Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga)

Judul
Sambungan
1. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918. Kategori: Arsip dan Sejarah > Galeri.
2. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 01: Deel I Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
3. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 02: Ha–HaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
4. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 03: HaRa–HaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
5. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 04: HaSa–HaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
6. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 05: HaDha–HaMa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
7. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
8. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 07: Na). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
9. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 08: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
10. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 09: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
11. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 10: Ka–KaRa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
12. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 11: KaKa–KaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
13. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa–KaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
14. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 13: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
15. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 14: Ta–TaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
16. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 15: TaPa–TaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
17. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 16: Sa–SaKa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
18. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 17: SaDa–SaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
19. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 18: SaDha–SaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
20. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 19: Deel II Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
21. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 20: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
22. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 21: La–LaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
23. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 22: LaLa–LaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
24. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 23: Pa–PaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
25. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 24: PaRa–PaSa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
26. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 25: PaWa–PaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
27. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 26: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
28. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 27: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
29. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya–Nya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
30. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
31. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 30: Ga–GaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
32. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 31: GaLa–GaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
33. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 32: Ba–BaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
34. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 33: BaSa–BaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
35. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 34: Tha–Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
36. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 35: Bijvoegsels en Verbeteringen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
37. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 36: Aanteekeningen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon.
Citra
Terakhir diubah: 14-01-2023

Pencarian Teks

Lingkup pencarian: teks dan catatan-kakinya. Teks pencarian: 2-24 karakter. Filter pencarian: huruf besar/kecil, diakritik serta pungtuasi diabaikan; karakter [?] dapat digunakan sebagai pengganti zero atau satu huruf sembarang; simbol wildcard [*] dapat digunakan sebagai pengganti zero atau sejumlah karakter termasuk spasi; mengakomodasi variasi ejaan, antara lain [dj : j, tj : c, j : y, oe : u, d : dh, t : th].

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 1 dari 41
aga
zie saga.
agi
zie lagi.
age
zie ge.
iga
KN. rib, ribben JZ. II; v. e. dak BG. 380, vgl. usuk. iga wêkas, de korte rib. iga-iga, latten, die hier of daar op de dakribben of tegen de stijlen van een pagêr, tot meerdere stevigheid bevestigd zijn Wk.
uga
verk. ga, N. doch ook wel in Kråmå. ugi, (ook wel nugi, G.) K. ook, insgelijks; ook zoo, toch DN. II, 610; AS. 3; wel, wel is waar; dezelfde, hetzelfde (Sd. ogè, Ml. juga, vrg. iya). ana ing kene uga, hier op dezelfde plaats. uga kaya, ugi kados, dezelfde als JBr. 277. padha uga, sami ugi, eveneens; eenerlei, om het even. sok uga, BTDj. 466 ter versterking, zoo ook mêngkono °, dit laatste ook: intusschen, evenwel. sauga, BG. 30: ° kalakona, als maar, om 't even; zva. sok ° ? Ook zva. ênda, vervolgens, dan Wk. Herh. nu eens, dan eens, bv. kali iku ga gêdhe, ga cilik, die rivier rijst nu eens, en daalt dan weer Wk. uga-uga, al evenwel; soms voor duga-duga, Wk.; ook naam van een gêndhing.
ugi
zie uga.
oga
KW. zva. uga, obah, Wk.
agah
KW. zva. wisesa, arah. agah-agah, zva. arah-arah, en saagah-agah, zva. sawênang-wênang, Wk. — agahan, KN. gretig, met gretigheid; gretig zijn of worden RL. 9a; AD. 16, 17.
êgoh
of goh, KN. ngêgoh, de hand ergens insteken Tj. I, 699, vrg. rogoh, gogoh.
agni
zie gêni.
ogan
zie wogan.
agnya
zva. parentah, BS. 456; en zie ben.
agra
verk. gra, KW. zva. pucak, (ontbr. Wk.) pucuk, (landhêp, G.) dhuwur, en pangarêp, of panggêdhe, dit laatste ontbr. W. (Skr. agra, top, spits; eerste, voornaamste. Vrg. arga). agraning

--- 1 : 186 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 1 dari 41
arga, of arganing ardi, de top van een berg. — ngagra, zva. ing pucuk, vgl. ook graja.
agar
KN. 1. het vooruitgestoken zijn van iets, zooals de hand of een wapentuig, om er meê te dreigen, vgl. anggar, en agag. — ngagar, iets zóo vóor zich uitsteken WP. herh., en er meê dreigen. — agar-agaran, elkander zoo dreigen Wk. — 2. ngagar, iets met iets anders wrijven; twee stukken hout tegen elkander wrijven om vuur te maken RP. 54; ook ngagar gêni, op die wijze vuur maken Wk. — tiyang ngagar mêdal kawul, men wil vuur maken, er komt zwam uit; spr. voor iem. ophitsen, warm maken, maar hij blijft er koel onder WP. 14. — pangagaran, iets wat dient om door wrijving vuur te maken WP. 14. — 3. agar-agar, Ml. of agêr-agêr, een zeker zeewier, de Sphaerococcus lichenoides Ag. var. tenuis, Nat. fam. der Florideae, waarmeê gelijen gemaakt worden.
agêr
agêr-agêr, zie agar.
agir
KW. zva. dhoyong, overhelling, overhellende stand (ontbr. W). — magir, zich als een bergrug vertoonen. — ngagir, met het hoofd door de ellebogen ondersteund op den buik of op zijde liggen Wk., Tj. I, 496? volg. Rh. vooroverliggen, hellend, nl. het bovenlijf door de ellebogen ondersteund. — ngagiri, in die houding liggen op Wk. — ngagirake, een obj. zoo leggen Tj. I, 539, vgl. lèlèh, èthèh, angsar. — agiran? helling Tj. IV, 542, 660, zie pagir.
agor
(ook gor, J.), vgl. ulêm, glêndêm, KN. zwaar, schor van de stem. agor-agor, een aanhoudend zwaar en dof geluid G.
êgar
KN. (of gar, Wk.) zva. êkar, ontluiking van een bloem; opening of ontsluiting van iets, dat met een gesloten bloem vergeleken kan worden, zooals van een zonnescherm (een kwast Wk.), en van de hand door uitspreiding van de vingers Tj. I, 668. — mêgar, ontluiken; zich ontsluiten; open, zooals van een zonnescherm BG. 91, vgl. jêbabah. — ngêgar. ° tangan, de handen uitspreiden Tj. — ngêgari, een obj. openmaken tegen of voor Wk. — ngêgarake, iets doen ontluiken; openen; de handen uitbreiden.
igar
zie bij sigar.
igir
of igir-igir, KN. rug van een berg, bergrug KB. 86, 92, 93 (vrg. gigir) Rh. volg. and. pagir, TD. in Surakarta Wk.
ugêr
KN. iets daar iets aan vastgehouden wordt (vgl. anggêr, enz. ugêm, wantilan, cancangan); steun; (anker G.) steun, toeverlaat AS. 233; aanvoerder in den strijd; grond, grondregel JZ. I, 310, 324. ugêre pusaka ing tanah Jawa, worden genoemd de moskee van Děmak en de astana van Adilangu BTDj. 566. ugêre, want? Waj. II, 100. layang ugêr, AS. proces-verbaal van een aanklacht (ugêr gugat) en van de verklaring van den aangeklaagde (ugêr wangsulan) bij de Pradåtå. ugêr-ugêr, paal, waaraan men iets bindt; de twee overeind staande stukken hout van een spinnewiel, waaraan de kupingan, daar de kising, in draait, bevestigd is Wk. ugêr-ugêr lawang, twee gebroeders Wk.; steun in een fig. zin Gr. L. 55; iemand die een ander tot steun dient, toeverlaat; en benaming van een pada, anders guru, of pada bab. — ngugêr, iemand of iets ergens aan vast binden RP. 118; K. 6, 5; 9, 4; iemand vast, in arrest zetten, gevangen houden BTDj. 576. — ngugêri, de verklaringen van aanklager en beklaagde opteekenen JZ. I, 58. — ngugêrake, (iets) ergens aan vastbinden voor een ander Wk. — paugêr, het geld dat voor een layang ugêr, betaald wordt. — pugêr, KW. zva. ugêr. — mugêr, zva. nancang, Wk. — pangugêr. pangugêr turăngga, wangs. voor kacang [panancang] JZ. II, 275. — ugêran, tot grond, basis hebben Wk. — paugêran, de plaats waar de verklaringen van proces voerende personen en getuigen opgeteekend worden. pugêran, of pogêran, steun AS. 187; steunsel. — pangugêran, de plaats waar een beest vastgebonden is; plaats van arrest Wk.
egar
zva. enggar? RL. 22a.
ugraha
voor anugraha? Bab. Jo. I, 13642.
êgrok
of êkrok, KN. de half geopende toestand van een bloem en derg., vgl. êgar, Het overeind staan der vederen, bij dieren; vgl. mêngkarag, enz. Wk. — mêgrok, of mêkrok, in dien toestand zijn Wk.
êgrèk
KW. ègrèk-ègrèk, zva. alan-alan, ora santosa, niet stevig in elkander zittende, licht en dicht Wk.; van slechte

--- 1 : 187 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 3 dari 41
hoedanigheid, niet te vertrouwen JZ. II, vgl. obrog, KN. klanknabootsing voor het geluid v. zagen, schuren enz. — ngègrèk-ègrèk, zagen, schuren, vrg. grit, Rh.
ogrok
ngogrok-ogrok, Bl. CP. 35? vgl. sêgrok?
ugrasena
naam van Sětajid in zijn jeugd (Skr. Ugrasena).
ugrêg
of anggrêg, (Wk.) KN. niet vlot, stroef, met horten en stooten v. d. gang v. e. prahu, het uittrekken v. e. sabel uit de schede en derg. Wk., vgl. grêg, sanggrêk. ugrêg-ugrêg, enz. wat tot stroefheid, hindernis, belemmering strekt Wk.
agrang
KN. (vrg. sanggrang). ngagrangake, iets, dat lang en zwaar is, ergens op of tegen laten rusten Tent. (ontbr. Wk.), vgl. planggrang, en sladhang.
agring
poët. ziek CS. BS. Dj. M. 1867, n°. 4.
agrong
poët. zva. gêrong. jurang °, een ontzagwekkende diepe ravijn. agrong-agrong, groot, verheven, indrukwekkend, zva. wingit? zie nog bij gêrong.
egrang
KN. stelten; naam van een soort van boeman of bijtebauw, daar men kinderen bang mee maakt, en waarvan men wel zegt, dat hij op één been loopt. lumaku nganggo egrang, op stelten gaan. — egrang-egrangan, op stelten loopen J. BG. 254?
agak
KN. 1. gedachte, meening, gissing. — ngagak, meenen, denken, het er voor houden (zie ook agag, en anggak). — 2. ngagak-agak, niet slapen of niet kunnen slapen, bv. v. pijn; op dezelfde hoogte blijven v. e. slepende kwaal; zich onwel gevoelen G.; vlg. Rh. een onrustigen slaap hebben, den slaap niet kunnen vatten Waj. I, 107; II, 430, vgl. cagak êlèk.
agik
zie ogak.
agèk
zie bij lagi, en ogak.
ogak
of oglak, KN. waggelen, wiggelen, niet vast staan of zitten, zooals van losse tanden of van een tafel met losse poten AS. 233 (vrg. ogèk, oyag, othèk, dhangklik, enz.). ogak-agik, (of ogak-ogèk, Wk.) heen en weêr waggelen. — ngogak, iets schudden Wk. kogak, door schudding in beweging raken, bv. een paal Wk. — mogak-magik, heen en weêr waggelen Tj. III, 53. — ngogak-ogak, en ngogak-agèk, Men. VIII, 252 (en dit dial. voor ngogak-agik?) een obj. heen en weêr schudden, bv. een deur. oglak-aglik, en ogal-agil, hetz. uwot ogal-agil, een waggelende vlonder, en meer bepaald de waggelende brug, die volg. de Manik-maya de schimmen van de afgestorvenen over moeten om in den hemel te komen Tj. III, 50; L. 112.
ogèk
1. zva. êndang, vgl. uga, Wk. KN. — 2. zva. ogak. ngogèk, zva. ngogak, ook fig. een prijs doen fluctueeren? afdingen Wk. kogèk, zva. kogak, waggelen, zooals een tol, die weldra zal vallen; en van iemand die permantig loopend het lijf heen en weêr beweegt Tent. S.
ugêd
of ugêt, KN. ugêd-ugêd, een waterwormpje daar de mug uit voortkomt PL. I, 73. — mugêt, gew. mugêt-mugêt, of mugat-mugêt, zich als een worm of popje bewegen, op dezelfde plaats in de rondte zich bewegen; vgl. migut, engkot, enz. Wk.
agat
KW. zva. mituhu, Wk.
igit
ongebr. (stam git, vgl. gêgêt, v. gêt, gugut, v. gut) vrg. gigit. ngigit-igit, KN. zich verbijten van kwaadheid; woedende haat. — pangigit-igit, het hebben of toedragen van een woedende haat of wrok.
ugêt
zie ugêd.
ugut
ongebr. vrg. gugut, en gigit. ngugut-ugut, of gut-gutên, en ngunggut-unggut, BG. 280; ook munggut-munggut, mangunggut-unggut, Bl. CP. 211; KW. (van visschen kathah munggut sadaya, Tj. I, 176) zva. ngigit-igit, ook zich verbijten van erge pijn; kermen (het wordt verklaard door pratingkahe wong lara kena gêgaman, RL. 6b, mênggah-mênggah, en mandhêg-mandhêg, G.).
egot
1. zva. egol, K. in de uitdrukking enak °, voor heel lekker, ontleend aan de beweging bij coïtus Rh. zie egol. — 2. aanvoerder eener dievenbende, vgl. pêthut, benggol, ZG. XXII, 141.

--- 1 : 188 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 4 dari 41
agus
verkort. van bagus.
êgos
of gos, KN. nm. v. e. jongensspel, waarbij men met een steen dien van den eersten speler moet trachten te raken Wk.
egos
pegos, megos, zva. engos, enz. — megos, zich omdraaien, zich omwenden Rh. menggos, een scheef gezicht trekken Tj. IV, 272, vgl. engos.
egla
KN. ngegla, duidelijk, geheel onbedekt voor 't gezicht. Zoo katon ngegla, PL. II, 149, vgl. lela, èdhèng, oglèng, enz.
agal
KW. zva. gêdhe, Wk. KN. grof van korrel; grof, ruw, ook bv. v. vlechtwerk, vgl. groboh. lomp weg van wijze van handelen; ruiterlijk, openlijk Wk. (vrg. sugal, kasar, kasap, en wadhag). agal alus, grof en fijn. agal dhêmit, met grof geweld en bedektelijk, of ° rêpit, Men. IX, 283: grof (vaste, zichtbare lichamen, ook openlijk, ruiterlijk), fijn (onzichtbare lichamen, ook bedektelijk, listig) v. e. die sêkti, is: bisa ngambah °, hij kan zich onzichtbaar maken door in een vast lichaam, bv. een muur, te dringen, of door in een ijl lichaam, bv. lucht of nevel, zich op te lossen; zoo ook manjing agal alus, WP. 248 zva. manjing ing ajur-ajèr. — ngagal, ruwe middelen (geweld) gebruiken BS. — ngagali, iets grover van korrels maken dan iets anders; tegen iem. op een grove enz. wijze te werk gaan, vgl. kasap, brasak, Wk. — ngagalake, grof of grover van korrels maken dan het was Wk.
agêl
KN. garen of draad van de bastvezels (van de jonge papahs J.) van de gěbang-palm (v. d. schors v. d. waru-boom v. d. T.) waarvan touw en grof doek gemaakt wordt; ook een werktuig, waarmeê de kapas gezuiverd wordt G.
agul
ongebr. ngagul, zva. ambêk, bv. in A. 43, zich verbeelden, zich houden als of? agul-agul, KW. zva. gêgêdhug, (BS. 180; Bab. Jo. II, 425; BTDj. 507) tanggon, W. (ook zva. bêtah? G. Wk. KN. heldhaftig; en naam van een gěṇdhing.
agol
ongebr. zie gol, en pagol. — kagol, KN. belet, verhinderd worden, door dat er iets in de weg komt DW. proza 107. — ngagoli, of ngagol-agoli, iets in de weg staan; staan; hinderlijk (ook iem. door een vraag in de war brengen, verstrikken G.). — ngagolake, verijdelen, doen afstuiten Wk.
êgul
(of gul, Wk.) KN. ergens tegen stooten of stuiten van de béṇdhå in het béngkat-spel. — ngêguli, of ngêgul-êguli, de béṇdhå stuiten of tegenhouden in zijn loop of vaart BM. 1856, n°. 14 (met den voet stooten J.). — ngêgulake, doen stooten tegen.
igêl
KN. het pronken van het mannetje van een pauw of kalkun; ook wel (schertsend Wk.) voor jogèt, gebruikt. — ngigêl, pronken, en pronkend en zwierend heen en weêr treden van een pauw (mrak angigêl, BG. 266) of kalkun; de afgepaste bewegingen maken, die bij het taṇdhakkěn behooren (nl. de draaiende beweging van de hand aan den pols, vgl. pacak gulu, Wk.). — ngigêli, dansende pronkend naderen; coquetteeren, die bewegingen maken bij, bv. de gamělan muziek.
igul
KN. zonder kris. — ngigul, zonder kris uitgaan, erg. te gast komen, zie badhugul, Rh.
ugal
ongebr. ugal-ugalan, KN. dwaas of bespottelijk, en onwelvoeglijk of baldadig (BG. 469), in kleeding en manieren AS.; kwajongensachtig; kwajongensstreek; en zva. hansworst, hofnar AS. (ook driftig van aard; kort van stof Rh.), vrg. sugal, dhugal, en pocol.
ugêl
Sd. ugêl-ugêl, KN. gewricht van de handen en voeten KT. 17 (vrg. athik-athikan, en gêlitan, waar vroeger aan misdadigers de hand of voet werd afgehouwen (jonjang). Bij een paard het gewricht boven de hoef Wk. Ook van een buffel BG. 134.
egal
KW. zva. birai, Wk.
egol
KN. de beweging der billen onder het gaan Wk. egal-egol, v. badenden Tj. III, 330. — megol, links en rechts draaien v. d. billen onder het gaan; vgl. pèkèh, lêngkèt, zie echter Rh. onder ngregol. megal-megol, links en rechts draaien van de billen Wk.; heen en weer draaien (bv. v. d. duim Waj. Ir. 27); links en rechts overgaan, bv. v. dikte, het dragen v. e. zware last, kreupelheid J. enz. — ngegoli, tegen imd. de billen als boven draaien Wk. — ngegolake, de billen doen draaien

--- 1 : 189 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 5 dari 41
Wk. — egolan, zva. obelan.
ogèl
KN. het zich bewegen; beweging v. kop (poot, hand, staart enz. J.) nl. in horizontale richting Rh.; heen en weêr draaiing (met den kop, zooals een rups, enz. Wk.). — mogèl, en ngogèl, zich zóó bewegen, beweging maken, bv. van een slang J.; waggelend draaien, zooals een tol Wk. — krogèl, of karogèl, (volg. Wk. ook kogèl) freq. pating karogèl, overal beweging, bv. in het water, waarin door vischjes of ander gedierte bewegingen gemaakt worden, of (Wk.) v. e. menigte visschen, die met de koppen boven water komen. — ngarogèl, of ngrogèl, een kronkelende beweging maken, bv. met kop en staart als een slang of een lele, vgl. kojèl, Wk.
aglah
KN. ngaglah, in het midden v. d. weg staan, liggen of zitten, hinderlijk voor den doortocht of het gezicht? Wk. iem. op den weg afwachten G.; Rh.: zich op een open plaats, zich openlijk, voor ieders oog vertoonen Waj. I, 108, 286; fig. onbedektelijk; zich blootstellen, blootgeven.
èglèh
Tj. I, 518 = aglah, voor het rijm?
ogal-agil
zie ogak.
aglar
zie gêlar.
oglak
en oglak-aglik, zie ogak.
iglag
ngiglag, open en bloot v. e. terrein; wijd open, open staan v. e. deur.
èglèng
ngèglèng, duidelijk in 't oog vallend, zichtbaar zijn (ook zich vertoonen G.) Wk. vgl. ngèglèh. èglèng-èglèng, zva. oglèng-oglèng.
oglèng
KN. het bijna geheel uit den gordel uitsteken van een kris, vgl. kewal, klabang. — moglèng, (ook wel ngoglèng, G.) alleen met de punt in den gordel gestoken, zoodat hij er bijna geheel uitsteekt, van een kris; een kris, uit winderigheid, met bevallige achteloosheid bijna geheel uit den gordel hebben om hem te laten zien. oglèng-oglèng, soglèng-soglèng, ook eglang-eglang, zich achteloos zwierig voordoen, van een windbuil gezegd die onder den schijn van achteloosheid hetgeen hij draagt uit pronkzucht bijzonder in het oog doet vallen. — ngoglèng, zich duidelijk voor het oog vertoonen.
eglang-eglang
zie oglèng.
agop
KW. eindigen, ophouden. tan agop, niet ophouden, onophoudelijk BS. 699. ora gop, onophoudelijk, zie ook anggop. tan ngêgopi, hetz. ook tan dèn gopi, DW., Tj. II, 54 (v. e. grondw. gop, êgop) volg. Wk. KN. ophouden. blanjane gop, zijn tractement houdt op.
êgap
of gap, KN. êgap-êgapan, of gap-gapan, happig, gretig, gulzig; vgl. grangsang. — mêgap-mêgap, den mond gedurig open (en toedoen), naar den adem snakken (BG. 39), gijpen als een stervende, vgl. glagêpan.
êgop
zie agop, anggop.
agya
zie ge.
agnya
KW. zva. parentah, (Skr. âjñâ). — ngagnya, of mangagnya, zva. marentah, AS.; AD. bl. 47, 50; BS. 456. maha yagnya, zva. marentahi.
agnyana
KW. = budi, Wk. (Skr. âjñâna, het onderkennen, waarnemen).
agêm
1. KN. zie gêm. — 2. KI. zie anggo.
ugêm
KW. zva. bundhêl, wastaning dolanan. KN. iets dat men voor vast houdt; vast vertrouwen, geloof; iets daar men vast op vertrouwen kan, bv. een beproefd geweer (vrg. ugêr, ugêng). ugêming ati, wat iemand bij zich zelf vastgesteld heeft, vast besluit BS. sêrat ugêm, poët. zva. sêrat pikêkah, of piyagêm, Wk. — ngugêmi, (ook wel ngugêm, Men. VIII, 44) vast vertrouwen op, er op aan kunnen; zich er aan houden JZ. I, 25, 332; Bab. Jo. II, 5; ook letterl. goederen vasthouden Tj. I, 745.
ogêm
KW. overleg? (ontbr. W. vlg. Wk. zva. pêpakêm, bêbundhêl). aogêm, overleggen G.
agama
KW. zva. tata, Wk. N. agami, K. (verk. gama, gami) godsdienst, religie (Skr. âgama, overlevering, overgeleverde leer) BTDj. 52. gama, KW. zie ben. agama Islam, de Mohammedaansche godsdienst. panatagama, regelaar of handhaver van de godsdienst, één van de titels van den Vorst van Surakarta; vgl. ibadah, sarengat.
agag
KN. dreiging; fig. voor de houding van iemand, die het doet voorkomen, alsof hij iets wil doen (vrg. ancam-ancam, amang, agar).

