Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa)

Deskripsi judul
Teks sambungan
  1. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  2. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  3. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  4. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  5. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  6. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  7. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  8. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  9. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  10. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  11. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  12. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  13. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  14. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  15. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  16. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  17. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  18. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  19. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  20. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  21. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
Image

wa : I. Kw. helder, klaar. II. Kw. kind. III. wa, en gewoonlijk uwa, K.N. oom, oudere broeder van vader of moeder. uwa wadon, N., uwa èstri, K., moei, tante, oudere zuster van vader of moeder. uwakmu of uwakamu, uw oom of tante. uwakne of uwakane, zijn (of haar, of hun) oom of tante. IV. wa, verkorting van ewa.

wi : I. Kw. uitmuntend, voortreffelijk [= luwih en putu, Skr. wi, een onafscheidelijk voorzetsel, dat meestal verwijdering, afscheiding, afzondering, verstrooijing of verbreiding beteekent, maar ook dikwijls de beteekenis versterkt]. II. Kw. neen, niet [Skr. wi, ook een onafscheidelijk voorzetsel, dat zooveel beteekent als het aanhechtsel -loos of het voorzetsel on- it het Nederduitsch]. III. wi, en gewoonlijk uwi, K.N. naam van een soort van aardvrucht, de Obi [Sd. uwi, Ml. ubi], id.]. -nguwi, als een Obi zijn.

wu : Kw. levendig, vrolijk [= rame en baribin].

we : Kw. water. wedang, K.N. gekookt water; warme drank, koffij of thee.

wah : I. Kw. een plaats [Skr. wah, woning]. II. verkorting van wêwah [= wuwuh]. III. verkorting van owah. IV. K. z.v.a. woh.

wih : verkorting van luwih, [of liever hetzelfde als wi, = kaluwihan].

wuh : of uwuh, K.N. vuiligheid, vuilnis, zoo als bladen, drek, asch, enz. -pawuhan, vuilnischoop, de plaats waar men het vuilnis gewoon is te werpen; mest- of aschhoop. -wuhên, zie beneden.

wèh : grondvorm van awèh [= lila, Het wordt ook verklaard door banyu, vrg. we].

woh : of uwoh, K.N. vrucht. jawah woh, K. [udan uwoh of udan karikil, N.] hagel. -awoh, vruchtendragen, vrucht geven. -ngawohake, N., -kên, K., vruchten doen dragen. -ngêmohi, veel vrucht dragen, zwaar met vruchten beladen zijn. -wowohan of uwoh-uwohan, vruchten, fruit, ooft. -wohan of

--- 386 ---

wohan, K. [jambe, N.] de jonge pinang- of betel-vrucht. -pawohan, K. [ook pagantenan, K., pakinangan, N.] Sirih- of betel-doos.

wau : K., mau, N. [biyèn, K.N.] vroeger, te voren, voorheen, onlangs, zoo even; voormeld, vroeger of zoo even genoemd. dhèk mau, N., kalawau, K., voorheen, onlangs, zoo even. maune, N., waunipun, K., vroeger, te voren. ingkang wau, K. [sing biyèn, N.] verleden. dhèk mau-mau, N., kala ingkang wau-wau, K., eertijds; altijd te voren. mau bêngi, N., wau dalu, K., verleden nacht. Zie mau.

wuhên : K.N. wratten op het lijf hebben [van wuh, naar het schijnt].

wohan : zie woh.

wahana : of beter wahana, 1. Kw. voer- of rijtuig, iets waarop men rijdt of vaart, zoo als een paard, wagen, draagstoel, enz. 2. K.N. voorteeken, beteekenis, zoo als van een droom [Skr. wahana en wâhana, voer- of rijtuig; aanvoerend, aanbrengend, te weeg brengend].

wahini : Kw. de eerste of voornaamste vrouw van een vorst.

waon : K.N.; maoni, aanmerken, aanmerking maken, op iets te zeggen, te gispen, te berispen of te vitten hebben; herstellen, verbeteren. -waonan, aanmerking, berisping, gisping. kawaon of kawaonan, l.v. wêwaonan, vitten.

wohan : zie woh.

wahana : zie wahana.

waos : zie waca, en waja.

waelul : naam van een der zeven hellen.

wahya : Kw. I. naar buiten komen, verschijnen [Skr. wâhja, uiterlijk]. II. toen, tijdens, wanneer.

wahyu : K.N. eer, aanzien, een hooge rang, waardigheid; geluk, voorspoed; openbaring.

wuhaya : = buhaya, z.v.a. baya.

wahyut : Kw. schitteren, flikkeren, schijnen [= kumêdhap en kilat].

wahiman : Kw. aldus, alzoo, zoodanig [= makotên].

wahing : K.N. [sigra, K.h.] niezen.

wahung : I. Kw. zoo even, pas geleden [vrg. wau, bij mau]. II. naam van een boom.

wêhang : Kw. ondere broeder van vader of moeder [= uwa].

wan : verkorting van uwan.

wun : Kw. niet plaats hebben, niet geschieden.

wana : K. [alas, N.] bosch, woud [Skr. wana]. satawana, boschhaan. wanadri = wana adri, een groot en gevaarlijk bosch [wanadri = alas]. wanawasa, een bosch, waarin zich veel wild ophoudt [Skr. wanawâsam woudverblijf].

wênu : Kw. een schoon gelaat.

wanuh : K.N. iemand kennen, omgang met iemand hebben [vrg. wawuh]. -kuwanuhan, gezellig verkeer, omgang, verkeering; gezellig; kennis, kennissen.

wanuhara : Kw. zoet, lieflijk [= manis arum].

winun : Ar. [?] fraai, schoon.

wani : N. [purun, K.] het wagen, durven; dapper

--- 387 ---

zijn; dapper, kloek; dapperheid. wani ing supata, een eed durven doen. ngatag wani, bemoedigen. wani-wani, zich verstouten, vermeten; stout, onversaagd, driest, vrijpostig. aja wani-wani, waag het niet, wees niet vermetel; hij verstoute zich niet. -kumawani, zich het voorkomen van dapper geven; zich verstouten, den moed nemen. -kawanèn of kuwanèn, moed, dapperheid, stoutheid.

wuni : I. Kw. bedekken, overdekken [Ml. bun of buni], verbergen, verhelen]. winuni, overdekt, bedekt. II. naam van een kleine ronde boomvrucht, die een wrangen smaak heeft. wuni matêng, benaming van een zeker soort van gestreept linnen.

wèni : Kw. het haar aan de slapen van het hoofd [= rambut kang anèng pilingan, Skr. wêni, eenvoudig opgemaakt en in één enkele loshangende vlecht verbonden haar]. -suwèni, zie boven.

wênèh : K.N. andere, anders [= liyan]. sawênèh, of kang sawênèh, sommigen, anderen.

winih : I. Kw. oorsprong, begin, oorzaak. wiwinih, oorspronkelijk. II. K.N. zaad, planten; een beest dat alleen tot voortteling gehouden wordt [= wiji]. anyêbar winih, zaad zaaijen.

wènèh : N. [waarschijnlijk voor winèh, l.v. van wèh, gew. awèh]; nguwènèhi of ngwènèhi, [ook nguwohi, N., nyukani, en maringi, K., nêdhani, en matêdhani, K.h.] iemand iets geven. -nguwènèhake of ngwènèhake, iets geven aan iemand. dikanèhake, voor dika wènèhake, in Madyå.

winahang : z.v.a. winawang, zie wawang.

winor : zie wor.

wanara : of wênara, Kw. aap [= kêthèk, Skr. wanara].

wanadri : zie wana.

wanodya : Kw. vrouw; vrouwelijk [= putri].

wanita : Kw. I. z.v.a. wanodya [= wong wadon en pawèstri, Skr. wanitâ, een vrouw]. II. tellen.

wênês : Kw. klaar, helder, blank; een schoon gelaat.

wanipa : Kw. gereed, voltooid.

winaya : Kw. stelen; diefstal [= nyolong, waarschijnlijk l.v. van maya].

wineyan : zie awèh.

wênang : I. z.v.a. bênang, II. K.N. vergunning, verlof, vrijheid; geoorloofd, vergund, toegestaan; geregtigd [= kawasa]. ora wênang, N., botên wênang, K., niet geregtigd, onbevoegd. sawênang-wênang, willekeurig, b.v. behandeld worden; buitengemeen, niet alledaagsch. wawênang, vergunning, volmagt, voorregt. -kawênang, zie boven. -winênang, geregtigd, met gezag uitgerust, van magt voorzien zijn; ook bijnaam van Batårå-Goeroe [= kuwas]. -ngwênangake, N., -kên, K., geoorloofd of geregtigd maken of verklaren; over iets beschikken.

wêning : zie ning, II.

wuninga : zie uninga.

--- 388 ---

wanci : I. Kw. aard, geaardheid, inborst, gesteldheid. sawanci, naar gesteldheid. -mancèni, K.N. verbeteren. kuwancenan, verbeterd. II. K.N. tijd, uur. wanci sore, desavonds. wanci dalu, des nachts. wanci satêngah sanga, om halfnegen. wanci punapa, op welk uur? of hoe laat is het?

wancah : K.N. afgesneden; een in poëzie gebruikelijke, door afsnijding vna de eerste lettergreep verkorte vorm van een woord, b.v. thah, voor kathah, en bang, voor abang, -mancah, afsnijden; een woord in poëzie verkorten; een zaak afdoen; verbieden, beletten. -wancahan, verkort, van een woord in poëzie; b.v. têmbung wancahan.

wancak : Kw. weigerachtig, wederspannig.

wancak suji : Kw. een muur met traliewerk [vrg. pancak suji]. winancak suji, K.N. van een getralieden muur voorzien.

wande : zie warung en wurung.

wandu : Kw. een manwijf.

windu : K.N. een bij de Javanen gebruikelijke tijdkring van acht jaren, waarvan elk jaar een eigen van een Arabische letter ontleenden naam heeft. Deze namen zijn in volgorde: Alip, Éhé, Djimawal, Djé, Dal, Bé, Wawoe, Djimakir. sawindu, een WIndoe, d.i. acht jaar. kalih windu, twee Windoe's, d.i. zestien jaar. -windon, bij Windoe's, Windoe's lang.

wônda : Kw. gedaante, lichaam [Skr. bandha, het lichaam].

wondene : of wondening, zie bij ana.

wondèntên : zie bij ana.

wêndra : K.N. getal van tien millioenen. sawêndra, tien millioen [= sapuluh yuta]. kalih wêndra, twintig millioen. wêndran, tien millioenen, bij tien millioenen.

wanadri : zie wana.

windura : Kw. de vierde dag der nieuwe maan [= tanggal ping pat].

windik-windik : Kw. de hoogte, die een vogel in zijn vlugt bereikt.

wanita : Kw. alles te boven gaan, alles overtreffend.

windasa : Kw. de vijftiende dag der maan; volle maan [= tanggal ping limalas].

wandya : Kw. z.v.a. wande [= wurung en kandhêg].

wantu : I. Kw. de tijd. II. K.N. aard, geaardheid, gesteldheid; gewoonte, gebruik; omdat, dewijl [= adat]; terugkeeren; vermeerderen. wantu-wantu, gedurig. aanhoudend. III. K.N. het water, waarin rijst gekookt is.

wunta : Kw. staart.

wuntu : Kw. gevuld, vol zijn, toegestopt; doof zijn, niet hooren.

wantah : Kw. 1. overstroomen. 2. zamentreffen, vinden, ontmoeten. 3. regt voor de vuist, zonder omwegen; onbewimpeld, opregt [= wutuh, ora winadi, têtela en jawa, Skr. wântah, uitgebraakt].

wentehan : of wenteyan, K.N. 1. oorsprong, begin. 2. klaar, duidelijk. wêwentehan, duidelijk maken, zich iets duidelijk herinneren.

wontên : zie ana.

--- 389 ---

wantêr : K.N. vrijmoedig, vast beraden; stellig, zeker; moedig, dapper; krijgshaftig; vrijmoedigheid. samya wantêrnya, zij hadden gelijken moed. -wantêran, moed, dapperheid. -kawantêran, hetzelfde.

wêntar : Kw. gerucht, vermaardheid [= wartaning akèh]. -kawêntar, algemeen bekend, ruchtbaar, overal geprezen, vermaard; faam [= kapawarta ing akèh].

wuntat : Kw. achter [= wuri, wingking en ing buri]. tut wuntat, achter iemand gaan, volgen.

wêntis : K.h. [pupu, K.N.] dij, de dijen, de lenden.

wanti-wanti : K.N. gedurig, aanhoudend, herhaaldelijk. -mawanti-wanti, Kw. hetzelfde.

wêntala : Kw. een kwaad verduren, uithouden, niet bezwijken, volhouden [= bêtah ing ala].

wantilan : K.N. de paal, waaraan een olifant is vastgemaakt.

wanteyan : z.v.a. wenteyan, zie wentehan.

wenteyan : zie wentehan.

wênting : Kw. begin.

wintang : Kw. ster, sterren [= lintang, vrg. bintang].

wanwan : Kw. onvervalscht, onvermengd, echt.

wandhan : K.N. een moor met gekruld haar, een Papoea.

wandhawa : Kw. een bediende, die tot de familie van zijn heer behoort [Skr. bândhawa, een bloedverwant].

winjung : Kw. het onderkleed van een vrouw; ook naam van een onbekend boschwild.

wênyêd : K.N.; mênyêd, iets in de hand wrijven, aan stukken wrijven, vermalen.

wning : verkorting van wêning, zie ning, II.

waca : N., waos, K.; maca, N., maos, K. en K.h., lezen, hardop lezen, voorlezen, opzeggen, een gedicht zingende lezen [Sd. waca, maca, Ml. baca, membaca] of memaca], id.; Skr. watja, spreken; lezen]. mamaca, N., mamaos, K., hetzelfde. maca layang, N., maos sêrat, K., een brief lezen. -wacan, hetgeen gelezen wordt. layang wacan, een leesboek. aksara wacan, letters, die in gedichten gebruikt worden. -pamaca, lezer, voorlezer.

wêca : I. verkorting van wêkca, II. z.v.a. wacana of wêcana, taal, spraak, verhaal [Skr. wâtja]. -mêcakakên, iets met woorden te kennen geven.

wacana : of wêcana, Kw. taal, spraak; verhaal [= pangucap en ngandika, Skr. watjana, van watja; zie bij waca]. awacana, spreken, zeggen.

wêcana : zie wacana.

wicantên : K. [eig. van wicara, N.; gew. calathu, N.] spreken, zeggen, praten; uiten; aanspreken. -micantên, over of van iets spreken. kang winicantên, het voornoemde. -micantêni, iemand aanspreken, toespreken. -micantênakên, laten zeggen of spreken; iets zeggen. micantênakên awon, schimpen. -wicantênan, met een ander of met elkander spreken; redeneren; zamenspraak, gesprek. -pawicantênan, gepraat; zamenspraak, gesprek; spraak; woord, gezegde.

