluwus].

bliwur : K.N. mistellen; in de war zijn [vrg. bliwur].

baluwarti : K.N. een met geschut bezette muur, een emmuurde plaats, fort; vesting [Het is het Port. baluarte, boulevard, bolwerk Ml.id.].

blowokan : zie gowok.

buluwus : bêluwus of bluwus, K.N. schimmel; beschimmeld; bemorst, afgedragen, versleten; liederlijk [vrg. blawur].

blawong : kyai blawong, zie bij bêrkat.

blalo : K.N. zijn eigen zin volgen.

blilu : zie balilu.

balila : Kw. K.N. afval; afvallig worden, oproer maken, in opstand komen, wederspannig zijn [= sèdhèng].

balilu : of blilu, K.N., ook wel blilêt, K., dom, bot, onwetend, onervaren, onnoozel, mal; valsch, slecht [vrg. bodho]. ambalilu, iemand voor dom houden, een rad voor de oogen draaijen. iets wijs maken, verschalken.

balela : z.v.a. balila.

blolok : z.v.a. balolok.

bêlalak : K.N. groote heldere oogen hebben.

balolok : K.N. verbijsterd, verblind. balolokên, verbijsteren; met opene oogen niet zien.

bêluluk : K.N. een jonge kokosnoot.

blilêt : zie balilu.

balelumur : Kw. een kar met vier wielen.

bilulungan : K.N. een verwarde vlugt [Waarschijnlijk moet het woord bilulungan, geschreven worden, van lêlungan, van lunga, met het voorzetsel bi, in plaats van wi, zie bij wi, I.]. abilulungan, verward de vlugt nemen.

bulupêkti : zie bulubêkti.

balapata : zie bala upata.

bulupêti : z.v.a. bulupêkti, zie bulubêkti.

balap : Sd., balapan, K.N. wedren, wedloop. ênggon balapan, N., ênggèn balapan, K., loopbaan. -bêbalapan.

--- 712 ---

met een ander of met elkander om het hardst loopen.

blêdhèh : K.N. laf, smakeloos.

bladhêr : K.N. slijk, modder.

balêdhag : of blêdhag, K.N. een opening of scheur in den grond. ambalêdhag, zich openen (van den grond).

balêdhèg : of blêdhèg, K.N. bliksem.

balêdhog : K.N. het knappen van hout dat brandt.

blojod : K.N.; amblojod, naakt, ontbloot. -amblojodi, ontblooten, iemand naakt uitkleeden.

balêjêd : ambalêjêd, z.v.a. blojod, amblojod.

baliyur : en baliyut, K.N. vakerig; slaperig zijn. ambaliyur, in den slaap vallen.

baliyar-baliyar : onduidelijk zien.

baliyut : zie baliyur.

blayang : of bêlayang, K.N. lanterfanten, rondslenteren, op verkeerde wegen gaan [van layang]. -blayangan, een landlooper, schooijer.

blêmbing : K.N. een lans werpen [van lêmbing].

balimbing : K.N. naam van een boomvrucht [Ml.id.].

balumbang : K.N. een kom, vijver. -balumbangan, de plaats waar zich een vijver bevindt; een badplaats.

blambangan : naam van een distrikt in het Oosten van Java.

blêg : K.N. door en door, geheel en al, uit een stuk. masblêg, massief goud, geheel van goud. -ngêblêgi, volkomen gelijk zijn.

balèg : K.N. bekwaam, geschikt, bedreven [= kang wus diwasa, [Ar.Ml. baaligh], die iets bereikt heeft; volwassen, meerderjarig]. akil balèg, zie akil.

baligo : of bligo, K.N. kauwoerde, kalabas.

balega : Kw. een zit plaats van een vorst [zamengesteld uit bale, en ga, I.

blêgdaba : K.N. water met modder of aarde vermengd, slijk; een muilezel, muildier [In deze laatste beteekenis is het zamengesteld uit blêg, verbastering van het [Ar. bighal], muilezel, en daabbah], beest, rijbeest].

blêgudhêg : K.N. een geregt van kokosnoten, bloemen en kippevleesch. -amblêgudhêg, Blegoedeg maken.

bêlaba : K.N. mild, milddadig [Sd. balaba, verkwisting, overdaad].

balabar : of bêlabar, K.N. I. voorschrift, voorbeeld, model. II. iemand geregtelijk ten dood brengen, executeren. III. overvloeijing, overstrooming, overloop, van vloeibare stoffen. -ambalabar, overstroomen, de grens overschrijden, zich uitbreiden. -ambalabari, iets overstroomen, over iets heen stroomen. IV. los zamen naaijen. V. naam van een fatsoen van krissen.

balêbêr : K.N. een klank nabootsend woord van het geluid der vlerken van vliegende vogels; het vliegen van vogels; de vlugt of het her- en derwaarts loopen van een menigte menschen. Zoo met het

--- 713 ---

voorzetsel pating, [Het is de frequentative vorm van bêbêr, gevormd van den grondvorm bêr, (= bur) waarvan de verlengde vorm ibêr, is].

balèbèr : zie bèbèr.

bêlabur : K.N. een overvloed van spijzen; ook benaming van een soort van Mangga [Ml. voorraad, rantsoen]. -kablaburan, overvloedig van spijzen voorzien zijn.

bêlobor : balobor, of blobor, K.N. papier dat vloeit. ambalobor, vloeijen, van papier.

balabak : naam van één der zangwijzen, die Tengahan genoemd worden.

blèbèk : K.N. doorsnijding; doorgraving; het doorgraven of doorsteken van een dam of dijk; valschheid, bedrog. -blebekan, blok; plank; een staaf ijzer.

balêbêk : K.N. door het water gaan [vrg. palêbêk].

balibuk : K.N. zich voor iemand uitgeven.

blubukan : zie bubuk.

bulubêkti : ook bulupêkti, K.N. schatting opbrengen, schatpligtig zijn; schatpligtig [bulupêkti = pajêg].

blubud : K.N. smaad, hoon.

balêbêt : zie bêbêd.

blêbês : K.N. een maatstok; ook rondsnuffelen, doorsnuffelen [vrg. bêbês].

bola-bali : zie bali.

blêbêg : K.N. stroomen, vloeijen. blêbêg balêbêg, aanhoudend stroomen, gedurig opborrelen. -amblêbêgi, een ruischend geweld maken.

bêlabag : K.N. plank, bord [waarschijnlijk van babag].

blêthok : of balêthok, K.N. modder, slijk, leem, drek. -balêthokan, een modderachtige plaats, modderpoel.

blithuk : K.N. verschalkt, misleid, bedrogen. ambalithuk, verschalken, misleiden, bedriegen; konkelen; valsch.

balang : K.N. worp, steenworp; het werpen. ambalang, werpen, gooijen, smijten. ambalangi, naar iemand werpen. ambalangi watu, iemand met steenen werpen, steenigen. kabalangan watu, gesteenigd. -ambalangake, N., -kên, K., iets tot werpen bezigen, met iets werpen. -balangan of bêbalangan, over en weêr werpen, elkander werpen. -pambalang, het plaats hebben van ambalang, sapambalang, een werp ver.

balung : K.N. [of N., tosan, K.] been, beenderen. balang balung, beenderen, gebeente. ambalung, als beenderen zijn. -balungan of bêbalungan, geraamte, het voornaamste houtwerk bij het bouwen, schets, hoofdtrekken, hoofdinhoud van een werk.

bêlang : K.N. gevlekt, bont (zooals b.v. een hond); vlek, likteeken [Ml.id.]. bêlang têlu, bont met drie kleuren. dina bêlang, een bonte dag, d.i. een dag die van andere dagen verschilt.

bêling : K.N. 1. scherf, een afgebroken stuk; 2. porcelein; een porceleinen schotel.

bolèng : K.N. een vrucht waaraan gegeten of waarin gebeten is.

bolong : K.N. een gat; een gat maken; het

--- 714 ---

hart verblijden, verheugen [Ml. een boom of balk in de lengte doorboren, zooals men een pomp doet]. -bolongan, opening, gat, holte; hol. bolongan pêga, schoorsteen.

balengah : z.v.a. balingah.

balingah : en gew. balingah-balingah, poezelig, mollig, met een licht bruine huid en groote schoone oogen; in alle opzigten schoon en welgemaakt.

balinguh : 1. z.v.a. balingah, 2. balinguh-balinguh, of balingah-balinguh, K.N. het hoofd gedurig links en regts draaijen, wild om zich heên zien [vrg. palinguk, bij pinguk].

blingêr : K.N.; amblingêr, doen dwalen, om den tuin leiden. kablingêr, dwalen, zich bedriegen (eig. verdraaid).

balêngkêr : zie bêngkêr.

balengkrah : zie balingkrah.

balingkrah : of balengkrah, K.N. het onderste boven, verward, in de war liggen. ting balingkrah, alles onderste boven, in wanorde en ongeregeld. -ambalingkrah, onderste boven keeren, bij het zoeken alles omhalen. -ambalingkrahi, meervoud.

