Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma)

Judul
1. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918. Kategori: Arsip dan Sejarah > Galeri
2. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 01: Deel I Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
3. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 02: Ha-HaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
4. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 03: HaRa-HaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
5. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 04: HaSa-HaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
6. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 05: HaDha-HaMa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
7. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa-HaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
8. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 07: Na). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
9. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 08: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
10. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 09: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
11. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 10: Ka-KaRa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
12. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 11: KaKa-KaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
13. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
14. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 13: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
15. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 14: Ta-TaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
16. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 15: TaPa-TaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
17. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 16: Sa-SaKa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
18. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 17: SaDa-KaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
19. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 18: SaDha-SaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
20. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 19: Deel II Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
21. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 20: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
22. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 21: La-LaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
23. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 22: LaLa-LaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
24. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 23: Pa-PaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
25. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 24: PaRa-PaSa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
26. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 25: PaWa-PaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
27. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 26: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
28. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 27: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
29. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
30. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
31. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 30: Ga-GaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
32. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 31: GaLa-GaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
33. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 32: Ba-BaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
34. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 33: BaSa-BaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
35. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 34: Tha-Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
36. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 35: Bijvoegsels en Verbeteringen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
37. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 36: Aanteekeningen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
Citra

Pencarian Teks:

Lingkup pencarian: teks dan catatan-kakinya. Teks pencarian: 2-24 karakter. Filter pencarian: huruf besar/kecil serta diakritik diabaikan; mengakomodasi variasi ejaan, termasuk [dj : j, tj : c, j : y, oe : u].

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1

Ma

ma
1. KW. zva. kêlawan, Wk. en poët. voorvoegsel, zva. ha. - 2. ma, (), anders mah, verkorting van maha, bv. in masêkti, (màsěkti) en maha agung, (màágung). - 3. ma, (mǎ) zva. , verkorting vang mar, of mêr, bv. in madagang, of mêdagang, voor mêrdagang. - 4. verkort. van lima, bij 't tellen. - 5. verkort. van den eigenn. krama, en van rama, ML. 62, LK. 73, enz.
mi
of mih, 1. KW. zva. rêmbulan, G.; vlg. anderen zva. sa. - 2. mi, Chin. vermicelli (vrg. laksa, 2.). miswa, (mi-swa) of miswah, witte vermicelli. bakmi, een van vermicelli bereide kost, zie i. v.
mu
zie amu.
me
zie pe.
mah
zie maha, II. en ma, 2. Verder KW. zva. barêng, lah, ênya, ayo, pakewuh, Wk.
mih
KW. zie mi, 1.
mèh
of êmèh, KN. bijna, bijkans; het scheelt weinig of (vrg. dungkap, andungkap). mèh jam têlu, bijna drie uur. mèh mati, bijkans dood. mèh sêthithik, (of ° kêdhik, of ° sêkêdhik) het was (of stond) op het punt dat ... (AS. 183, W.). mèh-mèh, heel nabij, op het punt of op slag van, zoo goed als al, heel weinig schelen of.
moh
1. of êmoh, N. een uitroep van onwil (JZ. II) ik geef er de brui van! niet willen, niet willen doen of hebben, er een hekel aan hebben, het verfoeien SR.; in BK. boya gêlêm, Rh. (vrg.

--- 2 : 461 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
moha); zva. ora arêp, en ora gêlêm, Wk. ° gila mring arak, BG. 288. aku wis moh, ik wil niet meer hebben, ik wil er niet meer van hebben, ik wil er niets meer van hooren. - ngêmohi, ook erg. moh, op zeggen; van iets niet meer willen hebben, beu zijn van. - 2. amoh, KN. geheel versleten, bv. van kleeren, aan vodden (vrg. ajur, luwas, en lungsêt); volg. Rh. ook malsch. ajur amoh, vermorseld en aan flarden AS. 266. - kamohan, het een of andere kleedingstuk als het eenige dat men heeft zoo lang dragen totdat het aan het lijf slijt, in flarden raakt, voor armoede lijden Wk. - ngêmohake, of nga °, maken dat iets geheel versleten wordt AS. 256. - momohan, iets dat geheel versleten is; lompen, vodden BG. 239. - 3. KN. zie woh.
maha
I. zie têmaha, KT. 2. - II. maha, ook verkort mah, en ma, (), KN. groot, hoog, in samenstelling vóór een ander woord, om het hoogste en voortreffelijkste uit te drukken (Skr. mahâ °); bv. Maha Kuwasa, en Maha Wisesa, de Grootmachtige, de Almachtige. Maha Dhuwur, (of ° inggil, en ° luhur) de Allerhoogste. Allah Ingkang Maha Luwih, God de Allerhoogste. Maha Sukci, hoogheilig, de Allerheiligste. Maha Wikan, alwetend. Maha Mulya, hoogheerlijk, de Hoogheerlijke (Skr. mahâmûlya, kostelijk, pretieus). Maha Adi, aller voortreffelijkste. Maha Agung, of Mahagung, de Allerhoogste JBr. 101. maharaja, of maraja, ook mraja. de Oppervorst (Skr. mahârâja). maha ciri, maha kirna, maha tandhing-tinandhing, maha pralaya, sprkww. JZ. II. Andere samenstellingen zie beneden.
mai
KW. zva. ngidak, ngambah, Wk.
mau
N. wau, K. vroeger, te voren, voorheen, onlangs, zoo even; zoo even ofte voren genoemd; onbepaald van alle verledene tijd (vrg. mahêng, en biyèn). dhèk mau, kala wau, voorheen, onlangs, zoo even. dhèk mau-mau, kala ingkang wau-wau, vroeger, te voren. maune, waunipun, vroeger, lang te voren. BTDj. 20: kala waunipun. Bab. Jo. I, 364: duk sawau, in dien tijd? kang mau, ingkang wau, verleden. mau bêngi, wau dalu, verleden (gepasseerde) nacht, van nacht. mau esuk, wau enjing, van morgen. iku mau, punika wau, die bovengenoemde. gêrji mau, (of ° wau) die kleermaker van zoo even. dêmang mau, of mau dêmang, genoemde děmang. kang samau, (of ° suwau) in vroeger tijd. kang samau uga, in dienzelfden tijd. Bij het verhalen of vertellen is wau, of wau ta, dikwijls niet veel meer dan een stopwoord, soms te vertalen door: nu, dan; bv. sarêng wau miyarsa, als hij dan (of nu) hoorde L. tantara wau kang prapti Rahadèn Damarwulan, niet lang daarna ni kwam Raden DW. 462; en zoo ook veelvuldig in poëzie ya ta wau, bv. ° kocapa, of ° kawarnaa, bij den overgang tot een nieuw onderwerp; het vorige wordt dan als verleden of afgehandeld beschouwd; vrg. ya ta, KW. zva. sigêg.
mèi
Holl. Mei.
moha
KW. zva. murka, (T. 50a) nêpsu, riwut, rai, nampik, en lumuh, JZ. II, Wk. (Skr. moha, verbijstering). moha-moha, spr. zva. lumuh-lumuh.
mahi
KW. zva. ngambah, Wk., zie mai.
mahah
KW. zva. luwih, (vgl. maha, II) ngrasa, Wk.
mêhah
KW. zva. kuwur, Wk.
mahanani
mhanNnNi zie wahana. Vgl. manNnNi mahanani.
mahindra
zie mahendra.
mahaèril
= waril? Waj. I, 217.
mahêribi
zie bij mahrib.
mahahêm
zie hêm.
muhammad
zie Mukhammad.
main
KN. amain, in den zin van 't Mal. běrmain, zich vermaken met DW. 454; in 't Jav. wordt main, gew. meer bep. van kaartspelen gebruikt en dan nog wel van het eerst uitkomen bij kaartspel, vgl. dolan, en zie bij botoh. BG. 169: main netra, met de oogen werken?
muhun
KW. zva. nangis, pamit, Wk. zva. muwun, zie tangis.
mohana
KW. zva. kêsit, Wk. (Skr. mohana, verdoovend, verbijsterend). mohana sara, naam van een wapentuig (van mohana, en sara).
maoni
zie bij waon.
maonah
zie mangunah.
mahanani
manNnNi zie wahana.

--- 2 : 462 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mahendra
ook mahindra, KW. zva. gunung gêdhe, en kaluwihaning ratu, (Skr. mahîdhra, berg, eig. aardstut; mahendra, naam van één van de zeven voornaamste bergen van Indië; ook van Indra, den grooten Hemelheer).
mahantin
KW. zva. pangantèn.
muhantên
zie puwara.
mahendha
dial. = wêdhus, de N. zie ald.
mahra
KW. zva. rasa, Wk.
mahir
KW. een zeeroover G. (vrg. bajag); en zie hir.
mahur
mahurna, zie hur.
mahèr
KN. 1. zva. limpad, heel knap, bedreven, geoefend; volg. Wk. TP. zva. lantèh, prigêl. - 2. maheran, slempen, brassen. - 3. mahèr, zie hèr, II.
mahera
KW. zva. dina, G.
muhara
zie bij puwara.
maherah
eign. van de vrouw van Bismåkå.
maharêni
KW. zva. ratu wadon, G. (Prâkṛt mahârâni, Skr. mahârâjñî, de Koningin PK.).
mahardika
KW. zva. pandhita, Wk., vgl. Rk. 5 (Skr. maharddhika, een vermogend man; een met buitengewone talenten begaafd man). Zoo sang mahardika, BS. 54 (vrg. pardika).
maharsi
KW. zva. pandhita luwih, (Skr. maharṣi, een groote ṛṣi).
mahèrêsmi
KW. zva. rêmbulan, luwih asri, garwaning ratu, Wk.
mahirap
KW. zva. kapati, Wk.
mahraja
= maharaja, ML. 65 enz.; L. 50, 67 enz.
mahirya
zie hir.
mahrib
Ar. [Arab], zonsondergang, het westen; de landen westelijk van Arabië, Afrika, Mauritanië, Barbarije. KN. het gebed bij zonsondergang. - mahêribi, Ar. [Arab], Mauritanisch. wêsi baka mahêribi, het deugdzame Mauritanisch ijzer R., vgl. masrik.
maodana
KW. zva. pêpagêr, Wk.
maudara
JZ. I, 54, zie bij udara.
mahadewa
een naam van Bathårå Guru (Skr. Mahâdewa, een naam van Çiwa).
mahadèwi
een naam van Durgå, de gemalin van Siwå of Bathårå Guru (Skr. Mahâdewî).
mahat
en pamahatan, zie bij pahat.
mahêt
zie hêt.
mahut
KW. zva. mêthik, Wk., vgl. balin. ngaut.
maot
Ar. [Arab], de dood (vrg. pati), Bab. Jo. I, 410.
mout
KW. zva. ngalap, Wk. (oudj. id. tegenhouden).
mohita
KW. zva. susah, Wk. (Skr. mohita, verward, verbijsterd). - kamohitan, zva. kasusahan, AS.
mahatanyaka
KW. zva. wong tani, Wk.
maitan
zie bij pait.
mohitasa
KW. zva. susah, Wk. (van mohita + asa, oudj. âçâ, bedroefd).
mahotsawa
KW. zva. panggaota, T. 2a (oudj. utsawa, feestmaal).
mahatali
KW. zva. kusir, zie sumatali, (Mâtali, de wagenmenner van Indra).
mahitala
of mahetala, KW. zva. bumi, (Skr. mahîtala, de aardbodem), vrg. tala.
mahas
KW. zva. nusup, (ook oudj.) en lunga, JZ. II, vrg. pahas, en ahas. - mahas, mahas-ahasi, zie as.
mahis
zie his.
maos
K. zie bij tumbak, waca, en maja. - maosi, en maosakên, zie bij tumbak, waca, waja, en bij pajêg, onder ajêg. - maosan, zie bij kliwon.
mahisi
KW. zva. garwa padmi, Wk. (Skr. mahiṣî, de voornaamste gemalin van een vorst).
maesa
K. zie kêbo. - maesan, zie bij kêbo, en bij maejan.
mahasini
KW. zva. garwaning ratu, Wk.
mausada
voortreffelijk geneesmiddel BG. (Skr. mahauṣadha).
maèswara
zie iswara.
maosada
zie usada.
mauswasa
zie uswa.
mahasiwesa
KW. zva. ula, Wk. (Skr. âçîwiṣa, vergiftige slang).
maèsi
maesan, zie aès.
maèspati
naam van een stad (Mâhiṣmatî).
maèsthi
zie isthi.
mahawira
KW. zva. luwih prawira, (Skr. mahâwîra).

--- 2 : 463 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mahawêla
KW. zva. anggêdhêg, Wk.
mahal
KW. Ml. zva. larang, Wk.
mahil
een geschreven talisman G.
mohal
zie mokhal.
mahêli
KW. zva. malih, liru, Wk. (oudj. hěli, verwisseling).
mahila
KW. zva. luwe, en lêsu, G.
mahulu
= mawulu.
maolana
= molana, BTDj. 28.
mahluk
zie makluk.
maulud
of maolud, zie mulud.
mahaloka
KW. zva. luhuring swarga, Wk. (Skr. maharloka).
mualap
(Ar. [Arab], bekeerlingen v. d. B. in Enc. II, 546b.
mualif
Ar. [Arab], componist, samensteller van een boek. KN. bedreven in het verhalen GR.
mahêlya
KW. zva. êlo, Wk.
mihlêm
zie êlêm.
maup
KW. zva. mêmule, Wk.
mahapurusa
KW. zva. prawira, vgl. KO. 19 (Skr. mahâpuruṣa, een groot man).
mahapatyagnya
KW. zva. parentah gêdhe, Wk. (Skr. mahâpati + âjñâ, dus eigl. bevel van den grooten heer).
mahful
Ar. [Arab]. bewaard, in het geheugen bewaard G.
mahapunggung
of sri mahapunggung, en verk. mapunggung, een naam van Daniswårå, Vorst van Měṇdhang-kamolan.
maedhan
zie endhan.
mahodhana
KW. zva. pagêr, bêbêd, Wk., vgl. maodana.
maejan
of mejan, ook wel maesan, of mesan, KN. benaming van twee paaltjes van hout of van steen (vlg. Wk. een stuk dikke plank of platte steen, als teeken van welk geslacht de overledene is, zie verder Wk.) op een steenen grafteeken met of zonder kijing, zie ald., aan het hoofden voeteneinde van een graf JZ. II, S. (vrg. têngêr, bij kijing). BTDj. 557: pêndhêmên ... aja kodokoki ° utawa kijing.
maujud
zie bij wujud.
mahyar
zie har.
mahyakkên
AS., zie bij wahya.
mahyatmani
KW. zva. nguripi, Wk.; vgl. atma?
mahyas
mahyasi, zie aès.
mahayya
KW. zva. mangayu, (zie bij ayu).
mihyum
KW. zva. mèsêm, Wk.
mahyang
KW. zie bij hyang II., S.
mohiyang
KW. zva. eyang buyut, Wk. (Ml. moyang).
mahayagnya
zie agnya.
mahyabara
zie ambara.
mahêm
zie hêm.
mahum
zie hum.
mahamuni
KW. zva. pandhita linuwih. Hyang Mahamuni, of Sang Mahamuni, een naam van Sang Hyang Wisesa, het hoogste Wezen van alle wezens (Skr. mahâmuni, groote Ziener, naam van een Buddha).
mahamanon
KW. zva. Hyang Guru, (van maha, en manon).
mahagne
KW. zva. anggêdhêg, Wk.
mahang
KW. zva. luwih, (vrg. maha).
mahêng
1. N. in de spreektaal zva. mau, S. - 2. KW. naar iets zien, aanstaren G. (vrg. mawang, bij wawang).
mêhêng
KW. zva. amung, Wk.
muhang
KW. zva. akas, en rosa, G.
muhung
1. poët. en KN. zva. mung, amung, of namung, maar met meer nadruk. - 2. zie bij puhung.
mahanga
KW. zva. mogok Wk.
man
KW. zva. luwih, kaluwihan, Wk. KN. verk. van paman, vooral als Vocatief. manamu, zva. pamanmu, of pamanamu. In OJ. is man, het gewone aanspraakwoord tot een gering man, dien men niet kent. In de Vorstenlanden is het beleefder kang, dhi, of gus, te gebruiken Wk.
mên
KN. verkorting in de spreektaal van têmên, Gr. L. 148, S., als uitdrukking van verwondering over een hoogen graad van hoedanigheid of hoeveelheid, bv. ewuh mên, wat is het moeielijk! - ngêmên-êmênake, zva. nêmên-nêmênake, zijn groote, ernstige belangstelling toonen; met alle ernstige belangstelling; met den meesten ijver behartigen, bv. kawula sumêdya ngêmên-nêmênakên anggèn kawula ngabdi ing panjênêngan sampeyan, CS.
min
grondw. v. ngêmin, Bl. PS. 73.
mun
KW. zva. wis, en sira, Wk., volgens G. verdwijnen, vergaan (vrg. wun). In KA. = mon, zie Jonk. 168.

--- 2 : 464 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mèn
verk. van dimèn, zie bij mène.
mon
KW. zva. sênajan, manawa, Wk., vrg. lamun, (oudj. WS. 48).
mana
I. N. (vgl. sêmana) als uitroep bij een Jussief om iets wenschelijks (volg. Wk. zva. bêcik, goed! het zou goed zijn!) uit te drukken, bv. tibaa mana, hij moest maar eens vallen! (die jongen die daar zoo aan het klauteren is). olèhku botohan saiki mênanga mana ta, met mijn dobbelen moest ik nu toch eens winnen, hè! R., eig. tot versterking van den voorafgaanden Jussief; vrg. het spraakgebruik van mono, en mêngkono, bv. kengingipun mêkatên kenging, nu, kunnen, ja het kan. Vlg. WG. 280 ook verkort v. poët. mangkana, bv. kaya digugua mana, alsof men hem vertrouwen zou. II. KW. zva. manah, JZ. II, êndi, Wk. mana suka, KN. iemands eigen verkiezing, wat iemand zelf wil K. 7, 83 (Ml. mana suka). kopi mana suka, vrijwillig geplante koffie R. samana sukane, al wal hij zelf verkiest, naar zijn eigen verkiezing KT. kêlayan mana sukane, hetz.
manu
KW. zva. nêngêri, Wk. Ook nm. v. e. dag der dasawara.
mane
KW. zva. ati, Wk., vgl. manah.
muna
mun zie una.
mèni
zie èni.
mona
(Skr. mauna) het zwijgen, zie Kern in Bijdr. 4e R. I, 149.
minha
KN. ten halve, gew. v. iemand die half gek is Wk., vgl. satêngah, ewah.
manêh
KW. zva. abdi, Wk., T. 36a (oudj. maněh of manöh).
manih
KW. zva. abdi, para nyai, Wk. (verbast. van manêh?).
manuh
en manuhake, zie bij wanuh.
manoh
KW. zva. para nyai, Wk., vgl. manih.
munah
KW. zva. ngrusak, W., T. 33b.
munuh
KW. zva. matèni, W., T. 23b, vgl. bunuh.
manahi
KW. zva. nyipta, Wk.
manahan
(W. manahan) KW. zva. nyigêg, (vgl. tahan) masrahake, Wk.
manuhanuhi
zie wanuh.
manihara
KW. zva. maniking banyu, Wk.
manuhara
zva. manohara, en vrg. wanuhara.
mani
1. KW. zva. sêsotya, T. 20a, en musthika, Wk. (Skr. maṇi, edelgesteente, juweel, parel; vrg. manik, en manikêm). mani-mani, KN. carolijn, carolijnen koralen R., zie mote. - 2. Ar. [Arab], KN. zva. nutfah, KT. 197; volg. Wk. het mannelijk zaad, en manikêm, KW. KN. het vrouwelijk zaad. - 3. KN., zie bij pani.
mêna
en pêna, woorden te Grěsik, vooral in de deså Kroman in de sprkt. gebruikt als voornww.: mêna, voor ik, mij, mijn, pêna, voor gij, u, uw Wk.
mêni
= mêne, A. 20, 30 enz. WP.
mêne
zie bij êne.
mênèn
KW. zva. mêngko, utawa, Wk.
mina
1. KW. zva. putihing mega, ontbr. W. - 2. KW. visch, zva. iwak banyu, JZ. II, iwak loh, of iwak sêgara, (Skr. mîna). lintang mina, het sterrebeeld der visschen. - 3. KN. overtollig, overcompleet. amal mina, overtollig goed, dat niet gebruikt wordt. wong mina, overtollige persoon R., JZ. I, 55; een vrijgesteld persoon? G. KW. zva. mirungga, JZ. II, afgezonderd, op zich zelf van personen, vrg. pina.
muna
munN 1. zie bij puna. - 2. muna, KW. zva. muni, (van uni). muna-muni, wijze en toon van spreken. - munasika, zie ben.
muni
1. N. zie bij uni, II. - 2. KW. zva. pandhita, Wk.; als Tj. Sěngk. zeven (Skr. muni, een asceet, ziener, wijze). maha muni, zie boven. munindra, en muniwara, zie beneden. - 3. zva. nyimpên, Wk.
mene
N. in de spreektaal zva. mêngkene. ook verk. van sêmene, en van mrene, ook in de bet. van geef (het) hier! (vrg. mono). kongsi wayah mene, tot zóo laat, vgl. WG. 280. menea, zva. mrenea, Prěg. 80. - dimène, en verk. dimèn, laat het dus zijn; laat het (hij, zij, ik, of laten wij) maar! het (hij of zij) moet maar! bv. dimène minêb bae, laat het maar dicht! ook ongeveer zva. supaya, bv. jaranmu komborên dimèn lêmu, geef je paard gehakt gras en kaf met water te eten, opdat het vet worde, vrg. nog AS. 161, 245; DN. I, 463.
moni
zie oni.
mono
N. in de spreektaal zva. mêngkono, JZ. I, 247; ook grondw. van sêmono, (vrg.

--- 2 : 465 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mene). - dimono, en dimon, OJ. zva. dimène, en dimèn.
manah
1. N. zie bij panah. - 2. K. zie bij ati, I., budi, en bij pikir, (vrg. mana, II). - manahi, en manahake, N. zie bij panah. - pamanah, 1. N. zie bij panah. K. zie bij pikir. - mêmanahan, K. zie bij ati, I.
manèh
of in poëzie maning, N. malih, K. nog, nogmaals, nog verder, verder; weer; nog wat, nog meer JZ. II. manèh-manèh, nog al weer, altijd weer. aja °, nooit; nimmer weer! nimmer, nooit meer! aku manèh, ik nog te meer, ik vooral. sapa manèh sing bisa kêjaba kowe, wie anders zou het kunnen dan gij? apa manèh, zva. apadene, bij de, II, en bovendien. lan maninge, en verder. manèh, of malih, met een volgende zinsnee in den Jussief en veelal met het voegwoord yèn, te vertalen door laat staan, dat ... zelfs. dielingna: manèh yèn kênaa, dipêgati mêksa nêrak, laat staan, dat (of: het zij verre, dat) hij vatbaar zou zijn voor waarschuwing; als men hem wil tegenhouden zelfs, stormt hij door. BG. 316: aku manèh yèn wêruha, hoeveel te minder zou ik het weten; vgl. Waj. II, 173. maca ora bisa, nulis manèh (yèn) bisaa, lezen kan hij niet, laat staan schrijven. nulis bisa, maca manèh (yèn) ora bisaa, hij kan schrijven, dus zeker ook lezen Wk. Ook wordt manèh, of maning, in een zinsnee gebruikt, die aanvangt met aja, in den zin van laat staan! aja sing kowe maning, laat staan jij; zelfs enz. Prěg. 76, WP. BG. 456 laat staan ... veeleer; en bv. R. Pir. p. 33: aja nêgara Mêsir manèh yèn anaa, laat staan dat er in het rijk van Měsir een wezen zou! manèh, of apamanèh, wel zeker; natuurlijk. Zoo in antwoord op een vraag als deze: kowe apa mambu sanak karo wong iku, ben je nog een bloedverwant van dien man? Antwoord: bv. mambu apa manèh, sêdulurku tuwa, wel zeker ben ik een bloedverwant! hij is mijn oudere broeder. kêpriye manèh, wat kan men er verder aan doen (laat ons er maar in berusten); wat wil je meer (het is nu eens zoo) enz. S.
mênèh
dial. zva. mêne, (zie êne) en manèh, (LK. 10, 54 enz.) Rh. - mênèhi, zie wênèh, en bènèh.
minihi
zie winih.
mènèhi
en mènèhake, zie bij wènèh.
manohara
KN. welluidend, aangenaam voor het gehoor, streelend van iemands stem; innemend, aangenaam in den omgang Rh. (Skr. manohara, aangenaam, bevallig, aanminnig). Vrg. manuhara, ook eign. van één van de vrouwen van Arjunå.
manail
naam van den 21sten zoom van Watu-gunung en van de 23ste wuku AS.
manon
KW. zie bij ton.
manèni
zie bij wani.
munindra
of munendra, KW. zva. pandhita gêdhe, (Skr. munîndra, een uitstekend asceet of wijze), vgl. muni.
minantên
KD. WP., zie mênawa.
mênêr
zie bij ênêr.
mênir
KN. fijn gebroken of gestooten korrel of korrels of boonen, van rijst, jagung, koffie enz.; gew. van fijn gestampte rijstkorrels; vgl. kelor, en sosoh. mênir jagung, aan kleine stukjes gestooten maïs. jangan mênir, groente, gew. kélor- of bayěmbladen, met jonge jagung of mênir jagung, gekookt, een soepachtige kost, waarbij pêcêl pitik, en krupuk, behooren Wk., BTDj. 113. samênir, een griezeltje (heel klein weinigje) BS. 90, 309. - mêniran, aan of bij gebroken of gestooten korreltjes; naam van een lekkernij, een soort van pipis, in pisangblad gewikkeld en gestoofd, van gestooten rijstkorrels en kokosmelk; ook naam van een kruid dat tot medicijn gebruikt wordt, zoo genoemd om de menigte kleine korreltjes, die onder langs de takjes zitten. - mênirên, van veel praten een tinteling in de lippen gevoelen, alsof er gebroken rijstkorrels tusschen zaten, vgl. blangkêmên, Wk., en tiwas mênirên, Bl. PS. 108, 198.
manira
N. een voornaamw. van de eerste persoon in officieelen stijl, van een ambtenaar tot zijn ondergeschikte (vrg. pakênira, en mara) JBr. 102. Zie verder Wk.; ontstaan uit oudj. ama-nira, uw vader (Kern in Bijdr. 6e R. v, 645) of minder waarsch. uit manöh-nira, uw dienaar KA. 61.
mênara
KN. een toren, bv. van een kerk; of zooals een vuurtoren, een baak of baken (Ar. [Arab] v. d. B.,

--- 2 : 466 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
een luchter, een lichtbaak of vuurtoren, een toren van een moskee, minaret).
manak
zie bij anak.
manik
1. (KS. 71) KW. en KN. zva. mani, 1. JZ. II. ° toya, een soort Waj. I, 164, 208. - 2. KN. têlêng, en mêlêng, KI. het zwarte middelpunt in den oogappel, pupil; vgl. tiyang, ook minachtend? voor de oogen zelf Wk.; volg. Rh. en de N. ook de adamsappel. manikmaya, eign. van de twee eerste door Sang Hyang Wisesa, geschapene wezens (namelijk Bathårå Guru en Hyang (of bathara) Sêmar), en naam van een dichtwerk, dat de Javaansche cosmogonie en theogonie behelst. manik mêndhapa, benaming van een Vorstelijke pǎṇdhåpå WP. cupu manik, en ° asthagina, zie bij astha.
mênik
= mêni, WP. 24.
mênèk
of nèk, N. in de spreektaal R. bilih, K. in de spreek- en schrijftaal R., zva. mênawa, of mênawi, BTDj. 1, 313, BG. 418, en yèn, R., JZ. I, 117.
munêk
zie unêk.
menak
1. edel. layang menak, geschiedenis van Amir Ambyah in 't Jav. layang Menak Lare, benaming van het eerste deel van het boek Ménak, dat de geschiedenis van Ménak als kind behelst JZ. I, 114. Menakjingga, eign. van een Vorst van Blambangan, een hoofdpersoon in de Damar Wulan. pra °, of para menak, DW. 141, de edelen, aanzienlijken. In het boek menak, wordt de hoofdpersoon wong menak, of wong agung menak, gen., zie ed. van Dorp passim, o. a. I, 102. - 2. KW. en menakake, KN. zie enak.
mênika
zva. punika, zie onder ka, I.
menaka
eign. van een Widådàri (Skr. Menakâ, een hemelbewoonster, de vrouw van Himawat). Menakawati, eign. van een dochter van Arjunå.
manèkake
zie bij wani.
manikara
eign. van een Bagawan, die zijn verblijf in de zesde verdieping van de aarde heeft (Skr. maṇikâra, een juwelier, werker in juweelen).
menakake
zie onder enak.
minakala
KW. zva. ula, JZ. II, Wk.
manikêm
KW. zva. sêsotya, Tamil mânikkam (Skr. mâṇikya, robijn), zie ook bij mani.
manêkung
zie bij têkung.
mênêd
meneNf\ mênêt, mênêtake, zie ênêt.
manadukara
KW. zva. anjurungi, (vgl. Skr. sâdhukâra, bijvalsbetuiging).
minat
KN. schikkelijk; wat iemand schikt te geven of te doen. ing saminatku, zooveel mij schikken zal (bij te dragen) JZ. I, 150. ora minat, niet schikkelijk, bv. van een al te hoogen prijs R. - minatan, op zulk een wijze, dat het naar ieders vermogen kan Wk.
mênatu
zie pênatu.
mênatos
zie pênatu.
manis
KW. zva. nyilib, nyamur, wadon, Wk. KN. zoet JZ. II, gew. alleen fig. voor lief, lieflijk, vriendelijk, bevallig, zoetvloeiend JZ. I, 310, AS. (vrg. sumèh, en lêgi). Ook nm. v. e. noot in het pelog toonstelsel ZG. XVI, 92. adu manis, lief of mooi gezet van diamanten Rs. 571, zie verder bij adu. manis jangan, kaneel BG. 342 (vrg. kêningar). kayu manis, kaneelboom BG. 342. kikis manis, naam v. e. zoete lekkernij Wk. têmbung manis, zoete woorden (BG. 280: wuwuse manis). ulat manis, een lief gelaat. dariji manis, de ringvinger (vrg. bij jênthik), irêng manis, (ook rupa manis, niet in Wk.) zwart (donkerbruin), maar toch lief van gezicht. bok rara manis, benaming van een vrouwelijke beambte in de kraton JZ. I, 82. - mêmanis, met zoete woorden zoeken in te nemen, vriendelijk zijn om een doel te bereiken, liefkozing met zoete vleiende woorden GR.; ook wat strekt tot versiering of opsiering (v. ringen C. 2061, 53b) Rh.; de bekoring, het bekorende (kêna ing °, BG. 289), bv. mêmanising rêruba, het zoet (het bekorende) van geschenken tot omkooping. rêruba mêmanising uwong, de geschenken tot omkooping en de zoete woorden der menschen WW. - manisi, en gew. mêmanisi, iemand met zoete en vriendelijke woorden zoeken over te halen of te winnen; iemand liefkozen. kamanisan, pass. R.; ook kêmanisên, WP.? Bab. Jo. I, 678 verleid, ingepakt (door mooie geschenken) vgl. BG. 12, verlekkerd worden? - manisan, Mal. confituren; (suikerriet Wk.) BG. 228: ° têlês lan garing, vgl. kêlêman.
mênis
KN. mênis-mênis, mooi en effen rond, en