--- 390 ---

wacucal : zie walulang.

wicara : N. z.v.a. wicantên, [Ml. bicara], redenering, gesprek, raad, enz.; Skr. witjâra, redenering; van tjara; zie cara]. -micara, over of van iets spreken; redeneren, redekavelen. kang winicara, het voornoemde [amicara = wong kang luwih bisa apêpadon]. -pamicara, iemand, die in het spreken bedreven is; welsprekenheid, bekwaamheid.

wicaksana : ook bijaksana, K.N. schrander, kundig, bedreven, geleerd; een geleerde; ook is wicaksana, een titel, die aan den Gouverneur Generaal van Neêrlandsch Indiën gegeven wordt [= luwih pintêr, [Ml. bijaksana], Skr. witjaxana]. wicaksana yèn ngucap, bedreven in het spreken. -kawicaksanan of kabijaksanan, schranderheid, wijsheid, kunde, bekwaamheid.

wical : zie wilang.

wra : en awra, Kw. I. gelijk, effen. II. losgemaakt, los zijn [= ucul en udhar].

wrê : Kw. magt, gezag [= kawasa en wawêngku].

wre : Kw. aap [= kêthèk].

war : Kw. I. verloren; verliezen; verlies [= ilang]. II. bevel [= parentah].

wir : Kw. rijkdom, bezitting, vermogen [= kasugiyan en dêduwe].

wur : I. Kw. onbegrensd, ontelbaar [= tanpa wangênan en tanpa wilangan]. II. grondvorm van awur, mawur en wuwur.

wèr : Kw. I. uitgerekt, lang [= dawa]. II. een ligte vrouw, hoer [= sundêl].

wor : grondvorm van awor.

wara : Kw. I. groot, aanzienlijk; talrijk, in menigte [Skr. wâra, een menigte, troep, hoop]. II. een voornaam of voorzetsel voor eigennamen van helden en van aanzienlijke vrouwen [Skr. wara, uitgelezen, uitmuntend, voortreffelijk]. -prawara, de eerste, voornaamste; hoofd, aanvoerder [Skr. prawara, voortreffelijk, zeer uitmuntend]; ook eign. van een hoofd van Srawanti-poerå. III. ijdel, nietsbeduidend. pisaidwara, nietsbeduidende aangifte, d.i. aangifte van eenig geleden verlies, zoo als door diefstal of roof, waarbij de namen der daders niet opgegeven kunnen worden. layang pisaidwara, N., sêrat pisaidwara, K., het door de regtbank verleend bewijs van zulk een aangifte. layang undhang tatacara, zie bij tata. IV. verkorting van swara [= swara].

waru : naam van een boom, die bloemen draagt. kêmbang waru, de bloem van den Waroe, wordt als een zinnebeeld gebruikt van iemand, die geen deel aan iets neemt, die zich niet verantwoordelijk voor iets of iemand stelt.

wêru : naam van een boom met breede bladen [vrg. wiru].

wira : Kw. dapper, krijgshaftig; een held, krijgsman [= prajurit en tan gingsir, Skr. wîra]. wirayuda, een held in den oorlog. -prawira, K.N. een held [Skr. prawîra]. aprawira, als een held strijden, zich dapper betoonen. -prawirèng, [-...]

--- 391 ---

[...prawirèng,] naam van een soort van soldaten van den Vorst. -kaprawiran, heldhaftigheid.

wiru : K.N. vouw, plooi; ook naam van een boom met breede bladen [vrg. wêru]. -miru, vouwen, plooijen. -wiron, plooi, plooijen.

wire : Kw. fraai, schoon.

wuri : Kw. z.v.a. buri, N. achter [= ing wingking]. tut wuri, zie bij anut, -muri, volgen, navolgen. kawuri, winuri, nagevolgd, achtervolgd; achter, van achteren [kawuri = kapungkur].

wuru : K.h. [mêndêm, K.N.] dronken, bedwelmd; zeeziek; een roes [Sd. wêrêh, dronken. wêrêh laut, zeeziek]. -muroni of ngwuroni, bedwelming veroorzaken, dronken maken. wuru gêtih, bloeddronken.

wora : Kw. in menigte, overal.

wruh : zie wêruh, [= uninga].

wraha : z.v.a. waraha.

warah : K.N. leering, onderwijs, onderrigt; berigt. -marah, iemand iets zeggen, iemand onderrigten, berigten. warahên, geb. wijs. -marahi, iemand onderscheidene dingen zeggen, hem onderrigtingen, lessen geven.

warih : Kw. water [= banyu, Skr. wâri].

wêruh : ook wruh, N. [ook idhêp, N., uninga, K., pirsa en mirsa, K.h.] kennis; kennen, weten; te weten komen, vernemen; zien. awèh wêruh kênnis geven. wêruh ing duga lan prayoga of wêruh ing duga prayoga, bescheiden. ora wêruh, enz. onbescheiden. -kawruh, K.N. kennis, kunde, wetenschap. -ngawruhi, N., van iets kennis dragen of nemen, met iets bekend zijn, iets weten; bij iets tegenwoordig zijn, om er kennis van te nemen. ngawruhi ing sarira, zich zelf kennen. dèn kawruhi, l.v. kawruhan, bekend, ter kennis gekomen of gebracht. -mêruhake, met iets bekend maken, kennis van iets geven. -pangawruh, kennis, kunde, wetenschap [Sd. kunde, verstand]. -wruhan, ligt iets te weten krijgen; b.v. sijaya wruhan têmên, wat krijgt Djåjå ligt iets te weten! wruhanamu, gij moet weten, weet! [De oorspronkelijke beteekenis van deze spreekmanier schijnt moeijelijk te verklaren].

waraha : K.N. een wild varken, beer of everzwijn [Skr. warâha, een varken, zwijn].

wurahan : Kw. gedruisch, geraas, zoo als van een menigte menschen [= swara kang rame]. awurahan of mawurahan, geraas, gedruisch maken [awurahan = arame].

wiraos : zie wirasa.

wrahaspati : eign. van een priester [Het wordt verklaard door pandhita sawarga].

wrin : I. verkorting van wingwrin. II. Kw. weten. tan wrin, niet weten, onwetend, onkundig.

wrana : z.v.a. warana.

warna : I. Kw., warni, K. [rupa, N.] uiterlijk voorkomen, aanzien, gedaante, gestalte, vorm, figuur, fatsoen; kleur; soort [Sd.Ml.id., Skr. warna]. awarni, een gedaante hebben, van een gedaante zijn, van een soort zijn. awarni kapal, jalêr satunggil, awarni pangot, ênêm, aan paarden, een hengst; aan

--- 392 ---

krommessen, zes. warnia punapa-punapa, van wat soort het ook zij. sawarni, van een en dezelfde gedaante of kleur. sami warni, eenvormig. sawarninipun, al de soorten van, d.i. alle onderscheidene, alle. sawarninipun ing têtiyang, iedereen. warna-warna, N., warni-warni, K., veelkleurig, veelverwig; verschillende, verscheidene, menige. sawarni-warninipun, allerlei. -suwarna, Kw. van een goede of schoone gedaante, kleur of soort [Het wordt verklaard door rupa, rupane en kancan, Skr. soewarna, van een goede kleur; van een goed geslacht; schitterend; goud; enz.]. -marna, K.N. schilderen; voorstellen in een verhaal; verhalen. winarna, l.v. [= cinaritakake]. -marnani, uitschilderen, uitteekenen. -marnèkakên, K., gedaante geven; iets daarstellen, verwezenlijken; leveren. -pawarnèn, een gedaante, gestalte. II. warna, Kw. water [Skr. waroena], Tj. Sengk. vier.

warni : zie warna, I.

wêron : naam van een dronkenmakende plant.

wiron : zie wiru.

warana : K.N. 1. schutsel, beschutsel, schut, scherm. 2. werktuig, middel; door middel van; wegens, doordien, door dat [= aling-aling, kakêlir en sarat, Skr. warana, beschermend; wârana, bescherming; beschermmiddel]. -waranani, beschutten, een scherm voor iets zetten, bedekken.

wêrana : z.v.a. warana.

wrêna : K.N. een oorworm [vrg. rêna, II.].

wironda : Kw. vreugde, blijdschap.

wirandhungan : Kw. verlegen staan blijven, besluiteloos om verder te gaan; aarzelen, huiverig zijn [= mandhêg mangu en susah mandhêg mangu ing galih].

wurcita : Kw. verhaal [vrg. wursita]. -murcita, verhalen [= anganggit]. winurcita, lijd. vorm.

wor êsuh : z.v.a. wor suh.

warak : K.N. rhinoceros.

wêrak : K.N. edik, azijn, die van het vocht van den Arenboom gemaakt wordt.

wuruk : I. N. [of K.N.], wulang, K. [of K.h.], onderwijs, onderrigt, leer [Sd.id.]. wulang rèh, zedeleer; ook naam van een boek van Pakoe-Boewånå IV, dat zedelessen bevat. -muruk, N., mulang, K., onderwijzen, onderrigten, leeren, vermanen. mêmuruk en mêmulang, onderwijs geven. -muruki, iemand iets leeren. -wêwulangan leer; leerling. -pamuruk en pamulang, onderwijzing, vermaning; onderwijs; onderwijzer. pamuruk mêrdi, N., pamulang mêsa, K., zedeleer. -pawulang, onderrigt, onderwijs. -pamurukan en pamulangan, plaats waar onderwijs gegeven wordt, school. II. K.N. paardemenner, koetsier. III. naam van een soort van rottan. IV. K.N. groot, aanzienlijk, uitmuntend, zeer. wuruk bêgja, een groot geluk.

wrêkodara : eign. van den tweeden zoon van Pandoe, ook Bimå genaamd [Skr. wrekôdara, d.i. wolfsbuik].

wrêksa : Kw. hout, boom, bosch [= kayu gêdhe [gê...]

--- 393 ---

[...dhe] of kêkayon gêdhe, Skr. wrexa, een boom in het algemeen].

wrêda : of wêrda, Kw. oud, afgeleefd [Skr. wreddha,wreddhah: vrg. wrêdah]. awrêda, een oud voorkomen hebben, er oud uitzien.

wrêdi : of wardi, Kw. meening, beteekenis [= jarwa].

wrêdu : of wêrdu, Kw. een bloedzuiger [= lintah].

warda : Kw. gunst.

wardi : zie wrêdi.

wêrda : zie wrêda.

wêrdu : zie wrêdu.

wurda : Kw. duizendmaal tien duizend; een ontelbaar getal, ontelbaar [Het wordt verklaard door 1000000000, d.i. duizend millioenen, en door tan kêna diwilang].

warid : K.N. gezegde.

wiruda : Kw. kwaad, toornig, boos [van ruda, met het voorzetsel wi, Skr. wiroedha, tegenovergesteld, tegenstrijdig, vijandig].

wrêdah : of wêrdah, Kw. een oud man, die veel ondervinding heeft [vrg. wrêda].

wradin : zie warata.

wêrdèn : K.N. vruchtbaar zijn (van eene vrouw), veel kinderen hebben, rijk aan kinderen zijn.

waradin : zie warata.

wirodra : Kw. woedend driftig, woedend kwaad [= luwih galak, van rodra, met het voorzetsel wi].

wardaya : Kw. het hart, gemoed [= ati en budi].

wrat : I. grondvorm van awrat, zie boven. II. Kw. bloem.

writ : zie wêrit.

wrata : zie warata.

warta : N., warti en wartos, K., wat men vertelt, tijding, nieuws, berigt, gerucht [Sd.Ml.id.; Skr. wârta]. awarta of wêwarta, N., awarti of wawarti en awartos of wawartos, K., nieuws mededeelen, vertellen, berigten. kawarta, N., kawarti en kawartos, K., als nieuws verteld; vermaard, beroemd. -mamarta, N., mamarti of mamartos, K., een nieuws vernemen, geloof aan een gerucht slaan. -martani, N., martèni en martosi, K., iemand iets vertellen, berigten. kawartanan of winartanan, N., kawartanan of winartenan en kawartosan ofwinartosan, K., een tijding of berigt ontvangen. -pawarta, N., pawarti, en pawartos, K., tijding, nieuws, berigt, gerucht, mare.

warti : zie warta.

wêrta : z.v.a. warta.

wêrti : z.v.a. warti.

wêrit : of writ, K.N. heilig, een heilig ontzag verwekkend, ontzaggelijk, huiveringwekkend [= kang luwih angkêr]. wana wêrit, een huiveringwekkend woud.

warata : of wrata, N., waradin of wradin, K., effen, gelijk; algemeen, overal [vrg. rata]. -mratani, N., mradini, K., gelijk maken; zich naar alle kanten verspreiden; een geheele vlakte of een geheel land beslaan. -mratakake, N., mradinakên, K., algemeen maken, overal verspreiden, uitbreiden.

wirtika : Kw. de wereld [= jagad].