balèngkèt : K.N. aan elkander kleven [van lèngkèt].

balongsong : of blongsong, K.N. overtrek, van metalen [Ml.id.].

balênggu : K.N. handboei [Ml. boei].

bolang-bolang : K.N. uit alle kleuren zamengesteld.

bapa : I. Kw. goud. II. bapa en bapak, K.N. [rama, K.h.] vader; ook als vereerende titel [Sd.Ml. bapa, id.]. Zoo noemt de Soesoehoenan den Resident van Soerakarta bapa, terwijl hij den Gouverneur-Generaal als eyang, betitelt. Ook bij verkorting pak, in vele eigennamen van Javanen van geringe klasse, die veelal naar den naam van hun eerste kind genoemd worden; b.v. pak kasiman, d.i. de vader van Kasiman. Wiratrunaka aran anak Pak Dhoyok. Wirå-troenå, genaamd naar zijn kind Pak-Dòjok. bapakku, of bapak aku, N., bapak kula, K., mijn vader. bapakne, zijn vader. sadulur lanang têka bapa, broeders van (denzelfden) vader. bapa angkat, voogd. -kabapan, tot vader gemaakt. een vader gelijken.

bapak : zie bapa.

bupati : K.N. ook wel bupatos, K., heer, landdrost; bepaaldelijk titel van een Regent op Java [Skr. bhoêpati, vorst; zamengesteld uit bhoê, aarde, en pati (pati), heer]. sri bupati, vorst. -kabupatèn, regentschap.

bupatos : zie bupati.

bapang : K.N. uitgestrekte armen; ook benaming van een bijzonder fatsoen van oorkrabben, en van een Wajangspel. ambapang, de armen uitstrekken. arit bapang, een groote Arit.

baping : K.N. groote lange ooren hebben.

bopong : K.N. valkkleur, van een paard, namelijk geel met zwarte manen en staart. jaran bopong, een valkpaard. -ambopong, op de armen dragen. -ambopongi, iemand of iets op de armen dragen, b.v. de bruidegom zijn bruid. -bopongan, [-...]

--- 715 ---

[...bopongan,] hetgeen op de armen gedragen wordt.

badhe : K. [bakal, N.] willen, verlangen, begeeren; willen, zullen of gaan doen; iets zullen worden; toekomend; de stof of hetgeen waaruit iets gemaakt zal worden, b.v. het laken, waaruit een kleedingstuk, of het hout, waaruit een tafel gemaakt zal worden. kula badhe sumêrêp, ik verlang (ben begeerig) te weten. -ambadhe, K.N. voorspellen, waarzeggen; raden. -ambadhèni, iets voorspellen, een voorspelling doen. -pambadhe, voorspelling, oplossing van een raadsel.

bêdho : K.N. niet plaats hebben, niet geschieden, niet doorgaan.

bidho : naam van een vogel met grijze vederen.

bodho : N. [of K.N., zie borong] onwetend, onervaren, onnoozel, dom, bot [Ml.id.]. môngsa bodhoa, gij zult (of hij zal) wel niet onnoozel zijn, het wel begrijpen; ik laat het aan uw (of zijn) kennis, oordeel of inzigt over. -ambêbodhokake, iets geheel aan iemands beleid of inzigt overlaten, toevertrouwen, aanbevelen.

bêdhah : K.N. scheur, snede, bres; gescheurd, doorgesneden, doorgebroken; bemagtigd; ingenomen (van de muren van een stad), overwonnen; het scheuren, enz. [Ml. gescheurd, b.v. van kleêren; gebroken, b.v. van een dam. Vrg. bêlah]. ananggêl bêdhahing bêbêd, gêmpaling warôngka, instaan voor het scheuren van het kleed en het breken van de krisscheê: een spreekmanier bij het geven van de verzekering door een Goenoeng aan een gedaagde, dien hij aan het geregt moet uitleveren, dat hem niet het minste leed zal geschieden. ambêdhah, eene scheur maken, doorbreken, openbreken, bresschieten; bemagtigen, innemen, overwinnen. -ambêbêdhahi, een snede of scheur in iets maken; een kleed snijden, van een kleermaker. -pambêdhah, het plaats hebben van ambêdhah.

badhar : K.N. van een voornemen teruggebragt, teleurgesteld.

badhèr : naam van een riviervisch.

bedhor : K.N. de punt van een pijl.

badhak : K.N. een waaijer van paauwvederen. Twee zulke kêbut badhak, behooren tot de onderscheidingsteekenen van den Vorst, van de echte kinderen van den Vorst en van den Rijksbestierder. Ook worden somtijds twee zulke waaijers door twee personen achter den bruidegom bij zijn statelijke optogt gehouden.

badhik : een soort van messen [vrg. bodhik].

budhak : Sd.Ml. een jonge of meisje; een bediende, huisjonge, huismeid; K.N. een slaaf of slavin [zoo ook in het Sd. en Ml.].

budhuk : K.N. dik gezwollen [Sd. met rooven, vol rooven; schurft, uitslag; Ml. de ergste graad van de Lazarus-ziekte. Vrg. budhug].

bodhik : K.N. een lang krom mes of sikkel. ambodhik, met zulk een sikkel snijden, afmaaijen.

badhut : K.N. grappig (in het gedrag); snaak, grappemaker; grappen maken. -badhutan, grap, pots.

--- 716 ---

badhot : Kw. geneesmeester, geneesvrouw, vroedvrouw. -ambadhoti, iemand geneeskundig behandelen, medicijnen ingeven, genezen [= dhêdhukun].

bêdhati : z.v.a. pêdhati.

bêdhès : Kw. aap; ook een scheldwoord, uitroep van kwaadheid [sêbute wong pagêlèn].

badhawangan : K.N. een soort van groote schildpadden [z.v.a. padhawangan].

bêdhal : K.N. zich door niets in den loop laten ophouden, doorgaan, het op hol gaan van een paard.

bêdhêl : K.N. uitrafelen; vermolmd, vergaan, voos.

bêdhil : I. N. [sanjata, K.] geweer, schietgeweer, vuurroer, snaphaan [Sd.Ml.id.Vrg. dhil]. ambêdhil, met een geweer schieten, met bepaald voorwerp. ambêbêdhil, met een geweer schieten, met onbepaald voorwerp; jagen. ambêdhil-bêdhil, aanhoudend schieten. bêdhil-binêdhil, op elkander schieten. -ambêdhili, met een geweer beschieten. -bêdhilan, met een ander of met elkander, ook tegen of op elkander, met het geweer schieten. -pambêdhil, het plaats hebben van ambêdhil, ook iemand die met een geweer schiet, schutter; de afstand van een geweerschot, met het voorzetsel sa, of een telwoord er vóór. -pabêdhil, de afstand van een geweerschot [waarschijnlijk een spelfout voor pambêdhil]. II. K.N. een om zich vretend zweer, kanker, melaatschheid; melaatsch. -bêdhilên, verzweren, kankerachtig, aan den kanker lijden.

bêdhèl : K.N.; ambêdhèl, den buik scheuren, openscheuren, opensnijden. -ambêdhèli, iets openscheuren, opensnijden.

bêdhol : K.N.; ambêdhol, uittrekken; uit den grond rukken, oprukken, opbreken, een plaats verlaten, zich weg begeven. -ambêdholi, meervoud; fnuiken, kortwieken. -bêdholan, hetgeen men uit den grond trekt; een plantje dat met de wortels uit den grond getrokken is.

bidhal : I. K. of K.h. [bodhol, budhal en angkat, K.N.] vertrek; vertrekken, op reis gaan, op marsch gaan. -ambidhalake, of -kên, laten op marsch gaan. -bidhalan, met een ander of met elkander vertrekken, op reis gaan. II. K., zie bodhol, I.

budhal : zie bodhol, II.

bodhol : I. N., bidhal, K.; uitvallen, van het haar; ruijen. II. bodhol of budhal, K.N. vertrekken, op reis gaan, op marsch gaan; uittrekken, uithalen, losmaken [vrg. bidhal, I.]. -ambudalake, N., -kên, K., laten vertrekken, op mars gaan. -budhalan of bêbudhalan, met een ander of met elkander vertrekken.

bêdhêdhêg : zie bêdhudhug.

bêdhudhag : K.N. 1. z.v.a. bêdhudhag, 2. [...] zeer giftige slang, adder.

bêdhudhug : en bêdhêdhêg, K.N. opgeblazen, opgezwollen, een dikke, opgezwollene buik; trotsch, hoogmoedig [vrg. budhug].

