Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da)

Deskripsi judul
Teks sambungan
  1. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  2. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  3. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  4. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  5. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  6. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  7. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  8. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  9. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  10. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  11. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  12. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  13. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  14. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  15. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  16. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  17. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  18. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  19. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  20. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  21. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
Image

da

di : I. verkorting van adi, zie adi. II. verkorting van abdi. III. verkorting van dadi. IV. di, N., dipun, K., dèn, Kw. en Md., een voorzetsel tot vorming van den derden persoon van een lijdenden vorm van het werkwoord; als ook om een soort van gebiedende wijs van spreken uit te drukken [zie de Spraakkunst].

de : Kw. I. werk, gewrocht [=karya, Vrg. ade en deh]. -ade, werken, doen, maken [=agawe]. -anden, aan het

--- 229 ---

werk, aan het maken, bezig zijn; ook werk, gewrocht [=pagaweyan]. II. de, Kw. dene en dening, K.N. doch het eerste liever ing Ngoko, en het tweede liever in Kråmå. 1. een voegwoord: a. zoo veel als ana dene of wondening zie ana, b. zoo veel als apa dene of punapa dene, zie apa, c. zoo veel als sabab dene of sabab dening, omdat, dewijl, doordien, want. 2. dening, K.N. een voorzetsel tot aanwijzing van den persoon, door wien, of de zaak, waardoor iets geschiedt of is. 3. dene, in een uitroep van verwondering, zoo veel als hoe! of wat! [de = dene]. kados dening, K., ook kadi dene, gelijk als. III. Verkorting van dene of dening [=dene].

du : Kw. rook [=kukus].

dah : tusschenw. oh! wacht! [=mangkanaen mêngko].

dèh : Kw. maken, doen; werken [=agawe, Vrg. de, I.].

doh : gewoonlijk adoh, N. [têbih, K.] verte, afstand; ver, verwijderd. doh, wordt gewoonlijk alleen als zelfstandig naamwoord met het aanhechtsel e, gebruikt. doh-dohe, op zijn verst. sadoh-dohe, hoe ver het ook zijn mag. paran doh zie paran. -dumoh, verwijderd zijn. -ngadoh, N., andoh, Kw. zich verwijderen, op een afstand houden. -ngêdohi, zich van iemand of iets verwijderen; vermijden. -ngêdohake, verwijderen, ver van iets plaatsen, zetten of afhouden. -kadohan, verwijderd, iets dat zich op een afstand bevindt; afstand, verte. saka ing kadohan, uit de verte, van verre, op een afstand. -kadohên, te ver. -doh-dohan of adoh-adohan, wedijveren om het verst, b.v. te schieten. sadoh-dohane, hoe ver het ook zijn mag.

daha : vroegere benaming van Kêdiri.

dahu : Kw. neen, niet [=ora].

dihah : Kw. iets stellig ontkennen [=luwih angorakakên].

dahana : Kw. vuur [=gêni Skr. dahana]. rêdi dahan, vuurberg.

dahuru : Kw. opstand, oproer.

dahuwe : zie dahwe.

dahuwèn : zie dahwe.

dahulat : of daulat, Kw. geluk, voorspoed, fortuin [Ar. daulat] , Ml. id.].

dohan : naam van een vogel, fazant.

dahna : of dhahna, Kw. rijst in den bolster [=pari, Skr. dhana, geroosterde gerst of rijst].

duhkita : Kw. smart, hartzeer, droefheid, verdriet [=susah sangêt, Skr doehkhita].

dahat : Kw. zeer, uitermate, buitengemeen [=bangêt of sangêt, en kaliwat, kr. dahat, brandend].

daut : Kw. het uitvallen van een tand. andaut, K.N. uithalen, uittrekken, uitrukken [=bêdhol. Vrg. dhaut]. andaut jangkar, het anker ligten.

diat : z.v.a. diyat.

dahwe : en dahwèn, ook dahuwe, en dahuwèn, [dah...]

--- 230 ---

[...uwèn,] K.N. zich met de zaken van een ander of met iets, wat hem niet aangaat, bemoeijen. -dahwèni, zich met iets of iemand inlaten, bemoeijen; zich om iets bekreunen.

dahwèn : zie dahwe.

daulat : zie dahulat.

dan : en adan, Kw. vervolgens, daarna, dadelijk [dan = tumuntên, en adan = nuli. [Ml. ada] , en zie ook adan bij ada].

din : verkorting van idin.

dèn : zie di, II.

don : Kw. I. plaats [=ênggon]. -andon, plaatsen; plaats doen hebben, verrigten, met iets bezig zijn [zie ook andon boven]. -pandon, zie beneden. II. anders, verschillend. tandon, niet anders.

dana : Kw. K.N. gift, aalmoes [=wèwèh, en wèwèh murah ati, Skr. dâna]. dana of adêdana, aalmoezen geven. -danani, iemand een aalmoes geven. -danakake, N., -kên, K., iets als een aalmoes geven, tot aalmoezen aanwenden, iemand een aalmoes laten geven.

danu : Kw. I. verbonden met maesa of kêbo, een wilde buffel, wilde stier [danu = kêbo, Vrg. dhanu]. II. gevleid, gestreeld, geliefkoosd. putra danu, een geliefkoosd, zeer bemind kind. III. iets dat lang, uitgestrekt is; als: een lans, een pijl; een lange donderwolk; lang gerekt, langdurig [=panah, mêndhung, pêpêtêng, en kukus. Skr. dhanoe, een boog. Vrg. dhanu]. muja danu, een lang gebed doen. danu asmara, eign. van een zoon van Ardjoena. danurêja, eign. van den Rijksbestierder van Djokjokarta. danuwati, eig. van een dochter van Ardjoenå. danupati, eign. van een Vorst van Ngimåhimåtåhå. danumaya, eign. van den vader van Danoepati.

dina : N., dintên, K., dag, een dag [Skr. dina. Vrg. rahina]. andina, tot een dag maken; den geheelen dag; dagelijke. dina wêngi, K.,N. dintên dalu, K., dag en nacht. sadina-sawêngi, N., sadintên-sadalu, een dag en nacht, een etmaal. sadina, N., sadintên, K., een dag; den geheelen dag. sadina-dina, N., sadintên-dintên, K., eider dag, dagelijks. sabên dina, N., sabên dintên, K. elken dag. ing sadina iki, ing sadintên punika, op den huidigen dag, heden; thans, dadelijk, onmiddelijk. ing sawiji dina, N., ing satunggil dintên, K., op zeker dag. -dinan, N., dintênan, K., bij dagen. dibayar têlung dinan, om de drie dagen betaald worden.

dene : zie de, II.

danindra : Kw. priester, leeraar der Godsdienst [=pandhita].

dananjaya : bijnaam van Ardjoenå [Skr. Dhananjdjaja].

dinar : [Ar. diinaar] , een goudstuk, ter waarde van een hollandschen dukaat.

daniswara : of dhaniswara, Kw. rijk, aanzienlijk; een nieuweling, iemand die onverwacht rijk geworden, uit een geringen staat tot aanzien gekomen is [daniswara = sugih anyar, sugih [su...]

--- 231 ---

[...gih] singgih, en wong mênang prang en dhaniswara - sugih, luwih en wong ala dadi gêdhe, Skr. Dhanêsjwara, een naam van Koewera, den God des rijkdoms].

danawa : of dênawa, K. [buta, N.] een démon, Titan of reus [Skr. dânawa].

dening : zie de, II.

danurdara : naam van een toovergebed [Skr. dhanoerdhara, een boogschutter].

dinuk : Kw. een zijdelingschenblik op iemand werpen, iemand scheel aanzien [=tinuju, Vrg. duk en anduk].

dandan : N., dandos, K., gereed, klaar, gekleed; zich kleeden, tooijen, gereed maken, aanspannen [Ml. toebereiding, toerusting, tooijing, versiering]. -andandani, N., dandosi, K., gereed maken, een kleed aantrekken; herstellen, in orde brengen; aanspannen, optuigen; pakken. -dandakake, N., dandosakên, K., een stof bewerken; iemand een stof te bewerken geven. -dandanan (ook dadanan) N., dandosan, K., in gereedheid gebracht; gereedschap; tuig van een paard; materialen; huisraad; goed, goederen. -pradandanan, N., pradandosan, K., zich uitrusten.

dandos : zie dandan.

dundum : zie dum.

dondomi : en dondoman, zie êdom.

dandang : zie dang.

dênta : Kw. olifantstand, elpenbeen, ivoor [=untu en gadhing, Skr. danta, tand en olifantstand].

dintên : zie dina.

dèntên : z.v.a. dening, zie de, II.

dunya : of donya, [Ar. dunyaa] , K.N. de wereld, bepaaldelijk deze tegenwoordige wereld; wereldsche goederen [Sd. Ml. id.]. dunya mangke, deze tegenwoordige wereld. dunya akêr,dunya akir. de toekomende wereld. barang dunya, wereldsche dingen, aardsche goederen. -kadunyan of kadonyan, wat tot de wereld behoort, wereldsch, aardsch, vergankelijk.

dunung : I. K.N. plaats; waar iets plaats vindt; waar een woord op toepasselijk is. dêdunung, K.N.; andunung, Kw. verblijven, vertoeven, woonachtig zijn, zich vestigen [=manggon]. -dumunung, zich ergens op een plaats bevinden, een plaats beslaan, ergens vertoeven, verblijven, zich ophouden, zich bevinden, , woonachtig zijn. -dunungake, N., -kên, K., een plaats of verblijf aanwijzen, iemand de weg wijzen, te regt helpen. -andumunungi, bewonen. -dumunungake, N., -kên, K., iemand ergens laten wonen, doen verblijven. -kadunungan, de persoon of plaats, bij wien of waar zich iemand bevindt. II. Kw. verlangen, begeeren.

dra : Kw. slapen [=turu] Ook verkorting van andra of ôndra, of van nendra.

dru : z.v.a. dur.

dir : of êdir, Kw. K.N. laatdunkend, hoogmoedig, trotsch [=ladak]. -ngêdiri, jegens iemand trotsch behandelen. -ngêdirake, N., -kên, zich op iets verhoovaardigen.

