Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya)

Judul
1. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918. Kategori: Arsip dan Sejarah > Galeri
2. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 01: Deel I Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
3. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 02: Ha-HaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
4. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 03: HaRa-HaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
5. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 04: HaSa-HaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
6. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 05: HaDha-HaMa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
7. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa-HaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
8. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 07: Na). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
9. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 08: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
10. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 09: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
11. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 10: Ka-KaRa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
12. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 11: KaKa-KaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
13. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
14. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 13: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
15. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 14: Ta-TaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
16. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 15: TaPa-TaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
17. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 16: Sa-SaKa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
18. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 17: SaDa-KaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
19. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 18: SaDha-SaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
20. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 19: Deel II Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
21. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 20: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
22. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 21: La-LaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
23. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 22: LaLa-LaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
24. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 23: Pa-PaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
25. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 24: PaRa-PaSa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
26. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 25: PaWa-PaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
27. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 26: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
28. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 27: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
29. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
30. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
31. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 30: Ga-GaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
32. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 31: GaLa-GaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
33. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 32: Ba-BaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
34. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 33: BaSa-BaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
35. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 34: Tha-Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
36. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 35: Bijvoegsels en Verbeteringen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
37. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 36: Aanteekeningen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
Citra

Pencarian Teks:

Lingkup pencarian: teks dan catatan-kakinya. Teks pencarian: 2-24 karakter. Filter pencarian: huruf besar/kecil serta diakritik diabaikan; mengakomodasi variasi ejaan, termasuk [dj : j, tj : c, j : y, oe : u].

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1

Ya

ya
1. N. zie iya. - 2. KN. toeroep o! zooals in ya dewa, ya talah, zie S.; en ya bathara, (Ar. [Arab]) AS.; niet in Wk.
yi
en gew. yayi, zva. rayi, doch gew. als vocatief; bv. yayi prabu, broeder Vorst! Zie R. en T.
yu
verkorting van ayu, II., bv. in dhiyu, voor adhi ayu, en bakyu, voor bok ayu, Bl. PS. 204. Ook wel yu, als vocatief voor dhiyu, of bakyu, of dèn ayu.
ye
1. KW. zva. iya, Wk. - 2. zie iye.
yah
1. KW. zva. rupa, G. zva. banyu, W. - 2. verkorting van biyah, WP. - 3. N. zie wayah. yayah zie ben. - 4. interjectie om een hond aan te hitsen. - ngyuhyahake, een hond aansporen, aanhitsen Rh.
yuh
KW. zva. sêlamêt, Wk.
yèh
KW. zva. banyu, G. (Balin.) zie yah.
yahu
Ar. [Arab], eign. Jehova.
yahudi
Ar. [Arab] KN. Joodsch, een Jood. têmbung Yahudi, de Joodsche (Hebreeuwsche) taal.
yahut
W. (Wk. yuhut) KW. zva. nyangking.
yahya
Ar. [Arab], eign. Johannes, Johannes de dooper.
yan
KW. en oudj. zie yèn. Zie ook yar. yan-yanane. Bl. PS. 76: E: angèlane: wong dadi mandhor kuwi. yan-yanane.
yun
1. KW. gew. ayun, zie boven. - 2. grondvorm van iyun. - ngayun, mayun, en kayun, zie bij ayun. - yuni, ngayuni, en mahyuni, KW. zva. ngarêpi, en ngajoni. - payunan, zie iyun. - kêyunyun, kêyuyun, en gew. kêyungyun, bekoord; betooverd; bekoord of aangelokt worden door iemand of iets dat fraai of schoon is (vrg. kasêngsêm). - ngyungyuni, iets bekoorlijk vinden R., volg. Rh. zva. ngyungyunake, iemand of iemands hart bekoren; bekoorlijk, aanlokkend, betooverend (vrg. menginake, en nêngsêmake) S. - yun-yunan, zie bij iyun.
yèn
KN. (in Kawi ook hyan, yyan, en yan, en dus denominatief van ya, of iya) 1. minawi,[1] K. in de bet. v. als, bv. ° sampeyan parêng. wanci yèn, ten tijde, dat? Wk.? als voegwoord vóór een stelling van een geval of omstandigheid, in den zin van als of indien (vrg. nèk, en mênawa), en dan dikwijls voor den nadruk, zie Gramm. bl. 199. - 2. aanwijzend voegwoord voor hetgeen men zegt, dat door iemand gezegd, gezien of vernomen, gedacht of gevoeld is of wordt, waar wij het aanwijzend voegwoord dat gebruiken (bv. awèh wêruh, yèn ... kennis geven, dat enz.), soms ook bv. na woorden die vragen bet. men verzwijging van zeggen of antwoorden: zóo: tinakenan sudarsana, yèn pinangkane saking ardi, ondervraagd zijnde, zeide S. dat hij van het gebergte kwam, ook wel zonder yèn, WP. 211: kaula têtêr: sampun botên ngintên pisan-pisan [pi...]

--- 2 : 447 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
[...san], door mij categorisch ondervraagd zijnde: (zeide hij) dat hij er volstrekt niet aan dacht. Even zóo vóor de aangehaalde woorden WP., en elliptisch vóor den in houd van een brief of boodschap, zonder het woord inhoudende of luidende. sêrat yèn, brief (inhoudende) dat Bab. Jo. II, 317; WP. 212: kaula kautus yèn sampeyan katimbalan, ik ben gezonden met de boodschap (inhoudende) dat u ontboden wordt. - 3. zelden, even als nèk, mênawa, (R. alleen gegrond op JBr. 128, uit een niet onberispelijk Jav. brief, doch ook Waj. I, 98), of bokmênawa, in den zin van het is mogelijk of het is te vreezen, dat ...; althans poët.? BG. 540: winaspadakna karuhun, yèn kalintu ing paningal, zie eerst maar eens goed toe, wellucht hebt gij verkeerd gezien. yèn ora, zoo niet, of zoo neen. yèn akua, zoo ik het was. yèn sore, als het avond is, des avonds (met nadruk). yèn mêngkono, zoo het aldus is, als het zóo is, in dat geval, dan (met nadruk). yèn aku, ora gêlêm, zoo ik het ben (als het mij aangaat, ik voor mij, of met nadruk ik) wil niet. Bok Martayuda yèn ing Samawis sampun anglangkungi ayunipun, Bok Mǎrtå Yudå was voor Sěmarang al heel mooi BTDj. 525. Ook voor den Conjunctief, dikwijls te vertalen door: om ... te. pantês yèn kaagêma, BTDj. 50, passend om gedragen te worden. botên kalilan yèn kanggenana Radèn Susuruh, het was hun niet vergund om Raden Susuruh bij zich in huis te hebben BTDj. 17. ajrih yèn matura, RP. 25 (ongeveer gelijk aan een badhe matur: ajrih) zij was bang om het te zeggen. Zie nog WG. 349, 350. manèh yèn, zie manèh.
yana
KW. zva. yèna, (yan + a °) wong, vgl. jana, ana, (ya + ana) Wk.
yani
KW. zva. banyu, G. (vrg. jahni). (? Skr. jyâni, rivier).
yuni
= yoni, Tj.
yoni
KW. zva. sêlamêt, vgl. KA., en yuh, volgens G. afweren, afwenden.
yunani
Ar. [Arab], Grieksch. wong Yunani, een Griek JR.
yanda
KW. zva. mindha, Wk.
yande
(oudj. ya + ande) KW. zva. agawe, Wk.
yantya
KW. zva. bangêt, Wk. (oudj. ya + antya).
yunus
Ar. [Arab], eign. Jonas.
yèndhamawa
KW. zva. tanggal ping sawêlas, G.
yun-yunan
zie bij iyun.
yra
KW. zva. mênyang, G. (? oudj. ri + a °).
yar
KW. zva. yèn, nalika, (en gêlis, G.). Is in 't oudj. evenals yan, een voorvoegsel ter vorming van praedicaten, in gevallen waarin wij een sterken klemtoon gebruiken WS. 88.
yir
KW. zva. tatu, G.
yèr
KW. zva. pandêlêng, G.
yarês
KW. zva. giris, (ya + arěs).
yarya
KW. zva. ing nalika, Wk.
yak
ook iyak, en ayak, interj. zva. yang, of iyang, 2. yak, zie ook iyak.
yok
in de spreektaal zva. ya, of iya, Wk.
yeka
in poëzie samentrekking van ya ika.
yèki
in poëzie samentrekking van ya iki, S.
yèku
in poëzie samentrekking van ya iku, ook evenals mal. yaïtu, namelijk.
yakin
ook wel yakim, Ar. [Arab] KN. zeker, zekere kennis door nauwkeurig onderzoek PL. II, 75, JBr. 181 (vrg. takyin, en yêkti). kabar kang durung yakim, een gerucht, dat nog niet (door nauwkeurig onderzoek) zeker is. - ngyakinake, en ngyakimake, van iets door nauwkeurig onderzoek zich verzekeren; iets nauwkeurig opnemen Tent. 4, vgl. ngyêktèkake.
yakti
zie yati. KW. zva. têmên, Wk.
yêkti
1. N. yêktos, K. waar (niet gelogen of verzonnen), zeker (niet te betwijfelen); zeker bewijs (afgeleid uit bestaande omstandigheden) BG. 248; het is waar, het blijkt waar te zijn (Skr. wyakti), zie yukti, en vrg. nyata, têmên). yêktine, yêktosipun, in waarheid, inderdaad; naar de waarheid, om de waarheid te zeggen. sayêkti, sayêktos, volkomen waar, heel zeker; voorwaar. bapakipun °, BTDj. 14 zijn werkelijke vader. sayêktine, sayêktosipun, de volkomene waarheid; eigenlijk, wezenlijk. - sayêktèn, sayêktosan, in waarheid of in ernst gedaan. - ngyêktèni, ngyêktosi, van iets verzekering geven; iets, zooals een belofte, waarheid maken, nakomen, gestand doen; op iets acht