--- 394 ---

wratana : verkorte geb. wijs van mawrati, zie awrat.

wartos : zie warta.

wêrtos : z.v.a. wartos.

wratsari : naam van een bloem.

wrêsa : z.v.a. warsa, I.

wrêsi : z.v.a. wisa, I.

warsa : Kw. 1. regen. 2. jaar [= udan en taun, Skr. warsa]. angkaning warsa, jaartal. sabên warsa, jaarlijks. -mawarsa, het vallen van den regen. -kapawarsan, beregend, door den regen nat gemaakt [= kajawahan].

waras : N., saras, K., genezen, hersteld, gezond; beteren [Sd. gezond]. -maras, K.N. herstellen. -marasake, N., nyarasakên, K., iemand van een ziekte doen genezen, doen herstellen. -kawarasan, N., kasarasan, K., herstelling, genezing, beterschap, gezondheid.

waris : K.N. erfgenaam; erfenis; een erfenis aanvaarden [Ar. waarits], erfgenaam; Sd.Ml.id.]. tômpa waris, N., nampèni waris, K., erven. ahli waris, zie ahli, maris, zijn bezittingen bij uitersten wil verdeelen; erven. -warisan, erfenis, nalatenschap. -pamaris, testament.

wirasa : N., wiraos, K., taal, wat gezegd wordt; zin, inhoud, b.v. van een brief [van rasa, met het voorzetsel wi, Vrg. surasa, bij rasa]. -mirasa, N., miraos, K., van iets spreken, vermelden, den inhoud opgeven.

wor suh : zie suh.

wrêsni : Kw. schoonbroeder, zwager [Skr. wresni, vergramd, driftig; kettersch, een ketter]. wrêsniwira en wrêsnirota, bijnamen van Setyaki.

wrêsini : eign. der vrouw van Setadjid.

warsiki : eign. van een Widådari.

warsakusuma : eign. van een zoon van Karnå.

wrêsti : Kw. regen [Skr. wresti].

wursita : mursita, z.v.a. wurcita, murcita.

warastra : Kw. scherp, snedig, puntig; een scherp en puntig wapen [= lêlandhêp, vrg. astra, en wastra].

wrêsipati : Kw. de naam der plaats, waar zich de regen bevindt, voor dat die op de aarde neêrvalt.

warsaya : eign. van een Vorst van Lokå-poerå.

wirasaba : naam van een distrikt op Java.

wirasôngka : eign. van den jongsten zoon van den Vorst van Wiråtå.

wariwi : Kw. schrift in zilver gegraveerd, volgens de Dåså-nåmå.

wira-wiri : K.N. [bola-bali, N., wangsal-wangsul, K.] heen en weêr gaan, heen en weêr wandelen.

wora-wari : naam van een bloem met groote bladen. wora-wari bang, dergelijke roode bloem, die geen geur heeft.

wiradha : Kw. drift, toorn [= pasrêngênan, Skr. wirâdha, tegenkanting]; ook eign. van een persoon.

waruju : Kw. het jongste kind; de jongste vrouw, of de vrouw van den minsten rang [= kang wuragil].

warjana : Kw. bekwaam, bedreven, kundig, geschikt.

--- 395 ---

wrêjit : of wêrjit, Kw. worm [= cacing].

wirya : Kw. rang, aanzien, een hooge bediening, voorspoed, geluk [= mukti, en kasugiyan, Skr. wîrja, vermogen, magt, waardigheid, luister, heldhaftigheid]. -kawiryan, geluk, voorspoed, roem [= kalungguhan]; geëerd, voorspoedig. -wiryawan, welvaart [Skr. wîrjawân, sterk, krachtig; stoutmoedig].

wuryan : Kw. aangenaam, vermakelijk; ook z.v.a. kawuryan, hetgeen nieuw is; gezien worden, zigtbaar zijn [= anyaran en katingalan].

wirayat : K.N. overlevering; de leer der ouden; voorspelling [verbastering naar het schijnt van riwayat].

waryya : Kw. wapen [= sanjata].

wrayang : z.v.a. warayang.

warayang : naam van een soort van pijlen: zie de afbeelding bij Raffles, History of Java [= panah].

wirama : Kw. de maat van een gezang [= laguning gêndhing, Skr. wirâma, pauze tusschen woorden of zinnen].

wirumaya : eign. van een hoofd van booze geesten.

wrêg : zie wêrêg.

wraga : zie warga.

warga : of wraga, Kw. tot een huisgezin behooren [= sanak, Skr. warga, een klasse van dingen of wezens]. kadang warga, zie kadang, kulawarga, of kawulawarga, al de leden van een familie of huisgezin [= sanak kadang]. -kawarga, tot de familie gerekend worden. kula kawraga, of kawula kawraga, verre nabestaanden, die tot bedienden gebruikt worden.

wêrga : z.v.a. warga.

wêrgu : naam van een boom.

warêg : N. [tuwuk, K.] verzadigd, zat zijn. awarêg, zich verzadigen. -marêgi, iemand verzadigen, volop te eten geven. marêgake, met spijzen iemand verzadigen. -kawarêgên of kuwarêgên, ten volle verzadigd zijn, overgenoeg gegeten hebben.

wêrêg : of wrêg, Kw. woest, wild, wreed [= galak, wasesa, gègèr, kagegeran, rame en baribin].

wiraga : Kw. een betamelijke houding van het lichaam, bevalligheid, bekoorlijkheid, voornamelijk van een schoone vrouw [= agawe polah, Skr. wirâga, het ontslagen zijn van alle zinnelijke neigingen en driften; van raga, met het ontkennend voorzetsel wi].

wirage : Kw. verliefdheid.

waragan : Kw. ontsteld, verschrikt; schrik, ontsteltenis.

wragad : K.N. kosten, onkosten. ora nganggo wragad, N., botên mawi wragad, K., kosteloos. -mragadi, bekostingen, onkosten doen.

wragat : K.N. belasting. -mragati, belasten, een belasting op iets leggen.

wragil : zie wuragil.

wêrgul : K.N. een ree.

wuragil : of wragil, K.N. het jongste kind; de jongste of minste in rang der vrouwen van een man [vrg. ragil]. -pamuragil, id.: de jongste, het jongste kind.

--- 396 ---

waragang : Kw. elke sterke drank, arak; bijzonder het dronkenmakende vocht van den Arenboom [= arak].

wiratha : naam van een rijk en rijkszetel in de Bråtåjoedå [Skr. wirâta]. putra wiratha, de zoon of zonen van den Vorst van Wiråtå.

warang : verkorting van waranggana, -warangan, zie beneden.

warung : N., wande, K., een winkel, een kleine winkel naast den weg, waar levensmiddelen en andere kleinigheden verkocht worden [Sd.id.,Ml. barung]]. -marung, een Waroeng opzetten.

warèng : I. naam van een boom. II. naam van een soort van kleine hanen. III. K.N. een afstammeling of kind in het vijfde lid.

wêrêng : K.N. ongedierte, dat de boomen besehadigt.

wirang : K.N. [isin, N., lingsêm, K.] schaamte; eergevoel; beschaamd. -mirang, zich schamen, blozen. -mirangi, beschaamd maken. kawirangan, beschaamd gemaakt; beschaamdheid; hoon. -mirangake, N., -kên, K., iemand met iets beschaamd maken; onteeren. -wirangan, zedig; schaamte, beschaamdheid. -wirangngrong of wirangrong, schaamte met droefheid vermengd [Het wordt verklaard door kaedanan tiyang èstri].

wurung : N., wande en sande, K., niet doorgaan, geen plaats hebben, niet geschieden; verijdeld. ora wurung, N., botên wande of botên sande, K., het faalt niet, het zal zeker geschieden. -murungake, N., mandèkakên, of nyandèkakên, K., geen plaats doen hebben, niet laten doorgaan, intrekken, herroepen, afzeggen, verijdelen. -pamurung, middel tot verijdeling.

wringin : z.v.a. waringin.

waringin : naam van een boom, de ficus indica, ook wonderboom genaamd [Ml. beringin]]. ringin kurung, een omheinde Waringin-boom, die in het midden van het plein vóór het vorstelijk paleis staat.

wirangrong : zie wirang.

wrôngka : z.v.a. warôngka.

warôngka : N. [sarungan, K.] 1. een degen- of krisschede. 2. gevangenis [= kunjaran]. -wrangkan, de schacht van een geweer; ook een gevangenis. -mrangkani, een kris van een schede voorzien. -mrangkakake, in de schede steken.

wrêngkêng : K.N. blind op iets losgaan, een gevaar trotseren.

wrêngêt : naam van een wormpje, dat het papier beschadigt [vrg. rêngêt].

wrangas : z.v.a. warangas.

warangas : K.N. witte mier.

wranggana : verkorting van waranggana.

waranggana : Kw. een hemelsch wezen van het vrouwelijk geslacht, hemelsche nimf, Widådari [= widadari, Skr. warângganâ, een beminnelijke vrouw].

wiringgalih : K.N. een haan met roode veêren en zwarte pooten, die bijzonder geschikt is, om als vechthaan gebruikt te worden.

warangan : N., awisan, K., rottekruid,

--- 397 ---

arsenicum [Sd.Ml.id.]. -marangi, met rottekruid vergiftigen.

wirungan : K.N. koelbak, koelvat in een smederij. -pawirungan, smederij.

wirangrong : zie wirang.

wak : verkorting van awak.

wuk : of uwuk, I. K.N. een verrot ei. II. Kw. vergaan, te niet gaan, verdwijnen, Tj. Seng. Nul [= rusak, wurung en ora dadi]. -wukkên, doen te niet gaan, verijdelen.

wok : of uwok, K.N. het haar op de borst; een baard onder de kin; de baard van een haan; de jonge loten of uitspruitsels van een Waringinboom. waringin wok, naam van een Waringinboom op de Aloenaloen van de Kraton te Soerakarta.

waka : verkorting van pawaka.

wêka : Kw. kind [= anak]. wêwêka, een kind verwekken, baren.

wêki : Kw. 1. vol, gevuld [= kêbak]; 2. verlegen. -kawêkèn, verlegen zijn, in verlegenheid zijn.

wika : Kw. 1. pijl. -2. vervolgens, daarna.

wiku : Kw. priester, geleerde, heilige [= pandhita].

wuku : I. Kw. een tijdperk van zeven dagen. Er zijn dertig Woekoe's, waarover even zoo veel godheden staan, die de zeven dagen der week regeren. Op de eigenschappen, die aan elk van deze Woekoe's en godheden toegekend worden, berust het stelsel, waarnaar de Javanen de gelukkige en ongelukkige dagen berekenen en andere voorspellingen omtrent de toekomst doen. -wukon, hetgeen tot de Woekoe betrekking heeft; voorspelling naar de Woekoe doen, waarin iemand geboren is; horoskoop. tingalan wukon, feestviering van iemands Woekon. -pawukon, het stelsel der kunst van voorspelling; een boek, waarin de Woekoes en de voorspellingen, die daarnaar berekend worden, zijn opgeteekend; horoskoop. tingalan dalêm pawukon, de Pawoekon-dag van den Vorst. II. K.N. het zaad of de korrels van Kapas [= isining kapas, [Ml. buku], korrel, b.v. van zout]. timun wuku, komkommer. uyah wuku, grof, gekorreld zout, dat aan het Noorderstrand bereid en zoo genoemd wordt, omdat de korrels ongeveer zoo groot zijn, als de pitten van de Kapas. Het is beter, dan het uyah tampêr.

weka : Kw. behoedzaam, voorzigtig, bedachtzaam. wêweka, weweka of wiweka, K.N. met behoedzaamheid te werk gaan, voorzigtig zijn; behoedzaamheid, voorzorg.

wikan : Kw. kennis; kennen, weten [= wêruh]. -mikan, bewustheid hebben, met kennis iets verrigten. -mikani, te kennen geven. -ngawikani, kennis van iets dragen of nemen.

wikana : Kw. niet weten, onkundig zijn; ofschoon, alhoewel.

wêkca : K.N. waar, wezenlijk, opregt [vrg. wêca].

wakur : Kw. lagehen [= gumuyu].

wukir : Kw. berg [= gunung]. wukir jaladri, naam van een zekere slagorde. -wêwukiran, een schoone gedaante [Het wordt verklaard door gêgunungan].

--- 398 ---

wikara : Kw. I. toornig, kwaad, kwaadheid [= galak en duka, Skr. wikâra, gemoedsbeweging, drift]. II. [= tumama]; mikara, raken, treffen, door de huid gaan. III. bedaardheid, voorzigtigheid [= sumêlang, of raringa]. abang anir wikara, benaming ban een verrtigtal soldaten van den Vorst.

wikridita : Kw. een tijger die jongen heeft [= macan anak-anak].

wikrama : verkorting van triwikrama, [Skr. wikrâma, heldhaftigheid]. -wikraman, oorlog; slagveld [= paprangan].

wik-uwik : K.N. met een vinger aanraken, aantikken.

wèk-uwèk : of uwèk-uwèk, K.N. het gesnater van een eend; snateren als een eend.

wakêd : z.v.a. wakêt.

wakta : Kw. zich verliezen, verdwijnen.

waktu : of wêktu, [Ar. waqtu], K.N. tijd, tijdstip; termijn; de bepaalde tijd van het verrigten der vijf dagelijksche gebeden; het gebed op den bepaalden tijd verrigten [Sd.Ml.id.].

wêktu : zie waktu.

wakêt : K.N. grens, grensscheiding. -makêti, een grens bepalen.

waktan : Kw. zeggen, spreken [Skr. waktre, waktâ, sprekende, spreker].

waktra : Kw. gelaat, aangezigt [= rêrai, wadana, pangarêp en nayaka, Skr. waktra, aangezigt].

wêkas : I. N. [wêling, K.] bestelling, last, boodschap, commissie; alles wat men iemand zegt of in last geeft bij het heengaan. -wawêkas of mêkas, bestellen, last geven. kawêkas, l.v. Sang Hyang Suksma Kawêkas, zie sukma, mêkasi, iemand iets opdragen; een bestelling geven, met iets belasten. II. K.N. einde [vrg. pungkas]. wêkasing jagad, het einder der wereld. wêkas kilèn, het westelijk einde. wêkasing gêsang, het einde des levens, d.i. de dood. -mêkasi, of ngwêkasi, ten einde brengen, eindigen, besluiten. kawêkasan, ten einde gebracht, voltooid; uitkomst. -wêkasan, het einde; de (of het ) laatste, achterste; ten laatste, eindelijk. tanpa wêkasan, zonder einde, oneindig, onmetelijk. wêkasane of ing wêkasane, eindelijk. -pamêkas, de laatste, achterste, jongste. -pamêkasan, naam van een klein vorstendom op het eiland Madura.

wakil : K.N. vertegenwoordiger, gemagtigde, gevolmagtigde, gelastigde, zaakwaarnemer, advocaat [Ar. wakiil]; Sd.Ml.id.]. awakil, een vertegenwoordiger gebruiken, zich vertegenwoordigen laten. -makili, voor een ander iets waarnemen, iemands persoon vertegenwoordigen.

wakul : K.N. een mandje, waarin gekookte rijst gedaan wordt [Ml. bakul], een mand, een ben].

wêkêl : K.N. eerlijk, braaf, opregt; regtzinnig.

wakaf : [Ar. waqf], een gift of legaat tot een liefdadig doel; een fonds, een stichting.

wekya : z.v.a. wiku.