--- 2 : 467 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
meer of min zacht, zooals de ranti-vrucht, van kleine voorwerpen en lichaamsdeelen, zooals de borsten (of het voorhoofd Bab. Pas. 37) van een jong meisje JR. (eig. lief, aardig, vgl. manis?).
munasika
KN. iemand letten, storen, hinderen, letsel aandoen, kwellen K. 13, 32, Bl. CP. 134, BTDj. 640. kamunasika, pass. DN. I, 395. - pamunasika, subst. den. solah °, storend gedrag, volg. R. baldadigheid AS. (niet in Wk.) vgl. sikara.
maniniswa
KW. zva. anggêgampang, Wk.
manawa
of mênawa, N. manawi, of mênawi, K. (minantên, KD., WP.) wellicht, misschien, mogelijk; het is mogelijk; ingeval; indien; of, of misschien, of wellicht; het kan wel eens zijn, wie weet het? ook, even als yèn, dat R.? (vrg. ook mênèk). mênawa-mênawa, ligt mogelijk op de een of andere wijze; hoe ligt zou het kunnen wezen! in geval op de een of andere wijze JR. bokmênawa, of bokmênawi, zie bij êmbok.
manawi
K. zie manawa, en yèn.
manowa
of manuwa, KN. naam van een boom en van de vrucht daarvan (Mal. buwah nona), Anona reticulata, ook mulma,[1] WW., vrg. kêmlowa.
mênawa
mênawi, zie manawa.
muniwara
KW. zva. pandhita, beter zva. pandhita linuwih, van muni, 2. en wara, 2. (Skr. muniwara, uitstekend asceet of wijze). Vrg. munindra, en maha muni.
manila
KN. zva. nila, saffier (Skr. mahânîla, saffier) G. sawo °, zie sawo. Een ander zie WG. 34.
manolan
dial. = buruh, de N.
mênapa
K. zie onder apa.
munapa
en munapakakên, K. zie bij apa.
munafèk
Ar. [Arab]. hypocriet, huichelachtig, huichelaar in het geloof, iemand die voorgeeft te gelooven, maar in zijn hart niet gelooft, een heimelijk ongeloovige RP. 26, Bab. Jo. I, 345.
manandhêh
KW. zva. anjujul, Wk., vgl. sundhuh.
munajat
KN. ngèlmu munajat, de wetenschap om iets te ontdekken, dat verborgen is, of dat in de toekomst gebeuren zal. wong munajat, iemand die met die wetenschap begaafd is, zooals iemand die een tweede gezicht heeft. donga munajat, een gebed waarbij men met de Godheid als het ware in het geheim spreek (Ar. munajat?); het spreken met iemand in het geheim, geheime verstandhouding hebben; ook gebed, als een stil gesprek met de godheid) KB. 30, 193; volg. Wk. verzoeken, bidden, verzoek, bede.
maninjêm
KW. zva. tilik, Wk., vgl. tinjo.
manunumpwa
KW. zva. ambêburu, Wk., vgl. tumpu.
manambêr
zie bij sambêr.
mênêb
zie bij ênêb.
minêb
minêbake, zie bij inêb.
manang
mnN= KN. manang-manang, rood, gew. v. h. aangezicht Wk., vgl. ambranang.
maning
zie manèh.
mênang
mênangi, mênangake, en mênangan, zie bij wênang, 2.
mênêng
zie bij nêng.
monêng
KW. zie bij onêng.
muninga
mêninga, zie wêruh.
manunungkên
KW. zva. andokokake, Wk., zie bij dunung.
manunungsung
KW. zva. mêmapag, Wk., zie sungsung.
manongan
KN. wong °, iemand, die geen vaste woonplaats heeft, een landlooper Wk.
mêningan
mêningane, mêninganan, verk. ngane, of nganan, volg. Wk. ook ninganan, ningan, ningane, uitroep van meewarigheid of medelijden: ach! ach! Rh.; volg. Wk. uitroep v. verwondering; wellicht in verband met mêningi, heb je dat ooit beleefd!
manêngkung
WP. zva. manêkung, bij têkung.
manêngsah
zie bij mungsuh.
minang-minung
KN. dom, onnoozel WP.
mêningi
zie bij wênang.
manci
1. zie bij wanci. - mancèni, zie bij wanci, en bij panci. - 2. KN. naam v. e. snoeperij Wk.
menco
KN. naam van een vogel, Gracula religiosa (vlg. Horsf. Eulabes r.), een soort van ekster (beter spreeuw de Clercq) die praten leeren kan (vrg. beyo).
mănca
1. KW. zie bij pănca. - 2. KN. verschillend; een ander, vreemd van een gebied, land of dorp. (Waarsch. is mănca, in zijn verschillende beteekenissen van Skr. pañca afgeleid, naar

--- 2 : 468 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
de 5 buurdorpen, waar om beurten markt werd gehouden). măncawarna, N. măncawarni, K. verschillend van kleuren BG. 345 (Ml. pancawarna). pinăncawarna, veelkleurig gemaakt (waaruit, vergeleken met het Mal. opgemaakt mag worden, dat dit mănca, met de beteekenis van verschillend, ook van pănca, is afgeleid). măncaswara, KW. veelstemmig, veel stemmen door elkander (zva. gumuruh). tanah mănca, KN. een vreemd, een ander, gewest. wong mănca, tiyang mănca, iemand van een andere plaats of ander gewest, een vreemdeling. ing amănca, ergens in den vreemde. mănca-ingamănca, het een of ander vreemd land. măncanêgara, (of ° nêgari, BG. 274 ° praja) de van de hoofdplaats afgelegene distrikten, de provinciën; bepaaldelijk de oostelijke en westelijke grensdistrikten van de vorstendommen Suråkěrtå en Yogyåkěrtå, die sinds den oorlog met Dipånågårå onder het onmiddellijk bestuur van het Nederlandsch gouvernement staan. ° bang wetan, heeten de oostelijke, en ° bang kulon, de westelijke van deze grensdistrikten (Madiun, Kědhiri en Prånårågå ten oosten, Bagělen, Banyumas en Kědhu ten westen. Gewoonlijk verstaat men echter onder de măncanagara, alleen de oostelijke grensdistrikten). măncapat, verk. macapat (måcåpat), en macêpat (macěpat) KN. doch ook wel măncasêkawan, K. de vier, oost, west, zuid en noord het naast bij een dorp gelegene dorpen, de nabuurdorpen. măncalima, de vier daarop volgende. măncanêm, het weer daaropvolgende, măncawolu, het vierde, en măncasêpuluh, het vijfde telkens volgende viertal. pra mănca, de hoofden van de mănca, Bab. Jo. I, 626. têmbang (of sêkar) macapat, zie bij têmbang.
monce
zie bij tali, en once.
mancah
zie bij wancah, en bij pancah.
măncaudrasa
zie bij păncadrasa.
mancana
KW. zva. ambêncana. - pamancana, zie boven.
mêncunu
zie pancono.
mancur
zie cur.
muncar
zie bij uncar.
moncèr
zie bij oncèr.
mancira
KN. zich van een gezelschap of verkeer afzonderen of afscheiden JR., zie manjila.
mancrut
KN. mancrut-mancrut, bij beetjes uitspuiten, uitspatten van vocht. zie muncrat, (van een grondw. crut, ongev. = crêt).
muncrat
zie uncrat.
mèncrèt
zie bij crèt.
moncrot
zie bij crot.
măncarawat
KW. weenen G., L. 85 (vrg. rawat, en păncadrasa).
mancêrêng
zie cêrêng. muncêrêng dènnya ngandika, PJ. IV, 217.
mancak
zie wancak.
mancik
zie ancik.
mêncak
zie pêncak, vrg. ook êncak.
mencok
zie bij encok.
măncadirasa
weenen LK. 52, 213, vgl. măncarawat, en măncaudrasa.
mêncês
of mênyês, KN. bevallig en levendig in het spreken, wanneer gebaren en uitdrukking van het gelaat in harmonie met de taal er kracht en bevalligheid aan bijzetten. ° mantêsi, Tj. IV, 53. Ib. I, 369: ° pasang sêmune pasaja, vgl. mincis, en nyênyês.
mincis
zie incis.
mèncès
mencos, zie bij èncès, encos.
mêncul
KN. snaaksch van iemand, die met losse snakerijen zich ten koste van een ander vermaakt (vrg. gêcul). Tj. v, 220 ° pêpocolan. volg. Rh. een grappemaker. ° kumpul, soort (de eene snaak) zoekt (den anderen) soort Wk. - mêncali, iets met grappen en luimen beantwoorden Wk.
muncul
zie uncul.
mêncila
= mênjila, Rh.
mèncêle
dial. = palanyahan, de N.
manacal
KW. zva. nyuthat, Wk., vgl. pancal.
mincla-mincle
(volg. Rh. gebr. mencla-mencle, Bl. PS. 78) KN. zich zelf niet gelijk blijven in het spreken, gedurig anders zeggen, als een weerhaan draaien, niet te vertrouwen in zijn woorden, kurig, luimig, wispelturig.
mêncolèng
KN. een verkeerde weg opgaan van iemands gedrag JR., zie bêncolèng.

--- 2 : 469 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mancêp
of mancêb, zie ancêb.
mincip
zie incip.
mèncêp
zie èncêp.
mêncêb
KN. mêncêb-mêncêb, (volg. Wk. mêncêp, of mêncêp-mêncêp) tot den rand of tot overloopens toe gevuld; boordevol GR., vgl. incip, unjung.
mancung
KN. het met een punt uitloopende of knopachtige bekleedsel waarmee de kokosbloesem (manggar) omhuld is en waarvan men upět maakt, vgl. wrêti, 2. - mancungan, ben. van een wijze van den hoofddoek te dragen, nl. met een punt GL. 85; vgl. Wk.
muncang
zie uncang.
mèncèng
zie èncèng.
mencong
zie bij èncèng.
mêncangah
of muncangah, zva. sumringah, Rh.
mêncèngèh
KN. buiten de rijen vooraan komen, vrijpostig vooraan komen; op een plaats boven zijn rang of stand zitten, vgl. cêngèl.
mêncongol
PL. II, 181, zie bij congol.
manèr
KW. zva. nganti, Wk., vgl. hèr, II.
mênur
(bet. oorspr. zilver v. d. T. Bat. Leesb. IV, 131) KN. naam van een groot soort van mělathibloem, de dubbele jasmijn T. 38b (mêlathi susun). sêkar mênur dangu, Waj. II, 107 kondigt de gěṇdhing gambirsawit, aan; ook topje of puntje van dien vorm, bv. boven den hals van een rêbab, boven de greep Wk.; knop of bal boven op iets, bv. op den nek van een huis of de spits van een toren, op de hoeken van een ledikant enz., volg. Rh. ook de knopvormige tand tusschen de snijtanden van een rhinoceros; het afwrijfsel, in water opgelost, dient als tegengif; wegens den vorm ook malathi, genoemd. mênur tumpang, zie mêlathi. mênuring dhampar, rosetten op de hoeken van een dhampar. sela mênur, naam van een soort van fijne witte steen AS. sêlaka mênur, fijn, gelouterd, zilver WP.; van tanden Waj. II, 11, waar I, 24 sêlaka acih, gebruikt wordt.
maneryanakên
KW. zva. masrahake, Wk.
manêrêb
KW. zva. nyakot, Wk., vgl. sarab, 2.
manrang
zie bij srang.
manuk
1. KW. geest G.; volg. Wk. ziel of geest, die bij een vogel vergeleken wordt in het lichaam als in een kooi, zie 2. - 2. N. pêksi, K. vogel JZ. II. manuk dara, zie dara. ° pinilih swarane, wangs. voor tak tutake [prêkutut] Waj. II, 550. - manuki, of mêmanuki, als een vogel beloeren, iets op een afstaand gadeslaan (bep. iem. om hem te beschermen Rh.); op iets of iemand toezien Bl. CP. 256, vgl. jangkung, untap, kadhawang, ngrêrangu. - manukan, nm. v. d. pen boven in het midden van het juk (pasangan) waarvan de cacadan, door middel van een strop hangt Wk., vgl. sambilan.
mênuk
KW. zva. mocot, andudut, Wk.
munkir
zie mungkir.
manukara
KW. zva. nyikara, Wk. (verdacht, wegens Skr. anukâra, navolging).
manda
KW. zva. cahya, sumorot? Wk. en zie mănda.
mandi
N. mandos, K. krachtig van werking, uitwerking hebben, verhoord worden enz.; bv. van een geneesmiddel, vergift, toovermiddel, vervloeking, van de woorden of wenschen van een door tapa, met geestelijke macht begaafde, ook van iemands woorden tot overreding WP.; flink, ferm bij het inkoopen (têmpur) Wk.; verder giftig, vergiftig, venijnig JZ. II (vrg. ampuh); ook (volg. Rh. TP.) gelijken, nagenoeg gelijk zijn, zva. mèmpêr, (vrg. mănda). - mandèni, mandosi, het flink, ferm doen, nl. inkoopen Wk. - mandèkake, mandosakên, iets krachtiger van werking maken (vergrooten, verzwaren Wk.). mandèk-mandèkake, freq. iets, zooals zijn beschuldigingen tegen iemand, al vinniger en vinniger maken. - kêmandèn, kêmandosan, giftigheid, venijnigheid RP. 67 enz., ook zva. ampuh, van een venijnige uitwerking. rante °, Men. VIII, 255. kêmandèn, KN. benaming van sommige gevaarlijke ziekten, zooals ontsteking in borst of buik, en de kraamvrouwenkoorts; volg. Wk. een ziekte van rheumatischen aard, de zinking?
mande
zie warung. mêmande, en mandèn, zie wurung.
mêndi
in de spreektaal zva. êndi, A.
mindi
KN. 1. zie pindi. - 2. naam van een wilden boom (een Meliacea), waarvan het witte hout tot

--- 2 : 470 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
meubelhout gebruikt wordt, ook wel in plaats van dhadhap, bij de koffieplantaadjes. kêmbang °, nm. v. e. lijnwaad Wk.
mindu
zie windu.
menda
K. van wêdhus.
mănda
of manda (manda). 1. KW. zva. alon, JZ. II. lirih, Wk. (en apês, G.). - 2. KN. mănda, of mănda-mănda, zva. rada, Wk. (Skr. manda, langzaam, traag; krank; ongelukkig; gering, weinig; zacht, zwak of laag van toon). mănda-mănda, ook er iets van weg hebben, niet meer recht zuiver zijn van vleesch; niet recht bij zijn zinnen WW. măndaswara, benaming van de semivocalen wa, en ya. abab mănda-mănda, zachte adspiratie, van de uitspraak van de ha, zooals in mau, R.
mênêd
menef\ KW. zva. ngrêngga, Wk., vgl. pênêd.
mandah
zie bij andah.
mindah
zva. mendah.
mendah
mendahane, enz., zie bij endah.
mandahwi
KW. zva. mraduli, Wk., vgl. dahwe.
mandani
zie anda.
mandra
KW. zva. angin lesus, G.; vlg. W. zva. luwih, sugih, (Skr. mandra, laag, dof v. e. geluid); en zie andra.
mindri
volg. Rh. = mindi.
mundra
KW. zva. isarat, Wk. bij sarat, 2.
mundri
KI. zie nyamat, fig. van vrouwenborsten, de tepels Tj. III, 433.
mendra
en mendrani, KW. zie bij endra, II. KW. mendra, ook zva. lindri, sêmu, wingit, W.
măndra
zie bij ăndra.
mandar
KN. 1. zva. malah, Tent. 64, Wk. Men zegt ook malah mandar, bovendien ook, zelfs ook. - 2. = opel-opelan, en pelan.
mandir
KN. mondar-mandir, zva. molar-malir.
mundur
munduran, kamundurên, zie bij undur.
mendor
KN. ombuigen zva. melot, veranderen van plan, meening enz. mandar-mendor, telkens veranderen, wispelturig enz. ook melar-melor, Wk.
mandara
KW. zva. paès, borèh, JZ. II en pangrêngga, Wk. (verward met Skr. maṇḍana PK.).
mandira
Bl. CP. 217, mandera, Waj. II, 171 en wandira, KW. zva. uwit wringin, Wk. (Skr. bhaṇḍîra).
mindara
KW. zva. kapithing, Wk.
mandura
zva. madura.
mandera
zie mandira.
mundara
KW. zva. kêmbang tunjang,[2] G. (Skr. puṇḍarîka waterlelie).
mandraka
of măndaraka, 1. naam van het rijk en den rijkszetel van Vorst Salyå, volgens de Javanen de vroegere naam van het tegenwoordige Suměnap (Skr. Madraka, naam van een land aan den Boven-Indus). - 2. KN. (eignm. v. d. Wk.) scherprechter, zva. singanagara.
mandrakini
WP. of măndrakini, (BG. 405 ° gini). gupit măndrakini, en gêdhong gupit măndrakini, KW. zva. panggonaning pramèswari, naam van de plaats in de Pråbåyåså, waar de slaapvertrekken zijn (vrg. măndakini).
mèndrès
zie mèdrès.
mandrawa
KW. zva. kadohan, BG. 379, Bab. Jo. I, 315.
mandarwyala
KW. zva. andêrbala, Wk.
mandrajit
KW. zva. turuning wong linuwih, linuwih ing cipta, Wk.
mendro-mendro
KN. een aanvallig, lief voorkomen hebben v. e. vrouw Wk., Tj. I, 356.
măndragini
zie mandrakini.
mondring
of mondrèng 1. KW. zva. wêlanjar, G. - 2. KN. mondrèng, Wk. een zangeres, die zittende zingt bij de muziek van de gamělan en daarbij met de armen gesticuleert Wk., volg. Rh. een vrouwelijke bediende van de tweede rang aan het hof; vrg. dungik.
mêndiring
KN. een pijnlijk gevoel door gevatte kou in den nek of in den schouder GR.; of mundiring, zie pandiring.
mindaka
KW. zva. midih, en nindhih, Wk., volgens G. misleiding, bedrog; liegen, leugen; vgl. kamandaka. - mindakaki, iemand misleiden, beliegen, bedriegen G.
mendaka
KW. zva. cêmpe, Wk., vgl. menda.
mandèkake
mandèkakên, K. zie bij wurung, en bij mandi.
măndakini
KW. zva. balekambang, Wk. (T. 30b: mandakini)? Skr. mandâkinî, de hemelsche

--- 2 : 471 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
Ganges. kampung măndakini, KN. benaming van zeker fatsoen van gebouw (vrg. măndrakini).
manadingkara
(W. manidi °) KW. zva. puja măntra, Wk., vgl. sidikara.
mandakiya
KW. zva. balekambang, Wk., vgl. măndakini.
mêndat
en mêndatake, zie bij êndat.
mêndut
gew. mêndat-mêndut, KN. in- en uitbuigen; volg. Rh. zacht veerkrachtig; vrg. mêndat. lara °, zie lara, II.
mandos
K. zie mandi.
mèndès
KN. wulpsch? zva. lènjèh, Tj.
mandul
zie andul.
mêndal
zie êndal.
mindêl
zie bij indêl.
mundul
pamundul, zie undul.
mèndêl
TP. zva. kèndêl, zie indêl.
mêndêlêm
KW. (mandêlêm) zva. kêndhi, Wk. KN. een groote běruk zonder steel tot bewaring van water enz. Rh., Bab. Jo. I, 357, vgl. bêruk.
mêndap-mêndip
KN. in gedurige vrees verkeeren van iets te zullen verliezen, dat iem. lief is, bv. een eenige bediende, een eenig paard, uitgeleend goed enz.
mandya
KW. zva. adya, uitstekend, bv. mandya endah.
mandum
en mandumi, zie onder dum.
mêndêm
mêndêmi, mêndêman, zie bij êndêm.
mindêng
mindêngake, zie bij indêng.
mundang
zie undang.
manta
KW. zva. luwih, W., T. 15b.
mantu
mêmantu, mantoni, en mêmanton, zie bij wantu.
manut
zie onder tut.
mênut
Holl. minuut, van tijd.
manita
KW. zva. anggraita, Wk. (? Skr. mânita, geëerd, in aanmerking genomen).
maniti
KW. zva. gajah, Wk.
mêntah
KN. rauw, onrijp, ongaar, bv. van rijst (Bab. Jo. I, 339: sêgah ° matêng); ongekookt, bv. van water; ongebleekt, bv. van katoen; in een onbewerkten of onbereiden staat. lawe mêntah, zie lawe, onvolkomen, onvoldoende, niet geheel overgebracht, bv. van een boodschap, niet behoorlijk verricht van een werkzaamheid; nog niet rijp, om een besluit te nemen, van een beraadslaging S. (het tegenovergestelde van matêng). - mêntahi, (of mêmêntahi) een beraadslaging, die rijp scheen om tot een besluit te komen, weer onklaar maken, door met nog iets tusschenbeiden te komen. - mêntahan, rauw, in een rauwen toestand, bv. rauw gegeten worden AS.; in een zoo goed als rauwen of onrijpen staat zijn bv. v. karag, Wk.; nog niet behoorlijk geprepareerd, bv. v. borèh, tegenover ukup-ukupan, Waj. II, 261, zoo ook v. têmbako, tegenover dang-dangan, Wk. wong °, een vrouw, die voor dat zij met iemand getrouwd is, als bijzit met hem leeft Wk.; ook, volgens G., alles, niets uitgezonderd (rijp en groen).
manatih
KW. zva. nandhing, Wk. nimbang, W.
mintuhu
zie onder tuhu.
mantianta
KW. zva. matianta, zie bij ati, II.
mêntaos
KN. naam van een boom (Wrightia Brown, nat. fam. der Apocynaceae Ks.) waarvan het hout o. a. tot het maken van wayangpoppen gebruikt wordt ZG., Tj. II, 570; ook dikwijls voor têmpaos, Wk.
mantên
1. zie jumantên. - 2. TP. zva. tilas, gewezen, ontslagen Rh., GL. 33. - 3. vlg. Wk. K. van mana, mene, monèh.
mantun
mantuni, en mantunakên, K. zie mari.
mantèn
zie têmantèn, S.
muntên
naam v. e. snoeperij Wk.
montên
1. MD. zva. sêmontên, Gr. L. 165. - 2. KD. van mori.
mintuna
KW. zva. kêmbar, Wk. (Skr. mithuna, een koppel, paar, mannetje en wijfje); volgens sommigen het wijfje (volg. Rh. het mannetje) van de mimi, in het spreekw. lir mimi lan mintuna, doch dit in plaats van lir mimi mintuna, parende mimi's BS. 215, JZ. II. warsa mintuna, of taun mimi, een jaar dat met Donderdag begint Wk.
mantra
KW. zva. măntra, gatra, uni, en kêcap, JZ. II.
mantri
KW. zva. têmên, JZ. II; minister en raadsman van een Vorst; vlg. Rh. nm. van den koning in 't schaakspel Tj. Sěngk. 3, zie M. aant. Babad 114, 187 enz. (Skr. nomin, mantrî). KN. ambtenaar van een Wědånå, met en rang van panatus, onder een mantri panèwu, die gew. enkel panèwu, genoemd wordt en die weer staat onder een mantri kêliwon, gew. enkel kêliwon, genoemd.

--- 2 : 472 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
In de gouvernementslanden is de mantri, een ambtenaar volgende op den wědånå of assistent-wědånå. mantri anom, benaming van beambten in de Kraton die als gaṇdhek's dienst doen; ook van mantri's van den Rijksbestierder, die voor het goede onderhoud van de groote wegen moeten zorgen, en die onder een kliwon mantri anom, staan. mantri kêbayan, en mantri karaton, benamingen van andere beambten in de Kraton JZ. I, 83, 84, 85. mantri kadipatèn, beambten van den Kroonprins. mantri tuwa, (of ° sêpuh) of mantri kamituwa, (of ° kamisêpuh, JBr. 291) eerste mantri, die de eerste is onder de overige mantri's van gelijken rang, en die de bevelen ontvangt om die aan de anderen mee te deelen. mantri sêpuluh, (of ° sêdasa) officieren van justitie, vroeger 10, later 15, dienstdoende bij de Balémangu, die de rechtszaken van de onder het gebied van hun Wědånå behoorende personen moesten behandelen en bij deze rechtbank, of, indien het een aanklacht tegen een onmiddellijk onderdaan van het Ned. Gouvernement was, bij den Resident, moesten indienen, en verschillende commissies betrekkelijk deze rechtszaken moesten uitvoeren. Zit werden gekozen uit de panèwu's van hun Wědånå. De instructies voor deze officieren van justitie zijn vervat in de Anggěr-sěpuluh (of ° sědåså). mantri jêro, (of ° lêbêt) en mantri jaba, (of ° jawi) zie bij jêro, en bij jaba. Zie verder R. en T. - kêmantrèn, mantrischap, de betrekking van mantri; en woning van een mantri.
măntra
KN. 1. zie bij ăntra, S., AS., BG. 96. - 2. tooverformulier, toovergebed, zooals die gepreveld worden over medicijnen, ziekten en kwalen, amuletten enz. (Skr. mantra), vrg. japa, en aji. japa măntra, toovergeneesmiddel, dat met een toovergebed of formulier gegeven wordt ZG. 1890, 335 vlg. - mantrani, over iets een toovergebed uitspreken of prevelen. - ngabimăntra, zie beneden.
montro
KN. de bloem van de komkommer; en naam van een melodie op de gamělan Waj. I, 89; II, 353, J. montro-montro, zuur zien, van een vrouw die boos is G.
mantar
zie antar.
mêntar
KW. zva. nyigar, Wk., vgl. bêntar.
mintar
zie bij entar.
mintir
zie bij intir.
mintur
zie bintur.
muntir
zie bij untir.
mentar
zie bij entar.
mèntèr
zva. mintir, G. bij intir, en zie èntèr.
montor
KN. gew. montor-montor, vlammend van brandend vuur; fig. inwendig vergramd, blijkbaar uit een gloeiend rood gelaat Rh.
mantirah
manterah, of ngaterah. zie bij ngatirah.
mantarakên
zie antara.
mêntèrès
KN. schoon, glad van aanzien v. e. vrouw. răndha °, nm. v. e. zwarte rijstsoort Wk.
mantrya
KW. zva. mantri, Wk.
mantaram
zie mataram.
mêntêr-mêntêr
KN. glad rond en veerkrachtig door volsappigheid of gevuldheid van binnen, bv. van gevulde borsten van een vrouw L. 57 (vgl. maya-maya). BG. 139: ° kang susu.
mintaraga
KW. zva. mêsu awak, Wk. bijnaam van Arjunå als tapa, of asceet op den berg Éndrå-kilå, en naam van een gedicht waarin dat verblijf van Arjunå op dien berg bezongen wordt (Skr. wîtarâga, bevrijd van zinnelijke passies, boven zinnelijke neiging verheven. door ascese). Men vindt ook wintaraga, als Kawi verklaard door panglugas raga, en jêjuluking Arjuna.
muntrêng
KW. zva. wong mêdêl, Wk., een blauwverver JZ. II.
mantêk
KW. zva. bangêt, Wk.
mantuk
K. zie bij ulih.
muntik
= mutik, Bab. Jo. II, 75, vgl. runtik.
mentak
als Maleisch zva. menta, of minta, van pinta, II.
mantaka
KW. zva. kaputusan, Wk., vgl. antaka, en zie bij ăndha.
mintokake
zie bij pinto.
mantos
KD. zie măngsa, III., S.
mêntas
pamêntas, zie bij êntas.
mêntês
KN. goed gevuld van peulen en maisaren, vgl. aos, bogang. ook van iemands wangen.
mantasa
KW. zva. nyabrang, vgl. mêntas, en wadon, Wk.

--- 2 : 473 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
muntwani
KW. zva. ngèbêki, Wk.
mantwak
KW. zva. mantuk, Wk.
mantawis
zie mataram.
mantal
KW. zva. sadhengah, Wk.
mêntul
zie bij êntul.
muntêl
zie untêl.
mentol
KN. een blaas hebben op de lip, de binnenzijde v. d. wang of op de tong, vgl. lidhas, bengor, Wk.
mantali
= sumantali, 2., Wk.
mantili
zie janaka.
mêntala
KW. ongenaakbaar, onkwetsbaar, onoverwinbaar G. (zeker hetzelfde als wêntala, L. 51, 140). ora mêntala, volg. Rh. zva. ora kolu, of ora sabe, vgl. C. 2151, bl. 10a. sri mêntalarasa, eign. van een zoon, den opvolger, van Vorst Aryåbangah.
mantêp
zie bij antêp.
muntap
zie untap.
muntup
zie bij untup.
mantya
mantyan, zie ati, II.
mintaya
KW. zva. nyênyambat, JZ. II, Wk., vgl. pinta.
mantyanta
mantyantya, zie ati, II.
mantega
mêntega, en gew. mêrtega, BG. 273, KN. boter (Port. manteiga).
muntab
zie bij untab.
manting
en montang-manting, 1. zie bij wanting. - 2. zie salam.
munting
KN. schraal, mager van menschen Wk.
montong
zie ontong.
manês
KW. zva. andhêlik, Wk.
manusa
gew. manungsa, KN. manusya, manuswa, en manungswa, KW. mensch, als soort van wezen: het menschdom (Skr. manuṣa en manuṣya). Vrg. jalma, en wong. Ook nm. v. e. dag der dasawara, Wk. - kamanusan, enz. menschheid, menschelijke natuur, menschenwaarde; de menschenwereld; een menschelijke natuur krijgen, mensch geworden BTDj. 40; ook zva. konangan uwong, ontdekt, zichtbaar voor het menschelijk oog, van iets dat onzichtbaar was, ook van een geheim Waj. I, 73, AS. 132, 129; WG. 68, vgl. kajiman.
manasika
KW. zva. tan bêndu, G., C. 2196, bl. 11, vgl. munasika.
mansud
KW. zva. sumêdya, Wk., schrijffout voor maksud.
manuswa
manusya, zie manusa.
manasya
KW. zva. susah, Wk.
manêsêb
KW. zva. nêmpuh, Wk.
manêwah
KW. zva. nêbak, (Wk.?).
maniwan
KW. zva. nyewa, (vgl. siwa) ngêlêt, (Wk.?)
manawak
KW. zva. nyudhat, ngèmbèt, Wk.
manwakên
KW. zva. ngutahake, Wk.
manewakên
KW. zva. nyebakake, Wk.
manawad
KW. zva. nyawat, Wk. - manawadi, zva. maoni, Wk.
manwadani
KW. zva. ngêlongi, Wk., vgl. suda.
manawawi
KW. zva. ngrujuki, Wk. (Wk.?), vgl. sawawi.
manawawani
KW. zva. nyêmbadani, Wk. (Wk.?), vgl. sawawi.
manawawakên
KW. zva. mrayogakake, Wk. (Wk.?), vgl. sawawi.
maniwyakên
KW. zva. nyebakake, Wk. (Wk.?), vgl. siwi.
manwagata
KW. zva. nyuguh, Wk. (Wk.?), vgl. sugata.
manwab
KW. zva. nêmpuh, Wk. (Wk.?), vgl. swab.
manwabawa
KW. zva. muktèkake, Wk. (van swabawa, verward met wibawa).
manawang
KW. zva. kaya, Wk. (Wk.?), vgl. sawang.
manol
KW. zva. mulêt, ngrangkul, Wk., vgl. kol.
mênul
KN. mênul-mênul, zva. kênyul-kênyul, en zie kênul.
manêlahi
KW. zva. marabi, madhangi, ambalêrêngi, Wk., vgl. sêlah.
manêlêhi
KW. zva. madhangi, nyoroti, Wk., vgl. sêlah.
manalahkên
KW. zva. nyèlèhake, Wk.
manalandangi
KW. zva. nandangi, Wk.
manalikrama
(W. ° krêma) KW. zva. ambêbujuk, Wk.
manalimur
KW. zva. nyênyamur, Wk.
manalimpang
KW. zva. nalisib, Wk.
manulung
KW. zva. wangsit, Wk.
manêpêr
KW. zva. susup, kasusup-susup, Wk.
manupaka
KW. zva. ngrêngga, Wk.