--- 2 : 448 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
geven, er op letten, acht geven op JZ. I, 216, BG. 508, onderscheiden, wie de ware is Waj. I, 18; (ngyêktosi, zie ook nitèni, bij titi). - kayêktèn, (vgl. WG. 65) op kayêktenan, en kayêktosan, bewaarheid, bij onderzoek gebleken, als waar bevestigd; waarmaking, verzekering. - ngyêktèkake, ngyêktosakên, (zie ook nyata) iets bewaarheid maken, verwezenlijken; bevestigen; naar de waarheid van iets onderzoek doen, zich van iets verzekeren, overtuigen. - 2. KW. zie yati.
yukti
KW. zva. yêkti, en bêcik, Wk., JZ. II, RL. 25a (Skr. yukti, het verbonden zijn, het gepast zijn, in overeenstemming zijn).
yakut
KN. de naam v. e. steen, die op Borneo gevonden wordt, en geslepen zijnde door oningewijden voor een diamant kan gehouden worden, misschien kristal Wk. (Ar. uit Perz. [Arab], hyacinth).
yêktos
ngyêktosi, kayêktosan, en ngyêktosakên, K. zie yêkti, titi, en nyata.
yêktiwara
zie bij yati.
yaksa
of yêksa, KW. zva. buta, Wk., ook eign. van een butå-vorst; als Tj. Sěngk. vijf (Skr. yakṣa, naam van een soort van halfgoden, de schatbewaarders van God Kuwéra; ook naam van Kuwéra zelf). yaksa pandhita, butå-paṇdhiet.
yêksa
zie yaksa.
yêksi
vrouwelijke yaksa, (Skr. yakṣî) Waj. I, 347, 353.
yakim
zie yakin.
yakub
Ar. [Arab], eign. Jakob.
yekang
in poëzie samentrekking van ya ikang.
yid
grondvorm van ayid, en yiyid.
yod
KN. 1. ngyod, of ngiyod, wippen; iets, zooals een plank of vlonder, doen zwiepen, op- en neerbuigen (vrg. ngêmbat). yod-ngiyod, poët. heen en weer schudden L. 176, Rh. ngayud-ayud, en ngiyud-iyud, rijzen en dalen v. d. stem (Tj. I, 548). - yod-yodan, (wip, wipplank JR.); op (iets) wippen, zich met wippen of zwiepen vermaken. - 2. verk. v. oyod? BG. 279.
yada
KW. zva. santana, Wk., vgl. yadu.
yadi
yadin, en yadyan, of yadiyan, KW. zva. mênawa, en yèn, (Skr. yadi). yadi, ook KW. zva. birai, Wk.
yadu
KW. zva. irêng, en pêtêng, G. santana, warga, Wk. (uit yadu bala, waarin yadu, Skr. Yadu, nm. van een vorst).
yuda
ook yudha, KW. zva. pêrang, gêgaman, jaman, Wk. (Skr. yuddha, strijd, krijg, oorlog; âyudha; wapentuig. Vrg. yoda). ayuda, ook ayudha, zva. aprang, en gêgaman. yudasmara, een liefde-oorlog voeren, voor vleeschelijke gemeenschap met iemand hebben Wk. yudayana = lurah pêrang, veldheer. yudanagara, zie yuga °, een werk handelende over de zeden en gewoonten en daarop steunende regeerkunst? Bab. Jo. III, 107. patrap °, toepassing daarvan? - payudan, zva. papêrangan, panggonan prang.
yoda
ook yodha, KW. zva. prajurit, gêgaman, Wk.; en kawula, G. (Skr. yodha, strijder, krijgsman, soldaat) BS. 183.
yadin
KW. zie yadi, (Skr. yadi), T. 26a, RL. 52b.
yadyan
KW. zie yadi, ook zva. nadyan, C. 2061, bl. 48b, T. 35b, RL. 45b.
yadiyan
KW. zie yadi.
yod-yodan
zie bij yod.
yadyastun
oudj. = sanadyan, WS. 59.
yodèng
samentrekking van yoda ing.
yata
KW. 1. zva. nuli, ontbr. W. of liever en nu, en toen Tj. Sěngk. 1, BS. 105, 159, vgl. WS. 92. - 2. zva. niyata, of nyata, G. - 3. volgens G. twist, strijd (Skr. yatta, gestreefd, ingespannen). - wiyata, zie boven.
yati
KW. zva. pandhita, dewa, têmên, Wk. (Skr. yati, asceet) ook verbasterd in yakti, of yêkti. Zoo in yatiwara, ook yêktiwara, Skr. yatiwara, voortreffelijk asceet; en in maha yêkti, of sang maha yêkti, zva. sang tapa linuwih. bathara maha yakti, één van de negen hoofdgoden.
yuta
KN. 1. millioen (Skr. niyuta, millioen, en honderd duizend; ayuta, tien duizend) vrg. kêthi. - yutan, bij millioenen, millioenen. ewon yutan, duizenden en millioenen (ontelbaar vele). - 2. in de war zijn, ongeveer zva. bingung, G. (Skr. ayuta, ook los, niet samengevoegd). - 3. zva. wuta, blind (bubul yuta = bubul wuta) Wk., blindelings? en dan zva. barès [ba...]

