Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba)

Judul
Sambungan
1. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16. Kategori: Arsip dan Sejarah > Galeri.
2. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
3. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
4. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
5. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
6. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
7. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
8. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
9. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
10. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
11. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
12. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
13. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
14. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
15. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
16. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
17. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
18. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
19. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
20. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
21. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
22. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
Citra
Terakhir diubah: 22-08-2021

Pencarian Teks

Lingkup pencarian: teks dan catatan-kakinya. Teks pencarian: 2-24 karakter. Filter pencarian: huruf besar/kecil, diakritik serta pungtuasi diabaikan; karakter [?] dapat digunakan sebagai pengganti zero atau satu huruf sembarang; simbol wildcard [*] dapat digunakan sebagai pengganti zero atau sejumlah karakter termasuk spasi; mengakomodasi variasi ejaan, antara lain [dj : j, tj : c, j : y, oe : u, d : dh, t : th].

--- 676 ---

Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba): Citra 1 dari 58
ba :
I. verkorting van aba. II. Kw. helder, klaar; een ruim, helder uitzigt [= bawera, Skr. bhâ, schijn, licht glans]. -praba en prabayasa of prabayaksa, zie boven.
bi :
Kw. oudste, ouderling [= pinituwa]. bibi, zie beneden.
bu :
Kw. verwonderd, verwondering [= gawok].
be :
of êbe, I. naam van de tweede letter van het Arabische Alphabeth, en K.N. van het zesde jaar van een Windoe. II. be, verkorting van lambe, lip, rand, in bedang, zie beneden.
bo :
een uitroep van verwondering he! ach! [= hèh, Skr. bhă, een vocative partikel. Vrg. babo].
bah :
zie babah, II.
buh :
gew. êmbuh, N. [kilap, K.] niet weten, onkundig zijn; gew. in den zin van: ik weet niet. êmbuh bênêr lan orane, ik weet niet, of het regt is, of niet. buh aku buh kowe, ik weet niet, of ik het ben, of gij het zijt; of ik of gij; één van ons beiden. -tanbuh of tambuh, zie tambuh.
bèh :
I. Kw. juist, waar; geheel en al, zonder iets over te laten [= bênêr]. -kabèh, zie boven. II. vóór getallen der eenheid beteekent het in siminige districten van Java dertig; als: bèh ji, N., bèh tunggal, K., één en dertig. bèh ro, of bèh loro, N., bèh kalih, K., twee en dertig. bèh têlu, N., bèh tiga, K., drie en dertig; enz.
bau :
K.N. de (boven-) arm; de stijlen van een deur; kracht, sterkte; ook benaming van een uitgestrektheid akkergrond, z.v.a. karya [= prakosa, Ml. schouder; Skr. bâhoe, arm; en zijde van een geometrische figuur]. pagawean bau suku, werk van armen en beenen, d.i. heerediensten. -baudhêndha, groote magt bezitten; een talrijke familie hebben. -baurêksa, magt, bescherming. ambaurêksa, beshermen. pambaurêksa, het plaats hebben van ambaurêksa, -baukêpini, zie pini.
bae :
N. [kemawon, K., mawon, Md.]. maar, alleen, eenig. Het wordt achteraan geplaatst; b.v. kowe anaa kene bae, wees (blijf) gij maar hier. Dikwijls wordt het gebruikt met vooraan geplaatst mung of amung, even als in het Hollandsch: alleen maar, enkel maar. sabaène, zoo louter maar. dudu sabaène, het is niet iets zoo louter maar, d.w.z. er steekt iets bovennatuurlijks achter. -ambaèkake, N., -kên, K., [...] er maar bij laten, er niets om geven; iets, b.v. een bevel, onuitgevoerd laten.
bèi :
verkorting van ngabèi, b.v. radèn bèi.