--- 1 : 190 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 6 dari 41
agag-agag, dreiging. — ngagag-agag, dreigen met gebaren of met een stok of wapen. — ngagagi, bedreigen, dreigen met een wapen Gr. L. 266; dreigen, op het punt staan, om iets te doen. — ngagagake, dreigen met Wk. Waj. I, 275; II, 483. — agag-agagan, mekaar dreigen Wk.
ugêg
KN. mugag-mugêg, zich op dezelfde plaats bewegen, zonder vooruit te komen Wk., vgl. ugêd? en zie Waj. I, 305 en CP. in TBG. XXXI, 451.
agêng
K. zie gêdhe.
agung
zie gung, en anggung.
êgong
zie gong.
ugêng
KN. bij een voornemen blijven, volharden (vrg. ugêm).
ugung
KN. zva. umbar, en uja, toegeving J.; wangs. zie bocah. — ngugung, toegeven aan, den vrijen teugel vieren, bv. aan zijn gevoel S.; toegeven, bv. een kind; zijn zin geven, zijn gang laten gaan. — kogung, toegegeven, verwend, bedorven Wk. — ngugungi, G. imd. toegeven JBr. 225. — ugungan, 1. bedorven; vertroeteld van een kind, dat alles toegegeven of toegelaten wordt; BG. 29: ook ijdel van aard v. e. die gaarne gevleid en geprezen wil worden. — 2. (vlg. Wk. KW.) gew. gungan, zva. bodho, onnoozel van kinderlijke onnoozelheid Gr. L. 158; RP. 34, beter ugongan, (bij ugong) vgl. punggung. — pangugung, de handeling BG. 126.
ugong
KW. zva. bodho. — ugongan, zie ugung. — mangugong, zva. ambêbodho. — pangugong, zva. panguja, Wk.
hêb
(oud-jav. hěb, höb WS. 165) angêb, KW. zva. aub. — manghêb, mangêb, zva. ngaub. — mangêbi, (oud-jav. manghöbi Fi. 163) ngêbi, ngahêbi, mangahêbi, zva. ngaubi. — pahêban, RL. 37b (ontbr. W.) panghêban, pangêban, ngêban, zva. pangauban, Wk.
hèb
KW. (RP. 190: têgêse hèb dalême Allah) zva. samar, onduidelijk, van het zien Wk. (verbastering van gaib? R.).
aba
KN. zva. swara, ujar, en parentah, geluid (vlg. Wk. in deze beteek. KW.); uitgesproken woord of woorden; bevel, commando. apa abamu, wat zeg je dáár? AS. Pr. 32 (bij de dhalangs in minacht. zin Wk.) aba surak, een krijgsgeschrei aanheffen WP. — (kaba, bevel G.). — ngabani, commandeeren RP. 107, AS. 270; RL. 4a; ook wel zooals veehoeders het vee toeroepen en bevel geven rechts of links enz. te gaan Tj. III, 171; iemand het commando tot iets geven. — abahan, voor abahan, Wk. zie abah, (commando, bevel WP.).
abi
KW. zva. ati, II, pati, (Skr. abhi -, over, overmatig, super.); zva. luwih, Wk.
iba
KN. een uitroep van verwondering: hoe veel! hoe groot! Gr. L.107; hoezeer! wat! hoe! BG. 83. iba ta wus ping pira-pira, hoe dikwijls wel! Zoo ook saiba, bv. ° nêpsune, wat zal hij boos wezen! Gr. L. 107, 171; BG. 16. iba-iba, hoeveel te meer! AS. 174.
ibu
(KS. 87) KI. zie bij êmbok, en biyang.
ibe
KN. garnaal G. (vrg. èbi, urang, en rêbon).
uba
geschenken G.; vrg. ibah. ubarampe, geschenken tot versnapering: geschenken, in kippen, kapoenen, eenden of andere kleinigheden bestaande, die op de Garěběg's door de op de dorpen wonende Ngulåmå's voor den Vorst, of door anderen aan den Lurah-tabon, gebracht worden (bij de betaling der pacht. Inzonderheid wordt zoo genoemd de levering van buffels der pamajěgan-landen aan den Vorst Wk.).
eba
KW. zva. endah, vgl. iba, Wk. ook zva. gajah, Skr. ibha (ontbr. W.).
èbi
Chin. KN. gezouten gedroogde kleine garnalen S. sambêl gorèng èbi, naam van een samběl JZ. I, 214.
abah
ongebr. Tj. Sěngk. zes, ZG. XIV, 29a. abah-abah, KN. 1. toestel, tuig, voorn. weeftoestel JBr. 437. ° tênunan (of ° panênunan) weefgetouw. abah-abah, well. eigl. het zadelvormige juk, dat WW. por, noemen. — 2. kambil, KI. (Wk. K.) Javaansch zadel Gr. L. 143 (vrg. lapak, en cêkathakan). — ngabah-abahi, KN. (vlg. Wk. N.) ngambili, KI. (Wk. K.) BTDj. 98, ook ngapani, of ngêngapani, KI. of KW. opzadelen (iemand toetakenlen, een pak slaag geven G.). — abahan. prabot °, N. prabot kambil, of kambilan [kambila...]

--- 1 : 191 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 7 dari 41
[...n], paardetuig. abahan, (verk. bahan, G.) bouwstoffen, bv. voor een huis of brug; gereedschap, bv. keukengereedschap. wontên ing abahan, in gereedheid zijn G.; (bij dhalang's?) een toestel, waarop oudtijds een des doods schuldige op zijn buik gelegd werd om onthoofd te worden; fig. zva. sumăngga. kumurêb ing ° dalêm, mijn leven stel ik te uwer beschikking WP. 4.
abuh
(oud-jav. aběh Fi. 130) KN. opgezwollen; zwellen, opzwellen. — ngabuh-abuhi, beginnen op te zwellen. — ngabuhake, doen zwellen. — abuhên, aan gezwollenheid lijden J. abuh-abuhên, zuchtig, waterzuchtig J.
ibah
Ar. [Arab], een gift, een geschenk (vrg. uba).
ibuh
zie imbuh.
ebah
zie obah.
obah
N. ebah, K. zich bewegen, zich veroeren BG. 9; JZ. II, vgl. owah, en kobèt. los zitten van een tand KT. Ml. OJ. KN. veranderen R.; fig. beweging BTDj. 429, in beweging zijn? BTDj. 490. obah osik, BG. 417 zva. solah? Tj. Sěngk. zes. ora obah, onbeweeglijk. sami ebah ênggèning lêlênggahan, zij gingen anders (in een andere orde) zitten WP. — mobah, poët. zva. obah, (ook weifelen, twijfelen; twijfelachtig G.). mobah-mosik, zich heen en weêr bewegen, bv. van de handen S. — ngobahi, ngebahi, iemand door schudding hinderlijk zijn. — ngobahake, ngebahakên, in beweging brengen. ° jaman, Bab. Jo. I, 884; storen. ngobah-obahake, ngebah-ebahakên, een obj. aanhoudend bewegen DN. I, 99. — obahan, ebahan, beweging, schudding G.
aban
KW. zva. dalan, undhak-undhakan, Wk.
abên
1. KN. in de spreektaal zva. sabên, WP. — 2. K. zie bij adu.
abon
KN. 1. een vleeschspijs van draadsgewijs vanééngetrokken en gebraden vleesch S. An. kêbo (maesa) abon, buffels, die door de Wadånå's geleverd moeten worden voor de offerhanden van den Vorst op de groote feesten (in de maanden Mulud, Jumadilakir, Pasa, Běsar Wk.). yatra abon, geld om zulk een buffel te koopen S. — abon-abon allerhande vleeschspijzen G., Bab. Jo. II, 213; I, 616. Ook n. v. e. vroegere belasting in Bagělen ER. II, Bijl. 68. — 2. abon-abon, als het eens misloopt, te kwader ure; vgl. awon, en luput, Wk.; vlg. W. en MR. II, 70 abèn-abèn.
ibnu
Ar [Arab] zoon.
obin
Rijnl. roede SG.
abèn-abèn
zie abon.
ubon-ubon
KW. zva. endhang, (ontbr. W.).
abinawa
KW. zva. kaliwat luwih, Wk. (Skr. abhinawa, nieuw, jong).
ibra
of ebra, KN. vervallen, van een rechtsvordering wegens het niet verschijnen van den aanklager (Ar. [Arab] vrijstelling, kwijtschelding JZ. I, 58. Vrg. lubar). layang °, de acte van vrijstelling, die tot bewijs hiervan aan den aangeklaagde gegeven wordt. Zie ook ubaya.
ebra
bra-ebra, zva. ucul, udhar, bv. v. d. hoofddoek v. e. die dronken in slaap is gevallen Tj. III, 454.
abar
KW. zva. ngagagi, bedreigen Wk. KN. het aanvliegen, vgl. bêr, bur, de eerste dreigende aanloop met opgezette vlerken van vechtende hanen; bluf, windmakerij, looze aanval, looze bedreiging Wk. (ook naam van een boom, vrg. awar, S.). — ngabar, zóó er op aan loopen van kemphanen; een loozen aanval doen op, aanvliegen op L. 43? snoeven, bluffen op Wk. ngabar-abar, hetz. als ngagar-agar, dreigend uitgestoken houden, bv. een kris L. 215; borgen, bij een weddenschap of het spel; vervliegen, geur en kracht verliezen van reukwerk, verschaald; ook fig. v. h. lichaam verzwakt; vruchteloos, zonder uitwerking Wk. (vlg. Rh. bet. v. gabar). Oud-jav. flikkeren, vgl. obar-abir, Juynb. 194. — kabar, van iets daar de beste geur of kracht af is, zooals kokosmelk van de tweede pers; ook fig. v. h. lichaam vermoeid van het taṇdhakken, en van iem. die niet in de beste reuk staat, bv. prawan °, tegenover ° kanil, een ander zie ben. — ngabarake, caus. ook aanloopen op; voor den schijn tentoonstellen om de waarde te weten Wk. abaran, KW. zva. agag-agagan, tarungan, Wk. of abar-abaran

--- 1 : 192 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 8 dari 41
KN. op elkander aanvliegen van vechtende hanen als om elkaars moed te beproeven Wk. — pangabar, en pangabaran, zie ben.
abêr
KN. 1. zwak; zwak worden van iets dat in zijn vaart verzwakt, dat trager wordt, vertraagt; krachteloos v. e. verordening N. 326, vgl. abar, slap, slap gaan, bv. van handel J.? vgl. êmpêr, lêmpêr. — ngabêri, verzwakken, verslappen KB. 38. ngabêr-abêri, op de een of andere wijze, of meer of min verzwakking, verflauwing te weeg brengen enz. — ngabêrake, iets verzwakken, zijn kracht ontnemen. — pangabêran, middel wat daartoe dient, bv. een aji, Wk. (tooverformulier). — 2. een dijk, rasterwerk of iets derg. aan den kant van het water ter voorkoming van wegspoeling van den grond Wk.
abir
KN. 1. een chineesche piek C. 2051, bl. 59a; een breed slagzwaard met een houten steel Bab. Jo. II, 198. — 2. geparfumeerd handpoeder van kaf en derg. met geurige ingrediënten, waarmede Arabieren na het eten onder het wasschen de handen wrijven.
abur
zie bur.
abor
KN. hotten, doorloopen, zuur worden enz., bv. v. e. ei J., vgl. kopyor.
ibêr
ibur, zie bur.
ubar
zie umbar.
ubêr
KN. ngubêr, iemand naloopen, vervolgen, achternazetten. — ubêr-ubêran, mekaar nazetten Wk.
ubur
KW. zva. burêng, (ontbr. W.). — mubur, zva. nglêbur, ngobrak-abrik, Wk.
ebar
vlg. Wk. grondw. van kebar.
èbèr
ngèbèr, goederen op crediet koopen om ze te verkoopen, gew. van zaken van weinig waarde en in het klein, als rauwe rijst enz., vgl. kulak, kêmpit, enz. (goederen transporteeren; vertalen G.). — ngèbèrake, goederen als boven verkoopen Wk., ten verkoop uitstallen, bv. boeken J.; ten toon spreiden om daarmeê te pronken, bv. bekwaamheden Wk., van mooie vrouwen DW. 157. — èbèran, pronkziek Wk. Vgl. bèbèr, CS.
ebor
KN. een werktuig (met) een zeef om stofgoud (edele metalen of edelgesteenten S.) uit een rivier te halen; ook om water uit een kuil te scheppen J.; en een schep om het suikersap van de eene pan in de andere over te scheppen; ook met zulk een werktuig goud zoeken of scheppen Wk. — ngebor, met zulk een werktuig werken of scheppen; daarmede overscheppen (goud wasschen JZ. II), vrg. mêlik, JZ. II. — ngebori, in een rivier met zulk een werktuig werken. ngebor-ebori, een offerhande geven bij gelegenheid dat een vrouw voor de eerste maal in de tweede maand van haar zwangerschap is, vgl. nêloni, bij têlu. In Kědhiri heet dit ngêmbang maèsi, ZG. X, 39. — ngeborake, met een ebor, werken voor Wk. — eboran, wat met een ebor, geschept of gezocht wordt DN. I, 439. wong ahli eboran, iemand die in het goudzoeken bedreven is G. — pangeboran, plaats waar men goud zoekt of goud wascht.
obar
KW. zva. obong, (Bagěl. ER. II, 131). — ngobar, kobar, (BG. 20, 304); kobaran, (sambate lir Cina °, L. 307); obaran, enz. zva. ngobong, kobong, enz. Zie ook W.
obor
KN. flambouw, fakkel, toorts JZ. II. oboring laku, gids Waj. I, 383. gêdhe obore, groot van fakkel, een uitdrukking tot lof van een land, waarvan de beteekenis misschien is, dat daar nauwkeurig onderzoek gedaan wordt in rechtszaken (zva. veilig, vkl. door padhang jagade, zie WP. 11, Pr. 2; vgl. kukus). obor giring, verb. van Hooge Regeering. angsal kula papriksan kapêjahan °, ik ben in mijn onderzoek door het uitgaan der fakkel van het licht beroofd; zva. het spoor bijster geworden, kwijt geraakt? Wk., zie verder JZ. II. — ngobor, een fakkel gebruiken. — ngobori, met een fakkel bijlichten, met fakkels zoeken of opsporen DN. II, 585; fig. een duistere zaak toelichten Pr. 6; nauwkeurig onderzoek doen naar (of bij Wk.). galih lir dèn obori, ML. 244: hij kwam op een inval. ° pêngantèn, bruid en bruidegom in de nacht van hun huwelijk met fakkellicht in hun slaapvertrek een bezoek brengen; een bijgeloovige plechtigheid bij de Javanen (anders nyoloki).
êbrèh
(of brèh, Wk.) KN. verkwistend (vrg. abrut, en zie Brandes Proefschr. bl. 105). — ngêbrèh, verkwisten, verdoen. ngêbrèh wadi, een geheim verraden, verklikken. ngêbrèh-êbrèh,

--- 1 : 193 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 9 dari 41
het een na het ander verkwisten, doorbrengen Tj. I, 745, ook well. zva. ngêbrèh (wadi); weelderig, overdadig G. — pangêbrèh, verkwisting.
Ibrahim
Ar. [Arab], eign. Abraham.
obar-abir
KW. zva. cêlèrèt, Wk. straal, bliksemstraal Bab. Jo. I, 873b. KN. benaming van een soort van pap; van een bathiksel en van een kěmbangan. balănja °, dagelijksche uitgaven van allerlei aard; geld daarvoor; vgl. ècèr, en bècèr, Wk. ° aliwawar, storm en onweêr; ook wel zich heen en weêr bewegen, fladderen (ontleend aan het zich heen en weêr bewegen der bliksemflitsen) v. zeilen Asm. S. I, 360. — ngobar-abir, hetz. van vaandels: wapperen Dam. Woe. 78.
èbrèk
KN. ngèbrèk, in Tj. II, 471 volg. Rh. verkeerd voor ngèbrèt, zie echter brèk, J.
obrok
ngobrok, zva. gêdublong.
obrak-abrik
KN. ngobrak-abrik, iets in de war brengen, verwoesten, bederven, door alles overhoop en door elkander te gooien Rm. 196; BTDj. 71.
abrit
zie abang.
abrut
KN. ngabrut-abrut, en ngobrot-obrot, doorbrengen, verkwisten, verspillen; (weelderig, overdadig G.; vrg. êbrèh).
êbrit
zie abang.
èbrèt
KN. klanknab. voor het scheuren, bv. v. lijnwaad: rits! v. h. onophoudelijk praten of kletsen; ook van het geluid van snel opeenvolgende veesten ML. 175 (ngèbrèt), vrg. jêbrèt, van daar ngèbrèt-èbrèt, zva. nyuwèk-nyuwèk, en zva. ngawur-awur, ruchtbaar maken, in opspraak brengen Rh.
obrot
zie bij abrut.
ibarat
of ngibarat, KN. overdrachtelijke, figuurlijke beteekenis; gelijkenis, beeldspraak Wk.; uitlegging, verklaring; ook zva. saupama, bij voorbeeld Rh. pitêmbungan °, overdrachtelijke uitdrukking, zinspreuk. — ngibarati, figuurlijk iets te kennen geven aan; ophelderen, vgl. nyêmoni, bij sêmu. — ngibaratake, een figuurlijke uitdrukking bezigen van DN. I, 112.
abrat-abrat
er met stralen uitspruiten van bloed te M. in TBG. XXV, 293 (Rěmb.).
ubrês
KN. ngubrês, iemand of iets overal zoeken, opsporen en vervolgen K. 9, 25 (om te vragen R.?).
obrol
KN. beuzelpraat, sprookjes. sugih °, rijk aan beuzelpraat Dj. M. 1867, n°. 4. — ngobrol, beuzelpraat houden, sprookjes vertellen G. (vrg. omong, anggêdobrol). — ngobroli, iemand beuzelpraat of sprookjes vertellen. — ngobrolake, van iets beuzelpraat vertellen. — obrolan, of obrol-obrolan, beuzelpraat, sprookjes GRJ.; elkander beuzelpraat of sprookjes vertellen.
abirama
KW. zva. pêngrasa, murka, Wk. T. 25a? (Skr. abhirâma, beminnelijk, gracieus).
ibramaga
KW. = besus bangêt, Wk.
abrag
ongebr. abrag-abrag, of abragan, ° omah, KN. rommelzoo, rommel van allerlei gemeen huisraad. ° pawon, rommel van keukengereedschap; vgl. rosokan.
ubrêg
KN. druk bezig van velen, zva. ibut?
èbrèg
KN. ngèbrèg, in korte draf loopen van een paard J., vgl. èngkrèg.
obrog
KN. I. ngobrog, hoog, zwaar draven v. e. paard G. — II. obrogan, al wat, hetzij wegens mindere hoedanigheid, hetzij wegens verouderden staat niet behoeft ontzien te worden; wat tot dagelijks gebruik dient (met uitz. van kleeren Wk.). — ngobrog, dagelijksch gebruiken, niet ontzien Rh., zie abrag, bobrokan, enz. — ngobrogake, iets tot dagelijksch gebruik als boven bezigen.
abuk
KN. zie bij rabuk, J. — mabuk, v. e. grondw. abuk, stam buk, vgl. bubuk, mul v. d. grond B. 496 (volg. te M. abuk, gebluschte, rulle kalk; v. d. mabuk, mul). — ngabuk, het goed van een ander zich toeëigenen; iemand zijn eigendom onrechtmatig of bedriegelijk onthouden; een vreemde als een oude kennis behandelen, om van hem te profiteeren enz. Wk. ngabuk-abuk, of a °, zóo de een of andere oplichterij plegen, door op iems. naam iets te koopen enz. Wk. — abukan, toegeëigend goed.
ibak
KW. = turut, Wk.
ibêk
KW. = kêbak, pêpêk, (oud-jav. hiběk, iběk F. 212) KN. zva. ubêk, (en

--- 1 : 194 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 10 dari 41
èbêk, Wk.) in beweging zijn, door elkander loopen Wk. — ibêkan, (en è °, Wk.) zva. ubêkan, Wk. Ook volheid, menigte G. Zie ook èbêk.
ubak
of ubêk, KN. omroering (vrg. udhêg, uyêk). ubêk, ook in drukke beweging door elkander loopen AS. 127. ubak-ubêk, (uitgesproken met volle k) gedurig op dezelfde plaats zich blijven bewegen, vgl. udhag-udhêg, Wk. — ngubak, of ngubêk, omroeren, zoo staat (in Men. VIII, 325) de valsche God aan Umar maya toe om het verblijf der hemelnimfen door elkaar te halen (en er uit te zoeken); roeren door er in om te roeren JZ. II; zva. ubak-ubêk, Tj. III, 29. — kubêk, van water: omgeroerd, in beweging raken Wk. — ubêkan, in drukke beweging zijn van door elkander loopende menschen Bab. Jo. I, 780; (ook algemeen bekend zijn G.). — pangubakan, of pangubêkan, iets om mee te roeren, een roerspaan, enz.
èbêk
en èbêkan, vol van het gemoed, radeloos Wk. — ngèbêki, ngibêki, poët. vol maken, vervullen. kèbêkan, BG. 189 en kaèbêkan, BS. vol, gevuld, vervuld. Zie ook Juynb 188. — èbêkan, volheid, menigte GR. Zie ook ibêk.
èbèk
zie èbèg, Tent. 52.
abdi
ook wel adi, (abdya, KW. G.) KI. van batur, N. rencang, K. dienaar, dienstknecht, onderdaan (Ar. Pers. [Arab]) Gr. L. 127, 129 (ook dienares, dienstmeid Wk.). abdi sampeyan gamêl, Uw dienaar de stalknecht, Mijnheers stalknecht. abdi dalêm, zie dalêm. In Bant. abdi, rijkslaven, personen met geweld tot den Islam bekeerd ER. II, 2. — ngabdi, dienen, onderdaan zijn; bij iemand dienen. — ngabdèni, dienen bij Wk. — ngabdèkake, tot dienaar maken, in dienst nemen of houden BTDj. 17. kaantêpanamu kaabdèkake ing kangjêng rama, je trouw in de dienst van mijn Vader DN. II, 538. saking ajrih kawula kaabdèkakên, wegens mijn schroom, daar ik in dienst ben JBr. 136. — pangabdi, het dienen; dienst; dienstbaarheid JBr. 163. — pangabdèn, slavernij G.
ubêd
KN. omwinding, omwikkeling, omzwachteling van iets, zooals een gordel; (loop, wending van een zaak; toer, wending voor kleine periode of volzin Wk. clausule?) ook slim, geslepen; geslepenheid JZ. I, 385 (Hoogd. Gewant heit. Vrg. bêbêd, gubêd, en rubêd); zich met zwendelarij afgeven Wk. ubêd-ubêd, zwachtel, verband (vgl. ubêl-ubêl). ubad-ubêd, hoe men het draaie of keere, hoe het zij Wk. — ngubêd-ubêd, omwinden, omzwachtelen. — ngubêdi, of ngubêd-ubêdi, omwinden, omwikkelen, omzwachtelen met iets; een wond verbinden. — ngubêdake, of ngubêd-ubêdake, een obj. winden om, omwinden of om wikkelen met JZ. I, 252; tot omwinding, zwachtel of verband gebruiken.
ubud
(ontbr. W.) of ubut, KW. zva. carobo, (vgl. glubud) en ambalurut, Wk. JZ. II. — 2. ubud-ubud, of ubut-ubut, een kluizenaar van minderen rang. — 3. ubud-ubud, of ubut-ubut, KN. heel vroeg in den morgen vóor zonsopgang; vgl. pruput. — ngubud-ubud, of ngubut-ubut, in de ochtendschemering in iems. huis sluipen om te stelen (vgl. sayab) ook op dezen tijd een of ander gaan doen, bv. veldarbeid Wk. JZ. II; vlg. JR. onbeschoft handelen.
ibadah
zie ibadat.
ibadat
of ngibadat, en ibadah, of ngibadah, Ar. [Arab] KN. godsdienst, godsvereering, door de waarneming van de godsdienstplichten JZ. I, 94; vgl. agama, sarengat. ngibadah kalihan ngaos Kuran, BTDj. 575. Gew. verstaat men onder ibadat het verrichten der voorgeschreven vijfdagelijksche gebeden BTDj. 53; ook zva. sêmbayang, een dier gebeden doen Wk.
abdas
Pers. âbdast, de plechtige door de Mohammedaansche godsdienst voorgeschrevene wassching vóór de verrichting van het gebed; het water, waarmeê men zich wascht vóór het gebed (vrg. wulu, II.). — padasan, voor paabsadan, een waschvat, een aarden pot (gênuk) met water gevuld, dat van onder uit een tuitje loopt, als hij, die de abdas, wil verrichten, het stopje (sumpêl) wegtrekt Wk. — madasan, zie JZ. II.
abdya
zie abdi.

