Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya)

Deskripsi judul
Teks sambungan
  1. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 01: Ha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  2. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 02: Na) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  3. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 03: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  4. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 04: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  5. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 05: Ka). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  6. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 06: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  7. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 07: Ta) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  8. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 08: Sa) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  9. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 09: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  10. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 10: La). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  11. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 11: Pa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  12. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 12: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  13. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 13: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  14. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 14: Ya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  15. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 15: Nya) . Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  16. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 16: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  17. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 17: Ga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  18. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 18: Ba). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  19. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 19: Tha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  20. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 20: Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
  21. Javaansch-Nederduitsch Woordenboek, Gericke en Roorda, 1847, #16 (Bagian 21: Suplemen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
Image

--- 572 ---

ya : zie iya [= inggih en iku].

yi : en gew. yayi, Kw. jongere broeder of zuster [yi, en yayi = anom en yayi = adhi].

yu : verkorting van ayu.

yah : Kw. gedaante; kleur [= rupa].

yèh : Kw. water [= banyu].

Yahudi : [Ar. Yahuudii], K.N. Joodsch. wong Yahudi, N., tiyang Yahudi, K., een Jood. tanah Yahudi, het Joodsche land. têmbung Yahudi, de Joodsche (Hebreeuwsche) taal.

yan : Kw. z.v.a. yèn [= lamun en manawi].

yun : I. gew. ayun, Kw. begeerte, verlangen, wil; vóór [= karsa en ngarêp, Zie ayun]. -yuni, begeeren, willen [Het wordt verklaard door karêpe en ngajênge]. -kayuyun of kayungyun, begeerlijk, aanlokkelijk; zeer met iets ingenomen, zeer verheugd zijn [= rêmên]. II. K.N.; ngiyun, slingeren, schommelen, wiegen [Sd.Ml. ayun]. -yun-yunan, schommelen; wieg [vrg. yod-yodan, bij yod].

yèn : K.N. (in Kawi ook yyan en ywan), als, indien, ingeval; dat; aangaande, ten aanzien van, betreffende.

yani : Kw. water [= banyu].

yoni : Kw. afweren, afwenden; welvaren [= wilujêng].

yèndhamawa : Kw. de elfde dag van het licht der maan [= tanggal ping 11].

yun-yunan : zie yun, II.

yra : Kw. aan, tot, naar [= mênyang].

yar : Kw. spoedig, gaauw, snel [= gêlis].

yir : Kw. gekwetst, gewond [= tatu].

yèr : Kw. het vermogen om te zien, gezigt, oog [= paningal].

yeka : in poëzie zamentrekking van yaika.

yakin : of yakim, K.N. zeker; waar, wezenlijk [Ar. yaqiin], zeker; Ml.id.]. -ngyakimake, N., -kên, K., zich van iets verzekeren, van de waarheid overtuigen.

yêkti : N. [ook nyata, N.], yêktos, K., waar, zeker, gewis, wezenlijk; waarheid, wezenlijkheid. yêktine, N., yêktosipun, K., in waarheid, inderdaad. sayêkti. [ook têrtamtu, N.], sayêktos, K. [saèstu, K.h.] naar waarheid, overeenkomstig de waarheid, waar, waar achtig, waarlijk, zeker, zekerlijk, stellig, gewis, ontwijfelbaar, echt, wezenlijk, voorwaar, inderdaad, allezins. sayêktine, N. [ook satêmêne, N.], sayêktosipun, K., degelijk. -ngyêktèni, N., ngyêktosi, K. [nitèni, K.N.], naar de waarheid onderzoeken; iets naauwkeurig gadeslaan; acht op iets geven, opletten, opmerken; aandachtig. kayêktèn of kayêktenan, N., kayêktosan, K., bewaarheid, bevestigd; waarheid, werkelijkheid, wezenlijkheid. -ngyêktèkake,

--- 573 ---

N., ngyêktosakên, K., bewaarheden; verwezenlijken; bevestigen, beweren; naar de waarheid van iets onderzoeken.