--- 677 ---

Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba): Citra 2 dari 58
bahan :
verkorting van abahan en babahan.
bahiya :
of bahya, Kw. ongeluk, tegenspoed.
buanan :
K.N. het oogvlies.
bainat :
zie bayinat.
bahning :
Kw. vuur, hitte [= gêni].
bahak :
K.N.; ambahak, iets of iemand buit maken of gevankelijk wegvoeren, iets plunderen [= ngrayak]. ambêbahak, plunderen, rooven. -ambahaki, of ambêbahaki, meervoud; berooven, uitplunderen; een land afloopen.
baud :
Kw. K.N. bedreven, bekwaam, kundig.
baita :
K. [prau, N.] vaartuig, schip, schuit, boot, sloep, ark.
baeta :
z.v.a. baita.
baitra :
Kw. z.v.a. baita.
bahya :
zie bahiya.
buaya :
zie baya.
bahêm :
K.N. baktand, kies. Ook bahêm wêkas, kies.
baung :
K.N. gehuil, van een hond; een boschduivel. ambaung, huilen, van een hond.
ban :
zie êmban.
bun :
gew. êbun, K.N. daauw, mist [Sd. ibun, Ml. embun] . Vrg. awun-awun, amun-amun en umun-umun]. bun-bun, het vallen van den daauw, daauwen. bun-bun enjing ajawah, [of anjawah] sontên, daauw des morgens geeft regen 's avonds: een verbloemde spreekwijs om te kennen te geven, dat men een meisje ten huwelijk vraagt, met toespeling op de vruchtbaarheid van het huwelijk. -bun-bunan, zie beneden.
bana :
Kw. I. woest, onbebouwd; wildernis; ook z.v.a. wana, bosch [= alas]. II. het firmament. III. aandringen, dringend verzoeken, bidden, smeken. Zoo ook bêbana [= anjêjaluk]. -ambêbani, iemand dringend om iets verzoeken. IV. pijl, wapen, geweer [= sanjata].
banu :
of bani, [Ar. banuu of banii], kinderen, zonen, meervoud van [ibnu], ibnu, bani srail, [Ar. banii Israail] de kinderen Israëls; ook voor het land der kinderen Israëls.
bani :
I. zie banu, II. bani, of bane, Kw. K.N. geluid, stem [Skr. bâni en wâni].
bane :
zie bani, II.
bunuh :
[Ml. bunuh] ; ambunuh, dooden.
bêna :
K.N. watervloed, overstrooming; het overstroomd zijn van land [Vrg. banjir]. -kabênan, overstroomd zijn door een watervloed.
bena :
en bènèh, Temb. Does. ander, anders [vrg. wênèh].
bona :
z.v.a. bana [= alas en sanjata].
bènèh :
zie bena.
banon :
K. [bata, N.] gebakken steen, baksteen, metselsteen. pagêr banon, een steenen muur, wand. banon cinawi, bijnaam van Sembådrå. banon cêpuri, zie cêpuri, -ambanon, een muur gelijken. ambanon rêbah, gelijk een instortende muur. Zoo

--- 678 ---

Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba): Citra 3 dari 58
noemt men het uitgetrouwd worden van twee gebroeders of gezusters op één en dezelfden dag.
bininda :
Kw. zien.
bênêr :
N. [lêrês, K., kasinggihan, K.h.] regt, juist, waar, billijk, behoorlijk, natuurlijk, wezenlijk; regt hebben, gelijk hebben [Ml.id. Het grondwoord schijnt ênêr, te zijn: zie bij mênêr]. dalane kang bênêr, de regte, (ware, juiste) weg. bênêr kangmasmu, uw broeder heeft gelijk. ora bênêr, ongelijk hebben. bênêre, regtens, billijkerwijze, billijk, eigenlijk. sabênêre, naar waarheid. -ambênêr, regt maken; regt toe regt aan loopen. kabênêr, l.v.; ook wat regt geoordeeld wordt; verpligt of gehouden door regterlijke uitspraak, verwezen door den regter. -ambênêri, juist op iets treffen; regten, regt doen, regt spreken, naar regt uitwijzen, vonnissen. kabênêran, regt, juist, juist ter snede, juist getroffen; waarheid ora kabênêran, onjuist, verkeerd, ongegrond. -ambênêrake, regt maken, te regt maken, in orde brengen, verbeteren, iets juist of regt maken, goedmaken, corrigeren; iemand gelijk geven. bênêran, gew. bêbênêran, het regt; geregtigheid, billijkheid; geregt, gerigt; regterlijke uitspraak.
bunar :
K.N. een zwak gezigt, zwakke oogen.
bênik :
K.N. knoop, van een kleed.
binak :
Kw. wolk [= mega].
binik :
[Ml.bini], een getrouwde vrouw.
bunêk :
K.N. misselijk worden; radeloos, zich niet weten te helpen, geen uitkomst zien [vrg. ênêk, en bunêl].
bênèt :
K.N. een geld- of kleerkast [Holl. kabinet].
banaspati :
eign. van een boozen geest.
bênawi :
zie bêngawan.
banowati :
eign. van de gemalin van Vorst Soejodånå, een dochter van Saljwå, den vorst van Mòndåråkå.
bunêl :
K.N. verlegen, radeloos [vrg. bunêk].
bênêm :
K.N. verbranden.
bina-bina :
Kw. = kagila-gila [Skr. bhinna, gebroken]. kabina-bina, zie boven.
bênang :
K. [lawe, N.]. draad, garen [Sd.Ml.id. Vrg. wênang, I.]. bênang jêne, gouddraad.
bêning :
zie ning, II.
binang :
zie bang, II.
bonang :
naam van een instrument dat bij de Gamellan behoort.
bênce :
naam van een kleinen vogel, een soort van kwartel, waarvan het wijfje gêmak, genoemd en tot vechten gebruikt wordt.
bêncah :
K.N. de muren van een vesting breken, slechten.
bancana :
of bêncana, Kw. moeite, moeijelijkheid, bezwaar, plaag, ramp, onheil [= pakewuh, Ml.id.; Skr. bhandjana, brekend, bedervend; bedroevend, kwellend; en wantjana, bedrog]. agawe bêncana, onheil stichten, een ramp te weeg brengen. kabêncana, door een ramp getroffen.
bêncana :
zie bancana.
bancur :
I. K.N. goed kunnen wateren, ruim zog hebben.