--- 1 : 195 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 11 dari 41
abêt
zva. sabêt, Fi. 202. — kabêt, T. 27b; zie ook abêt-abêt.
abit
zie labit.
ibut
KN. druk, druk in beweging, druk bezig, met ijver in de weer Bab. Jo. I, 1056; BG. 255; (eig.?) drukte van velen (stam but, vgl. rêbut, krubut, enz.).
ubêt
zva. ubêd.
ubut
zie ubud.
ebat
KN. 1. verbaasd BS. 150; getroffen BG. 410; verbazing; ontzaglijk (Ar. [Arab], vrees, ontzag, vgl. nora °, Bab. Jo. I, 708). Het wordt verklaard door ngunguning ati, vrg. eram. — 2. omdraaien, zich wenden, bij het taṇdhakken. prang ebat, (naar het schijnt) een kampstrijd, waarbij men door vlugge wendingen slagen ontwijkt en den vijand onverwacht slagen toebrengt: zwenkgevecht WP. 102; zoo'n gevecht voeren ib. 178. — ngebati, in verbazing zetten; zich verbazen over. ngebat-ebati, ontzag-of verbazingwekkend; vgl. eram, BJR. 27; BG. 281. — ngebatake, Caus. Wk. — pangebatan, voorwerp van verwondering, wonderwerk.
obat
N. sêndawa, K. buskruid JBr. 55; BS. kramas obat, snoevende uitdrukking v. e. krijgsheld Waj. I, 396; II, 45. obat-abit, zie obit.
obit
KN. zva. ambabit, (grondv. bit) met een arm of been zwaaien om iets af te slaan (vlg. Wk. KW.). — mobit, GL. 141, roerig van iemand die steeds op de been en in de weer is om de kost te winnen (volg. Rh. ook al zijn mogelijke best doen, bv. om de overwinning te behalen); vrg. mobèt, en kobèt. — mobat-mabit, (oud-jav. obat-abit Fi. 202) rechts en links om zich heen zwaaien intr. BTDj. 615, 611, 101. tandangipun °, fig. te keer gaan Bl. CP. 148. — ngobat-abit, zwaaien, zwenken. — ngobat-abitake, rechts en links om zich heen zwaaien met BJR. 27; Bl. CP. 273, een object heen en weer slingeren.
obèt
KW. zva. sêla (ontbr. W.). — mobèt, KN. zich roeren of wenden, bv. links of rechts. — kobèt, open, ruim; waar men zich roeren kan; zich roeren of verroeren. ° ing pambudi, Waj. II, 34? kwispelen van een staart JZ. II; zich roeren en in de weer zijn om zijn levensonderhoud te zoeken (vrg. mobit). ora bisa °, of ° mobèt, ook geen gelegenheid weten om den kost te verdienen, zich niet weten te redden; al het mogelijke inspannen om een zaak goed te volbrengen Waj. II, 34. kobat-kobèt, of mobat-mobèt, zich heen en weer wenden, slingeren Wk. — ngobèti, (pass. diobèti, en diko °) vóor iem. zich wenden, draaien Wk. — ngobètake, (pass. diobètake, en diko °) ruim, ruimer maken; doen wenden Wk.
abêt-abêt
KW. zva. wêngku, panunggilanipun cantrik, W. (vlg. Wk. zva. endhang, batur wadon ing patapan), vgl. ubud-ubud. — mangabêt, zva. nyèthi. — kabêt, zva. kawêngku, Wk.
abas
KN. ngabas, zva. ngawur, nl. in den blinde iets zeggen of beweren Wk.
obos
ngobos, zva. anggadobrol, Wk.
abiseka
zie biseka.
abisatya
KN. zva. langkung têmên. — mangabisatya, zva. mituhu, Wk.; vgl. abi, en satya.
abiwara
KW. zva. langkung agêng, wêwarah, (W. wêwulang) Wk., zie ook biwara.
abewara
eign. van een hoofd van Sarwanti-purå.
ubawara
ngubawara karyane, BG. 174?
abiwaddha
en biwaddha, KW. zva. mêmule, panyuba-nyuba, (Skr. abhiwâda, groet) T. 21b, 23b. — mangabiwada, zva. mulasara. mangabiwadha, zva. ngurmati, Wk.
oblo
KN. lichtekooi, slet, straathoer (vrg. lonthe, en sundêl). — ngoblo, de kost zoeken door een ontuchtig leven, in ontucht leven. — ngobloni, het voorkomen van een hoer hebben Wk. — ngoblokake, voor hoer uitschelden Wk.
abul
I. abul-abul, een toespijs bij de rijst Wk. — II. mabul, opstuiven, opstijgen van veêren, asch, stof, etc., vrg. bul, ubal. mabul-mabul, freq. ook v. gramschap naar alle kanten uitbarsten. — ngabul-abul, iets naar alle kanten verspreiden, verstuiven, bv. rook, geur;

--- 1 : 196 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 12 dari 41
ook de rook, bv. v. e. sigaar, uitblazen (zie sêbul, en Waj. II, 515). — abul-abulan, dit als spel Wk.
ubal
KW. zva. udal. — ubal, zva. ngungas. — ubalan, zva. udalan, Wk. KN. het uitbarsten en opstijgen in een laaie vlam van vuur, zooals wanneer er olie in gegoten wordt (vgl. urub); het in menigte te voorschijn komen G. (vgl. untab, brubul); opvliegen, opstijgen of opwellen, bv. van stof, van water of van bloed J. — mubal, in een laaie vlam uitbarsten en opstijgen van een vuur BJR. 158; in menigte te voorschijn komen (opvliegen, opwellen PL. II, 89; uitbreken, opschieten J.); uitbarsten, ontvlammen, bv. van buskruid; met witte veêren in de staart van een haan (vlg. Wk. ubal). — ngubal, uithalen, uittrekken; gedurig meer te voorschijn brengen G.; ook touw draaien, gesponnen garen door klossen samen draaien. — kubalan, lijden door het in menigte voor den dag komen, bv. v. e. zwerm insecten Wk. — ngubalake, caus., en te voorschijn brengen, vertoonen, bv. bewijzen van bovennatuurlijke kracht BTDj. 433, Tj. III, 172; Bab. Jo. I, 1347. — ubalan, het als boven samengedraaide; ook het werktuig waarmeê touw gedraaid wordt; ook wel de plaats, waar (te M.), de klossen of het toestel, waarmeê (Rh.) dit geschiedt.
obèl
KW. zva. enggok, wending (ontbr. W.), vgl. obèt. — obelan, KN. de kruk van zeker soort van boor (vgl. egolan). ° lar prapatan, kruk met vier wieken, om iets rond te draaien B. v. B. I, 83; een soort schroefsleutel, vgl. obengan, Wk.; fig. zva. ampungan, Gr. L. L. 128; de persoon achter wien men zich verschuilt; zich dekken met een anders naam enz. (vgl. panggil, awehan, enz.); voorwendsel, iets dat men tot voorwendsel gebruikt.
ubêl-ubêl
opvulsel, aanvulsel v. e. haarwrong J.; omwoelsel, bv. om het lek van een spuitslang, vgl. blêbêd, Wk. — ngubêl, een haarwrong opvullen met neteldoek of mousseline. — ngubêl-ubêli, iets als boven omwoelen Wk.
ablak
ngablak, verkeerde spelling voor ablag, ngablag, Waj. II, 334, 400; BG. 141.
êblak
(of blak, Wk.) KN. een model dat plat is, een patroon bv. v. papier. — ngêblak, iets naar een model maken Wk., ook zva. ngêblag.
èblèk
KN. portefeuille, waar men papieren in bewaart Wk.; kleine vierkante schotel, bak of bord, van gevlochten bamboe, waar de gekookte rijst op gedaan wordt om koud te worden, of ook wel om van te eten, gew. door santri's om sêga, katela, enz. te eten (vrg. iyan, en ancak). Ook èblèk, of èblèkan, een los vloertje van gevlochten bamboe, bv. in een muizenval, daar het lokaas op gelegd wordt J.
oblok
KN. oblok-oblok, naam van het overgeschoten eten als hutspot bij elkaar gedaan en opgewarmd als sayur, sambêl gorèng, enz., vgl. saninjo, êmbêg, enz. Wk.
iblis
Ar. [Arab] eign. van den duivel, Satan.
ablag
ngablag, van den mond telkens openstaan; zijn mond niet kunnen houden, vgl. êblag.
êblag
(of blag, Wk.) KN. het geheel openstaan, bv. van een deur of venster. — ngêblag, geheel openstaan; geheel open van een ledige ruimte. katon ngêblag, geheel open en bloot te zien zijn PL. II, 14; ook fig. openhartig zijn, de waarheid zeggen; iem. ter wille zijn Wk. — ngêblagake, iets wijd openzetten of laten staan Pr. 56.
abipraya
KW. zva. saekapraya, Tj. III, 76 (Skr. en oud-jav. abhiprâya, voornemen Juynb. 209).
ubaya
(Skr. ubhaya, beide, waaruit zich in de Archipel-talen het begrip heeft ontwikkeld van wederzijdsche overeenkomst Kern in Bijdr. 4e R. IV, 559) KW. ngubaya, mangubaya, zva. anjanji, Wk. KN. of N. ubanggi, K. tijdsbepaling, bepaling van een zekere tijd waarop iets zal plaats hebben; belofte (RP. 102) of beloven, van op een bepaalde tijd te zullen komen JZ. II; ook wel belofte van iets te zullen doen Rm. 128, 143; BJR. 104; BG. 242; uitstel van iets, of uitstel van iets vragen AS. BJR. 104; id. tot een bepaalde tijd, met belofte om het dan te zullen doen BTDj. 56; gerechtelijke aanzegging tegen een bepaalde tijd (vrg. sêmaya). ubaya ngadu, (vlg. Wk. abên) aanzegging om op een bepaalde tijd voor de rechtbank te

--- 1 : 197 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 13 dari 41
komen om tegen elkander verhoord te worden. ubaya ebra, aanzegging, dat een eischer in een zaak, die met drie zitdagen niet verschenen is, van zijn eisch vervallen verklaard zal wezen, indien hij met nog drie zitdagen niet voor de rechtbank verschijnt. sêrat ubanggidhênda, schriftelijke aanzegging van boete, indien de gedaagde op de bepaalde tijd niet verschenen is. — ngubaya, (L. 274) ngubanggi, een tijd bepalen, afspreken of beloven. — ngubayani, ngubanggèni, iemand een tijd bepalen; een bepaald uitstel geven aan RP. 104. — ngubayakake, ngubanggèkakên, uitloven, toezeggen als prijs Wk. — ubayan, onderlinge afspraak; elkander beloven G.
ubyar
KN. schittering (vrg. byar, gêbyar). — mubyar, schitteren AS. 260; BS. 75; WP. 378. — mubyarake, ngubyarake, caus. Wk.
abyak
êbyak, zie êmbyak.
êbyok
n. v. e. pisang-soort JZ. I, 277.
abiyasa
en abyasa, zie biyasa.
ubyung
KN. bij drommen (vrg. byung). ubyang-ubyung, bij drommen en troepen samenscholen. — mubyung, bij drommen zich verzamelen.
abimana
KW. zva. linangkung ing manah, Wk. (Skr. abhimâna, hoogmoed, trots).
abimantra
bimantra, KW. zva. japa, puja măntra, Wk. (waarsch. Skr. abhimantraṇa, het aanroepen, aanspreken).
abimata
en bimata, (T. 51b) KW. zva. wicaksana (Skr. abhimata, gewenscht, gaarne gezien). — mangabimata, zva. ngrumpaka, Wk.
êbêg
KN. geheel vol (vrg. kêbêk, en ibêk) G.
èbèg
(ook wel èbèk, R.) KN. zadelklep, kleppen of schilden aan weêrskanten van een Javaansch zadel, die alleen een priyayi, en een bruidegom mag hebben BG. 148. — ngèbègi, een zadel van zulke kleppen voorzien. — ngèbègake, van zulke kleppen laten voorzien. — èbègan, of èbèg-èbègan, van zadelkleppen voorzien, met zadelkleppen JZ. II; I, 388.
abab
KN. iemands adem of azem; de wind of uitgeperste lucht van een blaasbalg (vrg. ubub). Aspiratie gramm. Zie mănda. — ngababi, iets, zooals een spiegel, beademen; iemand (iets) aanblazen DN. I, 256. (kaababan, S.) of kababan, door het voorbijschieten van iets, zooals van den bliksem of van een kanonschot, aangedaan worden, zoodat men als het ware door de lucht er van getroffen wordt.
ubub
(oud-jav. upup Fi. 187) KN. geblaas, zooals van een blaasbalg G. (vrg. abab, en êmpus); lucht, wind, die erg. uitgeperst wordt Wk., vgl. lamus. — ngububi, wind met een blaasbalg maken G.; met een blaasbalg aanblazen. — ngububake, blazen of wind maken met J. BM. 1856, n°. 22. — ububan, blaasbalg; tot blaasbalg bezigen. angin ububan, met een blaasbalg gemaakte wind PL. I, 55.
abang
grondv. bang, N. abrit, K. rood of roodbruin. abang tuwa, donker rood; soms ook voor bruin Wk. abang biru wus anèng sariku, PI. I, 26. abang, noemen de Javanen hun kleur TBG. XXXIII, 599. jaran abang, lichtbruin paard (vgl. dragêm). bêras abang, roode rijst, een slechter soort van rijst. bathik bang, rood Samarangsch gebathikt. wêsi abang, gloeiend, rood gloeiend, ijzer AS. Zie ook JZ. II. — mabang, KW. = abang, ambranang, Wk. — ngabang, of ngêbang, (K. ngabrit, Wk.) rood maken, rood verven. ngêbang, (K. ngêbrit, Wk.) rood verven met kudhu, of sêcang, gew. v. geweven stoffen door indompeling in een verfpot; opnieuw rood verven met; ook oude meubelen opschaven om ze een aanzien van nieuwheid te geven Wk.; vrg. kêthèl. binang, pass. — ngabangi, rooder maken dan iets anders; intr. hoe langer hoe rooder worden. ngabang bironi, rood en blauw worden, spr. van iemand die in groote verlegenheid alle mogelijke moeite doet JZ. I, II. kabangan = kabranang, kabrangan, kabrangasan, nêpsu, Wk. — ngabangake, (ook ngê °, Wk.) ngabritakên, rood maken; maken dat iets rood wordt, rooder, dan het was; rood noemen. ° rai, ° mata, imd. boos of beschaamd maken, waardoor hem 't bloed naar 't hoofd stijgt Wk. A. 11. — abangan, (K. abritan, Wk.) in 't rood, wordt door de santri's een ongodsdienstig mensch genoemd, die zijn godsdienstplichten niet waarneemt (misschien van de roode of bonte kleeding en de roode lippen van

--- 1 : 198 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 14 dari 41
't betel kauwen), in tegenoverstelling van wong putihan, zooals de santri's zich zelf noemen. Zie bang-bangan, hieronder. — krabang, overal met roode vlekken op lijf of gezicht Wk. — bang-bang, of bambang, KW. zva. abang, en titel van een zoon of leerling van een priester of kluizenaar, nl. meer bepaald v. e. vorst-paṇdhita of een vorst-tapa. KN. benaming van een ziekte in 't rijstgewas (een ander zie bij êbang); ook bambangan, Wk. cara bambang, op de wijze van Bambangs. cinara °, L. 309. Bambang Kandhihawa, bijnaam van Srikaṇdhi, nadat zij in een man herschapen was. bambang wetan, KN. het morgenrood. Ook wangs. ter aankondiging der gěṇdhing ramyang, Waj. I, 254 en sumirat, Waj. II, 343, 545. bambang awak, schoon van lichaamskleur (lichtbruin Rh.). bang-bang (of bambang) alum-alum, spr. voor de uitgestrektste macht van een ambtenaar, zooals de Rijksbestierder BTDj. 290, 359, 538; JZ. II. gadhuh °, met de uitgestrektste macht bekleed zijn. Vlg. JZ. II, 137 is bambang, ook = sêmining kêkajêngan. — mrêbangbang = mrêbabak, gloeien van 't aangezicht Rm. 92. — bang-bangan, rood gemaakt; rood gebathikte stof; opnieuw rood geverfd; naam van een roodbruine of bruine vogel, die zich op de rijstvelden ophoudt, ook upih-upihan, gen. (volg. Horsf. is er eenig onderscheid tusschen deze vogels; de eerste geeft hij op als Ardea javanica, de tweede als A. Siuensis), een bruine watervogel, kleiner dan de gowak, Rh.; ook naam van een zeevisch. băngsa °, volg. te M. tegenover ° putihan, (santri's, uiterlijk-godsdienstigen) geen heilig boontje, een heertje Tj. III, 583.
abing
KN. een stokje van bamboe om fijn gehakt vleesch enz. op het vuur te roosteren; vgl. sujèn, sate, Tj. I, 887. Ook n. v. e. wapen uit den ouden tijd Wk.
abung
ngabung, zva. ambung, ngambung, KT.
abong
(Bant.) n. v. d. zoutwater nipah ER. I, 213; vgl. êmbulung.
êbang
(grondv. bang) KW. zva. agag, KN. toezegging, belofte, tot belooning. bang-bang, hetz. in een onbepaalden zin (een ander zie bij abang). — ngêbang, ook zva. ngabang) en ambambang, iemand iets tot belooning toezeggen, beloven; vgl. ook KA. 15. — ngêbang-êbang, KW. zva. ngagag-agag, KN. allerlei toezeggingen doen aan, zva. ngêngudang. — ngêbangake, een obj. tot belooning toezeggen. — pangêbanging basa, wangs. voor gêdhang [panggadhang] JZ. II, 275.
êbung
zie bung.
êbèng
zie bèng.
ibing
TD. ngibing = ênjogèd, of jogèd, in Tj. passim. tandhak ma °, Bab. Jo. I, 1065; JZ. I; zie BG. 166.
ubêng
KN. omtrek, omloop, rondte in den omtrek; het draaien, omwentelen Wk.; JZ. II. ubang-ubêng, ronddraaien en rondloopen van een rechtszaak, waarin het niet tot een beslissing komt JZ. II. — mubêng, draaien, in de rondte draaien; rondgaan, rondloopen, in de rondte gaan; omgaan, omheengaan, omheendraaien; een omweg maken; in de rondte AS. 260; draaien, omwegen maken, fig. voor geen bepaald uitsluitsel geven en uitvluchten zoeken JBr. 465; AS. mubêng-mubêng, freq. — kobêng, in de rondte gedraaid; in de rondte gevoerd worden; er van draaien, dnizelig worden. kubêng bapang, enz. Bab. Jo. I, 440. — ngubêng-ubêng, door draaien en geen bepaald uitsluitsel te geven om den tuin zoeken te leiden AS. 259; een rechtszaak sleepende houden door niet tot een beslissing te komen. — ngubêngi, omgaan, omloopen, omtrekken WP. 124, omrijden, een toer maken om; omringen. kaubêngan, BTDj. 36. — ngubêngake, iets ronddraaien Wk.; JZ. II. ngubêng-ubêngake, een zaak verdraaien zva. ngukêlake, JZ. II, 61. ngubêng-ubêngake, rondvoeren, toeren met A. — ubêngan, (vgl. idêran, Bab. Jo. II, 28; 421) om iets rondloopend; rondloopend, rondtrekkend, reizend, rondzwervend. sa °, één rondte, ééns in het rond? Tj. III, 265 (vrg. idêran, en lêlana). ubêng-ubêngan, om iets al rondloopend; om elkander heendraaien Bab. Jo. II, 394. — kubêng, een kring, gevormde kring, cirkel. ° jêmpol, een cu, in de rondte, als plantwijdte SG., zva. kupêng, Wk. makubêng, DW. 150; Bl. CP. 286. — kinubêng, of kakubêng, in de rondte, een kring, van alle kanten, omgeven of omringd.
ubung
KN. ngubungi, toegeven aan, niet tegengaan en begunstigen; medeplichtig door begunstiging of protectie. ngubungi ing nendra, zich overgeven aan de slaap GR.

--- 1 : 199 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 15 dari 41
èbèng
èbèng-èbèng, de windvang vóór de kitiran, op de sawah's SG.
obèng
KN. I. zwengel, schroevesleutel, draaislinger; wiek van een windmolen Tent. 17. — obengan, zva. obèng. Vlg. Wk. is alleen wiek obèng, zwengel enz. obengan. Vgl. obelan, pêthik. — II. ngobèng, voor loon bathikken of naaien; ook trans. van de stof Wk. — ngobèngi, aan bathiksters betaling geven; ook bij of voor imd. ngobèng, Wk. — ngobèngake, caus. en dat werk verkoopen Wk. — obengan, zulk werk of het loon daarvoor.
obong
1. KN. (ook bêsmi, K. Wk.) zich verbranden (vrg. obar). pêjahipun °, BTDj. 52; JBr. 96, 122; AS. kayu obong, N. kajêng obong, K. brandhout AS. — 2. bêsmi, K. het branden van een vuur (waarsch. uit Skr. bhasmîbhûta of ° kṛta, verbrand v. d. T.; KS. 102). — ngobong, ambêsmi, in brand steken (BTDj. 41, 299), branden, verbranden; bakken van steenen, aardewerk, kalk Wk. Vgl. brongot, slomot. pindha wana binasmi, wangs. ter aankondiging der gěṇdhing babad, Waj. II, 26. — kobong, kabêsmi, in brand geraken. omah °, brand, een huis in brand. alas °, kleur v. e. vlag JZ. II, 288. êntèk kobong, geheel verbranden, afbranden BTDj. 299. — ngobongi, ambêsmèni, 1. mv. v. ngobong. — 2. om iemand of iets, bv. onder iets, iets branden BTDj. 41; iemand iets, bv. zijn huis, in brand steken. kobongan, kabêsmèn, door brand lijden, brand krijgen of hebben; ook van een plaats waar brand komt; vgl. kabanyon, bij banyu. — ngobongake, ambêsmèkakên, 1. een obj. branden, verbranden, in brand steken voor. — 2. (van kobong) in brand doen raken, brand veroorzaken, doen branden, doen verbranden. — 3. iemand iets laten branden of bakken (vlg. Wk. is deze bet. twijfelachtig). — obongan, of obong-obongan, N. bêbêsmèn, K. (vlg. Wk. bêbêsmenan, K. maar weinig gebruikt) wat te branden of te bakken is; een brand, die plaats heeft; brand bv. in een bosch; het verbrande; afgebrande plaats. — pangobongan, pambêsmèn, of pambêsmenan, plaats om iets te branden of te bakken, zooals een kalkbranderij, pottebakkerij. panggung pangobongan, brandstapel, vgl. pancaka.
obang-abing
slingeren, heen en weêr slingeren; slinger van een klok; zwengel van bamboe om vogels te schrikken; en een kettingkogel BS.; ook naam v. e. kinderspel Wk. Vgl. bandhul, bolang-baling, obat-abit, gandhul-gandhul, geyong. — obang-abingan, slingeren, zwaaien bij het tandakken.
ubanggi
zie ubaya.
atha
zva. êros, kunêng, Wk.
athi
KN. athi-athi, de kleine lokjes aan de slapen, die niet meê opgestreken kunnen worden Pr. 56; vgl. cênthung, en sinom. — mathi, of mathi-mathi, hetz. Verder mathi, zva. unyêng-unyêngan, haarkrulling, kringsgewijs gegroeid haar, zooals bij paarden aan het voorhoofd, de borst, de nek en de heupen. Bij paarden wordt zulk een mathi, voor een goed of slecht teeken gehouden, af hankelijk van de plaats waar 't gevonden wordt JZ. I, 142. pêpak mathi sêlawe, v. e. uitstekend paard WP. 12. Zie ook de kêturanggan, Jog. Buning 1875 bl. 3.
ithi
KN. de schijn of het voorkomen van iemand van iets te bedoelen. — ngithi-ithi, op iemand of iets een oog slaan of geslagen hebben, een geheim verlangen naar iets hebben; vgl. agag.
ithu
(ook itu, Wk.) KN. gehaast, gehaast zijn, druk in beweging, in de weer zijn uit bezorgdheid Wk.; vgl. uthi, ithik. — ngithoni, zich druk maken om Wk. — ngithokake, een haastig aanzien geven aan, bv. aan zijn gang Wk.
uthi
KN. druk bezig zijn met iets en in beweging bij het verrichten van een werkzaamheid zonder zijn plaats te verlaten, zooals bij het fijn wrijven v. h. een of ander enz. Vrg. ithu, WW.
êthuh
zie thuh.
èthèh
ngèthèh-èthèh, gemakkelijk of luizitten of liggen, gewl. ergens tegen aan geleund. Vgl. ngagir, bij agir, Ook open en bloot liggen, voor ieder te vinden zijn Wk., vgl. ngênthak-ênthak. Met het hoofd achterover en den buik vooruit, bv. te paard zitten Rh.
othe-othe
KN. naam v. e. kwaden geest: ook een soort krekel Wk.; ook naam v. e. vogel Tj. III, 486.