--- 399 ---

wad : Kw. uitkomen, naar buiten komen [= mêtu].

wod : 1. z.v.a. wot, 2. Kw. wortel, in proza buiten zamenstelling niet in gebruik. woding atiku, wortel van mijn hart, een uitdrukking van lief kozing, zoo als wij zeggen appel van mijn oogen.

wada : Kw. gebrek, fout [Skr. wâda, bespreking, verhandeling; aanklagt, beschuldiging]. dhêndhawada, K.N. berisping; berispen, kastijden met woorden. -mada, iemand gebrekkig noemen, laken, berispen, minachten, verachten, smaden; spotten. -madani, iemand smaden, smadelijk, verachtelijk behandelen.

wadi : N., wados, K., geheim, geheimenis, verborgenheid. awadi of wêwadi, N., awados of wawados, K., een geheim hebben, een geheim bewaren. -ngwadi, N., ngwados, K., geheim houden. -madèni, N., madosi, K., iemand een geheim toevertrouwen. -ngwadèni, N., ngwadosi, K., voor iemand geheim houden. -winadenan, iets dat geheim gehouden wordt. -madèkake, N., madosakên, K., een geheim van iets maken. -suwadi, suwados, zie boven.

wadu : z.v.a. wadya, [Het wordt verklaard door bala wadon, Skr. wadhoe en wadhoê, een vrouw. Vrg. wadhu]. -wadon, zie beneden.

wade : zie sade.

wêdi : N., wêdos, K. [gew. ajrih, K.] vrees, schroom; bevreesd, bang; vreezen, schroomen. wêwêdi N., wêwêdos, K., schrikverwekker. -mêdi, voor iets vreezen. mêmêdi, N., mêmêdos, K., een spook, spooksel. -mêdèni, N., mêdosi, K., bevreesd maken, bang maken, schrik aanjagen; voor iets vreezen. -mêdèkake, iemand met iets bevreesd maken. -wêdèn, bevreesd. -kawêdèn, bevreesdheid, vrees.

wida : Kw. bloem; welriekende zalf; blanketsel; een welriekende olie; een aangename geur, reuk [= dhèdhès].

widi : Kw. hoog, verheven. Sang Hyang Widi, de verhevene Godheid [Skr. widhi, bepaling, bestemming, noodlot; ook naam van Brahmâ en van Wisnoe].

wuda : N. [lukar, K.] naakt, bloot, ontbloot. awêwuda, naakt zijn. muda, zich outblooten, naakt uitkleeden. -mudani, iemand ontblooten, naakt uitkleeden. kawudan, naakt uitgekleed.

wudi : naam van een onbekenden boom.

weda : Kw. schuw, schuchteren. -praweda, zie beneden.

wèdi : Kw. duurzaam, bestendig, getrouw. saudara wèdi, een getrouwe vriend.

wadon : N. [èstri, K.] vrouw; vrouwelijk [van wadu, Vrg. wadok en wedok]. anak wadon, een dochter. bocah wadon, een meisje. jaran wadon, een merrie. asuwadon, een teef. tiyang wadon, een vrouwspersoon; ook de vrouw van een man. kaya wadon, verwijfd. -madon, neiging tot vrouwen hebben, wellustig [wel...]

--- 400 ---

[...lustig] zijn. -wawadonên, zich geheel aan de vrouwen overgeven; onkuisch. -pawadonan, de vrouwelijke schaamdeelen. -kawadonan en kuwadonan, hetzelfde.

wêdèn : zie wêdi.

wudun : K.N. [untar, K.h.] zweer, buil, puist, bloedzweer, steenpuist. -wudunên, steenpuisten, bloedzweren hebben.

wadana : K.h. [rai, N. of K.N., ulat, K.N.] gezigt, gelaat, aangezigt; ook hoofd, opperhoofd, als titel van de hoogste beambten onder den rijksbestierder [= rarai en pangarêp of pangajêng, Skr. wadana, het aangezigt; en de top of spits van een driehoek]. wadana jêro, N., wadana lêbêt, K., de (vier) binnen-Wadånå's; en wadana jaba, N., wadana jawi, K., de (vier) buiten-Wadånå's. Deze 8 Wanånå's zijn de Najåkå's of rijksraden. wadana jêksa, de hoofddjekså, d.i. de voorzitter van de Pradåtå. -madana, iemand Wadånå noemen, als hoofd over zich erkennen. -madanani, als hoofd over anderen gebieden, gezag uitoefenen.

wadêr : naam van een riviervisch. wadêr pari, rog.

widara : naam van een boom [Ml. bidara]]. widara putih, de vrucht van den boom van gelijken naam, die tot medicijn dient.

widura : eign. van den jongeren broeder van Deståråtå [Skr. widoera].

widuri : I. Kw. plant, planten. II. naam van een edelgesteente, een soort van saffier, de katoog [Ml.id.].

wêdrak : z.v.a. wêdrug.

wêdrug : K.N. vuiligheid op den grond.

wadok : z.v.a. wadon.

wuduk : naam van een spijs; rijst in kokosmelk gekookt.

wedok : z.v.a. wadon. bocah wedok, een meisje. batur wedok, een dienstmeid.

widadara : N., widadari, K., en gew. widadari, K.N., ook, en eigenlijk, widyadari, een hemelsch wezen van het vrouwelijk geslacht, een hemelsche nimf, hemelnimf, engelin [wong wadon ing swarga, Sd.id.; [Ml. bidyadari]; Skr. widyâdhara, een luchtgeest, een halfgod van een bijzondere soort]. -midadarèni, benaming van het gezelschap, dat den laatsten avond voor het voltrekken van een huwelijk gehouden wordt, en van de daarbij gebruikelijke plegtigheden.

wêdidang : K.N. dije, dijen.

wadat : K.N. een ongetrouwd leven leiden; coelibaat; kuischheid; kuisch [Ar. wahdat] eenzaam leven].

wadata : Kw. bijzit, bijwijf.

wados : zie wadi.

wêdos : zie wêdi.

wadal : I. K.N. gemeen, groot, lomp [= ala]. gula wadal, een groot stuk suiker. II. z.v.a. wadol. awadal umuripun, zijn leven voor een ander opofferen.

wadol : Kw. plaatsvervanger, plaatsbekleeder [vrg. wadal, II.].

wadul : K.N. aanbrenging; aanbrengen, verklikken [vrg. adul-adul]. -madulake, N., -kên, K., iemand aanbrengen, verklikken, [verklik...]

--- 401 ---

[...ken,] lasteren. -wadulan, aanbrenging, achterklap, laster.

wêdal : zie wêtu.

wêdêl : K.N.; mêdêl, blaauw, blaauwzwart vervien. -wêdêlan, een verfpot; blaauwverfwerk, het werk van een blaauwverwer; blaauw geverwd; b.v. kulambi wêdêlan, blaauwgeverwde buis.

wadya : Kw. volk, krijgsvolk, troepen, leger, heer [= prajurit en kula santana, Skr. awadya, laag].

wedya : Kw. zonde, misdaad.

wadayaka : Kw. keuvelen, praten.

widayaka : bijnaam van Adji-Såkå.

widyadari : zie widadara.

widayat : Ar. [?] een groote gunst.

widigda : en widagdya, Kw. groote magt, het vermogen om groote daden te doen [Skr. widagdha, scherp; slim, bedreven, listig].

widagdya : zie widigda.

wadung : K.N. een (groote) bijl. -madung, met een Wadoeng werken, hakken, kappen. madung pari, rijst met een Wadoeng kappen; iemand mishandelen. -madungi, meerv.

wedang : zie we.

wat : I. K.N. kort na de zwangerschap, ontijdig bevallen. II. Kw. thans, tegenwoordig.

wit : I. grondvorm van awit en wiwit. wit saking, z.v.a. awit saking, zie awit. II. wit of uwit, K.N. [kayu, N., kajêng, K.] boom, plant. -wit-witan of uwit-uwitan, geboomte, boomgaard; verzameling van plantgewassen.

wot : of uwot, K.N. vonder, een smalle brug over een sloot. -nguwot, over een vonder gaan. -nguwoti, over een vonder gaan. -nguwoti, van een vonder voorzien, ergens een vonder over leggen. diwoti, l.v.

wati : Kw. het uitspansel, het heelal, de wereld [Skr. wâti, lucht, wind. Ook is watî het vrouwelijk van wat, een uitgang, die z.v.a. hebbend, bezitter, beteekent. Zoo ook in Kawiwoorden, b.v. in cakrawati, van cakra, en andere].

watu : N. [sela, K.] steen [Sd.Ml. batu]. -waton, steenachtige plaats [zie ook beneden].

wêtu : N., wêdal, K. [wiyos, K.h.], uitkomst. wêtuning dhuwit, N., wêdaling yatra, K., uitgaaf. wêdaling rêmbulan, opkomst van de maan. -mêtu, N., mêdal, K., uitkomen, naar buiten komen, voor den dag komen, te voorschijn komen, opkomen, voortspruiten; uitgaan; opbrengen, betalen. mêtu ing dharat, over land. mêdal ing sagantên, ter zee, zeereis. -kawêtu, N., kawêdal, K., uitgekomen, geuit, uitgesproken. -mêtoni, N., mêdali, K., tot iets, b.v. ten strijde, uitgaan; tot iemand naar buiten komen; tegengaan, tegemoet gaan. -mêtokake, N., mêdalakên, K., doen [...]-omen, doen uitgaan, naar buiten brengen, uitbrengen, naar buiten geleiden; voortbrengen; uitschudden; bevrijden; uitgeven; laten betalen. -pamêtu, N., pamêdal, [pamê...]

--- 402 ---

[...dal,] K., opbrengst van een land of boom, voortbrengst. -wêton, N., wêdalan, K., geboorte, plaats of tijd van iemands geboorte. dina wêton, N., dintên wêdalan, K., verjaardag. tingalan wêton, N., tingalan wêdalan, K., geboortefeest. wêwêton, opbrengsten.

witi : Kw. naauwkeurig onderzocht [= kang tinitèn, Skr. witti, onderzoek, navorsching, beoordeeling].

wuta : Kw. [of K., picak, K.N. of N., buwanan, K.N.] slecht van gezigt, blind [Ml. buta]].

wêtah : zie wutuh.

wutah : ook utah, K.N. uitgegoten, uitgestort; verspild, verkwist; het storten, uitstorten; storten, uitstorten. awutah rah, bloedstorten. tanah wutah gêtih, N., tanah wutah rah, K., het land, waar het bloed (bij de geboorte) gestort is, d.i. de geboortegrond, het vaderland. -mutah, N. [nuntak, K.] spuwen, overgeven, braken; verkwisten, verspillen. sarat mutah, een braakmiddel. mutah latu, vuurspuwen. -mutahi of angwutahi, bestorten. -ngutahi, ergens op of in braken. -ngutahake, N., -kên, K., iets uitbraken; doen braken. -mutahake of ngwurahake, N., -kên, K., iets storten, uitstorten.

wutuh : N., wêtah, K., heel, geheel, gansch, nog in zijn geheel zijn, ongeschonden, onbeschadigd, onaangebroken, onaangesneden. uwutuh, N., awêtah, K., in zijn geheel laten, er niets van afsnijden. -mutuhake, N., mêtahakên, K., zorgen dat iets ongeschonden blijft, iets in zijn geheel bewaren. -wutuhan, N., wêtahan, K., iets, dat zich nog in zijn geheel bevindt.

watun : K.N.; matun, wieden.

waton : K.N. I. rand, zoom, omtrek; het raam of de omtrek van een rustbank; rustbank, bed. II. grond van een stelling; instelling, bepaling, wet, vaststelling. wêwaton, instelling; bepaling maken.

wetan : K.N. oost, het Oosten, oostelijk [Sd.id.]. tanah wetan, de oostelijke landen. sawetane, beoosten, ten oosten van. bang wetan, de oostkant, aan den oostkant gelegen. -ngetan, en gew. pangetan, naar het oosten, oostwaarts. -pangetan, het oostwaarts gelegene. -mangetanake, N., -kên, K., oostwaarts doen gaan.

witana : Kw. een vorstelijke zetel of troon [= dhêdhampar en sasaka wolu, Skr. witâna, een verhemelte, troonhemel]. bangsal witana, naam van een gebouw op de Sitihinggil van de Kraton te Soerakarta, dat op acht pilaren rust en van alle kanten open is.

watir : N., watos, K., ongerust, beducht voor gevaar; ongerustheid. -kuwatir, N., kuwatos, K., zie boven. -mutawatir, N., mutawatos, K., gevaarlijk, waar gevaar te duchten is; gevaarlijkheid.

watara : of wêtara, N., watawis of wêtawis, K., tusschenruimte, tusschentijd; meening, gissing, vermoeden; omtrent. awatara, N., awatawis, K., schatten, gissen, denken. sawatara, [sa...]

--- 403 ---

[...watara,] N., sawatawis, K., naar gissing; omtrent; eenige. sawataraku, N., sawatawis, K., naar mijn meening, naar mijn gedachte. uwoh sawatara, eenige vruchten. -matara, N., matawis, K., gissen, schatten, vermoeden. -pamatara, N., pamatawis, K., gissing.

witarêdya : Kw. edel van geboorte, uitmuntend, voortreffelijk.

watak : of watêk, I. Kw. geluid. -matak of matêk, geluid geven, uitspreken, doch alleen van tooverwoorden of gebeden, die een bovennatuurlijke kracht moeten hebben. II. K.N. gang, reis; aard, hoedanigheid, inborst, geaardheid, aanleg. -watêkan, aard, karakter. III. Kw. allen, gezamentlijk.

watuk : K.N. hoest; hoesten [Sd.Ml. batuk].

watês : K.N. grens, perk, grensscheiding, grenspalen [Sd.id.;Ml. batas]. Vrg. wangkid]. tapêl watês, zie tapêl, II. -matêsi, aangrenzen, belenden; de grens aanwijzen, bepalen. -watêsan, 1. grensbepaling, bepaalde grens. 2. K. [sêmôngka, N. of K.N.] naam van een soort van meloen, een watermeloen.

watos : zie watir.

wotsinom : wotsari of wotsantun, en wotsêkar, Kw. eerbied betoonen, door de handen aan elkander te voegen, en die zoo naar het voorhoofd te brengen, zoodat de toppen der duimen de punt van den neus raken [= manêmbah].

wotsantun : zie wotsinom.

wotsari : zie wotsinom.

wotsêkar : zie wotsinom.

wêtawis : zie wêtara.

witya : Kw. altoos, eeuwig.

watugunung : eign. van een Vorst van Giling-Wesi; ook naam van een Woekoe [= baboning wukon]. Namelijk van dezen door God Wisnoe overwonnen Vorst en van zijn 27 zoons en twee vrouwen zijn de namen der dertig Woekoe's ontleend.

watgata : Kw. I. geraakt; gekwetst. kawatgata, hetzelfde. II. onmiddellijk, oogenblikkelijk, dadelijk [= sadhela en tan antara].

watang : I. Kw. lans, piek. K.N. tournooi-spel [= tumbak en main sodor sanginggiling kapal, [Ml. batang], een stok of staak]. -matang, met een lans steken. -pamatang, het steken met een lans. -watangan of pawatangan, tournooispel, de plaats waar men elkander met lansen steekt; tournooiveld, ook benaming van de Aloenaloen. watangan, ook K.h. [bêdudan, K.N.] een amfioenpijp; ook eign. van een zoon van Lawe, een hoofd, een hoofd van Toeban. prabot watangan, tournooituig, benaming van het paardetuig, dat bij de Tournooispelen, die nademiddags door den Vorst op de Aloenaloen gehouden worden, gebruikt wordt en van het dagelijksche veel verschilt. Alleen ambtenaren mogen hun paarden daarmeê tuigen; en bruidegoms op den dag van hun huwelijk. Behalven bij het tournooispel wordt dit tuig ook gebruikt 's Maandags en Dondags, [Don...]