--- 2 : 474 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
manapwa
KW. zva. ngulapi, Wk., vgl. sapu.
manapalakên
KW. zva. mrayogakake, Wk.
manfangat
munfangat, of mufangat, KN. nut, nuttigheid, heilzame strekking, vrucht, voordeel (Ar. [Arab]). - manfangati, enz. nutten, dienstig, heilzaam zijn; strekzaam, voedzaam van een kost, vgl. safangat.
mandhi
KN. 1. zie pandhi. - 2. KW. verheugd maken, tot vreugde stemmen, verblijden G. - 3. Ml. (ook Oudjav.) baden L. 264.
mandho
KN. de opene handen nevens elkaar ophouden, bv. om te bedelen, vgl. WG. 323.
mêndha
mêndhani, mêndhakake, zie bij êndha.
mêndhe
KN. rust, verpoozing van werk R.; volg. G. KW. staken, uitstellen, zie êndhe.
mêndho
zie êndho.
mundha
zie undha.
mundhu
KN. naam van een grooten boom en van de vruchten daarvan, zuurachtig zoete, met een gele schil, en in vorm niet ongelijk aan onze appelen, Garcinia Linn., nat. fam. der Guttiferae Ks. Tj. I, 39: payudara kêngkêng lir ° undhuhan.
mendhe
KW. zva. mêdhang, Wk., vgl. endhe.
mandhah
KN. marcheeren, bij étappen marcheeren van militairen. - mandhahan, étappe Rh.
mêndhih
zie andhih.
mendhan
KW. zva. ngupamani, Wk., vgl. pindha.
mondhan
zie ondhan.
mêndhani
zie êndha.
mundhondhe
KW. zva. ngundha-undha, nguncal-uncalakên, Wk., vgl. undhi.
mandhor
KN. opziener, opzichter, meesterknecht (Port. mandador).
mandhiri
zie dhiri, 1. Bab. Jo. I, 412.
mandhiryyat
KW. zva. ngirid, Wk.
mandhok
zie onder dhok.
mêndhak
zie bij êndhak, en bij pêndhak. - mêndhaki, zie bij pêndhak.
mêndhêk
zie êndhak.
mindhak
en mindhakan, K. zie bij undhak.
mandhaka
KW. zva. kamandaka, RL. 9a.
mundhak
zie bij undhak, en bij pundhak. - mundhakan, zie bij undhak.
mandhika
KW. zva. nukangi, andhukuni, Wk., vgl. pandhe.
măndhakaki
KN. naam van een plant met groote witte bloemen, Tabernaemontana Coronaria R. Br., Fil. BG. 343. (Mal. kacapiring? Wk.).
mandhakiya
KW. zva. sanggar pamujan, balekambang, pajungutan, Wk., vgl. măndhakini.
mindhik-mindhik
zie bij indhik.
mundhuk-mundhuk
zie bij undhuk.
mindhat
KW. zva. mingkêd, Wk.
mindhit
mèndhit, zie indhit.
mandhata
KW. zva. madoni, Wk., vgl. data.
măndhasiya
naam van den twaalfden zoon van Watu-gunung, en van de veertiende wuku.
mindhoan
zie bij pindho.
mêndhil
KN. tai °, keutels, zie bribil, verkort. van tumêndhil.
mondhol
mondholan, wijze van den hoofddoek te dragen, nl. met een knoop op den haarwrong, zie ondhol.
mandhala
KW. zva. ubêng, jagat, pulo, prênah, ênggon, pêpunthuk, en kabèh, Wk. (Skr. maṇḍala, omtrek, cirkel, enz.). mandhala giri, zie bij udhêt.
măndhalika
KN. naam van een waterplant en hare witte geurige bloempjes WW., naam van een boom met roodachtig hout, en aangenaam smakende zuurachtig zoete vruchten, Artocarpus rigida Bl. (Fil.); volg. Rh. de naam van langwerpige vruchten, die geconfijt worden, wellicht van de băngka. taksaka măndhalika, WP, KW. naam van een groot soort van slangen (afgeleide vorm van het Skr. nonim. maṇḍalî, in een cirkel gevormd of gekronkeld; en een groot soort van slang). Vrg. mandhala, R.
mêndhêlong
v. pêndhêlong, zie kêndhêlong.
mandhap
en mêngandhap, K. een beleefd woord voor mundur, (van andhap) PL. II, 196, vgl. Walb. dial. v. Banjaran, bl. 3.
mandhapa
oorspr. vorm van pandhapa, WP. 61, 63; Waj. I, 102, 125 enz.
mandhapan
of mêndhapan, PL. II, 196, zva. mandhapan, AS., zie bij pandhapa.
mandhepyak
KW. zva. andheprok, Wk.
mandhya
KW. zva. nyandhak, Wk.
mandhyah
KW. zva. anjrah, Wk.
mêndhêm
zie êndhêm, en pêndhêm.

--- 2 : 475 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mindhêm
KW. zva. mêtêk, Wk.
mandhêg
zie bij andhêg.
mandhaga
KW. zva. pantês, en asri, Wk., volg. G. de welvaart van een land.
mandhung
en mandhungan, zie bij andhung, en bij piji.
mêndhang
KN. 1. heel fijn stofje of stofdeeltje JZ. II, herfstdraden. - kumêndhang, als zóodanig zich vertoonen, vgl. kumlêndhang, bij klêndhang. - 2. of mêdhang, naam van verschillende plaatsen: mêndhang kamolan, (of ° kêmulan), naam van een plaats in Grobogan, waar men meent dat de rijkszetel geweest zou zijn van een oud rijk Měṇdhang-kamolan, ook mêndhang paramêsan, genoemd. Ook zou er later nog een ander rijk van denzelfden naam bestaan hebben. mêndhang agung, mêndhang kumuwung, mêndhang tamtu, mêndhang ngando, en mêndhang godhong, namen van andere oude rijken op Java.
mêndhing
KN. samêndhing, een weinigje, een ziertje v. e. kleine gift Wk.
mêndhung
KN. regenwolk, regenwolken; met regenwolken betrokken van de lucht; betrokken lucht. mêndhunge kandêl, de lucht is zwaar betrokken JZ. I, 95. wontên °, sarta grimis, BTDj. 61. - kumêndhung, naar een regenwolk gelijken (zie ook bij kêndhung, en vgl. WG. 47, noot). - kamêndhungan, van wege mêndhung, niet door de zon bestraald Wk.
mundhing
KW. Wk. en Sd. zva. kêbo.
mendhong
KN. naam van een soort van lang en sterk gras, waarvan een soort van matten (klasa pacar) en zakken (karung) gevlochten worden, Fimbristylis efoliata, Steud., vgl. kêdhot.
mondhung
zie undhung.
menje
KN. een jonge kluwak, Wk.; vgl. pucung. kalamenje, zie bij kala, III.
manoja
KW. zva. ngambah, Wk., vgl. tuju.
menjuh
KW. zva. misuh, Wk.
mênjait
Ml. naaien. tukang ° = gêrji, BvB. 42.
manjur
zie anjur.
manjuru
KW. zva. masanggrahan, jaga, Wk.
minjurag
KW. zva. mingsêr, Wk.
munjuk
1. zie unjuk. - 2. KI. zie bij atur.
manjat
zie bij anjat.
monjit
KN. naam v. zekere saus van meel met uien, lombok en tràsi bereid, om met kleine stukjes knorvleesch van den onder schenkel aan speetjes bij de kupat gegeten te worden, vgl. blendrang, Wk.
mênjutu
of mênjoto, zie pênjutu.
mênjete
zie pênjete.
mênjila
(of mêncila, Rh.) KN. afgezonderd, het een van het ander, niet bij elkander op dezelfde plaats; zich afzonderen, door naar een andere plaats te gaan; een zonderling zijn; vrg. mancira, mêncil.
mènjêp
zva. mèncêp.
manujya
KW. zva. manuju.
manjum
zie anjum.
manjing
manjingi, manjingake, zie anjing.
manjung
zie anjung.
munjung
munjung-munjungake, zie bij unjung, vrg. muncu bij puncu.
mènjèng
KN. nuffig, zva. kênès, Wk.; ook wellustig (londèr), ontuchtig v. e. vrouw Rs. 363.
mênjangan
N. sangsam, K. (groot) hert, hertebeest, het edelhert, Cervus russa (vrg. krêndhi, kidang, komprèng). ° ranggah, een mannelijk hert. ° wadon, hinde.
munya
of munya, KW. zie bij uni, II.
manyak-manyak
KW. zva. mindhik-mindhik, Wk.
manyasakên
KW. zva. nyaosakên, Wk.
manyangi
KW. zva. nyuruhi, vgl. syang.
manyangêngi
KW. zva. ngeram-erami, Wk.
manyan
mnVn\ KW. zva. dhangan, KN. 't is licht mogelijk Rh. KN. afspreken, beloven; afgesproken, beloofd; zva. jangji.
mênyan
KN. ook wel sela, K. benzoïn, storax, een zeker hars of gom, daar wierook van gemaakt wordt (Skr. çaila) AS., JZ. II; vrg. dupa, en kutug. mênyan putih, benzoïn, tot onderscheiding van mênyan abang, bruine měnyan, drakenbloed. Rs. 338: ngobong mênyan madu rasamala. Bab. Jo. I, 1441: budi lir ° kobar, ontvlambaar? mênyan seta, nm. v. e. gěṇdhing A. 8, WP. 126 enz.
manyênak
KW. zva. bodho, G.
mênyonyo
of mênyonyong, KN. met een buil opgeloopen zijn een buil hebben of krijgen, aan het hoofd, bv. door een val (vrg. mêcoco).
mênyènyèh
zie bij nyènyèh.
mênyunyang
WP. en bênyunyang, KN. onbeschoft, heel

--- 2 : 476 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
ongemanierd zijn (vrg. bênyunyuk). Vlg. Wk. bênyunyang, zva. nglunyat, en zie mênyungnyang, A. 45, 53, 65, vert. met dolzinnig. - mênyunyangên, met onbeschofte en slechte manieren behept WP.
mênyonyong
= mênyonyo, A. 45, ook bluffen, zwetsen.
manyar
KN. naam van een bruingrauwen vogel; het mannetje heeft een gele vlek op den kop; volg. Rh. gelijkende op onze leeuwrik. Vlg. Horsf. Tringilla manjar. Vlg. v. d. T. is dit de wevervogel, zie TBG. XXV, 136, en KBNW. II, 317 i. v. kuyaka.
munyêr
zie bij unyêr.
manyura
ook mayura, KW. zva. manuk mêrak, (Skr. mayûra). KN. manyura. benaming van een pathêt, Waj. I, 8, 262 enz., en v. e. gêndhing. anggulu manyura, met een mooi gebogen strot v. e. paard of veulen Wk.
mênyero
jong van een mênjangan, jonger dan komprèng, WG. 210.
menyar-menyor
zva. miyar-miyur, zie bij miyur.
monyar-manyir
zva. konyar-kanyir, volg. JR. KN. niet te vertrouwen van onsterk geweven of gevlochten goed, fig. van iemands woorden, beloften enz.; zie echter bij nyir.
manyak
zie anyak, tranyak.
minyak
minVk\ (ook Ml.) of menyak, KW. zva. lênga, en gajih puhan.
minyik
KN. minyik-minyik, volg. Wk. = cimik-cimik, van cimik = cimih, volg. Rh. nagenoeg op de teenen, zachtjes loopen, vrg. (jinjit).
munyuk
KN. aap, volg. Wk. en WG. 210 het jong van een aap (vgl. kênyung, kêthèk, en lutung). - munyuk-munyuk, KN. uit eigen beweging, ongenoodigd of zonder aangezocht te zijn, ergens komen, hetzij bij toeval of met eenig doel S.; volgens G. gebukt, krom gaan, volg. Rh. klanknab. gebukt en strompelend voortgaan v. ouden (Men. VIII, 66).
menyak
zie minyak.
menyok
KN. katela °, een vergiftig soort katela, (de penwortel van de katela pohung?) Wk.
mênyêd
zie wênyêd.
mênyat
zie bij cat.
mênyêt
zie bij ênêt.
mênyut
KN. opslurpen, inslurpen G. (en zie ook kênyut).
munyêt
zie unyêt.
mènyèt
zie nyèt.
monyèt
of monyit, Sd. Ml. aap (vrg. kêthèk). omah monyèt, schilderhuisje. jambu monyèt, zie jambu. - omah monyetan, een paviljoen voor apen of andere dieren B. v. B. 37, ook volière voor vogels DN.
mênyês
= mêncês.
mênyawak
of mênyambik. KN. een leguaan; vlg. Muller Monitor bivittatus = salira, vgl. kawuk. Vlg. sommigen zou mênyambik, een leguaanei beteekenen Wk.
manyul
KN. vooruitstekend, zooals van een vrouwenborst enz.
munyal-munyal
KN. eigenzinnig, niet te raden Wk.
manyêp
zie anyêp.
mênyambik
zie mênyawak.
manyung
KN. naam van een zeevisch, eenigszins gelijkende op banyar.
mênyang
in de spreektaal veelal nyang, in deftige taal marang, (volg. Rh. marang, alleen als voorzetsel: tot, aan, jegens, vgl. nog WG. 332, 333) N., dhatêng, en deftig dhumatêng, K. BTDj. 6, Bl. CP. 293, têng, MD. (zie nog sewa, II) gaan naar. (ergens) naar toe gaan; naar, tot, aan; jegens; voorzetsel voor een complement van voorwerp (zie de gramm).; achter een woord, dat geen beweging naar een plaats beteekent, zva. ons gaan voor een verbum, bv. tuku mênyang pasar, op de markt gaan koopen. mênyang (of nyang) ngêndi, waarheen? waar naar toe? - mênyangi, of ngênyangi, K. andhatêngi, nglampahi, ergens of naar imd. toegaan. Om iets naar elders gaan Wk. - mênyangake, ngê °, K. nglampahakên, iets (ergens) brengen, zenden Wk. - ênyang-ênyangane, K. angkat-angkatanipun, het vertrek naar een plaats, waarheen men dikwijls gaat Wk. - mênyangan, K. mlampahan, van ergens heengaan houden Wk.
munyêng
zie unyêng.
mênyungnyang
zie mênyunyang.
minum
en minuman, zie bij inum.
manmata
KW. zva. sasmita, Wk. (Skr. Manmatha, Kâma, de Liefdegod), vgl. marmata.

--- 2 : 477 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
manumpêt
zie umpêt.
manambiyat
KW. zva. anggendhong, Wk. (Wk.?).
manambayang
KW. zva. nglayang, Wk. (Wk.?).
manugrak
KW. zva. mucak, Wk. (Wk.?).
manugya
KW. zva. mujèkakên, Wk., vgl. sungga.
manobawa
KW. zva. ngetokake solah, muktèkake, Wk. (Skr. Manobhawa, nm. v. Kâma).
minthi
KN. het jong van een enthog, Wk. zie mêri. - minthi-minthi, zva. mènthèh-mènthèh, maar van kleiner buik of maag.
munthu
of muthu, zva. ulêg-ulêg.
munthah
monthah, WP., zie bij pothah.
mènthèh-mènthèh
KN. terdeeg gevuld met eten, van de buik van een mensch, of de krop van een vogel.
manthêr
zie bij anthêr.
manthur
zie bij thur.
mênthur
KN. mooi wit of blank van ongekookte rijst Wk., meel, lijnwaad, iemands aangezicht enz., vgl. WG. 237. galêpung mênthur, bloem van meel JR., zie mêmpur.
manthuk
zie bij anthuk.
mênthêk
1. ongeveer = munthuk, JZ. II. - 2. mênthêk-mênthêk, poezelig, mollig, kleiner dan monthok, Tj. IV, 58, zie bij isip. - 3. nm. eener ziekte van de padi Not. XVII, X.
mênthik
en mênthikan, KN. 1. padi die rijp is vóórdat de algemeene padioogst begint (eig. pêthik, pêthikan, mêthik, plukken, oogsten van padi Rh.). Men pleegt ze, nadat ze gesneden is, niet naar huis te brengen, maar dadelijk op de plaats te verkoopen tot verrekening bij de algemeene padioogst. pari mênthik, een soort van pari genjah. panèn mênthik, de vóoroogst RS. trênggiling mênthik, zie trênggiling. - 2. zie ook bij ênthik.
mênthuk
zie onder papag.
mênthèk
of amamênthèk, KN. een ziekte van het rijstgewas, door het bijgeloof voorgesteld als veroorzaakt door een boozen geest in de gedaante van een klein kind RP. 129, vgl. bambang bij abang.
mênthok
zie pênthok.
munthuk
zie bij unthuk, en bij punthuk.
menthok
zie enthok.
monthok
KN. dik en gevuld van vrouwenborsten JZ. II; volg. Wk. Ook opgeblazen van gemoed S. (gew. mongkog). malik monthok, volg. Rh. hol en bol, spr. van het omgekeerde doen, of het tegenovergestelde doen, van hetgeen men gezegd had; bv. iem. tegenwerken in plaats van mee te werken.
minthak-minthik
of minthik-minthik, KN. naar iemand om zijn gunst of genade hunkerende gaan, vgl. mindhak-mindhik, Wk.
minthak-minthuk
en minthuk-minthuk, zie bij inthuk.
mènthèk-mènthèk
KN. bezwaarlijk en waggelend gaan, door dikte en zwaarte van het lichaam, bv. van een zwangere vrouw DW. proza 74, vgl. enthog.
manthal
KN. manthal-manthal, of manthalan, met ontbloot bovenlijf, met de borsten geheel bloot v. e. vrouw.
mênthêl
LB. 115, zie ênthêl.
minthul
KN. minthal-minthul, ontbloot, naakt en bloot, zoodat men alles van het bloote lijf zien kan van een vrouw Waj. I, 422, vgl. DW. proza 123, en manthal, bligang-bligung.
munthil
KN. klein, alleen van het hart Wk.
munthul
dial = kêtela, de N.
mènthèl
KN. nuffig (kênès), en wulpsch van een meisje; = mènjèng.
mênthilas
of mênthelas, zva. pênthilas.
mênthêyêng
KN. ongeveer zva. mêthèsèl, bij pêthèsèl, kort en dik en stevig gebouwd WP.
menthog
zie enthog.
mênthêng
KN. mênthêng-mênthêng, zie ênthêng.
mênthing
KN. J. zva. konthing? zie kanthing.
manithing
KW. zva. nèthèk, Wk.
manthêng-anthêng
Tj. lees: nganthêng-anthêng, zie anthêng.
manang
mn= KW. zva. anggarang, undang, Wk., zie ook manang.
minang
zie inang.
minung
KW. zva. anjênglung, Wk., en zie inung.
monang
zie unang.
moning
zie uning.
manangi
KW. zva. nêsêp, Wk. (Wk.?).
manangindriya
KW. zva. hawaning ati, Wk., vgl. driya.

--- 2 : 478 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
minangkana
KW. zva. mangkana, kaya mangkana, Wk.
manungkal
KW. zva. andhungkar, Wk. (Wk.?).
maningting
KW. zva. manuk gêmak, Wk.
manungsa
zie manusa.
manungsuh
zie bij mungsuh.
manungswa
KW., zie bij manusa.
manungsmara
KW. zva. mêmuja, nyipta, Wk. (Skr. anusmaraṇa).
maca
en macakake, zie bij waca.
macu
KW. zva. nyikut, Wk. (Wk.?).
mucu
mucu-mucu = muncu-muncu.
moco
moco-moco, zie pacoco.
mucih
KW. zva. mlothot, Wk. (Wk.?).
maca-udrasa
KW. zva. nangis, Wk.
macan
N. sima, (si-må, vgl. Ml. enz. harimau) K. tijger, vlg. Muller Felis tigris JZ. II. ° lorèng, of ° gembong, koningstijger. ° gogor, de jaguar? een soort kleine tijger Tj. macan, ook fig. even als Fransch de lion: ° ing pagêlaran, BG. 36, ook in eigenn. bv. ° wulung, vgl. kêbo, kuda. sima nêmpuh, kondigt de gěṇdhing macan nêbak, aan Waj. I, 343. macan guguh, volg. de sage nm. v. een paarde stang, door den smid Surå voor den Vorst van Måjåpahit gemaakt, die de wondermacht zou bezeten hebben om een tijger onschadelijk te maken. turune °, een kêndhali, naar dat model vervaardigd, zie verder JZ. II. macan gadhungan, zie gadhung. macan kombang, zie kombang, enz. - ngêmacan, KN. als een tijger, gelijk een tijger doen. lampah ngêmacan ngêlih, een gang als die van een hongerigen tijger, een deftige gang met wijde stappen en de schouders beurtelings met elken stap vooruit bewegende. - macanan, KN. siman, of simanan, KD. de gedaante van een tijger hebben; iemand die voor tijger speelt of als een tijger vermomd is; tijgerachtig; naam van een klein soort van gespikkeld spinnetje met korte pootjes (dat rondloopt en springende zijn prooi overvalt JR.); ook naam van een soort van damspel: beschrijving MR. II, 36. macanan, ben. van politiedienaars, die vroeger te Yogyå? gedurende eenigen tijd met gestreepte buizen en broeken gekleed waren Wk. macanan anir braja, benaming van een corps prajurit's in de Kraton JZ. I, 49. prajurit macanan, (soms ° singan, K.) een soldaat bij dat corps; velen der militairen van dat corps in de hoogere rangen voeren den titel van singa, in de lagere rangen dien van macan, vgl. kuda, kêbo, Wk.
mêcani
zie bij wêca.
micantên
K. zie bij wicantên. - micantêni, en micantênakên, K. zie bij cêlathu.
mêcantilan
nm. eener klasse van lieden in Cirěbon R. en T.
macunyat
KW. zva. mlothot, Wk.
macucu
macece, macoco, zie pacucu, pacece, pacoco.
macêcêt
KN. naam v. e. der touwsoorten in vaartuigen gebruikt, vgl. mêluk, Wk.
mucicil
zva. mêcicil, zie pêcicil.
mêcucali
zie wêlulang.
mêcir
KW. zva. mênjila, nyamur, nindhih, Wk.
micara
en micarani, zie bij wicara.
macarêngya
KW. zva. ngrata, Wk.
micik
miciki, zie icik, en wicik.
mêcakake
zie bij wêca.
macêki
zie bij pacak.
macadirasa
en macadirawat, zie măncadrasa, en măncarawat.
macatya
KW. zva. mêdhar, Wk.
macasmara
KW. zva. wong bêsus, G.
mical
K. zie bij wilang.
mucap
zie ucap.
macapi
KW. zva. akudhung, Wk., vgl. caping.
macipa
KW. zva. layang wacan, Wk. (Wk.?). Skr. wâcika, tijding, nieuws.
micapa
KW. zva. nubruk, Wk.
mucapi
zie ucap.
macapat
of macêpat, zie bij mănca.
macêm
KW. zva. ngungkêb, nyêlub, Wk.
macamana
KW. zva. arcamana.
mucithat
zie cithat.
macung
zie bij acung.
macungul
of mêcungul, zva. mêncungul, zie bij cungul.
mra
1. KW. zva. supêlap, G. - 2. verk. van mara, in samenstellingen: zie para, I.
mrê
verk. van mara, in samenstellingen: zie para, I.
mre
zie wre.
mar
KW. zva. arum, ngambar, mratani, mibêr, Wk.; of êmar, KN. 1. gevoel van slapheid in de leden

--- 2 : 479 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
of een lid van het lichaam; vgl. nog WS. 153. - 2. gevoel van ongerustheid en van onzekerheid (vrg. mir) G.; geen gevoel hebben, gew. van lichaamsdeelen, bv. door verkleumdheid Rh. - 3. zie ma, 3.
mêr
1. KW. zva. bacin, maar volgens G. zich heimelijk wegmaken, stilletjes heengaan. - 2. zva. mrê. - êmêr, zie boven.
mir
of êmir, KN. zva. mar, 2. - mir-mir, zva. maras-maras, of mêlang-mêlang, een gevoel van ongerustheid en van onzekerheid.
mur
of êmur, 1. KN. myrrhe (Ar. [Arab]). - 2. mur, (oudj. mûr, měr, wegvliegen KS. 88) KW. zva. mibêr, C. 2061, bl. 52b (vrg. bur). - kamuran, KW. zva. kailangan, JZ. II. - 3. Kapitan Mur, zie bij kapitan. - 4. mur, of nur, in ° cahya, zie nur. KN. moor of moiré? zekere stof met goud- of zilverdraad doorweven. - 5. blandar mur, naam v. d. bovenste bindbalk van de tratag, vóor en achter een pěṇdhåpå. pangêrêt mur, id. links en rechts eener pěṇdhåpå Wk.
mèr
KW. zie bij wèr, en hèr, II. - pamèr, mamèri, enz. zie pamèr. - mèrakên, zie hèr, II.
mor
of êmor, en amor, ngêmori, ngêmorake, momor, en pamor, zie bij wor.
mara
KW. zva. sanalika, sadhela, kala, vgl. WS. 68; Bijdr. 3e R. VIII, 173; supaya, mancorong, Wk.; en zie bij para, I, IV en V, bij amara, puwara, ara, 1.
marê
KW. zva. kumêsar, Wk.
mari
KW. zva. ilang, padhang, Wk. N. mantun, K. ophouden, uitscheiden; beteren, genezen van een ziekte of kwaal. mari sayah, uitgerust JZ. I, 129, 138. mari-mari yèn mati, het houdt op, ja, met de dood! het zal zijn leven lang zoo blijven. mari-mari yèn wus padha mati, het zal eerst ophouden, als allen dood zijn BG. 478 (zie kapok ranti, bij kapok). mari mati, immer, mijn (of zijn) leven lang (eig. het houdt op met de dood). - marèni, mantuni, met iets ophouden of uitscheiden BTDj. 31, iets laten; zijn gebreken verbeteren; met iemand uitscheiden, hem zijn ontslag geven uit zijn dienst of betrekking Bl. CP. 298. dimarèni, kamantunan, pass. - marèkake, mantunakên, maken dat iets ophoudt, een ziekte genezen BTDj. 34; maken dat men (zelf) geneest AS.; met iets iemand genezen; iemand van iets genezen. - marèn, WP. of marenan, en mantunan, met iets ophouden of uitscheiden van velen, die iets te samen doen; ook licht genezend.
maru
KN. mededingster, zoo noemen de vrouwen van denzelfden man elkander JZ. I, 119, 120; mededinger, bv. naar een en dezelfde betrekking, concurrent. maru, of mêmaru, van een vrouw een maru, hebben. maru, ook een vrouw tot maru, maken; BTDj. 27: botên parêng dipun maru. maru tanggung, halve mededingster, zoo noemt een gehuwde vrouw of erkende bijzit een geheime of verdachte minnares van haar man Wk. maru bandhung, eene bij mededingster, zoo noemt de eene maru, een kind van de andere, waarmede zij niet overweg kan Wk. - kamaru, als een maru, zich voordoen Wk. - kêmaron, kêmeron, door een maru, gehinderd, zóo in Sw. XLIV, 1 door een mededinger Wk., Rs. 364?
mêri
KN. een jonge eend, het jong van een eend (bayah, bèbèk). santri mêri, een santri, die wel de godsdienstplichten waarneemt, maar zich niet onthoudt van verboden wereldsch genot JR.; vgl. ZG. IV, 237.
mêre
of mêrèh, KN. krijsschen van apen Rh., vrg. cêkrèh, en zie wre, caus. zie grêtak.
miri
zie kêmiri.
miru
zie bij wiru.
mire
KN. op zijde gaan, wijken of ontwijken door op zijde te gaan WP. 192, Prěg. 58, BG. 21, 246 (vrg. sumingkir). - mirèkake, caus.; van zakenter zijde stellen; volg. G. iemand links laten liggen, onverschillig behandelen.
mura
KW. zva. lunga, ilang, vrg. ura, (tenzij conj. v. mûr).
muri
en mêmuri, zie bij wuri.
muru
KW. zva. ngêbang, Wk.
mure
KN. zie ure.
mera
KW. zva. mega, G.
mèri
mèrèni, mèrèkake, pamèri, kumèrèn, zie bij iri.
mèru
zva. sumèru, (Skr. Meru, naam van een heiligen berg, den zetel van Brahma). mahamèru, ook mahmèru, dezelfde berg.
mori
KN. ook wel lawon lănda. montên,

--- 2 : 480 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
KD. Europeesch wit lijnwaad, ook buitenlandsch? ° acih, PM. 55. mori mêntah, ongebleekt witte mori, (vgl. kêntèl). mori jawa, (of ° jawi) grof Javaansch op gelijke wijze in lange stukken geweven katoen GR.
mrih
en amrih, zie bij purih.
marah
1. KN. zie bij warah, en bij parah, en KW. zie arah. - 2. KW. amarah, zva. abang. amarah bang, zva. abang ambranang. - marahi, zie bij warah.
mêruh
KN. zva. kudu wêruh, of kêdah sumêrêp, iets gaarne willen weten of kennen W. - mêmêruh, of mamêruh, ongevraagd, eigendunkelijk, lichtzinnig gebruik maken van een anders goed (vrg. anggêgampang, dharidhis). diwêwêruh, passief KT. - mêruhi, en mêruhake, zie bij wêruh.
mêrèh
zie mêre.
mirah
1. KN. robijn (vrg. marah, 2). mas mirah, liefkozende benaming van een vrouw door eenman, vgl. WP. 53. - 2. K. zie murah.
murah
N. mirah, K. overvloedig; veel en gemakkelijk te bekomen; goedkoop; laag van prijs JZ. I, 127 (tegenover larang, BTDj. 452); een lage prijs bieden; ook mild, milddadig, goedertieren (vrg. loma); volg. Wk. van een vrouw licht te krijgen, licht te verleiden. - murahi, mirahi, iem. (iets) goedkooper geven; (in iets of met iets) mild zijn jegens. - murahake, mirahakên, de prijs van iets lager stellen; iets algemeen toegankelijk maken of stellen Tent. 4; van iets de vrijheid geven om er algemeen gebruik van te maken. - kamurahan, KN. kamirahan, KD. milddadigheid, goedertierenheid. Allah kang sipat kamurahan, God, de Goedertierene.
muruh
zie bij uruh.
merah
Ml. rood (vgl. abang). mlerah, KN. er bloedachtig rood uitzien, bv. v. d. oogen Wk.
mèrèh
KN. gew. mèrèh-mèrèh, rood van de lippen, zooals door sirihkauwen (AS.) Rh. bakal mèrèh lambungmu, fig. uitdr. voor je zult een wond krijgen in je zij.
marih-arih
zie arih.
marêhakên
KW. zva. marakake, Wk.
mraos
K. zie bij prada.
mêraos
K. zie mêrasa.
miraos
K. zie bij wirasa.
marna
marnani, marnèni, marnakake, mirnèkakên, zie bij warna.
mêrna
en mêrnani, zva. marna, en marnani.
murni
KN. fraai, schoon, van de beste soort, van best allooi AS., Bab. Jo. I, 795, zie sari, en vgl. buki.
maran
KW. zva. nuli, mangsah, luwih, têtêp, supaya, T. 51a, Wk., vgl. mara.
marên
KW. zva. padhang, Wk.
marèn
zie mari.
meron
zie prasadarga.
marêni
KW. zva. marani, Wk.
mrina
zie murina.
murina
of mrina, KN. zich iets of iemand of iemands zaak aantrekken; ook het grooter geluk van een ander zich aantrekken, ontevreden met zijn eigen lot dat van een ander benijden BG. 165? GR.; ontevreden, misnoegd zijn over het leed, dat een ander wordt aangedaan. - murinani, of mrinani, iemand, bv. iemand die mishandeld wordt, zich aantrekken, zich ergeren over Gr. L. 118; ook iemand om zijn beter lot benijden GR. S.; ook iets benijden L. 339, niet in Wk. - pa °, subst. den. AS., Bl. CP. 290, Bab. Jo. I, 614; vrg. ngirèni, en mèrèni, bij iri.
muroni
zie bij êndêm.
mranani
zie bij prana.
marnani
marnèni, zie bij warna.
maranani
zie warana.
mranêm
zie bij para, I.
mêrnèkakên
K. zie bij rupa.
mrandani
KW. zva. ngayoni, nandangi, Wk.
mrandangi
zie bij prandang, en vrg. pêlandang.
marèndèngi
KW. zva. mêmiringi, Wk.
mrantun
zie bij trantun, en rantun.
mruntus
zie bij pruntus, volgens G. ook een uitslag op de huid.
mrênyi
of mrinyi, KN. verbasterd, ontaard van zaden en dergelijke JR.; volg. Rh. ijl, niet sterk, licht scheuren van lijnwaad en derg.; licht breekbaar van porcelein, glas enz., vrg. mriyi.
mrênyên
KN. glad, net, keurig v. e. vrouw, die heur haar met zorg opmaakt enz. Wk.
mrêcu
mrêtyu, mêrcu, mêrtyu, of marcu, KW. zva.