--- 679 ---

Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba): Citra 4 dari 58
II. Kw. vlak, ondiep [= cèthèk].
bancèr :
Kw. bevallig, fraai, prachtig, sierlijk gekleed [= sigit]. ambancèr, K.N. zich behoorlijk, betamelijk gedragen.
buncur :
K.N. het bloeden van een wond.
buncak :
naam van een berg. -bancakan, K.N. uitdeeling van lekkernijen aan kinderen. Zoo worden genoemd de gekookte rijst en toebe reide groenten, die bij gelegenheid van de offerande voor een kind, dat vijf dagen oud geworden is, in een zeef of mand gedaan en aan de kinderen gegeven worden; die, nadat zij die opgegeten hebben, onder het zingen van eenige kinderliedjes bij herhaling een geschreeuw aanheffen.
bancik :
K.N. een kleine pult, schrijflessenaar.
bencok :
naam van een soort van kleine kikvorschen.
bêncèt :
K.N. I. onverwachts overvallen. II. een zonnewijzer.
boncis :
Holl. boontjes.
bancol :
K.N. grappig, koddig. -bancolan, grappen maken.
bancang :
K.N. dubbel, tweemaal, parallel.
buncang :
K.N. opligten en weggooijen. kabuncang, of binuncang, weggegooid, weggevoerd, weggesleept [binuncang = binuwang].
bèncèng :
K.N. voor den tweeden keer, voor de tweede maal; herhalen, verdubbelen; van elkander gescheiden; van meening verschillen.
boncèng :
K.N.; amboncèng, achter iemand op een paard zitten.
bêndu :
Kw. toorn, gramschap [= duka, Sd.id.]. babêndu, toornig zijn. babênduning Allah, de toorn van God. -ambêndoni, K. of K.h. [ook andukani, K.h.; nêpsoni, en nyêrêngêni, K.N.; nyênèni, N.] kwaad op iemand zijn, iemand berispen, bekijven, beknorren.
bindi :
of bèndi, I. K.N. een rijtuig met twee wielen. II. bindi, naam van een wapen, een soort van strijdknods [Het wordt verklaard door gêgamaning pêrang, panggitik en gada].
bèndi :
zie bindi, I.
bănda :
I. Kw. lijf, lichaam [Skr. bandha; Pers. banda], hetzelfde; en worstelstrijd. Vrg. wănda]. bănda-binănda, lijf tegen lijf. băndayuda, worstelstrijd, kampstrijd, [= pêrangan]. băndawala, hetzelfde. abăndawala, een kampstrijd voeren. II. N. [bêsta, K.]; ambănda, een dief of gevangene binden, boeijen; iemand de handen op den rug binden, vleugelen [Skr. bandha, binding, band]. ambăndakalani, weêrstand bieden. -bandan of bêbandan, een gebondene, gevleugelde, gevangene, arrestant.
bêndana :
K.N. veel beweging maken, ongestadig, wispelturig.
bandar :
Ch. K.N. pachter [Waarschijnlijk is het een verkorting van het Pers., [Ml. syahbandar], havenmeester, een ambtenaar die met de inning der tollen