--- 717 ---

bêdhidhing : K.N. fel koud, felle koude; winter.

badhaya : of bêdhaya, K.N. choor of ballet van negen danseressen van den vorst, wier dans met de Gamellan en gezang begeleid wordt. [vrg. sarimpi]. De Prinsen en Regenten hebben Badåjå's, die uit zeven meisjes bestaan.

bêdhiyan : zie bêdhiyang.

bêdhiyang : of bêdhiyan, K.N. een vuur waarbij men zich warmt [Ml. bajing] (badjing of badjang) zich warmen bij een vuur]. -bêdhiyangan, de plaats waar een vuur is, waarbij men zich warmt. -bêbêdhiyan, zich verwarmen bij een vuur.

bêdhama : I. naam van een wapen der Boetå's [gêgamaning buta]. II. N., bêdhami, K., vrede; vrede maken [= wawuh].

bêdhamwa : z.v.a. badhama weya.

badhama weya : Kw. iets op zijn gemak verrigten [= ngenak-enak].

badhèg : K.N. naam van een sterken drank, die uit Ketan bereid wordt. -bêbadhegan, met een ander of met elkander Badeg drinken; een gezelschap van dronkaards.

badhog : K.N. gulzig eten, naar binnen slikken, vreten.

bêdhag : K.N.; ambêdhag of ambêbêdhag, jagt maken; jagen. -bêdhagan, jagt.

bêdhêg : K.N. het vergaan van vleesch.

bêdhug : K.N. een groote zware trom, waarop een priester slaat, om de zes dagelijksche bedestonden aan te kondigen, en bij andere gelegenheden [Ml. bedug] . Vrg. dhug]. wayah bêdhug, beteekent bepaaldelijk middag, twaalf uur des middags, of middernacht.

bêdhog : K.N. iets dat zich buiten iemand's woning bevindt wegnemen, bepaaldelijk pluimvee stelen; een meisje ontvoeren, met geweld schaken.

budhêg : K.N. hardhoorig, doof [Sd. stom, sprakeloos]. -ambudhêgake, N., -kên, K., verdooven.

budhug : z.v.a. bêdhudhug, of z.v.a. budhuk.

bêdhiga : Kw. baas, meester, z.v.a. juru en tukang.

badhigasan : K.N. zich verlegen toonen.

badhigal : Kw. ongehoorzaam, wederspannig.

badhong : K.N. borstschild, borstplaat [Ml.id.]; ook een metalen plaat die door jonge meisjes, wanneer zij naakt loopen, ter bedekking van de schaamdeelen gedragen wordt; K.h. [turuk, N., pawadonan, K.] de vrouwelijke schaamdeelen.

bidhung : z.v.a. bedhung.

budhêng : K.N. zwart lood.

bedhang : K.N. overspel. ambedhang, met iemand overspel bedrijven. kang kabedhang, met welke overspel bedreven wordt. -bedhangan of bêbedhangan, een persoon, die met een ander in overspel leeft, of personen die met elkanderen in overspel leven.

bedhung : K.N. verleiden, in verzoeking brengen.

baju : of bajo, Ml. buisje, wanbuis, kamizool. abajo, een kamizool aanhebben, een huisje dragen.

--- 718 ---

bajo : zie baju.

bêja : zie bêgja.

buja : Kw. de bovenarm; sterk, gespierd, magtig [Skr. bhoedja, de arm; de hand. Zie ook boja, I.].

beja : Kw. onderwijzen [= awêwarah, Sd. berigt, tijding; Skr. wêdya, te weten; te onderrigten].

bèji : K.N. waterkom, waterbak, bad- of waschplaats [= pakiwan].

boja : I. z.v.a. buja, [= bau]. Kurawa boja, de sterke, gespierde Koråwås. II., ook bujya, Kw. spijs, voedsel; gastmaal, onthaal [= pangan en pêpanganan, Skr. bhôdjya, eetbaar; spijs]. amboja, onthalen, van spijzen voorzien. bojakrama, onthaal en beleefdheid, beleefd onthaal. kabojakrami, met beleefdheid onthaald. -pamboja, een feestmaal [= dhêdhaharan].

boji : naam van een wapen.

bojo : K.N. [garwa, K.h.] echtgenoot, getrouwde man of vrouw.

bujana : zie bojana.

bojana : of bujana, Kw. een gastmaal [bojana = pista en bujana = sêga iwak, Skr. bhôdjana, voedsel. Vrg. boja, II.]. -ambujanakake, N., -kên, K., iemand onthalen.

bajra : Kw. een sterken wind, storm, orkaan; ook naam van een wapentuig, een soort van knods; en eign. van een Widådari. bajratiksna, naam van een zekere slagorde. jamparing bajra, een windpijl, een pijl, die het vermogen heeft, om alles, wat er door getroffen wordt, weg te voeren.

bêjèr : K.N. een rooden rand om de oogen hebben, een oogziekte.

bijik : z.v.a. bijig.

bujuk : K.N. lokaas [= pangarêpe wong angapusi]. ambujuk, lokken, verlokken, misleiden [Ml. aanlokken, aanhalen, flikflooijen, vleijen, bepraten]. ambêbujuk, op onderscheidene wijzen verleiden, verlokken, bepraten, beguichelen.

bijaksana : zie wicaksana.

bêjad : K.N. losgaan, uit zijn verband raken [vrg. bêjat en bêjata].

bojod : en bujad, K.N. gebroken, bedorven [bujad = rusak pisah-pisah]. -bojodan, gebrokene stukken, puin, wrak. bojodan rata, een gebroken rijtuig.

bujad : zie bojod.

bêjat : K.N. openbreken, doorbreken [waarschijnlijk hetzelfde woord als bêjad].

bêjata : K.N. losgaan, uit elkander gaan.

bajul : K.N. het jong van een kaaiman, krokodil.

bujya : zie boja, II. en z.v.a. buja.

bajag : K.N. zeeroover, zeeschnimer [Ml. bajak en [bajun, Sd. bajo]. ambajag, op [...] rooven.

bijig : K.N. I. met den kop en de horens stooten [vrg. sudhang, en gudag]. ambijig, iemand met den kop en de horens stooten.

--- 719 ---

II. iemand tot een werk uitkiezen.

bijagsana : z.v.a. bijaksana, zie wicaksana.

bajang : K.N. klein van postuur, dwerg. -gumajang, of gêmajang, naar een dwerg gelijken. gêmajang kèwèr, benaming van een kind als het drie jaren oud is.

bajing : K.N. eekhoorn [Sd.Ml.id.]. bajing gêndhu, naam van een bijzondere soort van eekhoorn.

bajong : K.N. met water spuiten, bespatten. bajong tingal, oogjes maken, met de oogen wenken.

bujang : K.N. een drager, lastdrager; een huisbediende [Sd. bujang, en ujang, Ml. bujang], een ongetrouwd persoon, jongman: vrg. wujang].

bujêng : zie buru.

bujung : zie buru.

bujôngga : I. z.v.a. pujôngga, I. [vrg. bêrjôngga]. II. Kw. een groote slang, draak [= ula naga, Skr. bhoedjangga en bhoedjaga, een slang].

baya : I. Kw. gevaarlijk, gevaar [= pakewuh, Ml. bahaya], Skr. bhaja, vreeslijk, dreigend, gevaarlijk]. tan baya = tan pakewuh, baya pakewuh, N., pringgabaya, K., onveilig [pringgabaya = ing pakewuh]. bayaita, (menschen van het gevaar) krijgslieden, soldaten [= prajurit]. nirbaya, benaming van een korps soldaten van den Soesoehoenan. -ambêbayani, K.N. in gevaar brengen, gevaarlijk [= aniwasi]. II. K.N. mogelijk, welligt, misschien, dat [eig. gevaarlijk, gevaar]. baya apa of apa baya, wat mag? wat mag het zijn? III. N. [bajul, K.] kaaiman, krokodil [Sd. buhaya, [Ml. buaya] ]. IV. N., banggi, K. z.v.a. ubaya en ubanggi [waarschijnlijk is de oorspronkelijke beteekenis gevaar, vandaar bedreiging, en dan aanzegging]. -bayawara of ubayawara, K.N. aangifte of kennisgeving van een zaak aan de buren, zooals van iets gevonden of iets verloren te hebben, waarbij men geen menschen kan noemen [zie wara, III]; zulk een aangifte doen. -ambayawarakake, N., -kên, zulk een zaak aangeven aan iemand.

bayi : I. K.N. een pasgeboren kind [= bocah kang lagi mêtu]. jabang bayi, zie jabang, II. Kw. vaststelling, bepaling.

bayu : Kw. een sterken wind; ook eign. van een Déwå [= angin en karosan, [Ml. rukwind; windvlaag; ook eign. van den God der winden; Skr. Wâjoe, wind; ook als Godheid]; K.N. spier; ader; kracht, sterkte, hevigheid; als Tj. Sengk. zes. tanpa bayu, krachteloos, uitgeput of beroofd van krachten; onmagtig; teeder. bayu suta, de zoon van Bajoe, voor: Wrekodårå of Hanoman. bayubajra, een sterke wind [= angin gêdhe]. bayubajra, wind met regen vergezeld [= angin awor udan].

beya : N., banggi, K., onkosten; eijns, tot of belasting van goederen, die op den Pasar verkocht worden; de tol of belasting betalen [Ml.id.; vrg. beyo]. mupu beba, N., mupu banggi, K.,