--- 232 ---

dur : Kw. kwaad, slecht; moeijelijk, moeijelijkheid [=ala], ala ing lakune, en pakewuh, Skr. doer]. budi dur, een slechte inborst. durnita, eign. der dochter van den Vorst van Ngimåhimåtåkå [Skr. doernita, ongemanierd]. dursena, eign. van een zoon van den Vorst van Ngimåtåkå. dursasana, eign. van den jongeren broeder van Soejoedånå [Skr. doehsjâsana, onhandelbaar]. dursila, K.N. slecht van aard of gedrag, snood, ondeugend; ondeugd [=ala gawene, Skr. doehsjîla]. wong dursila, boosdoener, booswicht. kadursilan, snoodheid, schurkerij. durjana, K.N. eenslecht mensch, fielt, schurk, snoodaard [=ala panggawene, Ml. , Skr. doerdjana, id.]. kadurjanan, schurkerij. durcana, kwaadsprekendheid. durcara, slechte manieren, slechte handelwijs; kwaad spreken, lasteraar [=ujar ala].

dara :I. , ook.dhara, Kw. buik [=wêtêng, Skr. dhara, de uterus, de moederschoot]. II. K.N. manuk dara, N., pêksi dara, K. een duif.

daru : Kw. glans, schijn. andaru, een glans verspreiden, een schijn van zich geven.

dira : I. zie dera, II. II. Kw. sterk, kragtig [=kawasa, sêkti, en wani, Skr. dhîra, sterk, kragtig, onbuigzaam, zelfstandig]. -kadiran, magt, vermogen. -sudira, zie beneden.

dera : I. voor deira, z.v.a. dènira, Kw. van, wegens, door. II. dera of dira, Kw. gij, u, uw [=kowe of sira].

dora : K. [goroh, N.] liegen; leugen. tiyang dora, een leugenaar. dora cara, nadeelige leugentaal voeren [=goroh ing ujar]. matur dora, leugen spreken, een leugen zeggen. -dorani, beliegen, jokken, iets op den mouw spelden. -dorakakên, iemand van een leugen beschuldigen; een zaak in twijfel trekken.

drah : K.N. grashalm. sadrah, een grashalm; een weinig.

darah : K.N. [rah, K., gêtih, N.] bloed; afkomst; afstammeling, familie [=turun, Ml. bloed; Skr. dhâra, afkomst].

derah : I. Ar. [?] duidelijk, klaar, verstaanbaar. II. K.N. wanhopig.

drohi : K.N. benijden, afgunstig zijn [androi = drêngki en jail].

drohun : N. een vloek- of scheld woord.

druhaka : zie duraka.

dirham : K.N. een gouden spaansche mat; geld in 't algemeen [Ar. dirham] . (van het Grieksche drachma) naam van een zilveren munt, terwaarde van een schelling of zesdehalf; Ml. id.].

drana : zie darana.

durna : of drona, eign. van een Panditå van Soekålimå [Skr. Drôna].

dirèn : K.N. ongenegen, onwillig.

durèn : naam van een stekelachtige vrucht [Ml. durian] , doerian].

doran : K.N. de steel van een hak.

darana : of drana, Kw. zachtaardig, bedaard; bedaardheid [=sabar, Skr. dharana en dhârana, [dhâ...]

--- 233 ---

[...rana,] houdend, uithoudend; vasthei, standvastigheid].

darani : N. noemen; verklaren.

daruna : Kw. oorsprong, begin; oorzaak [=wiwitane].

daruni : eigennaam eener Batari, bijnaam van Batari Doergå, [Skr. dâroena, verschrikkelijk].

darindra : zie daridra.

durandara : Kw. boogshutter.

druk : of dêruk, K.N. een soort van tortelduif met bonte gestreepte veêren, de koekoek.

dêruk : zie druk.

daraka : Kw. volhouden, uithouden, verduren, volharden [=bêtah].

duraka : of durhaka, K.N. misdrijf, misdaad, zonde; ontrouw; onheil; straf [Ml. durhaka] , Sd. dhoraka, Skr. doerâka, barbaar]. wong duraka, N., tiyang duraka, K., zondaar. -durakani, iemand strafschuldig verklaren; voor een misdaad straffen.

dêrkuku : een soort van duiven met een donkeren streep om den hals.

drakila : verkorting van endrakila.

dirada : Kw. olifant [=gajah].

dêrdah : Kw. strijd, twist.

daradra : Kw. bemedelijdenswaardig, beklagenswaardig; arm, behoeftig [=kaswasih, Vrg. daridra].

daridra : of darindra, Kw. een arm, behooftig, ellendig mensch [darindra = wong ala, en mêskin. Skr. daridra, arm, behoeftig].

durdaka : Kw. toorn, gramschap.

drodos : K.N. vloeijen, stroomen.

doradasih : K.N. twee personen, die zich in denzelfden toestand bevinden; de vervulling of uitkomst van een droom.

dêrdabau eign. van een persoon.

durat : Kw. opslag van het oog [=kêdhèp]. -pandurat, K.N. een oogenblik, poosje [=kêdhèp].

duratmaka : Kw. een dief, die bij nacht steelt; een kwaad mensch; koningsmoordenaar [=maling en maling sêkti, zamengesteld uit dur en atmaka].

dêrês : of drês. I. K.N. sterk, hard en snel, van iets dat stroomt; ook van een stroom van woorden [=bangêt en andrês = abangêt. Ml. id.]. udan dêrês, N., jawah dêrês, K., stortregen. -andêrêsake, N., -kên, K. sterk, krachtig maken, dringen, met aandrang doen. II. [Ar. dars] , oefening, oefening door lezen, lezing; bepaaldelijk het lezen van den Koran [Ml. id.]. -pandêrês, het lezen van heilige boeken.

darès : K.N. uil.

dèrès : K.N. aftappen; uit een Arenboom het vocht zamelen, waaruit de Arensuiker of Palmwijn bereid wordt. -deresan, de vochtige zelfstandigheid, die verzameld is.

dorès : K.N. praatachtig, praatzuchtig.

darsana : of drêsana, I. naam van een bloem: een soort van Djamboe [vrg. sudarsana]. II. Kw. voorbeeld, model [darsana = tuladhan, en drêsana = sabab. Skr. darsjana, uitzigt, voorkomen]. drêsanala, eign.