--- 2 : 449 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
[...rès], eenvoudig, zonder eenig kunstmiddel, list of tooverij, of ook zonder geld bij zich mee te nemen Wk., R.
yatah
KW. zva. bêcik, Wk. (oudj. yartah).
yatna
1. KW. zva. eling, Wk., JZ. II. - kayatnan, zva. kèlingan, AS. - 2. yatna, yêtna, en gew. yitna, BG. 273. KN. zva. prayitna, (Skr. yatna, inspanning van krachten, streven, poging). - ngyitnani, zva. mrayitnani.
yêtna
yitna, yetna, (in Banyumas) zva. yatna.
yatin
of yatim, KN. wees, ouderloos kind, weeskind (Ar. Mal. [Arab]); vgl. lola.
yutun
= wutun, Wk.
yatana
KW. zva. ngati-ati, Wk. ontbr. W. (Skr. yatana, de krachten inspannend?). Vrg. yatna.
yatra
K. van dhuwit, 2. (Skr. yâtrâ, gang; gewoonte; middel; in het Javaansch genomen in den zin van circuleerend middel). kori sayatra, zie kèthèng.
yutta
KW. zva. gajah, Wk. (Skr. yûthapa, hoofd v. e. troep, spec. van een troep olifanten).
yêtos
= yêktos, L. 161, 201 enz.
yatma
en yitma, KW. zva. nyawa, Wk. BG. 333: yitmaning jalma.
yatim
zie yatin.
yatang
KW. zva. ingkang, Wk. (oudj. ya + tang).
yasa
1. KW. zva. karosan, kasêktèn, WW., G., zva. paès, en omah, Wk. (Skr. yasati, moeite doen, zijn krachten inspannen; âyâsa, moeite, inspanning). - 2. KW. en KN. zva. gawe, in den zin van iets maken, laten maken, stichten, bouwen, oprichten, scheppen, doch alleen van iets dat er nog niet is of wat men nog niet heeft JZ. I, 48; ook KI. van gawe, en adêg. ngadu yasa, KW. zva. ngadu karosan, RP. 92. yasa gêdhogan, KN. een paardestal maken, als men er nog geen heeft. sawah yasa, nieuw aangelegd sawahveld, dat drie jaar lang vrijdom van pacht heeft R., volg. Rh. zva. sawah cukil, individueel bezit; vgl. ER. I, 18, 120; II, 89, en v. d. B. in Bijdr. 6e R. III, 140. sagara yasa, BTDj. 480, of ° yasan, een gemaakte zee, een zeer groote vijver? yasakambang, KI. van balekambang, BG. 178. suyasa, en tiyasa, zie boven. - ngyasani, KN. mrv. en ergens iets stichten of bouwen Bab. Jo. II, 391; ook werk maken van iets; iets trachten te bewerken L.; volg. Wk. of angyasani, iets herstellen; iem. lagen leggen, iets door list zien te vangen, vgl. misaya. - angyasakake, voor iemand (iets) maken of laten maken, stichten of bouwen PL. I, 215. - yasan, KI. van gaweyan, en KN. gebouw, gesticht. kêris yasan, een kris, die de eigenaar zelf heeft laten maken. sawah yasan, nieuwe eigen aangelegde sawah's, sawah's in individueel bezit, vrg. cukil, Rh.
yasin
Surat Yasin, naam van de zesendertigste sura van den Koran, die met de letters [Arab] Yâ en Sîn aanvangt, en opgelezen wordt, wanneer een stervende een moeielijk einde heeft KB. 10, Wk. en ter ontdekking van personen verdacht van diefstal ZG. XXXI, 22.
yuswa
ook en eig. yusya, KI. van umur, (Skr. âyus, ouderdom, leeftijd; âyuṣya, levenskracht). mumpung kangjêng rama mangkin, misih ana yuswanira, BS. 509 "terwijl vader nog in leven is"; in gew. Jav. nl. ana umure, (of ook wel dawa umure?).
yusup
Nabi Yusub, de aartsvader Jozef (Arab. [Arab]).
yusya
zie yuswa.
ywa
zie aywa.
yawa
KW. zva. jawa, (oudj. id.) murka, Wk.
yuwa
KW. zva. tunggal, Wk.
ywan
KW. zva. yyan.
yiwana
zva. yuwana, G.
yuwana
1. KW. zva. awèt anom, G., tulus, Wk. (Skr. yauwana, jeugd). - 2. KN. zva. sêlamêt, (vgl. JZ. II) ongedeerd BTDj. 607, gelukkig enz. gespaard blijven, vgl. purna. - kayuwanan, kaywanan = kaslamêtan, BG. 121.
yowana
KW. zva. jêjaka, Wk. (Skr. yauwana, jeugd, zie yuwana).
yawat
KW. zva. kuwat, Wk. (is oudj. yâwat, terwijl, zooveel als, zoolang als, Skr. yâwat).
yowati
KW. zva. prawan, Wk. (Skr. yuwatî, jong meisje) T. 6a.
ywangên
KW. zva. wutah.
ywangi
KW. droefheid G.
yapa
KW. zva. puja, Wk., vrg. japa.

--- 2 : 450 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
yapwa
yapwan, KW. zva. lamun, yèn, of mênawa, (vrg. pwa); vgl. KS. 66.
yudha
yodha = yuda, yoda.
yudhisthira
eign. van den oudsten zoon van Paṇdhu, den Vorst van Ngamartå (Skr. Yudhiṣṭhira).
yujana
of yojana, KW. zva. dohe salêksa dhêpa, en pandêlêng, Wk. (Skr. yojana, een afstand van negen, of, volgens anderen, van vier en een half of vijf Engelsche mijlen).
yya
= ayya.
yaya
zie yayah.
yayi
zie yi.
yuyu
KW. zva. paès, (van yu) G. KN. een klein soort van krab, rivier- of landkrab, die veel in de galěngan's der sawah's wordt gevonden (vrg. èmpèt, pithing, widhêng, jingking) JZ. II. mata yuyu, spr. v. iemand bij wien uit overgevoeligheid dadelijk de waterlanders te voorschijn komen Wk. - ngyuyu, of ngêyuyu, gelijk een krab zoo mager, met zoo weinig vleesch op de ribben van paarden en runderen Wk.
yayah
ook wel yaya, (vgl. KS. 88) KW. 1. zva. kaya, Wk., sapêrti, en prasasat, (vrg. yah, 1.). - 2. zva. bapa, BG. 12, Wk.
yyan
zie yèn.
yuyun
kêyuyun, zie bij yun.
yayèndung
zie indung.
yyaku
KW. zva. ing aku, (oudj. yyraku, ri + aku).
yiyid
KN. slijm, zooals slijm in den mond Tj. I, 517; het slijmerige, kleverige, bv. van versch vleesch, visch en sommige bladen S. (vrg. yid, ayid, talutuh, en pulut). êntèk yiyide, geënerveerd, van iemand wiens levenssappen uitgeput zijn. - yiyidan, wat van gekookte visch niet gegeten wordt JZ. II.
yuyudsuh
zva. yuyutsuh.
yuyut
KW. zva. tali, Wk. - yuyutan, zva. têtalèn, of nganggo tali, JZ. II.
yuyutsuh
eign. van een zoon van Yåmå-widurå (Skr. yuyutsu, strijdlustig, ook: eigenn.).
yêyês
KN. ngyêyes, aanhoudend, lang achtereen duren, vgl. dêrês, ook zva. ngayuyus, zie kayuyus.
yaywas
KW. zva. bisa, Wk.
yyang
zie hyang.
yuyang
of wayuyang, en wayungyang, ook bêlang °, ben. van een hond uit de fabelleer, volg. overlevering de stamvader van de Kalang's.
yum
yumana, zie ayum.
yom
zie ayom.
yama
BatharaYama, en Yamadipati, eign. van den God der onderwereld, den Pluto van de Hindu's R., de God van de hel (Skr. Yama). yama, KW. zva. jêksa, (en maling, G.). yamaloka, zva. naraka. Yamawidura, zie bij Widura.
yamani
ymni Jemenitisch, Ar. [Arab] KW. zva. naraka, Wk., vgl. yama, en ymnNi yamani.
yumana
KW. goedhartig (van yu, en mana, zva. manah) JZ. II; verb. v. yuwana? - ka °, gelukkig geslaagd K. 20, 92.
yamani
ymnNi KW. zva. naraka, (vrg. yama), verb. uit Skr. Yamadhânî, Yama's gebied, de onderwereld, hel.
yumani
zva. yamani.
yamur
KW. zva. lunga, Wk.
yamyam
BG. 526, of yangyam, tilam, BG. 95, zva. Engel inbed! eig. yangyang, zie hyang.
yag
zie iyag.
yog
iyog, zie rog.
yuga
andere schrijfwijze voor yoga, I., ook = yoga, II zva. anak, KA. KW. zva. bêcik, jaman, măngsa, Wk. yuganagara, gew. yuda °, of udanagara, 's lands gewoonten en gebruiken (vgl. jaman). - angyuganagara, gew. angyudanagara, zich naar 's lands gebruiken gedragen Wk.
yoga
KW. I. ook yogya, zva. patut, en bêcik, Wk. of prayoga, Bab. Jo. II, 106 (Skr. yoga, geschiktheid, gepastheid; yogya, geschikt, gepast, voegzaam, behoorlijk, bekwaam). yogaswara, de overgang van °å in °i in uit het Skr. overgenomen woorden, bv. putra, putri, WG. 206. sayoga, N. sayogi, K. sayogya, KW. naar behooren, (naar evenredigheid G.), naar verdiensten; passend, voegzaam; behooren; het behoort. sapayogyane, wie mag het zijn? wie zou het kunnen? WP. sing wis dadi sayogane, naar verdienste, bv. gestraft of beloond worden. sayogi katura, behoorende aangeboden te worden, beleefde term in brieven voor katura.