--- 404 ---

[...dags,] wanneer de Vorst gewoon is zich in staatsie aan zijn onderdanen te vertoonen. II. K.N. kreeft. Zoo ook urang watang, timun watang, naam van een groote soort van komkommers.

wêtêng : K.N. [padharan, K.h.] de buik. -mêtêng, een buik hebben; [wawrat, K., bobot, K.h.] zwanger; zwanger zijn; graan vóór dat de aren uitkomen. -ngêtêngi, een buik maken, bezwangeren. -ngêtêngake, zwanger maken, bevruchten. -wêtêngan, zwangerheid, waar een vrouw zwanger van is. -pamêtêng, zwangerheid, zwangerschap.

was : I. z.v.a. uwas, was-was en was-uwas, z.v.a. uwas-uwas. II. K.N. niet opregt, onopregt, valsch.

wis : I. verkorting van cawis. II. wis of uwis, ook, poëtisch en deftig, wus en uwus, N. [sampun, K., êmpun, Md.] afgedaan, afgemaakt, gedaan; reeds, alreeds, bereids; geleden, voorleden; volkomen, volmaakt [Sd. gês, [Ml. habis]]. sawise, met het afgedaan zijn van; nadat, na; daarna. ora uwis-uwis, nimmer afgedaan, gedurig. -nguwis, ten einde brengen. -nguwisi, en nguwusi, aan iemand of iets een einde maken, voleinden, gedaan maken, afdoen; afdoende; afmaken, dooden. kauwisan, kauwusan of kawisan, afgedaan, afgemaakt, gedood. -nguwisake, voleinden, afmaken; iemand dooden. wisan, hetgeen gedaan is. uwisan, uitscheiden (van velen gezegd); verloopen. -wusana, zie beneden.

wus : zie wis.

wos : gew. uwos, K. [bêras, N.] ontbolsterde rijst. sauwos, een rijstkorreltje, zoo groot als een rijstkorreltje.

wasa : Kw. magt [Skr. wasja, wensch, verlangen; gezag, overmagt]. wasa-wasa, geweld gebruiken, dwingen. awasa-wasa, gewelddadig, eigenmagtig te werk gaan. wanawasa, zie bij wana, -pamawasa-wasa, een dwangmiddel. -kawasa of kuwasa, zie boven. prawasa, zie beneden.

wasi : Kw. de ondergeschikte of dienaar van een Pandita, een Pandita van minderen rang [= pandhita, Skr. wasjî, te ondergebracht, on derworpen; een wijze met te ondergebrachte driften].

wêsi : N. [tosan, K.] ijzer [Sd.id.; ook Sd. en Ml. bêsi]. -mêsi, naar ijzer gelijken.

wisa : K. [upas, N., racun, K.N.] venijn, vergif; alles, waarvan men een afkeer heeft, dat schadelijk is [Ml. bisa], Skr. wisa]. wisamarta, naam van een soort van poortwachters van den Soesoehoenan.

wise : Kw. zitten.

wusu : K.N. een werktuig, waarmede Kapas gezuiverd wordt. -musoni, Kapas zuiveren, kaarden, hekelen.

wisuh : N. [wijik, K.], ook misuh en misuhi, de handen of voeten wasschen. banyu wisuh, het water, waarmede de handen of voeten gewasschen worden, waschwater. -ngwisuhi, iemand de handen of voeten wasschen.

wêsiasat : zie wêsiyasat.

--- 405 ---

wisnu : eign. van een Batårå [Skr. Wisnoe, eign. van een der drie opperste goden]. wisnuwati, eign. van een dochter van Kresna.

wasana : zie wusana.

wêsana : zie wusana.

wusana : zie wusana.

wisuna : Kw. kwaadheid, droefheid [Het wordt verklaard door prakara, Skr. wisoena, verschillende of gelijkvormige beweging of uitbreiding hebbende].

wisik : K.N. gefluister, influistering, geheime mededeeling, ingeving, openbaring, waarschuwing [Ml. bisik]]; ook naam van een soort van lange krissen. -misik, iets in het oor fluisteren, een geheime mededeeling doen [= aparing wêruh kang durung linakon]. -misiki, iemand iets in het geheim mededeelen, hem iets toefluisteren. -wisikan, gefluister. aji wisikan, een fluistergebed, d.i. een gebed om een slapende door het opzeggen daarvan te doen ontwaken.

waskitha : Kw. duidelijk zien, helder zien, de toekomst vooruitzien; een helderen, voorspellenden geest bezitten [= awas en wêruh]. -kawaskithan, voorwetenschap.

wisuda : Kw. zeer fraai, uitmuntend; een hooge rang, hoog in aanzien; verheffing [Skr. wisjoeddha, zuiver, rein; vroom; zedig]. kulawisuda, zie kawula, -misuda, verheffen [= ngangkat].

wasta : K. [oon nama, K., jênêng en aran, N., wêwangi, jêjuluk en asma, K.h.] naam. awasta, genaamd zijn, heeten. -mastani, noemen, benoemen; voor iets houden, verklaren. kawastanan, l.v.

wastu : Kw. waar, wezenlijk; waarheid [= nyata, Skr. wastoe, het wezen, de wezenlijke natuur van iets].

wasita : Kw. I. voordeel [= luwih]. II. kind [= anak].

wisata : Kw. weggaan, zich wegbegeven [= lajêng].

wasitah : Kw. hier beneden [waarschijnlijk het Ar. waasithah], vr. van waasith], wat in het midden is]. jaman wasitah, de tegenwoordige eeuw, dit leven.

wastra : Kw. kleed; linnen [= dodot en jarit, Skr. wastra, kleed, kleeding].

wasis : Kw. K.N. kundig, bekwaam, bedreven [= pintêr]. -kawasisan, bekwaamheid, bedrevenheid.

wasesa : z.v.a. wisesa.

wêsesa : z.v.a. wisesa.

wisesa : K.N. oppermagt, oppergezag; eigenmagtige heerschappij; geweld; oppermagtig; geregtigd [= pangwasa en luwih kawasa, vrg. sisya, Skr. wisjésa, onderscheiding; uitmuntendheid, voortreffelijkheid]. kang wisesa, oppergezagvoerder; dwingeland. hyang wisesa, de vrijmagtige, d.i. God. -misesa, de oppermagt bezitten; overheerschen; verdrukken, folteren; geweld uitoefenen, tegen iemand geweld gebruiken [= kang gadhah kuwasa]. kang misesa, overheerscher, oppermagtige beheerscher, tyran. kawisesa, l.v. [= pinêksa ing parentah]. -misesani, de oppermagt

--- 406 ---

uitoefenen. kawisesan, met magt uitgerust. -pamisesa, geweld; geweldhebber.

wasisan : Kw. dadelijk, op staande voet, op eens [Het wordt verklaard door ora katanggungan.

wasana : zie wusana.

wêsana : zie wusana.

wusana : wêsana of wasana, ook wusana, wêsana of wasana, geschreven, K.N. einde, uitkomst; eindelijk, ten laatste [= wêkasan, waarschijnlijk zamengesteld uit wus en ana]. ing wusananipun, te slotte, eindelijk. -kawusanan, ten einde; eindelijk [= ing wêkasan].

waswa : Kw. 1. ijzer [vrg. wêsi]. -2. een landman.

wiswa : zie bij wesma.

weswa : Kw. een slecht mensch [wiswa = ala, Skr. wiswa, slecht, kwaaddoend].

waswan : Holl. waschwan, badkuip [= padusan].

was-was : zie was, I.

waspa : K.h. [luh of êluh, K.N.] traan, tranen [= êluh en banyu têmu saking mripat, Skr. wasjpa]. mêdal waspa, tranen storten, weenen.

waspaos : zie waspada.

waspada : N., waspaos, K., duidelijk, helder, klaar; scherpziende [= têrang paningale]. -maspadakake, N., maspaosakên, K., duidelijk maken, duidelijk doen zien; naauwkeurig acht op iets geven, naauwkeurig opletten, gadeslaan.

wisaya : Kw. net, lokaas; iets, waarmede men een wild verschalkt om het te vangen; als Tj. Sengk. vijf [Het wordt verklaard door pinaekan, Skr. wisaja, een voorwerp; een voorwerp der zinnen, een voorwerp van najaging, enz.]. -misaya, lagen leggen, vangen [= angarah]; als Tj. Sengk. vijf. -misayani, iemand lagen leggen, in het net lokken. -kawisayan, kwaad opzet, slechte bedoeling; list, aanslag [Het wordt verklaard door karêgêdan].

wasiyat : K.N. uiterste wil, erflating; goederen, die als eigendom van den eenen bloedverwant op den anderen overgaan [Ar. washiyyat]; Sd.Ml.id.]. awasiyat, bij uitersten wil bepalen, erfgenaam maken. -masiyati, iemand iets bij uitersten wil vermaken of als erfelijk eigendom geven. -masiyatake, N., -kên, K., iets bij uitersten wil vermaken, als erfgoed nalaten of erfgoed nalaten aan iemand.

wêsiyasat : of wêsiyasat, K.N. foltering; gefolterd [waarschijnlijk voor wisiyasat, van siyasat, met het voorzetsel wi]. -mêsiyasat of mêsiasat, folteren, martelen. -pamêsiyasat of pamêsiasat, foltering, zware straf.

wisma : Kw. huis, woning [= omah, Skr. wêsjma].

wismayang : Kw. verliefd zijn [Skr. wismaja, verbazing].

wèsthi : Kw. moeijelijkheid, gevaar [Skr. wisti, werk]. anirwèsthi, benaming van een veertigtal soldaten van den Soesoehoenan.

wisatha : eign. van den oudsten zoon van BålåDéwå. [Bålå...]

--- 407 ---

[...Déwå.] #NAME?

wisangkatha : eign. van een zoon van Ardjoenå [Skr. wisjangkata, groot; wisangkata, een leeuw].

wisanggêni : eign. van een zoon van Ardjoenå.

wawa : of wongwa, I. K.N. een gloeijende, brandende kool. -mawa, hetzelfde. [Een ander mawa, zie beneden]. II. wawa, verkorting van kuwawa [= kuwawi]. III. wawa, naam van een soort van apen zonder staart.

wawu : naam van een Arabische letter en van het zevende jaar van een Windoe.

wiwi : Kw. het gelaat, aangezigt [= muka].

wuwu : 1. naam van een roofvogel. -2. een soort van vischfuik.

wewa : Kw. een jong blad.

wewe : naam van een soort van spoken van het vrouwelijk geslacht.

wawah : Kw. breed, ruim, uitgestrekt; lang geleden [= jêmbar en lawas].

wawuh : K.N. met iemand verkeering hebben, bevriend zijn; verzoening; zich verzoenen [vrg. wanuh, Sd. kennen; bekend]. -mawuhake, N., -kên, K., met iemand bevriend worden; personen met elkander bevriend maken, verzoenen.

wêwah : zie wuwuh.

wèwèh : zie awèh.

wuwuh : N., wêwah, K., vermeerderd; vermeerdering, bijvoeging, aanwas; toelaag; toenemen, vorderen, vooruitgaan; daarenboven, bovendien [vrg. wah]. -kawuwuh, N., kawêwah, K., vermeerderd. -muwuhi, N., mêwahi, K., vermeerderen, bijvoegen, vermenigvuldigen. -muwuhake, N., mêwahakên, K., met iets vermeerderen of iets laten bijvoegen. -wuwuhan, N., wêwahan, K., bijvoegsel.

wiwaha : Kw. een bruiloftsfeest [Skr. wiwâha, huwelijk]; ook naam van een gedicht, dat ook Mintå-rågå genoemd wordt. -miwaha, een bruiloftsfeest vieren.

wawan : K.N. twist, verschil. wawan-winawan, met elkander twisten, in strijd zijn. wawan-wawan, partijen tegen elkander. wawan wicara, redetwisten, redekavelen; een woordenstrijd, dispuut.

wiwandha : Kw. moeijelijkheid [= pakewuh].

wiwir : K.N. de vleugels uitbreiden.

wuwur : K.N. uitstrooijen, zaaijen [De grondvorm is wur. vrg. awur en mawur]. -wuwuran, iets, dat uitgestrooid of verstrooid op den grond ligt; als: de bladeren van een boom.

wowor : zie awor.

wiwara : Kw. gat, opening, ingang, poort, deur [= lawang, Skr. wiwara, gat, opening]. wiwaraning guwa, de ingang van een grot. wiwaraning irung, de neusgaten.

wawrat : zie awrat.

wiwit : K.N. begin, aanvang; beginnen [grondvorm wit, vrg. awit]. -miwiti, ook mimiti, beginnen, aanvangen, aanvaarden, aanheffen. -wiwitan, begin, aanvang, aanhef, oorsprong; de of het eerste.