--- 234 ---

van een Widådari [widadari putraning Brama]. -sudarsana, zie beneden.

derasana : Kw. een wind met dampen vermengd.

dursila : zie dur.

dêrsilawati : eign. van een dochter van Dêståråtå.

drêsthakètu : eign. van een Patih van Tjêmpålå.

drawa : Kw. I. uitgerekt, lang [Het wordt verklaard door ajur, en wêrata, Skr. drawa, druipend, vloeijend, vloeibaar, vloeibare stof]. gula drawa, suiker die gesmolten zijnde, zich lang laat uitrekken. II. rijkdom [=kasugiyan, Skr. drawja].

drawina : verkorting van ôndrawina [=ngombe, Skr. drawina, rijkdom; goud; magt].

druwaka : z.v.a. duraka.

darawati : z.v.a. dwarawati.

drèwès : K.N. aanhoudend druppelen. -dêrewesan, druppelen, biggelen.

druwasa : bijnaamvan Batårå Soerjå [Skr. doerwâsa, slecht gekleed; en eign. van een Rêsi, den zoon van Atri, een incarnatie van Siwa, berucht om zijn gramstorigheid].

driwili : Kw. een wild varken.

dêrwili : K.N. aanhoudend kijven, schelden. -andrawili, Kw. onafgebroken [=tan pêgat].

dêrwolo : K.N. eigenzinnig, koppig.

drawaya : Kw. vloeijen, stroomen, van de tranen [=mili].

drèl : êdrèl, K.N.; ngêdrèl, aanhoudend tegelijk met klein geweer schieten, pelotonsvuur maken [verbastering van het Holl. drillen]. -ngêdrèli, aanhoudend met klein geweer beschieten. dindrèli, l.v.

dêrêp : K.N. een gedeelte van de gesnedene padi als loon voor het snijden ontvangen.

drêpa : zie darpa.

darpa : of drêpa, Kw. 1. woedend, wild; ondernemend, dapper. 2. wil, begeerte. 3. naam van een Godheid [=galak, kadêrêng, bangêt en wani, Skr. darpa, trots, aanmatiging; hitte, van drêpa, trotsch, aanmatigend zijn enz.]. sudarpa = langkung galak, langkung asri en langkung adrêng.

darapon : of dêrapon, ook darapya en dêlapon en dêlapok, Kw. dat, opdat [dêrapon = dimèn. darapya = darapon en supados].

drupada : eign. van een vorst van Tjêmpålå.

drupadi : eign. van een dochter van Droepådå, de gemalin van vorst Joedistirå.

dorapati : benaming van een soort van troepen of lijfwacht van den vorst van Soerakarta.

darapya : zie darapon.

dariji : K.N. vinger, vingers [vrg. jariji].

daruju : of dêrjêg, naam van een struikgewas, waarvan de vrucht een bitteren smaak heeft.

durjana : zie dur.

drajat : zie darajat.

drêjêt : K.N. de stoppelen van de Alangalang.

darajat : dêrajat of drajat, [Ar. darajat] , K.N. trap, rang, eer, aanzien [Ml. id.]. -kadrajatan, rang, hoogheid, waardigheid, aanzien, grootheid.

--- 235 ---

dêrjêg : z.v.a. daruju.

drojog : K.N. regstreekts op iets losgaan; zich regttreeks naar een plaats begeven. -dumrojog of dêmrojog, nederploffen, nederstorten, van een massa water; iemand onverwachts op het lijf komen, verrassen. of door een plotselinge verschijning verschrikken [=têkane tan mawi kandhêg].

driya : Kw. het hart [=ati]. -kadriya, behartigd, overwogen, overlegd [=cinipta ing galih]. -kadriyan, waarheid, opregtheid [Het wordt verklaard door katon].

driyah : K.N. aalmoes.

duryat : [Ar. dzurriyyat] , kroost, nakomelingen; gezin, huisgezin.

darma : of dêrma, Kw. vader, een oud man; weldoen; zacht van aard, bedaard, zachtmoedig [=wong tuwa of wong atuwa en bêcik, Sd. Ml. geregtigheid; aalmoes, liefdegift. Skr. dharma, deugd, pligt, betrachting van de pligten, die iemand opgelegd zijn, enz. Vrg. dharma]. budidarma, edelmoedigheid. darmaputra, darmatmaja of darmawôngsa, d.i. Darmå's zoon of Darmå's kroost, een bijnaam van Joedistirå, omdat hij eigenlijk niet de zoon van Pandoe, maar van God Jåmå, (in het Sanskritsch Dharma bijgenaamd, den Pluto der Indianen) bij Dewi Koenti was [De Javanen houden darma, zoo het schijnt, voor een bijnaam van Pandoe. Zoo vind ik darmaraja, door sang Pandhudewanata, verklaard]. -sudarma, zie beneden.

dêrma : Kw. zie darma, N., dêrmi, K., op last van een ander iets doen, den wil van een ander volbrengen [eig. doen wat men verpligt is te doen: zie bij darma].

dêrmi : zie dêrma.

durma : naam van een zangwijze.

dêrman : I. Kw. met iets te vreden zijn, genoegen in iets nemen. II. K.N. een vrouw, die vruchbaar is, veel kinderen heeft; gelukkig, voorspoedig zijn.

dêrmèn : K.N. een rijsthalm.

darma nastiti : eign. der echtgenoote van Mangoekoehan, een vorst van Mendang-Kamoelan.

darmatmaja : zie darma.

darmaputra : zie darma.

darmajaka : eign. van den grootvader van Kanekåpoetrå.

drêmèmèl : K.N. aanhoudend praten.

drêmba : K.N. een veeleter, vraat.

darga : z.v.a. durga.

dirga : Kw. lang, uitgestrekt [=dawa, Skr. dîrgha].

durga : 1. Kw. moeijelijkheid, gevaar; moejelijk, gevaarlijk [=ewuh of pakewuh, Skr. doerga, slecht of moeijelijk te naderen, ontoegankelijk, moeijelijk om door te komen]. -2. eign. van een Batari, de gemalin van Batårå-Kålå [Skr. Doerga, naam van de gemalin van Siwa, een godheid van een gramstorig en verschrikkelijk karakter].

dêrgônca : zie drigônca.

drigônca : of dêrgônca, Kw. van meening verschillen.

drigônta : z.v.a. dirgantara [Skr. diganta, de horizon].

--- 236 ---

dirgantara : Kw. het luchtruim [=awang-awang, Skr. digantara].

drêgêm : zie daragêm.

drigama : N. drigami, K., iets ontkennen, zich zelven onschuldig verklaren [dirgama = mukir].

drigami : zie drigama.

durgama : Kw. onaangenaam, hinderlijk, moeijelijk; de tros van een leger; een deel der slagorde Tjåkråswandånå [=pakewuh, Skr. doergama, ontoeganklijk, moeijelijk te naderen of te bekomen].

daragêm : of dragêm, en jragêm, K.N. de kleur van een paard; een donkerbruine, bijna zwarte kleur, kastanjebruin; ook naam van een soort van gebatikde kleedjes.

darbe : Kw. en K.N. [duwe, N., gadhah, K., kagungan, K.h.] hebben, bezitten [=duwe]. -darbèni, iets in bezit hebben. -darbèkake, in bezit geven, iemand in het bezit stellen. -darbèk, eigendom, bezitting, toebehooren.

drubiksa : z.v.a. durbiksa.

durbiksa : Kw. kwaad, slecht; een booze geest, die des nachts rondgaat om de menschen te schaden [Het wordt verklaard door pakewuh, alaning ama, buta, en brêkasakan. Skr. doerbhixa, duurte, hongersnood].

darubêksi : of darubêsi, Kw. een soort van dronken makend vergif.

darubêsi : zie darubêksi.

dêrbala : Kw. en K.N. menigte van aardsche goederen, schatten; gegoed.

darung : andarung, K.N. gedurig voortgaan, zonder ophouden; in zijn wijze van zien of handelen hardnekkig voortgaan; in het kwaaddoen voortgaan [=banjur, vrg. dalurung].

durung : N., dèrèng, K., nog niet. sadurunge, K., sadèrèngipun, K. eer dat, voordat, alvorens, vóór [vrg. urung].

dèrèng : zie durung.

dringo : of d.ringo, K.N. kalmus, lieswortel, een plant waarvan de wortel tot medicijn gebruikt wordt [Ml. id.].

dringin : K.N. naam van groen en zwart gestreept goed met smal gouden galon omboord.

drêngki : K.N. nijdig, afgunstig van aard; arglistig. -drêngkèni, belasteren.

dringakan : of daringakan, K.N. schuchteren, verlengen omzien [vrg. dêringak].

daringakan : zie dringakan.

dak : of tak, N. ik, wij [Zie de Spraakkunst].

dik : Kw. de lucht, het luchtruim [=awang-awang, Skr. dik, z.v.a. disj, plaats, streek].

duk : I. Kw. toen, tijdens, ten tijde [=nuju en tatkala]. duk punapa, wanneer? duk kala, tijdens [=ari kala]. -anduk en dinuk, zie boven. -panduk, Kw. wijze, gedrag [Het wordt verklaard door papag]. -manduk, stooten, steken. II. duk of êduk, K.N. de harige vezels van den Arenboom. tali duk of tali êduk, daarvan gemaakt touw.

daka : en handaka, Kw. een wilde stier [handaka = banthèng, Skr. dhâka, een os].

dika : I. z.v.a. andika, II. -dikakake [-dikaka...]

