Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247

Judul
Sambungan
1. Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247. Kategori: Arsip dan Sejarah > Galeri.
2. Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247. Kategori: Arsip dan Sejarah > Hukum dan Pemerintahan.
Citra

Pencarian Teks

Lingkup pencarian: teks dan catatan-kakinya. Teks pencarian: 2-24 karakter. Filter pencarian: huruf besar/kecil, diakritik serta pungtuasi diabaikan; karakter [?] dapat digunakan sebagai pengganti zero atau satu huruf sembarang; simbol wildcard [*] dapat digunakan sebagai pengganti zero atau sejumlah karakter termasuk spasi; mengakomodasi variasi ejaan, antara lain [dj : j, tj : c, j : y, oe : u].

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 1.1 dari 137
Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 1.2 dari 137

HET BOEK DER NAWOLO - PRADHOTO
in het javaansch

Met eene Vertaling en Aanteekeningen.[1]

De kennis der Javaansche wetten, die nog in de Vorstenlanden voor den Inlander in zwang zijn, is niet alleen belangrijk voor de Nederlandsche ingezetenen der Colonie: maar deze kennis is eene nuttige en nu in het Moederland zelfs noodwendige zaak geworden, sedert dat een besluit van Z. Exc. den Minister van Coloniën aan de Koninklijke Academie te Delft een collegie heeft opgerigt, ten einde jonge lieden opteleiden in de kennis van al datgene, wat de dienst van het Nederlandsch Gouvernement op Java naderhand van hen zal kunnen vorderen. Een verblijf

--- 262 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 2 dari 137

van ruim twee jaren op Soerakarta, heeft mij den Javaan dezer gewesten in bijzonderheden doen leeren kennen, waarvan de kennis niet ligt buiten de Vorstenlanden te verkrijgen is, en tevens tot opheldering strekt van vele tot zijn volksbestaan behoorende zaken. In de werken toch van mannen zoo als Valentijn, Raffles en Crawfurd, wier verdiensten, verstand en kunde groot zijn, was het den schrijver, ondanks zijne uitvoerigheid ineen zooveel omvattend bestek, immers onmogelijk, om elk artikel tot in de laatste bijzonderheid te kloven, en alles te boeken, wat de Nederlandsche ingezetene te dezer plaatse dagelijks kan hooren en zien. Deze zoogenaamde kleinigheden zijn het evenwel, waarvan de kennis ons het verband doet inzien inzaken, die anders minder verklaarbaar schijnen. Al wat ik daarvan in de gelegenheid ben geweest te vergaren, acht ik van mijnen pligt ten dienste te stellen van het doel waarvoor Z. Exc. de Minister van Coloniën eene Hoogeschool in het Moederland heeft opgerigt.

Om deze reden heb ik de Nawolo-Pradhoto bewerkt, en van eene Nederduitsche vertaling voorzien, en daarbij die ophelderingen gevoegd, welke het burgerlijke leven der Javanen ons oplevert. Deze

--- 263 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 3 dari 137

aanteekeningen zouden eene grootere uitgebreidheid hebben bekomen, indien de beide werken van den Heer C. F. Winter, waarvan het eene de Regtspleging der onderdanen van Z. H. den Soesoehoennan van Soerakarta,[2] en het andere de Instellingen, gewoonten en gebruiken der Javanen te Soerakarta[3] behandelt, en die beide in het Tijdschrift voor Neêrlands Indië zijn geplaatst, mij niet het grootste gedeelte van den arbeid hadden uitgewonnen, zoodat ik daar, waar eene lange explicatie noodzakelijk zou wezen, volstaan kan met de aanhaling van hetgeen deze verhandelingen er van zeggen. - Ook in taalkundige verklaringen heb ik mij niet meer begeven dan noodig is, omdat dezelve minder hier dan wel in woordenboek en spraakkunst te huis behooren. Ik vrees evenwel in deze wetten eenige dingen, die mij verstaanbaar schenen, voor anderen onopgehelderd te hebben gelaten; doch hiermede is het gelegen even als met vele voorwerpen, waarin alles voor hem die het van nabij beschouwt, duidelijk wezen kan, terwijl het hem moeijelijk valt te onderscheiden, wat of er in datzelfde voorwerp voor iemand, die er duizende mijlen van verwijderd is, duister kan wezen.