--- 720 ---

tol of belasting heffen. juru beya, tollenaar. luput beya, tolvrij. beyani, de onkosten betalen, iemand tol of belasting betalen. -ambeyakake, N., -ambanggèkakên, K., veraccijnsen. -pabeyan, plaats waar tol of belasting geheven wordt, tolpoort; ook de zee die de kust bespoelt, het zeestrand. -prabeya, zie boven.

beyo : z.v.a. beya, [Ml. ook beo] ; ook naam van een vogel, een soort van exter [vrg. menco].

boya : (lees: boja) Kw. neen, niet [= ora, en botên, dat er de Kråmåvorm van is. Vrg. boyak].

boyo : K.N. verzwakt van onderdom.

byuha : Kw. slagorde [Skr. wjoêha], vooral in zamenstellingen, zooals mangkara byuha, de slagorde van den kreeft [Skr. makara-wjoêha].

bayan : Kw. het hart.

biyèn : N. [ook mau, N., wau, K.] voorhêen, eertijds, te voren [Sd. biyêh, onlangs, zoo even, straks. Vrg. bingèn]. kalaning biyèn of duk biyèn, in vroegeren tijd, oudtijds. sing biyèn, verleden.

buyan : K.N. gek, dol, dwaas; nar.

bayinat : ook bainat, [Ar. bayyinat], iets dat duidelijk of overtuigend bewijst; bewijsstuk saksi bayinat, een deugdelijke getuige. -kabayinatan, door deugdelijke getuigen gezien of gehoord, of bevestigd.

biyantu : K.N. zamen, vereenigd; overeenkomen. sabiyantu, eenstemmig, eendragtig; zamen-menspannig, bondgenootschap, zamenrotting [= manah kalih dados satunggil]. -ambiyantoni, zich met iemand vereenigen, tot iemands gevoelen overgaan, met iemand zamenspannen; iemand bijstand bieden, hulp zenden, hulptroepen leveren; medepligtig.

byantara : Kw. vóór, in tegenwoordigheid van [= ngarêpan, Skr. abhjantara, midden]. -ngabyantara, in tegenwoordigheid van een meerdere; naar boven [= ing ngarêpan]. -ambyantarakakên, iets in iemands tegenwoordigheid brengen, bekend maken.

biyantara : z.v.a. byantara.

byar : of êbyar, K.N. plotseling, onverwachts verschijnen; de dageraad, het aanbreken van den dag [zie ook êbyar].

byor : z.v.a. abyor.

byur : K.N. gedruisch van water; ook z.v.a. ambyur, in het water springen.

bayar : K.N. betalen [Sd.Ml.id.]. kabayar, betaald worden. -bayaran, betaling. tampa bayaran, kosteloos. -pambayar, betaling.

buyar : K.N. zich naar alle kanten verspreiden, uit elkander stuiven. -ambuyarake, N., -kên, K., naar alle kanten verdrijven.

byak : Kw. wijze, houding, gedrag. -kabyakan, zie boven.

byuk : K.N. in menigte op den grond werpen. ambyuk, zie boven. -ngêbyuk, in menigte een aanval doen. -ngêbyuki, iema[...] in menigte aanvallen.

bayak : K.N. gezamentlijk, tegelijk, op gelijken afstand van elkander, zamen in rijen gaan. bayak-bayak, bij drommen.

--- 721 ---

biyak : K.N.; ambiyak, ontdekken, het deksel wegnemen; een blad van een boek omslaan, een boek openslaan, iets naslaan, nazien, doorbladeren [vrg. wiyak]. -ambiyaki, meervoud.

boyok : K.N. het onderste gedeelte van het ruggebeen, de stuit.

buyuk : K.N. naam van het riet, waaraan de Nipah-bladen groeijen.

boyak : z.v.a. botên, nog te Grissee in gebruik. Vrg. boya.

byakta : Kw. waarlijk, zekerlijk [= nyata en têmên].

biyada : Kw. dienende vrouwen of danseressen in de Soerå-låjå [Het wordt verklaard door wêlanjar].

byat : Kw. I. z.v.a. bot, I. [= abot]. II. K.N. gebruik, gewoonte.

biyêt : K.N. een boom die vele vruchten draagt; veel dragen, met veel belast zijn.

buyut : I. K.N. achterkleinkind en overgrootvader [= anaking putu, Ml.id.; Sd. aki buyut, voorouders]. kaki buyut, N., eyang buyut, K., overgrootvader. satru kabuyutan, doodvijand. II. Kw. een afgodstempel.

byattita : of byattiya, Kw. zwijgen [= nêngên, en tan ucapên].

byattiya : zie byattita

biyas : K.N. bleek, verbleekt; verbleeken, bloozen [Sd. piyas, bleek, flets]. ulat biyas, een bleek gelaat.

biyasa : abiyasa of abyasa, Kw. bedreven, ervaren, gewend of gewoon iets te doen [Ml. biasa], Skr. abbjâsa, oefening, praktijk, het leeren door oefening].

bayawara : zie baya, IV.

bayawangsul : zie bayalali.

bayalali : N., bayawangsul, K., naam van een plaats, 18 palen van Soerakarta, op den weg naar Salatiga.

byapa : Kw. magt, magtig [Skr. wjâpja, doordringbaar; vatbaar voor een eigenschap].

byapaka : Kw. magt uitoefenen [Skr. wjâpaka, zich wijd uitstrekkend].

bayêm : K.N. benaming van een tuingewas, spinazie [Ml.id.]. bayêm lêmah, bayêm raja en bayêm gatêl, namen van kruiden die tot medicijn gebruikt worden.

byung : K.N.; mabyung, in verwarring de vlugt nemen. -mabyungan, in verwarring naar alle kanten de vlugt nemen [= bubar saparan-paran]. -byung-byungan, byung-êbyungan, en byang-êbyangan, een zwerm; verward door elkander.

bayang : K.N. met zijn velen iemand wegvoeren of iemand die niet gaan kon ondersteunen en zoo geleiden; met zijn velen een voorwerp omringen. bayangkari, een bruidegom of een bruid in staatsie vergezellen. binayangkari, l.v. [= baru siniwaka ingadhêp para cèthi]. -bayangan, buit, prooi van een tijger.

biyang : en biyung, K.N. [ook bok of êmbok, K.N., ibu, K.h.]. moeder; ook biyang, een uitroep van smart. biyangane, een scheld of schimpwoord. biyang kulup of biyang thole, [tho...]

--- 722 ---

[...le,] benaming die een man aan zijn vrouw geeft, als deze hem een zoon gebaard heeft. Vele Javaansche vrouwen worden naar den naam van haar eerste kind genoemd; b.v. biyang kasiman of êmbok kasiman, d.i. de moeder van Kasiman.

biyung : zie biyang.

buyung : K.N. een kleine waterkan met een naauwen hals [Ml.id.].

boyong : K.N. verzet, verhuisd, verplaatst; ook naam van een wijze van op de Gamellan te spelen. amboyong, verplaatsen, doen verhuizen, buit maken, gevangen wegvoeren, inzonderheid van een vrouw. -amboyongi, meerv. -boyongan, gevangenen, die weggevoerd worden [Sd. gevangene; gevangenschap].

byung-byungan : zie byung.

byang-êbyangan : zie byung.

byung-êbyungan : zie byung.

bêm : K.N. echo.

bum : Holl. boom, boom van een rijtuig.

bama : Kw. hand; bekwaam, kundig [= tangan, Skr. wâma, linksch].

bima : eign. van den tweeden zoon van Pandoe, anders Wrêkodårå genaamd [Skr. bhîma, id.; ook een naam van Siwa; eig. vreeslijk, verschrikkelijk]; ook naam van een ster [Sd. Bimasakti, het hemelsteeken de melkweg]. Bimasuci, naam van een Kawisch gedicht, behelzende de geschiedenis van Bima, het water des levens zoekende. Bima wicara, eign. van een zoon van Djanåkå.

buma : z.v.a. boma.

bumi : K.N. de aarde, de aardboden; [lêmah, N., siti, K.] grond, bodem, land, landerijen, landstreek, oord [Sd.Ml.id.; Skr. bhoêmi, de aarde; plaats, oord]. bumi desa, désaland. bumi Arab, Arabiën. wong bumi, een landman. bumipala, aardvrucht; Kw. een magtig vorst [= ratu kuwasa, zamengesteld uit bumi, en Skr. pâla, beschermer]. salumahing bumi, de geheele oppervlakte der aarde. bumi kapitu, de zeven (verdiepingen) der aarde. mangkubumi, eign. van een Prins. pusêr bumi, de navel der aarde, d.i. Mekka. buminata, eign. van een Prins. -kabuminatan, het Boemi-nåtåsche.

boma : Kw. droog gras, hooi [= sukêt mati]; als Tj. Sengk. nul; ook eign. van een Vorst [ratu ing Trajutisna]. lampahan Boma, naam van een tooneelstuk.

boman : Kw. een slaapplaats.

bomantara : Kw. het luchtruim; de woonplaats van den vogel Dewåtå [kayangane pêksi dewata].

bambu : [Ml. bambu], bamboe, bamboes.