--- 237 ---

[...ke] of -kên. zie aldaar. -pradika, zie beneden. II. dika en andika, Md. [kowe of mu, N., sampeyan, K.] voornaamwoord van den tweeden persoon: gij, u; uw [vrg. rika]. -jêngandika en ijêngandika, zie jêng.

duka : K.h. [nêpsu, N., srêngên, K.N.] misnoegdheid, toorn [=srêngên en kangelan, Sd. Ml. mismoedig, bedroefd; Skr. doehkha, hartzeer, verdriet, zorg, moeijelijkheid]. duka sampeyan, uw toorn! een beleefde manier van aan een meerdere zijn onkunde omtrent iets te kennen te geven. duka cipta, droefheid, hartzeer [=susah]. suka duka, vreugde en leed. -dukani, misnoegd op iemand zijn, iemand berispen, beknorren, bekijven.

dokon : z.v.a. dokok.

dakar : [Ar. dzakar] , K.h. [palipêli. en palanangan, N., pajalêran, K.] de mannelijkheid, membrum virile.

dikir : [Ar. dzikr] , vermelding, lofprijzing, verheerlijking van God [Ml. id.]. dikir Maulud, benaming van een eeredienst op den avond van den 12den Moeloed, ter gedachtenis van Mohammeds geboorte.

dèkèk : zie dokok.

dokok : N., dèkèk, K. zetten, plaatsen, leggen. -dokoki, N., dèkèki, K., ergens zetten, plaatsen, leggen, ergens in doen. -dokokake, N., dèkèkakên, K., iets ergens zetten, leggen; laten zitten of leggen.

dikakake : N., -kên, K.; zie dika, I.

dukut : Kw. gras [=sukêt], benaming van een bijzonder soort van welriekend gras; ook naam van een Woekoe.

diktya : z.v.a. ditya.

dêksa : Kw. raadgever, advocaat [Skr. bekwaam, bedreven; een bekwaam, bedreven, knap man]. -pidêksa, K.N. schoon, welgemaakt van lichaam, een knap man van gestalte [=manungsa kakang. sêdhêng dêdêge].

daksan : Kw. haastig, voortvarend; ook naam van een Tjåkrå.

daksina : dêksina of ook duksina, Kw. het Zuiden; de laatste, het einde; ook naam van het verblijf van Batårå Bråmå in de Soerå-låjå [duksina = kidul en wêkasan. Het wordt ook verklaard door tangan kiwa, Skr. daxina, regts; het Zuiden]. purwa daksinane, van het begin tot aan het einde.

dêksina : zie daksina.

duksina : zie daksina.

dêksura : of diksura, K.N. onbeleefd, lomp, onbeschoft [=ora idhêp ing tata]. -dêksurani, iemand onbeleefd behandelen, beleedigen.

diksura : zie dêksura.

dakwa : K.N. aantichting, betichting, beschuldiging [=angarani]. andakwa, beschuldigen, betichten, te last leggen. kadakwa, verdacht gehouden worden.

dukula : [Ar. dukhuul] ; andukul, K.N. gemeenzaamheid [ge...]

--- 238 ---

[...meenzaamheid] met een vrouw hebben, een vrouw bekennen.

dêkêp : K.N.; andêkêp, iets met de hand vangen.

dikêp : andikêp, z.v.a. dêkêp, andêkêp.

dikjawara : z.v.a. dwijawara.

dêkung : I. K.N. gebogen, gebukt [=bêngkuk, vrg. sidêkung]. II. Kw. [dhêngkul, N., jêngku, K.] de knie. sadêkung, de lange tot aan de knie, een knie diep, een knie hoog.

dèkèng : Kw. ik, mij; mijn.

dadi : N., dadya, Kw. dados, K., worden, onstaan, geschieden, gebeuren; slagen, gedijen; iets zijn; klaar, gereed; zoo dat [Sd. Ml. jadhi]. andadi, N., andados, K., toenemen . dadia, N., dadosa, K., het geschiede, het zij zóó; alhoewel, ofschoon. -dumadi, N. (dumadya, Kw.), dumados, K., wordende, in het ontstaan zijn; een schepsel. kang dumadi, K.N., de natuur [dumadi = tumitah]. -dadèkake, N., dadosakên, K., doen worden, tot iets maken; daarstellen, scheppen, veroorzaken, verwekken, berokkenen. kadadean, N., kadadosan, K., wat door iets of uit iets geworden is; gevolg, uitkomst; tot stand gebracht; uitwerksel, gewrocht.

dadu : K.N. helrood [=abang nom, Ml. helgroen].

dudu : I. N., dede, K., iets of iemand niet zijn; het is het niet. -dudon of kadudon, verkeerdheid, onbetamelijkheid; zonde. -padudon, Kw. K.N. het met een ander of met elkander oneens zijn; verschil, twist [=sêlaya ing karsa]. apadudon, met een ander of met elkander verschil, twist hebben. padudon kapti, verschil van gevoelen. II. Kw. en N., dede, K., kwaad; b.v. cipta dudu, kwade gedachte; kwaad gezind.

dede : zie dudu.

dadah : K.N.; andadah, de leden van een kind wrijven en zachtjes drukken, dat gedurende veertien dagen door de vroedvrouw geschiedt.

dêdah : zie duduh.

duduh : I. N., dêdah, K., aanwijzing, aantooning, teregtwijzing. -duduhi, N., dêdahi, K., iemand iets wijzen, aanwijzen, aantoonen, aanduden. -duduhake, N., dêdahakên, K., iets toonen, aantoonen, aanwijzen, aanduiden, vertoonen; teregtwijzen. II. K.N. uitgeperste sap, most; saus, sop.

dadahang : Kw. kraai [vrg. dhandhang].

dadanan : zie dandas.

dadra : Kw. gedurig voortgaan, zonder ophouden.

dadar : kw. gift, geschenk [=ganjar]. andadar, geven. II. K.N. andadar, toetsen, proberen, keuren [dadar = jajal en coba]. -pandadar, toetsing. -dadaran, pandadaran of pandaran, toetsteen. III. K.N. gebak in een pan, struif [Ml. id.]. dadar êndhog, N., dadar tigan, eijerstruif. andadar, eijeren of iets dergelijks in een pan bakken.

--- 239 ---

dêdêr : K.N. 1. regt in de hoogte, regt naar beneden; perpendiculair, steil; steilte. -2. de steelof greep van een pijl of lans. -3. met de handen van zich afweren, wegstooten.

dudur : K.N. dakspier.

dadak : K.N.; andadak, gaan doen, onmiddelijk gaan doen; iets onvoorziens, zonder voorbereid te zijn, doen; onverwachts, plotseling, eensklaps. -dumadak, onvoorziens, plotselings. -dadakan en dumadakan, onvoorziens, onverwachts, niet tegenstaande men het anders verwachten zou; voor de vuist spreken of iets verrigten, improviseren.

duduk : K.N. 1. kanker. -2. naam van een soort van wapentuig: een werpspies met een keten.

dodok : K.N. begluren, bespieden; nu, thans.

dadèkake : zie dadi.

dudut : K.N.; andudut, trekken, uittrekken, wegtrekken, tot zich halen; luiden. -duduti, aanhoudend tot zich trekken.

dodot : N., [kampuh, K.] het staatsiekleed van een ambtenaar of voornaam persoon, dat hij om het onderlijf draagt, wanneer hij aan het hof verschijnt. Dit kleed wordt ook door een bruidegom, indien hij bemiddeld is, bij de bevestiging van het huwelijk gedragen.

dados : zie dadi.

dêdêl : K.N. met de hand tegen iets aanduwen, stampen of slaan; met den voet op den grond stampen; met geweld iets door duwen trachten te openen. dêdêl kori, een deur met geweld openduwen.

dodol : I. naam van een soort van Mangga. II. zie adol.

dêdali : naam van een onbekend wapen. Ook rada dêdali, naam van een wapentuig.

dêdêling : Kw, sterk, gespierd.

dadya : zie dadi.

didya : Kw. zich iets herinneren.

dêdaman : Kw. zeer voorzigtig zijn.

dêdamêl : zie damêl.

dêdêg : K.N. statuur, lichaamsbouw, de grootte of hoogte van het lichaam [De grondvorm is dêg, vrg. adêg].

duding : z.v.a. tuding, de voorste vinger, wijsvinger.

dat : [Ar. dzat] , het wezen, de aard of substantie van iets [Ml. id.].

data : Kw. I. strijd, twist; proces. data dinata, met elkander twisten. -pradata, twist, of twistende personen, personen die procederen: naam der civile regtbank te Soerakarta, die gehouden wordt oder een Pandåpå op de Aloen-aloen, staande aan de Noordzjde van de buitenpoort van de groote Moskee. anggêr nawala pradata, naam van het wetboek, dat de geschrevene instructies voor de Pradåtå bevat. -pradata, de plaats waar de Pradåtå gehouden wordt. II. z.v.a. datan. [Het wordt verklaard door kunêng, Zie ook dataita].

dita : Kw. tijger [=macan].

dite : Kw. de eerste dag der Boedistische week, Zondag [=akad].

duta : Kw. zendeling, bode [=kongkonan of utusan. Ml. id.; Skr. doêta]. kaladuta, [kala...]