Doch, hoe het ook zij, ik hoop het niet te laten

--- 264 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 4 dari 137

bij deze zwakke pogging om iets toe tebrengen tot het nut eener wetenschap, waarvan de bron op Java is. In volgenden arbeid kan ik leveren wat er aan dit werk ontbreekt. Indien deze Nawolo-Pradhoto een gunstig onthaal vindt, dan zal mij dit niet weinig aanmoedigen, om op dezelfde wijze en tot hetzelfde doel ook de Hangger-Sadhoso te bewerken; en zoo lang ik in deze gewesten leef, zal mijn tijd en mijne studie niet anders gewijd zijn, dan aan hetgeen er met de oprigting dier Hoogeschool te Delft in 't belang dezer schoone Colonie bedoeld wordt.

Soerakarta 12 Dec. 1843.

--- [1] ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 5 dari 137

Sêrat Nawala Pradata.

--- 2 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 6 dari 137

Pèngèt, nawalaningsun Kangjêng Susuhunan Pakubuwana Senapati ing Ngalaga Ngabdurrahman Sayidin Panatagama, ingsun gadhuhakên marang kawulaningsun Si Ngabèi Amongpraja.

Marmane Si Ngabèi Amongpraja, ingsun gadhuhi nawalaningsun. Dene ingsun gawe kawulaningsun jêksa ana ing pradataningsun. Iku ingsun andikakakên ambênêri marang sakèhe kawulaningsun ingkang padha aparapadu. Iku Angabèi Amongpraja, sira anganggoa ingkang têmên-têmên, lan ingkang rêsik, sarta dèn eklas atinira, lan sakancanira jêjênêng lawang Sarayuda kabèh. Iku ingsun andikakakên ambênêri, marang sakèhe kawulaningsun ingkang aparapadu, kajaba kang munggah ing khukum. Lan ingkang mêtu saka ing wisesa, lan ingkang kajaba awit salakirabi, iki rupane, begal, maling, bradhad, colong, cêlêr, juput, utang-apipotang, aku-ingaku, gadhe-ginadhe, titip-tinitipan, [titi...]

--- 3 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 7 dari 137

[...p-tinitipan,] sêlang-sinêlang, obong omah, kang padha alaku maling, apa sapêpadhane, ingkang padha alaku cidra.

Lan sarupane kawulaningsun, gêdhe cilik bawah ing Surakarta Adiningrat, kabèh wong sajroning nagara, ingkang padha utang-apipotang, gadhe-ginadhe, silih-sinilihake, titip-tinitipan, padha anganggoa cêcêkêlan layang. Yèn bocah ingsun kang lumaku ing gawe mantri sapandhuwur, padha anganggoa layang sarta pratăndha cap. Dene bocah ingsun sangisoring mantri, layange iya anganggoa tăndha tangane dhewe-dhewe, lan tăndha tangane sêksine wong loro. Samangsane ora nganggo cêcêkêlan layang, kongsi dadi prakara, anggugat marang pradata, tanpa dadia pêpadone. Dene kawulaningsun kang padha alaku dagangan, adol-tinuku ana ing pasar, iku yèn dagangane dituku, awêrana diutang marang kancane padha bakul utawa ing

--- 4 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 8 dari 137

liyane, iku padha asêksia marang ing tandhane, kang anguwasani ing pasar kono, utawa asêksia marang padha bakul. Yèn sêpi salah sawijine, kongsi dadi prakara, iya ora dadi pêpadone.

Mênawa ana kawulaningsun aparapadu, alêlawanan lan wong kasultanan, iya ingsun anggêri, kala rama patêmon lawan eyang sultan ana ing Jatisari, iku saprene, dadia pêpadone, sadurunge Pajatisari ora dadi pêpadone.

Kaya mêngkono manèh, lamun ana wong apadu alêlawanan lan wong Kamangkunagaran iya ingsun anggêri, kala rama têdhak marang Salatiga, karo uwa Adipati Mangkunagara, iku saprene dadia pêpadone, yèn sadurunge Pasalatiga, ora dadi pêpadone.

--- [265] ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 9 dari 137

HET BOEK DER NAWOLO - PRADHOTO

--- [267] ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 10 dari 137

Nawolo - Pradhoto (1).

Lees (2) en Let op: deze Wetsbepalingen (3) van Z. H. den Soesoehoenan Pakoe-Boewono Senopati Hingngalogo Ngabdoerrahman Sajidhin Pannotogomo, stel ik in handen van mijnen onderdaan Si Ngabehi Hamong - Prodjo (4).