--- 2 : 481 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
gêni, BG. 50, upas, (W. latu upas?) cêlèrèting kilat, galak, srêngên, en gunung, G. (Skr. mṛtyu, de dood). bale mrêcukundha, (BG. 452 zonder kundha) naam van den troon van Bathårå Guru L. 48. mrêcujiwa, naam van een pijl van Arjunå. - mrêcon, of mêrcon, klappertjes vuurwerk in het algemeen (vrg. poyah, en long, 2.). mrêcon kêmbangan, kunstvuurwerk PL. I, 79.
marcu
zie mrêcu.
mêrcu
zie mrêcu.
murca
KW. zva. ilang, kalêngêr, lunga, tiba, niba, mati, kapati, Wk.; als Tj. Sěngk. nul (Skr. mûrchâ, bezwijming, verlies van bewustzijn. Vrg. murcita). anglir murca kinêdhèpakên, BTDj. 465 (of ° kinêdhèpna, ook wel ° kinêdhèp, of ° kinêdhap, elders i. pl. v. murca: sirna, en dan ook wel voor kinêdhèpakên: dinulu) als men haar aanblikt, verdwijnt zij als 't ware (in de lucht, BG. 111 bijgev. lir katut ngangin), nl. zoo aetherisch schoon van wezen is of was zij; ook zva. mancur, mubyar, Wk.
marica
N. mariyos, K. peper (Skr. marica, zwarte peper). Vrg. cabe. samarica, een peperkorrel. BG. 453: bundêr ° cilik. nyai °, nm. v. e. heilige koperen rijstpot, die afkomstig zou zijn uit Cěmpå, waarin de rijst voor de hooge gasten gekookt wordt op garěběg Mulud van het jaar Dal, vgl. brêkat, blawong, Wk.
mrêcon
of mêrcon, zie bij mrêcu.
mrocok
een offer doen ten behoeve van een vrouw kort vóor de eerste bevalling ZG. X, 39.
mrêcika
KW. zva. kalajêngking, Wk., RL. 56a, vgl. pracika.
marcat
KW. zva. malêsat, Wk.
murcat
KW. zva. mati, Wk. (Skr. murchat).
mêrcita
zie wêrcita.
murcita
KW. 1. zie wurcita. - 2. zva. kalêngêr, musna, sirna, susah, tiba, BS. 410 (Skr. mûrchita, bezwijmd, bewusteloos) JZ. II. murcitèng ragi, het lichaam dooden? v. e. tåpå DW. 190. - 3. aardworm, regenworm; ook benaming van een soort van hagedissen G.
marcapada
KW. en KN. de aarde, het verblijf der stervelingen (van het Skr. martya, sterveling. mensch, en pada, plaats).
marar
KW. zva. malah, Wk., vgl. malar.
mirir
KW. zva. sumilir, v. d. wind Bab. Jo. I, 919; ook zva. nglèwèr, nglingkab, Wk.
muririh
= muriring, rillen, krimpen van vrees Men.
marurut
KW. zva. mrucut, Wk.
mirurut
KW. zva. mirut, anjêngkêrut, ambathuthut, Wk.
maryang
KW. zva. asumbar, Wk., vgl. hyang. II.
muriring
zva. muringring.
mariringin
KW. zva. panglipur, Wk.
mrak
zie mêrak.
mrik
BG. 243 of mêrik, KW. amrik, en sumrik, (Bab. Jo. I, 782: mlêk °) KN. zich verspreiden, op een afstand te ruiken zijn, iemand aanwaaien van een aangename geur; ergens geurig of aangenaam rieken GR., WP., liefelijk van geur Wk.
mraka
KW. zva. nyêdhak, Wk. (conj. van mêrak, zie pêrak).
marke
KW. zva. ngumêsarake, Wk.
mrêki
KN. zva. kêmrêki. ook naam van een diertje, zoo groot als een têngu, (volg. Rh. ongeveer = gurêm) en grijs van kleur (houdt zich vooral op in het nest van een broeiende kip Rh.), dat aan den wortel van de horens van buffels zit en invreet JR.
murka
KN. onverzadelijk in zijn begeerte naar geld of grootheid, heerschappij of roem enz.; hebzuchtig, geldzuchtig, roemzuchtig, heerschzuchtig JZ. II. budi murka, inhalig, hebzuchtig enz. van aard; inhaligheid, inhalige aard AS. 252, RP. 115. BG. 332: karêm murka aniaya, (Skr. mûrkha, dwaas, dom). Vrg. luamah. - kamurkan, inhaligheid, heerschzucht, hebzucht, aardsche grootheid Wk., vgl. kadunyan.
mêrak
of mrak, KN. 1. pauw, Pavo javanicus Horsf.; JZ. II. mêrak alit = uncung, zinspeling op de gěṇdhing pucung. ook zva. mêrakan. mêrak kacancang, sprkw. voor met zijn kundigheden pronken Wk., vgl. WP. 16. - 2. mêrak, zie ook bij wêrak. - mêrakan, 1. wat naar een pauw gelijkt, nagemaakte pauw. - 2. naam van een soort van lang gras, met pluimpjes aan de toppen PL. II, 84, GL. 23. kêmbang °, of patramênggala, onze "gouden regen" Rh.

--- 2 : 482 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mêrik
zie mrik.
murêk
KW. zva. mênthang, en zie urêk.
muruk
muruki, en murukake, zie wuruk.
meruk
zie eruk.
merok
zie erok.
marika
KW. zva. mula, mêngkono iku, Wk.
marakèh
1. KW. zva. wong kundhi, Wk. - 2. naam van den zestienden zoon van Watu-gunung en van de achttiende wuku.
marakake
zie bij paran.
mrakhyang
KW. zva. asurak, Wk., vgl. hyang, II.
mrakadang
zie kadang.
marakata
of markata, (Tj. 589) KW. zva. murub, mêncorong, sumorot, C. 2061, 17a, RL. 62b; BS., Wk. en kumêdhap, ook benaming van den troon van Bathårå Guru in de Swargå (Skr. marakata, smaragd).
mrakas
= kêmrakas, B. v. B. I, 83.
markawat
KW. zva. ngrasuk, JZ. II, Wk.
markiyu
zie kiyu.
murakab
KN. murakabi, zva. ambêrkati, makolèhi, M., Tj. N. P. 258.
mêrkangkang
zie pêrkangkang.
mêrkungkung
of mêkungkung, zie pêrkungkung.
mêrkèngkèng
zie pêrkèngkèng, of bêrkèngkèng.
mrêkongkong
(of mêkongkong) zie pêrkongkong.
mrêdu
mêrdu, of mardu, ook wêrdu, KW. zva. lêmês, alus, manis, en arum, Wk. (Skr. mṛdu, zacht, niet scherp of ruw). Vrg. mardawa, en wêrdu.
murda
KW. en KN. zva. êndhas, WP. 311, RL. 25a, en zva. pêngarêp, JZ. II (Skr. nomin. mûrdhâ, hoofd). aksara murda, hoofdletters, kapitale letters, anders aksara gêdhe, genoemd. - murdani, KW. zva. mimiti.
mirud
of mirut, 1. KW. zva. katut, kèlu, Wk. kudhup mirut tan ngalilir, fig. door weemoed bevangen? BG. 224, en volg. G. zva. ajrih ing manah, KB. 177, 52. - 2. KN. zich onderwerpen, het gezag van een ander over zich erkennen G.
murad
Ar. [Arab], KN. bedoeld; bedoeling, beteekenis.
murid
Ar. [Arab], KN. discipel, leerling (vrg. wêwulangan, en sakhabat). - pamurid, de scholieren van een plaats of van een guru WR.
murud
1. zie bij urud. - 2. zva. morod, KT. 193.
merad
1. zie mekhrad, BTDj. 47 (plat zva. lunga, vooral in de gebiedende wijs: merada, pak je weg! loop naar de maan Rh.). - 2. zva. morod.
morod
KN. zich terugtrekken; zich verwijderen (waarschijnlijk verkorting van mlorod, R. Vrg. mundur) JZ. I, 56, AS., Bab. Jo. II, 19; Prěg. 89, 91.
miruda
of mirudha, KW. en miruda, KN. zva. minggat, oncat, (BS. 630, AD. bl. 40) minglar, en wêdi, JZ. II, Wk. (ook OJ., en volg. Rh. K. v.) minggat, (vrg. morod, en mirud, 1.) BS. 72.
mradin
mradini, en mradinakên, K. zie bij warata.
mêrdon
KN. lappen van katoen, waarmede een lijk onder het reinigen met water gewreven wordt Wk.
mêrdèni
zie wêrdi.
mardika
ngamardika, mardikani, mardikakake, en pamardika, zie bij pardika, en vrg. mahardika. Jur. is mardika, imd. die vrij is hetzij geboren, hetzij tengevolge van vrijlating v. d. B. 170.
mêrdud
KN. in verzet komen, bv. tegen een vonnis of voorslag, er niet in berusten (Ar. [Arab], geweigerd, afgeslagen).
mêrdesa
of maradesa, zie bij desa.
mardawa
KW. zva. lêmbut, lêmês, alus, en ngêlus, Wk., T. 30a, 37a (Skr. mârdawa, zachtheid). amardawa lagu, ervarenheid in de versmaten en zangwijzen, vereischte voor een dhalang Hazeu Proefs 117.
mêrdapa
zie bij dapa.
mêrdyu
KW. zuiver (Skr. marjû, zuivering R.).
murdaging
naam van een wapentuig van Abiåså, en Yudhiṣthirå WP.
mrêdêng
KN. dringen, dringend aanhouden, er dringend op blijven staan, bv. bij een verzoek of eisch (vrg. adrêng, nêtêr, en mêksa).
mrêdangga
mradăngga, (RL. 47a, Waj. II, 249, 443) pradăngga, brêdăngga, KW. zva. gamêlan, Wk. (Skr. mṛdangga, zie pradăngga).
mrata
mratani, mratakake, zie warata.
mrêta
mêrta, of marta, KW. zva. wulang, tămba, adhêm, urip, (T. 36a, 37a) banyu, bening,

--- 2 : 483 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
(ambêksănta martèng sadu, BG. 493) Wk. (zie ook prata, parta, en jayamrêta). martawisa, "nectar en (maar tevens?) gif" PK.; v. verraders: sun arani martamisani, lair kewala, wisa kabatinane, voor het uiterlijk martamisani, maar voor het innerlijk wisa, Bab. Jo. I, 319, vgl. BTDj. 192; verkwikkend, lavend; verkwikken, laven; gelukkig maken, zalig maken (Skr. amṛta onsterfelijk; godenspijs, nectar, ambrosia enz.). toya merta, levendmakend water. marta lulut, KN. benaming van een corps scherprechters van den Vorst Bab. Jo. II, 43 (vrg. singanagara). - mêmarta, zie bij warta. - mrêtani, enz. KN. iemand verkwikken, gelukkig maken (zie ook martani, bij warta). - pamêrta, zaligmaker G.
mrêti
KW. zva. pati, ontbr. W. (Skr. mṛti, dood).
mrutu
KN zeer kleine mug, kleiner dan lamuk, een klein vliegend insect, dat op de huid, waar het zich zet en steekt, jeuking veroorzaakt, vgl. muring. samrutu, als een maat voor iets kleins BG. 175. - mruton, nm. v. e. grassoort met zeer fijne bloempjes Wk.
marta
mêmarta, martani, en martakake, zie bij warta. marta, zie nog mrêta.
mêrta
zie mrêta. - mamêrta, mêrtani, en mêrtakake, zie bij warta.
murta
KW. zva. ilang, verdwenen Wk., BS. 29 (Skr. mûrta, geronnen, ook verdoofd).
murti
KW. zva. amor, (T. 44a) gumolong, nunggal, bangêt, linuwih, en cêcak, Wk. en volg. G. ook zva. nyata, en titis, (Skr. mûrti, lichaam, vorm, gestalte); ook een naam van Wisnu (misschien door het verkeerd verstaan van harimurti, zie bij hari.). trimurti, drieëenheid, de drieëenheid van Brahmå, Wisnu en Siwå (Skr. trimûrti).
marit
KN. morat-marit, zva. corak-carik, overal met krassen en doorhalingen van een geschrift; verward van zaken Rh.
mêrit
1. zva. mêrik, of amrik. - 2. KN. spits toeloopen, met een dunne top, bv. van vingers, of een scheen Waj. II. 427; ook zva. mêthit, Tj. I, 556, zie pêthit, of ngêlik, van de stem enz. de hoogste toon uithalen Tj. I, 236.
mirut
zie mirud.
murit
KW. zva. ali-ali, vingerring BS. (? Perz. [Arab]).
mèrèt
1. zie pèrèt. - 2. net, keurig v. e. keurig gebonden hoofddoek Wk., Tj. I, 497, 623. - mèrèti, imd. den hoofddoek zoo opbinden Wk. - meretan, op een keurige wijze den hoofddoek op hebben Wk., vgl. plirit, sèbêt, enz.
maruta
KW. zva. angin, Wk. (Skr. mâruta); als Tj. Sěngk. vijf.
maruti
= maruta, A. 59.
mirata
KW. zva. maras, Wk.
mratah
KN. algemeen; overal te vinden, te zien, zich vertoonen, zva. wêrata, en lumrah, en dus eig. hetzelfde als mrata. wis mratah, zva. wis lumrah.
martana
mrêtana, KW. zva. kauripan, Wk. (Skr. wartana).
mratani
zie warata.
martani
(of mêrtani) zie bij warta.
martèni
(of mêrtèni) zie bij warta.
mêrtandukake
zie tanduk.
martundha
zie tundha.
mêrtandhu
zie tandhu.
mratak
= mêrkatak, (zie pêrkatak); een periode verder v. h. padigewas heet ° tumungkul.
martaka
KW. zva. sampurna, Wk.
martak-martakake
zie bij warta.
murtad
Ar. [Arab], KN. afvallig, een afvallige, verzaker van zijn godsdienst; afvallig zijn of worden RP. 113; afval. wong murtad, een god verzaker, vgl. balela.
martos
mêmartos, martosi, en martosakên, K. zie bij warta.
maratuwa
zie bij tuwa.
mratêlu
of mara têlu, zie bij têlu.
mrêtyu
of mêrtyu, zie mrêcu.
martyani
KW. zva. ambêciki, Wk.
martyakên
KW. zva. martakake, Wk.
mêrtami
of mrêtami, KD., zie bij dhayoh.
maratamu
mêrtamu, of mrêtamu, K. zie bij dhayoh.
mêrtamaya
KW. zva. luwih bêcik, Wk. (? Skr. amṛtamaya, onsterflijk).
maratêmbung
N. marabasa, K. iemand komen spreken, een paar woorden komen spreken R. (vgl. mara, bij para, IV).

--- 2 : 484 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mratiga
K. zie bij têlu.
mêrtega
zie mantega.
maratiga
K. zie bij têlu.
martabat
(Ar. [Arab], klasse; graden van mystieke volmaking Enc. II, 568b) trap, rang, graad. ingkang bêcik martabate, Wk. - kamartabatan, tot zekere klasse of soort behooren Wk.
mratêngga
KW. zva. sumringah, Wk.
mratènggèng
zie patènggèng.
mratonggong
zie patonggong.
mrasa
marasa, zie wirasa.
maras
1. marasake, N. zie waras, en aras. - 2. KN. ongerust; angstig, beducht; zich ongerust maken, duchten, angst, vreesachtigheid RP. 74, 75, WP. 307 (vrg. miris, en kuwatir). ° ing kalbu, BG. 215, 425. - marasi, iemand ongerust maken. mêmarasi, verontrustend. - kamarasan, door vrees bevangen ML. 146, Wk., vgl. rês. - 3. KN. de longen, gew. van menschen en gevogelte (vrg. kêbuk).
marês
Holl. marsch Bab. Jo. I, 919.
maris
marisi, en marisake, zie bij waris.
marus
KW. zie bij arus.
miras
zie iras.
miris
KN. ongev. zva. maras, beangst, beangst worden, afgeschrikt, den moed verliezen (vrg. maras, giris, en tintrim). - maras-miris, ongerust en beangst. karya giris tyas °, BG. 293, Bab. Jo. II, 20.
muris
of nguris, KN. angstig, verlegen, beschaamd, bevreesd, vgl. uncis, Wk.
murus
en murusi, zie bij urus.
mêrasa
N. mêraos, K. neiging tot iemand hebben of gevoelen (van rasa) R., wellicht hetz. als mirasa.
mirasa
zie bij wirasa.
mrusuh
of marusuh, KN. fijn, mul, bv. door goede bewerking van grond, goed gerezen, niet vast, bv. van gekookte rijst of beslag Rh.; volg. Wk. gerezen, sponsachtig als brood, krupuk enz.; mollig, zacht; zacht, rijp v. e. bloedvin; van sommige vruchten als: jambu drêsana, blimbing, zuiver, frisch van aanzien.
mrêsihi
zie bij brêsih.
marasoca
of wadêr marasoca, KN. naam van een soort van wadêr, JR.; volg. Rh. de wadêr pari, die een blinkende vlek op den kop heeft.
marasraya
zie bij sraya.
mrasuk
zie bij rasuk.
mursid
KN. vroom, godsdienstig (Ar. [Arab], op de rechte weg leidend). - kamursidan, vroomheid, vrome zin.
marasadu
zie bij sadu.
mursita
zie bij wursita.
marasake
zie waras.
mrasasulina
KW. zva. mratikêli, Wk.
miraswa
KW. zva. mirasa, Wk.
marasowan
K. zie bij sewa, II.
marswakakên
KW. zva. nyurupake, Wk. (Wk.?).
mursal
KN. weerspannig, ondeugend Bab. Jo. I, 347, Bl. CP. 168 ook = pamursal, weerspannigheid, ondeugendheid.
mrêsêp
zie rêsep.
marasêpuh
K. zie bij tuwa.
marasudha
KW. zva. manah (of watak) wêlasan, en lilihan, (ontbr. W.).
marasma
KW. zva. kurang budi, Wk.
marisib
KW. zva. nalisib, Wk.
maraseba
zie bij sewa, II.
mrawa
zie wrawa.
murawa
KW. zva. jêjêl, (in oudj. nm. v. e. muziekinstrument, zie Juynb. in Bijdr. 6e R. VI, 62, 63).
mruwun
KN. een weinig in wanorde, niet overal glad van het hoofdhaar Prěg. 37, Wk., volg. Rh. fijn en wollig van hoofdhaar, of manen van een paard (vrg. jalêbud).
marawur
KW. zva. ngawur-awur, Wk.
mrawat
zie rawat.
marwat
zie bij murwat.
murwat
KN. waardeering, schatting; schatten, waardeeren, begrooten; ook zva. bobot, gewicht, waarde van een persoon of zaak, in vergelijking met andere; waard zijn, naar evenredigheid Bab. Jo. I, 115, naar verhouding, bv. Bab. Jo. II, 123 sa ° eka wiryan, (rang); (ook volgens usance Rh.), waardig geacht worden. (Men zegt ook marwat, en dit waarschijnlijk voor mawrat. Vrg. naksir, en ngajèni, bij aji, IV.). kamurwat, pass. ora [o...]

--- 2 : 485 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
[...ra] murwat karo kangelane, het loont de moeite niet. samurwate, naar billijke schatting, of naar dat het in vergelijking met andere waard is, zie boven. ora murwat, niet evenredig aan de waarde, bv. v. e. prijs. - murwati, aan iets bij schatting of volgens usance een waarde toekennen, van iets bij schatting de waarde bepalen GR. kamurwatan, zva. murwat, de waarde van iemand of iets S. - pamurwat, het waardeeren; schatting. - murwatan, het gewaardeerde, schatting. sa °, DW. 148.
marwwati
KW. zva. mraboti, manganggoni, Wk.
merawala
KW. zva. magêri, Wk.
marwaya
mrawaya, marawaya, Waj. II, 140 en marawayan, Tj. I, 459, II, 521, KW. zva. mili, en andrèwès, Wk. (conj. van oudj. rawe, zie KBNW. i. v.).
marawayan
zie marwaya, en riwih.
marwyata
KW. zva. amot, Wk.
mrewang
zie bij rewang.
mirowang
zie bij rewang.
mêrlik
of marêlik, zie bij pêlik.
mêrlokake
zie bij pêrlu.
marlêsu
BTDj. 64, poët.? = lêsu.
marlupa
KW. zie bij lupa.
mrêp
of mêrêp, zie bij prêp.
mrapu
verk. v. mara apu, in kleur naderen tot apu, d. i. wit? PL. II, 132.
marêp
zie bij arêp, I.
mirup
zie irup.
murup
zie urup, II.
marapi
of mêrapi, KN. naam van een vuurspuwenden berg op Java (oudj. mar ° + api).
maripe
KW. zva. ngrimuk, Wk.
maripih
1. KW. zva. amrih, en zie bij paripih.
marapoh
KW. zva. rapih, Wk.
marêpak
zie prêpak.
marpada
verk. van marcapada, G. (waarschijnlijk beter van marapada).
marapada
KW. zva. kaswargan, G. (verk. van amarapada, Skr. amarapada, het verblijf der onsterflijken. Vrg. marabuwana).
mrapat
mêrapat, of marapat, zie prapat, onder pat.
mrapit
zva. marapit.
mripat
mêripat, of maripat, K. zie mata.
mripit
zie bij pipit, AS.
mruput
KN. zie pruput.
marpat
KW. gelijken, gelijk zijn G. (vrg. nyraspat); zva. marêpat, zie parêpat, Rh.
murput
KW. zva. sumaput, Wk.
marapat
of mêrapat, zie onder pat.
marapit
zie bij apit.
maripat
of mêripat = mripat, GR.
mrapatahi
KW. zva. mratikêli, Wk.
mrapatani
KW. zva. mratikêli, Wk.
marapwa
marapwan, KW. zva. supaya, Wk. (oudj. marapwan, rapwan KBNW. I, 764, vgl. dêrapon).
mrapal
zie bij papal.
marêpyuk
KW. zva. napuk, ngrubut, sumêpyok, Wk.
marpyati
KW. zva. mêpêti, Wk.
marpyas
KW. zva. munggêl, Wk.
mradha
zie nuna, bij tuna.
mardha
KW. zva. ngantarakake, Wk.
mardhu
mêrdhu, KW. zva. alus, Wk.
mirudha
zie miruda.
mardhana
zie ardhana.
mêrdhukun
zie dhukun.
mêrdhatêng
of mara dhatêng, K. zie bij dhatêng.
mêrdhayoh
of mara dhayoh, zie bij dhayoh.
mêrdhayang
KW. zva. bêbakulan, Wk.
mraja
of maraja, Wk., zie onder maha.
mraji
of maraji, verk. van mara siji, van elk éen, bij cêki, (Chin. kaartspel) zva. ijèn-ijèn, in tegenstelling van bak, Rh., volg. Wk. twee gelijke kaarten, gen. krêtu lima. mraji têlu, driemaal twee gelijke kaarten; gelijk zijn van twee of meer menschen, gew. in kleeding BG. 442.
marjan
of mêrjan, KN. koraal, roode koralen, bloedkoralen (Ar. Pers. [Arab]).
mrajak
KN. zich vermenigvuldigen, zich voortplanten JZ. II. van een boom, die door het afvallen van zijn vruchten zich vanzelf voortplant G.; volg. Rh. dicht op elkaar en gelijk opschieten, bv. van wat gezaaid is, van jonge alang-alang spruitjes enz.; ook fig. rad, vlug in 't spreken zoodat het eene woord het andere als 't ware verdringt, volg. Wk. = nrajak, BV. als een trajak, of têlajak, uitbotten [uit...]

--- 2 : 486 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
[...botten], uitschieten. Zie nog ulêm, 1. en vgl. A. 35.
mrèjèl
zva. mrojol, A. 15.
mrojol
° saka, zich ergens uitwringen, fig. mrojol saka ing panguwasane Gusti Allah, zie verder projol.
marjapa
KW. zva. mêmuja, Wk., vgl. japa.
mriyi
KN. zva. mrinyi, en bep. van planten, graansoorten enz. schraal, kwijnend, niet welig; volg. Wk. alleen ben. v. verbasterde, klein korrelige padi.
maryu
KW. zva. mari, (en maro, G.).
marya
KW. zva. sumorot, Wk., en zie ara, 1.
maraya
KW. zva. maju, Wk. (? oudj. weggaan, zie Juynb. 177).
maryana
zie aryana.
muryani
zie bij wurya.
mariyos
K. zie marica.
mriyêm
zie mariyêm.
maryam
Ar. [Arab], eign. Miryam, Maria.
mariyêm
of mriyêm, KN. kanon, geschut, stuk geschut. dimriyêm, pass. beschoten worden met een kanon. - mriyêmi, mrv.; daarmee beschieten Wk., BTDj. 555. - mriyêmake, met een kanon (op iets) schieten Wk. - mriyêman, (zich vermaken met Wk.) kanonneeren, met kanonnen schieten; ook kanonnetje als speelgoed.
mrayang
KN. te gevoelig van bek v. e. rijpaard Wk.
mrayangyang
zie hyang, I.
mrêm
zie bij rêm.
marma
1. KW. zie parma. - 2. (vgl. KS. 69) N. marmi, KW. en KD. in deftigen stijl zva. mula, oorzaak, reden WP. sumarma, en sumarmi, poët. hetz. marmane, zva. mulane, reden waarom. - marmita, KW. zva. marmanira.
marmi
zie marma.
marêm
zie bij rêm. - marêmi, zie bij parêm.
mêrêm
zie bij rêm.
mraman
en mrèmèn, KN. zich uitbreiden door verder te gaan, zich verder uitbreiden, zooals van een brand, de kanker, een huiduitslag, de laster, een ondeugd enz. AS. Zoo ook mraman-mraman, en mrèmèn-mrèmèn, zich hoe langer hoe verder uitbreiden (vrg. mrèntèk, mrèmbèt) en zie JZ. II anjalak mêmpan.
marminta
zie bij pinta, II.
mirmir
zie bij mir.
mremakake
zie pirma.
marmadu
KW. zva. wadon, Wk., vgl. wadu.
marmat
KW. zva. marbuk, golong, ngêmu, mèdêm, Wk.
marmata
Hyang Marmata, een naam van Bathårå Guru, AD. bl. 1, 2; vgl. manmata.
marmita
KW. zie bij marma.
marêmas
KN. naam van een visch Wk.
marmwat
KW. zva. amot, mêtêng, marbuk, Wk.
marimpi
en marimpèni, zie bij impi.
marimprêk
KW. zva. ngalemprak, Wk.
marêmbèh
KN. doorzijpen, zooals van water dat door een dam dringt; tranen van de oogen (vrg. prêmbèh, rêmbês, mrêmbês, en mêrbês) G.
marambahi
KW. zva. nyarambahi.
mrambat
mrèmbèt, zie bij rambat, rèmbèt.
mrambut
zie bij rambut.
marambat
zie bij rambat.
mrêmbês
zie bij rêmbês.
mrêga
(ontbr. W.) ook mrêgu, of mêrgu, KW. zva. bêburon, en sato, Wk. (Skr. mṛga, een wild, wild gedierte).
mrêgu
of mêrgu, zie mrêga.
marga
1. KW. zva. dalan, Wk. (Skr. mârga, weg, pad) JZ. II. 2. N. margi, K. middel of oorzaak waardoor BG. 130, BTDj. 68. amarga, en amarga saka, (of ° têka) N. amargi, en amargi saking, K. van wege dat, doordien, doordat; door middel van. - margani, KW. zva. andalani, of margèni, RP. 167.
margi
en margèni, K. zie bij dalan.
mêrga
zva. marga.
mêrgi
en mêrgèni, zva. margi, en margèni.
marug
zie bij adhuk.
mêrêg
en pamêrêg, zie bij wêrêg.
murag
zie urag.
muraga
zie wuraga.
margana
KW. zva. panah, Wk. (Skr. mârgaṇa), ook ben. van Arjunå in zijn jongelingschap Rh.
mrêguna
(W. mir °) KW. zva. kewan, Wk., vgl. mrêga, mrêgu.
mêrgak
zie pêrgak, en mêrgag.