bumbu : K.N. kruiden, specerijen, speecerij [Sd.id.]. -ambumboni, van kruiden voorzien, een spijs kruiden.

bombrong : K.N.; ambombrong, ongekleed, niet aangekleed, en négligé.

bambang : of bangbang, Kw. rood, helder, klaar; de [...] van een priester, die zijn verblijf op een berg heeft [= abang, padhang, en putraning satriya kang mêdal ing gunung, De grondvorm van het woord in de beteekenis van rood is bang]. Meestal worden

--- 723 ---

de zonen van Djanåkå daaronder verstaan, die hij bij de dochters van Panditås verwekt heeft. cara bambang, op de wijze van Bambangs. bangbang kandhihawa, bijnaam van Sri-kandi, nadat zij door Doergå in een man herschapen was [Srikandhi salin rupa lanang]. bambang wetan, K.N. het morgenrood. bambang awak, K.N. tanig, koperkleurig. bambang ngalum-alum of bangbang ngalum-alum, K.N. eisch, vordering; volgens anderen Kw. de geheele magt van een rijk. gadhuh bangbang ngalum-alum, met de uitgestrekste magt bekleed zijn. -bangbangan, K.N. rood gemaakt; rood gebatikde stof; ook op nieuw gebatikd linnen.

bambing : K.N. kant, rand, de zijde van een vaartuig; over zijde, op de ééne zijde liggen. -ambambingake, N., -kên, K., op de éénr zijde leggen.

bêmbêng : K.N. gelijk groot, gelijk dik.

bumbung : K.N. een koker van bamboe.

bombong : K.N. een haan op den arm dragen; een voorspraak voor iemand doen.

baga : I. naam van een soort van doren. II. Kw. de vrouwelijke schaamdeelen [Skr. bhaga]. III. Kw. deel, gedeelte [Skr. bhâga. Vrg. bage, I]. tribaga, drie deelen. têtêmpuh tribaga, N., têtêmpah bribaga, K., schadeloosstelling in drie deelen, namelijk zoodat twee derden vergoed worden: een regtsterm.

bagu : Kw. glans, schijn [= teja en cahya].

bage : K.N. I. deel; verdeeld [Sd.Ml. bagi, deel; deelen, verdeelen, afdeelen, uitdeelen; Skr. bhâgja, te deelen of te verdeelen; en bhâgî, hetgeen deel heeft; uit deelen bestaande. Vrg. baga, III]. ambage, deelen, verdeelen. -ambagèni, iemand met iets bedeelen, iemand een aandeel geven of toewijzen. -ambagèkake, N., -kên, K., iets onder anderen verdeelen. -bagean, deel, aandeel. -pambage, verdeeling. II. welkomstgroet [eig. z.v.a. bagya, geluk, heil]. bagea, wees welkom! -ambagèkake, N., -kên, K., iemand welkom heeten, verwelkomen. bage-binagèkake, N., -kên, K., elkander verwelkomen. -pambage, begroeting, welkomstgroete. -prambage, hetzelfde.

boga : Kw. spijs, voedsel, kost; T.D. turksche weit, maïs; ook een bijnaam der Korâwâs [= pangan, pêpanganan en jagung, Skr. bhôga, genot; rijkdom; voedend, verzorgend; etend; en bhôgja, rijkdom; koren]. amboga, eten, spijs nuttigen.

bagna : Kw. beschadigen, bederven; bedorven, beschadigd [= rusak, Skr. bhagna, gescheurd, gebroken; verslagen, overwonnen].

beganônda : naam van een tooverformulier, waardoor de menschen in een diepen slaap gebracht worden; ook eign. van een zoon van Dåså-moekå en Déwi Tari.

bagendha : [Ml. baginda], iemand van vorstelijke geboorte, titel van een vorstelijk persoon: Zijn Hoogheid.

bagor : K.N. een zak van stroo gemaakt. bêras sabagor, een zak rijst.

--- 724 ---

bêgèr : K.N. dartel, vrolijk, opgeruimd, zonder zorgen.

bigar : K.N. dartel zijn, springen, steigeren en allerhande wilde sprongen of bewegingen maken, van paarden, wanneer zij uit den stal gebracht worden, nadat zij in langen tijd niet bereden zijn; ook van buffels, ossen en andere beesten.

bagadênta : eign. van een vorst van Srawanti-poerå, het tegenwoordige Suratte.

bagas : Kw. krachtig, sterk. bagaskara, z.v.a. baskara. ook bagaspati, de zon [= srêngenge]. Bagawan Bagaspati, heet de schoonvader van Vorst Saljå.

bagus : K.N. fraai, schoon, bevallig, sierlijk, netjes, aardig; ook een titel bij de Javanen van jonge lieden van edele afkomst. radèn bagus, titel der kleinzonen en achterkleinzonen van den Vorst, vóódat zijn met eenig ambt bekleed zijn, als wanneer zij in plaats van bagus, een anderen titel bekomen, en b.v. radèn ngabèi of radèn panji, heeten. sang bagus, de jonge Prins. -gumagus of gêmagus, zich aanstellen alsof men schoon was, zich inbeelden schoon te zijn; deftig (van een man). -kabagusan, schoonheid, bevalligheid.

bugis : naam van een landschap op Celebes. wong Bugis, een Boeginees.

bagawan : ook wel pagawan, Kw. K.N. een ondergeschikte Godheid; een Vorst die zijn waardigheid nederlegt, en kluizenaar of Panditå wordt [= ratu pandhita, Ml. een aanzienlijk man, die het wereldsche verlaten heeft en kluizenaar geworden is; Skr. bhagawân, vereerenswaardig: benaming van een Vorst of Godheid; ook titel van een God gewordene heilige]. -magawan, het leven van een Bagawan leiden, een Bagawan worden, van een Vorst, die de regering nederlegt en kluizenaar wordt; ook wel van andere aanzienlijke personen [= sèlèh kaprabon].

begal : K.N. straatroover, iemand die op weg of in een woud menschen afwacht om hen te berooven, hetzij bij dag of bij nacht [Sd. rooverij, rooven]. ambegal op weg rooven, straatroof plegen, iemand op weg aanvallen en berooven of afzetten. kabegal, door straatroovers aangevallen en beroofd. -ambegali, meervoud. kabegalan, lijden door straatrooverij, door straatroovers van goederen beroofd worden. -begalan, straatroof; geroofd goed.

bagêlèn : zie pagêlèn.

baglêdhug : K.N. uitbarsten, van een vuurspuwenden berg [vrg. gludhug en glêdhêg, II.].

bagupon : zie pagupon.

bêgja : ook bij verkorting bêja, K.N. geluk, voorspoed [verbasterd van bagya of bêgya]. bêgja kula, tot mijn geluk, of het is mijn geluk! ook een gewone uitdrukking bij de Javanen, wanneer zij in ongelegenheid komen of hun eenig ongeluk bejegent; omdat het namelijk door God over hen beschikt is, en alles, wat God doet, welgedean is. -ambêgjakake, N., -kên, K., zegenen. -bêgjan, geluk; gelukkig. -kabêgjan, of kabêjan, met voorspoed begunstigd, begelukt, gelukkig gemaakt, gezegend, [geze...]

--- 725 ---

[...gend,] gelukkig, zalig; geluk, voorspoed, zegen, fortuin, zaligheid; baat, vrucht; belang. gawe kabêgjan, N., damêl kabêgjan, K., bevoordeelen. kabêgjane dhewe, N., kabêgjanipun piyambak, K., eigenbelang.

bagya : of bêgya, Kw. z.v.a. bêgja, [Ml. bahagia] ; Skr. bhâgja, geluk, fortuin, lot, hetzij goed of kwaad. Vrg. ook bage]. bagya kamayangan, door het geluk gevolgd worden. -pambagya, Kw. z.v.a. pambage, verdeeling; en begroeting, welkomstgroete [= pangêdum, Vrg. bage, I. en II.].

bêgya : zie bêgja.

bagaya : Kw. schoon, goed, wel [= prayoga].

bagam : Kw. ondiep, vlak; ondiepte [= cèthèk].

bogêm : K.N. een doos, een doos met schaal en gewigten; ook naam van een vrucht.

baguguk : K.N.; ambaguguk, pal blijven staan; onwillig zijn om een plaats te verlaten.

bugang : K.N. het onderste gedeelte van het lichaam, de lendenen en de voeten [Sd. geraamte].

bab : I. Kw. vlammen [= murub]. II. K.N. artikel, paragraaf, hoofdstuk, hoofddeel, afdeeling, van en boek; opzigtens, betreffende, aangaande, over [Ar. baab], ingang, deur; aanvang van een nieuw rubriek, artikel of hoofdstuk; artikel, hoofdstuk; Sd.Ml.id.]. bab apa, in wat opzigt?

baba : Kw. gereedschap [= piranti].

babi : K.N. een (tam) varken [Sd.Ml.id.].

babu : K.N. een moeder die haar kind verzorgt; een minne, voedster, oppaster van een kind, een kindermeid [Sd.Ml.id.]. -babon, een hen; een kapitaal, dat renten geeft; het origineel van een kopie; bron, oorsprong.