--- 240 ---

[...duta,] zie boven. duta makara, aarbeving. dinuta, gezonden worden.

datan : Kw. neen, niet; z.v.a. tan. [=ora]. -datanpa z.v.a. tanpa, datanpa, zie datan.

datuk : Kw. grootvader; een oud man [Ml. datuk of datu] , eerwaardig, aanzienlijk' een eeretitel van oudsten of opperhoofden].

datu tunjung : eign. van een persoon.

ditya : Kw. een demon, Titan of reus [Skr. ditya].

das : of êdas, Kw. verdwenen; K.N. afgedaan; ook nul. -ngêdasi, een zaak afdoen.

dus : I. gewoonlijk adus, N. [siram, K.] zich baden, waschen. -ngêdusi, een ander waschen of baden. -padusan, badplaats; bad; K.N. de reiniging van het lichaam vóór den aanvang van de vasten in de maand Ramêlan. II. ngêdus, K.N. vergulden. dusên, geb. wijs. -ngêdusake, N., -kên, K., laten vergulden; voor een ander vergulden. -pangêdus, vergulding. -dus-dusan, verguld; verguldsel.

dasa : K. [puluh, N.] tien, in de zamenstelling met een ander getal, of (in Kawi) vóór een ander naamwoord; anders sadasa (eigenlijk: een geheele tien) [Skr. dasja]. kalih dasa, twintig. tigang dasa, dertig. tiyang sadasa, tien menschen. kaping sadasa, de, of het, tiende. tikêl sadasa, tienvoudig, tiendubbeld. dasa kusuma, tien bloemen (wordt van de 10 vingers der beide handen bij het maken van een Sêmbah gebruikt). dasanama, de tien namen: titel van een boek, dat de verschillende namen van voorwerpen in de natuur enz. bevat. mantri sadasa, benaming van een soort van officieren van justitie, leden van de Balé-mangoe, zoo genaamd omdat zij vroenger 10 in getal waren (thans zijn er 15). anggêr sadasa, naam een wetboek, dat de instructie's voor de Mantri-sadåså's bevat. -sada sadasa, een uitdrukking, die zoo veel beteekent als; wat kan men er tegen doen? men moet het zich laten welgevallen! men moet er in berusten! [over de eigenlijke beteekenis zie men sapuluh-puluh, bij puluh]. -nyadasa, elk tien. -nyadasani, bij tienen vermenigvuldigen. para sadasan, een tiende.

desa : I. Kw. het gebied, de onderhoorigheid [=jajahan, Skr. dêsja, een oord, een streek]. II. N. [dhusun, K.] een dorp Ml. id.]. wong desa, dorpbewoner, landman, boer. prang desa, een dorpsoorlog. desa ing ngadesa, het een of ander dorp. -padesan, de plaats waar een désa staat, de omtrek, het grondgebied van een désa; de désalanden. -pradesa, désa-landen.

desi : z.v.a. desa.

dosa : K.N. zonde, misdrijf, misdaad; schuld [Sd. Ml. id.; Skr. dôsa]. adosa, zondigen, misdreven hebben. agawe dosa, zonde bedrijven, zondigen. dosa pêjah, een doodzonde; doodschuldig. -dosan of dêdosan, hetgeen tot zonde betrekking beeft; zich aan een zonde schuldig maken; zondig, misdadig. tiyang dêdosan, een zondaar misdadiger.

--- 241 ---

dasih : I. Kw. onderdaan, bediende, knecht [=kawula en batur]. -andasih, iemand als knecht dienen, ondergeschikt zijn [=angawula]. II. K.N. rand, zoom. dinasih rukma, met goud omzoomd.

dosan : zie dosa.

duskarta : Kw. een groot kwaad, groote misdaad, zeer misdadig, buitengemeen slecht [=tan salamêta. Skr. doeskrêta, slecht gedaan; zonde, misdaad].

dus-dusan : zie dus, II.

dêstun : ook bij verkorting sêtun, slechts, maar; K.N. althans, ten minsten.

dasamuka : (met tien aangezigten) eign. van een Vorst van Ngalêngkå (Ceilon), die ook Rawånå genoemd wordt [Skr. Dasjamoekha].

dustha jumêna : eign.van een zoon van den Vorst van Tjêmpålå.

dwi : of duwi, Kw. twee [=duwi = loro, Skr. dwi; ook dhwa of dhuwa, Kw., Sd. Ml. dhuwa, Skr. dwâ, een andere vorm van hetzelfde woord].

dawa : N. [panjang, K.] lang, uitgestrekt; lengte, uitgestrektheid. amurdawa, een lang leven, hooge ouderdom. dawane, zijn lengte. adawa, lang zijn, lang maken. kadawa, verlengd, uitgesteld. -dawakake, verlengen. -kadawan, te lang.

duwa : K.N.; anduwa, afwijzen, van de hand wijzen.

duwi : zie dwi.

duwe : N. [gadhah, K., kagungan, K.h.]. hebben, bezitten. duwe anak, end kind hebben, vader of moeder van een kind zijn. sing duwe of kang duwe, de bezitter of eigenaar. kang duwe omah, de bezitter of eigenaar van het huis. -duwèk, bezitting, eigendom. duwèkmu, uw eigendom, het uwe, de uwe. raja wèk, zie raja, -anduwèni, iets bezitten, in het bezit van iets zijn. -anduwèkake, in het bezit van iets stellen.

dewa : Kw., K.N. een god, godheid, goddelijk wezen, inzonderheid een Godheid van minderen rang [Sd. Ml. id.; Skr. déwa]. para dewa, de goden. dewa asmara, eign. van een zoon van Ardjoenå. dewa asmarawati, eign. van een tweelingzuster van den vorigen. dewaning sih, eign. van een gemalin van Ardjoenå, dochter van den priester Sitipoernåmå. dewa nata, bijnaam van Pandoe. dewa kusuma, Kw. een vorstin; ook eign. van een vorstin. dewadênta, naam van het oorlogsbekken van Ardjoenå [Skr. déwadatta, godengeschenk]. déwadara, naam van een boom in de Soerålåjå [kêkayon ing suralaya, Skr. déwadâaroe, naam van een soort van pijnboom]. dewandaru, is ook de naam van een Waringinboom op de Aloen-aloen van de Kraton te Soerakarta. dewabrata, bijnaam van Bisma in zijn jeugd [=bisma nom-noman]. andewa, zich tot een godheid wenden; tot de Godheid bidden. andewa sraya, een godheid tot hulp nemen. -dêdewan, zich als een Déwå doen voorkomen.

dèwi : het vrouwelijke van het vorige: een godin [=dewa èstri, Skr. dèwî]. Dit woord wordt ook als voorzetsel geplaatst voor eigennamen van vorstinnen en vrouwen van hoogen

--- 242 ---

rang der oudheid [Zoo ook in het Sanskritsch en maleisch].

dewaning sih : zie dewa.

dewandaru : zie dewa.

dwara : Kw. een deur of poort [Skr. dwâra]. darawati,dwarawati. naam van den rijkszetel van Krêsna [Skr. Dwârawati].

dawir : K.N. scheur; gescheurd.

duwèk : zie duwe.

dawud : eign. van David. nabi Dawud, de Profeet David.

duwita : Kw. ver te boven gaan, overtreffen [=kaliwat luwih].

dewata : gew. jawata, K.N. afgeleid van en z.v.a. dewa, een godheid van den tweeden rang [Ml. id.; Skr. dêwatâ en dêwatya. jawata = dewa]. kadewatan, het verblijf der Déwåtås.

diwasa : Kw. en K.N. volwassen, meerderjarig; de hoogte bereikt hebben [=akil baleg en nalika lingsir wetan. Skr. diwasa, een dag]. durung diwasa, N., dèrèng diwasa, K., minderjarig. surya diwasa, wanneer de zon in haar zenith is; d.i. de tijd om 12 ure des middags.

dawala : Kw. 1. wit [=putih, Skr. dhawala]. -2. gordel, buikriem [=paningsêt].

dwaja : zie duwaja.

dwija : Kw. =pandhita [Skr. dwidja, een man van een der drie hoogste kastes; eig. tweemaal geboren]. dwijawara of duwijawara, een priester in de hoofdplaats [=pandhita gêdhe, Skr. dwidjawarjja, een hooge Bramien.

duwaja : of dwaja, Kw. 1. wind. -2. vlag, vaandel, standaard in den orlog [=gandera of bandera, Skr. dhwadja, vlag of banier].

duwija : z.v.a. dwija.

dwijawara : zie dwija.

diwayah : zie wayah.

dawêg : I. Md. [mara en ayo, N., suwawi, K., sumôngga, K.h.] komaan, welaan! II. Md. [lagi, N., sawêg, K.] juist, op het oogenblik. III. K. [sêdhêng, N.] gematigd; juist van pas, niet te veel en niet te weinig; niet te groot en niet te klein; middelmatig, geëvenredigd; tamelijk; genoeg.

diwêg : z.v.a. dawêg.

duwung : gew. K.N. spijt, berouw, wroeging; spijt, berouw van iets hebben.

diwangkara : Kw. de zon [=srêngenge, Skr. diwâkara]. andiwangkara, als de zon zijn [diwangkara, ook =luwih murub]. diwangkara suta, de zoon der zon, bijnaam van Karnå, den Vorst van Ngawànggå.

diwôngga : Kw. rood; een roode zijden stof.

dewanggana : = dewa anggana, de goden van het firmament, waaronder tevens de Widådaris begrepen zijn [vrg. kana, Doch anggana beteekent in het Skr. vrouw, vrouwelijk].

dol : zie adol.

dalu : I. z.v.a. dilêm. II. K. [wêngi, N.]. nacht. siyang dalu, dag en nacht. dalu-dalu, laat in den nacht. wau dalu, voorleden nacht. mangke dalu, aanstaande nacht. -pandalu, het overnachten, nachtverblijf [nachtver...]