--- 1 : 200 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 16 dari 41
ethor
KN. in de spreektaal zva. bisa, kunnen, in staat zijn; zva. enjuh.
athak
KN. athak-athak, iets dat tot afsluiting of omheining dient, om voor beschadiging te behoeden; afsluiten, dichtmaken, belemmeren.
athik
ongebr. ngathik-athik, KN. een zaak verzinnen, uitdenken, verdichten (of liever bijéén-denken, en eig. samen met elkander verbinden of tegen elkaar doen aankomen met de klank thik). ngathik-athik basa, woorden verzinnen (bijéén denken), maar wat verzinnen of bedenken. ° wêrti, Bab. Jo. I, 385. — athik-athikan, de gewrichten of verbindingen van de leden van het lichaam (of de kraakbeenige bindsels in de gewrichten JZ. I; vrg. gêlitan, en ugêl-ugêl).
athuk
zva. êthuk, Wk.
êthuk
KN. eig. zva. thuk, klanknab. woord voor het geluid van de onderlinge aanraking van twee harde lichamen; vanhier zva. têpung, aan elkander zich aansluiten; fig. zich weêr met elkander vereenigen en op een vriendschappelijken voet komen, van personen tusschen wie verwijdering heeft plaats gehad (vrg. pêthuk, en gathuk). — athuk, vriendschappelijk omgaan, in een goede verhouding staan met iemand. — mathuk, hetz. (PL. I, 63), aan of in elkander passen en sluiten CP. — mathukake, caus. — ngêthukake, personen weêr in een goede verhouding met elkander brengen; bemiddelen, koppelen, onderhandelen G. ngêthuk-êthukake, door zijn bemiddeling een huwelijksverbintenis zoeken tot stand te brengen JZ. I, 15. — ngêthukake, op een vriendschappelijken voet brengen.
ithik
I. en sithik, in de spreektaal zva. sêthithik, N. (kêdhik, of sêkêdhik, K. zie thithik) weinig, een weinig, een beetje, een kleinigheid. ithik-ithik, zie ook bij ilik. dika duwe sêthithik rong ithik, gij hebt een droppeltje, twee droppeltjes; d. i. gij bezit een klein stuivertje, of wel een goed stuivertje. — II. KN. rusteloos, gedurig in beweging zijn Wk., vgl. iplik, ithu, uthêk. — ithak-ithikan, hetz. — ngithik, zva. ngêthipil.
ithok
gew. sithok, N. in de spreektaal zva. siji, één.
uthêk
KN. druk bezig zijn met iets en toch niet verder komen, sukkelen, treuzelen WW., vgl. ithik, II. — muthêk, zich in een nauwen kring bewegen, vgl. muwêr.
uthik
KN. iets daar men iets meê aanraakt; een wapen om meê te schermen; met een wapen in de hand schermen; volg. Rh. vooral met een piek (grondv. thik, vrg. cuthik, en zie ujung, èthèng). uthik-uthik, iets daar men iets bij herhaling even meê aanraakt of peutert; iets aanraken. — nguthik, iets met den vinger of iets anders even aanraken; tegen een wapen bij het schermen slaan; ook van buffels met de horenpunten tegen elkaar vechten. kuthik, bij ongeluk even aangeraakt Wk. nguthik-uthik, bij herhaling aanraken, peuteren; op eenigerlei wijze aanroeren of aanraken JZ. II. — panguthik, een vuurschop G., vlg. Wk. een mes met een gebogen punt, door smids gebruikt; een steekwapen. berang °, een klein kapmes Tj. III, 661; Rh.
uthuk
KW. uthuk-uthuk, I. zva. umun-umun. — II. zie kuthuk.
ethok
KN. I. de voor- of breedste zijde van iets Wk.; het plat, de platte of vlakke zijde van iets. — methok, met de voor- of breedste zijde naar iets gekeerd zijn Wk.; vlak of plat van iets (Tj. III, 702 v. e. gêlung) dat aan één kant minder bol is, zooals van een plat aangezicht. — ngethoki, iem. de voorzijde toedraaien Wk. — ngethokake, de voorzijde plaatsen tegenover Wk. — II. ethok-ethok, een soort Spaansche vlieg te M. — III. ethok-ethok, veinzen, zich zoo houden; in de spreekt. (° an, Wk.) zva. api-api, kwanswijs enz.; ook ergens voor spelen, bv. voor paard; volg. R. ook zva. awad-awad, iemand iets wijs maken, foppen.
othak
KN. I. othak-othak, een stok, dien men gebruikt om ergens bij te komen, daar men anders niet bij kan; vlg. Wk. waarmee men door heen en weer slaan (thok) iets tracht weg te jagen; ook die van een blinde. Zie ook JZ. II, êmèk, en grayah. — ngothak-othak, ergens zoo met een stok aankomen of raken. ngothok-othok, met een stok naar iets

--- 1 : 201 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 17 dari 41
voelen G. JZ. II. — II. ngothaki, ontleden, uit elkaar nemen Wk. — othak-othakan, OJ. n. v. e. vischspijs Wk. — III. zva. towong, Wk.
othêk
KN. zwak, vermoeid in de leden of gewrichten; knikken. Vrg. othak. — ngothêkake, vermoeiend, zoodat het de leden doet knikken, bv. ° sikil, van een lange voetreis.
othèk
en othak-athik, los (niet vast) zittend, zoodat het heen en weêr wiggelt, bv. van een losse tand JZ. II; fig. van de beenen Wk., vgl. othêk. — ngothak-othèk, (Wk.) en ngothak-athik, losmaken, doen wiggelen.
othok
zie othak. othok-othok, het geluid, dat de têkèk, maakt Tj. II, 94; ook het geluid van een kikvorsch. ° keyok, een liedje bij kinderspel Waj. II, 481; Rh.
othak-athik
zie othèk.
uthut
ongebr. nguthuti, KN. de gesneden padi, nadat ze gedroogd is, van de bladen, die nog aan de halmen zitten ontdoen (zie sêbrèt, en bêsèt). — uthutan, of uthut-uthutan, die afgetrokken bladen, anders damèn.
uthis
ongebr. uthis-uthisan, of this-uthisan, minnekozerij, bijslaap BS.
uthès
KN. een soort van sprinkhanen Wk., vgl. walang.
èthès
een plat woord voor bisa, bekwaam, kundig JZ. II, vlg. ethor.
ithil
I. (st. thil) KN. in de spreekt. zva. thithil, kruimelig, deun, karig. — II. ithil-ithilan, de huig (vrg. sêntil). Denkelijk voor itil-itilan, Wk., zie itil.
uthêl
(st. thêl) uthêl-uthêl, KN. kort van kleine dingen, bv. van vingers; bijkans ten einde zijn G.
othèl
een dotje om een kind medicijnen in te geven Rh.
uthêm
en uthêm-uthêm, KN. bol, opgezet van het aangezicht.
athang
ngathang-athang, KN. uitgestrekt op de rug liggen B. 889, vgl. 257. Vrg. bathang, grondw. thang, ook pênthang, enz.
athing
KN. ngathing-athingake, iets een weinig boven, nl. niet te dicht op het vuur houden (Tj. I, 541 om 't warm of weer knappend te krijgen), bv. uit vrees voor aanbranden Rh.; volg. G. ngathing-athing, eten op het vuur marmen.
athung
KN. het in een horizontale richting uitgestrekt of uitgestoken zijn van iets. — ngathung, zich zoo uitstrekken of uitgestrekt zijn, vgl. gathung. — ngathungi, (of ngêthungi, Wk.) zoo uitstrekken of uitsteken tegen. — ngathungake, (of ngêthungake, Wk.) een object zoo uitstrekken of uitsteken. — kathung-kathung, of kothang-kathung, aanhoudend in die richting uitgestrekt zijn Wk. — kêrathung, of krathung, frequentatief. pating kêrathung, overal recht uitgestoken.
êthing
KN. êthing-êthing, liefde of gehechtheid, alle zorg voor iemand of iets; die dragen; iets zorgvuldig bewaren.
êthung
zie athung.
êthèng
zie canthèng.
ithêng
KN. donker gekleurd van de huid, als die door de zon verbrand is; en van vruchten, die, als ze rijp zijn, een donkere kleur hebben, vrg. irêng, itêm, jlithêng.
uthêng
gewl. uthêng-uthêng, pikzwart TD. zva. upêt, Wk.; vgl. urêng-urêng, en arêng.
èthèng
KN. I. schermen met de armen, met den eenen houwen of steken en met den anderen pareeren Wk. (zie echter ujung, uthik) volg. Rh. bep. schermen met de kris. — II. ngèthèng, stijf en strak bij zijn gevoelen blijven Wk., vgl. kukuh, gêthêng. — III. èthèng-èthèng, zva. iming-iming, Wk.
othong
ngothong, iets bloot, ongedekt in de hand houden Wk.
ang
KW. zva. lêsu, lungkrah, Wk., vgl. aang.
êng
I. een uitroep: hei wat! Gr. L.; Waj. I, 199; II, 47, 72. Zie ook CP. in TBG. XXIX, 148. êng inggih, zva. he inggih? o ya! êng êng, wel! wel! Vgl. hêm, Waj. II, 270. — II. KW. = sêrêng, Wk.
ing
(verk. 'ng) KN. aanwijzend voorzetsel van plaats, en verder voor bepalingen van tijd en van voorwerpen (personen of zaken), tot aanduiding van verbinding met een voorafgaand woord; ook wel zva. mungguh, WP. 18. — 2. aanhechtsel tot verbinding van een naamwoord met een volgend naamwoord als bepaling, een samentrekking van ehing, maar

--- 1 : 202 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 18 dari 41
ook in Kråmå in plaats van ipun ing, en dan ook wel verkeerd in Kråmå voor ipun, Zie de Grammatica. bêkêl ing Bêra, de Běkěl van Běrå. ana ing omah, te huis. ana ngomah, thuis. kula matur ing sampeyan, Ik spreek tot U. kajênging wangsulan, de bedoeling van het antwoord, of zijn bedoeling met het antwoord. — 3. praef. oud-pass. Gr. § 125. — 4. KW. zva. nanging, Wk. Vgl. nging.
èng
KW. ongeveer zva. jaba, buiten, open lucht KS. 98.
ong
zva. om, hèh? WP. 112 of adhuh, W.; Waj. I, 215; Bab. Jo. I, 750.
angê
mangê, zie mangên, bij angên.
angi
(mangi, Wk.) KW. zva. ngêlèr, uitspreiden. KN. rijst koelen BTDj. 2, door die op een horde van bamboe uit te spreiden en met een waaier te bekoelen (grondv. i). ngingi, KW. zva. atis, G. koel, koud. — ngêngi, KN. rijst als boven koelen om ze meelig en gebonden te krijgen Wk. Vgl. pulên, golong. — iyan, een horde of schotel van bamboe, daar de heete rijst op gekoeld wordt. — ngiyan, als een iyan, v. d. groote ooren v. e. olifant K. 4, 15; de rijst op een iyan, laten koelen. — angèn, of êngèn. sêga °, zóó bereide rijst Rh.
angu
zie bij rangu, en vgl. mangu.
ênga
zie bij wênga.
inga
I. sprktl. = uninga, Wk. — II. (en ingan, Wk.) KW. zva. ubêng, (vrg. ingêr). — III. ingan, zva. watês, (RL. 5a; vgl. ook KA. 10, 11) of wangên, tandhing, (RL. 48b. tanpa ingan, KW. zonder weêrgâ T. 14a) en karana, (RK. 22. Zie ook ingan) KN. een haspel om een streng garen in een kluw of op een klos te winden, garenwinder, vgl. ikal, likas, pani, pindi. (zich schuil houden, zijn plicht ontduiken G.). — ngingani, garen in strengen om een ingan, slaan. — nginganake, caus. voor een ander.
ingi
in spreekt. voor wingi, te M. TBG. XXV, 189, 274, 275.
ingu
(oud-jav. ingu Kern in Bijdr. 3e R. IX, 155) ongebr. ngingu, KN. ook wel ngingah, K. (KD. vlg. Wk.), beesten of menschen (Bl. CP. 300) onderhouden of er op na houden An. 72; JZ. II; ook bv. een baard haar of nagels lang laten groeien; (voedsel verstrekken tot loon van verstrekten arbeid SG., zie bij pasog) JZ. II. — ngingoni, onderhouden; ergens (beesten) houden PL. I, 199; Pr. 10. — ngingokake, (K. ook ngingahakên, Wk.) tot onderhoud geven of besteden; onderhouden met iets; of voor iemand AS. — ingon, het onderhoud, wat tot onderhoud dient of strekt van menschen of beesten An. 39; JBr. 392. ingon-ingon, (K. ook ingah-ingahang,[1] Wk.) wat of wie door iemand onderhouden of er op nagehouden wordt. ingon-ingon jaran, paarden houden of er op na houden KT. — pangingon, en pangingonan, (K. ook pangingahan) de plaats waar men er dieren op nahoudt of onderhoudt.
inge
KW. = engo, Wk.; vlg. Rh. zva. engos. — minge, zva. mengos, Rh. zva. mengo, Wk. — paminge, zva. pamengo, Wk.
engo
KN. mengo, het hoofd of aangezicht wenden of draaien (BTDj. 13) van iem. die teleurgesteld is; en een afkeer hebben van iets (vrg. engos); vlg. Rh. scheef, krom, verdraaid v. een of ander. — ngengoni, van iem. of iets het hoofd afwenden PJ. IV, 295. Wk. — pamengo, infin. van mengo.
angah
KN. ngangah-angah, of mangah-mangah, gloeien van begeerte of verlangen; v. strijdlust Bab. Jo. I, 566 (mongah-mongah, v. vuur Tj. II, 367; en mongah-mangih, van begeerte? Men. VIII, 67); vrg. mangar-mangar. Vlg. Rh. mangah-mangah, bloedrood ook van gloeiend vuur; fig. van 't gelaat blozend van gezondheid, rood v. gramschap etc. — pangangah, het gloeien van vuur, en fig. van begeerte. — mangangah, gloeien van kolen, v. e. hanekam, van 't gelaat door zonnehitte W., vgl. marong, (ngangah-angah, van moed of geestdrift blaken; zoo ook mangah, CS.) frisch rood v. 't wasschen Tj. III, 2192, K. 8, S, 16.
êngah
het beteugeld, bedwongen, ingehouden worden; beteugeld, bedwongen; het met mate gedaan worden v. iets. ora êngah, niet met mate. — ngêngah, beteugelen enz., inhouden, ook zich betengelen enz. Wk.; zie ngah, en vgl. o. a. cêgah.
ingah
ngingah, zie bij ingu.
anghêb
KW. zva. aub, Wk.
anghing
zie nanging.

--- 1 : 203 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 19 dari 41
hunghung
interjectie Waj. II, 376.
angan
KW. zva. rijêki, RW. Wk. — pangan, zie ben.
angên
KW. zva. cipta. angên-angên, zva. budi, pamicara, Wk. — mangên, (en mangê, T. 37b) zva. kanggêk, Wk. Zoo ook umangên, Bab. Jo. I, 1255, 1261. — mangangên, zva. mikir, Wk. KN. het zinnen, gepeins; de (vijf) zinnen AS.; geest, gedachte, denkvermogen Wk. landhêp ing angên-angên, scherpzinnig. — ngangên-angên, peinzen, zinnen, nadenken over; met de gedachte vervuld zijn aan Gr. L. 153. mangangên-angên, poët. hetz. — ngangênakên, nadenken over G., WS. 185. — kangên, (R. ook ngangên?) bezield zijn met een reikhalzend of smartelijk verlangen, om iemand of iets, waaraan men gehecht is en altijd denkt, weêr te zien Bl. CP. 188; PL. I, 65; RP. 22, 72; JZ. II (vrg. onêng). nêlasakên kangên, bij het weêrzien het zielsverlangen, dat men gehad heeft, geheel verdrijven, door steeds bij het geliefde voorwerp te vertoeven AS. 169. tămba kangên, spr. geneesmiddel voor zulk een verlangen naar een afwezige, bestaande uit iets dat deze tot aandenken achterlaat. — ngangêni, het verlangen voelen om een geliefd voorwerp terug te zien Waj. II, 308; ook dat verlangen opwekkend Wk., BG. 174. — ngangênake, zulk verlangen opwekken Wk. — kangênan, 't genoegen des wederziens smaken BG. 171 (sadalu dènnya °).
angin
verk. ngin, (oud-jav. angin of hangin Fi. 139) KN. de lucht, de vloeistof die gevoeld wordt in den wind; de luchtstroom, de wind JZ. II (vrg. barat, en ingin); waaien Wk. zva. ana angin. angin-angin, benaming van verschillende bathiksels KB. 204. kabar angin, een overwaaiende tijding, een los gerucht WP. 68. kayu angin, of kayu angin-angin, naam van een medicinale plant, de Leukosyke alba Z. & M.? Nat. fam. der Urticaceae. Zie verder Fil. i. v. angin-angin. tali angin, verbindt de takir, met de blandar, Wk. raja angin-angin, een naam van de Ratu-kidul AS. Zie ook JZ. II. — ngangin, van de wind leven Wk. ngangin-angin, (ook niet herh. PM. 112) van iemand of iets hier en daar een overgewaaide tijding zoeken te vernemen. ° wêrtane, Bab. Jo. I, 510; vgl. ook BTDj. 335, gebr. v. e. pawêrta trang. kangin, zva. kambu, nl. van wild: de lucht krijgen van menschen. — ngangini, bewaaien, waaien tegen. kanginan, bewaaid raken, door den wind of tocht aangewaaid worden; in de spreekt. ook voor ziek, ongesteld JZ. II (ook KW. = katon, Wk.). — anginan, een benaming van het beheer (rèh) van de Gunungs: het beheer over de lucht; omdat de Gunungs geen landerijen hebben (vrg. bij alang-alang).
angun
KW. angun-angun, of ngun-angun, (dit ook zva. ucap-ucapan, Wk.) zva. galak, (RL. 31b) banthèng, (RL. 62b; JZ. II) mêndhung, (dit laatste ontbr. W.). In de Wayang zegt bv. een ratu sabrang, tot Arjunå: ayo padha angun-angun ngadu siyunging Bathara Kala. (listig, valsch G.). bangsal angun-angun, naam van een gebouw op de Sitînggil van de Kraton te Surakarta JZ. I, 36; PL. II, 8.
angèn
zie angon, en angi.
angon
(grondv. ngon, WS. 184; Kern in Verh. Kon. Acad. 1877, p. 19 noot) N. angèn, K. (ook ngêngon, K. ngêngèn, Wk.) iets in het oog houden; vee hoeden of weiden. dewa kang angon srêngenge, de Zonnegod WP. 120. kapala °, (Rěmb. Madiun) en tukang ° kêbo, (Jap.) beambte met de bewaking van 't vee belast ER. III, 248; iets in acht nemen. ° napas, BS. ° siliran, een zieke zorgvuldig oppassen ZG. XXXVI, 1. diangon, diêngon, of dingon, pass. angon swara, de bepaalde eindvocalen der versregels observeeren, zva. guru lagu. Geef acht! (milit. term?) Wk. ° repa, of ° tênasup, bij 't lezen op den juisten samenhang acht geven Wk. angon măngsa, spr. de tijd, de geschikte tijd voor iets, in het oog houden of in acht nemen; verder JZ. II, vlg. te M. ook ngêngon, TBG. XXV, 274. lare angon, KN. naam van een kleine, niet vergiftige slang, daar de jongens, die het vee hoeden, veel meê spelen, nl. de Megalurus palustris Horsf. Zie ook MR. I, 71. bocah angon, veehoeder. — ngongon, ngèngèn, als veehoeder dienen JR. — ngêngoni, ngêngèni, iets beweiden. — angongkên[2] kêkaruh, Ars. 8.? — pangon, pangèn, een veehoeder voor loon;

--- 1 : 204 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 20 dari 41
een herdersknaap AS. bocah (of ° lagi) sapangon, benaming van een jongen, die zoo groot is, dat hij het vee kan hoeden, een jongen van een jaar of twaalf JBr. 389; AS. kêndhali pangon, een trensgebit, watertrens Bab. Jo. I, 338. — pangonan, pangenan, weideplaats, weide. — pangangon, of pangêngon, enz., oppassing, bv. op kinderen; oppasser, bv. op vee. Ook pangongon, Ar. S. 48, 13.
êngèn
zie angi, en angon.
êngon
zie angon.
ingan
I. zie inga. — II. jaloersch, afgunstig, nijdig. Vgl. iri, èkèl, drêngki, Wk. — ngingani, op iem. jaloersch zijn, iem. benijden Wk. — nginganake, jaloersch zijn om; jaloersch maken Wk. — inganan jaloersch, afgunstig v. aard Wk.
ingin
1. ngingin-inginake, in de lucht zetten, in de lucht droogen; zie ook bij angin. — 2. KW. zva. kêpengin, Wk., zie pengin, beneden.
ingon
zie ingu.
angar
KW. zva. lanas, Wk., vgl. langar.
angur
poët. ngur, G. in de spreekt. ook anguk, N. (Gr. L.) luwung, K. luhung, en lêhêng, KW. liever, eerder, veeleer; het is beter, het is verkieslijker. angur êndi, K. luwung pundi, lett. wat is beter? BTDj. 96; wat heb je liever? Meestal gebruikt om een sterker voorbeeld te geven. KW. ook zva. luwih, voortreffelijk? R. (vrg. plaur, en pilalah). — angur, en ngluhung, KW. zva. ngluwihi, of ngungkuli, overtreffen, uitmunten boven Pr. 5. linuhung, zva. linuwih. kangjeng nabi linuhung, de hoog verhevene Profeet. — anguran = angur, BG. 296. — kêmluhung, veeleer Wp. 42.
angèr
zie èr, II.
ingêr
KN. wending, omwending, zwenking, omkeer; het draaien van den wind (vgl. balik, en inga). ingêring jagad, de omkeeringen (veranderingen), die de wereld ondergaat (of een rijk: ingêring praja, Waj. II, 87, 414; AS.). ingêr-ingêr. ing satanduk °, in al hun verschillende wijzigingen en nuanceeringen? — mingêr, draaien, bv. van den wind; zich wenden, zich omwenden, bv. naar het zuiden, links of rechts AS.; een wending of keer nemen van een zaak; omschuiven, om gaan staan, omloopen. mingêr-mingêr, (oud-jav. id. Fi. 238) Wk. of mingar °, heen en weêr schuiven, van de ééne zijde of kant naar de andere draaien. — ngingêr, iets omdraaien, bv. zijn paard BTDj. 555; omwenden (Waj. II, 432: ° arêpe wong sêmadi); de kris van den rug op zijde schuiven (vrg. nyothe, bij cothe, Waj. I, 279); een zaak een andere keer of wending geven. — kèngêr, (ook kingêr, Wk.) verdraaid, verwrikt, verstuikt; verstuikt raken (vrg. kongsul). ° pangrasane, een verkeerde gedachte, voorstelling hebben, bv. omtrent de ligging eener plaats Waj. II, 281. — ngingêri, zich omdraaien voor; een obj. omdraaien voor, de kris op zij schuiven (iemand de pas afsnijden G. een vijand omtrekken? Rh.) Bab. Jo. II, 380. — mingêrake, een obj. omdraaien. — ngingêrake, omdraaien voor, een andere wending doen nemen; bestieren. Vgl. nyakra, bij cakra, (in beweging brengen G.). ngèngêrake, verdraaien, doen verwrikken. — pèngêran, 't vermogen om het goed en kwaad te onderscheiden RP. 34. men zegt van een klein kind: durung wêruh ing pèngêran, het weet nog geen goed van kwaad te onderscheiden (eig. naar het schijnt: het weet nog niet wat keer of wending iets, dat het doet, zal nemen); de kromming die de eerste ploeg voor in de hoeken van een kědhok maakt SG. (Wk. anders: draai, de hoek v. e. sawahveld waar 't gespan met den ploeg wenden moet; in Kědhiri smalle strooken gronds als grensvorming ER. II, 358. — ingêr-ingêran, van plaatsen verzitten; de kris als boven vóór 't gevecht naar voren schuiven Wk.
ungar
I. ungaran. macan °, een tijger die bij 't rampokken niet vooraf vermoeid is door den strijd met een karbouw. Zie kumbahan. — II. KW. zva. wiwit. — mungar, zva. mudhar, ngluwari. — mungari, zva. mudhari, miwiti. — ungaran, zva. udharan. wiwitan. — pangungar, zva. pamudhar. — mungarani, zva. miwiti. — mangungari, zva. mudhari, miwiti, Wk.
angrik
zie êrik.
angrok
zie onggrak-anggrik.
angrêm
KN. te broeien zitten van een kip (Gr. L. 92; K. 9, 20, vgl. dhêkêm, en rêm); blijven zitten, zooals van een kogel in een deel van het

--- 1 : 205 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 21 dari 41
lichaam of van iets dat ergens tegen aan gesmeten is KB. 123, vgl. tumeplok, in huis of in de kamer blijven zitten (zva. ngêdhêm); laat opkomen van de maan na laatste kwartier. — ngêngrêm, zitten te broeien op, uitbroeien Gr. L. 92. — ngangrêmi, uitbroeien, er op zitten om uit te broeien. — ngangrêmake, eieren laten uitbroeien Gr. L. ° păncadriya = ngêningake cipta, Wk. diangrêmake, of dingrêmake, Gr. L. passief. — angrêman, gaarne thuis zittende Wk. — pangrêman, de plaats waar; ook veracht. v. iems. verblijf, vgl. pandhêlikan, Wk. — ngrêm-ngrêman, broeihen Wk., vgl. babon.
êngrêm
zie angrêm.
angka
mangangka, KW. zva. mangap, Wk.
angku
KW. zva. arah. — ngangku, zva. ngarah, Wk.
êngko
zie mêngko, Pr. 33; AS.
ăngka
of ăngka, KN. getalmerk, cijfer, nommer (Skr. angka). angkaning warsa, of ăngka warsa, (JBr. 185) en ăngka taun, jaartal. Ăngkawijaya, bijnaam van Abimanyu. — ngăngka, poët. zva. ngangkah (ngarah) of mikir, K. 21, 9 (gissen Wk.?). — ngangkani, iets nommeren.
anguk
zie angur. — anguk-anguk, of nganguk-anguk, (manguk-manguk, K. 8, 24) KN. met inspanning naar iets zien, dat zich op een grooten afstand bevindt (vrg. ungak). — nganguk-anguki, zva. ngungak-ungaki, het oog houden op K. 8, 8; 21, 33 (een term bij de padicultuur: enkele aren zijn ontloken; de aren der pari ăngsa, zijn allen zichtbaar SG. Zie JZ. I).
angok
KN. het afnemen of zakken van water of vocht in een rivier of vat; gezakt, geminderd; eb; vgl. surud, rob, gênjot, lukak. — angokan, afloop, eb, voor poos. saangokan, of sangokan, een poos.
ingêk
en mingêk, KW. zva. enggak, Wk.
ingik
ngik-ingik, een muzikaal geluid geven v. zingenden, v. e. viool enz. Tj. I, 554.
inguk
KN. het links en rechts zien; het gluren (vrg. linguk, ungak, en dêngongok). — mingak-minguk, links en rechts met het hoofd draaien en in de rondte zien. ngungak minguk, BG. 266. — nginguk, met vooruitgestrekt hoofd zien naar, kijken of gluren door of over; kijken of omzien naar. ° kang kori, BG. 245, 398.
ungak
(of ungak-ungak, Wk., JZ. II) KN. het zien naar iets, dat zich op eenigen afstand bevindt; of door iets heen zien JZ. II, vgl. inguk, anguk, longok. ungak-ungik, Bab. Jo. I, 305, 1107 de oogen uitkijken? — ngungak, naar of door iets heen zien of kijken JZ. II. ° anglirik, BG. 40. jêjurang, BG. 264; ook Waj. II, 73; K. 6, 6 met naar achteren getrokken hoofd (vlg. dhangak, langak, enz.) Wk. — kongak, doorheen te zien Bab. Jo. I, 955. — ngungak-ungaki, (Wk. ngungak-ungak, JZ. II) naar iets van tijd tot tijd zien, om er het oog op te houden. — pangungakan, de plaats waar (iets waar men naar ziet W.?), vlg. ongang.
êngok
of ngok, alleen gebr. in saêngokan, een oogenblik zittens Wk. Zie jongok.
èngèk
= ingik, Tj. III, 691.
angkah
zie arah, en angkuh, I. ook zva. angkat. — ngangkah garwa, zva. ngangkat garwa, tot gemalin verheffen? oost-Jav.? althans in het Madoer. komt angkah, i. pl. v. angkat, in enkele bet. voor, vgl. Waj. I, 3 (gêndhing?) WP. 381. — angkah-piyangkah, trotschheid? Bl. CP. 140, 144; Bab. Jo. II, 421. Ook piyangkah, alleen Bl. CP. 158.
angkuh
(ook êngkuh, Wk.) I. KW. zva. arah, en anggêp, WP. 19. — ngangkuh, (ook mêngkuh) KN. ngangkah, K. (Wk.: KN.) of KI. zva. nganggêp, of ngaku, beschouwen, aannemen of erkennen, bv. als kind, gemalin, vriend of bediende BS. II. KN. trotsch, hoogmoedig BG. 448 (vrg. ladak, kumingsun, gumêdhe); ook trots, hoogmoed (Wk.). — ngangkuhi, (ook miyangkuhi, Wk.) Waj. II, 110: met trotschheid behandelen. — ngangkuhake, (ook miyangkuhake, Wk.) zich verhoovaardigen op; trotsch maken. — piangkuh, hoogmoed, trots, trotschheid.
êngkuh
zie angkuh.
ingkuh
ook ikuh. mingkuh, mikuh, ontwijken, ontloopen, loochenen; vgl. selak, mungkir, ingked, Wk. mingkah-mingkuh, zich nu links, dan rechts verschuiven Wk.
ungkih
zie ukih.