--- 2 : 451 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
pasangyoga, zie pasang, en JZ. II. - nayogya, KW. zva. mrayoga. II. yoga, of ayoga, 1. zva. gawe, titah, anak, nitahake, puja, sêmèdi, JZ. II. Tj. Sěngk. 4 G. - 2. KN. een kind verwekken, fatsoenlijker woord dan nganakake, (Skr. yoga, ook aanwinst; en middel; en godsdienstige aandacht, met oogmerk om zich door volkomene afgetrokkenheid van het zinnelijke en eindige met het oneindig Wezen der wezens te vereenigen). yoga ulun, Uw Majesteits kind of kinderen. BTDj. 25: ingkang yoga, de vader. sapa sing ayoga mênyang aku, wie is mijn vader? BG. 417. yoga sêmadi, zva. muja sêmèdi, met aandacht bidden. Ngayogyakarta, en verk. Ngayogya, naam van den vorstenzetel, vulg. Jogyokarta.
yogi
1. KW. zva. pandhita, of sang tapa, JZ. II, DW. 155, BG. 427, Wk. (Skr. nomin. jogî, een asceet). yogiswara, een uitstekend asceet T. 4a (Skr. yogeçwara). - kayogiswaran, zva. kapandhitan. - 2. zie yoga, I.
yag-iyag
zie iyag.
yagene
zie bij gene.
yugala
KW. zva. wangsulan, Wk., T. 43a, vgl. jugala.
yogya
zie yoga, I. Tj. Sěngk. 6 G.
yogyapara
KW. zva. pasangyogya, Wk.
yagnyana
KW. zva. pakon, (?Skr. âjñâ, bevel) budi, Wk.
yab-yaban
zie bij iyab.
yang
1. zie hyang, en iyang, 2. - kayangan, prayangyang, prayangan, zie bij hyang. - 2. - interjectie och! zva. byang, Wk.
yung
verkort. v. biyung. ya yung, voor ya biyung, Waj. I, 285.
yangkangên
KW. zva. kamitontonên, Wk.
yingking
dial. = bèyès, de N.
yungta
dial. = uwa wadon, samentr. v. biyung tuwa, de N.
yungyun
kêyungyun, zie bij yun.
yangywang
KW. zva. siluman, suksma, Wk.
yangyang
zie bij hyang. Het wordt ook verklaard door tulisaning gambar, beeldschoone! yangyanging tulis, bijnaam van Bathårå Kåmåjåyå.
yêngyêng
zie dhadhiyêng.
yungyang
zie bij ajag.

Nya

nya
v I. KW. zva. awèh, G. - II. nya. of ênya, N. dawêg, MD. suwawi, K. sumăngga, KI. daar! ziedaar! wanneer men iemand iets geeft of toereikt. sarta ngulungakên: ênya adhi, BTDj. 106 (vrg. nya, en nyah, 3.). - III. KW. aanhechtsel als voornaamwoord van de derde persoon zva. ° e, of ° ipun.
nyi
1. KW. zva. nyilib, G. - 2. KN. verkorting van nyai, ook als Vocatief.
nyu
vu, nyu, of ênyu, KW. zva. krambil, Wk. of cêngkir, (oudj. zie Not. XII, 36). nyudênta, zva. krambil gadhing, of cêngkir gadhing, WP. pêmbayun anyudênya, of pêmbayun ngênyudênta, zva. susu lir cêngkir gadhing, WP. - kênyu = cumplung, Wk. ontbr. W.
nyah
1. KW. zva. awèh, Wk. ontbr. W. - 2. verkorting van nyonyah, S. - 3. in de spreektaal zva. nya, II. - 4. nyah-nyah, ngênyah-ênyah, ook ngunyah-unyah, er los of vluchtig mee te werk gaan, er los overheen loopen; er ligt mee omspringen; een boek maar vluchtig doorloopen; zijn ouders niet met het vereischte respect bejegenen. - nyah-nyahan, maar vluchtig gedaan JR.
nyuh
vuh KW. zva. lêbur, vgl. suh, en trênyuh.
nyèh
KW. zva. maras, G. KN. nyèh-nyèh = nyah-nyah, slordig te werk gaan, slordig eten Rh.
nyoh
interj. zie hier! pak aan! te M. in TBG. XXV, 194, 300 (Rěmb.) en de N. = nya, II.
nyai
KN. 1. vereerende betiteling van fatsoenlijke vrouwen van eenige jaren, gelijk staande met kyai, van mannen; juffrouw, mejuffrouw; ook wordt zoo genoemd de huishoudster en bijzit van een Europeaan; vgl. ZG. 1866, bl. 78, en R. en T. Over ° lara kidul, ° sri, ° pamêngkang sari, ° omong, zie ZG. XXIII, 8, 9. - 2. zva. nini, grootmoeder. nyai sudagar, de vrouw van den koopman. para nyai, pra nyai, of prênyai, vrouwelijke bediende van rang aan het hof van een vorst of prins; hofjuffer WP., BTDj. 465 (vrg. para, II en pawongan, bij wong). nyai tumênggung, zie tumênggung. - mara nyai, als para nyai, dienen WP. 30, 31.

--- 2 : 452 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyihna
zie bij cihna.
nyahak
en nyahakake, zie cahak.
nyehok
nyohok, zie cehok, cohok.
nyaosi
en nyaosakên, zie bij cawis, en saos, II.
nyana
vn KW. zva. budi, JZ. II, pikir, Wk. KN. anggalih, of manggalih, KI., vermoeden; (besef R.); ergens vermoeden of gedachte op hebben, wanen AS. (Skr. jñâna, kennis, besef). Vrg. dipe, sêngguh, rasa, ngrasa, en pêngrasa. kanyana, en dinyana, passief. ora nyana, niet vermoeden, er geen gedachte op hebben; ook zonder er gedachte op te hebben, onvoorziens, bv. iemand ontmoeten. tan mungguh lamun nyanani, (eig. ° dinyanani) Tj. III, 529. ora nyana-nyana, nooit gedacht hebben. (nyana-nyana, allerlei vermoedens, verdenking, argwaan WW., R.; iem., dezen en genen verdenken Wk.). - panyana, panggalih, of panggalihan, KI. Wk. het vermoeden, enz. pênyana-nyana, het argwaan krijgen, argwaan WW., R. - kênyanan, vermoeden krijgen, er erg in krijgen BG. 20, WP.
nyêno
KN. zva. mêgogok, Wk.
nyêne
zie cêne. - nyênèni, bij sêne.
nyina
en kanyina, zie bij cihna.
nyênêng
zie cênêng.
nyènèng
zie cènèng.
nyinaki
KW. zva. ngenaki, Wk.
nyăndra
zie bij căndra.
nyundrik
zie cundrik.
nyindikara
zie sidikara.
nyantên
nyantêni, en nyantênakên, K. zie bij catur, santên.
nyantun
zie nyari.
nyantrik
1. zie cantrik. - 2. KN. ben. v. alle slechte teekens van een paard, die van ondergeschikt belang zijn Rh., niet behoorende tot de mathi, Wk.; gebrek, dat aan iets is, in 't algemeen Wk.
nyantrang
KN. naar garnalen visschen in een schuitje bij nacht; vlg. Wk. KW., ontbr. W. wong nyantrang, zulk een visscher RS.?
nyandhi
zie bij candhi.
nyêndhana
zie bij candhana.
nyandhak
en nyandhakake, zie candhak.
nyêndhak
en nyêndhakake, zie bij cêndhak.
nyundhuk
en nyundhukake, zie cundhuk.
nyandhêt
zie candhêt.
nyundhit
zir cundhit.
nyondhong
en nyondhongake, zie condhong.
nyandhangi
zie bij candhang.
nyonyo
zie bij soso.
nyanyah
zva. nacah, zie cacah.
nyênyah
KN. iemands taal nabootsen G. zva. rênyah, 2.? Asm. S. I, 265.
nyinyih
prênyinyih = nyènyèh, Tj.
nyènyèh
gew. mênyènyèh, ook bênyènyèh, KN. ichoreus, waterig, vocht opgevend, kleverig, vocht afgevend, bv. van een wond of schram.
nyonyah
bij verk. nyah, KN. getrouwde vrouw van een Chinees of Europeaan, Mal. nyonyah: mevrouw; betiteling van een vrouw, Mevrouw, Juffrouw Wk.; vgl. nonah.
nyanyah-nyunyah
KN. als een blinde rondtasten; onbesuisd te werk gaan (K. 3, 44) Rh.; volg. Wk. = cacah-cucah, vgl. nyah-nyah, bij nyah, 4.
nyinyir
zie bij nyir.
nyunyur
KN. vermorzeld, vergaan, tot brij (stof Wk.) of pap overgaan (vrg. ajur); v. wonden? Bab. Jo. I, 1008-9.
nyênyorèngi
zie bij corèng.
nyunyuk
KN. een obj. met een puntje van iets, of eventjes met iets, aanraken, zooals met iets dat brandt, zoodat het in brand raakt of zengt AS., L. 167 (vrg. cucuk, en nyonyok). kênyunyuk, en dinyunyuk, passief. - nyunyukake, met iets zóó eventjes (iets) aanraken; iets eventjes (tegen iets) aanhouden. - nyunyukan, zva. mek-mekan, al tastende, bv. van iemand in het donker WW.? R.
nyonyok
enz. 1. zva. nyunyuk, enz. (vrg. cocok). di °, Waj. II, 63. - 2. zva. nyoso, zie soso, Wk.
nyênyêd
of (gew. Wk.) nyênyêt, S. 1. KN. doodstil; doodsch; in diepe treurigheid (vrg. sêpi, en mamring). - kanyênyêtan, doodelijke stilte Tj. I, 381. - 2. KW. zva. asrêp, fig. wellicht bevredigend, vertroostend, aangenaam, liefelijk, komt voor verbonden met manis, en sumrah, DW. 371, 382; verteederend (eig. knedend? vgl. ênyêt). luwês ° manis wicaranira, Bab. Jo. I, 627; volg.

