Sastra Jawa

Program Digitalisasi Sastra Daerah

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha)

Katalog:Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16
Sambung:
1.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1202.
2.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1203.
3.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1204.
4.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1205.
5.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1206.
6.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1207.
7.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1208.
8.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1209.
9.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1210.
10.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1211.
11.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1212.
12.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1213.
13.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1214.
14.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1215.
15.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1216.
16.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1217.
17.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1218.
18.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1219.
19.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1220.
20.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1221.
21.Javaansch Woordenboek, Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Bahasa dan Budaya | Kamus dan Leksikon #1222.

--- 734 ---

tha : Kw. regt door [= têrus].

thi : Kw. schrift, geschrift [= tulis].

thu : Kw. lichaam [= badan].

thah : Kw. veel; vol, gevuld [= akèh en kêbêk]. -kathah, K. [kèh of akèh, N.] veel, talrijk; hoeveelheid, menigte, aantal, bedrag. kathah kêdhik, veel of weinig. sakathahipun, de gansche menigte er van, alle. kathah-kathah, groot aantal, menigvuldig. ingkang kathah-kathah, de groote menigte; de overige. kathah-kathahipun, ten hoogsten. sakathah-kathahipun, hoe veel ook; geheel en al. -ngathahi, meer personen aan het werk stellen; met zijn velen overvallen; overladen. -ngathahakên, vermeerderen, doen toenemen, vermenigvuldigen. -kêkathahên, te veel.

thèh : Kw. vermengd, vereenigd [= amor].

thonok-thonok : K.N. schoon postuur van een vrouw.

thona-thani : eign. van een persoon.

thonthor : K.N. het deksel van een lamp; de kap van een rijtuig.

thra : Kw. vreezen [= wêdi].

thar : Kw. wijd, breed, uitgestrekt [= ômba].

thir : Kw. losgelaten [= lêpas].

thur : I. Kw. gebrek; kreupel, mank [= ina]. II. thur of êthur, K.N. het spuiten of uitgieten van water met een straal, die een boog beschrijft [vrg. cur en mancur]. anthur, hetzelfde, doch met een grooteren boog. -manthur, met een boog spuiten. -ngêthuri en manthuri, gieten, ingieten, met een boog.

thèr : Kw. bang, bevreesd; vreezen [= wêdi].

tharik : K.N. rij, laan [vrg. carik]. tharik-tharik, in rijen, regelmatig; regelmatigheid; laan.

thèrèk : 1. z.v.a. tharik, 2. slagorde.

thêruk-thêruk : K.N. het kirrend geluid van een duif; kirren.

thak : thik, thuk, thèk, en thok, klanknabootsende woorden van het geluid door kloppen of onderlinge aanraking van harde lichamen veroorzaakt, naar evenredigheid van den meer of minder zwaren klank.

thik : zie thak, -thithik, zie beneden.

thuk : zie thak, -thuthuk, zie beneden.

thèk : 1. zie thak, 2. verkorting van pêthèk, -thèthèk, zie beneden.

thok : 1. zie thak, 2. Kw. slechts, maar, alleen. thok-athok, K.N. kwanswijs. -thothok, zie beneden.

thika : Kw. brief, boek [= layang, Skr. tîka, commentarie, uitlegging van een geschrift].

thakah : K.N. hebzuchtig, inhalig.

thakuh-thakuh : K.N. zich in een gesprek mengen.

thakur : K.N.; thakur-thakur, z.v.a. thèkèr-thèkèr.

thèkèr : K.N.; thèkèr-thèkèr, in den grond krabben of woelen [vrg. cèkèr].

--- 735 ---

thekor : K.N. op de hielen ronddraaijen; ook een bord van een blad gemaakt.

thiklu : K.N. van ouderdom vervallen, verkwijnen, dutten, suffen; kindsch [vrg. ciklu].

thikil : K.N. spruit; ook z.v.a. thukul.

thukul : K.N. uitspruiten, uit den grond voortkomen, opkomen, oprijzen, wassen, groeijen [vrg. thikil en cukul]. -thumukul, opkomen, groeijen, wassen. -thukulan, wasdom, groei. thukulan of thêthukulan, gewassen; onkruid.

thak-thuk : K.N. mis verstaan, verkeerd begrepen.