--- 1 : 206 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 22 dari 41
ênguk-ênguk
KW. zva. mangu-mangu, vgl. lênguk.
angkên
K. zie bij ku. KW. zva. kaya, BS. (In 't oud-jav. bet. angkěn ook nog telkens, elk KO. 20, 23; Juynb. in Bijdr. 6e R. I, 87). — ngangkên, KN. zva. ngampêt, inhouden, tegenhouden WP. 28, 41; een ander zie bij ku.
angkin
KN. een buikband, zva. udhêt, Wk.
êngkan
KW. zva. mangkana, Wk.
angkêr
KN. wat niet betreden of aangeraakt mag worden; heilig, ontoegankelijk, vooral van een plaats waar het gevaarlijk is te komen, omdat die ondersteld wordt een verblijf van booze geesten te zijn; en van een persoon, die niet voor ieder toegankelijk of genaakbaar is (vrg. sangkêr) BTDj. 67 (kratone °) BS., vgl. wêrit, walat, singit. — ngangkêri, iets verbieden, van iets terughouden. — ngangkêrake, caus. — angkêran, iets dat men niet naderen mag.
angkur
Holl. muur anker. — ngangkur, daarmede verankeren Wk.
ingkar
mingkar, zich met afkeer verwijderen Waj. II, 77. — ngingkar, fig. zva. mungkir, ontkennen. — ngingkari, zich met afkeer verwijderen van.
ungkêr
KN. een rups, die nog in de pop zit (gewl. ênthung, JZ. II; ook fig. van een kluwen garen na mupuh); een rups of worm in riet of hout, vgl. olèng-olèng, gêndhon, têlondho, urèt. tiba °, K. dhawah °, dood geboren worden Wk. ungkêring panjalin, wangs. ter aankondiging der gěṇdhing gêndhu, Waj. II, 294.
ungkir
ngungkiri = mungkiri, zie mungkir.
ungkur
(of pungkur, J.) N. pêngkêr, K. het met den rug of het achterste gedeelte ergens naar toe gekeerd zijn; het wenden van den rug, zich omdraaien om weg te gaan; (of pungkur, N.) vertrek van iemand; ook van een brief met een bode BTDj. 116; pungkur, poët. achter: tan olih pungkur, BG. 397. atut pungkur, of tut pungkur, zva. tut buri. saungkurku, N. na mijn vertrek JBr. 394; ook na mijn verscheiden, na mijn dood Bab. Jo. II, 104. — mungkur, KN. 1. (K. ook mêngkêr, Wk.) met den rug naar voren, achterste voor Pr. 16; Gr. L. gajah mungkur, n. v. e. stut onder een brug Wk. sarwi mungkur, BTDj. 62; iets den rug toekeeren, ook sterven; een afkeer van iets hebben; terugtreden, zich terugtrekken, aan een bepaalde voorwaarde onttrekken; loochenen, ontkennen BS.; Gr. L.; AS. — 2. mêngkêr, KI. (vlg. Wk. K.) weggaan, vandaan gaan, zie JZ. II en Men. VII, 399 v. vluchtende schapen. — kapungkur, kapêngkêr, achter den rug, achter den rug gekomen BS.; Bl. CP. 46; gepasseerd; verleden; ook poët. pinêngkêr, vertrokken. — ngungkuri, KN. mungkuri, N. mêngkêri, den rug toekeeren aan. — ngungkurake, (ook K. mêngkêrakên, Wk.) KN. achterste voor zetten; achter zich hebben, bv. van een huis, dat een vlakte achter zich heeft Pr. 1; AS.; BS.; den rug toegekeerd hebben naar Bab. Jo. I, 637; fig. iemand miskennen, voorbij gaan, vgl. singkur. — mungkurake, mêngkêrakên, verbergen, geheim houden. — ungkur-ungkuran, KN. ruggelings tegen elkander; van elkander gaan, als men van elkander scheidende zich in verschillende richtingen verwijdert Bab. Jo. II, 101; BTDj. 251, 354. — pungkuran, (Wk. N. pêngkêran, K.) KN. wat men achter heeft, de achterzijde van een gebouw WP. 9; ook pungkuran, en pêngkêran, KI. van gigir, of gêgêr, rug RP. 74. pêpungkuran, N. pêpêngkêran, K. zva. ungkur-ungkuran, van elkander gaan Gr. L. lawang pungkuran, achterdeur. omah pungkuran, achterhuis, een huis achter het hoofdgebouw. garwa ing °, vrouw van den 2en rang Bab. Jo. II, 346.
angkara
KW. zva. murub, mulad, galak, bingung, barubah, liwung, murka, en bangêt, Ar. S. IX, 9; RL. 40b, 42b; JZ. II. dina Rêspati ° ? WP. 158; in K. eigenwijs, domdriest (Skr. ahangkâra, inbeelding, zelfgevoel) JZ. II; vgl. ahêngkara. — angkara-kara, zva. mulad-mulad, en putêk, (dit laatste niet in W.).
ungkara
of ongkara, KW. zva. donga, T. 4a. saungkara, T. 36a (Skr. ongkâra, de heilige lettergreep Om). Zie ook bij ukara.
ungkrah
ngungkrah, onderste bovenhalen; ook wel van vechtenden, de een den ander optillen Rh., vgl. dhungkrah.
angkrik
KN. op iemand liggen G.; en naam van een klein soort van jangkrik, Wk. — ngangkrik, (vgl. ingkrang, pêthingkrang, pangkring) volg. Rh. op een hoogte staan, (te hoog?) zitten, liggen, zoo dan ook wel blijven zitten, bv. op zijn paard als de hormat tegenover een aanzienlijke gebiedt af te stijgen; ook

--- 1 : 207 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 23 dari 41
te hoog uitspruiten van stoelplanten. ngangkrik-angkrik kaya dêmang, BG. 258. ongkrak-angkrik tanpa gawe, Men. VIII, 17, vgl. angkruk, in deze bet. ook ngingkrik-ingkrik, B. 734. — mingkrik, gew. herh. in de hoogte zitten B. v. B. II, 31. Rh. waar verkeerd mingklik, (mingklik-mingklik, komt voor BG. 93).
angkruk
KN. een hansworstje waarvan men met touwtjes de armen en beenen kan op en neer bewegen te M. (Wk.: angkrok); ergens zitten zonder iets uit te voeren (eig. als een angkruk, met opgetrokken armen en beenen te M.) zooals een aap in een boom; een klein wachthuisje aan de grens van een stad of wijk; de wachter dáár; ook n. v. e. zekere gěṇdhing. — mangkruk, en mangkruk-mangkruk, zitten op een hoogte zonder iets uit te voeren; vgl. ingkrang, Bl. CP. 150; Bab. Jo. I, 1191. — ngangkruk-angkruk, hetzelfde. — pating palangkruk, freq. v. apen in de boomen K. 9, 11.
angkrok
zie angkruk.
ingkrik
zie angkrik, en vgl. CP. in TBG. XXXI, 447.
ungkruk
KN. (ook ukruk, zie ald.). — ngungkruk, in een krom gebogen houding zitten, loopen, enz. Rh.
ungkrêt
KN. (verkeerde spell. voor ungkrêd, Rh.) inkrimping, inkorting, bekorting, vermindering; vgl. ingkêd, ingkus, cêlêd. — mungkrêt, ingekrompen, bekort. — ngungkrêt, verkorten, bekorten, inkorten, verminderen; v. e. verhaal BG. 1, verder Tj. I, 50; III, 476; de pit van een astraallamp verkorten door hem neer te draaien. ° basa, niet voluit vertellen?
angkrêg
KN. niet vlot gaan, bv. v. e. verroest slot, van iems. gang Rh. vgl. ugrêg.
ingkrag
KN. ngingkrag, erg. opspringen (Tj. I, 777) Rh.
èngkrèg
KN. ngèngkrèg, op een korte draf loopen, zooals bv. koelies doen, die zware vrachten dragen. — engkregan. sa °, een afstand dien men zoo loopende afleggen kan, dus een betrekkelijk korte afstand Rh. Waj. II, 143.
ongkrog
KN. ngongkrog, zva. ngèngkrèg, maar minder kort, hooger van draf. — ngongkrog-ongkrog, door zulk een draf in stootende, hotsende beweging brengen Rh.
angkring
KN. een kleine jodhang, ook de houten stelling der bonangs; ook een vischspijs Wk.
ingkrang
KN. mingkrang, ngingkrang, met één knie recht omhoog zitten; onfatsoenlijk zitten (zittende de beenen laten hangen G.), vgl. ngongkang, bij ongkang. — ngingkrangake, zoo zijn beenen optrekken.
èngkrèng
zie mèngkrèng.
ongkrong
mongkrong, in een gedwongen houding zitten, zva. ngadhongkrong. Ook n. v. e. zilveren of gouden hoofdstelknop v. e. paard.
angkak
ngangkak-angkak, KW. = ngagak-agak, Wk.
êngkak
KN. naam van een zwarten vogel, een soort van kleine kraai (vrg. gagak); ook naam van een klein zeevischje R. — êngkak-êngkak, krassen R.
êngkik
mêngkik, zie ênggik.
êngkuk
KN. naam van een vogel (grijs en wit gespikkeld Wk.) vlg. Rh. groen met rooden kop (Bucco philippensis Horsf.) bijna gelijk aan onze Cardinaal-vogel; zoo genaamd naar het geluid, dat hij maakt BG. 345: êngkuk nungkuk mencok kayu têkik, anggunge kak-êngkik, gulune katêkuk. ulêr êngkuk, naam van een zeer dikke witgrijze worm van een vinger lang of langer, met een harde schildachtige bast, die zich met het merg van de klapperboomen voedt of zich in buffeldrek ophoudt, en, na verpopt te zijn, in een groote zwarte tor verandert. — ngêngkuk-êngkuk, het lichaam (buigende neer) drukken, kneden G., vgl. gêcêl, bêngkuk, volg. Rh. bij de nek pakken en krom gebogen tegen den grond drukken. — ngarêngkuk, gekromd neer liggen ook wel van een slapende, fig. slapen Rh.; Tj. I, 33.
êngkok
ngêngkoki, zva. ngakoni, bij ku, (Madur. êngkok = aku). ° piyambak, onrechtmatig zich toeeigenen Rh.
ungkak
KW. zva. suda, (ontbr. W.). — ngungkak, KN. te kort doen, in ngungkak krama, (of ° basa, Wk., vgl. nyêlêd basa, worsuh, ellipt. ngungkak, hetz. Bab. Jo. I, 331) te kort schieten in beleefdheid jegens iemand JZ. II. — pangungkak krama, beleediging G. — ungkak-ungkakên, gegeneerd zijn, vreezen onbeleefd te zijn Wk.
ungkuk
KN. een bijzonder gekoer van een tortelduif, verschillend van ungkung, of ungkung.

--- 1 : 208 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 24 dari 41
èngkèk
KN. naam v. e. vogel. — ngèngkèk-èngkèk, met moeite zijn doel bereiken Rh.
engkok
KN. draaiing met het lijf of hoofd, zooals kinderen wel doen, als zij met tegenzin iets moeten doen; het tegenstribbelen of zwarigheden maken van iemand, die tegen zijn zin iets gelast wordt te doen; slinger, bocht, bv. in een slingerrand; gebogen haal of trek van een letter; ook naam v. e. gěṇdhing. (Vrg. engkod, engkog, engkol, enggok, enz.). — mengkok, met het lijf of hoofd draaien; zijn weêrzin toonen, zwarigheden maken; gaarne herh. mengkak-mengkok, met het hoofd of lijf draaiende zijn weêrzin toonen enz.
ongkèk
KN. een draagbaar Wk., vgl. ambenan, ekrak. — ngongkèk, op een draagbaar dragen; heen en weer schudden, zooals een staak in den grond of een boom, om die er uit te trekken. — ngongkak-angkèk, freq. Rh.; ook fig. van kleine kinderen door ruwe kindermeiden Wk. Vgl. ngêngklèk-êngklèk, ook in 't alg. plagen. — pangongkèk, een kleine nijptang, bij het behandelen der tanden in gebruik ZG. 1881, 204.
ongkok
I. = ongkog, J. Verder II. twist, woordenstrijd. — ngongkok, met imd. twisten Wk. — III. ngongkok, gissen, denken, vgl. ngăngka, bij ăngka.
ingkêd
KN. het afgaan, afwijking, door geheele of gedeeltelijke intrekking of terugtrekking van hetgeen iemand vroeger gezegd heeft (vrg. ingkud, en ungkrêt). — mingkêd, van zijn plaats schuiven, wijken (vgl. ingsêr) er van afgaan, door intrekken of terugtrekken; afwijken van zijn plicht Waj. II, 62. botên mingkêd, ongeveer zva. botên obah, van daar zva. ajêg, bv. v. e. straf BTDj. 56. — ngingkêdi, van wat men eenmaal gezegd heeft afwijken, of het intrekken BJ. 16. — ngingkêdake, doen intrekken.
ingkud
KN. (vlg. Wk. ook ingkut). ngingkud, iets bekrimpen, bekrompener, nauwer maken (vrg. ingked, ingkus).
ungkad
(ook ungkat) KN. het opgewekt, opgewakkerd, weêr levendig worden van iets. — mungkad, opwakkeren, weêr opkomen, weêr levendig worden. krêmine mungkad, zijn huidwormpjes plagen hem weêr. — ngungkad, opwakkeren, weêr ophalen. — ngungkadake, op doen wakkeren, weêr op doen komen JZ. II. ungkad-ungkadan, tegen elkander oude geschiedenissen oprakelen Wk.
engkod
of engkod, KN. mengkod, of mengkot, zich door een beweging van het lichaam onwillig toonen (vrg. engkok). mengkod-mengkod, zich door draaien en keeren afkeerig toonen. mengkad-mengkod, het lichaam draaien en keeren om iets te ontwijken.
angkat
KW. zva. anjungjung, (BTDj. 40) en budhal, of mangkat, KN. vertrek, het vertrekken (oud-jav. id.). anak angkat, KI. een opgenomen, aangenomen kind BTDj. 51, 78. — mangkat, KN. vertrekken (oud-jav. id.) ook umangkat, Waj. I, 63, 288, 296. — ngangkat, iets beginnen te worden, waar men dit zegt van iets dat reeds tot een merkbare hoogte komt, bv. ngangkat tuwa, oud beginnen te worden. ngangkat pêtêng, donker beginnen te worden; poët. naar iets streven (vrg. ngangkah, KB. 10). ngangkat malih, weêr aanvangen. ngangkat jangkar, het anker ligten PL. KI. van anjungjung, opligten, optillen PL. II, 72; verheffen tot een hooger rang of titel BTDj. 36; JBr. 90. ° karya, werk opnemen, bij de hand nemen, werken, arbeiden Waj. I, 317. — kangkat, KN. in staat zijn tot iets, de noodige krachten er toe hebben, vrg. bangkat. Ook: op te ligten; kunnen opligten L. 252, 253, 263. — ngangkati, vertrekken naar, er op afreizen bab. Jo. II, 433; Gr. L. 134; iets voornemens zijn, aan iets een begin van uitvoering geven Wk., BG. 292. — ngangkatake, laten of doen vertrekken Bab. Jo. II, 209; Gr. L. — angkatan, wat men laat vertrekken of afzendt; keer van vertrek; tot vertrek, bv. panggonan °, plaats van vertrek (vanwaar men gewoon is te vertrekken); ook ophaalstok, bv, van een klein kruisnet. KI. door verheffing geworden, bv. Pangeran angkatan, een Pangeran (niet door geboorte, maar) door verheffing. angkat-angkatan, KN. met elkander vertrekken; een verzending die gedaan wordt. KI. verheffing, benoeming tot hooger rang, promotie; ook bedoeling, plan Wk. (well. begin, beginsel). angkatan, ook wangs. voor tanjung [junjungan] JZ. II, 267. — pangangkat, KN. de eerste blandar beneden het

--- 1 : 209 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 25 dari 41
hoofdgebindte van een Jav. huis, de blandar van de pananggap. KI. het verheffen, verheffing Bl. CP. 298; Bab. Jo. II, 107. — pangkat, KW. zva. tundha, undha, Wk. KN. rang (PL. I, 30) klasse, verdieping, afdeeling; en naam van een scheidteeken. TP. WJ. zva. (vlg. Rh. K. van) mangkat, vertrekken WP. 11, 64, 75, 78 en angkat, vertrek PL. I, 29; A. 61. ° wiwitan, zegt men voor de geboorte. ° wêkasan, voor de dood, en ° satêngah, voor de middelbare leeftijd G. pangkat-pangkat, in graden, rangen of klassen Wk. sapangkat-pangkat, bij afdeelingen BTDj. 300, 338. — mangkat, of mêmangkat, (JZ. II) rangschikken, naar zijn rang of klasse verdeelen, klassificeeren, naar de verschillende rangen plaatsen, de rang van iemand inachtnemen. ° awak, zva. zijn fatsoen ophouden Wk. — pangkatan, naar zijn rang, klasse enz. Wk. — prangkat, stel van dingen, die bij elkander behooren, bv. van knoopen, een compleet theeservies, van kaarten (MR. II, 92) enz.; van jěngge's BvB. I, 156. sêprangkat, één stel (vrg. pangadêg, gagragan, en rancak).
ingkut
zie ingkud.
angkut
mangkut, ZG. 1886, bl. 7; vgl. manggut, bij panggut.
ingkut
zie ingkud.
angkas
KW. zva. bênêr. — ngangkas, of mangangkas, zva. ambênêr. — mangkas-angkas, ngangkas-angkas, zva. bambêbênêr, Wk. Verder ngangkas-angkas, zva. nyadhang-nyadhang, Waj. II, 430? (vlg. Wk. = anggadhang) zich voorbereiden tot, bv. den oorlog RL. 15b, 31b? Men. VIII, 53; vlg. Rh. strijdlustig door overmoed, well. volhardend i. d. strijd, vgl. akas, (oud-jav. angangkas-angkas, zijn laatste krachten inspannen Fi. 159). KN. tot een hoogen rang verheffen GB. XIII, 374; Mn. VII, 286. — ngangkasake, naar hoogheid streven G.
angkus
KW. = cis, Wk. KN. een puntige haak, waarmeê een olifant aangedreven en bestuurd wordt (Prâkrět-uitspraak van het Skr. angkuça?) vgl. ganthol. — ngangkus, een olifant met zulk een haak aandrijven of slaan. — ngangkusi, mv. AS.
êngkas
KN. nog; achter naamwoorden, die een telwoord of het voorvoegsel sa, voor zich hebben; bv. rong dina êngkas, nog twee dagen BTDj. 67. Vrg. manèh. Echter ook mêngko °, zie ook mêngko.
êngkis
mêngkis-mêngkis, Tent. 21; volg. Rh. hetz. als mêmpis-mêmpis. — êngkis-êngkisan, naam van een insect; s. v. meikever: Melolontha Sp. de Clercq.
êngkos
ngêngkos = ngrokos, zie krokos, C. 2151, bl. 57a, 168b.
ingkis
zva. wingkis. pangingkising tyas têtês hyun, Tj. II, 625. Zoo ook ngingkis, voor ming °, PJ. III, 101.
ingkus
KN. inkrimping, vernauwing van iets dat van binnen hol is, zooals een hoed of mand (vrg. ingkud, ringkês, ringkus, ingkup, pringkus). — mingkus, inkrimpen, zich vernauwen; zich samenkrimpen van de ooren (de ooren in den nek leggen, zooals een paard, dat bijten wil of op hol slaat Rh.); fig. v. e. onwillige vrouw C. 2061 bl. 60b; nauw toeloopend van iets dat bv. van boven nauwer is dan onder; ook fig. in zijn schulp kruipen. dhadha mingkus, een kippeborst. — ngingkusi, door sluiting van een nauwe opening vastknijpen Wk.
ongkos
Holl. onkosten. — ngongkosi, bekostigen Wk., vgl. wragad.
angkwa
KW. = akên, Wk.
ăngkawiyu
n. e. jaarl. plaats hebbende plechtigheid te Sålå ZG. XXVI, 108.
angkêl
angkêl-angkêl, n. v. e. roofvogel, die gezegd wordt op veldmuizen te azen Wk. kulambi °, s. v. baadje ZG. XXI, 4, vgl. XX, 386 (anggêl-anggêl).
angkul
angkul-angkul, KN. 1. het middelste gedeelte v. e. wip of balans of putzwengel, waar die door een pen met den standerd vereenigd is, vgl. senggot. Ook op de talêcêr, rustende kromhouten die een praudak ondersteunen Wk. — 2. het haam v. e. trekos Wk.
ungkal
KN. zva. ungkil, I. en wungkal. — ngungkal, zva. ngungkil, zie verder ald.
ungkil
KN. I. een spaak of hefboom om iets op te ligten (vrg. ungkal, en gol). — ngungkil, iets met een spaak of hefboom opligten K. 3, 105, DN. I, 80, 198; fig. den buik bij kramp op of neerdrukken Wk. kongkal, ook kungkal, acc. pass. zva. kontal. — kongkalan, ook kung °, bij ongeluk door een omkantelend voorwerp [voor...]