--- 2 : 487 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mragadi
zie bij wragad.
mrêgêdut
of mêrgêdut, KN. stijf en onverzettelijk zijn, zijn eigen zin blijven volgen of doordrijven (vrg. brêgêdut) JR.
mragat
mragati, zie bij pragat.
margasari
nm. eener klasse van lieden in Cirěbon R. en T., vgl. magêrsari, bij pagêr.
margawati
KW. zva. Dwarawati. KN. naam van een kleine berg in de Kědhu, waar een edel ras van paarden gefokt wordt (Tj. I, 266) Rh.
mêrgil
1. KN. groot, ontzaglijk; tot een grooten hoop vereenigd; een groot boschwild. - 2. KN. op zijde gaan, uit de weg gaan, het spoor verlaten; afwijken, overtreden. - 3. KW. regelen; geregeld G.
muragili
zie wuragil.
margapati
KW. zva. sima, T. 41b (Skr. mṛgapati).
margaya
KN. het zou een wonder, een geluk zijn! antwoordt iemand wien men een of ander geluk toeschrijft Wk., BG. 432, 544, zva. baya, mogelijk, doch niet waarschijnlijk, of zva. măngsa, 't zal wel niet, dat. Zie de aant. op mêrgaya, bij de N.
mêrgag
KN. op iets stuiten; van schrik blijven staan, bv. van een paard; fig. weifelen, aarzelen Rh., zie pêrgak.
marêgi
en marêgake, zie bij warêg.
mragagah
of mêrgagah, zie bij gagah.
mêrgogok
of bêrgogok, zie pêgogok.
mêrgêgêg
zie bij gêgêk.
mragang
zie bij ragang.
mêrgăngsa
zie kalang, en pragăngsa, 2. Vlg. Wk. de kalang's beschouwd als werkvolk voor zoodanige werken, als waartoe zij in oude tijden verplicht waren, bv. houthakken, het leveren van houtwerken, steenhouwen, het aanleggen en onderhouden van wegen enz., vandaar pionnier, sappeur, zoo Waj. I, 44; II, 24: wong ° lan pionir.
mraba
KW. zva. sumorot, W., zie praba.
mrêba
of mêrba, KW. zva. padhang, en wiyos, G., volgens G. helder te voorschijn komen (Skr. prabhâ, glans); vrg. praba.
marba
KW. zva. sumrambah, Wk., vgl. mraba.
marab
zie Arab.
mêrêb
zva. mêrêp, zie bij prêp.
mirib
zie bij irib.
murêb
zie kurêb.
murub
zie bij urub.
marbandhung
KW. zva. ambêlangkêp, Wk.
mrabuk
mrêbuk, en marbuk, (T. 38a), zie rabuk.
marobuk
zie rabuk.
mêrbut
zie onder rêbut.
mêrbot
KN. 1. koster of bewaarder van een moskee, kerkedienaar, die ook bij de aankondiging van de uren voor het gebed door den Modin op de bědhug slaat BTDj. 247 (Ar. [Arab] v. d. B. gebonden, en benaming van een soort van Mohammedaansche heiligen in Afrika). - 2. een op een spil draaiende ronde schijf, waarop de pottebakker een pot van klei maakt Wk., vgl. nglèlèr.
mrêbês
of mêrbês, zva. mrêmbês, van rêmbês. mrêbês mili, BTDj. 496, zva. ambrêbês mili.
marabasa
K. WP., zie mara têmbung.
marabuwana
of marabwana, KW. zva. kaswargan, (verk. van amarabuwana, Skr. amarabhawana, het verblijf der onsterfelijken). Vrg. marapada.
mrobol
zie brobol, Tj.
marêbêl
= ambrêbêl, zie brêbêl, BG. 518.
mêrbabu
ook rêbabu, KN. naam van een berg op Java.
mrêbabak
of marbabak, zie bij brababak.
mrêbung
KN. naam van een dorp; zie JZ. II.
mrêbangbang
zie abang.
mrotholi
zie pothol.
mring
zie onder para, IV.
marang
zie onder para, IV.
maring
zie onder para, IV, en bij aring, waring. - maringi, en maringake, KI. zie bij wèh. maring, ook nm. v. e. ster ZG. XIII, 208.
marung
zie bij warung.
marèng
KW. zva. madhèng = adhèng, dhangan, marang, Wk. KN. măngsa marèng, de kentering tusschen de oost- en westmoeson, wanneer de regens minder worden, de drie mångså's kasadasa, dhêstha, en sadha. udan, (of jawah), marèng, de regens die in die kentering vallen.
marong
KN. gloeien; vuurrood, hoogrood, herh. BG. 185: sarwa abrit katon °, (vrg. mrêngangah). Zoo in mas abang marong. - marongan, een vuur van gloeiende kolen, een kolenvuur, kolengloed.

--- 2 : 488 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mêrang
1. BTDj. 41, mêrangi, en pamêrang, zie bij prang. - 2. KN. halmsteelen van de padi, padistengel JZ. II (vrg. oman, dhêdhak, dami, mrambut); en zie tutu.
mirang
zie pira. mêmirang, mirangi, en mirangake, zie bij wirang.
miring
mêmiringi, en miringake, zie bij iring.
mirong
1. KN. een kleed over den schouder om het lijf geslagen hebben of slaan. Bab. Jo. I, 226: ° kampuh, van droefheid, vgl. rimong, en ZG. XX, 389; XXI, 7; fig. zijn ware meening bemantelend, onoprecht R., zóo? BTDj. 56; volg. Wk. ontrouw (° dènnya angabdi, Bab. Jo. I, 626), verraderlijk, afvallig, zva. balela, Bl. CP. 148, Bab. Jo. I, 348, KB. 186; van den rechten weg afgaan JZ. II. - 2. zie wirong.
murang
KN. zva. nyimpang, BS. 147, JZ. II. murang dalan, van de weg afwijken, zijwegen gaan of inslaan KB. 39. murang tata, onordentelijk, onbeschoft. murang bênêr, wederrechtelijk AS. murang krama, de beleefdheid uit het oog verliezen, onheusch. murang laku, verkeerde stappen doen. murangkara, spr. voor tegenstreven; weerspannig, vgl. mumpangkara. murang sarak, zie bij sarak.
murêng
zie urêng.
muring
zie bij uring.
merang
merangên, zie bij erang, en bij perang.
mèrèng
zie bij èrèng, I.
morong
KN. TD. zva. kriyuk, 2. een grauwe aarden koffiepot met handvat en tuit JR., vgl. porong, 2.
maringa
KW. zva. anduga, aring, Wk.
maringah
zva. pandirangan, Wk.
mringin
zie waringin.
muringring
of muriring, KN. rillen, huiveren, de haren te berge rijzen = mrinding, v. prinding.
mringku
zie para, IV.
mêrăngka
zie warăngka.
mrangkani
en mrangkakake, zie bij warăngka.
mringkus
zva. mingkus, (van ingkus), en zie ringkus.
mringkil
zie bij pringkil. maringkil, KN. blijken, zichtbaar worden G.
mêrangkang
zie bij rangkang.
mrêngkang
of marêngkang, zie wêngkang, (vrg. mrêngkêng, en saka, II).
mrêngkêng
zie bij wrêngkêng.
maringdwang
KW. zva. miring, Wk.
marêngut
en marênguti, zie bij rêngut, AS.
maringit
KW. zva. ngringgit, mingit, ambêncah, mêcah, Wk.
murungut
= marêngut, T. 29b.
maringut-ringut
zie ingut.
marêngês
zie rêngês.
marungas
KW. zva. mêrung, Wk.
marungsit
zie bij rungsit.
mrungsang
zie rungsang.
murngwang
KW. zva. burêng, ngrêmêng, Wk.
mranggi
KN. iemand, die houten scheeden maakt voor krissen of pieken (vrg. tukang karas).
mranggu
KN. 1. zva. rangu-rangu. - 2. waterdrager.
mrênggi
KN. zwak enz. zva. ringkih.
miranggo
KW. va. atapa ana ing guwa, W. (Wk. angguwa).
mirungga
KW. zva. miji, KN. niet in de werkelijkheid plaats vinden, alleen maar in de verbeelding bestaan, hersenschimmig; buiten gebruik gesteld R. mirungga, of mrungga, geen vaste bestemming, geen bepaald doel hebben, bv. on gebruikt kapitaal, en dan Wk. zonderling, niet zooals andere; buitengewoon, niet dagelijksch v. e. bezigheid Wk. wong mirungga, een zonderling mensch R.; volg. G. iemand in het onzekere laten, in de war brengen. mirungga, zva. rungga, in het spr. mirungga tămpa, JZ. II; volg. Wk. tot zonderlinge, vergezochte opvatting geneigd zijn; volg. Rh. nieuw aangelegd, nieuw gebouwd enz. bv. van een brug, in tegenstelling van een gerepareerde. - mirunggakake, (of mrunggakake, Wk.) caus., bv. geld voor onvoorziene uitgaven houden Wk.; iets buiten gebruik stellen. dimirunggakake, passief. - mirunggan, of mrunggan, zva. mirungga. kêmasan °, iemand, die uit liefhebberij gouden of zilveren voorwerpen vervaardigt Wk.
marêngguk
= marêngut? K. 20, 20.
mranggolang
KN. afweren, pareeren (vrg. nanggulang, bij tanggulang) G.
marêngêng
KW. zva. burêng, Wk.
marangi
en marangan, zie bij warang.
marangani
zie warang.
murungake
murungan, en pamurung, zie bij wurung.

--- 2 : 489 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mrêngangas
KN. grijnzend groote tanden laten zien (vrg. mrêngèngès); zie ook mrangas, bij prangas, RS. R. n. N. 160: van de tanden zelve.
mrêngèngès
Tent. 21, 53 zva. mrèngès, bij prèngès.
mak
KN. 1. een klanknabootsend woordje vóór een ander woord, dat een geluid of beweging of gevoel of toestandsverandering beteekent om daarmee uit te drukken, dat plotseling of ineens dat geluid of die beweging enz. ontstaat; en zoo vooral ook vóór een ander klanknabootsend woord, bv. in mak sêk, (zie bij sêk) en mak cus, of mak nyus, (zie bij cus). piringe tiba: mak karompyang, het bord viel, en daar rinkinkte het! Andere voorbeelden zijn: kulit êndhog diidak, mak kriyêk, wite dibalang watu: mak karosak, awèh ulat, mak sêdhèt, ak didamoni: mak sriwing, aku malumpat, mak balêbêr. Andere samenstellingen met éénlettergrepige woorden zie beneden. - 2. simak, en sêmak, zie in vv., vgl. mak kyai, Waj. II, 465, 483. mak nyai, Waj. I, 103 en CP. in TBG. XXIX, 181. - 3. naam v. zekere hars of gomsoort als geneesmiddel Wk. - 4. soms verk. v. jamak, Wk.
mik
of êmik, KN. ngêmik, peuzelen, eig. de lippen bewegen. ngêmik-êmik, iets peuzelen Wk., zie umik, en vrg. camik. - êmik-êmikan, mik-mikan, aanhoudend peuzelen. amik-amikan, ook êmik-êmikan, of mik-mikan, iets om te peuzelen, zva. pêpanganan.
muk
zie bij amuk.
mèk
of êmèk, KN. aanraking met de hand, vgl. pèk, êmêk. - ngêmèk, een object aanraken, betasten, met de hand voelen. kêmèk, bij ongeluk betast, gevoeld raken Wk. - ngêmèk-êmèki, of ngêmèk-mèki, (een obj. betasten, bevoelen; zóo BG. 269: ° salira ginrayangan, (dit volg. Wk. ngêmèk-êmèk), voelende rondtasten; volg. Wk. naar iets al tastend zoeken. - mek-mekan, of êmek-êmekan, al tastende, zooals een blinde of iemand die in het donker rondtast; overal met zijn handen aanzitten, vgl. grayang.
maka
(maka, vgl. Ml.) WJ. zva. măngka.
maki
KW. zva. nguman-uman, Wk., Mal. měmaki.
mêka
KW. zva. nyêdhak, Wk.
mika
KW. zva. minăngka, G.
miki
in de spreektaal verk. van mau iki, zoo even R.
muka
KW. zva. rai, BTDj. 578, JZ. II, êndhas, wêdana, ngarêp, ngarêpan, pêngarêp, Wk.; Bab. Jo. II, 62, 301: moka, en zva. cangkêm, G. (Skr. mukha, aangezicht, mond, voorste, eerste, voornaamste, hoofd, Vrg. mukya).
mêkah
Ar. [Arab], naam van de stad Mekka.
mêkuh
KW. zva. ngrêngkuh, nganggêp, ambêkuh, Wk.
mikuh
zie ingkuh. ° mirong, Bab. Jo. I, 164.
mukah
KN. iets daar men mee bezig is, zooals een werk of vasten of voorgenomen onthouding, afbreken, voor een tijd of vóor dat het geëindigd is; eig. hetzelfde als mokah, van pokah, JR.; volg. Wk. ook ambukah, afwijken van zijn plan om te vasten of zich van het gebruik van het een of ander te onthouden, of van zulk een gevolgden regel afwijken (zie buka).
mekah
mekah-mekah, KN. met wijd uitgespreide beenen loopen; zie bij pèkèh, Tj. III, 707, BG. 36.
makao
1. Chin. de speelkaarten verschieten bij het Chineesche kaartspel, wat door iemand tegen betaling gedaan wordt; vrg. kocok, JZ. I, 157. - 2. naam van een soort Chineesch schrijfpapier (v. Macao?).
mêkêhi
KW. zva. ngukuhi, Wk. (? schrijff. voor ngêkêhi, ngêkahi).
mikail
of Mingkail, eign. van den engel Michaël.
makna
Ar. [Arab], KN. bedoeling, zin, beteekenis (vrg. têgês, en jarwa); en zie lapal. - maknani, van iets den zin of beteekenis verklaren, zva. nêgêsi, of anjarwani. dimaknani, passief.
makan
Ar. [Arab], plaats (vrg. makam) JZ. II.
mikan
en mikani, zie bij wikan.
mêkêna
KN. naam van een hoofdbedeksel van Javaansche Mohammedaansche vrouwen, wanneer zij bidden, dat uit 2 banden bestaat, de een strak om het voorhoofd, de andere om het hoofd en de ooren gebonden, zoodat alleen het aangezicht vrij is, waarbij de rukuh, komt (Ar. [Arab]) Wk.

--- 2 : 490 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mikèni
zie wiki.
mekani
zie bij weka.
makenaki
zie enak.
mak nul
zie nul.
makundha
KW. zva. tutup gêlung, Wk. (Skr. mukunda, edele steen).
mêkanjar
KN. vooruitkomen en optreden, bv. om te dansen of op een uitdaging in een gevecht; ook halsstarrig voortgaan in een verkeerd gedrag, naar geen vermaningen luisteren R.; volgens G. woedend om zich heen slaan, zie verder kanjar.
makêning
KW. zva. bêning, Wk.
mak cur
samenstelling van mak, en cur, bv. nguyuh mak cur.
mak cus
zie bij cus.
makêcup
KW. zva. nuju, Wk.
mak cêg
samenstelling van mak, en cêg, een klanknabootsend woord voor een vasten greep of goed pakken; bv. dicêkêl mak cêg.
mêkar
zie bij êkar.
mukar
KW. zva. pangarêp, G. (Skr. mukhara, voorste, aanvoerder). Vrg. mungkar, 2.
mukir
zva. mungkir.
makara
KW. zva. kancil, Wk. (? Skr. marka, markaṭa, aap) en zie mangkara, 2.
mikara
zie bij wikara.
makruh
Ar. [Arab], verfoeid, te verfoeien, waarvan men een afkeer heeft of moet hebben; wat men vermijden moet, ofschoon het juist niet strafbaar is bij de wet, vgl. najis, KT.
mukaranah
Ar. [Arab]. samentreffen van een dag van de week of maand met een feestdag, zva. anujoni, R.
makrak
zie krak, en vrg. mangkrak.
mêkrok
KN. half geopend van een bloem, groot en breed van een haarwrong; zich uitzetten, uitdijen Rh., zie êgrok.
mikhrad
mekhrad, BG. 542 of merad, Ar. [Arab] v. d. B., KN. hemelvaart B. 332: ° marang swarga gung, zie urud. - mekhradan, een offerfeest ter gedachtenis van Mohammad's hemelvaart op den 27sten Rêjêp.
makirtya
KW. zie bij krêtya.
makhrup
of makhrub, Ar. [Arab], bekend, vermaard.
mekhrap
naam van de Eufraat, te Suråkěrtå bekend DN. II, 649, WR.
makhripat
Ar. [Arab], kennis G., bij ngelmu's tegenover ngèlmu ghaib, Rh. Vlg. v. d. B. in Enc. II, 568b: de absolute bekendheid met het wezen van de godheid zelf.
makryutarta
KW. zva. putus, Wk., vgl. krêtarta.
makram
Ar. [Arab], personen in den verboden graad v. d. B. in Enc. II, 557b.
mukharam
Ar. [Arab], KN. naam van de eerste maand van het Mohammedaansche jaar, ook Sura, genoemd.
makhrub
zie makhrup.
mikrab
(Ar. [Arab]), een nis in de moskee, die de keblat, aanwijst v. d. B., Enc. II, 583b.
mukarab
Ar. [Arab], genaderd, in de nabijheid toegelaten; zich in tegenwoordigheid van God bevinden G.
makarêng
KW. zva. andadak, Wk., vgl. sakarêng.
makeringi
zie ering.
mukok
ook mungkok, KN. koren, kokhalzen, neiging tot braken hebben, beginnen te braken WP. (vrg. mungkug-mungkug, mutah, gumoh); volg. Rh. bij beetjes braken.
makiki
wezenlijk, reëel, werkelijk bestaande, wezen hebben, niet maar schijnbaar van de geestelijke dingen, in tegenstelling van majas, (Ar. [Arab], werkelijk, reëel, niet oneigenlijk) JR.
mêkakon
en kêmêkakon, zie bij kaku.
mak kik
KN. samenstelling van mak, en kik, een klanknabootsend woord voor het geluid van een kik; bv. ditêkak mak kik, GR.?
mak krês
KN. samenstelling van mak, en krês, een klanknabootsend woord voor het geluid dat iets geeft, als het gesneden of geknipt wordt; bv. digunting: mak krês, GR.?
mêkakat
KN. zva. lumrah, normaal, gewoon, zooals het meestal of gewoonlijk bij de menschen wordt aangetroffen (mischien het Ar. [Arab] Waj. II, 91.
mik-amikan
poët. zva. mik-mikan, snoeperij (zie bij mik).
makadi
zie adi, I.
mukadara
of mukadarah, KN. gissing, berekening; gissen, berekenen Wk. (? omzetting van udakara).

--- 2 : 491 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
makdum
of makêdum, KN. een geestelijke, zva. santri, Wk., BTDj. 24, Bl. CP. 30.
mukta
zie muktah.
mukti
KW. zva. mangan, adhêm, nandhang, (beide laatsten ontbr. W.) KN. genieten; een rijkelijk, heerlijk, onbezorgd leven hebben in het vol genot van al wat men wenschen kan BTDj. 102; zalig, gelukzalig, vgl. wibawa, (Skr. mukti, bevrijding, verlossing; eindelijke, volkomene verlossing der ziel van het zinnelijk lichaam, het toppunt van zaligheid; maar misschien wel, ook van het Skr. bhukti, genot, genieting PK. Vrg. bukti). BG. 282: suwiyahe wong iku, arêp mukti purwa prihatin. Ib. 89: panci ing titah bêgja cilaka lan mukti. wurung mukti sida mati, het zalige leven blijft weg, de dood komt, spr. v. iemand, die zich afslooft voor een gelukkige toekomst, maar die komt te sterven vóor hij zijn doel bereikt heeft Wk. - muktèkake, iemand doen of laten genieten, een heerlijk leven doen hebben BG. 208; zaligmaken. - kamuktèn, genot, genieting, geneugte, een heerlijk onbezorgd leven; levensgeluk JBr. 234; plaats voor kamuktèn, BTDj. 637.
mikêt
mikêti, zie ikêt.
mukêt
zie ukêt.
muktah
of mukta, (ontbr. W.) KW. zva. mati, (KA. mokta en moktah passim) en ilang, (Skr. mukta, bevrijd, verlost; volkomen verlost van het stoffelijk lichaam).
mêkatên
K. zie mangkana.
makitun
KN. alles, het geheel omvattend, als eigenschap van de godheid (Ar. [Arab], omvattend) G.
mêkètên
MD., zie mangkana.
mêkotên
MD., zie mangkana.
makêti
zie bij wakêt.
maktal
ook matal, naam van den negentienden zoon van Watu-gunung, en van de een-en-twintigste wuku; ook naam van een door Ambyah onderworpen, en later als broeder aangenomen vorst Rh.
mukhtamat
of mutamat, Ar. [Arab], daar men zich op verlaat, geloofwaardig, een algemeen aangenomen gevoelen G.
maksi
mèksi, zie aksi.
muksa
KW. verlost van het zinnelijke of het geheele stoffelijke lichaam AS. (Skr. mokṣa, verlossing; verlossing van het stoffelijk bestaan); ook zva. musna, ilang, sirna, nyamur, Wk. - kamuksan, de toestand van muksa, het leven van iemand, die tot dien staat gekomen is BG. 305; de gelukstaat na den dood, zva. kapatèn, AS. 248: kamuksan, voor ngèlmi °, (vrg. kailangan, en kasirnan).
moksa
KW. zva. muksa, Wk.
makis
KW. zva. nangis, Wk. mupus, W.
mêkas
mêkasi, mêkasake, en pamêkas, zie bij wêkas.
maksih
of mêksih, en maksihakên, K. zie bij isih.
maksar
Ar. [Arab]? plaats waar menschen tegenwoordig zijn G. ara-ara maksar, het veld waar Mohammad met de zijnen gelegerd was RW.
mak sur
KN. 1. samenstelling van mak, en sur, 1. (vrg. mak cur); bv. disokake: mak sur. - 2. difficulteerend, met (innerlijken) tegenzin (Ar. [Arab]) GR.?
mak srog
KN. samenstelling van mak, en srog, klanknabootsend woord voor het geluid van iets, dat met snelheid ergens op neer komt; bv. lungguh: mak srog.
mak sêk
zie bij sêk.
maksud
Ar. [Arab], wat bedoeld wordt, meening, beteekenis Bl. CP. 236; ook voornemen. - maksudi, KN. van iets de bedoeling of beteekenis opgeven, iets verklaren.
moksil
ook mosil, Bab. Jo. I, 918? KN. voordeel (vrg. misil, asil, en usil).
moksèl
KN. laag, gemeen Wk. (Ar. [Arab].
muksala
KW. zva. musala.
maksiyat
KN. zonde (Ar. [Arab], weerspannigheid, ongehoorzaamheid; weerspannig, ongodsdienstig, goddeloos) vrg. drohaka. si maksiyat, de Zonde, bij personificatie. - maksiyatan, zva. abangan, de leeken, de niet-geestelijken Wk.
muksab
KW. zva. muksa, (Ar. [Arab], ver weggevoerd, ver verwijderd) GR.
makewuh
makewuhi, zie ewuh.
makuwêl
zie uwêl.
mêkul
zva. mêngkul, zie pêngkul.

--- 2 : 492 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mokhal
ook wel mohal, KN. ongerijmd, onbestaanbaar; ongehoord, onmogelijk WP. 348, BTDj. 91 (Ar. [Arab]). Vrg. mustakhil, en nglêngkara. - mokhalake, iets onbestaanbaar of onmogelijk noemen, als zoodanig beschouwen BTDj. 500. - kêmokalan, ongerijmdheid, onmogelijkheid; een hersenschim AS. 103, 102.
makala
KW. zva. kancil, Wk., vgl. makara.
makolih
makolèh, enz., zie olèh.
makolihang
KW. zva. madoni, Wk. (eigl. conj. van makolih).
mak lur
KN. samenstelling van mak, en lur, verkorting van ulur, bv. didudut, mak lur, GR.?
makhluk
of mahluk, Ar. [Arab], geschapen, schepsel (vrg. titah) RP. 91.
ma(of mang)kêlatake
KN. voor iem. (iets) zoeken; iets daartoe aanwenden, waardoor men aan geld komt, d. i. verpanden Wk., vgl. gadhe.
muklis
poët. zva. putihing ati, (Ar. [Arab], rein, ongeveinsd). Vrg. iklas, en suci.
makili
en makilake, zie bij wakil.
mak lap
KN. ineens is hij weg! samenstelling van mak, met lap, GR.?
mak lêp
KN. samenstelling van mak, en lêp, bv. dicêmplungake banyu: mak lêp, GR.?
mu(of mo)kalapah
KN. ongewoon, zonderling, strijdig met de gewoonte, van iemds. handelingen Wk. (Ar. [Arab]).
maklum
KI. van apura, en pêngapura, (Ar. [Arab], ingehouden, bedwongen van toorn). BG. 446: dèn ° sabaring budi. - maklumi, KI. van ngapura, en ngapuntên. - makluman, vergevensgezind, niet kwalijk nemend Wk.
mak lêg
KN. samenstelling van mak, en lêg. bv. diuntal mak lêg, GR.?
mak lêng
KN. stilzwijgend heengaan, vertrekken zonder iets te zeggen (Waj. I, 282); samenst. van mak, en lêng, 4, GR.?
mak pok
KN. samenstelling van mak, en pok, klanknabootsend woord voor het geluid van een slag, of van een vrucht die op den grond valt; bv. tiba: mak pok, GR.?
makapi
en makapake, zie bij wakap.
mak pyur
KN. samenstelling van mak, en pyur, bv. disawuri wêdhi: mak pyur, GR.?
mak pêng
KN. zwaar van iets dat stijf en vol geladen is, ook zwaar het gehoor treffend, zooals een zwaar schot (vrg. abot, en antêp), samenst. van mak, en pêng. dipêtik mak pêng, GR.? Vgl. sêk pêng, bij sêk.
mak dhêl
KN. samenstelling van mak, en dhêl, klanknabootsend woord voor het losgaan van een schot en van iets dat breekt (vrg. dhil); bv. dibêdhil mak dhêl, GR.?
mak dhil
samenst. v. mak, en dhil, zie dhil, GR.?
makidhupuh
poët. KN. in een nederige houding zitten of gaan zitten (vrg. kadhêkês) R., zie dhupuh.
mak jlig
KN. samenstelling van mak, en jlig, bv. mudhun mak jlig, GR.?
mukjijat
Ar. [Arab], KN. een wonder, wonderteeken, ook wondermacht RP. 128, v. d. Br. (vrg. istidrat). - kamukjijatan, door iemand verricht wonder.
makèjêm
KW. zva. kandhêm, Wk.
mukya
KW. zva. pêngarêp, (Skr. mukhya, hoofd, voornaamste) T. 16b. mantrimukya, de voornaamste mantri's. - minukya, zva. linuwihakên.
makyahi
zie bij wakyah.
mak nyuk
KN. samenstelling van mak, en nyuk. grondvorm van nyunyuk, bv. didumuk mak nyuk, GR.
mak nyèk
KN. samenstelling van mak, en nyèk, klanknabootsend woord voor het geluid, wanneer men in iets weeks trapt; bv. diidak mak nyèk, GR.?
mak nyat
KN. samenstelling van mak, en nyat, bv. ngadêg mak nyat, GR.?
mak nyus
zie bij cus.
mak nyêng
zie bij nyêng.
makam
Ar. [Arab], KN. graf in het algemeen, vooral van een heilig graf (vrg. kubur, en jarat). - (pa)makaman, begraafplaats, grafstede.
makêm
KN. zva. nyêrod, ook onder het wisselen van geld eenige centen wegmoffelen van een geldwisselaar R., zie echter bij pakêm.
mukim
Ar. [Arab], iemand die op een plaats zijn verblijf houdt KT., vaste inwoner v. d. B. Enc. II, 544b.
mukmin
(WG. 30) Ar. [Arab], een geloovige, een Mohammedaan.