babo : tusschenw. ach! helaas! [vrg. bo].

bibi : K.N. moei, tante [Ml. moei, nam. jongere zuster van vader of moeder (vrg. wa, III); Sd. schoonzuster]. Zoo noemt men ook wel een vrouw van minderen rang, als men haar aanspreekt.

babah : I. K.N. inbraak, doorbraak; begin. ambabah, inbreken, doorbreken [vrg. bobok, bobol, en babal]; beginnen. babahan, inbraak; een doorgebrokene plaats, een opening of gat door inbraak gemaakt, opening, doorgang [vrg. bahan]. II. Ch. voortzetsel voor eigennamen van afstammelingen van Chinezen. Vóór die van echte Chinezen wordt kyai, gebruikt. Men zegt ook bij verkorting bah.

bêbah : zie onder bubuh.

bubuh : K.N. gestuit, verhinderd, belet; vermeerderd, toegevoegd; deelgenoot. ambubuh, deelnemen; vermeerderen. -ambubuhi, N., ambêbahi, K., een aandeel geven, iemand zijn deel aanwijzen. kabubuhan, N., kabêbahan, K., een toegevoegd deel. -bubuhan, N., bêbahan, K., afdeeling, aandeel; beurt.

babon : zie babu.

bêbona : z.v.a. bêbana, zie bana, III.

babar : K.N. zigtbaar worden, voor den dag komen, uitkomen; ter wereld komen, geboren worden; het voor den dag komen; uitkomst,

--- 726 ---

ontknooping; geboorte. ambabar, vertoonen, laten zien, uitspreiden; K. [manak, N.] een kind baren, ter wereld brengen. babaring cariyos, de uitkomst of ontknooping van een verhaal. babarpisan, in eens, tegelijk. babar ji, geheel gedaan. ambabari en ambabarake, N., -kên, K., iets openbaren; een raadsel oplossen; ontmaskeren. ambabarake of -kên, ook: een man een kind baren, van een vrouw. -babaran, geboorte van een kind. -pambabar, het plaats hebben van ambabar, bevalling van een kind.

bêbêr : K.N. gordijn.

bibar : zie bubar.

bubar : N., bibar, K., uiteen, uit elkander gaan, zich verspreiden, zich verwijderen, van velen die bij elkander geweest zijn; het uitéén gaan; de afloop, b.v. van een gevecht [vrg. bar, I.]. -ambubarake, N., ambibarakên, K., uitéén doen gaan. -bubaran, uit elkander gaan.

bubur : K.N. pap, brei [Sd.Ml.id.]; zamen of in elkander gevloeid. ambubur, in elkander doen vloeijen, b.v. van een schrijft, het onleesbaar maken.

bèbèr : I. Kw. papier dat van de schors der Gloegoe bereid wordt [= daluwang]. -ambèbèr, K.N. spreiden, uitspreiden, uitbreiden, ontvouwen, ontrollen [vrg. bèr, I.]. kabèbèr, ontrold. -ambalèbèr, overstroomen, overvloeijen, overkooken. -amblèbèri, op iets overstroomen. II. K.N. benaming van een soort van Wajang, waarvan, even als van de wayang gêdhog, de lotgevallen van Pandji het onderwerp uitmaken.

bibrah : zie bubrah.

bubrah : N., bibrah, K., beschadigd, bedorven, geschonden, defect, bouwvallig; mislukken. ambubrah, N., ambibrah, K., bederven, schenden, vernielen. ambubrah prajangjean, een overeenkomst schenden of verbreken. wong bubrah, iemand die door lichaamsgebreken onbekwaam is. bubrah nalare, zie nalar, -ambubrahake, N., ambibrahakên, K., bederven, vernielen. -bubrahan, N., bibrahan, K., iets dat in een beschadigden of geschonden staat is; bouwvallig; bouwval; slijten.

babar ji : zie babar.

bêbêran : zie bêra.

babak : K.N. een wond door schaving of kneuzing veroorzaakt, zooals van een paard, een schram; door schaving gewond of geschramd, gekneusd. ambabak, kneuzen. -ambabakake, N., -kên, K., iemand of iets kneuzen of drukken, zoodat er een wond ontstaat. -babakan, bast, afgeschilde schors van een boom; een fragment, afzonderlijk stuk, afzonderlijk verhaal, bijzondere gebeurtenis.

babuk : K.N.; ambabuk, met de voor- of achterpooten stooten.

babok : lurah babok, zie lurah.

bêbak : z.v.a. bubuk of bêbêk, II.

bêbêk : K.N. I. een afgedamd, stilstaand water; diepe droefheid, groot hartzeer. II. fijn stampen tot gruis maken. -bêbêkan, iets dat fijn gestampt is; b.v. gula bêbêkan, gestooten suiker. -brêbêk, zie boven.

--- 727 ---

bubak : K.N.; ambubak, den grond omwoelen; een land ontginnen; b.v. ambubak wana, een bosch ontginnen. bubak kawah, benaming van de Sasrahan, wanneer het meisje het oudste kind is. -pambubak, het plaats hebben van ambubak, ontginning.

bubuk : K.N. vermolmd, tot stof vergaan; gestampte koffij; poeder; mijt, made [Ml. stof dat in bamboes zit; rijstworm, houtworm]. wedang bubuk, gezette koffij. -bubukên, vermolmen; oud en zwak worden. -blubukan, stof, asch.

bèbèk : K.N. een eendvogel [Ml.id.]. songsong bèbèk, een regenscherm van kokosbladen.

bobok : K.N. I. ambobok, een gat door een muur maken, inbreken, doorbreken [vrg. babah, bobol en babal]. II. zalf; met zalf bestreken, besmeerd. -amboboki, zalven, iets, b.v. een lichaam, zalven.

babak salu : K.N. een duizendpoot van de grootste soort [Sd. babak kaur, Vrg. kalabang].

babêktan : zie bêkta.

babad : K.N. I. de maag van een beest; ook het leer waarmede een Javaansche viool overtrokken is. II. omhakken, omkappen; vellen, doen sneuvelen. ababad alas, een woud omhakken, d.i. ontginnen [Ml. een erf of stuk land schoon maken, door het grab of onkruid daarvan weg te kappen; Sd. afmaaijen]. -ambabadi, iets omhakken, uitroeijen. -babadan, ontgonnen land. III. historie, geschiedenis, jaarboeken, van een rijk [eig. ontginning]. Babad Mataram, de geschiedenis van Mataram.

babud : zie babut.

bêbêd : K.N. [nyamping, K.h.] omwonden; het kleedje van een Javaan, bestaande in een stuk linnen ter lengte van 4 1/2 tot 5 el, dat om del landenen en het benedenlijf geslagen, en boven de heupen vastgemaakt wordt (door een vrouw gedragen patih, genaamd); ook een boom die vol vruchten hangt. ambêbêd, omwinden, omwikkelen, bewinden, een wond verbinden; de Bebed omslaan [Ml. bebat] . De grondvorm is bêd, vrg. ubêd, ubêt en gubêd]. bêbêd wala, zie cotha, -ambêbêdi, iemand de Bebed omdoen; iets bewinden, omwinden, omwikkelen. -bêbêdan, een Bebed dragen, omhebben, benaming van de gewone, burgerlijke en dagelijksche kleeding der Javanen. -pambêbêd, omwinding, omzwachteling. -balêbêd, verwikkeld, verward.

bêbudèn : zie budi.

babit : K.N.; ambabit, iemand of iets zwaaijende slaan, met een arm, been, knods of iets dergelijks [De grondvorm is bit, vrg. obat-abit].

babut : of babud, K.N. tapijt, vloerkleed.

bibit : K.N. 1. oorsprong, aanvang, begin [= wiwit]; 2. jonge planten, om te verplanten [Sd.Ml.id.]. kala bibit kawitipun, bij het allereerste begin van.