--- 243 ---

[...blijf] houden. -kadalon, door den nacht overvallen worden; te laat in den nacht. III. K.N. rijp zijn, van vruchten [Sd. overrijp].

duli : Ml. stof [Skr. dhoêli]. -kaduli-duli, li, Kw. zich zeer onbetamelijk gedragen. -praduli, zie beneden.

dulu : Kw.; andulu, zien [=ningali]. kadulu, gezien worden. -pandulu, het gezigt, het vermogen om te zien. -pandulon, de afstand zoo ver het gezigt reikt.

dalah : Kw. met, benevens, en [=lan].

dalèh : z.v.a. dalih.

dalih : Kw.; andalih, meenen, vermeenen, denken; verdenken; gissen, vermoeden; doelen, mikken, naar een wit schieten. kadalih, l.v. -pandalih, gedachte, meening, verdenking.

dèlèh : K.N. zetten, plaatsen.

dilah : K. [damar en diyan, N., lamp, licht, fakkel. dilah lilin, waskaars, kaars. -dilahi, iemand voorlichten, toelichten. -dumilah, helder schijnen, een glans verspreiden, schitteren [=murub]. rêtna dumilah, een schitterend edelgesteente.

dêlahan : Kw. de onbregrensde toekomst, de eeuwigheid [=lambe en ing wêkasan]. dumugi ing dêlahan, tot in de eeuwigheid.

dalan : N. [margi, K.] weg, straat [Sd. Ml. jalan]. dalan cilik, pad, voetpad. dalan gêdhe, de groote weg. mêtu dalan, een weg nemen. -dalani, een weg betreden, een weg gaan. kadalanan, een weg die begaan wordt; de plaats of persoon, waar de weg langs genomen wordt.

dolan : N. [of K.N. amêng-amêng, K. of K.h.] zich vermaken, spelen; voor zijn vermaak uitgaan, wandelen, kuijeren, toeren [vrg. lêledhang]. dolan-dolan, lanterfanten. -dolanan, speelgoed, speeltuig.

dêlancang : zie daluwang.

dalundung : K.N. onafgebroken, onophoudelijk. -dumalundung, voorspoedig opgroeijen.

dalênjêt : K.N. rondgaan, rondslenteren.

dalêr : dalèr, of dalir, K.N. streep, lijn.

dalir : zie dalêr.

dalèr : zie dalêr.

dulur : I. K.N. opvolgen, opvolging. adulur, navolgen, nabootsen. adulur-dulur, achter elkander volgen, de een achter den anderen gaan. -duluri, op iemand volgen. Kw. iets toestaan, verleenen, verhooren. dinuluran, of kaduluran, personen waarvan de eene voor en de andere achter gaat. II. K.N. wemelen, krielen. III. verkorting van sadulur, zie beneden.

dlèrèng : K.N. schijn, glans, blik. sadlerengan, een blik van hetoog.

dalurung : K.N.; andalurung, in het kwade volharden [vrg. darung]. -pandalurung, volharding, hardnekkigheid.

dêlurung : K.N. dwarsbalk.

dêluk : K.N. het hoofd laten hangen.

dêlok : N., andêlok, iemand aanstaren, in het aangezigt of onder de oogen zien. dêlok-dinêlok, elkander in het aangezigt zien, elkander aanzien.

dulêk : K.N. den vinger in iets steken.

--- 244 ---

dêlika : K.N. de ondelaag van een bed.

dulkijah : [Ar. Dzulhijjah] , naam van de twaalfde maand van het Mohammedaansche jaar, anders Besar genaamd.

dulkangidah : [Ar. dzulqa'dah] , naam der elfde maand van het Mohammedaansche jaar.

dalidir : K.N.; andalidir, in een onafgebroken opvolging gaan.

dalodok : z.v.a. dalêdêg.

daladag : K.N. zich trotsch vertoonen, een trotsche houding aannemen.

dalêdêg : K..; andalêdêg, aanhoudend vloeijen, stroomen; aanhoudend te voorschijn komen, gedurig toenemen.

daludag : K.N. een wimpel of klein vaandel, dat aan een lans vastgemaakt is [=umbul-umbul of umbul-umbul pugag].

dalèdèg : K.N. uitvloeijen: vrg. dalêdêg.

dalit : K.N. pleister. -andalit, pleisteren.

dilat : K.N.; andilat, met de tong likken [Ml. jilat] ]. andilat-dilat, aanhoudend likken. -dilati, aan iets likken, belikken.

dulit : K.N.; andulit, en anduliti, met den vinger iets afvegen.

dalasa : Kw., dalasan, K. [têkan, N.] zelfs, ook, tot aan toe.

dlèwèr : zie dêlèwèr.

dêlèwèr : dlèwèr of dulèwèr, K.N. afdrijven, afvloeijen; kwijlen. dêlèwèri, op iets afvloeijen. -dêleweran, dleweran of duleweran, kwijl, zever.

dulèwèr : zie dêlèwèr.

dêluwang : N., dêlancang, K., het papier, dat van de schors de Gloegoe bereidt wordt, gewoonlijk Javaansch papier genaamd [Sd. id.].

dalil : [Ar. daliil] , bewijs; wegwijzer; de Koran.

dêlelo : K.N. het hoofd laten hangen.

dilalah : K.N. de vaste wil van God; onherroepelijk vastgesteld.

dêlap : K.N. verkiezing, begeerte, verlangen [Ml. eigenzinnig, koppig, hardnekkig]. dêlape, naar verkiezing.

dolop : K.N. bespieder, spion. andolop, bespieden, beloeren, spioneren.

dêlapon : zie darapon.

dilêpên : K.N. in een zaak steken blijven, iets niet geheel volbrengen.

dêlapok : zie darapon.

dalajahi : K.N. ergens langs of doorheen gaan.

dalujur : K.N. lang uitgestrekt; regt overeind staan; regt voor de vuist spreken, zonder omwegen.

dalajat : of dêlajat, en jalajat, K.N. een kwaad voorteeken, iets dat den ondergang van een rijk voorspelt [jalajat = bakale]. -andalajati, onheil spellen.

dêluya : K.N. zich aan niets storen, zijn eigen gang blijven gaan.

dalêm : I. K.N. ing dalêm [ing jêro, N.], ing lêbêt, K.] in, binnen [Ml. dalam] en di dalam] , id.]. ing dalêm pêrat, in den brief. ing dalêm tigang wulan, binnen drie maanden. II. K.h. [omah, N., griya, K.] vorstelijk paleis; huis of woning van een voornaam

--- 245 ---

persoon; hetgeen den vorst toebehoort, vorstelijk [Ml. id.]. sampeyan dalêm, is een uitdrukking, waarmeé de Vorst, en panjênêngan dalêm, waarmeé een Pangeran en de Rijksbestierder in plaats van met een voornaamwoord van den tweeden of derden persoon aangesproken en betiteld worden, en die dus overeenkomen met ons Uw of Zijn Majesteit en Uw of Zijn Hoogheid; terwijl in plaats van beide die uitdrukkingen als bezittelijk voornaamwoord enkel dalêm gebruikt wordt; b.v. supêna dalêm punika, deze droom van Zijn Majesteit (of Uw Majesteit), of wel deze droom van Zijn Hoogheid (of Uw Hoogheid). kagungan dalêm, het eigendom van den Vorst, vorstelijke bezitting. abdi dalêm, 's Vorsten onderdaan. adalêm of dêdalêm, wonen, zich vestigen. -dalêmake, N., -kên, K., iets in het paleis brengen; tot een paleis maken; een paleis stichten. -dalêman, alles wat tot het paleis van den Vorst behoort; personen, die zich in de Kraton bevinden; offerhanden, die door den Vorst eenige dagen vóór het einde der vasten gebracht worden. -dêdalêman, woonstede, woning, van een aanzienlijk persoon.

dilêm : naam van een boom, die witte welriekende bloemen draagt.

dalima : K.N. [gangsalan, K., doch weinig in gebruik], granaatappel [Sd. Ml. id.; Skr. dâlima].

dlêmok : K.N. vlek, klad, spat. pating dalêmok, overal met vlekken.