--- 2 : 453 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
Wk. KN. koud, kil op het gevoel, bv. een lijk, vgl. jêjêt.
nyênyêt
AS., zie nyênyêd.
nyênyês
zie nyês.
nyênyêp
KN. 1. het achtereinde van een pijl met een keep voor de pees van den boog; en ben. v. d. beide einden van een kêndhali, waar de ring (gêlang) aan hangt Wk. - 2. ook stil, eenzaam, zva. nyênyêd, jêjêp.
nyênyumbu
zie bij cumbu.
nyênyongah
zie bij cuwêngah.
nyanthuk
zie canthuk.
nyênthok
zie cênthok.
nyanthèl
nyanthèli, en nyanthèlake, zie bij canthèl.
nyênthulani
zie canthula.
nyanthung
zie canthung.
nyênthang
zie cênthang.
nyênthing
zie cênthing.
nyinthung
zie cinthung.
nyenthong
zie centhong.
nyonthong
zie conthong.
nyenthangi
zie nyonthangi, zie centhang, of conthang.
nyocol
zie bij cocol.
nyra
KW. zva. adhustha, G.
nyar
y/ 1. KW. zva. wutuh, G. - 2. KN. verk. van anyar, dhêmênyar, en rêmênyar, zie bij anyar.
nyir
KW. zva. wêdi, G. KN. bange ongerustheid van iemand of iemands hart (vrg. sir). krasa nyir, in bange ongerustheid zijn GR. - nyinyir, en anyir, zacht op het gevoel, melig, zooals bloem van meel of gelei; ook mollig, poezelig (vrg. êmpuk). anyir nyinyir, heel zacht op het gevoel JR., zie nog bij anyir, Tj. v, 263, Men. VII, 536, 537.
nyèr
KW. zva. nganti, Wk. (en waras, G.). - manyèr, zva. nganti. - manyèri, zva. ngêntèni.
nyara
yr nyarani, en nyarakake, zie bij cara.
nyari
KW. zva. pijêr, Wk. N. nyantun, K. (volg. Rh. dial. zva. dariji) vingerbreed (vrg. jari, en dus wel voor njari). sênyari, een vingerbreed BS. 268. nyari, ook dial. = iring, 2. Walb. dial. v. Japårå.
nyorahake
zie bij corah.
nyêraos
K. zie bij rasa, I.
nyirèni
zie bij ciri.
nyarak
en nyaraki, zie bij carak.
nyarik
zie bij carik.
nyaruk
zie bij caruk.
nyêrak
zie bij cêdhak.
nyêrêk
zie bij cêrek.
nyorèk
zie bij corèk.
nyorok
zie bij corok.
nyêrkakah
KN. zva. mêkakah, of mêrkangkang, ook zich wijd uitspreiden van de takken van een boom, en van de horens van een hert.
nyurut
zie bij curut.
nyêrètèh
spreektaal zva. nyêrwètèh, B.
nyaritani
en nyaritakake, zie bij carita.
nyurêsake
zie curês.
nyarwe
KW. zva. mraduli, Bab. Pas. 16, C. 2196, bl. 38.
nyêrwètèh
KN. heel zonderling, vreemd en wonderlijk, curieus BS. 232, afwijkende van den gewonen regel BTDj. 456, meestal verbonden met anèh, ook buitengewoon Rh., bv. van he spreken van een taal, en van een pisang van goud.
nyêrpèpèh
van cêrpèpèh, zir rêpèpèh.
nyariyosi
en nyariyosakên, K. zie bij carita.
nyrêmumuh
zie cêmumuh.
nyrêmomong
= mrêmomong, zie prêmomong.
nyuriga
zie curiga.
nyarub
nyarubi, en nyarubake, zie bij carub.
nyurab
en nyurabi, zie bij urab.
nyêrbaki
zie cêrbak.
nyaring
fijn en schel, een soort metalen klank GL. 67.
nyarong
KN. bijzonder helder, van het water (vrg. bêning). sêndhang ingkang ° toyane, BG. 268.
nyurêng
nyurêngi, zie curêng.
nyurangi
zie curang.
nyerongi
nyerongake, zie bij cerong.
nyorèngi
zie bij corèng.
nyorongi
zie corong.
nyrèngkèng
zie bij crèngkèng.
nyaringis
zie caringis.
nyarungus
zie bij carungus.
nyarèngès
zie bij carèngès.
nyarongos
zie carongos.
nyrêngèngèh
zie bij crêngèngèh.

--- 2 : 454 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyuk
yuk\ zie mak nyuk.
nyèk
of ênyèk, KN. klanknab. v. h. geluid als men op iets weeks drukt of trapt Wk. - ngênyèk, iets weeks plat drukken Wk. - kênyèk, bij ongeluk op iets weeks trappen of er met de hand op drukken, vgl. nyèt, Wk.; zie ook mak nyèk.
nyok
WP., zie bij sok, II.
nyuki
nyuke, zie bij cuki, en cuke.
nyêkênik
zie bij cêkênik.
nyikon
zie siku, II.
nyêkênuk
nyêngkênuk, zie bij cêkênuk.
nyêkênthing
en nyêkênthingi, zie cêkênthing.
nyêkunthêng
zie bij cêkunthêng.
nyakra
zie bij cakra.
nyakar
nyakari, en nyakarake, zie cakar.
nyikar
zie bij cikar.
nyukur
zie bij cukur.
nyèkèr
en nyèkèri, zie bij cèkèr.
nyokèr
zie bij cokèr.
nyêkrok
zie bij cêkrok.
nyikruk
zie bij cikruk.
nyèkrèk
zie cèkrèk.
nyêkak
zie bij cêkak.
nyêkèk
zie cêkèk.
nyokèk
zie bij cukak.[2]
nyêkikèr
zie bij cêkikèr.
nyêkoki
zie bij cêkok.
nyakêt
nyakêti, en nyakêtakên, K. zie bij cêdhak.
nyakot
zie bij cakot.
nyêkit
zie bij cêkit.
nyêkèt
zie cêkèt.
nyukit
zie bij cukit.
nyokot
zie bij cakot.
nyêkêtut
zie bij cêkêtut.
nyêkowak
en nyêkowêk, zie bij cêkowak.
nyêkowik
zie bij cêkowak.
nyêkiwing
zva. nyêngkiwing, zie cêngkiwing.
nyiklu
zie bij ciklu.
nyakal
zie cakal.
nyêkêl
nyêkêli, en nyêkêlake, zie bij cêkêl.
nyikal
en nyikali, zie bij cikal.
nyukil
zie bij cukil.
nyêkluk
zie cêkluk.
nyêklèk
en nyêklèkake, zie bij cêklèk.
nyoklèk
nyoklèki, en nyoklèkake, zie coklèk.
nyoklaki
zie coklak.
nyakili
zie cakil.
nyakêp
nyakêpi, zie bij cakêp.
nyakup
zie bij cakup.
nyêkap
nyêkapi, en nyêkapakên, K. zie bij cukup.
nyukup
nyukupi, en nyukupake, zie bij cukup.
nyêkêdhung
zie cakêdhung.
nyêkidhing
zie cêkidhing.
nyêkedhong
zie cêkedhong.
nyêkodhong
zie cakodhong.
nyakuthik
zie cakuthik.
nyêkuthak
zie bij cêkuthak.
nyêkuthuk
zie bij cêkuthuk.
nyêkethokake
zie bij cêkethok.
nyêkuthis
zie cêkuthis.
nyakuthêm
zie cakuthêm.
nyêkêthêm
zie cêkêthêm.
nyêkithing
zie bij cêkithing.
nyêkothong
zie cêkothong.
nyukêng
en nyukêngi, zie bij cukêng.
nyeda
zie bij ceda. - nyedani, KI. van matèni, (van seda, KI. van pati).
nyudênta
zie bij nyu.
nyidra
en nyidrani, zie bij cidra.
nyat
yt\ WP. of ênyat, zie bij cat.
nyèt
of ênyèt, KN. klanknab. v. h. geluid en den toestand van iets weeks, dat onder een gewicht zich onmiddellijk uitbreidt en plat wordt Wk. mak nyèt = mak nyèk. - pènyèt, plat door een drukking als boven Wk. - ngênyèt, mènyèt. zva. mênèt, zie ênêt, en pènyèt. - kênyèt, zva. kênyèk, zie nyèk. - plènyèt, mlènyèt, zva. mènyèt, Wk., vgl. ênêt.
nyata
KN. èstu, of saèstu (yêktos, of sayêktos, Wk.) K. niyata, KW. werkelijk, werkelijk waar, in de werkelijkheid blijkend waar te zijn; wezenlijk, zeker, inderdaad Wk. (Skr.