--- 2 : 493 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
makmum
Ar. [Arab], door den Imam voorgegaan in het gebed, bij het bidden den voorganger in het gebed volgen, hem nadoen en naspreken; een navolger van den Imam in het gebed.
mukminun
Ar. [Arab], 't Arab. mv. van mukmin, Palm v. d. Br.
mukhamad
of Muhamad, Ar. [Arab], eign. Mohammad. Nabi Mukhamad, de propheet Mohammad. umat Mukhammad, volk van Mohammad, Mohammedaan (vrg. wong Islam).
mak bruk
KN. samenstelling van mak, en bruk, bv. ditibakake: mak bruk, GR.?
mak brêt
KN. samenstelling van mak, en brêt, bv. disuwèk mak brêt, GR.?
mak brês
KN. samenstelling van mak, en brês, bv. udane mak brês, GR.?
mak bêt
KN. samenstelling van mak, en bêt, bv. disumêd mak bêt, GR.?
mak bêl
KN. samenstelling van mak, en bêl, bv. diobong: mak bêl, GR.?
mak bul
KN. samenstelling van mak, en bul, bv. didamoni: mak bul, GR.?
mak blês
KN. samenstelling van mak, en blês, bv. dicublês ing lading: mak blês, GR.?
mak blus
KN. samenstelling van mak, en blus, bv. dijojoh: mak blus, GR.?
mak blêg
KN. samenstelling van mak, en blêg, bv. dibanting: mak blêg, GR.?
makutha
KN. kroon (Skr. makuṭa). Vrg. taju. manuk °, kroonvogel Wk. amakutha, met een kroon op het hoofd.
mak thêl
KN. samenstelling van mak, en thêl, bv. ditugêl mak thêl, GR.?
making
zie aking.
mêkungkung
= mrêkungkung, bij prêkungkung.
mêkongkong
= mrêkongkong, bij prêkongkong.
makangsali
en makangsalakên, K. zie onder olèh.
mad
zie amad.
mud
of êmud, Ar. [Arab], een zekere maat, eig. zooveel men in beide handen houden kan (vrg. raup), vgl. ZG. XVIII, 12.
mod
of êmod, het binnenste, het kernachtige gedeelte van opium, dat in ballen in den handel voorkomt. De inwendige kracht, het vruchtbare vermogen van den grond, humus? vgl. kumud, uruh-uruh, Wk.; en emod, KN. zacht en elastisch op het gevoel, bv. bij het drukken v. e. rijpe vrucht Rh. êmod-êmod, zie kêmod.
mada
mêmada, en madani, zie bij wada.
madi
1. madèni, madèkake, zie wadi. - 2. het dierlijk zaad, volg. de Suluk onderscheiden in mani, madi, wadi, en manikêm, Wk.
madu
N. mabên, K. enz. 1. zie onder adu. - 2. honing JZ. II (Skr. madhu, zoet, honig). madukara, KW. bij, honigbij (Skr. madhukara); ook naam van de woonplaats van Arjunå. madubrata, KW. zva. kombung, een bij (Skr. madhuwrata). madu kucing, zuur en stijf geworden van honig, gew. geel van kleur Rh., vlg. MR. II, 54 nångkå-bloesem, als rujak gegeten; kleur v. e. paard RL. 53a, vgl. napas. madu kasingi, en madu pinasthika, gezuiverde of geprepareerde honig. maduwăngsa, naar 't schijnt beste honig ZG. XVII, 244 (miss. eigl. ° măngsa, Skr. madhumâsa, lentemaand). madu sirat, carang madu, naam van snoeperijen Wk. madurêtna, naam van een Kawische zangwijze JZ. I, 333; Waj. I, 93, 104 enz. maduwadya, naam v. e. haarkring bij paarden op den buik als een slecht teeken Wk. - madon, KN. zalvig, zacht gekookt van een ei, zie ook bij wadu.
made
1. KW. zie madya. - 2. KW. zva. gawe, van de, I. - 3. K. zie bij dol. - 4. KW. zva. palungguhan, ambèn, en bale, Wk. madeyasa, zva. prabayasa, WP. (made omah, N. made griya, K. zva. bale omah, en bale griya. made manguntur, KW. zva. lêmah dhuwur. made kambang = bale °, of yasa kambang, BG. 152).
mêdi
mêmêdi, mêdèni, mêmêdèni, en mêdèkake, zie bij wêdi.
muda
en mudani, zie bij wuda.
meda
1. KW. zva. sidêkah, (ontbr. W.) en ulah, Wk. (Skr. medha, offer). aswameda, een paardenoffer, een soort van groot Indisch offer Gr. L. 288. Vlg. RW. zou deze plechtigheid op Java oudtijds daarin bestaan hebben, dat men een paard losliet, en bij wien het kwam, dien werd opgedragen tegen

--- 2 : 494 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
vergoeding der kosten het vereischte offermaal te bereiden Wk. - 2. KN. zie weda.
mèdi
KW. zva. luwih, en silit, Wk., zie èdi.
moda
KW. zva. wêngku, Wk.
mudahani
zie udani.
madahab
Ar. [Arab], godsdienst, in den zin van godsdienstsecte, bijzondere geloofsleer, bijzonder stelsel v. d. B. in Enc. II, 526a.
madon
zie bij wadu, en bij madu.
medan
KW. zva. papan, Wk. (pamedan, zva. paprangan, Men. IX, 382) en edan.
modin
KN. tempeldienaar, die de uren voor het gebed aankondigt; in een déså tevens voorganger in een moskee of langgar; zie nog ZG. XVIII, 8; XXXI, 22. BTDj. 573: kyai pangulu suranata kêtib lawan modin ... andêdonga, (Ar. [Arab] v. d. B., priester die de uren van het gebed moet aankondigen). Vrg. adan, en mêrbot.
madana
en mêdanani, zie bij wadana. Ook nm. eener klasse van lieden in Cirěbon R. en T.
mêdani
KW. zva. ambêciki, Wk., vgl. ngadani, bij ada.
mudana
verkorting van samudana, KW. zva. kêmbang tunjung, Wk.
modana
KW. zva. nglipur, G. en ngrêrapu, Wk. (Skr. modana, opvroolijking).
madèni
1. N. zie bij wadi. - 2. K. zie bij dol.
madoni
zie wadu.
mêdèni
en mêmêdèni, zie bij wêdi.
midèni
zie bij widi.
mudani
zie bij wuda.
madonake
zie wadu.
maduntên
K. zie Madura.
madra
KW. zva. măntra, Wk. (misschien voor Skr. mudrâ, figuren met de vingers, ook bij bezweringen).
madar
zie adar.
midêr
en midêr-midêr, zie bij idêr.
modar
ook modir, (WG. 122) N. krepeeren, gekrepeerd, plat woord voor mati, van een beest, met verachting van een mensch (vrg. jidêng, jidhèt, en madodong) BG. 439.
modir
zie modar.
madara
KW. zva. selak, asor, en asomah, JZ. II (van dara) KN. sympathiseeren, zooals van man en vrouw en van vrienden; zie ook JZ. II, 225.
madura
1. en madhura, KW. zva. lêgi, Wk. (Skr. madhura). - 2. N. maduntên, K. naam van een eiland en van een vorstendom.
madran
KW. zva. andhodhog, Wk.
madrin
eign. van de tweede vrouw van Paṇdhu, moeder van Nakulå en Sadewå (Skr. Mâdrî).
midrankên
KW. zva. ngubêngake, Wk., vgl. midêr.
midêrêng
KW. zva. ambêrêg, Wk.
midrakênyêp
KW. zva. tawap, Wk. (midêr + kênyêp?).
mèdrès
ook mèndrès, KN. wulpsch in manieren en kleeding van een meisje of vrouw. (Een maitresse?) JR.
mudramana
KW. zva. pulungati, Wk. (Wk.?).
madèkake
zie bij wadi.
madokake
zie bij wadu.
mêdèkake
zie bij wêdi.
madèkakên
zie onder dol.
madukara
zie bij adêg, en madu.
midik-midik
zie widik.
mêdêd
zie bij êdêd.
midid
zie bij idid.
mèdèd
KN. goed van rooktabak, wanneer zij goed smaakt en lang brandt Wk.
modod
zie bij odod.
midadarèni
zie bij widadara.
madêdêng
zie dêdêng.
madiding
(ook ambadiding, JR.) KN. van koude rillend de schouders optrekken; ook rillen van angst of vrees (vrg. bêdhidhing, en kêkês). badiding-badiding, gedurig zóo de schouders optrekken, rillen JR.
madudung
1. KW. zie bij dudung. - 2. KN. onmiddellijk na den maaltijd zijn behoefte doen G.
madodong
zie dodong.
mêdidang
zie wêdidang.
madat
KN. toebereide opium, zva. tike, (vrg. apyun, en zie cêmêngan). Hind. madat. - madati, opium rooken, aan het gebruik van opium verslaafd zijn (vrg. nyêrèt).
mêdêt
zva. mêdêd, zie bij êdêd.
modot
zie bij odod.
mudita
KW. 1. zva. rahayu, ontbr. W. (Skr. mudita, verheugd, gelukkig). - 2. zva. wêruh

--- 2 : 495 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
durung winarah, (Skr. bodhita, tot wijsheid gekomen). - 3. verk. van pramudita.
modata
KW. zva. mudita, 2, G.
madas
KN. half gaar, niet goed gaar van rijst of jagung; vgl. klênis, mogol, badhêl, Wk. - madasan, zie abdas.
mados
madosi, madosakên, zie bij wadi.
mêdosi
en mêdosakên, K. zie bij wêdi.
mêdal
mêdali, en mêdalakên, K. zie bij wêtu.
mêdêl
zie bij wêdêl.
midil
KW. zva. mudul, Wk.
mudal
zie bij udal.
mudul
zie bij wudul.
madilawas
Waj. II, 44: besuk ° ing warsa Be wurung, voor ad calendas graecas, nooit.
maduli
en madulake, zie bij wadul.
madapa
KW. zva. leyad-leyod, Wk., RL. 15a.
madêpak
= mariyêm, Men. VII, 355.
maddha
KW. zva. têngah, Wk., vgl. madya.
madya
ook made (samade, RL. 10a) KW. zva. têngah, sêdhêng, midden, middelste, middelmatig, lumbung, bale, (C. 2061, 13b) Wk. samadya căndra = satêngah wulan, BTDj. 579 (Skr. madhya). Ook is madya, KI. van lambung. samadya, KW. en KN. zva. sêtêngah, en sasêdhêng, bv. dhuwure samadya bae, maar middelmatig hoog Tent. 3. madya, ook zva. bangkekan, middel, middellijf. basa madya, KN. de middeltaal, de beleefde taal die het midden houdt tusschen ngoko en kråmå, zie Gramm. en Bl. PS. 9, 10. wayang °, zie bij wayang. madyaning jagad, het midden van de wereld, de pusêr bumi. madyantara, KW. en KN. de middenruimte, bv. van een groot huis KB. 72, 74, R.; en zva. awang-awang. madya gantang, B. 594 ook dyagantang, zva. têngah ngawang-awang, en têngahing dhuwur, het midden van het luchtruim. madyapada, KW. de midden wereld, de aarde BG. 323; ook madyasiti, BG. 347, madyaloka, 355, madyantala, 363. KN. naam van het teeken ¥.¢.¥ in poëzie. padamadya, naam van het teeken ¦.. Ook = pamade, de middelste van kinderen Waj. I, 27, 95 enz. pamade, ook pramade, de middelste, bijnaam van Arjunå, den middelsten van de vijf zonen van Paṇdhu.
mudya
KW. zva. muga, Wk.
madaya
KW. zva. lincad, en ambalenjani, Bab. Jo. I, 202, Wk., in het spr. madaya katingal ing rupane, JZ. II (van daya? = paeka).
madeya
KW. zva. maleca, Wk., vgl. madaya.
madyèn
KW. zva. tarima, G.
madiyun
KN. naam van een residentie op Java.
madayèng
KW. zva. cidra, Bab. Jo. I, 1442 (wel zva. madaya ing), vgl. AD. bl. 44.
madyama
(Skr. madhyama), zie purusa.
mèdêm
mèdêmake, zie bij èdêm.
madamêl
K., zie bij gawe.
madêg
zie bij adêg.
madung
en madungi, zie bij wadung.
medang
medangi, v. wedang, zie bij we.
medong
KN. medong-medong, onder het loopen de aars heen en weer bewegen (Tj. I, 700, II, 278) Rh.
modang
1. KW. zva. mancud, Wk. - 2. KN. met een wit of effen gekleurd vierkant of langwerpig vierkant in het midden van een hoofddoek en borstkleedje, zie S., vgl. ZG. XX, 406. modang, onderscheidt zich van balumbangan, alleen door het hebben van kêrisan, binnenwaarts loopende strepen Wk. - modangan, met een modang, meer bep. nm. van een payung van prinsen, ongev. dezelfde als êndhog sêtugêl. Ook nm. eener teekening der èbèg, en van zekere zilveren bekleeding v. e. houten kandhaga, Wk.
madungdung
zie bij dungdung.
mat
1. Holl. mat (schaakmat) L. - ngêmatake, mat zetten BG. -2. term bij het béngkatspel, wanneer de boon van den speler door een schop de opgezette boom van de tegenpartij omverwerpt Wk.
mit
zie amit.
mut
= êmut.
mèt
en mèmèt, zie bij pèt.
mot
gew. amot, KN. (ook wel awrat, K., niet in Wk.) iets bevatten, inhouden; beladen, belast, bezwaard, de juiste grootte hebben, om iets te kunnen bevatten; de noodige hoeveelheid van iets hebben; de capaciteit tot iets hebben (van wot, I.); een geheim hebben of bewaren, volg. Wk. ook in het geheugen vatten, hebben; vatbaar, geschikt, bekwaam. bisa amot, kunnen bevatten. - pamot = amot, geschikt,

--- 2 : 496 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
bekwaam, verdraagzaam; ook bak v. e. vrachtkar enz. Wk. - pamotan, KW. zva. pambobotan, Wk. - momot, of ngêmot, KN. wawrat, (of amrat, J.) K. met iets beladen, bevracht, van een vaartuig, voertuig of lastdier; zoo of zooveel laden, dragen. momot, KN. bevattelijk, bruikbaar, geschikt Wk., Bab. Jo. I, 897? iets dulden, geduldig, verdraagzaam, vgl. dhadhut. ora bisa momot wadi, geen geheimen kunnen bewaren WR., vgl. Bl. CP. 248: ngêmot prêkawis wados. - kamot, (ook wel kaêmot) en kawrat, geladen, ingeladen, opgeladen; gedaan in of op. ° nèng tenong, BG. 553 (opgedragen om over te brengen R.); vervat in een brief of geschrift BTDj. 598; ook (iets) kunnen bevatten BG. 30. - momoti, ngêmoti, KN. mawrati, K. iets (met iets) beladen of bevrachten; ergens (iets) in- of opladen. ngêmoti, KN. ngêwrati, K. ergens (iets, zooals een verhaal) in opnemen. - momotake, ngêmotake, KN. mawratakên, K. iets (ergens) in- of opladen; met iets (een voertuig) beladen of bevrachten. ngêmotake, KN. ngêwratakên, K. iets (in een boek) als inhoud opnemen of schrijven; (iets opdragen aan een bode om het over te brengen AS., W.). - momoti, een vrouw bezwangeren GR.; volg. Rh. in dezen zin ngêtêngi, N. mawrati, K. zie bij wêtêng. - pamomot, bevrachting. - momotan, 1. KN. wawratan, K. (weinig gebruikt Wk.) vracht, lading, vrachtgoederen; om te bevrachten. - 2. zwangerschap (vrg. wêtêngan)?
mata
N. mripat, K. tingal, paningal, en sotya, KI. (zie ook surya) oog JZ. II, de oogen, ook van een dobbelsteen (kalah samripat, een oog minder hebben dan de winner bij het spel pèi, Wk.); ook van een wudun, bloedvin; volg. Rh. ook oog of kwast in hout of bamboe, zie sotya, Tj. Sěngk. 2; maas, bv. van een net of beurs GR.; steen of steentje, bv. in een ring JR; pit van de tamarinde en pětéboon, bij telling ook wel als stuk, stuks. mata, KN.: mata krambil, de oogvormige gaatjes in de schaal van de klapper waar de jonge plant uitbot. mata ula, (als) slangenoogen van suiker of kokosmelk bij het koken tot stroop of olie, als bewijs van gewenschten kookgraad; ook jong van de jagung, Wk., zie bij kupat. mata lele, witachtige kleur van de oogen van een gěmak, in onderscheiding van ngêmbang weweyan, licht blauw; volg. SG. een periode in de groei van tabak: de blaadjes zijn als de oogen der lélé. sêmata, een maas GR. mata iwak, zie iwak. mata kucing, KN. naam van een soort van hars, Dammara alba Rmph., nat. fam. der Abietineae Prěg. 42. mata walangên, KN. moede zijn door lang op iets te staren Wk. panèn mata, sprkw. belooningen of giften aan anderen zien geven, zonder zelf iets daarvan te krijgen Wk. mata dhuwitên, inhalig, geldgierig Bl. PS. 55, 125. mata pita (in BTDj. 225 mata pitaya) een vertrouwde, aan wien vertrouwd wordt op alles het oog te houden; ook een gids, die met het oord bekend is en een ander leidt en terecht helpt GR. matakapèn, zie ape, mina tan kumala, voorzien, met oogen van karbonkel Waj. I, 24. mata-mata, KN. (soms mripat-mripat, K. Wk.), spion, geheime politiedienaar JBr. 433. samata-mata, eigl. voor zooveel als 't oog zien kan, in 't oog vallend, zie sa, II. - matani, N. mripati, K. van oogen voorzien, bv. een pop Wk. KN. iemand krenken door hem iets toe te voegen waarbij zijn oogen betrokken zijn, bv. zien je oogen dat dan niet, of heb je dan geen oogen? Wk. matan-matani, freq. Wk. - kamatan, te groote oogen hebben; ontdekt zva. kasipatan, Wk. - mripatan, KN. oogen op dobbelsteenen en kaarten, bv. bij pèi, Wk. Ook met ingezette steenen v. e. ring of cundhuk, ZG. XXI, 16.
mati
zie bij pati, en bij wati.
matu
zie bij watu.
mêta
KN. matta, KW. woedend vooral van een olifant. BG. 285: lir gajah °, woedend worden; fig. van een mensch opstuiven van drift (Skr. matta, woedend, verwoed; een woedende olifant). gajah mêta, naam van een zekere slagorde. gajah mêta sêmune têngu lêlakèn, spr. zva. veel geschreeuw, maar weinig wol R.
mêtu
mêtoni, mêtokake, en pamêtu, zie bij wêtu.
muta
zie bij wuta, en KW. zva. mati, amot, Wk.

--- 2 : 497 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mete
zie ete.
mote
KN. glazen kraal of kraaltje, van verschillende kleuren, git B. v. B. I, 74, 75 (Skr. mutya, parel), vrg. mutyara. kêmbang mote, kralen ringen ter versiering van de haarwrong van meisjes ZG. XXVII, 271. mote anak, naam van een rijk op de westkust van Borneo: Pontianak B. v. B.
mutah
mutahi, en mutahake, zie bij wutah.
mêtahi
mêtahakên, zie bij wutuh.
mutuhi
mutuhake, zie bij wutuh.
mataun
oude naam van een gewest op Java, misschien wel van madyun, AS.
matianta
zie bij ati, II.
mata era
KN. ben. van een soort open, meestal gebloemd, vlechtwerk van een pagěr Rh.
mutiara
zie mutyara.
mata utêr
zva. mata itik, CP., zie bij itik.
matni
(Arab. [Arab] 't hoofdwerk tegenover sarah, v. d. B. Enc. II, 540b.
matên
KW. zva. ngarêp, W. (Wk. marêp).
matun
mêmatun, zie bij watun.
mêton
zie wêtu.
matra
KW. zva. kêdhik, ngentha-entha, Wk. (Skr. mâtra, maateenheid; atoom, molecule; een klein deeltje, een beetje). samatra, zva. sakêdhik, S., zie ook bij patra.
mitra
ook mamitra, Wk. KN. vriend; bevriend. - mamitra, vriendschap hebben, sluiten GR. (Skr. mitra). Vrg. sêdulur, sêduluran, sanak, en prasanak. - mitran, of mêmitran, met een ander of met elkander bevriend zijn; vriendschap. - pamitran, vriendschap JZ. I, 250.
mutra
1. KW. zva. uyuh, Wk. (Skr. mûtra, pis). - 2. zie putra, bij anak.
matur
zie bij atur.
mitar
metar, KW. zva. lunga, Wk., vgl. intar, entar.
matara
of mêtara, zie bij antara, en watara.
materah
zie ngatirah.
matiri
zie bij watir.
maturakên
zie atur.
matrêywat
KW. zva. ngiwat, JZ. II, Wk.
mataram
mêtaram, of mantaram, N. matawis, mêtawis, of mantawis, K. naam van een distrikt, vroeger een rijkszetel, op Java in het Yogyå-'sche (Skr. manthara, een fort, sterkte) JZ. II. - mataraman, s. v. gamělan, nooit bij wayang bespeeld ZG. v, 128; XVI, 175.
matak
of matêk, zie bij watêk.
mutik
KN. gegriefd, gekrenkt, ontevreden, bv. door slechte behandeling of door beleediging; sterker dan purik, BTDj. 607; Tj. I, 582, niet in Wk.; vgl. putik.
mataka
verkorting van ngimaimataka.
matika
KW. zva. matah, Wk.
matkenyan
KW. zva. malorod, Wk.
matuki
matukake, zie watuk.
matakapèn
volg. Rh. ter pl. Waj. I, 15 en 59 zva. kalingane, bedriegt mijn oog mij niet; 't lijkt wel enz. ... zóo? GB. XIII, 476; in K. niet duidelijk te zien, nauwelijks zichtbaar(matakapèni) zie ape.
matta
KW. zie bij mêta.
matês
en matêsi, zie bij watês.
matis
KW. zie bij tis.
matsika
KW. 1. zva. kêlabang, Wk. (Skr. makṣika, vlieg, ook wel bij). - 2. volgens G. alle, alles.
matasak
KW. zva. matêng, Wk.
matosi
zie watir.
matsya
KW. zva. iwak loh, T. 50b, ontbr. W. (Skr. matsya, een visch).
matwa
KW. zva. nyumpêg, Wk.
matawa
KW. zva. mapag, Wk.
mutawatir
en mutawatiri, zie bij kuwatir.
mutawatos
K. zie bij kuwatir.
matawis
K. zie bij watara, en bij mataram.
matwang
KW. zva. matêng, urun-urunan, anggubêl, Wk.
matal
1. zie maktal. - 2. verk. van gumatal, kumatal, of kêmatal, KN. half rijp, of half droog van maïs, peulvruchten, gevormd aardewerk enz. JR.; volg. SG. v. jagung, eetbaar van de vrucht; volg. Wk. oud, bijna verdroogd van sommige boonsoorten als kara, kêmlandhingan, kêdhawung, enz., ook v. d. jagung.
motol
zie otol.
mutlak
Ar. [Arab], onbeperkt, onvoorwaardelijk, algemeen KT. 196.

--- 2 : 498 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
matalalakwa
KW. zva. laku dharat, Wk. (conj. van ma-tala-laku).
matuluya
KW. zva. rumasuk, Wk.
matapitaya
zva. matapita, BTDj. 222, 255, zie mata.
matajilah
KN. ketter (Ar. [Arab], naam van een kettersche Mohammedaansche secte).
matya
KW. zva. mati, (conj.) en bangêt, of luwih, (van patya), en zie ati, II. S.
mêtya
(voor mêtwa) KW. zva. mêtu.
mitya
KW. zva. linyok, Wk. T. 49b; RL. 38b, 54b (Skr. mithyâ, valsch, trouweloos); ook zva. luwih, Wk., bala, kulawarga, en volgens G. groote macht, bovennatuurlijk vermogen, en zva. mêtya.
mutya
(voor muktya) KW. BS. 484 zva. mukti, Wk. - kamuktyan, zva. kamuktèn, S.
motya
KW. zva. mukti, mati, Wk., zie mutya.
mutiyan
zie putih.
matyanta
KW. zva. kaluwih, C. 2061, bl. 70b, vrg. ati, II, AS., S.
mutyara
ook wel mutiara, KN. parel. ayam °, parelhoen, poule pintade (Skr. mutya: zie bij mote).
mityaka
KW. zva. bala santana, Wk. (voor mitryaka, vgl. Skr. maitrya, vriendschap).
mityakardha
KW. zeer verlegen zijn G.
matyas
KW. zie bij tyas.
matma
zie atma.
mutmainah
en verb. tumaninah, tumaninah, tumoninah, en gew. tuminah, KN. rustig, bedaard, zachtzinnig, gelaten, tevreden, stil (Ar. [Arab], rust, kalmte) JR.
mutamat
zie mukhtamat.
matimbun
zie bij timbun.
matagwa-tagwa
KW. zva. magoli, ambakuhi, Wk., vgl. têguh.
matêb
KW. zva. matêng, sumêdhêng, Wk. (oudj. atěb = jav. atub WS. 183).
matêbi
KW. zva. ambirat, Wk. anjirap, W.
mutabar
KN. algemeen, algemeen bekend, overal verspreid, vgl. babar.
matang
1. KW. zva. mula, en sabab, ontbr. W.; vgl. Juynb. 151. matangnya, zva. mulane, of sababe, (een ander zie ben.) vgl. T. 1b, 45b. - 2. KN. matangi, zie bij watang. - 3. hoog gerezen van het water Wk., vgl. umrik.
matêng
KN. rijp, volg. Wk. van ooft, waarvan het eetbare gedeelte zacht en de rijpheid door de roode kleur zichtbaar is, als van pêlêm, năngka, gêdhang, enz., vgl. dalu, doch van manggis, dhuku, langsêp, enz. zegt men tuwa, evenals v. kaluwèh, bêndha, sukun, jagung, gaar; goed gekookt, wel doorgekookt van water en andere kooksels, vgl. tanak, wedang, (ook van bamboe, die voldoende geweekt is CP.), ook doorbakken Wk.; goed doorgeploegd van grond; geronnen van bloed RP. 150; tot rijpheid gebracht of gekomen, bv. v. e. bloedvin; voltooid, bv. v. ascese, RP. 66; volleerd, vgl. putus, na rijp overleg besloten of gearresteerd; volg. Wk. tot rijpheid gekomen en geschikt zijn voor behandeling, aanneming of uitvoering, zijn volkomen beslag hebben, vgl. kênthêl. saduluran matêng, een beproefde vriend S. lawe matêng, getwijnd garen, zie ° mêntah, bij lawe, (vrg. ratêng). satêngah matêng, erven met recht van opstal ER. I, 41. - matêngi, of ngatêngi, Wk. iets gaar enz. maken AS. - matêngake, enz. maken dat iets rijp of gaar enz. wordt; volg. Wk. iets dat daartoe op weg is, tot gaarheid brengen, gaarder maken; iets tot volkomen rijpheid als boven doen komen, geheel voltooien AS., Bab. Jo. I, 953.
mêtêng
zie bij wêtêng. - mêtêngi, zie bij pêtêng, en wêtêng. - mêtêngake, zie bij wêtêng, en bij pêtêng. - mêtêngan, zie pêtêng.
metang
metangi, metangake, zie bij itung.
metung
en metungi, zie bij itung.
matangnya
KW. zie bij matang. Ook volgens G. op iemand wachten.
matêngga
1. KW. zva. gajah, Waj. I, 319, RL. 34b, ontbr. W. (Skr. matangga en mâtangga). - 2. K. zva. têngga.
matunggu
N. zva. tunggu.
motangake
zie utang.
mas
(oudj. mâs en ěmâs) KN. ook wel jêne, K. goud, gouden; goudene! mijn goudene! als liefkozende benaming; ook een titel van een fatsoenlijk man bij de Javanen. mas adi, fijn gedegen goud. mas ore, zie ore. mas wurung, KN. zekere delfstof met kristallijnen oppervlakten (antimonium [anti...]

--- 2 : 499 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
[...monium]?) Wk. samas, vierhonderd. dhomas, achthonderd Sund. Men. VIII, 325, 390, Prěg. 104; vgl. WG. 323 (dhumas, Madureesch vier gulden koper?). maskentir, en maskumambang, zie bij intir. mas ajêng, titel van aanzienlijke getrouwde vrouwen. mas ayu, van lageren rang dan radèn ayu, nog lager is bok mas, of êmbok mas, titel van fatsoenlijke vrouwen, die gelijk staat met dien van Mas bij de mannen. mas lara, titel van een vrouw wier man mas agus, genoemd wordt S., R. mas lara, titel van een ongetrouwde dochter van een mas ngabèi, en bok lara, van die van een mas, gelijk mas agus, de titel van een nog ongetrouwden zoon van een mas ngabèi, en bagus, of gus, van een mas, is WW. adhi mas, of dhimas, noemt men onder de aanzienlijken zijn jongeren, en kangmas, zijn onderen broeder. kangmas, noemt ook de vrouw haar man. Zie verder R. en T. mas kinikir, naam van een gele bloem, met fijne bladeren, in de wandeling "Afrikaan" genoemd S., Rh. (een andere naam is kêmbang têmbêlèk). kêmbang mas, gouden versieringen in het lemmer van een wapen Wk. gêdhang mas, naam van een klein goudgeel soort van banaan. Wk. - mas-mas, uitroep van verbazing Waj. I, 270. - ngêmas-êmas, iem. Mas vóor en Mas na noemen; iem. vleien, paaien Bab. Jo. I, 778, vgl. ngêdhi-êdhi, bij adhi. - ngêmasi, betalen KA. 3; vandaar ellipt. voor ° pati, het met den dood betalen, sneuvelen ib. 38. noot 6. - kêmasan, goudsmid. - ngamasake, iets bij den goudsmid brengen (pass. dikamasake) Wk. 187. - mas-masan, of mas-êmasan, nagemaakt goud, valsch goud, vgl. precetan, ook goudwaren. bakul mas-masan, koopvrouw in goudwaren JZ. I, 97.
mis
of êmis, KN. eenden voeder, voordeel, winst Wk.
mos
of êmos, KN. Holl. morsen, in den zin v. vermorsen, doch meestal v. e. anders goed Wk.
masa
Prěg. 18, zie măngsa, I, III.
masi
KW. zva. urup, Wk.
masu
KW. zva. warana, Wk.
mêsa
mes zie mesS mêssa.
mêsi
1. zie bij wêsi. - 2. KN. een kleinigheid (als belasting) betalen om uit iems. bosch hout te sprokkelen of gras, alang-alang enz. te halen (volg. Rh. zva. ambayar sewan); of pamêsi, die belasting Wk. - pamêsèn, of mêsèn, plaats, waar die belasting betaald wordt Wk.
misa
en misani, zie wisa.
musa
ook Mungsa, Ar. [Arab], de eign. Mozes.
mesa
verk. van maesa, JBr. 188; AD. bl. 40, passim.
mèsi
zie bij isi.
masêh
zie bij angsah.
masih
zie isih.
masuh
masuhake, en pamasuhan, zie bij wasuh.
masoh
zva. masuh. masoh ing sarengat, de godsdienst zuiveren (reinigen, verbeteren) G.
mêsah
zva. mêngsah, zie mungsuh.
misih
en misihake, zie bij isih.
misuh
en misuhi, zie bij wisuh, en bij pisuh.
musuh
zie mungsuh.
mashur
of masêhur, 1. Ar. [Arab], KN. zva. kawêrta, S.; volg. Wk. gew. misuwur. - mashurake, zva. mêrtakake, RS. - 2. verb. van maksur, 2.
masêhur
zie mashur.
misuhur
zie bij suwur.
mêsiasat
zie bij siyasat.
masalah
msHlh Ar. [Arab], kwestie, onderwerp of punt van kwestie AS., zva. prakara, ook in den zin van bab. Zoo ook wel masalah bab. Bab. Jo. II, 100 masalah, Vgl. I, 701.
masallah
Ar. [Arab], wat God wil! wat God behaagt!
musna
KW. zva. ilang, ontbr. W. KN. verdwijnen, onzichtbaar worden. BTDj. 20: ° botên antawis dangu katingal malih, (waarschijnlijk verb. van het Skr. mokṣaṇa, loslating PK.). Vrg. muksa, ilang, en sirna.
masin
zie bij asin. Verder een term bij het gobag-spel, uitgeroepen door een der spelers, doe al de kringen, door de tegenpartij bewaakt, doorgeloopen heeft zonder aangeraakt te worden, ten teeken dat hij gewonnen heeft Wk.
mêsèn
pamêsèn, zie mêsi.