dalêmok : zie dlêmok.

dêlamakan : K. [têlapakan, N.] voetzool, de voetzoolen.

dalêming : K.N. raaskallen, ijlen, brabbeltaal spreken.

dêlêg : of dadêlêg, K.N. de stam van een boom tot aan de takken. II. dêlêg, naam van een riviervisch.

dêlêng : N.; andêlêng [ningali, K.]. zien. dêdêlêng, overzien. -dadêlêngi, toezien. -dadêlêng, gezigt; het vermogen om te zien. -pandêlêngan, gezigt, gewaarding door het gezigt.

dêling : I. K. [pêring, N.] bamboe. II. Kw. klaar, duidelijk [=têtela, Het wordt ook verklaard door corot, pangucap, en ngandika]. -dumêling, klaar, helder, duidelijk zijn [=cahya kang rêsik]. -dêlingakên, iets duidelijk doen hooren of zien. -dêdêling, zie boven.

dulang : K.N.; andulang, iemand, b.v. een kind of een vogel, het eten in den mond stoppen. -dulangake, N., kên, K., iets een ander in den mond stoppen.

dêlingês : K.N. verbrijzelen, verpleterren.

dilanggu : naam van een plaats en distrikt.

dêlanggung : N. [ook dalan, N., margi, K., lêlurung, K.N.] een weg.

dapa : en gew. pradapa, ook pêrdapa, K.N. een jong blad.

dipa : Kw. I. een glaus; groot licht; de zon [=teja, padhang, sênên, obor, diyan, en srêngenge, Skr. dîpa, lichten, schijnen; een lamp]. dipa kêpanggil, naam van een tooverformulier. dipayana, bijnaam van Dronå in zijn jeugd. II. Vorst, Koning [=ratu]. III. olifant [=gajah].

--- 246 ---

dipe : dipya of dimpe, Kw. gissen, meenen, vermoeden.

dupa : K.N. reukwerk, wierook [Sd. Ml. id.; Skr. dhoêpa]. -dupani, bewierooken, parfumeren. -padupan, wierookvat, reukaltaar.

dupi : Kw. toen, tijdens, wanneer; omdat, dewijl [vrg. dupih].

dupih : en dupèh, zie dumèh.

dipun : zie di.

dipara : of depara, K.N. onmogelijk [vrg. dupara].

dupara : Kw. onbestaanbaar, ongerijmd, onogelijk [=mokal,vrg. dipara]. andupara, iets dat onbestaanbaar, ongerijmd of onmogelijk is, zeggen of voorgeven.

depara : zie dipara.

dipati : zie adipati.

daptiya : z.v.a. dibya.

dipya : zie dipe.

dupôngka : Kw. woest, wild, ongetemd [=kêsit].

dipôngga : Kw. olifant [=gajah, Skr. dwipa].

dajak : Kw. leêg, niets inhouden [kothong].

dya : Kw. I. verkorting van adya = adi. II. verkorting van kadya. III. verkorting en ineensmelting van dangu, geleden, voorleden, gepasseerd. tandya, niet lang daarna, dadelijk [=tumuli].

daya : Kw. I. krachtig, sterk; kunnen, vermogen, in staat zijn [=rosa]. Ook z.v.a. sadaya, zie beneden. -kadayan, z.v.a. kadigdayan. II. voordeel, winst. III. gedachte, voorstel, raad, plan [Ml. middel, raad, list, vond]. daya-daya of sadaya-daya, hoe het ook zijn, in allen gevalle, op wat wijze ook, volstrekt.

diya : Kw. verschil van meening. diya-diniya, met elkander van meening verschillen, met elkander twisten.

diyu : Kw. reuzin, het vrouwelijke geslacht der Dityå's [=buta wadon].

deya : Kw. lichaam; afgodsbeeld [=sarira].

dyah : Kw. I. water [=banyu]. II. jengdig, jong; een jonge vrouw, meisje [=anom, jaka, wadon, en radèn]. sang dyah, een jonge vrouw van hoogen rang [=wadon putraning wong gêwe].gêdhe. III. reeds, gedaan, geleden [=uwus].

dyan : Kw. I. vervolgens, daarna [=tumuntên en mangkana]. II. zie radèn.

diyan : I. Kw. alhoewel, het zij, het geschiede. II. N. [ook damar N., dilah, K. lamp, licht [Ml. een kaars].

diyon : K.N. het alles op anderen laten aankomen, te vadsig afte traa zijn om zelf iets te doen.

doyan : Kw. iets smakelijk vinden, lusten.

diyat : [Ar. diyyat] , bloedprijs, d.i. de boete, die voor een verwonding of manslag volgens het Mohammedaansche regt betaald moet worden [Ml. id.]. -kadiyat, met een bloedprijs beboet worden.

dayi : Kw. vrouw; vrouwelijk; vorstin [=guruning èstri].

--- 247 ---

dyagantang : Kw. het luchtruim [=têngahing dhuwur].

dim : Holl. duim, een maat; en duim, waaraan een kengsel van een deur hangt. sadim, een duim.

dum : gewoonlijk adum, K.N. verdeeling, afdeeling. -ngêdum, ook dum-dum, andum-dum of dundum, andundum en andum, deelen, zamen deelen, afdeelen, uitdeelen [Sd. dhuhum]. andum sêlamêt, N., andum wilujêng, K. heilwenschen uitdeelen, d.i. elkander heil wenschen, afscheid nemen. dipun-dum, l.v. van ngêdum, -ngêdumake of dum-dumake, N., -kên, K., verdeelen, uitdeelen aan anderen. -duman of panduman, deel, aandeel. saduman, een deel. -pangêdum of pandum, verdeeling. -mandum, afdeelen, verdeelen, uitdeelen. -kaduman, een verkregen aandeel.

dom : zie êdom. -pandoman, kompas.

dama : Kw. I. gebrek, armoede; behoeftig, arm [=papa, mêskin en asor, Skr. adhama, laag, slecht, verachtelijk]. -daman, behoefte [=kurang en papa]. -dêdaman, zie boven. II. dom, verkeerd; alles goedkoeren zonder onderscheid te maken [=bodho en nistha]. dinama-dama putra, aan een kind alles goedkoeren, gek met een kind zijn.

dami : K.N. de halm van padi. -damèn, stengel.

damu : K.N. met den mond blazen, door een pijp of door een roer blazen. -damoni, op iemand of iets blazen.

dêmi : I. Kw. toen, wanneer, ten tijde. II. K.N. bij, in een eed [Sd. Ml. id.]. demi Allah, bij God!

dumèh : ook dupèh of dupih, K.N., oorzaak, reden; omdat, dewijl. dumèh punapa, om welke reden, waarom? dumèh-dumèh, om die en die reden. dumèh yèn, om reden dat.

dumoh : 1. N. zie doh. 2. Kw. blind, onwetend.

dimèn : zie dimon.

dimon : N., dimèn, K., het zoj zoo! het geschiede! welaan dan!

damar : N. [ook diyan, N., dilah, K.] licht, lamp [Sd. Ml. id.]. damar malam, waskaars, kaars. damar sasi, het licht der maan; naam van een geschrift, behelzende de geschiedenis van den held van dien naam. damar sela, K., damar watu, N., harst. andamar, gelijk een licht zijn. -damari, een lamp opsteken; helder maken, verlichten. -padamaran, naam van een plaats.

dêmrojog : zie drojog.

dumrojog : of dêmrojog, zie drojog.

dêmak : Kw. op iemand aanvallen; ook naam van een distrikt in de residentie Samarang, oudtijds de hoofdplaats van een rijk.

dêmêg : K.N. met de hand vasthouden.

dêmèk : K.N. aanraken.

dumuk : K.N.; andumuk, met de punt van den vinger aanraken, tikken, of op iets drukken [waarschijnlijk van den grondvorm duk. vrg. anduk]. cap dumuk, een tip of vlak, die met de punt van den vinger op het papier gemaakt wordt, in stede van een Tjap of zegel. -

--- 248 ---

dumukake, N., -kên, K., met iets raken, doen raken. II. Kw. wild, woest, voortvarend; dadelijk, vervolgens, onmiddelijk, daarna [=galak].

dum-dum : zie dum.

dumat : Kw. worden, geschieden.