Deze mijne wetsbepalingen stel ik u in handen, omdat ik u tot Opper-fiskaal in mijne Pradhoto benoem, en u daarbij gelast alle voorkomende geschillen onder mijne onderdanen te regelen. Hierin, Si Ngabehi Hamong-Prodjo, moet gij metde grootste trouw en naauwgezetheid te werk gaan, en ootmoedig van harte wezen, gij en uwe medeleden de Onderfiskaal (5), de Kori (6) en Sorojoedho (7). Dus beveel ik u over de geschillen mijner onderdanen uitspraak te doen, uitgezonderd in zaken, welke naar de Soerambi (8) moeten opgezonden worden; of die van 's Keizers genade (9) afhangende zijn; of die welke tot het huwelijk betrekking hebben. De aan u overgelatene zaken bestaan in: straatrooverij; diefstal in huis; veerooverij; dieverij in 't algemeen, of door iets heimelijk weg te slepen, of door het te ontfutselen: alsmede in zaken tusschen schuldenaar en schuldeischer; tusschen lieden die zich dezelfde zaak toeeigenen; voorts

--- 268 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 11 dari 137

in het geven en nemen van een pand; in 't in bewaring geven en nemen van goederen; in 't in leen geven en nemen van goederen; in brandstichting met dieverij gepaard, en in dergelijke dingen die op eene verraderlijke wijze geschied zijn.

Dus, alle mijne onderdanen, zoowel grooten als kleinen, onder Soerakarta Hadhiningrat, en alle menschen binnen de Hoofdplaats, schuldeischers en schuldenaars; zij die iets in pand geven of nemen; die te leen geven of nemen; die in bewaring geven of nemen; deze allen moeten daarvan het schriftelijk bewijs in handen hebben. Maar zoo het een ambtenaar van den rang van Mantri of daarboven (10) is, dan moet het schriftelijk bewijs van zijn zegelmerk voorzien wezen; en ook het schriftelijk bewijs van ieder' ambtenaar, beneden den rang van Mantri, moet zijne eigene handteekening voeren, mitsgaders die van twee getuigen. En ingeval men in dier voege geen geschrift in handen heeft, en men met elkander daarover in geschil rakende, zich bij de Pradhoto komt beklagen, dan mag er geen geding over plaats hebben. -Wat de kleine kramers, koopers en verkoopers op de markt betreft, deze moeten, wanneer zij hunne koopwaren aan kameraden of aan andere menschen op crediet verkoopen, daarbij den Tondo (11), die op de markt aldaar het opzigt heeft, of een' hunner medekooplieden tot getuige nemen; en zoo hier noch de een noch de andere bij aanwezig is, zoodat er een geschil van ontstaat, dan zal er geen geding mogen plaats hebben.

Indien een mijner onderdanen in geschil is met eenen

--- 269 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 12 dari 137

onderdaan van den Sultan, dan bepaal ik daarbij, dat slechts die geschillen plaats mogen grijpen, welke na de ontmoeting van mijnen vader met mijnen grootvader (12) den Sultan te Djatisari (13) ontstaan zijn. Geen geding van vroegeren tijd afkomstig zal er bestaan mogen.

En eveneens, wanneer iemand een geschil voert met eenen persoon uit het gebied van Mangkoe-Negoro, dan bepaal ik daarbij, dat slechts die geschilen voortgang kunnen hebben, die ontstaan zijn sedert den tijd dat mijn vader zich naar Salatiga (14) tot mijnen oom (12) Hadhi-Pati Mangkoe-Negoro begaf. Geen geschil, van vroegeren tijd herwaarts, moge plaats hebben.

Prakara ping 1.

Sakèhe ingkang padha aparapadu, marang ing pradata, [prada...]

--- 5 ---

Nawala Pradata, Mounier, 1844, #247: Citra 13 dari 137

[...ta,] utawa marang ing surambi, lamun putra santananingsun, utawa nayakaningsun, bupati, kaliwon sapêpadhane, aduwe prakara, anggugat marang pradata, utawa munggah ing surambi, apadene marang kapatihan, ora ingsun lilani, yèn sebaa dhewe. Ingsun lilani yèn awakila, layang sarta nganggo pratăndha cap, kagawa marang wakile wong kang dadi pitayane. Dene