--- 2 : 500 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
misan
misani, en misanan, RS., zie bij pisan.
mesan
zie maejan.
masani
zie puwasa.
musoni
zie bij wusu.
musanif
ook musanib, Ar. [Arab], auteur, schrijver van een boek.
mascaryani
zie ascarya.
masru
zie sru.
mêsru
Ar. [Arab], zva. Mêsir. volg. Wk. nm. v. e. plaats? surban °, nm. v. e. stof voor tulbanden uit Měsru. bêdhil buwis °, een geweer met een getrokken loop van Měsru.
misra
of mingsra, KN. de eigenschap hebben om aan de behoefte te voldoen, als: te verzadigen, te verfrisschen enz. Wk.
misri
of mingsri, KN. voordeel, winst, vgl. moksil, Wk., en het uit de opiumpijp verzamelde roet van candu, om nog eens gerookt te worden (vrg. cêkakik) JR., volg. Rh. de uitgeperste opium.
mêsir
Ar. [Arab], naam van de hoofdstad van Egypte en van Egypte. tanah Mêsir, Egypteland. wong Mêsir, Egyptenaar.
musir
KW. zva. amburu, (van usir).
mosèr
zie osèr.
masrik
Ar. [Arab], het Oosten, benaming van de landen, die ten oosten van Arabië liggen.
musrik
Ar. [Arab], veelgodendienaar, heiden (vrg. kapir) RP. 115.
masrut
middel (vrg. sarat) G.
maski
of mêski, TP. zva. sênajan, (Port. masque) RP. 15, Mal. maskipun.
masak
KN. dansgeld, geld om te mogen dansen op een openbare plaats (janggrung); de betaler krijgt na afloop van de dans kinang, of een strootje (sigaar) Rh., vgl. tombok. - masakan = racikan, Bl. PS. 215.
masuk
masuki, zie bij asuk.
misik
en misiki, zie bij wisik.
musik
Holl. muziek. - musikan, muziekant, vgl. tanjidhur.
mesuk
zie esuk.
mosik
zie bij osik.
masika
verk. van munasika. dimasika, passief S.
musika
KW. zva. tikus, rat of muis Wk. (Skr. mûṣika).
mêsakake
meskH[k zie bij mêsa, en paksa.
maskun
zva. maski, passim in Sel. o. a. 145b.
miskin
zva. mêskin, KN. arm, noodlijdend (Ar. [Arab] v. d. B., vgl. v. d. B. 52) Vrg. malarat. - kamiskinan, armoede. - kêmiskinên. te arm.
maskar
verk. van mas sêkar, goudsbloem G.
mêsakake
meskK[k zie bij sak.
musakat
KN. moeilijkheid; en moeielijke omstandigheden, waarin iemand verkeert, ellende, nooddruft; nooddruftig (Ar. [Arab], moeilijkheid, ellende). Vrg. pakewuh, en kêsrakat, Bl. CP. 232, Bab. Jo. I, 567. - kamusakatan, ellende, nooddruftigheid.
musakaf
een oud familiestuk, dat bij erfenis van den één op den ander overgaat (Ar. [Arab], een boek, inzonderheid een exemplaar van den Koran) R.
maskyari
verb. v. maskiari, of maskiadhi = mas adhiku.
masud
= mangsud, II. Bab. Jo. I, 942, 1452.
misuda
zie wisuda.
mastu
KW. leven G.; en zie astu.
mèstu
zie bij èstu.
mastani
of mêstani, K. zie bij aran.
mêstar
of mêstaran, zva. jidaran, een linieerplank, een plank overdwars met dunne touwtjes bespannen, die men op een papier afdrukt om het te liniëeren, vgl. sêntak.
mêstri
Holl. meester, geneesmeester Bab. Jo. I, 676. - mêstrèkake, iemand door een geneesmeester laten cureeren, vgl. dhukun.
mêstèr
1. zie mlêstèr. - 2. KN. nm. v. e. spel: met geld naar de streep gooien Wk.
mustari
Ar. [Arab], naam van de planeet Jupiter.
mêstak
KN. een langwerpig uit kruis omhoog naar achteren spits toeloopende strook of lap, aan een broek CP.; het kruis v. e. broek, onderscheiden in ° ulir, en ° gandhul, Wk.
mastaka
mêstaka, of mustaka, KW. de top of kruin van iets. KN. top of toren van een tempel of moskee; KW. en KI. van êndhas, K. sirah, BTDj. 2. (Skr. mastaka, de top van iets; het hoofd, de schedel).

--- 2 : 501 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mustakhil
Ar. [Arab], KN. zva. mokal, ondenkbaar, onmogelijk S.
mastuti
RS., zie bij sêtuti.
masati
zie sat.
mustafa
Ar. [Arab], de uitverkorene, een eerenaam van Mohammad.
mustajab
ook wel mustijab, Ar. [Arab], verhoord (vrg. istijab, katrima, en jinurung); zie ook tajap.
mêssa
mesS of mes mêsa, zva. mêksa. pamulang mêssa, zva. pamulang mêrdi. - mêsakake, zva. mêksakake.
mêsês
zie êsês.
masisa
KW. zva. apêtak, G.
masesa
masesani, masesakake, en pamêsesa, zie bij wisesa.
mêsesa
enz. zva. masesa, enz.
misesa
enz. zva. masesa, enz.
masisani
zie bij wasisan.
missra
zva. Mêsir, in de Kawi-samenstelling missra mulku, de koning van Egypte.
masalah
msSlh zva. msHlh masalah, of masallah.
miswa
miswah, zie mi, 2.
misowah
Chin. zva. miswah, (zie bij mi).
misuwur
en misuwurake, zie bij suwur.
musawarat
Ar. [Arab], raadpleging (vgl. rêmbug). - musawarati, KN. iemand raadplegen om zijn oordeel te vernemen. - musawaratake, omtrent iets (een ander) raadplegen, om zijn meening of oordeel te vernemen; omtrent iets bij anderen navraag doen JZ. I, 147.
maswas
zie swas.
mêswês
zie wês.
maswapati
mangsyapati, of mangsah pati, eign. van den Vorst van Wiråthå, schoonvader van Abimanyu (verb. van het Skr. Matsyapati, de Vorst der Matsya's).
misil
Ar. [Arab], gelijk KT. KN. misil, of mêsil, of mingsil, voordeel (vrg. moksil, en asil). ujrat misil, Ar. [Arab], gelijk loon, evenredig aan de moeite. băndha misil, voor het Ar. [Arab], goed, dat gemeten of gewogen, en waarvan een gelijke hoeveelheid vergoed of teruggegeven kan worden. amrih misil, KN. voordeel bedoelen met het een of ander te doen RS.
musal
kleed G. (misschien Ar. [Arab], met een sleep van een kleed).
mosil
zie moksil.
musala
of muksala, naam van een wapentuig in oude tijden (Skr. musala, een knods).
masalah
mslh zie msHlh masalah.
muslakhah
Ar. [Arab], nuttigheid om een heilzame reden; verleening van verzachting van straf door den Vorst, om staatkundige of andere gewichtige redenen.
masêlat
een talisman, vgl. jimat.
muslim
Ar. [Arab], Mosleem, Muzelman, een rechtzinnige (vrg. Islam).
masapi
KN. benaming van een soort fijn wit linnen, dat in vroegere tijden te Madurå vervaardigd werd G.
misêpuh
verkorting van kamisêpuh, zie tuwa.
maspaosakên
K. zie bij waspada.
muspra
KN. nutteloos verloren gaan, geheel vergeefs of voor niets, daar niets van komt, zva. nglaha. ook kwijtschelding van opbrengsten JBr. 110.
mêspir
KN. van glas nagemaakt edelgesteente; vlg. anderen zekere soort van edele steenen van minder waarde Wk. (verb. van saffier?).
musafir
KN. bedelaar; bedelen (TBG. XXXVI, 480: misapir); van santri's en haji's S.; jur. alle arme vreemdelingen v. d. B. 52 (Ar. [Arab], reizende, reiziger). Vrg. priman.
maspadakake
zie bij waspada.
misudha
zie bij wisuda. ook iemand boven anderen in zijn gunst stellen, boven anderen trekken R.
masidhêm
zie bij sidhêm.
masjid
of mêsjid, ook mêsigit, en sêmigit, KN. moskee (Ar. [Arab] v. d. B., of volgens andere uitspraak masgid).
masya
KW. zva. raras, asri, en bubar, Wk. zie asya.
masoyi
KN. naam van de schors van een niet op Java voorkomende boom (de Clercq) die tot medicijn gebruikt wordt, misschien sassafras Fil.
misaya
en misayani, zie bij wisaya.
misyana
KW. zva. ngalani, Wk.
masiyati
en masiyatake, zie bij wasiyat.
mêsiyasat
zie bij wêsiasat.
masuyug
zie uyug.
masyang
masyang-syang, zie bij syang.

--- 2 : 502 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
masmu
KW. zie bij sêmu.
masêm
Gr. L. 142, zie bij asêm.
mêsum
of ngêsum, Wk. KN. vervallen, mager en bleek van iemands gelaat (Bab. Jo. I, 647 v. e. lijk: ° biru), flauw, lusteloos (ook van handelingen Men. VIII, 70), vgl. acum.
mèsêm
zie bij èsêm.
musama
Vrg. [Arab], genoemd, genaamd (vrg. asma).
masmur
Vr. [Arab], KN. psalm, benaming van de psalmen van David (vrg. jabur).
masumpêk
zie bij supak.
mêsigit
zie masjid.
masgul
KN. bezwaar hebben of gevoelen, tegen iets of iemand bedenking hebben; zich gekrenkt gevoelen Gr. L. 132 (vrg. [Arab], geoccupeerd; bezorgd). - pamêsgul, bezwaar tegen iets S.; volg. Wk. ontevredenheid, gemelijkheid.
masbun
KN. naam v. e. wapen; volg. and. v. e. kanonsoort; ook wel masbum, BTDj. 251, Holl. bom, een mortier of houwitser; vgl. mimis bum, ib. 607.
masbuk
KN. ongenood op een maaltijd meekomen eten, zich indringen om mee te genieten (vrg. [Arab], geanticipeerd, voorgekomen) R. mêsbok, KW. zva. urun dariji, meeëten Wk.
musibat
en verk. sibat, Vr. [Arab], onheil dat iemand treft, ramp, vloek RP. 117. kêna musibat, getroffen of te treffen door een ramp, vervloekt, vloekbaar.
masebya
KW. zva. pancing, JZ. II, Wk.
misbyah
Vr. [Arab], KN. altaar.
masbum
zie masbun.
masing
KW. zva. samubarang, Wk.
mising
zie ising.
masanggaruhan
KW. zva. ambal-ambalan, Wk.
mwa
KW. zva. sira, (nl. mu + a) en padha, Wk.
mawa
1. KW. verk. van mawawa, (zie pawawa). - 2. K. en N. zie bij wawa.
mawi
K. zie bij wawa.
mawu
zie bij wu.
mawo
KW. zva. nyampe, Wk.
miwa
KW. zva. kalayan, (vgl. muwah, IV) ngrêngga, ambawahi pangantèn, Wk. (vgl. miwêh, bij iwêh).
miwi
zie iwi, vrg. mèncêp, bij èncêp.
muwa
KW. zva. muwah, en zva. sangkêp, anjrah, panjrah, Wk. ucapên, en pangucap, G.
mowa
KW. zva. parêng, Wk. KN. ledig van een nest, waaruit de jonge vogels weggevlogen zijn Rh.
mwah
KW. zva. nampik, Wk., vgl. moh.
mawêh
KW. zva. ngrêmpèk, Wk., vgl. wawuh.
mawuh
en mawuhake, zie bij wawuh, awuh, en wuh, 3.
mawèh
KW. zie bij wèh.
mêwêh
zie wêh.
miwah
1. K. zie muwah. - 2. KW. zva. ewuh, G.
miwêh
en pamiwêhan, zie iwêh.
muwah
1. KW. juist, tijdig; rijp zijn G. - 2. KW. zva. murih bêcik. - 3. KW. zva. wuwuh. - 4. muwah, N. miwah, K. zva. utawa, of utawi, en tuwin, (vrg. wah). Vgl. KS. 62.
muwêh
zie wêh.
mèwêh
T. 9a, en pamèwêh, zie èwêh.
mewuh
zie ewuh.
miwaha
zie bij wiwaha.
mêwahi
en mêwahakên, K. zie bij wuwuh.
muwuhi
en muwuhake, zie bij wuwuh.
mèwèhi
en mèwèhake, zie onder wèh.
mawan
zie awan, II.
mawon
MD., zie bae, en kelawa.
miwên
zie iwên.
muwun
muwuni, en pamuwunan, KI. zie tangis.
mawani
KW. zva. nyrawungi, Wk., RL. 13b?
mawra
KW. zie wra.
mawar
KN. 1. roos, van de Pers. en Holl. roos (vrg. rêgulo). banyu (of toya) mawar, rozenwater (ook dat van de Jav. rêgulo, gedistilleerd wordt). BG. 227: tinoyan mawar. - 2. asu mawar, OJ. zeker ras van honden KBNW. I, 241b.
mawêr
mawêri, zie awêr.
mawur
zie onder wur. mawur putih, zuiver wit BS. 591 (vrg. putih mulus).
miwir
zie bij wiwir.
muwêr
zie bij uwêr.
muwur
muwuri, en muwurake, zie bij wur.
mèwèr
KN. zva. dêlèwèr, of blèbèr, zie èwèr. - mèwèr-mèwèr, zie ben.
mawari
zie wawar.
mowori
zie onder wor.
muwarid
zie warid.

--- 2 : 503 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mawrat
K. zie bij bot. - mawrati, zie bij mot, en wêtêng. - mawratakên, zie bij wêtêng.
muwaril
zie waril.
mèwèr-mèwèr
KN. nokken, snikken (vrg. sênggruk-sênggruk), G.
mawrung
KW. zva. mamprung, Wk.
mawêrêng
KW. zva. udamamah, tau, misuwur, Wk.
mawrêngkên
KW. zva. ngandikakake, Wk.
mèwèk
zie wèk.
mawak
zie awak.
mawaka
KW. zva. laki, bojo lanang, Wk.
miwekani
van wiweka, zie weka.
mawad
KN. afzonderlijk, op zich zelf, niet met anderen mee, bv. mawad dhewe, op zich zelf staan, zelfstandig Wk. mawad omah dhewe, op zich zelf wonen. mawad mangan dhewe, afzonderlijk alleen eten (niet met de huisgenooten mee) Wk.
mawud
en mawudake, zie bij awud.
mawidara
KW. zva. tanggal pisan, G.
mwit
oude vorm van (a) mit.
mwita
zie wita.
mawat
of mawwat, KW. zva. duraka, Bab. Jo. II, 265, G.
mawut
zva. mawud.
mowot
zie wot.
mawiti
zie wit.
miwiti
zie bij wiwit, onder wit.
mawatya
KW. zva. rêmpid, Wk.
mwas
zie was.
mawas
en mawasake, zie bij was.
mêwês
zie wês, en wêwês.
muwus
zie bij wuwus.
mwasoca
KW. zva. masuh, linuwih, Wk.
mawasita
zie wasita.
mawastya
KW. zekerlijk, waar G. (voor mawastwa, en dit voor mawastu, van wastu).
mawwat
zie mawat.
mawal
enz. (van wawal, vrg. kawal).
miwal
miwalake, en pamiwal, zie bij wiwal.
muwêl
zie uwêl.
mawulu
KN. naam v. e. der paringkělan's.
mwalab
KW. zva. ngajak, Wk.
muwapakat
zie mupakat.
mwiy
KW. zva. aku, Wk.
mawyang
zie wyang.
mwab
KW. zva. umob, Wk.
mwang
ook myang, KW. zva. muwah, of miwah, sêrta, en kêlawan, Wk.
mawang
pamawang, en pamawangan, zie bij wawang.
mawèng
KW. zva. ngêmban, Wk. (? voor mawa ing).
mawong
mawongake, mawong sanak, en mawongn,[3] zie onder wong.
muwêng
zie uwêng.
muwung
zie bij wuwung, en bij puhung.
mwangsêh
KW. zva. mara, Wk. (= mangsêh, zie angsah).
mwangswang
KW. zva. nantang, Wk.
mwangsyang
KW. zva. mangsah, Wk., vgl. mangsêh.
mwangi
KW. zva. ngêlongi, Wk.
mal
of êmal, gew. amal, ook wel ngamal, 1. Ar. [Arab], KN. goed, goederen, roerend goed (vrg. barang, dandanan, en duwèk); ook amal, of ngamal, zich goederen of rijkdom verwerven; fig. zich geestelijk goed verwerven door weldoen en goede werken JR.; andere verklaring op ngamal. barang amal, eenig goed. maris ngamal, zijn goed bij uiterste wil verdeelen; volg. Wk. niet ngamal, maar amal, dit nl. goed, goederen, aardsche goederen waaronder huizen, ook vrouw en kinderen, en ngamal, een godsdienstig werk in de hoop op wedervergelding hiernamaals, ook zva. laku, een levenswandel met onthoudingen, bij wijze van tapa. rajamal, raja êmal, of raja amal, zie bij raja. - ngamali, goederen, rijkdom of voordeel aanbrengend JR.; volg. Rh. ook goederen, vermogen enz. verschaffen aan (vrg. ngrêjêkèni). kamalan, groot voordeel behalen; verrijkt; ook veel krijgen, een groot aandeel krijgen JR.; volg. Wk. onder den last der verplichting zijn wegens genotene weldaden of geschenken; voorts ngêmal-êmal, over iets van een ander eigendunkelijk beschikken, vgl. êmil. - 2. Holl. mal, om iets op te spannen of te vormen (vrg. klêbut) JR.
mèl
zie êmèl.
mol
verk. v. cêmol, klanknab. van het met de volle hand pakken van iets veerkrachtigs. mal-mol, freq. Tj. I, 30, vrg. cêmol, en gamol.

--- 2 : 504 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mala
1. zie bij pala, II. - 2. mala, gew. mêmala, KW. zva. rêgêd, rêrêgêd, (Rm. 323) RL. 34b, rêrêngkêd, lêlamuk, lara, Wk. KN. euvel, kwaal (vooral een zichtbare zooals wonden, zweeren Wk., MR. II, 78), een gebrek hebben (Skr. mala, vuiligheid, onreinheid; zonde). Vrg. lêlara. Ook zedelijk gebrek, kwaad, bv. malaning ati, Wk. golèk mala, zich moedwillig aan gevaar of onaangenaamheden blootstellen Wk. patang puluh abang anirmala, zie nirmala. malabuka, zie bij mula. - kêmalan, lijden aan een mala, bv. ° êndhas, een te groot hoofd hebben. kêmalan cangkêm, ook fig. te veel praats hebben Wk. - malanên, of mêmalanên, aan een kwaal of gebrek lijdend; vlg. Wk. zweeren of wonden hebben BTDj. 321.
mali
mali-mali, zie wali.
malu
1. zie palu. - 2. Ml. beschaamd, beschaamd worden (vrg. isin).
malo
KW. zva. maro.
mêla
of mlêla, enkel, zonder iets anders er bij Wk., vgl. mlulu.
mila
K. zie mula.
mili
zie bij ili, I.
milu
zie bij ilu.
mula
N. mila, K. oorsprong, waaruit iets voortspruit of voortkomt; begin BS. 153; oorzaak, reden; oorzaak dat, reden dat; om reden, dewijl, daardoor, daarom, oorspronkelijk; ook zva. dhasar, wezenlijk, inderdaad; ook vragender wijs: is 't mogelijk, hoe is dat mogelijk? WP. mulane ta, (BP. I, 36), hoe komt het dan? mila ta, in die bet. Men. IX, 23, Isk. I, 8 (Skr. mûla, wortel, oorsprong, begin. Vrg. awit, en sabab). mulane, milanipun, de oorzaak van; de oorzaak of reden er van; reden dat; daarom; dat is de reden! daar zit (of zat) hem de knoop! cilik mula, van klein af aan BTDj. 261, 667, Men. VII, 474. bocah mula, van kindsbeen af. satêkaku mula, van mijn aankomst af aan. mula mêngkono, (of ° sêmono), mila mêkatên, (of ° sêmantên, of ° sapunika) reden dat het zóó is? gew. met volgend sabab, of awit, en dan te vertalen door namelijk! of te weten! mula mêngkono, ook als bevestiging: 't is inderdaad zoo Wk. mula-mula, oorspronkelijk, en eigenlijk PL. I, 25, 189. mula dhasar, wezenlijk Tent. 10, en inderdaad RP. 113. mulabuka, ook malabuka, begin en aanleiding, aanleidende oorzaak. - mulai, of mulahi, N. milai, milahi, of melahi, K., Ml. en TP. zva. miwiti, R. - kamula, kamulan, kumulan, gew. kamulane, de oorzaak, aanleiding enz. daarvan; zijn oorsprong hebben; oorspronklijke natuur. ajal kamulan, zie ajal. - ngamulakake, iets van den oorsprong af beginnen, met iets van de meet af aan aanvangen.
mulu
KW. zva. mulat, G. - KN. 1. pamulu, uitdrukking van het gelaat; uiterlijk voorkomen voor het gezicht AS. (vrg. ulat, en sawangan). pamulu banyu, zie bij ulu, I. - 2. zie ulu.
mule
KW. zva. ruba, mulya, Wk.; of mêmule, KN. achting, hooge achting Sw. XLIII, 1; eerbied, vereering; eereoffer; achten, vereeren, eerbied of oplettendheden bewijzen, ook een offer doen voor een overledene Wk.; (ook mêmule) ter eere van iemand offeren JZ. I, 79, Bab. Jo. II, 115 (Skr. mûlya, prijs, waarde), vrg. KW. pule, aji, IV. sidhêkah mêmule, eereoffer, offer tot eerbewijs JZ. II; vgl. ZG. X. 28. raga tanpa mule, sprkw. op imd. toepasselijk, van wien men geen notitie neemt Wk. - kamule = mule. kamêmule, PL. I, 16 vereerd, in hooge achting gehouden worden, vooral door eereoffers JZ. I, 79. - mulèni, mêmulèni, en ngamulèni, BG. 287, 370 ter eere van iemand een offer doen. Vlg. Wk. = mêmule. kinamulèn, geëerd Waj. II, 55; LK. 8, 84. - mulèkake, of mêmulèkake, iets ter eere van iemand ten offer geven. - pamule, achting, betoon van hooge achting S. (in den vorm van offerhande) AS., Bl. CP. 175, KA. 2.
mèlu
zie bij ilu.
mele
zie bij èlèt. gudèl mele, nm. v. e. fatsoen v. warångkå Tj.
molu
moloni, zie bij wolu.
mole
zie ole.
molo
KN. (suhunan, of sunan, TD.) nokbalk van een gebouw, de vorst; ook susuhunan, (vrg. polo, en wuwung). cacah molo,

--- 2 : 505 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
aantal nokbalken, voor aantal gebouwen, groot en klein met elkander JZ. II.
mlaha
zie laha.
malah
KN. wat meer is, bovendien nog, ten overvloede nog, daar komt nog bij, zelfs, integendeel Wk. (vrg. dalah, malar, en mandar). malah-malah, ook malah mandar, ja, wat meer is, ja zelfs nog, daarenboven nog, daarbij tevens, integendeel? Wk., Gr. L. 160. malah luwih (ora kurang) eer meer, (dan minder). - malahi, zie bij walah.
malih
1. K. zie bij paro. - 2. K. zie manèh. - 3. KN. zie lih.
malèh
zva. malih. - malèhake, zie bij walèh.
mêlih
KW. zva. anjabung, Wk.
mêlèh
mêlèhake, en pamêlèh, zie bij wêlèh.
milah
zie bij wilah. - milahi, K. zie bij mula.
mulih
zie bij ulih. - mêmulih, en mulihake, zie bij pulih.
muluh
zie bij wuluh.
mulèh
zva. mulih.
molah
zie olah, I.
molih
1. KW. zie onder olèh. - 2. zva. patut, sambêda,[4] Wk., ook lief, aardig, vgl. Mal. molik BS. 35, 99.
milai
K. mulai, N. zie bij mula.
malahi
zie alah.
mêlahi
zie bij wêlah.
mulai
melai, K. zie bij mula.
malèhake
zie walèh.
milaur
zie plaur.
malaekat
(målå-hékat) KN. engel (Ar. [Arab], coll. mrv. van [Arab], engel).
maliawan
naam van een berg (Skr. nomin. Mâlyawân, naam van een berg in Indië).
malahyaran
KW. zva. layar, W. layaran, Wk.
molah-malih
zie bij lih.
mêlên
zie êlên.
mulun
zie ulun.
malana
Gr. L. 147, of mêlana, zie bij lana, II. - malanani, zie bij plana.
mulana
zie molana, en zva. malana.
molana
ook wel mulana, KN. een Mohammedaansch wetgeleerde of rechter (Ar. [Arab], onze Heer, een titel van magistraten, rechters en wetgeleerden) BTDj. 28; vgl. R. en T. Molana Ngêrum, een wetgeleerde van Rum AS.
malèni
zie bij wali.
maloni
zie walu.
mêlani
mêlakake, zie wêla.
muloni
zie wulu.
mlincur
KN. uit onverschilligheid, tegenzin of onwil niet op het werk komen of het werk verlaten, niet doen wat men ambtshalve verplicht is te doen enz. Wk., AS. 260.
mlêncuti
KN. ben. v. e. stand van het padigewas, als enkele aren zich vertoonen, voorafgaande aan mratak, Rh., vrg. plêncut.
mlancong
of mêlancong, Ml., KB. 235, vrg. lancong.
mlèncèng
en mlencong, zie èncèng.
malănda
of mlănda, KN. door hartstochtelijk, brutaal, wanhopig te spelen zijn geld verliezen, blut zijn Wk.
mlandani
mlandakake, zie bij walănda.
mlintu
zie onder liru.
mlantên
malantên, of mêlantên, zie walantên, en mêlanthang.
maluntir
zie bij untir.
mêlintir
of mulintir, zie bij untir.
mlèntrèng
zie lèntrèng.
mlontong
zie mloto.
mlindhung
mlendhung, zie lindhung.
malindhang
KW. zva. nalèni, Wk.
mlandhingan
= kêmlandhingan, 2. Tj. II, 557.
malinjo
KN. naam van de vrucht van den soboom die gaar gegeten wordt Wk., zie bij so.
mlênyi
KN. kiesch, van iemand, die alles op zijn elf-en-dertigst wil hebben Wk.
mlinyah
of mlinyèh, KN. ontveld, wond van de huid, bv. door schaving; vooral een brandwond (vrg. klenyam, lènyèh, en lonyoh, of mlonyoh).
mlinyèh
zie mlinyah.
mlènyèh
zie lènyèh.
mlonyoh
of malonyoh, zie bij lonyoh.
mlênyok
volgens G. indrukken, een deuk maken.
mêlanthang
KN. mêlantên, KD. lijnwaad bleeken,

--- 2 : 506 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
met het doel om het schoon te krijgen (vrg. nglanthang, van klanthang). diplanthang, ook wel diwlanthang, passief. tukang mlanthang, bleeker Bab. Jo. I, 48 (vrg. pamasuh, pênatu, en mênatu). - mlanthangake, mlantênakên, iets laten bleeken, te bleeken geven R.
maleca
(Skr. mleccha, barbaar) KW. zva. cidra, Wk., RL. 22a, ora nêtêpi ujar, (ontbr. W.), vrg. blenja.
mlara
zie lara, I.
malar
1. KW. en KN. zva. malah, BS. 31 en supaya, vgl. T. 26a, Sri T. 3a. - 2. vrg. KW. palar.
malir
KW. zva. andalir, Wk.
mêlar
zie bij lar, II.
mêlur
zie lur.
milar
zie bij ilar, en bij pilar, en vrg. wilar.
milir
en milirake, zie bij ilir.
mular
of molar, KW. zva. nangis, Wk., duwe pênjaluk, en mothah, Wk. (vrg. malar, 2.). - pamular, BTDj. 2 of pamolar, zva. panangis, panjaluk, en pamothah.
mulur
en mulurake, zie bij ulur.
mèlèr
zie bij èlèr.
melor
zie elor.
molar
zie mular.
molur
zie ulur.
molèr
zie bij olèr.
molor
zie bij olor.
mêlira
zie walira.
malêri
zie bij walêr.
malèri
KW. zva. ngalèbi, Wk.
malêrêk
KW. zva. andêlurêk, Wk.
malrat
KW. zva. malêsat, Wk.
mlirit
ww. v. plirit, zie plirid, en pirit.
malarat
mêlarat, of mlarat, KN. behoeftig; moeielijke, bezwaarlijke omstandigheden, hebben van iemand die het bekrompen heeft, armoedig; jur. schade v. d. B. (Ar. [Arab], bekrompenheid, slechte toestand, schade, nadeel; vrg. miskin, en musakat). - mlarati, iemand tot armoede enz. brengen; volg. Wk. ook v. e. of andere spijs: schadelijk. - kêmlaratan, bekrompenheid; (hindernis door nauwte of engte van passage KT.), behoeftigheid, moeielijke omstandigheden, het bekrompen hebben, in bekrompen omstandigheden verkeeren of verkeerend; armoedigheid; (de behoeftigen Wk.).
melar-melor
zie mendor.
molar-malir
of mondar-mandir, KN. in het hoofd ronddraaien van de oogen AS., Wk., AD. bl. 56, volg. Rh. ook met het lichaam heen en weer draaien, bv. v. e. onrustig slapende K. 11, 35.
malêrêng
KW. zva. wong mêmêlik, Wk., vgl. lêrêng.
mêlirang
zie wêlirang.
muliring
KW. zva. murinding, Wk.
mluku
zie wêluku.
mulku
(Ar. [Arab], koningrijk) koning, Vorst. missra mulku, zie bij missra.
malak
KN. vlg. Wk. meer, plus het overschot; het overschot meer bedragen dan het aandeel van anderen, wanneer het overschot bij de verdeeling imd. boven zijn aandeel toegewezen wordt, onverdeeld imd. als zijn aandeel toevallen; vgl. malang, en malah. Bv. pandumane si anu malak, N. heeft bij zijn aandeel het overschot (der verdeeling) toe. lorodane malak mênyang aku, de rest v. 't eten viel mij geheel ten deel. kêkarène siji tak pèk malak, de overgebleven éen (jěruk, bij een verdeeling) hield ik onverdeeld voor mij. anjaluk malak, een grooter aandeel, dan de anderen hebben, vragen (vlg. Wk.). Vlg. Rh. bet. malak, hebzuchtig, alles voor zich willen houden, vgl. melik. malak mandar = punapa malih, RS., vgl. malah mandar. - malaki, zie walak. - malakake, het overschot boven zijn aandeel toewijzen aan imd. Wk.
malik
molak-malik, maliki, en malikan, zie bij walik.
mêlik
1. zie bij pêlik, en sisik. - 2. zva. mêlèk, van êlèk.
mêluk
zie bij pêluk, en bij êluk. Volg. Wk. ook nm. v. e. der touwen op een vaartuig, vgl. macêcêt.
mêlèk
zie bij êlèk.
milêk
KW. zva. ngingsêp, zuigen van een bij Wk. KN. stil, onbeweeglijk zitten, als een bij die de honig uitzuigt? Rh. Vgl. milêk-milêk, bij milêg-milêg.
milik
zie melik, I., AS.
mulak
zie wulakan.
mulêk
zie bij ulêk.
muluk
zie bij uluk, en bij puluk.