--- 2 : 455 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
niyata, bepaald, positief, uitgemaakt zeker). Vrg. jati, en yêkti. nyata, of nyata yèn, het blijkt werkelijk waar te zijn, of het is positief, dat ... Allah kang nyata, de werkelijke, ware, God. nyatane, N. nyatanipun, en èstunipun, K. het in de werkelijkheid blijkende, het bewijs, de verwezenlijking of het werkelijk waar worden van iets; de werkelijke waarheid; ook werkelijk, om de werkelijke waarheid te zeggen. sanyata, zva. sajati. ratu sanyata, KN. ratu saèstu, K. een ware koning; vlg. sommigen is beide KN., maar bet. ratu sanyata, een waar koning, een koning zooals hij behoort te zijn, maar ° saèstu, een wettig, rechtmatig koning Wk. sanyatane, N. sanyatanipun, of saèstunipun, K. zooals het in de werkelijkheid is, gansch, positief, inderdaad. - nyatani, KN. iets verwezenlijken; aan iets werkelijke uitvoering geven, iets gestand doen (zva. ngyêktèni, Wk.). kênyatan, gebleken, ook zva. kênyataan, Wk. - nyatakake, N. ngyêktosakên, (of angyêktosakên, Wk.) K. volg. Rh. alleen K. v. ngyêktèkake, iets bewijzen of doen blijken werkelijk waar te zijn; van iets zich verzekeren, dat het werkelijk waar is BG. 461. - kênyataan, Gr. L. 156, KN. kayêktosan, K. bewaarheid, uitgekomen Wk.; de werkelijke waarheid of toestand van iets; de verwezenlijking van iets; feitelijk bewijs van iets, bewijs dat iets blijkt werkelijk waar te zijn. - pranyata, zva. nyata, Prěg. 2.
nyatu
zie bij catu.
nyêtani
in de spreektaal zva. mêstani. dipun sêtani, passief.
nyitra
zie bij citra.
nyatur
nyaturi, en nyaturake, zie bij catur, II.
nyat-nyut
KN. onrustig, in gemoedsbeweging zijn; vgl. cat.
nyas
ys\ KW. heet, warm G. KN. een uitroep tot uitdrukking van het gevoel, dat men zich brandt, bv. aan brandnetels, of (vlg. Wk.) door een schorpioen gestoken wordt. - kênyas, een brandend gevoel als boven Wk. - kumênyas, brandend als boven v. e. gevoel Wk.
nyês
ênyês, nyênyês, zie cês.
nyus
zie cus.
nyos
kênyos, kumênyos, zva. nyus, kênyus, kumênyus, Wk., zie bij cus. - kumênyos, ook heerlijk zoet en frisch van smaak Wk.
nyawa
KN. ziel, iemands ziel; het bezielde; ook mijn ziel! mijn lieve! bij het aanspreken van een geliefd persoon AS., BG. 502 (vrg. jiwa). nyawane, zichzelf A. 17, vgl. Bijdr. 4e R. VIII, 237. - anyawa, bezield; bezield zijn, leven; vlg. Wk. van al wat door zijn bewegelijk leven verondersteld wordt een vrijen wil te hebben [?]. - kanyawa, KW. zva. kêkaruh, karakêt, Wk.
nyawi
zie bij cawi.
nyawe
zie cawe.
nyiwi
zie bij sewa, II.
nyèwèhake
zie cèwèh.
nyuwani
zie bij cuwa.
nyawir
en nyawirake, zie bij cawir.
nyawuk
zie bij cawuk.
nyuwak
zie bij cuwak, en bij suwak.
nyuwik
zie bij cuwik.
nyowok
zie bij cowok.
nyawiki
KI. zie bij cewok.
nyewoki
zie bij cewok.
nyawad
nyawadi, zie bij cawad.
nyawêt
nyawêti, en nyawêtake, zie bij cawêt.
nyawisi
en nyawisake, zie bij cawis.
nyawowo
nyuwowo, zie bij cawowo.
nyawawak
nyuwawak, zie cawawak, en bij suwak.
nyuwèwèk
zie bij suwèk, en cawèwèk.
nyawèl
zie bij cawèl.
nyiwêl
zie ciwêl.
nyuwil
nyuwili, en nyuwil-nyuwilake, zie cuwil.
nyuwol
zie bij cuwol.
nyawang
zie bij cawang, en bij sawang. - nyawangake, zie bij sawang.
nyawing
zva. nyawèng. Vlg. G. KW. dunne lippen hebben.
nyawèng
zie cawèng.
nyèwèng
zie bij cèwèng.
nyêla
en nyêlakake, zie bij cêla, en sêla.

--- 2 : 456 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyaloni
zie bij calon.
nyalênèh
KN. een uitzondering maken in zijn manieren, wijze van doen of zijn, vermaken enz.; een zonderling zijn, vreemde manieren hebben; eenig in zijn soort, buitengemeen (vrg. anèh) JR.
nyêlonèh
zie bij calonèh.
nyalonèt
zie calonèt.
nyalunas
zie calunas.
nyêlandri
KN. buitengewoon, zeldzaam, gew. van vruchten die een boom buiten tijd draagt of die buiten tijd te krijgen zijn, vgl. lăngka, Wk.
nyalunthang
nyalunthangi, zie bij calunthang.
nyêlêr
zie bij cêlêr.
nyêlorot
zie bij clorot.
nyalak
nyalaki, zie bij calak.
nyêlak
zie bij cêlak, en bij cêdhak. - nyêlaki, en nyêlakakên, zie bij cêdhak, en cêlak.
nyêluk
zie bij cêluk.
nyilik
nyiliki, en nyilikake, zie bij cilik.
nyulik
zie bij culik.
nyolok
nyoloki, en nyolokake, zie bij colok.
nyilakani
en nyilakakake, zie bij cilaka.
nyulikani
zie bij culika.
nyêlèkake
zie cêlèk.
nyalêkit
zie bij cêkit.
nyêlkuthak
zie bij cêkuthak.
nyêlkuthis
zie bij cêkuthis.
nylêkathêm
zie clêkathêm.
nyêlêd
zie cêlêd.
nyeladake
zie celad.
nyolèt
zie colèt.
nyolot
zie bij colot.
nylatung
dial. = cêmèng, de N.
nylês
zie clês.
nyaluwêrake
zie caluwêr.
nyalawadi
zie bij cala.
nyaluwêng
zie caluwêng.
nyalili
nyalilèni, zie calili.
nyalulu
zie bij calulu.
nyêlolo
zie bij calolo.
nyalêlêr
zie calêlêr.
nyalêlêng
zie bij clêlêng.
nyêlêp
zie bij cêlêp.
nyêlup
en nyêlupake, zie bij cêlup.
nyalèpèr
zie cèpèr.
nyil-nyilan
KN. zich overal in mengen, overal haar neus in steken, meestal van een vrouw Rh.; volg. Wk. kwikkebillen, in bespottelijke beweging zijn v. e. vrouw, die vlug en levendig is, vgl. weg-wegan, Wk.
nyilum
zie cilum.
nyalimur
zie bij simur.
nyêlamur
zie bij samur.
nyêlomori
zie bij cêlomor.
nyalêmik
zie bij calêmik.
nyalêmpung
en nyalêmpungi, zie bij calêmpung.
nyalimpang
zie bij simpang.
nyêlamake
zie bij Islam.
nyêlomake
zie sêlom.
nyalêmong
zie cêmong.
nyêlag
zie sêlag, KN. door voortvarendheid of haastigheid te ver gaan Wk., vgl. jêlag, sêlak.
nyêlathoni
en nyêlathokake, zie bij cêlathu.
nyulêng
zie bij culêng.
nyelung
zie bij celung.
nyèlèng
en nyèlèngi, zie bij cèlèng.
nyolong
en nyolongi, zie bij colong.
nyalêngkêr
zie calêngkêr.
nyalingkêr
zie calingkêr.
nyalingkrik
zie bij calingkrik.
nyalêngêp
zie calêngêp.
nyêlangap
zie bij cêlangap.
nyêlongop
zie bij cêlongop.
nyalangi
zie calang.
nyalênggruk
zie bij sênggruk.
nyape
zie cape.
nyupu
zie bij cupu.
nyapuntên
K. zie bij apura.
nyapuri
zie cêpuri.
nyaprat
zva. anjaprat, (zie jêlaprat), en beteekent ook stevig uitstaan, bv. van de staart van een kip enz. GR.?
nyêprot
zie bij cêprot.
nyiprat
nyiprati, en nyipratake, zie bij ciprat.