--- 408 ---

wowot : N. beladen, belast [vrg. amot en abot]. -momoti, laden, beladen, bevrachten, belasten. -momotan, lading, last, vracht, dragt.

wawas : zie awas, -mawasake, N., -kên, K., duidelijk laten zien.

wuwus : zie uwus, II.

wiwal : Kw. van plaats veranderd. -miwal, wegschuiven, van plaats veranderen; ontduiken, trachten te ontgaan. -pamiwal, afwezig; afkoop. yatra pamiwal, de som gelds, waarmeê een vrouw zich de echtscheiding verwerft van een man, die ongenegen is aan zijn huwelijkspligten te voldoen, en ook niet in de echtscheiding bewilligen wil.

weweyan : naam van een gewas; onkruid.

wawa : Kw. [van den grondvorm wang, vrg. wangwang]; mawang, naauwkeurig naar iets zien [= aningali]. winawang, zigtbaar, openbaar [= dipun tingali]. winawang-wangwang, van alle kanten beschouwd worden [= tiningalan dangu antarane]. -pamawangan, aanschouwing, beschouwing, gezigt [= panggenan aningali].

wal : verkorting van uwal.

wêl : of uwêl, K.N. het vlies waarmede een kind omgeven is, zoo lang het zich in den moederschoot bevindt.

wil : naam van een soort van kleine reuzen; reus in 't algemeen [= buta]; als Tj. Sengk. vijf. wilmana en wilmuka, zie beneden.

wala : I. z.v.a. suwala, II. verkorting van nawala. III. K.N. de slip van een kleed, waarmede het, in plaats van een gordel, om het lijf vastgemaakt wordt. IV. Kw. jeugdig, jong; een jong blad; een kind [= anom en rare].

wali : I. [Ar. waliy], K.N. 1. vriend; heilige: een benaming, die aan de eerste verkondigers van de Mohammedaansche Godsdienst op Java gegeven wordt. -2. naastbestaande, de persoon, wiens toestemming tot het huwelijk van een meisje of vrouw vereischt wordt, zoo als vader, grootvader, broeder, oom of neef, en die ook de bruid bij de voltrekking van het huwelijk vóór den priester vertegenwoordigt. II. K.N. een puntig staal, waarmede in metaal gegraveerd wordt, graveernaald. III. N. [of Kw.] terugkomen, terugkeeren [gew. bali, zie beneden]. wali-wali of wola-wali, N. of K.N. [bola-bali, N., wangsal-wangsul, K.] gedurig terugkomen; herhalen; herhaardelijk. tan wali-wali, onherroepelijk.

walu : en walu-walu, Kw. z.v.a. wali en wali-wali.

wêla : K.N. afwijking, afzondering, afscheiding.

wêlu : Kw. I. verflaauwen, verbleeken, verwelken [= kucut]. mawêlu, hetzelfde. II. lichten, schijnen.

wula : verkorting van kawula.

wuli : K.N. halm, aar. Men vindt ook uli, -wulèn of wêwulèn, een tros korenaren. pantun ingkang taksih wêwulèn, rijst, die nog in de aren zit.

--- 409 ---

wulu I. K.N. het haar op het lichaam, het haar, de wol of het dons van beesten [Sd.Ml. bulu]. wulu wêdhus, N., wulu menda, K., wol. wulucumbu, een getrouwe bediende. II. [Ar. wudhuu], K.N. het wasschen vóór het gebed [Sd.Ml.id.].

wolu : K.N. acht. ping wolu, N., kaping wolu, K., de of het achtste; ten achtsten; acht maal. wolung puluh, N., wolung dasa, K., tachtig. wolung dina, N., wolung dintên, K., acht dagen. wolulas, achttien. -molu, elk acht. -parawolon, achtste deel. sapara wolon of saprawolon, een achtste.

waluh : K.N. pompoen [Sd.id.].

walèh : K.N. openhartig, onbewimpeld, opregt, ongeveinsd [= balaka].

wêlah : K.N. 1. naam van een soort van dunne puntige bamboe. 2. roeiriem. -mêlahi, roeijen.

wêlèh : K.N. teregtwijzing. -mêlèh, teregtwijzen, onder het oog brengen. -mêlèhakên, iemand over een zaak teregtwijzen, iemand iets, b.v. een misstap, onder het oog brengen, berispen, van iets overtuigen. -kawêlehan, teregtgewezen. -pamêlèh, teregtwijzing, berisping.

wilah : K.N. 1. gespletene bamboes. 2. het lemmer of de kling van een kris of zwaard [Ml. bilah]]. -milah, iemand de kris uit de scheede trekken.

wuluh : K.N. 1. naam van een soort van dunne bamboe; de loop van een geweer [Ml. buluh]]. wuluh sanjata, geweerloop. -muluh, naar Woeloeh gelijken. swara muluh, een fijne, helder klinkende stem. II. naam van een ster, de avondster.

walaha : naam van een paard, in de Bråtå-joedå.

wêlahan : Kw. tuin; naam van een tuin.

wulan : K. [sasi, N.] maan; maand [Sd.Ml. bulan]. padhang wulan, maanlicht. pitung wulan, zeven maanden. -wulanan, bij maanden, bij de maand, maanden lang.

wulèn : zie wuli.

walana : Kw. de Arenboom [= arèn en tiris].

wêlandi : zie wêlônda.

wêlônda : N., wêlandi, K., Hollandsch. wong wêlônda, N., tiyang wêlandi, K., een Hollander; ook in het algemeen voor Europeaan. -kumalônda, de manieren van een Europeaan aannemen.

wilôndaka : eign. van een hoofd.

wulanjar : K.N. een weduw zonder kinderen [vrg. rôndha].

walêr : K.N. verbod. Zoo ook wawalêr [= kang linarang]. -malêri, verbieden, verhinderen, tegengaan.

walir : Kw. kleinkind.

wêlar : Kw. breed, ruim, dik [vrg. lar, II.]. bau wêlar, dikke bovenarmen.

wilar : K.N.; milar, iets splijten, klooven [Een ander milar, zie bij ilar].

walèri : naam van een soort van lang gras; ook naam van een distrikt op Java.

wêlirang : K.N. zwavel [Ml. belerang]].

walik : K.N. omgekeerd, anders; gekruld, kroes

--- 410 ---

[vrg. wali]. -malik, K.N. of N. [mangsul, K.] omkeeren, omdraaijen, wenden, omwenden; iemands woorden verdraaijen; de gedaante van iets veranderen, metamorphoseren; antwoorden. kawalik of kuwalik, omgekeerd, het binnenste naar buiten, het bovenste naar beneden gekeerd; averegts; overhoop. kawalak-walik, om en om wentelen; hals over kop. -molak-malik, gedurig omkeeren. -maliki, meervoud van malik, -walikan, telkens terugkeeren; zich wentelen; zich onderste boven keeren, b.v. van een beroerde zee; beplanting der rijstvelden, die onder water gezet kunnen worden, in het natte saizoen. mawalikan, Kw. z.v.a. awalikan, -pamalik, N. [pamangsul, K.] antwoord.

wêlak : K.N. een landplaag, een straf van God. wêlak gagêring, de pest, sterfte onder menschen en beesten.

wêlaka : Kw. niet vermengd, eenvoudig, opregt [vrg. bêlaka]. wong wêlaka, een eenvoudig, gewoon mensch.

waluku : of wêluku, N., walujêng of wêlujêng, K., ploeg [Sd. wuluku, Ml. luku]]. -maluku, N., malujêng, K., ploegen [Sd. ngaluku]. -malukokake, N., malujêngakên, K., tot ploegen bezigen, laten ploegen; met een ploeg een voor maken. -walukon, N., walujêngan, K., het spoor van een ploeg, een voor.

walikat : K.N. het schouderblad, de plaats aan het lichaam tusschen de schouderbladen [Sd. schouderblad; Ml. belikat] id.].

walikadhêp : naam van een heester, waarvan de bladen tot medicijn gebruikt worden.

wlakang : z.v.a. wêlakang.

wêlakang : K.N. de lendenen, tusschen de lendenen [= ing gigir].

walêd : K.N. de slik of modder, die na een overstrooming liggen blijft; aangespoelde grond; achterstallige pacht of belasting, die bij een volgenden termijn betaald moet worden; b.v. pajêgmu walêd pira, hoeveel is uw pacht ten achteren? -malêdi, ten achteren blijven in het opbrengen van belastingen. -kawalêdan, ten achteren geraakt in het opbrengen van belasting.

wêlad : K.N. een mes van bamboes.

wulêd : K.N. taai, sterk.

wilada : naam van een boom.

walat : K.N. I. overtreden; wederstreven, wederspannig. II. een straf van God; bezoeking, kastijding [vrg. wilalat]. kawalat of kuwalat, door God gestraft worden; zich een kastijding van God berokkenen. -malati, of nguwalati, een kastijding van God berokkenend of veroorzakend.

wêlit : K.N. aan elkander gebondene Alang-alang, waarmede een huis gedekt wordt. -mêlit, daarmeê een dak dekken.

wêlut : naam van een soort van paling [Sd. bêlut, aal; Ml. belut], een aal die zich in versch water ophoudt].

wilêt : I. K.N. omwonden, omslingerd [Sd.Ml. bêlit]. -milêti, omslingeren, omwinden, [omwin...]

--- 411 ---

[...den,] omwikkelen. -wilêtan, door elkander geslingerd, verward [= ubêng-ubêngan]. II. Kw. fraai, schoon. -milêti, fraai maken, verfraaijen, versieren. -wilêtan, volmaakt schoon [= sae kamirêngakên utawi katingalan].

wulat : z.v.a. ulat [= ningali].

wolat : Kw. schrift in rottan gesneden, volgens de Dåså-nåmå.

wilutama : eign. van een Widådari [vrg. tilutama].

walês : K.N. vergelding, wedervergelding, vergoeding; antwoord; beantwoording [Sd.Ml. balas]. Ook wêwalês, -malês of mêmalês, vergelden, wedervergelden; goedmaken; wreken. dhêmên malês, N., rêmên malês, K., wraakzuchtig. -malêsi, iemand iets vergelden, beloonen, bestraffen. -malêsake, N., -kên, K., met iets vergelden. -pamalês, vergelding, wedervergelding, belooning of bestraffing. -walêsan, zie beneden.

wêlas : K.N. I. medelijden, mededoogen, deernis, gunst [Sd. aandoenlijk; Ml. belas], deernis, medelijden; aangedaan zijn]. awêlas, medelijden hebben. -mêlas en amlas, medelijden wekken. mêmêlas, deerniswekkend, erbarmlijk; liefelijk. -mêlasi, medelijden met iemand hebben; zich ontfermen, erbarmen. kawêlasan, met mededoogen vervuld, barmhartig; barmhartigheid, ontferming, welwillendheid. -wêlasan, medelijden, mededoogen; medelijdend, meêdoogend. ora wêlasan, N., botên wêlasan, K., onbarmhartig. -kamiwêlasên, zeer medelijdend. -kawêlas-asih, erbarmlijk. -kawêlasayun, Kw. ontferming, medelijden [Het wordt verklaard door sangêt mamêlas]. -pawêlas of piwêlas, medelijden, mededoogen, barmhartigheid, II. wêlas ook bêlas, en las, een woord, dat dient om de telwoorden van elf tot negentien te vormen [Sd.id.,Ml. belas]]. sawêlas, elf. rolas, N., kalih wêlas, K., twaalf. nêmbêlas, zestien.

wilis : Kw. I. getal [= wilangan en etung]. tanpa wilis, zonder tal, talloos, ontelbaar. lalêr wilis, zie lalêr, milis, tellen [= angetung]. winilis, geteld worden. II. groen [= ijo]. kacang wilis, groene Katjang.

wilus : K.N. eene wilde vrucht.

wilasa : Kw. I. genegenheid, gunst, genade [Skr. wilâsa, gedrag en manieren van een verliefde vrouw; bevalligheid, gratie]. II. blad, bladen.

walêsan : K.N. steel, staak. walêsaning pancing, hengelroede.

wulusan : Kw. het water, dat van een berg afstroomt, van een waterval.

wilwa : Kw. tijger.

wilawa : z.v.a. wilapa.

wola-wali : zie wali.

wel-welan : of wèl-uwelan, K.N. beven, b.v. van schrik of angst.

--- 412 ---

wilalat : z.v.a. walat, -milalati, de straf van God over iemand brengen, iemand in het ongeluk storten.

wolulas : zie wolu.

wêl-uwêlan : K.N. door elkander vermengd, verward.

wèl-uwelan : zie wèl-welan.

walulang : N., wacucal, K., ook lulang, N., cucal, K., de toebereide huid van een beest, vel, leder, vacht [Ml. belulang]]. -wêlulangan, N., wacucalan, K., iets dat naar leder gelijkt, naar leder gelijken, van leder gemaakt. sukêt wêlulangan, N., sukêt wacucalan, K., een soort van vlas of hennep, waaruit een sterk linnen bereid wordt.

walepa : Kw. onmogelijk [= mokal].

wilapa : Kw. geschrift, boek, brief [Het wordt verklaard door lêlungit en wilapa dwija, door patrêm en sujèn].

walija : Kw. een vrouw, die met koopgoederen rondgaat [= bêbakul].

wilaja : Kw. I. weggaan; verminderen [= lunga en kalong]. II. een ontloken bloem [kêmbang kang wus mêkar].

walujêng : of wêlujêng, zie waluku.

wilujêng : K. [sêlamêt, N., sugêng, K.h.] heil, geluk; welvaren, welvaart, gezondheid [Het is een Kråmå-vorm van waluya, vrg. lujêng]. asuka wilujêng of angaturi wilujêng, heilwenschen, gelukwenschen. -kawilujêngan, in het genot van gezondheid en voorspoed zijn; welvaart, gezondheid.

waluya : Kw. z.v.a. wilujêng, en hersteld, herstellen [= wilujêng, waras en ical sêsakite]. -ngwaluyakake, N., -kên, K., herstellen, in den vorigen staat herstellen.

wilaya : zie laya.

wilmana : Kw. een reus met vleugels.

wilmuka : eign. van den oudsten zoon van Bålå-Déwå.

walagri : K.N. een ring om den stok van een lans onder het vlechtwerk, dat godhi, genoemd wordt.

wêlagar : K.N.; wêlagaran, opelkander gestapeld. -kawêlagar, zie boven.

wêlagang : K.N. voorspoedig opgroeijen.

wilugôngga : eign. van een zoon van Ardjoenå.

wilaba : Kw. de zon [= srêngenge].

walang : K.N. I. sprinkhaan [Ml. balang en belalang]]. walangkêrèk, een soort van groote sprinkhanen. walang-ngalisik, het sirkend geluid van een sprinkhaan. II. twijfelachtig, onzeker, ongerust. awalang, twijfelen, wantrouwen. walangatin, N., walangatos, K., zich ongerust maken. walangdriya, een ongerust hart. awalang galih, het hart ongerust maken. walang sangkêr, beletsel, tegenstand.

wêlang : een soort van zeer venijnige slangen, adder.

wêling : I. K. [wêkas, N.] bestelling, commissie, boodschap, last; alles wat men iemand zegt of in last geeft bij het heengaan. Ook wêwêling. mêling, bestellen, last geven, belasten, opdragen. II. K.N. het geld voor den schrijver, dat bij

--- 413 ---

het verkrijgen van een pijagem of een ander stuk voldaan moet worden. -pawêling, hetzelfde. III. naam van een soort van gevlekte slangen.