thik-thikan : K.N. aanhoudend met de handen in beweging zijn, met de handen aanhoudend klaauwen of krabben.

thili : naam van een bloem.

thelo : K.N. naam van een veeziekte. thelo-thelo, bezwijken.

thole : K.N. jonge, knaap [kulup, beteekent hetzelfde, maar is poëtisch en deftiger].

thalêthok : K.N. regendroppels [vrg. thithik, II.}.

thêlêng : K.h. [of K.N.] het zwart in de oogen, de oogappel [vrg. cêlêng en manik]. Zoo ook thêthêlêng, -panthêlêng, zie boven.

thilang : naam van een kleinen vogel met een langen snavel, een zwarten kop en witte borst.

theyot-theyot : K.N. kwaken.

thuyul : K.N. een ligt vrouwmensch, ligtekooi, hoer.

thatha : Kw. gebrek, fout, mankement [= ina en kurang].

thithi : Kw. ontzagwekkend, ongewoon, buitengewoon [= wingit].

thuthu : Kw. gezwollene oogen [= pithut].

thithik : I. K.N.; nithik, z.v.a. nèthèk [van het grondwoord thik, Vrg. het Holl. tikken]. -thithikan, z.v.a. thethekan. II. [Ml. titik], druppelen; druppel, droppel, van het grondwoord thik]. sathithik, N., [kêdhik of sakêdhik, K.] een weinig, weinig, gering in hoeveelheid, een kleinigheid [In het dagelijksch gesprek zegt men ook sithik, en zonder voorzetsel ithik, een andere vorm van het grondwoord thik, gelijk in het Sd. êtik, Het beteekent eig. een droppel]. kèh sathithike, het veel of weinige er van. sathithike, het minste, op zijn minst. sathithik-sathithik, bij kleine hoeveelheden, bij beetjes. sathithik-sathithika, hoe weining het ook zijn mag. -nyathithik, ieder een weinig, elk een weinig. -nyathithiki, iemand iets weinig maken, verminderen. -nyathithikake, iets verminderen; minder opgeven; op zijn minst stellen. -sathithik-sathithikan, om een kleinigheid. -sathithikên, te weinig.

thuthuk : K.N. iets waarmeê men klopt [De grondvorm is thuk]. -nuthuk, kloppen, b.v. met een stuk hout. -nuthuki, op iets of iemand kloppen, beuken. -mêthuthuk, zie boven.

thèthèk : K.N.; nèthèk, op iets dat hard is slaan, kloppen, aankloppen, aantikken [van het grondwoord thèk, 1.] -thethekan, het voorwerp waarop men slaat, een kemirinoot; [ke...]

--- 736 ---

[...mirinoot;] ook een booze geest, duivel, satan. -mêthèthèk, zie boven.

thothok : K.N. de kop van een visch. nothok, kloppen, aankloppen; met de knokkels der vingers tegen het hoofd stompen [Ml. kloppen, b.v. tegen de deur met de knokkels van de vuist; ook wel stampen; b.v. in een vijzel of rijstblok. Het grondwoord is thok, Vrg. cocok en sotho].

thathit : K.N. bliksemstraal; ook eign. van een hoofd.

thothit : K.N. de naam van een spel met Chinesche kaarten; ook dat spel spelen.

thithil : K.N. brokje, stukje [vrg. cicil].

thèthèl : K.N.; nèthèl, optornen, losmaken.

thothol : K.N.; nothol, met den bek of snavel pikken. nênothol, vreten, van vogels. -mênthothol, zie boven.

thêngor-thêngor : K.N. verstomd staan van verwondering.

thêngak-thênguk : K.N. geheel op zich zelf, aan zich zelf overgelaten.

thêngul : K.N. een pop.

thèngèl-thèngèl : K.N. te zwak om alleen te staan.

thing-thing : K.N. een klagend geluid; jammeren, weeklagen.

thèng-thèng : K.N.; mêthèngthèng, zich het aanzien van dapperheid geven, zich dapper voordoen, dapper schijnen. -theng-thengan, het praten of babbelen van een vrouw, ook naam van een kinderspel.

thong-thong : K.N. naam van een muziekinstrument, een soort van Bendé. thongthong grit, een soort van zware bellen. thongthong borong, naam van een tooneelstuk voor de Wayang.