damêl : K. [gawe, N.] werken, maken, doen, handelen, vervaardigen, scheppen, stichten, bouwen; werk, daad, verrigting; het dienen tot iets; een bruiloftsfeest. damêl tiyang, een uitgestrektheid gronds, zoo veel als een man met zijn gezin bearbeiden kan, d.i. een Bahoe of ¼ Djoeng. adamêl sêrat, een brief schrijven. adamêl prakawis, een regtszaak maken, d.i. aanleiding tot een regtszaak geven. adamêl sami, gelijk achten. damêl parêng, tevreden maken. tanpa damêl, nutteloos, onnut, vergeefs. kadamêl of dipun damêl, tot iets dienen, strekken. damêl-damêl, namaken, nabootsen, knoeijen. -dadamêl of dêdamêl [gêgaman, N.] wapen, wapentuig; gewapende, wapenbende, krijgsvolk. botên mawi dêdamêl, ongewapend. -damêlan en dêdamêlan, maaksel, gewrocht; iets dat gemaakt; niet echt, valsch is. padhang dêdamêlan, een valsch licht. supaos damêlan, meineed. -padamêl, gew. pandamêl, iemands toedoen, in een slechten zin, slechte streek. mandamêl, iets (slechts) uitrigten, door het een of ander iemand onheil berokkenen, bedriegelijk of valsch behandelen. -padamêlan, ook wel pandamêlan, werk, daad, handeling, bedrijf, arbeid, bezigheid, beroep, ambacht, kostwinning. -mawi damêl, iemand ongelukkig maken, mishandelen. -madamêl, den grond bearbeiden. madamêlakên, latenwerken, alleen van dieren, die men ter beploeging van het veld gebruikt. dipun madamêlakên, l.v. -andamêlakên, voor een ander werken, maken, enz.

dêmalung : benaming van een soort van wilde zwijnen, in de Manik-måjå.

dimpe : zie dipe.

dêmpul : K.N. bindstof, leem, cement.

dêmping : K.N. zich achter iets verschuilen.

duman : zie dum.

dumugi : zie duga, II.

domba : K.N. groot, sterk. wêdhus domba, geitebok. -dombani, iemand sterk maken, magt verleenen, tot hoofd aanstellen [=ambantoni]. Kw. iemand ongezien, onopgemerkt volgen.

dêmang : K.N. een distriktshoofd, een hoofd van verscheidene dorpen, die het gezag over de dorpsbëkëls heeft. -kadêmangan, het gebied of de woning van een Dëmang.

dumung : K.N. een slang, die langs den grond kruipt.

dêg : grondvorm van adêg en dêdêg.

daga : Kw.; andaga, trappen, schoppen; ook afvallig worden. -pandaga, het trappen; afval. -dagan, K.N. het voeteneinde van een bed of doodkist of graf. dêdagan, zich aan het voeteneinde bevinden.

duga : I. N., dugi, K., gedachte, nagedachte, meening, gissing, vermoeden [Ml. id.]. anduga, N., andugi, K. denken, gissen, meenen,

--- 249 ---

schatten, onderstellen; peilen. kaduga, N., kadugi, K., gedacht, vermeend. duga-duga, naar gissing, waarschijnlijk, misschien, welligt. anduga-duga, denken, nadenken, overdenken. -panduga, N., pandugi, K., meening, gedachte. II. dugi, Kw., dumugi, K. [tutug en têkan, N.] bereiken, tot aan iets toekomen; tot aan toe. dumugi ing wêkasan, tot aan het einde toe. -dugèkakên en dumugèkakên, ten einde brengen, voltooijen; voortzetten, vervolgen. -kadugi, genoegzaam; in staat; voldaan; genoegzaam, in staat, voldaan zijn. -kadugèn, voldoening van een verlangen.

dugi : zie duga.

dagan : zie daga.

dêgan : K.N. een jonge kokosnoot [=krambil kang ênom]. banyu dêgan, N., toya dêgan, K., de melk van een jonge kokosnoot.

digdaya : Kw. kracht, bovennatuurlijke magt, groot vermogen [rosa, kawasa, sêkti en kuwat bangêt]. -kadigdayan, met bovennatuurlijke magt toegerust zijn.

dugal : K.N. oprisping; ondeugend, stout [vrg. dhugal].

digjya : Kw. zendeling.

digdya : zie dibya.

dagang : N. [grami, K.] handel, koophandel; handel, koophandel drijven [Sd. Ml. id.]. wong dagang, handelaar, koopman. lumaku dagang, handel drijven, van den handel leven. -dagangan, koopmanschap, koopmansgoederen, koopwaren, handelswaren. alaku dagangan, koophandel drijven. -padagang, K.N. factoor, zaakgelastigde van een koopman.

daging : K.N. vleesch van een mensch of dier [Sd. Ml. id. Tot spijs toebereid vleesch wordt iwak, N., ulam, K., genoemd]. kulit daging, zie kulit.

digung : Kw. hoogmoedig, trotsch, verwaand; trotschheid, verwaandheid [=aladak ciptaning ati nora nana kang ngungkuli]: waarschijnlijk zamengesteld uit di = adi en gung = agung.

dugang : K.N. met de hielen schoppen, achterruitslaan. dugang-dinugang, elkander met de hielen schoppen.

dugêng : Kw. driftig.

dagangi : K.N. poging doen om op te staan, maar het niet kunnen.

dubur : [Ar. dubur] , K.N. achterste, aars, aarsgat [Ml. id.].

dibut : zie ibut.

dobol : K.N. het naar buiten komen van den aarsdarm. dobola, een Javaansche vloek.

doblèh : K.N. een omgebogene onderlip.

dubilai : verkorting van ngudubilai.

dablêg : K.N. eigenzinnig, koppig.

dèblèg : K.N. gedurig naar dezelfde plaats terugkeeren.

dibya : ook digbya, Kw. en K.N. uitmuntend, voortreffelijk; uitermate, zeer; met bovennatuurlijke vermogens begaafd [=luwih, en sêkti, en digbya = luwih bangêt]. tirta dibya êning, bij uitstek helder water. -sudibya of sudigbya, zie beneden.

debag : K.N. een spartelende beweging maken. [ma...]

--- 250 ---

[...ken.] -kadebag, spartelen, zich wentelen, wringen.

dubang : en andubangi, zie idu.

dang : I. grandvorm van adang en êdang, N. [bêthak en ambêthak, K.] rijst in een kukusan, kokên. kayu dang, N., kajêng dang, K., brandhout. juru dang, zie juru. wedang zie we. bedang, zie be. -adangan, N., op bovengenoemde wijze gekookt. -dangan, K.N. een kooksel rijst, dat voor ongeveer 20 menschen toereikend is: namelijk een zekere hoeveelheid rijst, te Soerakarta van 100, in de désas van 70 realen of iets meer gewigt. -dandang, K.N. de koperen ketel, of aarden pot, waarin de in een kukusan, gedane rijst gekookt wordt. -padang of juru padang, N., rijstkooker of rijstkookster. sapadang, K.N. de tijd, die tot het koken van de rijst vereischt wordt. II. Kw. vervolgens, daarna [vrg. dan en andang].

dangu : I. Kw. voorheen, in den voortijd; K. [suwe, N.] verwijl van tijd, lange duur, lang duren, lang geleden. botên antawis dangu, niet lang geleden; niet lang daarna. dangu-dangu, een tijd lang; al met der tijd. adangu of dêdangu, op de lange baan schuiven, met iets dralen, uitstellen. -kadangon, te lang geduurd, te lang verwijld, te laat. II. dangu, andangu, K.h. [takon, N., pitakèn, K.] vragen. --pandangu, het vragen; vraag. III. dangu, Kw.de bloemvan den Arenboem.

donga : ook wel dunga, [Ar. da'aa] , K.N. gebed [Ml. id.]. andonga, bidden. andêdonga, bidden, smeken, in een onbepaalden zin. -dongani, een gebed over iets uitspreken. -dongakake, N., -kên, K., laten bidden; voor een ander bidden. -pandonga, bede, gebed.

dingarèn : K.N. buitengemeen, ongewoon.

dêngok : N., zien [=aningali].

dungik : K.N. maagd, huwbaar meisje [=parawan].

dingkanang : Kw. verheffen. diningkanang, verheven.

dêngkèk : K.N. scheef gaan, in het gaan naar de ééne zijde overhellen.

dingkik : K.N. bespieder; verrader. andingkik, loeren, beloeren; verreden. dingkik-dingkik, gebukt gaan.

dungkap : Kw. bereikt, tot, aan [=mèh têkan]. andungkap, K.N. nabij komen, bereiken, genaken.

dêngkèng : K.N. achterover gebogen.

dangdan : dangdani, enz. z.v.a. dandan, dandani, enz.

dangdos : dangdosi, enz. z.v.a. dandos, dandosi, enz.

dungdung : Kw. vervolgen.

dangus : Kw. onbeschaamd.

dongos : K.N. een spitse mond, hazemond.

dangiyah : verkorting van adangiyah.

danganga : Kw. aanstaren, aankijken.

--- 251 ---

dangan : zie dang.

dêngingak : K.N. verwonderd opzien [vrg. dringakan].

dêngèngèk : andêngèngèk, K.N. het hoofd om hoog houden of ligten.

dêngangang : Kw. ontdekt, openbaar, bekend. -kadêngangan, zie boven.

dongèng : K.N. een verdicht verhaal, fabel; een fabel vertellen.

dongong : z.v.a. danganga.