wilang : N., wical, K.; milang, tellen, rekenen [Sd.Ml. bilang]. -wilangan, N., wicalan, K., getal. tanpa wilangan, N., tanpa wicalan, K., zonder tal, talloos, ontelbaar.

wulang : zie wuruk.

wulung : of ulung, I. K.N. naam van een roofvogel, met roode veêren en witte borst, wouw, kiekedief. II. wulung, Kw. zwart. tutul wulung, zwarte vlekken, zwart gevlekt. -mulung, zwart maken, zwart verwen.

wolung : zie wolu.

wêlingi : K.N. bies, een soort van gras of onkruid, dat tusschen de rijst groeit.

walangkawa : K.N. naam van een soort van vleêrmuis.

walungsungan : K.N. de afgestroopte huid van een slang, slangevel.

wulangan : naam van een berg.

wulangun : Kw. droefheid; een groote zucht, groote verliefdheid [= kasusahan en kaedanan ing tiyang èstri].

wupona : Kw. ontbolsterde rijst.

wipra : Kw. een geleerde [Skr. wipra, een Bramien].

wipala : Kw. 1. bedorven, slecht, kwaad. 2. een klein begin [= rusak en ala, Skr. wiphala, vruchteloos, nutteloos, ijdel; wipâla, onbemerkt, onopgemerkt; wipala, een oogenblik].

wadhu : I. z.v.a. wadya [= wadyabala]. II. Kw. een hemelsch wezen van het vrouwelijk geslacht [= wanodya en widadari, Het is hetzelfde als wadu, Skr. wadhoê].

wêdhi : K.N. zand. sêgara wêdhi, N., sêgantên wêdhi, K., een zandzee. -mêdhi, tot zand maken; als zand zijn, zandig. -wêdhèn of pawêdhèn, een zandige plaats, zandgrond, zandbodem, zandbank.

widhe : K.N. een afdamming in een rivier om vischen te vangen.

wudhu : K.N. I. geen tegenpartij vinden, door niemand overwonnen worden. jago wudhu, een haan, die altoos overwinnaar blijft. II. de inzet bij een spel. III. niet gangbaar, niet gewild.

wadhah : K.N. vat, kist, kast, beker, schotel: alles waar iets in is of ingedaan wordt [Sd.id.]. wadhah uyah, zoutvat. wadhah pêthetan, bloempot. wadhah dandanan, N., wadhah dandosan, K., koffer. -madhahi, iets ergens indoen, zetten of plaatsen. kawadhahan, in iets geplaatst, in een plaats besloten.

wadhèh : K.N. in het openbaar, niet geheim, openlijk.

wêdhon : K.N. een wit spook.

wêdhar : en wudhar, Kw. K.N. losgaan; loslating, opening, vrijlating [= udhar]. congklang wêdhar, een galop met lossen teugel. -mêdhar, ontbinden, loslaten, openen, vrijlaten; onthullen, openbaren, verklaren [= nguculi en lampahing kuda].

wudhar : zie wêdhar.

wadhuk : K.N. de buik van een beest; N. de buik

--- 414 ---

van een gering mensch [vrg. wêtêng]. -madhuki, in den buik steken, den buik wonden, de ingewanden uit den buik halen.

wêdhak : K.N. [pupuh, N., tasik, K.] blanketsel, smeersel voor het aangezigt, van rijstmeel; geblanket [Ml. bedak]]. awêdhak, blanketten.

wadhas : K.N. kleiaarde.

wêdhus : N. [menda, K.] geit of schaap. wêdhus lanang, bok of ram.

wêdhal : K.N. de ingewanden van een visch.

wadhag : K.N. grof, dik, log, lomp. badan wadhag, een grof lichaam.

wadhang : K.N. te laat, over den tijd; spijzen, die bewaard worden, om later gegeten te worden.

wêdhung : K.N. een breed hakmes met houten scheê, dat door de Javaansche ambtenaren bij hun hofkleeding aan de linker zijde gedragen wordt.

widhêng : een soort van kleine zeekrabben.

widhung : K.N. ongepast, onbehoorlijk, onbetamelijk. -widhungan, een onvoldragen jong in den buik van een beest; een misgeboorte.

waja : 1. N., waos, K., staal [Sd.Ml.id.]. 2. K.N. rooster, ijzeren braadpan. 3. waja en waos, K.h. [untu, K.N.] tand, tanden. 4. waos, K. [tumbak, N.] piek, lans, speer; K.h. [pangot, K.N.] krommes. gêrah waja, tandpijn. -ngwaja en maos, 1. K.h. [mamah en milut, K.N.] kaauwen; bijten. 2. maos, K., met een lans of piek steken. kawaos, met een lans gestoken; gebeten. -wajan, een kleine braadpan, aarden pan.

waju : Kw. huisje, stulp.

wija : Kw. vermaak, genoegen. palawija, zie beneden.

wiji : K.N. zaad, zaadkorrel; spruit, kroost, afstammeling [Ml. biji]; Skr. wîdja, zaad [vrg. wijah]; wîdjî, gezaaid hebbende; wîdjya, uit zaad gesproten; spruit, afstammeling]. nyêbar wiji, zaad zaaijen. sawiji, N. [ook wel sawiyos, K.; vrg. siji] een enkele, één. sawijining wong, één der menschen; zeker mensch. sawiji-wiji, elk, ieder. sawiji-wijining wong, ieder mensch. ing sawiji-wijine, ieder afzonderlijk, elk in 't bijzonder. -wijèn, lijnzaad, oliezaad. -pawijèn, de plaats op een sawah-veld, waar de rijst gezaaid wordt.

wuju : Kw. buis, buisje, kamizool [= kalambi en wong kalambèn].

wêjah : naam van een drank, die door zogende vrouwen gedronken wordt.

wijah : en sawijah-wijah, z.v.a. wiji en sawiji-wiji [wijah-wijah = pôntha-pôntha, Vrg. Skr. wîdja, bij wiji en wijan]. -wijahan en wijohan of wijohhan, Kw. zitplaats [wijahan = palênggahane kêpalaning prajurit en wijohan = palungguhan].

wijohan : of wijohhan, zie wijah.

wajan : zie waja.

wijan : en sawijan-wijan, z.v.a. wiji, en sawiji-wiji [vrg. Skr. wîdja, bij wiji en wijah].

wijanu : Kw. tuin [= taman].

--- 415 ---

wijan ati : Kw. de hoogere sferen, het luchtruim.

wajar : K.N. zuiver, echt, onvermengd, onvervalscht.

wajak : of wajag, naam van een distrikt op Java.

wajik : I. Kw. paard [= jaran, Skr. wâdjî]. II. naam van een spijs, uit Ketan, klapper en rijst bereid.

wêjak : of wêjêk, K.N. zamengedrukt, gekneed. -mêjak of mêjêk, zamendrukken, kneden.

wêjêk : zie wêjak.

wijik : K. [wisuh, N.] het wasschen der handen of voeten. -mijiki, de handen of voeten wasschen. -wijikan, een waschbekken.

wijakôngka : bijnaam van Joedistirå.

wujud : [Ar. wujuud], K.N. aanwezen; wezen, bestaan; aanwezig. -kawujudan, staat, toestand.

wajidan : verbastering van het Holl. adjudant.

wijil : Kw. uitkomst, uitgang; poort, deur; afkomst, geboorte; afstammeling [= pinôngka]. -umijil, gew. mijil, uitkomen, naar buiten gaan of komen, voor den dag komen [= mêtu]. -kawijilan, afkomst, geboorteplaats, geboortedag [= wêton].

wijaya : Kw. held, overwinnaar [van jaya, met het voorzetsel wi, Skr. widjaja, overwinning, triomf; een bijnaam van Ardjoenå, enz.]. wijayakusuma, naam van een bloem [kêmbang panguripaning uwong]. wijayadanu, naam van een wapentuig van Karnå [jêmparinge dipati Ngawôngga]. -kawijayan, heldendaad; triomfering.

wajag : zie wajak.

wêjag : K.N. zich aanhoudend oefenen.

wajib : [Ar. waajib], K.N. pligt, regt; verpligt zijn, regt hebben. -majibi, iemand verpligten, noodzaken. kawajiban of kuwajiban, verpligt zijn; verpligting.

wajang : K.N.; majangi, een wijfje bespringen, van beesten; treden, van vogels. -majangake, N., -kên, K., laten bespringen. -wajangan, het paren van beesten.

wêjang : K.N. onderwijs, leer. -mêjang, onderwijzen, leeren [= amulang]. -pamêjang, onderderwijzer, leermeester; onderwijs, onderwijzing, leering.

wijang : K.N. geregeld, gerangschikt, behoorlijk. wijang-wijang, elk op zijn plaats, ieder afzonderlijk. -wijangkara, zie beneden.

wijung : K.N. een half volwassen wild varken.

wujang : K.N. een ongehuwd persoon. wêwujang, een ongehuwd leven leiden.

wijangkara : Kw. iemand met eene breede borst [= wong jêmbar dhadhane].

waya : waarschijnlijk grondvorm van maya, vrg. winaya.

wayu : N. te laat.

wiya : z.v.a. weya.

weya : K.N. onachtzaam, onbehoedzaam, onverschillig.

--- 416 ---

woya : Kw. laag, onder, beneden [= èndhèk en ngisor].

wayah : I. K.N. tijd, uur, leeftijd; tijdens [Skr. wajah, leeftijd]. awayah, een tijd bereiken. wayah esuk, des morgens. wayah sore, des avonds. wayah jam nêm, om zes uur. wayah satêngah têlu, om half drie. diwayah, Kw. een verschenen, bepaalde tijd [= wus môngsa of wis mangsane]. II. K.h. [putu, K.N.] kleinkind [Skr. wajah, ook jeugd]. wayah jalêr, kleinzoon. wayah èstri, kleindochter.

wayuh : K.N. veelwijverij; de echte vrouwen van één man [Ml. bayuh]]. -ngawayuh, meer dan één vrouw nemen.

wiyah : K.N. elk, ieder; zonder onderscheid. sawiyah, ook wel suwiyah, gewoon; gemeen; slecht. tiyang sawiyah, gemeen volk. sawiyah-wiyah, willekeurig; allen gelijk stellen; iemand met minachting of onbetamelijk behandelen, iemand vernederen.

wiyaèn : K.N. onvoldaan, niet te vreden, niet bevredigd kunnen worden; onmogelijk zijn.

wiyana : Kw. voorspoed, geluk, welvaart [= wilujêng, lêksana en awèt anom, misschien van ana, met het voorzetsel wi, dus: welzijn].

wiyar : K. [ômba, N.] breed, uitgebreid, wijd, ruim, groot; breedte, uitgebreidheid, ruimte, uitgestrektheid; ook heil, geluk, voorspoed. -miyarakên, breed maken, verbreeden, vergrooten, uitbreiden.

wiyak : K.N.; miyak, ontdekken, bekend maken, b.v. een geheim; ook z.v.a. ambiyak, een blad van een boek omslaan.

wiyadi : Kw. droefheid, angst, hartzeer [= prihatin en susah awit kaedanan].

wiyat : Kw. het luchtruim [= ing dhuwur, Skr. wiyat, het luchtruim, de dampkring].

wiyati : z.v.a. wiyat [= ing dhuwur mèh dumugi nglangit, Skr. wiyati, een vogel].

wiyos : K.h. [wêtu, N., wêdal, K.] uitkomst, verschijning; oorsprong, begin, geboorte. awiyos, beginnen, een begin maken. -miyos, uitgaan, uitkomen, naar buiten gaan of komen; geboren worden. -miyosi, tot iemand naar buiten gaan, tegen iemand uitrukken. -wiyosan, geboorte; geboortedag, geboorteplaats. tingalan wiyosan, de verjaardag der geboorte van een vorst of aanzienlijk persoon. -miyosan, het uitgaan of uitkomen betreffend. -pawiyos, opbrengst; inkomsten.

wayasa : Kw. 1. kleed, kleederen. -2. raaf, kraai [= manuk dhandhang, Skr. wâjasa, een kraai].

wayuyung : K.N. touw; binden. winayuyung, gebonden.

wiyoga : Kw. droefheid, droefheid van een verliefde [= susahing galih, Skr. wiyôga, scheiding, afzijn, inzonderheid van geliefden].

wiyagra : Kw. tijger [= macan]; ook eign. van een Boetå.

wayang : I. K.N. [of N., ringgit, K.] schaduw; Chinesche schimmen, scaduwspel; tooneelvertooning, schouwspel; tooneelpoppen [Sd.id.Ml. basang]; als Tj. Sengk. zes. -mayang, Wajang

--- 417 ---

spelen. -mayangi, iemands schaduw volgen, volgen, navolgen, achter iemand gaan. -mayangake, de Wajangpoppen vertoonen. -wayangan of wêwayangan, een schaduw, een schaduwbeeld; het beeld, dat ini een spiegel gezien wordt. -pawayangan, de plaats waar de Wajang gespeeld wordt, tooneel. II. naam van een boom.

wiyang : Kw. onverschillig, besluiteloos, huiverig [= susah, kewuhan en lênggana]. tarwiyang, zeer gewillig, vast beraden.

wiyung : Kw. kikvorsch.

wuyung : Kw. verwarring, verlegenheid; droefheid, smart; groote verliefdheid [= edan, lênglêng, en susah kaedanan tiyang èstri]. wuyungan, verlegenheid; rampen. wayang wuyungan, van groote verlegenheid of angst heen en weêr loopen [= susah tiyang sanêgari botên kantênan ing polahe]; overal door rampen gevolgd worden.

wiyôngga : Kw. 1. kikvorsch [= kodhok]; 2. lichaam.

wamana : Kw. een booze vrouw [Skr. wâmana, dwerg; laag, gemeen].

wimana : Kw. iets waarop men rijdt, rijtuig; ook een verdichte vogel, waarop Dåså-moekå reed [Skr. wimâna, een rij- of voertuig; in 't bijzonder een voertuig der goden, dat zich zelf beweegt en bestuurt].

wamuna : Kw. ondernemend, dapper [= wani].

wimba : Kw. I. glans, schijn, kleur, gedaante [= rupane, Skr. wimba, een beeld, schaduw, schaduwbeeld]. II. maken, vervaardigen.

wimbuh : I. Kw. droefheid, hartzeer [= prihatin]. II. zie imbuh [= wuwuh]. III. z.v.a. wibuh.

wêg : Kw. vol, gevuld [= kêbak en sêsêk].

wagi : Kw. gewoon zijn, plegen.

wagu : K.N. lomp, on beleefd.

wage : naam van een der vijf Pasar-dagen.

wêgah : K.N. zeer moeijelijk, niet gemakkelijk te doen, zich onbekwaam tot iets gevoelen, tobben.

wigih : Kw. beschroomd, bevreesd, verlegen. tan wigih, niet verlegen, onbeschroomd.

wigên : Kw. uitvinding.

wogan : Kw. moeijelijk, bezwaarlijk.

wigêna : Kw. I. moeijelijkheid; verwarring, wanorde [= kewuhan, susah en rusak, en awigêna = prihatin en kewuhan, Skr. wighna, hindernis, beletsel]. II. vermaak; verliefdheid.

wagra : Kw. een ouderwetsch rijtuig.

wigar : K.N. het afvallen van een bloem.

wugari : Kw. steun. -pamugari, steun, bestierder, hoofd, aanvoerder, bevelhebber, veldheer.

wagêd : K.N. [of K. z.v.a. sagêd] kunnen, vermogen, in staat zijn [= bisa]; ook tot, aan; b.v. wagêd dhêngkul, tot aan de knie. -kawagêdan, bekwaamheid, bedrevenheid, kunde.

wigata : Kw. wond, kwetsuur; geraakt, gewond [Skr. wighâta, een slag].

wigati : Kw. voorspoedig zijn, gelukkig slagen.

wagiswara : naam van een waterbron.

wagal : I. Kw. ruw, grof.