--- 728 ---

bubut : K.N.; ambubut, I. uittrekken, haar of veêren uittrekken [Ml.id.]. -ambubuti, reêren of een vogel plukken. saolèh-olèhe manuk binubutan, wat er ook van komt, de vogel wordt geplukt: een spreekwoord om te kennen geven, dat een zaak, die men voorgenomen heeft, volstrekt ten uitvoer gebracht moet worden, al moet men er ook alles aan wagen. -pambubut, het plaats hebben van ambubut, II. draaijen, op een draaibank draaijen, rond maken [Sd.Ml.id.]. -bubutan, een draaibank. -pambubut, het plaats hebben van ambubut.

bèbèt : K.N. stam, oorsprong, geslacht, huisgezin, familie.

bobat : K.N. het haar van den staart van een paard.

bobot : zie abot.

bêbês : z.v.a. blêbês.

bibis : K.N. kapas zuiveren; ook naam van een grooten worm. -bibis-bibisan, Ml. [?] het zilveren beslag van een zadel.

bubus : K.N. gekookte loemboe bladen.

bebas : I. K.N. een daglooner zonder den kost [Ml. vrij, ongedwongen; [orang bebas], een vrijman, burger, die geen beerediensten behoeft te doen]. -bebasan, gehuurd zonder de kost. II. Kw. geheel ten einde zijn [= êntèk].

bêbasan : zie basa.

babal : K.N. doorbreken, inbreken [vrg. bobol]; ook de bloem van de Nangka.

bubul : K.N. I. onecht, vervalscht; vervalschen. II. een blaar aan de voetzool [= mala kang anèng dalamakan, [Ml. zeer aan het eelt van handen of voeten]. -bubulên, blaren, wonden aan de voetzool hebben. III. z.v.a. bobol [= tan pêdhot wêtune]. -brubul, groote toeloop van menschen. ambarubul, in menigte achter elkander [vrg. brêbêl].

bablas : zie blas.

bablès : K.N. met de zweep klappen.

bêblês : zie bêlês.

bêblêg : K.N. geen plaats of ruimte overschieten, geheel vol, in menigte voorhanden zijn [vrg. bêlêk].

babag : K.N. gelijk zijn. babagan, aan elkander gelijken; ook een steiger, kade. -bêlabag, zie boven.

bêbêg : K.N. tegen iets stooten, stuiten.

bobab : Kw. zich het voorkomen van een oud man geven [= kêmaki].

bêbêng : Kw. sluiten, niet door kunnen. -bêbêngan, een dam in het water.

bathi : K.N. winst, gewin, voordeel, nut; gewinnen [waarschijnlijk het Holl. bate, baat. Sd.id.]. ambathi, winst bejagen. gawe bathi, N., damêl bathi, K., bevoordeelen. -bathèn, winst zoeken.

bithi : K.N. de vuist. ambithi, met de vuist slaan. -ambithèni, iemand met de vuist beuken. -bithèn, elkander met de vuist slaan. -pambithi, het plaats hebben van ambithi, vuistslag.

--- 729 ---

bathèn : zie bathi.

bathon : K.N. deelgenoot in een affaire, compagnon [= tunggalan].

bathara : K.N. titel van een God van den eersten rang, ook van een incarnatie van een Godheid [Ml.id.; Skr. bhattâra, vereerenswaardig, en bhattâraka, id.; ook een heilige, een Godheid, een vorst]. para bathara, de Batårå's. Bathara Guru, Batårå-Goeroe. Batharatri, bijnaam van Batårå-Goeroe. Bathara Wisnu, Batårå-Wisnoe. Bathara Krêsna, Batårå Kresnå, een incarnatie van Wisnoe. binathara, een Batårå genoemd, voor een Batårå gehouden worden.

bathari : K.N. het vrouwelijke van bathara, b.v. Bathari Durga, Batåri-Doergå.

bathik : K.N. geschilderd, van lijnwaad, en wel door die plaatsen, welke ongekleurd moeten blijven, met kokende was te bestrijken; op die wijze geschilderd lijnwaad. ambathik, kleedjes schilderd lijnwaad. ambathik, kleedjes schilderen [Ml.id.]. bathik bang, roode Samarangsche Batik. -pambathik, iemand die batikt.

bathuk : K.N. [larapan, K.h.] het voorhoofd.

bathok : K.N. een kokosdop, dedop of binnenste schil van een kokosnoot [Ml.id.]; een koperen kommetje; een doosje zonder deksel voor de Pinang in een Sirih-doos [zie bij gagragan, onder gagrag]. bathok bolu, dop van een kokosnoot, met deksel. -bathokan, een hoofddeksel.

bêthak : K.h. [adang, K.N.] bezig zijn met rijst koken in water in een kukusan, ambêthak, op die wijze rijst koken. juru bêthak, rijstkoker, rijstkookster. -bêthakan of bêbêthakan, hetgeen op die wijze gekookt wordt.

bêthèk : K.N. een omheining of heg van bamboe. -ambêthèki, iemand of iets omheinen met bamboe, een omheining om iets maken. kabêthekan, omheind.

buthak : K.N. I. kaal, een kale plek op het hoofd [Sd.Ml. kaal, kaal van hoofd]. II. bedorven vleesch.

buthêk : K.N. troebel, drabbig, brak [Ml.id.].

bothekan : K.N. Holl. apotheek, een kasje met laden tot bewaarplaats van medicamenten.

bêthat : K.N. een omweg nemen, afwijken; zich los scheuren. -bêthatan, een zijweg; afwijking.

bêthut : K.N. een werktuig waarmeê de kapok gezuiverd wordt.

bêthot : K.N. uittrekken, uithalen. dibêthot, l.v.

bithêt : K.N. 1. een lidteeken; 2. brand in de huid; 3. vlecht, haarwrong.

bèthèt : K.N. naam van een vogel met groene veêren. -ambèthèti, de ingewanden uit een visch of ander beest halen.

bathil : K.N. naam van een spijs. -ambathili, de wol scheren, het haar knippen.

bathêthêt : K.N. naauw aansluiten, aan elkander gekneld.

bathang : K.N. kreng, aas [layon, K.h.] lijk [vrg. bangke en wangke]. -bathangan, de plaats waar zich een kreng of het lijk van een gering mensch bevindt.

--- 730 ---

bathong : Kw. fenijn, vergif.

bêthêng : Kw. gesloten, digt. kabêthêng, gesloten of digt raken. kabêthêng ing udan, N., kabêthêng ing jawah, K., door den regen overvallen worden.

bang : I. K.N. z.v.a. imbang, in eenige zamenstellingen: bang wetan, de oostkant, oostelijk. bang kulon, N., bang kilèn, K., de westkant, westelijk; ook naam van een landschap op de Westkust van Sumatra. môncanagara bang wetan, en môncanagara bang kulon. worden de oostelijke en westelijke grenslanden van de Vorstendommen van Soerakarta en Djokjokarta genoemd. bang kono, aan gindsche kant, ginds. II. z.v.a. abang, b.v. in dubang, en bathik bang, zie idu, en bathik, -binang, lijd. vorm van ngabang, -ambang, of bangbang, zie bambang.

bing : K.N. in, te, binnen. bing pundi, waar?

bung : of êbung, K.N. spruit, scheut, telg; jonge spruitjes van bamboe, die gegeten worden.

bèng : of êbèng, K.N. meisje, juffer, juffertje: ook een voorzetsel voor den naam van een meisje.

bong : K.N. besnijder, de persoon die de besnijdenis verrigt.

bango : K.N. een open loods op de pasar, een huisje naast den weg, waar kleinighede verkocht worden; ook naam van een vogel met grijze veêren [Sd. een reiger; Ml. bangau], een kraanvogel]. têtak bango, een wijze van besnijden, door de voorhuid slechts open te snijden.

bêngi : zie wêngi.

bingah : zie bungah.

bungah : N., bingah, K., blijde, vergenoegd, opgeruimd; zich verblijden, verheugen; blijdschap, vreugde. bungah-bungah, N., bingah-bingah, K., zeer verheugd zijn, juichen; vermaak, genoegen, gejuich. -ambungahi, N., ambingahi, K., rente, interest betalen [zie bungahan]. -ambungahake, N., ambingahakên, K., verblijden, verheugd maken, vervrolijken. -bungahan, N., bingahan, K., hetgeen vreugde verwekt; ook rente, interest, van een kapitaal [vrg. anakan en uyahan, De laatste beteekenis heeft het van het [Ml., bunga], bloem, bloesem, en rente]. ngawrat-ngawrat bingahan, woekeren. -kabungahan, N., kabingahan, K., blijdschap, vermaak.

bangun : K.N. het laatste gedeelte van den nacht tegen het aanbreken van den dag. ambangun, oprigten, daarstellen, herstellen, verbeteren [= ambêciki. bangun, wordt ook verklaard door tangi, en kaya. Ml. opstaan, wakker worden. Vrg. ook wangun]. Wanci bangun, tegen het aanbreken van den dag. bangun raina, het aanbreken van den dag. sarêng ing bangun enjing, toen de morgenstond aanbrak. sarêng wanci bangun kirang sajam êbyar, toen de nacht ten einde spoedde, een uur voor den dageraad. banguntapa, boete doen, een kluizenaarsleven leiden. bangun turut, inschikkelijkheid; inschikkelijkheid gebruiken, toegeven, dulden; gedwee, onderdanig, gehoorzaam, volgzaam. bangun tulak, een verguld overkleed, wit met zwart omboord, een soort van Simboeng, dat door een

--- 731 ---

bruid gedragen wordt. -mabangun, Kw.= atangi.

bangèn : T.P. bij de hand zijn.

bingèn : N., weleer, voorheen, te voren [vrg. biyèn, waarschijnlijk van bingi, z.v.a. wingi].

bangêr : K.N. stank van vuiligheid; stinken [vrg. wangur].

bangir : K.N. een platte stompneus.

bingar : K.N. helder van gelaat, vrolijk, opgeruimd, frisch van kleur, van iemand die van een ziekte hersteld is en zijn kleur terug krijgt.