yukti : z.v.a. yêkti, [Skr. joekti, verbinding; gepastheid; enz.].

yêktos : zie yêkti.

yêktiwara : Kw. een voorname, hooge priester.

yêksa : Kw. een sater, een Boetå; ook eign. van een Boetå-vorst; als Tj. SengK. vijf [= buta, Skr. jaxa, naam van een soort van halfgoden, dienaren van God Koewéra; ook naam van Koewéra zelf].

yakim : zie yakin.

yekang : in poëzie zamentrekking van ya ingkang.

yod : K.N.; ngiyod, opwippen. -yod-yodan, schommelen [vrg. yun-yunan, bij yun].

yadu : Kw. donker, zwart [= pêtêng en irêng].

yuda : Kw. strijd, gevecht, krijg, oorlog; een oorlogswapen [= pêrang en sênjata, Skr. joeddha, strijd, krijg, oorlog: vrg. yudha]. ayuda, oorlog voeren, krijgen, strijden. ing ngayuda, in den strijd, in den oorlog. Bratayuda, benaming van den strijd tusschen de Pandåwå's en Koråwå's, en van het heldendicht waarin die strijd bezongen wordt. -payudan, oorlogstooneel, strijdperk, slagveld [= panggonan prang].

yoda : Kw. onderdaan, dienaar; ik, wij [= kawula, Skr. jôdha, strijder: vrg. yodha]. yodagal, een krijgsman, soldaat [= prajurit, zamengesteld uit yoda en agal, dus: groffe strijder]. yodèng, z.v.a. yodagal [= prajurit, zeker niets anders dan poëtische zamentrekking van yodahing].

yadin : Kw. van, wegens; met [= saking en lan].

yod-yodan : zie yod.

yodagal : zie yoda.

yodèng : zie yoda.

yata : Kw. I. waar, wezenlijk [= nyata]. II. vervolgens, voorts, wijder [= nuli, Skr. jatah, vanwaar; weshalven; en jathâ, overeenkomstig hetwelk]. III. strijd, twist [Skr. jatta, gestreefd, ingespannen].

yuta : I. K.N. millioen [Ml. yuta en juta, ook ayuta], id.; Skr. ajoeta, tien duizend; maar nijoeta, millioen, en honderdduizend]. sayuta, een millioen. -yutan, bij millioenen; millioenen. II. Kw. in de war zijn [Skr. ajoeta, ook los, niet zamengevoegd]. III. K.N. een ongemak aan den voet hebben.

yetna : z.v.a. yitna.

yitna : K.N. behoedzaam, voorzigtig; hoede, voorzigtigheid; op zjn hoede zijn [= ngati-ati en eling, Skr. jatna, inspanning van krachten, streven, poging]. -ngyitnani, zich voor iets of iemand in acht nemen. -prayitna, zie boven.

yatin : K.N. eene vaderlooze wees [vrg. lola, Ar. yatiim], een wees; Ml.id.].

yatana : Kw. behoedzaam, voorzigtig [= ngati-ati, Skr. jatana, de krachten inspannend].

yatra : K. [dhuwit, N., picis, K.N. geld,

--- 574 ---

munt [Skr. jâtrâ, gaande, loopend; gewoonte; middel]. yatra pêthak, zilvergeld. -angyatrani, geld geven, betalen.

yitma : Kw. het leven, de ziel [= urip en nyawa, Vrg. atma].

yasa : Kw. magtig, sterk, dapper; K.h. [gawe, N., damêl, K., en ngadêgake, N., -kên, K.] werken, maken, stichten, bouwen, oprigten, scheppen, aanstellen [Sd. schrander, verstandig; Skr. jasa, moeite doen, zijn krachten inspannen; âjasa, ijverig; âjâsa, moeite, inspanning]. angadu yasa, zijn krachten met iemand meten. ayasa patih, een Patih aanstellen. ayasa prajurit, tot soldaten maken, een corps troepen oprigten. yasa kambang, [bale kambang, K.N.] een tent op het water, paviljoen. -ngyasani, aan iets werken; ergens stichten, ergens bouwen. -yasan, werk, gewrocht, maaksel, gebouw [= gawean anyar].