--- 2 : 457 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyopros
zie copros.
nyêpak
nyêpaki, en nyêpakake, zie bij cêpak.
nyêpuk
zie cêpuk.
nyupaki
zie bij cupak.
nyipta
zie bij cipta.
nyapit
zie bij capit, en bij sapit.
nyêpit
en nyêpitake, zie bij cêpit.
nyêpèt
zie cêpèt.
nyupêt
nyupêti, en nyupêtake, zie bij cupêt.
nyopot
zie bij pocot.[3]
nyêpol
zie bij cêpol.
nyaplêk
en nyaplêki, zie caplêk.
nyaplok
en nyaploki, zie bij caplok.
nyêplèk
zie bij cêplèk.
nyêplok
en nyêploki, zie bij cêplok.
nyuplak
zie bij cuplak.
nyoplok
en nyoplokake, zie bij coplok.
nyaplêki
zie caplêk.
nyêplus
zie bij cêplus.
nyêplès
zie cêplès.
nyèplêsi
zie bij cèplês.
nyêplosake
zie cêplos.
nyêpling
zie bij cêpling.
nyêpapo
zie cêpapo.
nyêpèpèh
zie cêpèpèh.
nyapêng
zie capêng.
nyêpêng
nyêpêngi, en nyêpêngakên, K.z.b. cêkêl.
nyêdhahi
KW. zva. ambubuhi, Wk.
nyêdhak
nyêdhaki, en nyêdhakake, zie bij cêdhak.
nyêdhêk
nyêdhêki, en nyêdhêkake, zie bij cêdhak.
nyidhuk
en nyidhukake, zie bij cidhuk.
nyêdhis
zie cêdhis.
nyadham
KN. half of nog niet geheel rijp; nog zuur of wrangachtig smaken van jambu's (gew. v. jambu kaluthuk, Wk.) en dergelijke vruchten (vrg. kêcut, kêmampo, en sêpêt) Wk.
nyidham
zie bij idham.
nyadhang
en nyadhangi, zie bij cadhang, en sadhang.
nyadhong
nyadhongi, nyadhongake, zie bij cadhong.
nyojoh
= anjojoh, zie jojoh, Wk.
nyiyuti
nyiyutake, zie bij ciyut.
nyiya-nyiya
zie bij siya, en bij ciya.
nyanyi
manyanyi, zingen Waj. II, 511.
nyênyamahi
zie camah.
nyênyungah
zie cuwêngah.
nyam
ym\ grondvorm of verkorting van kênyam. - nyam-nyamên, naar iets snakken, daar men nog niet op hopen kan JR.
nyamu
KN. lont van linnen gemaakt; vgr. colok.
nyamèh
zie camèh.
nyamahake
zie camah.
nyumantakake
zie bij sănta.
nyamir
zie camir. nyamir, nyamiri, nyamirake, zie samir.
nyêmara
zie cêmara.
nyêmarani
zie cêmara.
nyomrong
v. e. gêlung, WP. niet goed, achteloos opgemaakt, of maar losjes vastgeknoopt, schrijff. voor bombrong?
nyamik
nyamikan, zie camik.
nyêmak
KN. nyêmak-nyêmak, of nyêmèk-nyêmèk, nat, vochtig, drassig van den grond, vgl. jêmèk.
nyêmèk
zie nyêmak.
nyamuk-nyamuk
zie camuk.
nyamat
KN. 1. mundri, KI. (doch weinig in gebruik S.), een knopje van goud of van juweel op een kuluk. - 2. nyamat-nyamat, zva. lamat-lamat. BG. 265: nyênyamat nyamut-nyamut.
nyamut
KN. nyamut-nyamut, door verren afstand nauwelijks te zien, vooral van voorwerpen die hoog in de lucht zich als 't ware in de wolken verliezen, als vogels, een vlieger enz., bv. v. schepen en derg. Tj. II, 363. BG. 85 ibêre ... dhuwur tur anyamut-nyamut, vgl. nyamu-nyamu.
nyêmêt
zie bij cêmêt.
nyimit
KN. nyimit-nyimit, zva. cimih-cimih, Wk.
nyemot
zie bij cemot.
nyomot
zie bij comot.
nyemlo
zie bij cemlo.
nyêmol
zie cêmol.

--- 2 : 458 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyomèl
zie comèl.
nyamlêng
en nyamlêngan, zie bij camlêng.
nyumlêngake
zie bij cumlêng.
nyampahi
zie bij campah.
nyumpèni
zie cumpi.
nyumponi
zie cumpu.
nyampuri
zie bij campur.
nyêmpuriti
en nyêmpuritake, zie bij cêmpurit.
nyampad
KW. zva. ngampad, Wk.
nyêmpèd
zie bij cêmpèd.
nyumpêdake
zie cumpêd.
nyêmpat
zie cêmpat.
nyêmpli
zie bij cêmpli.
nyêmplu
zie bij cêmplu.
nyemplo
zie bij cemlo.
nyêmpala
zie cêmpala.
nyêmpelo
zie bij cemlo.
nyêmplak
zie cêmplak.
nyêmpluk
zie cêmpluk.
nyêmpaluki
zie bij cêmpaluk.
nyamplung
KN. 1. pit met het vleesch er omheen van vruchten, daar veel zulke pitten in zitten, zooals de nångkå, kluweh en durian, met een telwoord er voor, bv. sênyamplung, rong nyamplung, enz. S. - 2. naam van een boom Calophyllum Linn., nat. fam. der Guttiferae Ks., met fijn, geel en fraai gevlamd hout, dat veel voor meubelhout gebruikt wordt. (Van de vrucht komt een vergiftige olie, lênga nyamplung, genoemd, en van de schaaltjes van de vrucht worden waterscheppertjes gemaakt tot speelgoed voor kinderen). - nyamplungan, een pit met het vleesch van een vrucht, zooals de nångkå; aan of bij nyamplung's, bv. afgedeeld of verkocht.
nyêmpling
zie bij cêpling.
nyêmplung
nyêmplungi, nyêmplungake, zie cêmplung.
nyêmplêng
zie bij cumplêng.
nyêmpuling
zie cêmpuling.
nyamping
nyampingi, en nyampingan, JZ. I, 87, KI. zie bij bêbêd, en bij tapih.
nyamu-nyamu
KW. zva. awang-awang, tawang, Wk., vgl. nyamut-nyamut.
nyam-nyamên
zie bij nyam.
nyêmimi
zie bij cêmimi.
nyêmumuh
zie cêmumuh.
nyêmamêm
op een droogje zitten, eten noch drinken, sirih kauwen noch rooken Wk., vgl. amêm.
nyêmèmrèng
zie bij mèmrèng.
nyêmomong
zie mrêmomong.
nyumbana
zie bij cumbana.
nyambori
zie bij cambor.
nyombrong
losgeknoopt v. e. kapsel Rh., WP.
nyambik
of mênyambik, KN. = salira, of. mênyawak.
nyambèk
in de spreekt. zva. nyambi, bv. nuli nyambèk udud. R.
nyomblong
zie comblong.
nyambêngi
zie bij cambêng.
nyêmêthi
nyêmêthèkake, zie bij camêthi.
nyêmêng
nyêmêngi, nyêmêngakên, K. zie bij irêng.
nyêgah
zie bij cêgah.
nyêgur
nyêguri, en nyêgurake, zie bij cêgur.
nyogèr
zie cogèr.
nyagêri
en nyagêrake, zie bij cagêr.
nyagak
en nyagaki, zie bij cagak.
nyugak
zva. nyugag, zie bij cugag.
nyêgat
nyêgati, nyêgatake, zie cêgat.
nyêgot
nyêgoti, zie bij cêgot.
nyêgêdhêg
zie cêgêdhêg.
nyugag
zie bij cugag.
nyèb
zie swab.
nyabe
zie cabe.
nyibu
KW. zva. babo, Wk.
nyubi
zie bij coba.
nyoba
en nyobakake, zie bij coba.
nyobi
KD. zie bij coba.
nyêbur
nyêburi, en nyêburake, zie bij cêgur.
nyabak
zie cabak.
nyêbak
zie bij cêbak.
nyibuk
en nyibukake, zie bij cidhuk.
nyobak
Ml.? zva. nyoba.
nyabut
zie bij jabut.
nyablik
zie cablik.
nyablèk
nyêblèk, zie bij cablèk.
nyêblok
nyêbloki, nyêblokake, zie bij cêblok.
nyublak
en nyublaki, zie bij cublak.
nyublik
en nyubliki, zie bij cublik.
nyublês
en nyublêsake, zie bij cublês.