bangke : N. kreng, lijk [Sd.Ml.id.Vrg. wangke, bathang, en bangkrah].

bôngka : K.N. een beest dat gekrepeerd is; een harde, versteende vrucht; een grof matje van een soort van biezen met een rooden rand; ook naam van het eiland Bangka. pisang bongka salirang, een oorvijg, muilpeer.

bêngok : K.N. gebrul, gebulk. ambêngok, brullen, bulken, hard schreeuwen, luid roepen. bêngok-bêngok, bij herhaling of aanhoudend schreeuwen. -pambêngok, het plaats hebben van ambêngok.

bêngkah : K.N. gescheurd, gespleten, van den grond of van een berg, van elkander gescheiden; scheur, spleet. -ambêngkahake, N., -kên, K., doen scheuren of splijten. -bêngkahan, scheur, spleet.

bêngkêr : K.N. rond, bol; ronde dikke borsten. -balêngkêr, gebogen, krom.

bungkar : K.N. een soort van pokken, die in het gebeente zitten.

bangkrah : Kw. lijk, kreng [vrg. bangke]. abangkrah, een lijk worden.

bungkrah-bangkrèh : K.N. wanorde.

bingkrakan : K.N. een gemeen mensch, iemand van de laagste klasse.

bangkèk : K.N. de middel, het middenlijf. -bangkekan, [pamêkak, K.h.]. hetzelfde.

bêngkak : K.N. een dof geluid van zich geven.

bêngkêk : K.N. bundel, schoof, bos, pakje, b.v. van sigaren [vrg. bongkok].

bêngkuk : K.N. krom, gekromd, gebogen, van een mensch [vrg. bengkok, bêkuk en wungkuk].

bêngkok : K.N. bezitting van rijstvelden. abêbêngkok, rijstvelden in bezit geven, in eigendom afstaan.

bungkak : K.N. het water waarin rijst gewaaschen is; ook een aanhoudend geluid.

bengkok : K.N. gebogen, krom [Ml. krom, scheef, gebogen, bultig. Vrg. bêngkuk].

bongkok : bundel; ook de stengel van een kokosblad. -ambongkoki, in een bundel of in bundels binden. -bongkokan, in bundels gebonden; schoof.

bangkokan : K.N. een groote aap, baviaan; een zeer groote kikvorsch.

bangkat : K.N.; ambangkat, bekwaam, in staat zijn; een werk bervatten [vrg. bangkit].

bangkit : Kw. bekwaam, vermogend, kundig [vrg. bakit en bangkat, Sd. binangkit, schrander, snedig]. -kabangkitan, bekwaamheid, kunde, kunst.

--- 732 ---

bêngkêt : K.N. in een bundel gebonden [Sd. binden, toebinden, vastbinden].

bongkot : K.N. de stam van een boom [Ml.id.]; het gedeelte van een disselboom, dat aan den wagen vastzit; het onderste van iets; het hoofd van een leger. -bongkotan, bij den stam van een boom vergelijken; stamhuis; de hoofden van twee vijandelijke legers.

bingkas : z.v.a. bengkas.

bungkus : Sd.Ml. z.v.a. wungkus, bundel, pak; ingewikkeld; K.N. het vlies waarin een kind in de moederschoot zich bevindt. Bima Bungkus, bijnaam van Wredårå.

bengkas : Kw. vernietigd, vergaan. ambengkas, vernietigen, verwoesten, verdelgen [bengkas = nyirnakkên, Vrg. bingkas].

bangkol : K.N. haak, een haak aan een band, die bij tournooispelen over den buikgordel gedragen wordt, om den teugel daaraan te haken. -bangkolan, in een haak doen.

bungkil : K.N. het overblijfsel van uitgeperste olie, lijnkoek, die tot bemesting van een land gebruikt wordt.

bungkul : K.N. een houten knoop; een enkele bol van kapas, enz. [Sd. knop].

bongkol : K.N. in de armen sluiten, met de armen omvatten.

bêngkalahi : K.N. eigenzinnig, koppig; naar geen raad luisteren.

bêngkolang : K.N. met een lang stuk hout werpen.

bungkêm : K.N. iemand de hand op den mond leggen, iemand het zwijgen opleggen. dipun bungkêm, l.v.

bangkang : K.N. wederspannig, oproerig. -ambangkang, hardnekkig, weêrspannig zijn; van een vorst afvallig worden, zich tegen een hoogere magt verzetten.

bangkong : naam van een soort van groote kikvorschen [Sd. kikvorsch en pad. Vrg. kodhok, prêcil, cebong en kangkung].

bêngkung : K.N. krom, gebogen, van ijzer; een strook linnen of lange witte band, dat een kraamvrouw gedurende eenigen tijd na de bevalling stijf om de heupen gewonden wordt [vrg. kung, III, makungkung, pêngkung en bengkong].

bengkong : K.N. gebogen, krom [Sd. bingkêng, krom, bogtig. Vrg. bêngkung].

bangêt : N. [sangêt, K.] zeer, uitermate, ongemeen, buitengemeen, erg, hevig, fel, geducht, vurig; hevigheid, enz. [Ml. driftig, haastig: misschien van angêt, Zie bij sangêt]. dadi bangêt, verslimmeren. -kabangêtên, te erg; overdreven.

bôngsa : K.N. geslacht, afkomst, volk, natie [Ml.id.Vrg. wôngsa]. bôngsa Islam, Muzelman. tiyang bôngsa kulit pêthak, een blanke. sami bôngsa, landgenoot, landsman, landslieden. bôngsapatra, naam van een Kawische zangwijze [= bala pêcah].

bangas : K.N. het laatste oordeel.

bangus : K.N. misleiden, om den tuin leiden.

bêngis : K.N. z.v.a. wêngis, ook wreed [= galak, Sd. norsch, stuursch; kwaadaardig; wreedheid, onmenschelijkheid; [Ml. bengis of bingis], barsch, bits, gramstorig, stuursch, enz.].

--- 733 ---

bungis : K.N. de lippen afsnijden, een straf bij de vroegere Javanen voor den leugenaar.

bèngès : K.N. een snede in de huid maken [vrg. ngèngès].

bungsur : Kw. een lans met een langen steel.

bangsat : K.N. een slecht mensch, deugniet, flelt, schelm, valsche speler of dobbelaar; gespuis.

bangsal : K.N. zitplaats van een vorst, sofa; een langwerpig gebouw; een gebouw van den vorst in de nabijheid van de Kraton [= pasebaning ratu, Ml. schuur, loots, werf. Waarschijnlijk is het een Kråmå-vorm als Kråmå hinggil van bale]. bangsal pangrawit, naam van een klein gebouw of overdekte plaats op de Aloen-aloen van de Kraton te Soerakarta, waar de Vorst zit, wanneer hij op de Aloenaloen verschijnt. bangsal witana, bangsal manguntur tangkil, bangsal balebang, en bangsal angun-angun, namen van gebouwen op de Sitinggil te Soerakarta: zie witana, manguntur, en bale.

bangawan : of bêngawan, N., bênawi, K., een groote rivier, landstroom, de gewone benaming der Solo-rivier.

bangli : Kw. fijn, dun [= tipis].

bêngle : naam van een medicinalen wortel.

bunglon : K.N. een soort van hagedis, de kameleon [Ml.id.].

bonglot : K.N. 1. z.v.a. bolot, 2. hard hout [Het wordt verklaard door suminggah].

binglêng : K.N. dom, dwaas, gedachteloos.

bêngêp : K.N. opzwellen.

banggi : zie baya, IV., beya, en bôngga.

bôngga : K.N., ook banggi, K., magt, wederstand, wederspannigheid; wederspannig; zich verzetten [Skr. bhaga, magt, kracht, inspanning van krachten]. -bonggan, misstap, verkeerdheid.

bonggan : zie bôngga.

binggêl : K.h. [gêlang, K.N.] armring, bracelet.

benggol : K.N. de aanvoerder van een rooverbende; ook naam van een muntspecie.

bonggol : K.N. de stam of tronk van een boom.

bênggang : K.N. gescheiden, van elkander gedaan, van elkander verwijderd, afgescheiden, gesplitst. ambênggang, van elkander scheiden, van elkander doen, van elkander verwijderen.

benggang : z.v.a. bênggang.

bêngêt : K.N. dik gezwollen.

bangbu : z.v.a. bambu.

bangbang : zie bambang.

bungbang : z.v.a. wungwang, Kw. gat.

bêngang : K.N. de venusziekte [Sd. bêngangên, id.; Ml. bengang], de witte vloed, in het bijzonder, die met scherpte en verrotting gepaard gaat].

bingung : K.N. verbijsterd, verward; in de war zijn, verlegen zijn; het spoor bijster zijn, verdwalen [Ml.id.]. ambêbingung, in de war brengen, verlegen maken. -ambingungi, iemand verbijsteren, in de war brengen. -ambingungake, N., -kên, K., verwarren.

bêngingih : z.v.a. bêngingèh.

bêngingèh : en brêngingèh, K.N. gehinnek, van een paard; hinneken, grinneken.