--- 1 : 210 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 26 dari 41
[...werp] getroffen Wk. — II. naam van een visch JZ. II.
ungkul
KN. het zijn van iets boven iets anders (vrg. tungkul, en unggul). — mungkul, vlg. Wk. v. ungkul = tungkul, zich geheel met iets bezig houden, zie wungkul, ben. — ngungkuli (iets) houden boven JZ. I; zich verheffen boven WP. 76; v. vogels zweven boven BG. 338; boven iets zijn, zoodat men het onder zich heeft AS. (oud-jav. mangungkuli KS. 17); gaan boven; overtreffen BTDj. 9. ngungkuli kowe, jou te boven gaande, meer dan jij. kaungkulan, onder iets, dat men boven het hoofd heeft, zitten of liggen Pr. 1; met geschenken overhoopt Pr. 2. kongkulan, (ook kung ° Wk.) komen onder BS.; onderdoen voor, overtroffen worden door. ungkul-ingungkulan, den één den ander overtreffen DN. II, 441; AS. — ungkul-ungkulan, elkander trachten te overtreffen Wk.
èngkèl
ngèngkèl, tegen een steilte opgaan; fig. strijden, twisten v. e. kind tegen een oudere CP., zie rèngkèl.
engkol
I. = anèh. — II. KN. bochtig; een gebogen arm. saengkol, één streek met den arm, een term bij 't rijstmeten Wk. vgl. sikut, (ngengkol, zoo'n streek doen Wk.?); iets daar iets meê omgedraaid wordt; (kromme) kruk van een boor (vgl. obelan); een omweg. — mengkol, bochtig Tj. I, 641; PL. II, 84. — mengkolan, fig. omwegen die men tegen elkander gebruikt B. v. B.
ongkèl
KN. loswerking, loswerking of opwrikking met een spaak van iets, dat in den grond vast zit, zooals een steen of boomwortel, vgl. ungkil. — ngongkèl-ongkèl, met een spaak loswerken, loswrikken of opwrikken.
ongklèh
KN. mongklèh, v. d. kris ver uit den gordel steken, zoodat hij bij de minste beweging op en neer wipt. — ngongklèh, de kris zoo dragen A. 26, Rh., vgl. cêngkêlit.
êngklèk
KN. hinken, op één been springend zich voortbewegen (volg. Rh. dhèngklèk). klèk-êngklèk, s. v. buta's Waj. I, 173, 174, 175; vgl. CP. in TBG. XXXI, 429. — ngêngklèk-êngklèk, een kindje op de armen op en neêr bewegen (vgl. ngongkak-angkèk, bij ongkèk) nl. zóó maar, zonder êmban-êmban, dragen, dat 't op en neer beweegt. ¬ngêngklèkake, een been bij 't hinken van den grond houden Wk.
ongklok
KN. ngongklok, een obj. hevig schudden J., vrg. ongkrog, vlg. Wk. = ngongkog, i. d. z. v. een lijk in zittende houding duwen en knijpen om de faecaliën er uit te krijgen.
angklung
KN. naam van een muziekinstrument, bestaande uit een raam, waarin eenige verschillende aan het boveneinde schuins afgesneden pijpen van bamboe, met losse stokjes daarin, nevens elkander staan, die, als zij bewogen worden, een schel geluid geven AS. (vrg. cêngklung, en zie calung). ° jiwa, bathiksel voor een ikêt, CP.
angkup
KN. het bekleedsel, het blad of de schil van een knop of jong uitspruitsel BG. 35, of van de pit in sommige vruchten; het knopje dat in de vorm van eenige blaadjes op sommige vruchten zit, zooals op de manggis (vrg. ingkup, sinom, kuncup, kudhup, upih, enz.). ¬angkupan, zie ben.
ingkup
het gesloten zijn van iets door samensluiting, zooals van een bloem of zonnescherm, van neus, hand of handen tegen elkaar Wk. Ook soms van deurblad of deksel (gewl. ingkêm) Wk. (vrg. angkup, ingkêm, kincup). — mingkup, zich sluiten, zich samensluiten. — ngingkupi, dichtmaken vóór Wk. — ngingkupake, iets, zooals een zonnescherm, sluiten; samensluiten, bv. de beide vlakke handen.
angkêp-angkêp
naam van een kost of lekkernij van rijst of van zemelmeel Wk.
êngkap-êngkapan
een van bamboe gevlochten luik, klepluik CP. zie angkêb, en êngkab.
angkupan
of angkuban Tj. II, 530; III, 502 een soort van sprinkhaan met lange vlerken, zva. jênggèrètnong, zie ook calapita.
angkya
KW. zva. kula, Wk.
ingkêm
KN. sluiting, digtsluiting, bv. van den mond of een schaar (vrg. ingkup, tingkêm, inêb). — mingkêm, zich sluiten, zich digtsluiten, digtgesloten zijn; den mond digt doen of digt houden Tent. 21. — ngingkêmi, in den mond vangen of

--- 1 : 211 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 27 dari 41
krijgen, door die digt te doen PL. II, 104; AS.; zich voor of achter iem. digtsluiten Men. VII, 240. kaingkêman, besloten raken door iets dat zich digtsluit. — ingkêm-ingkêman, fig. bek, bv. v. e. bankschroef of nijptang Wk.
ingkag
KN. zva. engkok, Tj. II, 236.
ingkug
KN. mingkug-mingkug, zva. engkog-engkog, Tj. zie engkog.
ungkêg
KN. van een lang voorwerp met het eene einde ergens in vastzitten; ook fig. onverzettelijk, halstarrig; talmen Wk. — ngungkêg-ungkêg, aan zulk een voorwerp, bv. een spijker, schudden of morrelen Wk.
engkog
(ook ° k, WP. 36) KN. engkag-engkog, (vlg. Rh. engkog-engkog) al schommelend gaan, zooals een gans of zwaarlijvig mensch (vrg. engkok) of kind dat nog niet goed loopen kan WP. 34.
ongkog
het door zwelling zich uitzetten of half openzwellen, bv. v. e. bloem; de toestand tusschen kincup, en êkar, Wk. fig. het zwellen, hooghartig worden van het hart, wanneer het door loftuiting gestreeld wordt. — mongkog, ook wel mongkok, half open gaan, zwellen, zich uitzetten van een bloem; ook kroppen, de borst opzetten v. e. gěmak, die brani wordt; fig. hooghartig worden, zich gestreeld gevoelen (moed krijgen Wk. vgl. adêg). — ngongkog, ook wel ngongkok, op de buik liggende zich met armpjes en beentjes van den grond opheffen, om kruipende voort te komen, benaming van een kind van vier maanden, vgl. kurêb. iemand ophemelen, vgl. onggrong, een werk met inspanning verrichten, zijn krachten inspannen, bv. om iets op te ligten; zie ook ngongklok. — ngongkogake, doen zwellen en zich uitzetten enz. — pamongkog, verhoovaardiging. — ongkog-ongkogan, plat voor den bijslaap uitoefenen Wk.
angkêb
ongebr. angkêb-angkêb, KN. luik, klapluik, vgl. tangkêb, de beide zijden onder de borst of korte ribben; het middelrif; en naam van een ziekte of pijn onder de borst die de ademhaling pijnlijk maakt; ook naam van een medicinale plant de Gentiana quadrifaria BI. Nat. fam. der Gentianeae; ook de Lightfoota gracilis Miq. Nat. fam. der Campanulaceae Fil.
êngkab
KN. het zich openen door van elkander te gaan, zooals van de vleugels en van gelederen RP. 106; het gapen, zooals van voegen van timmerwerk (vrg. ungkab, lingkab). — mêngkab, (KW. zva. muntab, Wk.) zich openen, gapen van gelederen C. 2151, bl. 63b; Bab. Jo. I, 516, 663; BTDj. 597. mêngkab-mêngkab, telkens als het ware willen bersten van het hoofd van iemand die een berstende hoofdpijn heeft Men. VIII, 139; vgl. ungkab.
ungkab
(v. d. Tuuk, Tob. Spraakk. 66) I. mungkab, KW. = muntab, mudal, mubal, Wk. vgl. êngkab. — II. KN. opening, het opengaan van iets dat met een deksel (of voorhangsel Wk.) gesloten is (vrg. êngkab). — ngungkab, in ngungkab basa, van taalsoort veranderen G. — ngungkabi, van iets het deksel opligten RP. 16; BTDj. 40; iets, dat gesloten of toegemaakt is, openen, bv. een brief BTDj. 626; een sluier opligten DN. II, 469. ° kabisan, imds. kundigheden onderzoeken.
ungkêb
KN. stoving, door verwarming met behulp van vuur en toedekking, van half rijpe vruchten, vgl. imbu, Wk. — ngungkêb, iets stoven, bv. ° awak (een zweetkuur doen) ° rambak, ° borèh, vgl. ukup, Wk. ngungkêb-ungkêb, op de buik of op het gezicht liggen van smart of droefheid Bab. Jo. II, 429 (vrg. krungkêb, bij rungkêb, en mujung, bij ujung). — ngungkêbi, op iets, bv. op een kussen, met het aangezicht liggen; geweekte zaaipadi in aarden potten doen, overdekt met pisang-bladeren om te ontkiemen (ngêpêp?) SG.
angkuban
zie angkupan.
angkang
KN. de heldere weêrgalmende klank van een bekken BG. 64; RP. 106 (vrg. ungkung). — ngangkang, helder klinken.
ingkang
ingkêng, zie kang.
ingking
KW. = ingkang, Wk.
ingkung
KN. touw of zeel, waarmee iemand in krom gebogen houding handen en voeten bij elkander gebonden worden; en een werktuig van bamboe om visch te vangen. — ngingkung, iemand krom gebogen de handen en voeten bij elkander binden; gevogelte de pooten, of de pooten en vlerken, bij elkander binden; ook met dat werktuig visschen; vrg. nalikung, ngapithing.
ungkang
ngungkang = ngongkang.

--- 1 : 212 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 28 dari 41
ungkung
KN. de zware weergalmende klank BTDj. 77, bv. van een gong; en een bijzonder gekoer, van een tortel (vrg. angkang, en ungkuk). — ngungkung, zwaar klinken; koeren. Een ander zie bij kungkung.
èngkèng
KN. ngèngkèng, keffen G., vgl. kèngkèng.
ongkang
KN. de holte, grot enz. gevormd door 't overhellen van een rots en drgl., vgl. longkang. ongkang-ongkang, op een hoogte zitten en de beenen (over de diepte?) laten hangen G. (Volg. Palm. v. d. B. heen en weer slingeren met de beenen, als men zit; fig. v. h. hart, bevreesd? K. 8, 26; Bl. CP. 270; Bab. Jo. I, 687, wellicht dus v. h. hart geslingerd, bewogen ML. 164). — ngongkang, overhellen, overhangen over een rivier, de zee enz. BTDj. 32; BG. 535; in het alg. over een diepte, bv. v. een gebouw dat aan den kant van een water gelegen is, zoodat men het uitzicht er op heeft PL. I, 38; BS. ook aan de kant van een water gelegen zijn, bv. ara-ara ° kali, Bab. Jo. I, 533. ngongkang ing radinan, PL. I, 194.
angde
zie de, I.
angdeka
KW. zva. pêngandika, Wk.
angdadi
KW. = nyaèni, Wk. (oud-jav. = andadi, WS. 123).
angêt
(grondv. ngêt) KN. lauw, tusschen heet en koud, bv. v. 't lichaam, van water, van een vertrek Wk. Versch (nog warm?), pas gebeurd v. e. zaak. Zoo ook mungpung adu angêt, Wk.; tusschen slap en sterk in v. e. oplossing om te verven vM. 16? lauwwarm, warmpjes; gerust, voor moeilijkheden bewaard; ernstig, met gepaste strengheid van bevelen, vgl. bangêt; ruim van gewicht. sêreyal angêt, ruim een reaal wegen, vgl. apês, adhêm. — êngêt, (of ngêt, Wk.) opwarming van iets; ook naam van een zeer klein witachtig insect, dat papier en lijnwaad verslindt, een soort van boekworm, papier- en kleerenmijt RP. 141; MR. II, 78 (vrg. rêngêt). — mangêt-mangêt, min of meer lauwwarm, wat lauw PL. II, 89. — ngêngêt, iets door middel van vuur lauwwarm maken; eten wat opwarmen. diêngêt, of dingêt, pass. — ngêngêti, afvegen van zweet? A. 29: Abiyasa lajêng temag nyandhak campaling sondhèr angêngêti toya karingêt, ook mrv. H. — ngangêtake, Gr. L. 249 (Wk.: ngêngêtake, opwarmen voor) iets, dat koud of heet is, lauw of lauwwarm doen worden; verwarmen. — angêt-angêtan, lauw, lauwwarm, bv. gebruikt.
angut
KW. = lumêr, lêmbut, Wk. T. 27b.
angot
KN. terugkomen, weer beginnen of opkomen, telkens terugkomen van een ziekte, kwaal of gebrek BG. 39: mêngine °, BG. 88: ° wiyogane driya, vgl. ungkad, kumat, kambuh. — angot-angotan, of ngot-ngotan, Wk. telkens terugkomend, periodisch; bij buien JZ. I; KT. 25.
êngêt
zie bij angêt.
ingat
KW. zva. èngêt, sumurup, Wk. Vrg. ingêt.
ingêt
KW. zva. emut, tingal. — umingêt, zva. sumurup. — maingêt, zva. ningali. — mingêt-ingêt, maingêt-ingêt, mangingêt-ingêt, zva. nêningali. Oud-jav. ingět is de stam van èngêt, KN. (vrg. ingat, en èngêt). — ngingêti, met attentie bekijken. — ngingêtake, KN. naar iemand of iets met attentie kijken JZ. I; KA. 22; op iemand of iets het oog vestigen of gevestigd houden. ngingêt-ingêtake = ngulat-ulatake.
ingut
KN. onrustige beweging en uitdrukking van het gelaat, wanneer men in gramschap ontstoken is. — mingut, gew. mingut-mingut, kokend van gramschap. — ringut, (frequentatieve vorm) KW. zva. muring-muring. KN. woedend, onbesuisd; onbezonnen; zie ook ben. — maringut-ringut, KW. zva. muring-muring, Wk. — ingut-ingutên, en karingutên, uitzinnig, woedend van gramschap, zoodat men om niets meer geeft JR.
èngêt
zie bij eling.
ongot
KN. het met een pangot of ander soort van mes gesneden, besneden of gefatsoeneerd worden (grondv. ngot, vrg. pangot). ongot-ongot, met een mes snijden, besnijden of fatsoeneeren. — ngongoti, iets met een mes besnijden, of fatsoeneeren tot iets Mn. I, 88. — ongotan, iets dat zóo gesneden wordt; ook krullen, stukjes afval bij dat snijden ontstaan Wk.
angsa
of ăngsa, KW. I. zva. banyak, (Skr. hansa) T. 21a. — II. zva. têdhak, vgl. wăngsa, en zie ook KO. 35.

--- 1 : 213 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 29 dari 41
angsu
KW. het halen van water aan een put, bron of rivier R. (vlg. Wk. zva. pangamèk, ontbr. W.). — ngangsu, water halen of gaan putten BTDj. 37; JZ. II, vgl. nawu. fig. kundigheden zoeken op te doen bij iemand. — ngêngsu, iets gaan putten. — ngangsoni, of ngêng °, ergens 't water uithalen, of mrv. van ngangsu, vlg. anderen zva. ngisèni banyu, Wk. — pangangsu, anjuru °, fig. bijzit worden Waj. I, 350. — pangangson, of pangêng °, Wk. ook pangangsonan, Tj. I, 177 (pangangswan, T. 31b) plaats waar men water gaat putten; iets om meê te putten.
angso
zie aso.
êngsu
zie angsu.
ungsi
KN. ngungsi, ergens (of bij iem. K. 7, 151) zijn toevlucht of een schuilplaats zoeken. ngungsi urip, AS. of ° umur, BG. 355, een toevlucht voor zijn leven zoeken, zijn toevlucht nemen tot. ngungsi pangan, KB. 44, 45, 47 of ngungsi rijêki, KB. 52 naar elders vluchten om zijn levensonderhoud te vinden. kilat angungsi gêlap, zie kilat. Bl. CP. 239 ngungsi, poët. voor ngungsèni, BS., Gr. L. 155. — mungsi, KW. = ngungsi, Wk. umungsi, id. KA. 3. — ngungsèni, zijn toevlucht zoeken tot of bij. tanbuh kang dèn ungsèni, BG. 293. — ngungsèkake, een schuilplaats zoeken voor; door de vlucht in veiligheid zoeken te brengen BG. 309; met iets de vlucht nemen om het te redden. — pangungsi, 't plaats hebben van ngungsi, AS. — pangungsèn, BG. 286; (KW. pangungsyan, Wk.) toevluchtsoord, schuilplaats; toevlucht.
ăngsa
KW. 1. zva. angsa. — 2. zva. andarung. — 3. pari ăngsa, een padisoort, die altijd het eerst aren schiet en slecht gevulde of vooze vruchten geeft SG. — 4. ngăngsa, verslinden, opeten Wk., B. 707. — ngăngsa-ăngsa, KN. vlammen van lust of begeerte, naar iets dorsten Bl. CP. 186; JZ. II. budi ngăngsa-ăngsa, zinnelijke lust, vgl. ngamah-amah, ănta-ănta. — pangăngsa-ăngsa, groote begeerlijkheid. — mangăngsa-ăngsa, zva. ăngsa-ăngsa, JZ. II.
angas
1. KW. zva. ngoso, cênthula, en andhandhang, Bab. Mat. II, 16; JZ. II. Zie êngas. — 2. KN. weifelen, wankelen van moed, die niet zonder alle vrees is C. 2061, bl. 48b. — ngangasi, aan imd. zich opzett. vreesachtig of weifelend toonen Wk. — 3. angas-angas, Kn. een ziekte, die boomen aantast en hunne bladeren doet verdroogen Wk.
angus
KN. roet; zwarte aanslag BG. 142, bv. aan een pot; van een lamp. — ngangus, met roet besmeren.
êngas
= angas, 1.
êngês
of ngês, KN. aandoenlijk; aandoenlijkheid, bv. van een verhaal of lied, vgl. ênês, rês, DN. I, 185; II, 313 (volg. Rh. melodieën v. e. zangwijze of muziek). — kangês, KW. = muringring, mrinding, Wk. — ngêngêsake, aandoenlijk maken. — êngês-êngêsan, wat aandoenlijk, treurig is Wk.
êngis
of ngis, KN. ngêngis-êngis, imd. beschaamd maken, minachten, uit minaschting plagen of verdriet aandoen, vgl. wêngis.
êngès
zie èngès.
ingas
KN. naam van een grooten boom, de Gluta Benghas L., Nat. fam. der Anacardiaceae; levert een fijn, fraai rood meubelhout en goede hars voor vernis Fil. (Rěngas mal.). Ks. kent behalve ingas, ook ° kapur, ° kêbo, en ° kulit, behoorende deels tot Gluta L., deels tot Semecarpus L. beide fam. der Anacardiaceae, zie bl. 36-38.
ingis
zie mingis, kengis. ngingis, KW. = ngetokake, Wk.
ungas
I. KW. zva. ambu, reuk, geur Wk. KN. het ten toon gespreid worden, vertooning BS., AS.; bv. van iemands kundigheden of moed? (DW. 146); het voorkomen van iemand. — ungas-ungasên, KW. = ambu-ambunên. — ngungas, KW. zva. ngambu, JZ. II, of ngambus, T. 49a. KN. vertoonen, doen blijken, bv. moed J. ngungas-ungas, (ungas-ungas, Wk.) KN. met de neus snuiven om de reuk van iets te onderscheiden J. — kongas, KW. zva. kambu, met de neus waar te nemen, te ruiken en zva. kêwêtu, BS. of katon, Bab. Jo. I, 888. — ngongas, zva. ngungas, G. — ngungasi, KN. iets, zooals zijn kundigheden, laten zien of ten toon spreiden voor. — ngungasake, KN. iets, zooals zijn kundigheden, laten zien, doen blijken of ten toon spreiden Waj. II, 45; Bab. Jo. I, 224. — ngongasake, KW. een geur verspreiden GR. — II. KW. = gêmblung. — pangungasan, praalvertoon [praal...]

--- 1 : 214 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 30 dari 41
[...vertoon] Wk. — ungas-ungasên, KW. zva. ambu-ambunên, Wk.
èngês
mèngês, KW. = mingkêd. kèngês, omloopen van 't hoofd Wk.
èngès
KN. ook êngès, pèngès. saèngès, één snede, één afgesneden stuk Wk. — ngèngès, ngêngès, mèngès, in iets snijden, gewl. van vlakke, dunne zaken als papier, linnen, leer etc. Wk. vgl. iris, en bèngès. kaèngès, kèngès, kêngès, kêpèngès, pass. — mèngès-mèngès, ook mingis-mingis, heel scherp v. d. suee van een mes Wk.
engos
KN. scheef gezet, geplaatst, hangen, gewend of getrokken; scheefheid, scheve stand Wk. (bv. van het aangezicht. Vrg. èncèng). — mengos, scheef, bv. iets knippen. — ngengos, iets scheef maken, bv. iets scheef snijden of zagen. — pengos, (of tengos, Wk.) scheef, scheefheid. — ngengosi, tegenover imd. of iets een schuinen stand aannemen Wk. bv. een hoek, en van een scheef gezicht, ook = pegos, zie egos, vgl. encos, perot. — pengosan, schuin afgesneden; de schuins loopende zijde of hoek van iets Wk. — mongos, zva. ngengos, en de oogen scheef wenden, scheef kijken, of een scheef gezicht trekken (vrg. mengo). — lengos, rengos, en plengos, 't afwenden van 't gelaat of 't toekeeren van den rug als een blijk van onwil of afkeuring Wk. plengos, ook scheef als interj. — mlengos, ngrengos, nglengos, 't gezicht of den rug als boven afwenden Wk., BG. 165; en ook een vaartuig scheef, in een schuinsche richting, wenden AS. — mlengosi, enz. 't gezicht enz. als boven afwenden van Wk. — plengos-plengos, (ook palengosan, Bab. Jo. I, 647) gedurig een scheef gezicht trekken of scheef kijken.
angsah
1. zie asah. — 2. KN. angsêh, of asêh, angsya, KW. zva. aju, (vrg. angsêg, en oud-jav. angsö). — mangsah, KB. 90 en umangsêh, umangsah, (L. 27, 44, 45) KN. mêngsah, of masêh, mangangsêh, ngangsya, umangsya, ook nangsah, nangsêh, KW. aanrukken, voorwaarts gaan, vooruit treden tegen iemand Rm. 294 (een ander mangsah, zie bij pasah). inasêh, KW. zva. pinaran. — ngangsahi, KN. oprukken tegen, aanrukken op, naderen tot Wk. mangangsêhi, KW. = nglurugi. — ngangsahake, troepen laten aanrukken of oprukken, doen naderen Wk., Gr. L. 231. — angsahan, poët. = asahan. — pamangsah, het aanrukken WP. 278.
angsêh
zie angsah.
angsuh
= angsah, C. 2151, bl. 251a (angsuhna).
ingsun
(in Bantam KT. 184, Bagělen en Cirěbon isun. esun, OJ.) verk. sun, N. zva. aku, ku, of dak, vrnw. van de eerste persoon, in WJ. als ook in OJ., in de spreektaal in gebruik; in de vorstenlanden alleen door den Vorst in hoftaal. — kumingsun, KN. zich als een voornaam persoon voordoen; ingebeeld, hoovaardig (vrg. gumêdhe).
angsana
zie sana.
angsar
1. zie asar. — 2. ngangsar, dagelijks dragen, afdragen Asm. S. I. 62: nora sun angsar, sun anggo ing dina bêcik. — angsaran, zva. lorodan, vrg. langsar, 2. Tj. I, 315a. — 3. ngangsar, met den buik op den grond uitgestrekt liggen (schuren?) Wk. vgl. nglungsar. — angsaran, buikstuk v. e. visch, waar veel vet aan is Wk.
angsur
KN. het sterk hijgen van den adem (vrg. rênggos, krangsang, kisod); vernieuwde betaling van pacht aan een nieuwen dorps-běkěl, die in de plaats gekomen is van een overleden of afgezetten běkěl, aan wien de pacht reeds vooruit betaald was GR. — ngangsur, opnieuw pacht betalen en zoo inhuren, vgl. onjot, en têbas, ook imds. inkomen opnieuw afkoopen, vgl. têbas, Wk. JW. 58. ngangsur, (Wk. BG. 39, 521 napasku °) ngangsur-angsur, sterk hijgen, van den adem van iemand die buiten adem is, bv. door overmatige inspanning CS.; DN. I, 494. — ngangsuri, aan imd. opnieuw pacht enz. betalen Wk. — ngangsurake, caus. met iets pacht enz. betalen. — angsuran, obj. denomin. Wk.
ingsêr
KN. het van zijn plaats verschoven of opgeschoven zijn van iets (vrg. ingsêd). ingsêr-ingsêr, naam van een soort van zeeslak of horentje. — mingsêr, van zijn plaats opschuiven; zich van zijn plaats verwijderen DN. II, 474, ergens vandaan gaan; fig. van zijn gevoelen afgaan. — ngingsêr, iets verschuiven Wk. BG. 291, verplaatsen KT. 25. kèngsêr, verschoven, van zijn plaats verwijderd.