--- 418 ---

II. naam van een riviervisch.

wagêl : K.N. twijfelen, wantrouwen.

wignya : Kw. en K.N. bekwaam in wetenschappen, bedreven, kundig, bevoegd [= pintêr, Skr. widjna, bekwaam, bedreven, geleerd. Vrg. tawig]. -kawignyan, bekwaamheid, kunde, wetenschap.

wignyan : naam van een bekend letterteeken, anders sagnyan, genaamd.

wagyut : Kw. een plotselinge beweging in de lucht; het ruischen van den wind; een onverwachte verschijning van den bliksem [= kumêdhap].

wugyat : Kw. de staart; het achterste; achter [= buntut en buri].

wagmi : Kw. schrander, vatbaar om te leeren; spoedig begrijpen [= lêlungit, tate en simpên, Skr. wâgmî, veel sprekend, rederijk; welsprekend].

wêgig : Kw. bekwaam, geleerd; verstandig, wijs [= pintêr]. -kawêgigan, bekwaamheid, begaafdheid, wijsheid.

wagugên : Kw. verwonderd; ontsteld; besluiteloos, verlegen; verlegenheid; droefheid [= kagawokan, kewuhan en kasusahan].

wigugên : z.v.a. wagugên.

wêgung : Kw. = pakumpulane, sawêgung, de geheele verzameling, allen, gezamentlijk [= sapakumpulane].

wêgang sulanjari : naam van een Kawische zangwijze.

wibuh : Kw. I. vallen, zinken. II. donkerheid, duisterheid; verlegen, verlegenheid [= kapêtêngan en susah pêtêng galihe]. -kawibuhan = kapêtêngan en kasusahan].

wabin : naam van een gebed.

wabra : Kw. I. zeer verheugd [= bangêt en rêna]. II. een boom, die in vollen bloei staat.

wibra : Kw. zeer, uitermate [= luwih en kapati].

wibisana : eign. van den jongeren broeder en opvolger van Dåså-Moekå, den vorst van Ngalengkå, in de Råmå [Skr. wibhîsana, eig. vreeselijk, verschrikkelijk].

wibawa : Kw. voorspoed, geluk, rijkdom, vermogen, eer, aanzien [= mukti, kasugihan en kagungan, Skr. wibhawa, bezittingen, rijkdom; bovennatuurlijke magt: van bawa]. awibawa, voorspoedig, gelukkig; zeer beroemd. -kawibawan tot aanzien gekomen; groote rijkdom, magt, eer en aanzien [= kamuktèn].

wibaga : Kw. krijgsman, soldaat [= prajurit].

wathi : Kw. een geheim [vrg. wadi].

wang : I. grondvorm van wawang, en wangwang, II. verkorting van awang-awang of tawang, III. wang, of uwang, K.N. het kakebeen; Kw. kaken, wang. IV. wang, of uwang, K.N. munt, geld [Sd.Ml.id.]. sawang, of suwang, een dubbeltje. rong wang of rong uwang, tweedubbeltjes. wang mas of uwang mas, goudgeld. wang putih, of uwang salaka, zilvergeld. [zilver...]

--- 419 ---

[...geld.] uwang abrit, wang têmbaga of wang pêcah, kopergeld. wangkêr tas, papieren geld. -nyuwang, ieder (of elk) een dubbeltje.

wong : of uwong, N. [tiyang, K.] mensch, persoon; lieden, volk; iemand; ook in het begin van een zin z.v.a. immers, eig. mensch! wong lanang, een man. wong wadon, een vrouw. wong anom, een jong mensch, jongeling. wong sanak, familie, neef of nicht. wong cilik, de kleine man, het geringe volk. wong nagara, een bewoner der hoofdplaats. wong desa of wong bumi desa, een landman, dorpbewoner. wong lumaku, iemand gaat, men gaat. wong mangan, men eet. wong-wong, een vergadering van menschen. -kawongan, K.N. den aard hebben, b.v. van een beest. mada kawongan, wordt gezegd van iemand, die niet bestendig in één dienst blijft, maar de eene dienst voor de andere verlaat. -wong-wongan, N. iemands persoon, zijn gedaante of gestalte; een van leem gebakken pop; een ambt, bediening, post, betrekking. wong-wongane cilik, klein van persoon. -pawong, K.N. alleen in zamenstelling met andere woorden; namelijk pawong rencang, iemands volgelingen, gevolg. pawong sanak en pawong sadulur, N., pawong sadhèrèk, K., pawong mitra, Kw. en K.N., vriend, vrienden; vriendschap. pawong sadulur en pawong sadhèrèk, ook bloedverwanten, familie. -pawongan, K.N. de vrouwelijke bedienden van een vorst [= batur wadon].

wangi : I. K.N. welriekend; geur wêwangi, een geur verspreiden, geurig; welriekende geuren [= sarupane gônda kang arum]. -wangèn, reukvat; welriekend. II. wangi, gew. wêwangi, Kw. en K.h. [jênêng, N., nama, K.; ook jêjuluk en asma, K.h.] naam; genaamd; genaamd zijn, heeten.

wênga : K.N.; mênga, open, open zijn, open gaan, opening. -mêngai of ngêngani, iemand opendoen, openen. -ngêngakake, N., -kên, K., iets opendoen, openen. -mêngakake, N., -kên, K., laten openen. -wêngan, een opening.

wêngi : ook bêngi, N. [dalu, K.] nacht; bij nacht. mau bêngi, verleden nacht. -kawêngèn, door den nacht overvallen.

winga : Kw.; mawinga, vergramd, verstoord. winga-winga of mawinga-winga, rood worden van toorn [= nêpsu kang luwih bangêt].

wingi : K.N. voorleden; gisteren. dhèk wingi, N., kala wingi, K., op gisteren. wingine of dhèk wingine, N., winginipun of kala winginipun, K., eergisteren. wingi-wingi, vóó eergisteren.

wungu : I. K.h. [tangi, K.N.] opstaan; van den slaap opstaan, wakker worden, ontwaken; [mêlèk, N.] wakker, waken. -mungu, wakker maken, wekken, opwekken. -pamungu, het plaats hebben van mungu. II. K.N. bruin, paars [Sd.id., Ml. ungu]].

wangan : K.N. gracht, kanaal.

wangên : K.N. bepaling, vastelling, b.v. van een bepaalden tijd; grens. -mangêni, beperken, bepalen, vaststellen. kawangênan, bepaald. -wangênan, grenspaal.

--- 420 ---

wangun : K.N. [ook dhapur, K.N., rupa, N., warni, K.] vorm, gedaante, gestalte, fatsoen [vrg. bangun]. mangun, een gedaante geven, daarstellen, stichten, beginnen; herstellen [amangun = agawe]. mangun griya, een huis bouwen. mangun tapa, een kluizenaarworden, het leven van een kluizenaar aannemen. mangundara, benaming van een wapendrager van den vorst. winangun, hersteld, vernieuwd. -wangunan of wêwangunan, de gedaante van iets hebben; iemands gedaante of gestalte, leest [= rarupan]. kutha wangunan, de vorm of gedaante van een stad hebben.

wangon : K.N. iets dat beschutting en schaduwe geeft, zooals een huis, enz.

wangur : en wêngar, een sterke reuk, stank; stinken [vrg. bangêr]. -kawanguran, ontdekt, bekend [= konangan].

wêngar : zie wangur.

wêngur : K.N. de reuk van een slang [vrg. wangur].

wangke : en wangkya, z.v.a. bangke, [= bêbathang en jisim]. tangsul wangke, een ongelukkige dag.

wêngku : K.N. kreits, cirkel, kring, omtrek. -mêngku, een kring vormen, in een kring besluiten; omvangen; in zijn magt hebben, bezitten, beheeren. -mêngkoni, iets in een kring besluiten, bevatten; bezitten, beheerschen. -wêngkon of wawêngkon, hetgeen in een kring besloten is, omtrek, bestek; gebied, grondgebied, onderhoorigheid [= sajrone kang pinarentah]. -pamêngku, bestuur, regering.

wingka : K.N. scherf.

wêngkêran : K. de rug, het ruggebeen [vrg. pêngkêran].

wungkuk : K.N. gebukt, gebogen, van een mensch; het lichaam buigen, krom gaan [vrg. bêngkuk].

wangkid : K.N. grens, perk, grensscheiding; aangrenzen [vrg. watês]. -mangkidi, een grens bepalen, vaststellen.

wangkot : K.N. wederspannig, halsstarrig, hardnekkig. -mangkoti, zich tegen iets of iemand verzetten.

wingkis : Kw. rand, zoom; K.N. opgestroopt, opgevouwen, opgerold, omgekeerd [= cincing]. -mingkis, een kleed opstroopen, ophalen, opschorten; ontvouwen, ontluiken; zich vertoonen, ontblooten.

wungkus : K.N. ingewikkeld; een bundel [vrg.bungkus].

wangkawa : Kw. een vuurbal, een vuurklomp in de lucht. -mangkawa, naar een vuurbal gelijken.

wangkal : K.N. onwillig, ongehoorzaam. -mangkali, tegen iets stuiten; verhinderen, beletten.

wangkil : K.N. een kleine schoffel, troffel. -mangkili, schoffelen.

wungkal : K.N. een slijpsteen.

wangkya : zie wangke.

wangking : K.N. een dun middellijf [= wêtêng kang cilik]. -wangkingan, de middel, de plaats, waar de kris gedragen wordt; K.h. [kêris, N., dhuwung, K.] dolk, ponjaard, kris.

wangkong : K.N. de stuit; K. [vrg. pocong] de billen.

wêngkang : K.N.; mêngkang, met geweld openbreken, open- [open...]

--- 421 ---

[...-] scheuren, looscheuren. -pamêngkang, naam van twee poorten ten Oosten en ten Westen van de Pagelarran.

wingking : K. [buri, N.]. achter. ing wingking, achter, van achteren; naderhand; later. sawingkingipun of sawingkinging, achter. tut wingking, zie bij anut, -kawingking, wat men achter heeft; achterwaarts; verleden, verloopen. -pawingking, iemand, die achter gata, volgeling, bediende; de achterste, laatste. pawingkingipun, in lateren tijd.

wingit : I. K.N. ontzag inboezemend, eerbiedwekkend; eerwaardig [= angkêr en wahyane wong luhur, vrg. singit]. II. Kw. ongewoon, buitengewoon; geheim, verborgen; hartzeer, droefheid; bedroefd.

wôngsa : K.N. bloedverwantschap, geslacht, familie [= sanaka, Skr. wangsja: vrg. bôngsa]. kawulawôngsa, zie kawula.

wêngis : K.N. opvliegend, driftig; woest, wild [= galak en pangandika nêpsu, vrg. bêngis].

wangsit : K.N. influistering, ingeving, geheime mededeeling, openbaring. -mangsit, in het oor fluisteren, bekend maken, openbaren. -mangsiti, aan iemand iets in het vertrouwen mededeelen, iemand iets in het oor fluisteren. -pamangsit, influistering; geheime mededeeling.

wangsal : z.v.a. wangsul, -wangsalan, K.N. leenspreukig, overdragtelijk; zinspeling. wangsalan kêmbang, N., wangsalan sêkar, K., bloemwerk.

wangsul : I. K. [bali, N.] keeren, omkeeren, terugkeeren; teruggekeerd, omgekeerd; terug [Het is een Kråmåvorm van wali]. ambêkta wangsul, wederbrengen. sêrat wawangsul, een brief terug, een antwoordbrief. -wangsal-wangsul, gedurig terugkeeren, herhalen. -mangsul, [malik, N.] omkeeren, omdraaijen, omwentelen. -mangsuli, tot iemand of iets terugkeeren; [nauri, N.] iemand antwoorden; beantwoorden; terug geven, vergelden; verantwoorden. Zoo ook ngangsuli, -mangsulakên, teruggeven, wedergeven, terugbrengen, terugzenden; verdrijven. -ngangsulakên, iets vergelden. -wangsulan, terugkeering [saur, N.]. antwoord [Sd.id.]; verantwoording op een beschuldiging, repliek; ook [walikan, K.N.] beplanting der rijstvelden, die onder water gezet kunnen worden, in het natte saisoen. Men vindt ook angsulan, voor wangsulan, -pamangsul, antwoord; hij, die een antwoord geeft. II. K. naam van een eiland, Bali.

wongwa : zie wawa, I.

wingwrin : Kw. verschrikt, ontsteld, vervaard [= ajrih, vrg. wrin, I.].

wangwang : I. K.N. [van den grondvorm wang, vrg. wawang]. mangwang, aanzien, aanschouwen. kawangwang, gezien worden, zigtbaar. -pamangwang, blik, aanblik. II. K.N. huiverig, ontsteld, bevreesd. tan wangwang, niet bevreesd, onversaagd, moedig.

wingwang : Kw. fout, gebrek; onbehoorlijk. ora wingwang, behoorlijk, zonder gebrek.

--- 422 ---

wingwing : Kw. klein, netjes.

wungwang : K.N. iets dat van binnen hol is, zoo als: bamboes, enz.

wèngwèng : K.N. een nutteloos werk.

wongwang : z.v.a. wungwang.

wonga-wonga : K.N. de tepels aan de borsten van een vrouw [= susu].

wongwong : en wong-wongan, zie wong.