yuswa : K.h. [umur, K.N.] leeftijd, ouderdom [Skr. âjoes, ouderdom, leeftijd; âjoesja, het leven betreffend, het leven behoudend, enz.]. sampun yuswa gangsal taun, reeds vijf jaar oud zijn.

ywa : zie aywa.

ywan : zie yèn.

yiwana : z.v.a. yuwana.

yuwana : Kw. duurzaam geluk, voorspoed, welvaart [= awèt anom, rahayu, wilujêng en luput tiniban gêgaman, Skr. jauwana, jeugd, van joewan, jong, jeugdig].

ywangi : Kw. droefheid.

yudha : z.v.a. yuda [= ayudha = prajurit en sanjata].

yodha : Kw. krijgsman, soldaat [= prajurit].

Yudhisthira : eign. van den oudsten zoon van Pandoe, den Vorst van Ngamartå en het hoofd der Pandåwå's [Skr. Joedhistira].

yujana : Kw. een lengtemaat van tien duizend vademen [= dohe salêksa dhêpa en sapandêlêng, Ml. id.; Skr. jôdjana, een lengtemaat van vier krôsja's, d.i. van 16, of volgens anderen van 32, duizend ellen].

yaya : Kw. 1. gelijk. -2. een oud man [= kaya en wong tuwa, Vrg. yayah].

yayi : zie yi.

yuyu : I. K.N. een kleine soort van kreeft, een land- of rivierkrab [vrg. kapithing, Skr. joejoe, een paard]. -ngyuyu of ngêyuyu, op zulk een kreeft gelijken. II. Kw. blanketsel [= paès].

yayah : Kw. I. gelijk, even als [= kaya en sapêrti, vrg. yaya, 1.]. II. vader [= wong tuwa en bapa, vrg. yaya, 2.]. yayah rena, vader en moeder, ouders.

yyan : zie yèn.

yuyudsuh : of yuyutsuh, eign. van een zoon van Jåmå-widoerå [Skr. joejoetsoeh, strijdbaar; een strijder].

yyang : zie hyang.

yama : I. Kw. stelen, een dief [= maling]. II. yama of Yamadipati, eign. van den God der onderwereld, den Pluto der Indianen [Skr. Jama]. Yamawidura, eign. van den jongsten [jong...]

--- 575 ---

[...sten] zoon van Abijåså, jongeren broeder van Pandoe [Skr. widoera, eig. schrander, verstandig, bedreven].

yumani : K.N. het vagevuur, de hel.

yoga : Kw. I., ook yogya, gepast, geschikt, betamelijk, behoorlijk, juist [yoga = patut en yogya = pantês, Skr. jôga, zamenvoeging, verbinding, vereeniging; geschiktheid, gepastheid; jôgya, gepast, geschikt, voegzaam, bekwaam]. -sayoga, N., sayogi, K., sayogya, Kw., naar behoorlijkheid, naar evenredigheid van; gansch gepast, geschikt, betamelijk; dat, opdat [sayogya = pantês]. -nayogya, Kw. gepast, geschikt, betamelijk maken. -prayoga, N., prayogi, K., zie boven. II. Kw. K.N. doen, maken, werken; gewrocht, schepsel, kind [= agawe, puja en anak en ayoga, = sêmèdi, Skr. jôga, ook aanwinst; middel; godsdienstige aandacht, met oogmerk om zich door volkomene afgetrokkenheid van het zinnelijke met het Wezen der wezens te vereenigen]. ayoga, een kind verwekken. sintên ingkang ayoga dhatêng kula, wie is mijn vader? yoga sêmadi, gebeden doen, bidden.

yagene : zie gene.

yogya : zie yoga.

yag-iyag : K.N. spoedig, gaauw.

yab-yaban : K.N. onrustig, verlegen [vrg. iyab-iyaban].

yang : zie hyang, prayangan, zie boven.

yangyang : Kw. = têtulisaning gambar, yangyanging tulis, bijnaam van Batårå Kåmå-djåjå.