--- 1 : 215 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 31 dari 41
KI. uit zijn rijk verdreven, gevlucht, vluchten JZ. I. (kêplayu, N. kêplajêng, K.). ngèngsêrake, KI. doen vluchten Wk. — ngingsêri, van zijn plaats opschuiven voor. — ngingsêrake, van zijn plaats doen verschuiven of opschuiven; maken dat iemand van zijn gevoelen of voornemen afgaat. — ingsêr-ingsêran, voor elkaar opschuiven Wk.; een kleiner aandeel in de gemeensch. sawah's krijgen door vermeerdering van 't aantal deelhebbers ER. I, 67 (Banyum.). — ngèngsêrake, de sawah opnieuw verdeelen met opschuiving ER. III, 12.
ungsêr
KN. het draaien Wk. vgl. pusêr. — ngungsêr, een kuil in den grond maken of boren, zich daarin ophouden v. e. insect Wk. — mungsêr, draaien zooals een tol; in de rondte draaien J. zooals bij lèyèk. v. e. tandhakkende wordt gezegd: tandhake mungsêr sêsirig, Tj. I, 24; ook fig. zva. mubêng, allerlei uitvluchten zoeken. bundêr mungsêr, geheel rond J. bv. v. e. vogelkooi of volière. — ngungsêrake, ook mung °, doen draaien Wk.
ungsir
zie usir.
ungsur
zie usur.
angsrog
zie srog.
angsrang
't rochelend geluid van slijm in de luchtpijp bij borstlijders, zwaarder dan angglêrêk, Wk. vgl. krangsang. — ngangsrang, met een rochelend geluid ademhalen Wk.
ingsêk
= ingsêg.
angsoka
of soka, JZ. II, 267 (Skr. açoka) naam van een boom met welriekende bloemen, Saraca C. Ks. Ml. kěmbang dedes. soka dhèdhès, s. v. Soka met onwelriekende bloemen Wk. Een ander soka, zie ben.
ingsêd
enz. zva. ingsêr, enz. — mingsêd, zva. mingsêr, bv. ° dènira lungguh, BG. 372.
ungsêd
KN. sterke, aanhoudende aandrang met vragen, verzoeken of streven, vgl. adrêng. — ngungsêd, sterk aanhouden en aandringen met vragen of verzoeken; iemand lastig vallen met vragen; KA. 20?
ungsêt
zva. ungsêd.
angswa
KW. zva. ngamèk, Wk. vgl. angsu.
angsal
1. KN. zie asal. — 2. K. zie olèh.
angsul
zie bij wangsul.
ungsêl
KN. ngungsêl, met 't hoofd of lichaam opschuiven, opdringen tegen iem. die zit of ligt, zooals bv. een kind in den slaap tegen zijn moeder aan, of om een opengekomen plaatsje in te nemen Tj. I, 700, vgl. dhêsêk, dhosok, dhêsêl, sêsêl. — ngungsêlake, iets al duwende er in werken of er onder steken Wk.
èngsèl
Holl. hengsel. èngsèl dim, een hengsel dat op een duim draait. èngsèl kênir, een scharnier met gebogen bladen, knier. èngsèl kupu, een platte scharnier J.
angslup
mangslup, zva. sêlulup? wegduiken C. 2151, bl. 255a (manjing siti °) vgl. mangsup.
ingslêp
KN. mingslêp, wegduiken (vrg. inglêp, sêlulup, en silêp). Tent. 21.
ingsêp
ngingsêp, zie isêp.
ungsêp
zie ungsêb.
angsya
KW. zva. aju, angsah.
ungsum
zie usum.
èngsêm
mèngsêm, zie èsêm.
angsêg
KN. het voorwaarts trekken, oprukken, aanrukken; aandringen, opdringen, zva. angsah, en angsêh, maar van een menigte te zamen, vgl. dhêsêg, sêrêg, (ook ngrangsêg, aandringen bv. met vragen GL. 36). — ngangsêg, voorwaarts trekken, oprukken BTDj. 667; ook oprukken tegen BTDj. 301, 606; aanrukken, verder voortgaan; aandringen? BG.: ° pitanannya, aandringen tegen BTDj. 301. — mangsêg, verzadigd zijn (Tj. II, 391: mêmangsêgi) Rh. — ngangsêgi, aandringen enz. tegen of om Wk. — ngangsêgake, volk voorwaarts laten marcheeren of aanrukken enz. — pangangsêg, infin. BTDj. 44.
ingsêg
en ingsêg, KN. gesnik (vrg. sênggruk). — mingsêg, gew. mingsêg-mingsêg, of ngingsêg-ingsêg, snikken AS.; WP. 76; RP. 82. — mingsêg-mingsêgi, of ngingsêg-ingsêgi, snikken om Wk.
angsab
zie asab.
ingsêb
zie isêp.
ungsêb
ungsap-ungsêp, voorover met het aangezicht vallen of zich werpen op imd. Waj. I, 270. — kongsêb, KN. voorover met het aangezicht op den grond vallen. — ngongsêb, voorover met het aangezicht op den grond gaan vallen of zich werpen. — ngungsêbake, ook wel ngungsêpake, en ngusêpake, met het aangezicht op den grond

--- 1 : 216 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 32 dari 41
doen vallen, vgl. nglangèkake, en WP. 517.
ongsêb
zie asab.
angsang
KN. I. kieuw, kieuwen. — ngangsang, een visch grijpen of vasthouden door den duim in de kieuw te steken J. ngangsang-angsang, inhalig; naar zich toe halen, wat iemand niet toekomt; het onderste uit de kan willen hebben J., vgl. grangsang. — II. een houten verdieping van een sirih-doos met een knopje om ze op te lichten. Ook langsang, Wk. vgl. wêlangsang, sêlangsang.
angsung
zie sung.
angwan
KW. zva. angon, Wk.
ingwan
KW. zva. ingon, Wk.
angwap
KW. zva. galak, Wk.
ingwang
of ingwang, ngwang, (BS. 335) ingong, (BS. 24) en ngong, BS. 112 (de beide laatsten ontbr. W.) KW. vrnw. zva. aku, ku, en dak.
anglo
Chin. KN. vuurtest, komfoor (vrg. kêrên, en pêrapèn, bij api, I.) BG. 142.
angèl
verk. ngèl, (KB. 32, KW. zie ben.) KN. bezwaarlijk, moeilijk, ongemaklijk, lastig (vrg. ewuh) JZ. II; KS. 121. — mangèl, KW. = asayah, angèl. — ngangèl-angèl, of ngêngèl-êngèl, KN. bezwaren maken, niet gemaklijk zich laten vinden; iets moeilijk of ongemaklijk maken, bemoeilijken JZ. II. — ngangèli, iemand het moeilijk maken G., bemoeilijken J. kangelan, moeite hebben; moeite die iemand heeft of ondervindt. adamêl ° ing sariranipun, zich de moeite geven BTDj. 26; de moeite doen om iets te verrichten. — ngangèlaka,[3] caus.; ook 't imd. lastig maken Wk.
ingêl
KW. = jungkêl, Wk. — ngingêl, iem. bij den nek houdend het hoofd neerdrukken, vgl. ungsêb. kèngêl, het hoofd door iets zwaars op den nek neergedrukt krijgen; verdraaid, verzwikt v. d. nek Wk.
ungal
KN. het uitsteken van iets, zoodat het gedeeltelijk zichtbaar is; het half ontbloot zijn (vrg. ungil, ungup, poncol, en pangul). ungal, K. zie bij uni, II. — mungal, KN. ergens uitsteken, zoodat het voor een gedeelte zichtbaar is; zich half ontblooten JZ. II, 133; een uitstekende punt G. — ngungali, imd. (iets) zoo te zien geven Wk. — ngungalake, iets doen uitsteken, half ontblooten; laten zien, laten blijken.
ungêl
K. zie uni, II.
ungil
KN. mungil, zva. mingis, (vrg. ungal, mungal). mungal-mungil, KN. spr. voor aarzelen JZ. II. mungil-mungil, Bl. CP. 132.
anglah
KW. zva. lara, T. 48a. Ook gebruik. in Malang en Japara Oud. Vrg. angluh.
anglih
KW. zva. lêsu, Vrg. ngêlih, dat het groundw. is WS. 135.
angluh
(ook gebruik. in Japara Oud.) of angloh, (IS. 4) KW. zva. anglah, en anglih, BS. angloh, KN. G. (Wk. ngêngloh, Zie ben.) ergens, bv. aan het hoofd (vgl. ngêlu) zich ziek voelen, pijn hebben of lijden. diêngloh, of dingloh, pass. J. — ngangluh, klagen over Rh.
anglêr
manglêr, geleidelijk, niet met schokken, bv. van het leven tot den dood overgaan.
anglur
zie lur.
inglar
KW. zva. simpang, singkir. KN. eig. afwijking, fig. van een belofte, nalating door die niet na te komen (vrg. tilar, en singlar). — minglar, afwijken, ontwijken enz.; ook fig., nalatig zijn, door niet na te komen; draaien, loochenen ontkennen. — nginglari, afwijken van, ontrouw zijn aan, iets ontkennen Wk. — nginglarake, caus. Wk.
anglês
zie lês, en anglès.
anglès
ook wel anglês, KN. zich stil weg begeven, stil heen gaan, zonder afscheid te nemen, wegsluipen WP. 280, 375; zich aan een kampstrijd onttrekken door zich uit de weg te maken; wegblijven voor d. rechtbank v. e. gedaagde Wk.
anglêp
KW. zva. rêsik, G.
inglêp
KN. intrekking, zooals van de uitgestoken tong in den mond en v. d. kop v. e. schildpad Wk. (vrg. ingslêp). — minglêp, ook wel minglêb, zva. mingslêp, B. v. B. — nginglêp, J.; Wk. nginglêmpake, AS. iets, zooals de uitgestoken tong intrekken.
anglêg
suikerzoet, inzoet, overzoet Wk., vgl. lêg, tumêg.
anglèng
zva. gênah, cêtha, tela, v. e. gerucht: zeker, stellig Men. IX, 303, VIII, 5; en zie bij lèng.
ènglèng
het naar eene zijde gekeerd zijn van 't hoofd, bv. om beter te kunnen luisteren. — mènglèng, die houding [hou...]

--- 1 : 217 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 33 dari 41
[...ding] aannemen BG. 39; Waj. II, 399. Het hoofd, de kop, ook v. boomen de kruin neigen J. Zie manglung.
angap
KN. gaping van den opengesperden mond of bek (vrg. angop, en cangap). — mangap, (ook mangak? Men.) gapen JZ. II. — ngangapi, voor, om of tegen den mond of bek openmaken Wk. — ngangapake, den mond of bek wijd openzetten of opensperren.
angop
of angob, KN. den mond wijd openzetten; geeuwen (vrg. angap, kêlakêpan, en cêlongop, Ml. měnguwap); ook iemand toesnauwen JZ. II.
ingip
KN. het uitkomen, uitsteken van kleine dingen, als zij even te zien zijn, bv. v. tanden; vgl. ingis, ungap, èlèt. — mingip, even ergens uitsteken als boven. Ook n. v. e. tijdperk van de padi SG. — ngingipake, en mingipake, caus. Wk.
ungap
KN. I. uithoek, kaap, vgl. sungap. — ngungap, als een kaap uitsteken, uitspringen Wk. — II. zva. wangwang, huiverig; schroomen, aarzelen Wk. — III. over iets heen zien, iemand over het hoofd zien; zich boven anderen verheffen of laten hooren (vrg. ungup) G. (vlg. Wk. = ngungak, en ngulap). — IV. = ungab, open ook v. d. mond en ongev. zva. ucap, Waj. II, 469: tipis ungape.
ungup
KN. het met een gedeelte uitsteken of komen uitkijken van iets; het uitgestoken zijn van het hoofd door een opening (vrg. ungap, ingip, untup, ungal). Ook fig. begin van iets, blijk Wk. — mungup, met het hoofd ergens uitkomen of uit komen kijken BG. 198: ° ing kori, ook van nagels die boven de vingertoppen uitsteken WP. 8; voor den dag komen van de maan. mindha wulan ° tanggal patbêlas, B.; ook fig. uitkomen, voor den dag komen van iemands verstand JZ. I. Verder in den eersten staat van ontkieming zijn van padi-zaad vóór sumumbi, Wk. JZ. I. — ngungupi, 't hoofd uitsteken om of tegen. — ngungupake, het hoofd ergens uitsteken Wk.
angdhe
zie ondhe, Gr. L. 110; en KW. = adamêl, Wk., vgl. angde.
ăngja
KW. zva. ănja-ănja. — ngăngja, zva. anjêmpalik, Wk.
ingya
KW. zva. aku, Wk., vgl. ingwang, etc.
angêm
KW. zva. ngêkum.
angga
zie ăngga.
anggi
KW. zva. bumbu. anggi-anggi, KN. specerijen, kruiderijen, geneeskruiden (vrg. cêraki) JZ. I, 280, DN. I, 91. anggi-anggi ing kêkawin, wangs. voor trêngguli, [guli] JZ. II, 271. sêga anggi, K. sêkul °, gewl. sêga langgi, K. sêkul langgi, een bereiding van rijst met kruiden Wk., vgl. kabuli.
angge
zie anggo, en angge-angge.
anggo
N. angge, K. agêm, KI. gebruik; dragt; wat iemand gewoon is te gebruiken of te dragen BTDj. 23. De grondvorm is ênggo, êngge, of in één lettergreep go ('nggó) ge ('nggé), en is in WJ. in gebruik in den zin van tot gebruik van, of van tot, waar spraak is van een gebruik tot of van dienen tot iets. — nganggo, ngangge, ngagêm, (magêm, KW.) ook ngênggo, ngêngge, Wk. gebruiken, bezigen, gebruik maken van BG. 19; een kleed (ook een hoed of schoenen Wk.) dragen, aandoen, aantrekken An. 94 (vrg. ngrasuk); zich kleeden; een naam voeren; ° manah, een hart hebben dat ... JW. (veeleer bij nganggo, K. mawi); ook nganggo, N. ngangge, gew. mawi, K. zva. 't Hoogduitsche brauchen: dene nganggo, soms te vertalen door: waartoe behoeft, waartoe is het noodig, dat men? verder voor met, mede, tevens; vóor een zinsneê met dat. ora nganggo, botên mawi, soms te vert. door 't behoeft niet, enz.; niet met, niet daarbij; zonder. dianggo, diênggo, of dinggo, dipun ge, (dipunngé) pass.; soms digawe, Wk. (zoo ook kaanggèni, i. d. z. van gebruikt worden PL. II, 68, 192 en kanggo, Tent. 76). nganggo-anggo, ngangge-angge, ngagêm-agêm, An. zich aankleeden; gekleed zijn, ook: manganggo. — kanggo, kangge, kagêm, in gebruik komen of zijn; in gebruik; te gebruiken Ar. S. XIII, 5, bruikbaar, geschikt, bv. als vrouw, als tegenpartij AS. 174, 278; het te gebruiken of benoodigd zijn; benoodigd. wis kanggo, al gebruikt of gedragen. botên kangge, onnoodig RP. 166. botên kangge samênut, BTDj. 430. wus nora kanggo, BG. 237. tan kinanggo, BG. 446. — nganggoni, nganggeni, nganggêmi, iemand (iets, bv. oorkrabben) te dragen

--- 1 : 218 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 34 dari 41
geven; iemand of iets (iets) aandoen PL. I, 60, 110; II, 174. nganggon-anggoni, nganggèn-anggèni, ngagêm-agêmi, aankleeden DN. II, 468; vlg. anderen = nganggoni, en is aankleeden gewl. andandani, K. andandosi, Wk. — nganggokake, (of ngêng °, Wk.) enz., een obj. te dragen of te gebruiken geven DN. II. 609; iets (iemand) aantrekken of aandoen; een obj. gebruiken tot; ook (van kanggo) als bruikbaar beschouwen, in dienst houden RP. 101; AS. — anggon, anggèn, KI. agêm, uitsluitend tot eigen gebruik bestemd, vandaar van een goede soort tegenover kodhèn, goed om gebruikt of gedragen te worden, deugdzaam. — anggon-anggon, enz. (Wk. ook anggon, enz.) wat door iemand (bv. door een mantri) gedragen wordt DN. II, 461; dragt van iemand (tenue, rangsteeken Wk.); ook pangagêman, KI. het te maken gebruik van iets; het staat aan, het hangt af van Wk. — panganggo, enz., het gebruiken enz. panganggo, N. ook gedraging; Waj. II, 281: patrap °. pangangge, K. BTDj. 50 agêm, en agêm-agêman, BTDj. 49 (Wk. pangagêm?) KI. iemands kleed, kleêren, gewaad (wapen, dat men bij zich draagt; de kris? A. 23, BTDj. 490 (agêman) zoo ook volg. meded. in Palembang Ml. pakeyan voor "wapen"); gewaad dat iemand voegt, dragt voor iemand, uniform Bl. CP. 238; BTDj. 686; vorstelijk gewaad. — manganggo, N. mangangge, K. (mangagêm, of ngagêm-agêm, KI. Wk.) gekleed, bv. in lompen Gr. L. 174; aangekleed, goed gekleed DN. II, 331; BG. 37: ° bêcik, verkleed An., Gr. L., vgl. mrabot, bij prabot. — manganggoni, manganggèni, (KI. mangagêmi, Wk.) aankleeden (of verkleeden?) PL. II, 103; een gewaad geven aan. — piagêm, of piyagêm, KN. acte van investituur of bekleeding met een post, en het beheer over landerijen van een Vorst of Groote; pachtbrief. layang piyagêm, hetz. Vgl. lungguh, nawala. — miyagêmi, imd. met een piyagêm, begiftigen Wk.
êngga
zva. măngga = sumăngga Wk.
êngge
ênggo, zie bij anggo.
ingga
zie engga.
inggu
KN. duivelsdrek, asa foetida (Skr. hinggu). godhong inggu, wijnruit.
engga
of ingga, KW. 1. zva. wangên, en kongsi, (ontbr. W.). — 2. zva. upama, (ontbr. W.). — saengga, of saingga, (ook sengga, sanengga, saningga, en enggana, Wk.) KN. 1. zva. kongsi, of ngantos. — 2. zva. saupama, gelijk, als; en bijaldien, ingeval; den schijn hebben van. saengga sami kalih, geheel gelijk als.
ăngga
of angga, KW. zva. awak, (BG. 196 angganya = awake, of upamane?) en rupa. angganya, anggane, of angganipun, KW. zva. rupane, en upamane BG. 512, vgl. oud-jav. kady anggâ, op de wijze van; Kern in Bijdr. Se R. XI, 153 (Skr. angga, lichaam; lid; hulpmiddel). hyang ăngga, BG. 265? — panggan = pawakan, Wk. KN. WJ. een verb. v. sangga, of săngga. Zie verder Kern in Bijdr. 4e R. I, 138 vlgg. en Juynb. 153, 175. ănggadara, KN. benaming van een wapendrager van den Vorst JZ. I, 83. ănggajali, eign. van een zoon van Bråmå-kěṇdhàli. nini ăngga, ni °, of nyi °, vlg. 't volksgeloof een booze watergeest in de gedaante van een klein meisje, die met haar lange armen en beenen de menschen in de diepte trekt Wk. — ngăngga, zva. ngawak, ngawaki, amindha, (JZ. II).
anggah
en anggêh, WS. 162 KW. zva. angkah (arah) kukuh, en karêp. anggêh, ook zva. anggêp, pêthuk, prênah, JZ. I; WS. 162. — nganggah, zva. ngarah, Wk. vgl. panggah. — panganggêh, zva. panganggêp. — manganggêh, en nganggêh, zva. mêthuk, vgl. panggêh.
anggêh
zie anggah.
ênggih
MD. zie iya.
ênggèh
MD. zie iya.
inggah
K. zie unggah.
inggih
K. zie iya.
unggah
K. inggah, K. het opklimmen, opgaan; klimming, stijging, bv. van het water, van den prijs of van rang Wk., vgl. uluk. inscheping, 't aan boord gaan Wk.; het hooger in toon worden, op hooger toon geslagen worden van de gamělan, vgl. Wk. het vlugger en harder bespeeld worden, vgl. sêsêg, opschuring, het door middel van een ladder in de lumbung gebracht worden van de padi; steilte van een trap DN. II, 10 (vrg. undhak, en ènèk). — munggah, minggah, opklimmen [op...]

--- 1 : 219 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 35 dari 41
[...klimmen] (BG. 58: ° gunung, mudhun jurang) stijgen, hooger worden (Wk., Bab. Jo. II, 421); opgaan, optrekken. munggah ing dharat, aan land stijgen, landen. In Surakarta gewl. mudhun ing dharat, ook al is de oever hooger dan de prahu Wk. minggah ing baita, scheep gaan WP. 27, 328, 331. munggah timur, O. waarts (hooger op) gaan B. 495. munggah haji, als bedevaartganger opgaan, ter bedevaart gaan An. 130; vlg. Wk. ook munggah mênyang Mêkah. munggah ajar, opklimmen tot Ajar (leeraar) AS. ° bunci, zie bunci. munggah ing surambi, de trappen opgaan naar de Surambi, vóor de priesterlijke rechtbank komen, van een rechtszaak. munggah, v. d. gamělan met verheffing van toon en in versnelde maat Wk.; vlg. and. = niba. Zie ook JZ. II. minggah ing ardi, wangs. voor sêmăngka, [sumêngka] JZ. II, 276. — ngunggahi, nginggahi, beklimmen BTDj. 215; opklimmen bij of langs; klimmen naar ... toe BTDj. 4; optrekken tegen; ergens iets opbrengen, zooals water op een akker PL. II, 47; aan een man zich tot een huwelijk aanbieden van een vrouw G. (vlg. Wk. poët.); en in dezen zin ook ngunggah-unggahi, K. nginggah-inggahi, BS.; BP. I, 57. — ngunggahake, nginggahakên, doen opklimmen, doen rijzen in toon v. e. gěṇdhing Waj. I, 4; doen stijgen bv. in rang KT., Gr. L. 1. ° garwa, een bijzit tot echte vrouw verheffen BTDj. 458, 463, 488; iets ergens opbrengen; goederen in een schip laden Wk., ook personen WP. 331; een zaak vóor de rechtbank brengen JZ. I, 59, Wk.; mouwen aan (een buisje) naaien Wk.; een vlag hijschen Tj. N. P. 122; padi in de schuur brengen Gr. L.; JZ. I; van een geweer den haan overhalen AS.; bij een erfdeeling een even getal porties met één verhoogen KT. R. ° saksi, als getuige doen optreden te M. in TBG. XXV, 276. — unggahan, (Surab.) de pas optredenden, meestal jonggehuwden, de niet vol-dienstplichtigen, die een kleiner aandeel krijgen ER. III, 69, 202. unggah-unggahan, inggah-inggahan, opgang in de hoogte PL. II, 8; trap naar boven, iets daar men bij opgaan of opklimmen kan, bv. ook een uitgekapte opgang aan een steilen oever Wk. wong °, menschen die van een lager gelegen plaats naar een hoogere gekomen zijn Wk.; opgaande linie; bevordering, promotie Rh.; het wasschen van het hoofdhaar in het begin van de vasten; vlg. Wk. = punggahan. — punggahan, K. pinggahan, een optrap Rh.; de reiniging bij den aanvang van de vasten. Vlg. Wk. ook n. v. e. offerande gewijd aan de overleden ouders en voorouders op den laatsten ruwah.
ungguh
I. minder gebr. Bl. CP. 137: angsal ungguh, tur lênggah kursi, enz. behandeling overeenk. zijn rang. unggah-ungguh, KN. de meerdere of mindere hoogte van de waarde van dingen van dezelfde soort; het onderscheiden gebruik van woorden en uitdrukkingen naar het verschil van rang en stand (vrg. anggêh, zva. anggêp, en krama) Gr. L. 52. — ngunggah-ungguhake, een taal of woord zoo gebruiken; de waarde van dingen van dezelfde soort als boven onderscheiden Wk. — II. mungguh, 1. deftig, van iemand die op zijn rang of eer staat; wat goed staat; goed staan. tan mungguh, niet passend Tj. IV, 264. ° pantês, Bab. Jo. I, 478. — 2. mungguh, N. mênggah, K. (KW. manggwa) met opzicht tot, betreffende, aangaande; wat betreft; wat aangaat (in het spraakgebruik zva. het Fr. quant à) zoo ter versterking: ° kêpriye, Bab. Jo. I, 1131; bij God zweren RP. 30 (WW. dêmi); voor 't geval dat, bv. Gr. L. 108: ° dibasani kêpiye, zoo ook mungguh mênawa, BTDj. 384; vóor een vergel. zva. als 't gold of gesproken van BG. 450; zva. patut, begrijpelijk, in harmonie met, geschikt, waardig zijn enz. ora mungguh ing agamane, niet overeenkomstig de godsdienst. mungguha, of yèn mungguha, betrof het, indien het betrof, wanneer men een vergelijking of beeldspraak aan iets ontleent; bv.: De Lo-boom is, yèn mungguha wong: ladak, indien het een mensch betrof (van een mensch gesproken) trotsch. Vgl. LB. 107.
angge-angge
KN. een soort waterkrekel Wk.
ănggainggi
zva. sănggarunggi, sumêlang, en jinjang, Wk.
anggon
anggèn, zie anggo, en ênggon.
ênggèn
zie ênggon.
ênggon
of in één lettergreep gon ('nggon) N. ênggèn, of gèn ('nggèn) K. unggwan, BS. en unggyan, onggyan, BS. of gwan, en gyan, KW. (zie ook KS. 75) plaats, plek, de

--- 1 : 220 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 36 dari 41
plaats waar iemand zich ophoudt JZ. II; ook zetel bv. van kracht of bekwaamheid K. 6, 4. ing ngêndi saênggone katêmu, waar hij ook gevonden wordt. saênggon-ênggon, WP. 41: op alle plaatsen, onverschillig waar. sakênggon-ênggone, Waj. II, 111 en saênggone, JW. 220 id. ênggèn ing kawi, wangs. voor angsana, [asana] JZ. II, 267. Ook ênggon, N. ênggèn, of anggèn, K. hulpwoord om van een gezegde een naamwoord te vormen, even als olèh, N. angsal, K. (zie de Gr.) JZ. II. — manggon, manggèn, ergens zijn plaats, zitplaats of verblijfplaats hebben of houden; zich ergens plaatsen DN. II, 307; zich ergens ophouden; op één plaats, bij één zaak blijven JZ. II; gestationeerd zijn van troepen; ergens zitten, blijven zitten, vastzitten, bv. van pijn ergens in het lichaam; ingeworteld, verouderd van ziekte Wk.; gevestigd, bv. van een vaste betrekking, een algemeen aangenomen meening, een vaststaand bericht, vgl. têtêp, Wk.; vast v. d. hand Wk., vgl. ajêg. pikir kang wus manggon, een reeds gevestigd (rijp) verstand; goed gelegen v. e. plaats, vlg. kêpangku, prênah, harmoniëeren v. e. echtpaar (trouw of bij elkaar passen; vrg. prênah, patut, tanggon, en rujuk, Wk.). — ngênggoni. ° sêsiku, WP. 266, herbergen? (vgl. ° sakèh ngèlmi cipta êning, C. 2151, bl. 71a) fig. in zijn hart een plaats geven aan; wellicht onder invloed van het Madur. waar ngênggunèn barang, voorkomt in den zin van goederen bij zich hebben; doch ook BG. 82: watêk kompra dèn goni. K. ngênggèni, of nganggèni, en ngunggwani, ngunggyani, KW. BS. een plaats bezetten, ergens zich neerzetten JZ., BS., of vestigen BTDj. 583; iets, bv. een huis, bewonen PL. I, 62, 63, ergens zich bevinden. ngênggenan, poët. oud-pass. voor ingênggenad,[4] BS. kanggonan, N. (kaunggwan, KW. AS.) kanggenan, K. wordt gezegd van een plaats waar, en van een persoon, bij wie zich iets bevindt (onwettig Wk.? wel in. malam partem doch met toevoeg. van botên kalilan, BTDj. 19: botên kalilan yèn kanggenana Radèn Sêsuruh). kanggonan wong ala, slecht volk bij zich in huis hebben. kanggonan kaprawiran, heldenmoed in het lijf hebben An. 27; kanggonan têmên, JZ. I. — ngênggonake, ngênggènakên, iets ergens plaatsen of zetten, zooals een vogel in een kooi Gr. L. 85. — panggonan, panggenan, de plaats waar iemand of iets zich bevindt. ingsun panggenan luput, bij mij ligt de schuld GB. XI, 78; JZ. II, vgl. mal. těmpat. — manggoni, manggèni, zva. ngênggoni, ngênggèni. kapanggonan, kapanggenan, bezet, betrokken, bewoond DN. II, 536, of te bezetten enz. — manggonake, manggènakên, 1. iemand (ergens) plaatsen, zetten, doen of laten wonen. — 2. (pass. dimang °, dipun mang °) iets blij vend, vast, bepaald maken etc. Wk.
anggana
KW. zva. dhewe (Ars. fol. 8; BG. 370) wong wadon, (Skr. angganâ) vgl. ăngga, gana. anggana raras, of agana laras, (sic!) Pr. 3 = ayu-ayu, vlg. anderen: met versierd lichaam, d. i. sierlijk gekleed. — panggana, zva. wadon, Wk.
anggra
KW. zva. rangkah, dhadhah, Wk.
anggar
KN. I. schermen Wk. vgl. agar, uthik. — II. koppel van een op zijde gedragen kris of zijgeweer. anyuriga pêdhang: agar rêkta, Bab. Jo. I, 117; vgl. salempang, endhong, ilat-ilatan, en zie ZG. XX, 290. — nganggar, een zijgeweer of kris aan een koppel dragen of daarin steken (vrg. nyuriga, bij curiga, en nyêngkêlit. — nganggari, imd. of iets van een koppel voorzien; imd. (iets) aan een koppel te dragen geven. — nganggarake, van een koppel laten voorzien; iets (iem.) aan een koppel te dragen geven Wk. — III. nganggar, geld leenen of te leen vragen zonder pand. — nganggari, op die wijze geld leenen aan. — nganggarake, op die wijze uitleenen. — anggaran, wat zonder pand geleend is Wk.; vgl. utang, silih.
anggêr
KN. paal die dient om iets vast te zetten G.; (pajêg anggêr, n. v. e. vroegere belasting op de erven in Bagělen ER. II, Bijl. 65); bepaling, vaststelling, wetsbepaling, wet, verzekering. layang anggêr, of layang anggêr-anggêr, (of ° anggêr-anggêran) schriftelijke wetsbepalingen, wetboek; voorteeken dat iets aanstaande is, bv. het geluid van de garèng, die de komst van de O. moeson voorspelt Wk. vrg. ngalamat. anggêr, en anggêre, of anggêripun, als maar, mits, vgl. janji, asal,