--- 2 : 459 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyoblos
nyoblosi, nyoblosake, zie bij coblos.
nyêblang
zie cêblang.
nyêbablang
zie cêbablang.
nyêtha
en nyêthakake, zie bij cêtha.
nyitho
zie bij citho.
nyèthi
zie bij cèthi.
nyothe
zie cothe.
nyathur
zie cathur.
nyathak
zie bij cathak.
nyathuk
en nyathukake, zie cathuk.
nyathèk
zie bij cathèk.
nyathok
nyathoki, nyathokake, zie bij cathok.
nyêthak
zie bij cêthak.
nyithak
zie bij cithak.
nyuthak
zie bij cuthak.
nyuthik
zie bij cuthik.
nyethok
en nyethoki, zie bij cethok.
nyêthikake
zie bij cêthik.
nyathêt
en nyathêti, zie bij cathêt.
nyathut
zie bij cathut.
nyêthut
en nyêthuti, zie bij cêthut.
nyêthèt
nyêthèti, en nyêthètake, zie bij cêthèt.
nyêthot
zie bij cêthot.
nyuthat
nyuthati, nyuthatake, zie bij cuthat.
nyèthèt
zie bij cèthèt.
nyothot
zie bij cothot.
nyathus
zie bij cathus.
nyi thowok
zva. ni thowok, zie kêdhok.
nyathil
zie cathil.
nyêthil
nyêthili, zie bij cêthil.
nyathêm
zie bij cathêm.
nyathuthur
zie bij cathuthur.
nyathêthêk
zie cêthêthêk.
nyathuthuk
zie bij cêthuthuk.
nyêthingi
zie cêthing.
nyang
of ênyang, N. zie bij mênyang, en bij anyang. - nyang-nyang, KN. weifelen (vrg. nyang-nyêng). - nyang-nyangên, weifelachtig, veranderlijk, zich niet gelijk blijven JR.
nyêng
of ênyêng, KN. klanknabootsend woord voor de opwaartsche beweging van iets zwaars, dat met gemak opgetild wordt: huup, het gaat! bv. kopi sêdhacin dijunjung: ênyêng. Zoo ook mak nyêng. nyang-nyêng, klanknab. v. h. herhaaldelijk iets optillen Tj. I, 512.
nyèng
of ênyèng = nyêng, of ênyêng, Wk.
nyong
WP. zie bij inyong.
nyongo
zie congo.
nyèngèh
zie cèngèh.
nyangar
nyangarake, zie bij cangar. nyangar, ook rechtopstaande v. e. padiaar SG.
nyêngar
zie cêngar.
nyingir
zie cingir.
nyungir
zie cungir.
nyèngèr
zie bij cèngèr. volg. Wk. onbeschaamd, aanmatigend.
nyongor
zie bij congor.
nyêngêri
zie cêngêr.
nyangik
zie cangik.
nyêngèk
zie bij cêngèk.
nyunguk
zie cunguk.
nyêngkah
zie bij cêngkah.
nyingkah
zie cingkah.
nyèngkèh
zie bij cèngkèh.
nyangkani
zie bij saka, II.
nyêngkir
zie bij cêngkir.
nyêngkarake
zie cêngkar.
nyingkruk
zie bij cikruk.
nyêngkaruk
zie bij cêngkaruk.
nyêngkorèk
zie cêngkorèk.
nyangkrama
en nyangkramani, zie bij cangkrama.
nyangkêrêm
nyêngkêrêm zie bij cangkêrêm.
nyangkrimani
zie bij cangkriman.
nyangkrimi
zie cangkrim.
nyangkrêg
zie cangkrêg.
nyêngkêrung
zie cêngkêrung.
nyangkok
zie bij cangkok.
nyengkok
zie bij cengkok.
nyênguki
zie bij cênguk.
nyangkuwèh
zie cangkuwèh.
nyêngkewok
zie cêngkewok.
nyêngkowok
zie cêngkowok.
nyêngkiwing
zie bij cêngkiwing.
nyêngkewang
zie cêngkewang.
nyêngkle
zie cêngkle.

--- 2 : 460 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya): Citra 1 dari 1
nyangkol
zie bij cangkol.
nyêngkal
en nyêngkalake, zie bij cêngkal.
nyangklak
zie cangklak.
nyangklêk
nyangklêki, zie cangklêk.
nyangkluk
of nyêngkluk, zie cangkluk, cêngkluk.
nyangklèk
zie bij cangklèk.
nyêngklik
zie cêngklik.
nyingklak
zie bij cengklak.
nyingkluk
zie cingkluk.
nyengklak
zie cengklak.
nyongklok
zie bij congklok.
nyangkêlak
zie cangkêlak.
nyêngkalak
zie bij cêngkalak.
nyêngkêlit
en nyêngkêlitake, zie cêngkêlit.
nyungkêlit
en nyungkêlitake, zie bij cêngkêlit.
nyongkèli
zie bij congkèl.
nyangklang
zie bij cangklang.
nyangklêng
zie cangklêng.
nyangklong
zie bij cangklong, en cangklêng.
nyêngklèng
zie cêngklèng.
nyêngklong
zie bij cêngklong.
nyongklang
en nyongklangake, zie bij congklang.
nyangkêlang
zie bij cangklang, en cangkêlit.
nyêngkêlang
zva. nyangkêlang.
nyêngkolong
zie bij cêngkolong.
nyungkup
zva. nyungkub.
nyêngkidhing
zie cêkidhing.
nyungkyagakên
KW. zva. ngrekakake, Wk.
nyangkêm
nyangkêmi, zie cangkêm.
nyêngkêg
zie cêngkêg, Wk.
nyêngkig
zie cêngkig.
nyongkog
en nyongkogi, zie bij congkog.
nyungkub
zie bij cungkub.
nyongkob
zie congkob.
nyangking
zie bij cangking.
nyongkèng
zie congkèng.
nyêngkangi
zie bij cêngkang, en bij sêngkang.
nyongkèngi
zie bij congkèng.
nyongat
zie congat.
nyongot
zie congot.
nyêngis
zie cêngis.
nyêngès
zie cêngès.
nyêngèl
zie cêngèl.
nyêngili
zie bij cêngil.
nyonglok
zie bij conglok.
nyongolake
zie bij congol.
nyangapake
zie bij cangap.
nyang-nyang
zie bij nyang.
nyang-nyêng
KN. zie nyêng.
nyanggah
zie bij canggah.
nyanggèhi
zie bij canggèh.
nyangên
zie bij anyang.
nyangane
zva. mênangane.
nyênganguk
zie bij cênganguk.
nyêngingik
zie cêngingak.
nyangungong
nyêngungong, zie cangungong.
nyêngengong
zie cêngengong.

 


manawi. (kembali)
manawi.
cokèk. (kembali)
cokèk.
copot. (kembali)
copot.