--- 1 : 221 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 37 dari 41
sok. anggêr kêbo, elke buffel. ora anggêr wong, Gr. L. 109, niet iedereen. — nganggêri, voor iets bepalen of een bepaling stellen. — anggêran, gemaakte bepaling K. 9, 9. anggêr-anggêran, (verzameling van Wk.) gemaakte wetsbepalingen. — panggêr, zva. anggêr, Joes. 231. — panggêran, of pêpanggêran, wat dient om iets te bepalen of vast te stellen; verordening, reglement, keur, tarief, voorschrift Wk. Bl. CP. 206 contract. Bab. Jo. II, 283: ° ing bicara, raadsbesluit? — panganggêran, vaststelling, bepaling; voorbeeld; gewoonte, gebruik, wijze G., kenteeken, kenmerk, voorteeken, voorbode Wk.
anggur
KN. 1. wijn (Pers. [Arab]). wit anggur, wijnstok. woh anggur, wijndruif. Men plant ze gaarne op 't erf, denkende aan nganggur, Wk. vgl. andong. (ook wijnstok? Wk.) BG. 229. ° manis, ° abang, BG. 274. — 2. ledigheid, het niets te doen hebben (ook panganggur, Wk.). anggur-anggure, bij ledigheid, als men leêg zit of niets te doen heeft. — nganggur, niets te doen hebben, ledig zitten of ledig loopen; buiten dienst zijn (vgl. ngindhung); zonder werk JB. 411; geen dienst doen, fig. voor ongebruikt liggen Waj. I, 166, vgl. lêga. dhudha nganggur, Gr. L., GL. 139, een ongetrouwde weduwnaar. ala nganggur, (of alah °, Wk.) slechter is 't ledig te zitten, een spreekmanier voor tijdverdrijf of tot tijdverdrijf. — nganggurake, caus.; ook imd. met rust laten Wk. — angguran. wong °, iemand, die aan geen vaste werkzaamheden gebonden is en vrij over zijn tijd beschikken kan ER. III, 72, 204, Gr. L. 121 (waarvoor ook wel ° ngindhung, Wk.). Zie ook ZG. XXXVIII, 32; een lediglooper. — pangangguran, tijdverdrijf, tijdkorting JZ. I; tot tijdverdrijf doen Wk.
anggèr
I. ênggèr, of in één lettergreep gèr, ('nggèr) KN. een woord dat in plaats van thole, of êbèr, gebruikt wordt, wanneer men een kind of jongere liefkozend of vriendelijk toespreekt: lieve kind! mijn lieve kind! JZ. I; WP. 335; i. p. v. anak, als vocat. gebruikt tegenover aanzienlijken Wk. ratu ênggèr, zie ratu. En zóó noemt ook wel een man zijn jonge vrouw AS.; BS. — panggèr = anggèr, Sri T. 40b. — ngênggèr-ênggèr, vleien door gedurig imd. ênggèr, te noemen Wk. — II. N. zva. ana, Wk. Sw. XXV.
ênggir
zie êmbik, vgl. pinggir.
ênggèr
zie anggèr.
inggar
1. KW. weggaan, heengaan; vertekken G. Vrg. linggar. — 2. KN. zva. enggar.
unggar
KN. ngunggar, iets, zooals de samengepakte korst van den grond, los- of opwerken, los- of oppeuteren (vgl. nyunggar); iemand aanvuren, aanporren Bab. Jo. I, 517, ook herh. BTDj. 98, 427; Bl. CP. 257; JZ. I. Wilk. in Prěg. 4 vat het op in den zin v. ugung, iem. in alles toegeven.
enggar
ook egar, en inggar, KN. lustig, opgeruimd BG. 392; vgl. bigar, wigar. — kaenggaran, kaegaran, KW. zva. kabungahan, Wk. — ngenggar-enggar, zich verlustigen (ngegar, imd. vermaken Bab. Jo. II, 116 ook herh. II, 2).
anggara
KW. zva. Salasa, Dinsdag (Skr. anggâra, naam van de planeet Mars) in kawi-inscripties veelal bij verkort. A, Wk. dina Anggara Kasih, (verk. Gara Kasih, BG. 194: mati ngurag °) KN. een Dinsdag-kliwon, die voor een heiligen dag gehouden wordt, zoodat een maand, waarin zulk een dag niet voorkomt, voor een ongeluksmaand gehouden wordt JZ. I, 169; AS.
anggrah
KN. anggrah-anggrah, onbeduidend, van geen belang G., vgl. abrag-abrag, obrogan.
anggrak
nganggrak, iemand aanhouden, vasthouden, beletten bv. om weg te gaan. Aanhalen, beslag leggen op, bv. smokkelwaar Wk.; vgl. bêskup.
anggrèk
1. als naam voor Orchideeën, parasieten en andere Fil. Tj. I, 787; BG. 343; MR. I, 56. ° wilis, C. 2061, p. 72b. — 2. kêmbang ° en ° sitangsu, namen v. bathiksels (de laatste ook n. v. e. bloem). — 3. de korf vóor de opening in de leiding om het water niet te snel te doen stroomen SG.
onggrak-anggrik
een donderend, bulderend geluid geven? verb. met kêtug, Tj. II, 613; eld angrok, Tj. II, 633. Vrg. gêrok.
anggras
KN. bluf, gewl. om iem. bang te maken, of te imponeeren Wk. (vrg. anggas). — nganggras, bluffen JZ. II.
anggris
KN. waarschijnlijk zva. Inggris, ook n. v. e. volk DW. proza 138. reyal Anggris, een reaal zilver, een reaal van dertig wangs., een Spaansche mat BS.

--- 1 : 222 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 38 dari 41
inggris
of Enggris, KN. Engelsch, de Engelschen.
anggrêg
zie ugrêg.
anggrug
KN. ngranggrug-anggrug, rochelen Men. VII, 547.
anggrang
I. = anggrung, Wk. — II. nganggrang, zva. ngangglang? masjide katon °, pagêr tabag dèn ênjêti, lir labur sangking kadohan, Tj. I, 141, vgl. jênggarang.
anggrung
KN. De Sponia Velutina Planch., Nat. fam. der Celtideae. De wortel, bast en bladeren een specifiek middel tegen vallende ziekte? Fil. Het hout is wit en zeer licht, en wordt gebruikt om er dobbers en houtskool van te maken Wk., vlg. Ks. de Trema BI. (Sponia).
inggring
minggring, op de kant van iets zijn, over den rand uitsteken of hangen, vgl. èngkrèng, ongkang, gawing, Huiverig, angstig, twijfelmoedig zijn. — mingkringake, of nging °, caus. Wk.
onggrong
KN. I. ngonggrong, luchtig, losjes met kleine holten op elkander liggen, van gekookte rijst of houtskool. Iets op die wijze opeenstapelen Wk., vgl. gronggong. — II. zva. umpak, ophemeling. — ngonggrong, ophemelen, prijzen, voorn. om te vleien of te verleiden. — pangonggrong, ophemeling.
anggak
nganggak-anggak, zva. ngagak-agak, Wk.
anggok
tan ° = tan anggop, PJ. IV, 304.
ênggik
(verkort gik, Wk.) I. = êmbik, Wk. — II. dunheid, vooral van iets dat hier of daar dun gemaakt of geworden is; het dunste gedeelte van iets Wk., vgl. wangking, gênting. — mênggik, ook wel mêngkik, ergens een dunte hebben door uitsnijding Tj. III, 211; zóó dun worden, zijn of gemaakt zijn als boven, bv. v. e. poot die hier of daar dunner is gedraaid dan op andere plaatsen; volg. Wk. ook dun van middel (vrg. wangking) JZ. II. — ngênggik, vermageren, uitteeren G. (vlg. Wk. ngênggik-ênggik). ngênggik-ênggik, volg. Rh. mager zijn, mager blijven. — ngênggikake, maken dat een obj. ergens dun wordt. — ênggikan, of pênggik, Tj. II, 633, het dunne gedeelte v. e. object. — ênggik-ênggikan, 1. (of êngkik-êngkikan) naam van een vliegend insect; vlg. Wk. een s. v. tor naar 't geluid gen. — 2. inkerving, inbuiging; dun gedraaid gedeelte, bv. van een stoelpoot, tegenover pênthol, Gewricht Wk., vgl. gêlit. — ênggik-ênggikên, lijden aan magerheid.
ênggok
KN. ênggok-ênggoktèn,[5] andere ben. voor (vlg. Wk. soort van) calarat. — ênggok-ênggokan, zva. tênggok.
inggêk
zie enggak, en karinggêk. Ook getande, hoekige of bochtige streep of lijn in een bathiksel Wk., vgl. giyu.
enggak
KN. inggêk, KW. staande zwemmen (vrg. nglangi). Zie echter KS. 74, waar oud-jav. minggêk, ongev. = menggok.
enggok
KN. wending, die iemand neemt onder het gaan: enggoke saking ing margi, BG. 350 (vrg. engkok, bengkok) JZ. II. — menggok, zich wenden, een hoek omslaan, een wending nemen, ook van een weg; afdwalen, zich afwenden van iets G.; van iets, zooals van zijn werk, afwijken. menggak-menggok, (in A. ook enggak-enggok) links en rechts, van de ééne naar de andere zijde zich wenden, wijken of afwijken. — ngenggoki, zich wenden naar; zich keeren om, of ter wille van Wk. — ngenggokake, iets wenden; aan iets een andere wending geven; B. 282: heen en weer duwen? iemand op een dwaalweg brengen, doen afdwalen G. — enggokan, (of enggok-enggokan) wending, bocht, hoek van een weg of stroom. dalan °, een zijweg G., vrg. simpangan.
onggok
KN. het merg uit de arenboom, aren-sago die, na gezuiverd te zijn, pathi arèn, genoemd wordt.
onggak-anggèk
KN. het wrijven en drukken van een kind om het lenig te maken en spoedig te doen groeien; fig. de padiplant links en rechts aandrukken om ze spoedig te doen ontwikkelen; ook afwisselend toe- en afvoeren v. water SG.
anggakara
of ănggakara, (Skr. anggakâra) en surănggakara, KW. zva. kuwat, agêng, Zie ook Kern in Bijdr. 4e R. I, 138; BJK. 172.
ănggadara
kraton-beamte, die de kaprabon van den Sunan draagt JZ. I, 83.

--- 1 : 223 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 39 dari 41
anggit
KI. van once. KN. gedicht, opstel An.; werk (van letterarbeid), vgl. gita, verdicht, verzonnen, bv. van een verhaal JR. (vrg. rumpaka). — nganggit, KI. van ngonce. KN. iets samenstellen, opstellen An.; dichten Bab. Jo. I, 350, vgl. ngikêt, nyăndra, ngrumpaka, marna, mangun. iets in zijn binnenste prenten; uit een en ander opmaken, begrijpen bv. wat iemand wil. kang nganggit, de opsteller, de auteur. nganggit-anggit, iets verzinnen, bedenken. — anggitan, of anggit-anggitan, het samengestelde of opgestelde (in deze bet. vlg. Wk. alleen anggitan); verdichtsel, verzinsel. — panganggit, subst. den.; of juru °, dichter, schrijver, opsteller.
anggut
manggut, met 't hoofd knikken door zenuwachtigheid, vrg. anthuk. manggut-manggut, knikkebollen K. 3, 23; BG. 193, bv. bij 't lachen R.; vlg. Rh. tot teeken van goedkeuring ook door onwillek. beweging bij 't rijden (Bab. Jo. I, 633. nunggang gajah °, BG. 192) RP. 35; Tj. I, 533 bij taṇdhak. — ngangguti, Bab. Jo. I, 1066 toeknikken miss. van goedkeuring. — nganggut-anggutake, caus.
ênggêt
I. huidrimpel of plooi zva. garêt, vgl. pinggêt. Insnijding, inkerving, bv. in hout, vrg. ênggik, II. Wk. — II. Grens, grensteeken, tot aan, vgl. watês, singgêt.
inggat
KN. het heimelijk de vlucht nemen, heimelijke ontvluchting. — minggat, heimelijk zich wegmaken, wegloopen, ontvluchten (oud-jav. id. KO. 23) JZ. II, vgl. lolos. — nginggati, (vgl. ngoncati) iemand heimelijk ontvluchten (nglolosi, hetzelfde Bab. Jo. I, 164: kathah kêng nglolosi, kathah minggat ajrih ingabêna sang dipatya). Iets ontduiken An. 80; volg. G. tot iemand vluchten. ook bij gezamenlijk werk of spel er zich in eens aan onttrekken, waardoor zijn maat schade beloopt Wk. kainggatan, van iemand wien iemand heimelijk ontvlucht is, en volg. G. die een vluchteling bij zich ontvangt. Wk.: lijden door wegvoering JW. 219. — nginggatake, heimelijk doen ontvluchten, heimelijk ontvoeren, schaken; vgl. ngiwat, ngrangkad. — inggatan, iemand die ligt geneigd is om zich heimelijk weg te maken. inggat-inggatan, vluchteling, en de plaats waar een vluchteling zich ophoudt G.
inggut
KW. zva. lirik. — nginggut = nglirik, ngujiwat. — ngingguti = ngujiwati, Wk.
unggut
zie ugut.
anggas
KW. zva. walang, glinggang, KN. 1. walang °, een sprinkhaan met zeer dun lijf en lange, dunne pooten. Tj. Sěngk. = 6 Wk. anggas, of tali °, een band of streng garen, die een zwangere vrouw, om den middel gedaan en gedurig stijver aangetrokken wordt, om te maken dat de nageboorte niet lang achterblijve Rh. — 2. Ook n. v. e. boozen geest N. 201; Tj. III, 6. — 3. bluf. Zie anggras. — nganggas, bluffen; bluffend tarten JZ. II.
anggèsthi
eign. van een Bagawan.
unggwa
zie bij ênggon.
unggwan
KW. zie bij ênggon.
anggal
KW. zva. dhangan, onbezwaard, geen bezwaar hebben, bereid zijn om iets te doen. KN. ligt, niet zwaar, gemakkelijk; ligt geladen ('t tegenovergest. van sarat); nog wel iets meer kunnen laden, van een voer- of vaartuig (vrg. ènthèng). — nganggalake, iets verligten.
anggêl
KN. 1. anggêl-anggêl, wat iets, zooals water in een goot, in zijn loop belemmert, vgl. ambêg, hout tot het aanleggen of ophoogen van een dam; ook nat hout, of iets anders, dat onder het brandhout gelegd wordt bij het aanleggen van een vuur op een vlakke plaats. Zie ook angkêl. — nganggêl-anggêli, in zijn loop belemmeren, beletten, vgl. ugrêg, sanggrêk, Wk. nganggêli, en nganggêl-anggêli, ergens zulk hout plaatsen J. — anggêlan, de dam in een nevenwaterleiding SG.; ER. III, 317. — 2. K. v. bantal. — nganggêli, v. e. bantal voorzien.
inggal
zie enggal.
inggil
K. zie dhuwur, N.
unggal
KN. (ook wel unggil, K.) elk, alle vóór tijdsbepalingen, in ° dina, elken dag, alle dagen. Wk. zie enggal, 3.
unggil
zie unggal.
unggul
KW. = dhuwur, kukuh. KN. boven anderen uitsteken, overwinnen. ° prangipun, BTDj. 17, 76 enz.; overwinning (vrg. tunggul, mênang, en ungkul). Gunstige, voordeelige kans, een term bij hanengevechten Wk. — munggul, boven uitsteken [uitste...]

--- 1 : 224 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 40 dari 41
[...ken]. gapura °, BG. 149; hoog BS., BTDj. 605. — ngunggul, over anderen heenzien; overwinnen G. — ngungguli, iets overtreffen. kaunggulan, G. overwinning. — ngunggulake, doen overwinnen; opvijzelen, verheffen, als uitstekend roemen. ngunggul-unggulake, zich verheffen of beroemen op Gr. L. 207. — unggulan, dikwijls winner zijn v. e. paard of vechthaan Wk. unggul-unggulan, elkander trachten te overwinnen.
enggal
of inggal, (dit laatste is de oorspronkelijke vorm KS. 88) 1. K. zie anyar, N. — 2. KN. spoedig, haastig, schielijk, gezwind, rasch, snel, fluks BS. AS.; spoed Wk. (vrg. gêlis, rikat, en kêbat). enggaling criyos, tot spoed van 't verhaal, om kort te gaan Gr. L. 163, vgl. gancang, cêkakan, ringkêsan. enggale, op zijn kortst (eig. als het spoedig is). enggal-enggal, wat haastig, in zijn wijze van doen; ook volg. Rh. met korte tusschenpoozen, bv. op reis gaan. — menggal, KW. met spoed geschieden AS.; BS. — ngenggalake, KN. iets bespoedigen, spoed of haast doen maken An. — enggal-enggalan, met spoed An.; die spoed moet maken, van een snelbode R.; daar spoed meê gemaakt moet worden, bv. van een brief. — 3. verkort gal, ('nggal) zva. unggal, enggal-enggal, telkens, ieder keer = sabên-sabên, (maar mag nooit met yèn, geconstrueerd worden) Wk.
angglang
KN. het hoog uitsteken van iets, zooals een huis op een hoogte, zoodat men het in zijn geheel zien kan; het hoog boven het water uitsteken van een vaartuig, vgl. anggrang, èglèng. — ngangglang, hoog uitsteken. Zie oglèng, JR.
angglong
KN. hol worden v. d. bovenbuik door het afzakken v. d. vrucht in de laatste tijd der zwangerschap? (vlg. Wk. van de vrouw zelve gezegd); of aglong, doorbuigen v. d. knieën bij het tandhakken Rh.; volg. Wk. ook verminderen door invloed v. lucht en vocht, bv. van zout en derg. (wellicht als dit in een pot of iets derg. plaats heeft, en een holte gevormd wordt?) vrg. long, lukak.
anggêp
KN. beschouwing, hoe iemand of iets door iemand beschouwd wordt JZ. I; Bl. CP. 225 (geloof, vertrouwen Wk., vgl. andêl); behandeling of bejegening (naar zulk een beschouwing). — manggêp? ° rêspati, pusakèng ngagêm sadaya, Bab. Jo. I, 632. sowan bupati wus ° lir kang rama, Bab. Jo. II, 115. — nganggêp, iemand beschouwen, bv. als een broeder, of als een slecht mensch; er kennen, bv. als Vorst; waardeeren; aannemen, bv. als vriend; op de één of andere wijze behandelen An.; iets, zooals een gezegde, betuiging, verklaring, lessen of vermaning aannemen; gelooven JZ. I, BTDj. 645; vertrouwen Gr. L. 148. — kanggêp, (aangenomen, erkend BTDj. 78, WP. 272, Wk.) in aanzien DN. II, 344; geacht; vertrouwd; van invloed, vgl. katrima, katampan. — nganggêpake, iets doen beschouwen als iets, iets doen houden voor iets; achting doen verwerven An. — anggêp-anggêpan, wat voor iets anders aan te nemen is, wat van iets de waarde vertegen woordigt Wk., zich voordoen als iets anders? Waj. II, 158. — panganggêp, subst. denomin. pianggêp, A. 47.
anggop
(ook a °, BS. ê °, en gop, Wk.) KW. ophouden, rusten KS. 62. tan anggop, niet ophouden, niet rusten, zva. tan pêgat, onafgebroken, onophoudelijk, ook ora gop, Wk. tan dèn gopi, DW. 152; Bab. Jo. I, 513; ook wel tan mawi inganggopan, Men. VIII, 111. tan ngagopi, Rs. 702. tan ginopan, Tj. I, 74.
anggapraya
of ăngga °, KW. zva. wêwayangan.
anggya
KW. zva. angge. — anggyan-anggyan, C. 2061, bl. 53a zva. ênggèn-ênggèn. — pinênganggyan, zva. pinanganggèn, Bab. Jo. II, 62a.
unggya
KW. zva. ênggon, prênah, Wk.
anggyan
zie anggya.
unggyan
of onggyan, zie ênggon.
anggang
ongebr.; anggang-anggang, KN. zachtjes, bv. van een druk of hamerslag; ook naam van een waterspin BG. 346, vgl. rongo, en van twee bathiksels. — nganggang-anggang, iets zachtjes, met een ligte hand doen, losjes houden, niet zwaar drukken. — nganggang-anggangake, de hand ligt houden bij 't vasthouden of drukken Wk.
anggêng
KW. zva. anggung, asring, tansah, Wk.
anggung
KN. in poëzie ook agung, en gung, BS. steeds, bestendig, gestadig, aanhoudend. tan wus dènnyanggung

--- 1 : 225 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa–HaNga): Citra 41 dari 41
lara kung, BG. 72. kang lagya anggung prihatin, Tj. II, 578; verder DN. II, 559; AS. (vrg. tansah, en panggêng). anggung wuyung, wangs. voor soka, (de bloem) JZ. II, 267. ° mungsuh, wangs. voor jagasatru, ibid. ° liwat, wangs. voor wora-wari [wira-wiri] ibid. ° dadi mungsuh, wangs. voor bêstru, [satru] JZ. II, 271. ° tilik, wangs. voor malinjo, [tinjo] ibid. ° katingal, wangs. voor ulam totok, [katok]. ° sirna, wangs. voor ulam sumbilang, [ilang]. ° sêsuta, wangs. voor ulam balênak, [anak-anak]. ° gănda, wangs. voor ulam lumbêt, [ambêt] JZ. II, 277. — manggung, hetz., en aanhoudend voortgaan; aanhoudend door koeren, van tortels; ook een meisje, dat tot bijzit van den Vorst bestemd is en in de kraton opgeleid wordt. Zie gung, en panggung.
anggèng
KW. zva. munggèng.
anggong
van dorst hijgen v. e. vechthaan onder 't vechten Wk., vgl. ngongkong, ngêlak, ngangsur.
ênggêng
zie gêng.
angêb
KW. zva. aub. — mangêb, zva. ngaub, Zie WS. 165.
angob
zie angop.
ungab
KN. open Rh. Zie bij ungap.
anging
zie nanging.
ingong
zie ingwang.
ungang
zie ongang.
ungong
ngungong, KW. zva. andêlêng. — ngungong, v. pauwen een geluid maken Tj. I, 117, 137: mêrak nya °.
ongang
(ontbr. W.) of ungang, KW. zva. dêlêng, T. 16b, 47b. — mongang, of mungang, (ontbr. W.) zva. ngaton. — ngongang, (ontbr. W.) of ngungang, mangungang, (Tj. II, 513) zva. andêlêng, KS. 99. — mongangi, mangungangi, zva. andêlêngi. — mangungangkên, zva. ngatokake. — pangungang, zva. pandêlêng. — ngungangan, zva. paningalan, (ontbr. W.). — pangongangan, (ontbr. W.) of pangungangan, zva. panontonan, araning lawang, ook naam van een distrikt; vgl. pangungakan.
êngung-êngung
KW. zva. pêtêng gagap.

 


ingah-ingahan. (kembali)
angonkên. (kembali)
ngangèlake. (kembali)
ingênggenan. (kembali)
ênggok-ênggokan. (kembali)