--- 2 : 507 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mulèk
zie olèk.
melik
KN. 1. melik, (ook en eig. milik? KT. 184, 204) eigendom, rechtsbezit, rechtmatig eigendom, wat iemand rechtmatig toekomt, Ar. [Arab], eigendom v. d. B. AS. 17, RP. 56 (vrg. darbèk, en duwèk); ook iets in eigendom bezitten of in bezit nemen S. kamelik (kamèlèk, BS, 389) in iemds. bezit komen of geraken KT. 111, S., AS. - 2. melik, begeerte, om iets te hebben; iets begeeren, naar iets begeerig zijn, iets voor zich wenschen, naar iets haken. botên ° yatra, BTDj. 96, vgl. Ib. 53. - melikan, begeerig van aard S. - kamelikan, met begeerlijkheid behept; begeerlijkheid S. - 3. melik, zie elik.
melok
1. zie bij elok. - 2. blank van blanketsel Rh.
molèk
zie olèk, en = molih, 2. Wk.
malaka
zva. kêmlaka.
malaku
mêlaku, of mlaku, zie bij laku.
mêluku
of mluku, zie bij wêluku.
mlèkèh
zva. mlêkah, WP.
malêkah
of mlêkah, zie palêkah, of plêkah, WP.
malèkake
zie wali.
mêlakake
zie bij wêla.
malakerun
zie padhawangan.
mlukèk
of mlukok = amblukèk, of amblukok, zie bij blukèk, en blukok.
malaki
zie walak.
mlukokake
zie bij wêluku.
malikat
of malekat, JZ. II, zva. malaekat.
mlikitar
KW. zva. celad, pelo, Wk., ontbr. W., zva. ambalenjani, Wk.
malakulmaot
Ar. [Arab], de doodsengel.
malakya
KW. zva. malaku, (voor malakwa, conjunct.).
molak-malik
zie bij olak-alik, en walik.
malad
1. zie bij alad. - 2. KW. malad, of malêd, bidden (Rm. 9: ° pamuja, Bab. Mat. I, 15: ° samadi), verzoeken; een begeerte hebben G.; zóo malatkung, BG. 512? Vgl. Dam. Woe. 289. - maladi, of malêdi, iemand, of om iets bidden B. 127; naar iets een begeerte hebben G. (Een ander malêdi, zie bij walêd).
malêd
zie malad, 2. en bij walêd. - malêdi, en malêdake, zie walêd.
mêlad
KW. zva. ngêrêsake, Wk., RL. 8a.
mulad
zie bij ulad.
mulud
ook en eig. maulud, of maolud, Ar. [Arab] v. d. B., geboren, geboorte; geboortedag; KN. naam van de derde maand van het Mohammedaansche jaar, daar Mohammad in geboren is, anders Rabingulawal genoemd JZ. II. garêbêg Mulud, het groote feest op den twaalfden van de maand Mulud. bakda garêbêg Mulud, na afloop van dat feest, wanneer de pacht gestort moet worden. Vgl. ZG. 1866, bl. 41. - muludan, het feest van Mulud houden; volg. Wk. de in die maand voorgeschreven offerhanden doen.
mèlèd
KN. 1. eigendom, bezitting G. - 2. zie èlèt.
mladati
KW. zva. ngêrês, Wk. (mladati, vgl. mêlad).
mludag
zie baludag.
malêdug
zie bij balêdug.
malat
zva. malad. - malati, zie bij walat.
mêlit
zie bij wêlit.
mêlut
mêluti, zie wêlut.
milêt
zie ili, I.
mulat
1. zie bij ulat. - 2. KW. kostbaar edelgesteente, brillant Wk. (oudj.).
mulêt
zie ulêng.
mèlèt
zie bij èlèt.
mloto
of mêloto, (ook mlontong, Wk.) KN. zwetsen, in scherts snoeven of pochen, grappig, koddig, kluchtig in het spreken (vrg. cucud, en lucu, Bab. Jo. I, 1060.
mêlatah
1. KW. zva. mangap, Wk., vgl. latah. - 2. KN. algemeen in gebruik, in zwang Wk.
mletre
KN. modder gelijk strijken op de galěngan v. pletre, iets glads, iets weeks, zooals bv. modder Rh.
multak
KW. zva. molo, mêtu, pêpêt, en andêlêdêg, Wk., vgl. KBNW. I, 284b.
milêti
zie bij wilêt.

--- 2 : 508 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
malês
malêsi, malêsake, en pamalês, zie bij walês.
mêlas
mêmêlas, mêlasi, zie bij wêlas.
mêlês
KW. zva. riwis-riwis, Wk. KN. glimmend, glanzig, gew. alleen van zwart, blauw en groen; vgl. muyêk, ook helder van gelaatskleur (vrg. klimis). ambrêbês mêlês, ongeveer zva. ambrêbês mili. Vgl. Juynb. 210.
milis
zie bij wilis.
mulus
KN. zuiver, zonder smet of gebrek, eerlijk JZ. I, 140; gaaf, bv. van timmerhout, zonder kwasten of spint (vrg. tulus); en (over het geheele lichaam Wk.) geheel wit, zwart, rood enz. BP. 125, BG. 368 (vrg. mêmplak, en mawur).
molês
KW. zva. anglès, Wk.
mlasah
zva. mlèsèh.
mlèsèh
zie onder lèsèh.
malesuh
KN. de huid afstroopen G. (vrg. ngêlèti).
mlêsning
KN. samengesteld uit mêlês, en ning, geheel schoon, bv. van een grond, geheel kaal van een terrein.
mlêstèr
gew. mêstèr, Holl. pleister, pleisteren AS. dimêstèr, ook diplêstèr, pass., zie plêstèr, Tent. 27. - mêsteran, plaveisel in kalk en zand, gepleisterde vloer, pleisterwerk Wk., vgl. lepa.
mliwo
of mêluwo, KN. ben. van een vogel overeenkomende met onze ooievaar; zie bango. Vlg. Wk. is mluwo, een soort van wilde duif.
mluwa
of maluwa, KN. onbebouwd, onbeplant van een perceel voor een huis of tuin Wk., BvB. I, 165, vgl. bêra, lêbuh.
malwa
KW. zva. anggitik, (conjunct. van malu, 1.) maro, (voor marwa, conjunct.) manèh, dadine, Wk.
mulwa
KN. naam van een vrucht, ook malowa, (en manowa, J.) in het Mal. buwah nona genoemd, en die veel op de nangka-blanda gelijkt; zie năngka.
malawa
naam van een land (Skr. Mâlawa). Malawapati, de Vorst van Malåwå, een van de bondgenooten van de Koråwå's (Skr. Mâlawapati).
malowa
zie mulwa.
mêluwo
zie mliwo.
malwih
KW. zva. maru, Wk.
malwan
zie alon.
milwani
zie ilu.
malawar
KW. zva. ambêlabar, ontbr. W.
malawat
KW. zva. asaba, (vrg. lawat).
maliwis
(oudj. waliwis) KN. naam van een soort van taling JZ. II, kleine wilde eend, Anas arcuata of A. Javanica Horsf.; volg. Rh. heet de kleinere soort meer bep. ° watu, vgl. WS. 3 en MR. I, 67. mliwis nungsung banyu, kondigt de gěṇdhing ricik-ricik, aan Waj. II, 540.
mluwang
miluwang, zie bij luwang.
malawang
KN. naam v. e. gedeelte v. d. voorsteven van een prau (zie alang, en palwa); zich op den voorgrond stellen, zich aan het oog vertoonen Wk.
mlêla
zie mêla.
mlile
KN. onvolkomen, ten halve geslaagd van een kapoen (zva. kêbiri wurung). khaji °, een semigeestelijke, die zich even als niet-geestelijken aan overtredingen van den Islam schuldig maakt Wk.
mlulu
KN. geheel, waar iets afgenomen is, ongeveer zva. wutuh, zie ook mêla, R. n. N. 7. mlulu, en mêlulu, zie lulu.
mlele
KN. stil blijven; niet doen, wat een ander gedaan wil hebben Wk., zie mêlolo.
malela
KW. staal, oudj. malyala KO. 17 (vrg. waja). wêdhi malela, KN. zie wêdhi. kêris malela, een krissoort met een lemmer van staal zonder pamor BTDj. 42.
mêlolo
zie bij lolo, en bij plolo. volg. Rh. zva. malêlêng, zie plêlêng, meer bep. bv. van een luiaard, die in plaats van te doen wat men hem beveelt, maar onbewegelijk voor zich blijft kijken.
milulu
KW. waar, wezenlijk. amilulu, bevestigen G., volg. Rh. = mêlulu, of mlulu.
malulana
KW. zva. ambangsuli, Wk. amangsuli, W.
mlulèk
mlolok, zie olèk.
mlêlêt
of malêlêt, zie bij lêlêt.
milalati
zie bij wilalat.
milalya
KW. zva. mêlaur, Wk.
malêlêng
zie bij plêlêng.
malolong
KN. groot, openstaande van de oogen (vrg. malêlêng).
mêlulangi
zie wêlulang.
malap
malapi, malapkên, zie bij alap.
malipa
KW. zva. nglapis, Wk.
mlêpês
of malêpês, zie bij pêpês.
mêlip-mêlip
zie bij kêlip.

--- 2 : 509 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mladhak
KN. zva. ambaladhak, Rh. ook fig. de grenzen overschrijden; een gebod overtreden.
mlêdhêk
KN. poederachtig, meelachtig Rh., vgl. blêdhêk.
mludhuk
KN. zva. ambaludhuk, zie baludhuk, Rh.
malêdhog
zva. balêdhog. si °, scheldwoord barst! Rs. 363.
mlujêng
of mêlujêng, en mêlujêngakên, K. zie bij wêluku.
milujêngakên
K. zie bij salamêt.
malya
KW. zva. malih, maro, andhêndha, en kojur, Wk. suku malya, benaming van het vocaalteeken Suku, tot onderscheiding van de pengkal, ook suku pengkal, genoemd (vrg. palya, bij pali).
milya
KW. zva. milu.
mulya
KW. zva. mulih, Wk. KN. I. hoog te eeren, heerlijk, hoogheerlijk, luisterrijk, verheven PL. II, 163, 164; het heerlijk hebben, in heerlijkheid leven BTDj. 452 (Skr. mûlya, prijs, waarde; vrg. mule). Maha Mulya, zie bij maha. - minulya, poët. verheerlijkt. sang minulya? Bl. PS. 1. - II. hersteld, genezen, weer gezond, gerepareerd v. e. muziekinstrument WP. 268; herstellen, genezen, weer gezond worden, herstelling tot vorigen welstand AS. (van pulih). mulyakake, I. verheerlijken, loven; veredelen, in waarde verhoogen. - II. iemand weer herstellen, genezen. - kêmulyan, I. heerlijkheid, heerlijk leven BTDj. 589, luister, majesteit, glorie. kamulyaning pati, de zaligheid van de dood, de hemelsche zaligheid. - II. gezondheid, in gezondheid WP.
mèlya
zie ilu.
malaya
zie bij laya, KW. zva. gunung, Wk.
maliyo
benaming van een soort van wit lijnwaad, dat van Borneo komt G.? Zie DW. 57, ° kuning, en ° jingga.
maluya
AS. en maluyakake, zie bij waluya.
malayan
KW. zva. adhangan, Wk.
malyarata
benaming van het paleis van Bathara Éndrå.
malaywa
KW. zva. mêlayu, (vrg. laywa).
malaywèng
KW. zva. mêlayu ing.
malam
KN. gew. lilin, K. was. damar (of dilah) malam, waskaars. damar malam putih, witte waskaars of spermaceti-kaars S. têbu malam, naam van een soort van suikerriet. pêlêm malam, pêlêm lilin, naam van een soort van mangga, waarvan het vleezige eenigszins op was gelijkt. Vgl. nog lancêng, jebor. - malam, nglilin, met was toestoppen, zooals het gat v. e. weggezworen neus, zie ook bij lilin, Wk. - malami, ngilini, voor was zorgen, de kosten daarvoor bv. bij het bathikken voor zijn rekening nemen Wk.
malêm
KW. zva. mèdêm, riwut, Wk. KN. 1. niet goed droog, nog vochtig, klam (vrg. amês, têlês, en zie cêpêl). - 2. de nacht waarmee volgens de Mohammedaansche tijdrekening een dag van de maand begint, de nacht die tot den volgenden dag behoort. malêm Sêlasa, de nacht van Dinsdag (waarvoor wij Maandagavond of Maandagnacht gewoon zijn te zeggen) vgl. sore, wêngi. - malêman, offers van spijzen, die tegen zonsondergang op vijf dagen (avonden, malêm) van de maand Ramělan uitgedeeld worden ter eere van de vier eerste Kalifen en van de Wali's, op den 21sten door den Vorst ter eere van Abu-bekr; op den 23sten door den Kroonprins ter eere van Omar, op den 25sten door de Pangeran's aan het hof ter eere van Othman, op den 27sten door de Tuměnggung's ter eere van Ali, op den 29sten door den Rijksbestierder ter eere van de Wali's: alles ter gedachtenis van Mohammad, die in zijn afzondering in een spelonk op die avonden van de voor hem gereedgemaakte spijzen geen gebruik wilde maken, waarop die aan zijn volk uitgedeeld werden PL. I, 152, en vgl. ER. II, bijl. 65, en Wk. - pamalêm, naam van de belasting door de bevolking voor die offers aan hun hoofden op te brengen, bestaande in rijst, kippen, eieren, enz. en wat geld Wk. - pamalêman, zva. malêman.
malim
KN. loods, om een schip te loodsen AS.; ook zva. dhukun, (Ar. [Arab], onderwijzer, meester; Pers. loods) GR.
mulêm
KW. zva. adhêmên, G.
mèlêm
KN. naam van een riviervisch, een soort van wadêr, JZ. II.
malimêr
KW. zva. akêbluk, Wk., vgl. limêr.
malumur
KW. zva. andhepok, Wk.

--- 2 : 510 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mlamari
KN. zva. nglamari, van klamar.
mal-mil
zie bij cêmil.
mal-mol
zie mol.
malamalar
KW. zva. anjêjaluk, Wk. (oudj. verdubb. voor malar-malar, zie palar).
mêl-mêlan
zie amêl.
mêlampah
of mlampah, K. zie bij laku.
milampah
K. zie bij laku.
malêmbe
KW. zva. nglimpe, Wk.
malêmbanêm
= nglêmbana.
mligi
KW. zva. wuwuh, wantah, II.; volg. Rh. meer bep. van metalen, massief, echt, onvermengd; volg. Wk. ook uit zijn aard, absoluut, op zichzelf en zelfstandig.
mêlêg
zie bij wêlêg, KW. zva. ngambar, Wk.
milag
en mamilag, zie ilag.
mulêg
zie bij ulêg.
molog
KN. groot van iets ronds Wk. - kamologên, overladen van de maag door te veel eten; overstelpt fig. BTDj. 679.
malige
ook maligya, KW. zva. palungguhan, en panggungan, (Tamil mâligei, verblijf, zitkamer in een vorstelijk verblijf). malige kêncana murub, een zetel (troonzetel) van fonkelend goud. - maligèn, zva. palungguhan.
mêlagar
zie bij wêlagar.
maligya
zie malige.
milêg-milêg
zie lêg.
mêlbu
zie lêbu, II.
maliba
KW. zva. nalib, Wk.
milaba
zie wilaba.
mêlabar
mêlabari, zie balabar, I en II.
malabuka
zva. mulabuka, zie bij mula.
malbwèng
malbèng, en malêbèng, poët. zva. malêbu ing.
malathi
of mêlathi, KN. naam van een kleine, witte, zeer gezochte, welriekende bloem, een soort van jasmijn, Jasminum Sambac L., die in het haar gedragen, in het bed gestrooid enz., en waaruit ook een geurige vluchtige olie bereid wordt; vgl. MR. II, 55, 60 (Skr. mâlatî, een soort van jasmijn); zie nog mênur. ° susun, of mênur tumpang, een soort mělathi met dubbele bloembladen. ° kosta, nm. van een boom met welriekende bloemen, grooter dan de mělathi. ° warak, volg. and. mathi warak, een elpenbeenachtig uitwas in den vorm v. e. malathi, dat naar men zegt achter den neushoorn v. e. warak, gevonden wordt Wk.
malang
zie bij walang, I. en bij alang. - malangi, malangake, en pamalang, zie bij alang. - malang atèni, zie walang, II.
maling
(oudj. id.) N. pandung, K. iemand die ergens binnensluipt, een dief bij nacht, ook dief in het algemeen (van aling) JZ. II; vgl. ZG. XXII, 144. - maling, N. mandung, K. stelen bij nacht, ergens stelen door binnensluipen (vrg. nyolong, sayab, barak, enz.). maling dhèndhèng, zie dhèndhèng. kukur maling, zie kukur. - mêmaling, mêmandung, stelen in den ruimsten zin van het woord. - malingi, mandungi, mrv., en iemand bestelen; vlg. Wk. ook iets stelen [?]. bv. jarane mung siji, mau bêngi dimalingi ing wong. kêmalingan, kêpandungan, bestolen worden; door diefstal iets kwijt zijn. ilang kêmalingan, wegraken, verloren gaan, door diefstal. - pamaling, pamandung, het stelen KB. 46. - malingan, pandungan, gestolen, door diefstal verkregen; gestolen goed; naam v. zeker kinderspel met keisteentjes, die de speler met beide handen in een op den grond getrokken cirkel laat vallen; die er buiten vallen worden maling's genoemd Wk. - pamalingan. lading °, een dievenmes Men. VII, 534.
malung
KW. zva. ngoncati, Wk. (Wk.?).
mêlang
verkort. van sumêlang, JZ. I, 96.
mêlêng
mêmêlêng, en pamêlêng, zie bij pêlêng. - mêlêng-mêlêng, zie beneden.
mêling
mêlingi, mêlingakên, en pamêling, K. zie bij wêkas, en ujar. - mêlingi, KN. zie bij pêling.
mêlung
KN. de stem of het geluid rekken van een gěmak; BG. 42 v. e. mensch (vrg. ulung); ook verk. van tumêlung, Gr. L. 119. - mêlung-mêlung, iets, zooals een toon, herhaaldelijk lang uithalen; vrg. laut-laut.
mêlèng
KN. onoplettend, onachtzaam, zorgeloos Rh.
milang
zie bij wilang, en ilang. - milangake, zie ilang.
miling
miling-miling, en milang-miling, zie bij iling.
mulang
mulangake, pamulang, en pamulangan, zie bij wulang, en ulang, mulang sarak, zie sarak.
mulêng
zie ulêng.
mulung
zie bij ulung, wulung, en pulung.

--- 2 : 511 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
milangoni
zie bij langon, en wilangon.
mlêngak
zie lêngak.
mlongok
of mêlongok, zie bij longok.
mlêngkêr
van lêngkêr = lêkêr.
malangkrik
zie bij walang, I.
malangkring
zie bij pangkring.
malangkrong
zie bij pangkrong.
malangkadhak
zie bij walang, I.
mlengos
mlengosi, zie bij engos.
malăngsa
verb. v. lamăngsa, en dit van sêla măngsa, of salah măngsa, buiten den tijd vrucht dragen Tj.
malangsumirang
KN. onbehoorlijk, onbetamelijk G., vgl. alang.
mlingsêng
KN. glimmend zwart Rh., samengetrokken uit mêlêng, en gêsêng.
mêlangsang
mêlangsangi, zie bij wêlangsang.
malungsung
malungsungi, of mlungsungi, zie bij walungsung.
mêlang-mêlang
zie bij sêlang, BG. 17.
mêlêng-mêlêng
KN. blinken, zooals van olie, vernis of verglaassel; ook v. blinkende niet glinsterende knoopen Wk., vgl. kilêng-kilêng, en gumilap, ook volgens G. vernis (vrg. pulas, en plitur), zie mêlong-mêlong.
mêlong-mêlong
KN. glinsteren, fonkelen.
malêngi
KW. zva. ambribini, Wk.
melingi
melingake, en pameling, zie bij eling.
malangatèni
zie walang, II.
mapa
1. KN. zie bij papa. - 2. KW. zva. apa, zie ald. (oudj. id. KS. 58, 128).
mapi
zie api.
mape
KW. zva. apa, Wk.
mupa
zie upa.
mèpi
zie èpi.
mepu
KW. zva. panas, (van epu, hetzelfde); volgens G. duister, donker; verlegen, in de war zijn.
mepe
mèpèkake, pepean, en pamepean, zie onder pe.
mapuhi
zie apu.
mapihên
KW. zva. sêkêl, Wk.
mapihêt
KW. zva. ngradon, Wk.
mapan
1. zie bij papan. - 2. zie apan. - mapanake, zie bij papan.
mipro
of mepro, Holl. mevrouw, vgl. jipro.
mèprèl
zie bij prèl.
moprol
zie bij prol.
maparing
zie aring.
mupakara
zie upakara.
mufakat
ook en eig. muwafakat, Ar. [Arab], KN. overeenstemming, eenstemmigheid; jurid. minnelijke schikking v. d. B. in Bijdr. 5e R. VII, 508; met overeenstemming, eenstemmig, met algemeene stemmen; overeenstemmen; het met elkaar eens zijn (vrg. rujuk, kosus); ook algemeen erkend, bv. van een bevel; volg. Wk. ook gemeenschappelijk. - mupakati, iets algemeen erkennen, met algemeene overeenstemming goedkeuren. - mupakatake, iets algemeen doen of laten erkennen of erkend doen zijn; iemand algemeen erkend doen zijn, uitroepen, bv. als Vorst AS., BTDj. 121, 594, 630. - ngupakatake, caus.; ook omtrent iets met elkander overeenkomen Tent. 4. - mufakatan, met algemeen overleg, gemeenschappelijk, eendrachtelijk, met algemeene overeenstemming of goedkeuring iets doen, vgl. guyuban. algemeene kennisgave, bv. v. d. benoeming of afzetting van een ambtenaar Wk., vgl. undhang.
mupaksama
mopaksama, T. 21b, zie upaksama.
mapad
mapat, zie wapat.
mupadrawa
zie upadrawa.
maptya
zie apli.
moplok
zie plok.
muplis
Ar. [Arab], failliet verklaard v. d. B. in Enc. II, 549b.
mapap
KW. zva. măngga, Wk.
mapya
zie api, I.
mepya
zie epya.
mepuy
zie epuy.
mapaya
KW. zva. ngubrês, Wk., vgl. upaya.
mapyatutan
KW. zva. patutan, Wk.
mopêg
KW. zva. sumpêg, Wk., vgl. opêk.
mapang
zva. mampang.
mapung
KW. zva. ambanjêl, Wk.
mupung
zie bij pungpung.
mufangat
RP. 121, zie manfangat, S.

--- 2 : 512 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mapunggung
zie maha punggung.
madha
KN. 1. trap mêmadha = trap kêmadha, of trap pêngadha, de hoofddoek zóo omgedaan dat de pêngadha, te zien is, of voor het gemak ook wel zóo genaaide hoofddoeken. - 2. een ander zie bij adha, en padha.
madhu
KW. zva. madu, Wk.
mêdhi
zie bij wêdhi.
midha
KW. zva. bodho, Wk. (Skr. middha).
midhe
en midhèni, zie bij widhe.
mudha
1. KW. zva. bodho, BS. 452, T. 21a, kurang, Wk. en balilu, (Skr. mûḍha, onnoozel). - 2. Ml. zva. ênom.
mudhi
gew. kêmudhi, of kumudhi, roer van een schip. juru mudhi, of jêr mudhi, roerganger, die het roer houdt; stuurman (vrg. striman). - mudhèni, of ngêmudhèni, sturen. - mudhèkake, een vaartuig sturen. - kamudhian. ngèlmu °, doet den geest in eens anders lichaam verhuizen ZG. IV, 135.
madhah
madhahi, en madhahake, zie bij wadhah.
mudhèh
KW. zva. undang, G.
madhèhi
zie wadhèh.
midhuhungakên
KW. zva. anggêtunake, Wk.
mêdhun
midhun, mudhun, zie bij udhun.
midhèn
zie widhe.
madhana
KW. zva. asmara, (verkeerde spelling voor madana, Skr. madana, geslachtsliefde) G.; volg. Wk. zva. susah, anggubah.
madhèni
zie wadhèh.
mudhoni
zie bij wudhu.
mêdhar
mêdhari, mêdharake, zie bij wêdhar.
mudhar
mudhari, mudharake, zie bij udhar. - pamudhar, zie wudhar.
madhura
zie madura.
madharan
zva. madhaharan, (zie bij pangan, en olah, II; en zva. padharan, (zie bij wêtêng).
madhuk
zie adhuk, en wadhuk. - madhuki, en madhukan, zie wadhuk. - 3. KN. madhuk, enz. = janggol, enz. gereed zijn Wk.
mêdhak
mêdhaki, en mêdhakake, zie bij wêdhak.
mêdhuk
zie wêdhuk. - 2. KN. uitdijen, zich uitzetten, zwellen (zonder te barsten) als boven e. derg., vgl. mêdhok, bêdhêdhêg, mêlar.
mêdhok
zie dhok, 2.
mudhak
zie budhak.
mudhik
en mudhikake, zie bij udhik.
madhuki
en madhukan, zie bij wadhuk, en padhuk.
mudhêk-mudhêk
KN. zich maar altijd tot één plaats bepalen, niet verder of niet hooger gaan GR. (vrg. mugag-mugêg, en mudhêg-mudhêg, bij udhêg).
medhak-medhok
KN. maar op dezelfde plaats blijven draaien en wakkelen, bij het tandhakken Bl. CP. 50, vgl. mudhêg-mudhêg.
mêdhit
KN. karig, gierig (vrg. kumêt, en cêthil).
mudhati
KW. zva. luwih bodho, Wk. (mudha + ati).
madhas
KN. zva. mantèk, onbedriegelijk, te vertrouwen van wapens Wk., vgl. têdhas.
mêdhus
zie bij wêdhus.
madhul
zie adhul.
mêdhêl
zie bêdhêl.
mudhal
zie udhal.
modhèl
ook modhal, KN. model, vgl. pola. - modhali, iets smaakvol opmaken, monteeren Wk.
madhêp
zie bij adhêp.
midhêp
zie idhêp.
mêdhedhe
= bêdhèdhèh.
mudhodha
zie udhodha.
madhêdhêm
zie bij dhêm.
madhêdhêg
zie badhêdhêg.
mêdhodhog
= ambêdhodhog, bij bêdhodhog.
madhaya
zva. ambêdhaya.
mêdhyat
KW. zva. mêdhot, Wk.
mudhêg
zie udhêg.
mudhug
= ambudhug, Sw. LXXX, 4, Wk.
madhang
madhangi, madhangake, en madhangan, zie bij wadhang, en padhang.
madhèng
zie bij adhèng.
mêdhang
zie mêndhang, en bij pêdhang.
mêdhêng
KN. staan blijven, geen voortgang hebben, verhinderd worden in zijn voortgang v. personen; ook zva. kewuhan, in verlegenheid zijn, niet weten hoe te handelen? KB. 23, R., zóo ook sandeya °, Bab. Jo. I, 532; ook onbehandeld blijven van een zaak. onverkocht blijven van waren (vrg. kandhêg, en wudhu). - kapêdhêngên. Bab. Jo. I, 555: ° angkahipun.

--- 2 : 513 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
midhang
KW. zva. ngangkat, ngluwari, merang, Wk. KN. 1. volgens een gelofte naar een heilige plaats gaan offeren. - 2. in BB. 49 zva. medhang, ook Bab. Jo. II, 180, G. (vrg. lêledhang). - midhangan, (of pa °, Men. IX, 36, 40) balk aan de lange zijde van het hoofdgebindte van een Javaansch dak, anders panglari, of pandawa, vgl. sunduk, santên. Vlg. Wk. midhangan, of pa °, dakstoel of het raam, waarop het topdak (gajah) van een pěṇdhåpå rust. blandar pamidhangan, de voorste en achterste balk van dat raam boven de sunduk. pangêrêt pamidhangan, de zijbalken daarvan boven de kili. midhangan, of pamidhangan, 1. KN. plaats waarheen men gaat om volgens gelofte te offeren GR. - 2. KI. van pundhak. - 3. ook borduurraam (vkl. pamênthangan sulaman, vgl. gawangan).
mudhêng
zie bij udhêng.
medhang
KN. voor zijn plezier ergens heen gaan, zich vermaken, zie midhang, vrg. dolan, en lêledhang.
mèdhèng
KN. scheef, in een scheeven stand; fig. ontrouw; vrg. sèdhèng, B. 551, en zie èdhèng.
modhong
ngèlmu °, en ngèlmu kamodhongan, tooverij ZG. IV, 131, 229, vgl. XXX, 118.
mêdhangkungan
naam van den achttienden zoon van Watu-gunung en van de twintigste wuku.
mêdhangmiring
weifelen, besluiteloos zijn, denkelijk midhangmiring, vgl. sidhangsiring, Wk. mêdhangmiring, (en ° barang) WP. 20: nm. v. e. gěṇdhing. Het eerste is een kawi-maat, heetende in 't Skr. açwalalita Waj. I, 48, 118, 158.
mêdhangbarang
zie mêdhangmiring.
maja
I. KN., maos, KD., naam van een vrucht (vlg. de Clercq Aegle Marmelos Rxb., nat. fam. der Aurantiaceae, vgl. Ks.), die er als een appel uitziet, een harden schil en een zoetachtigen, slijmachtigen smaak heeft, en waarvan verschillende soorten zijn, zooals majagêdhang, majagalêpung, en majalumut, zie ook wilaja. Majapait, N. Maospait, K. een soort van maja, die een bitteren smaak heft, zie KA. 23, r. 8; naam van een vroegeren rijkszetel op Java BTDj. 19, 20, in Kawi ook Majatikta, Majalangu, en Majalêngka, genoemd. Maospati, KN. naam van een distriks-hoofdplaats in de residentie Madiun. - II. KW. zva. mêtu, ana, en anak, (vrg. ja, 3).
maji
KN. in de spreektaal zva. măngsa, vrg. baji, Wk. KW. zva. karantan, nyilib, Wk.
maju
majoni, en majokake, zie bij aju.
miji
en mijèkake, zie bij piji.
meja
ook kêmeja, KN. tafel (Port. meza). Vrg. kameja, en bangku. sameja, als beeld van onafscheidelijkheid Bl. CP. 168.
moji
KW. zva. mingkêm, Wk.
majuh
KW. eten G.
mijah
zie wijah, en ijah.
mujah
gew. mojah, KN. kous (Pers. moezah, laars, kous); vrg. kaos, en volg. Wk. ook handschoen (gew. sarung °, of brosong tangan).
mêjao
of mijauh, KN. spr. voor nog niet zeker of nog in het geheel niet zeker JZ. II (waarschijnlijk van het Mal. jauh, ver) S., vgl. taklèk, Wk. BG. 39, 40: wong °, half gaar, niet goed snik = wong satêngah.
mêjahi
zie wêjah, en pati.
majan
= pawêdêlan, zie wêdêl, uit bijgeloof niet bij den waren naam pawêdêlan, genoemd, uit vrees, dat de ververij niet goed lukt.
mêjên
KN. benaming van een ongesteldheid, waarbij men gedurig aandrang tot stoelgang heeft, doch telkens maar weinig en met moeite ontlast, zooals bij dyssenterie of door aambeien; volg. Rh. dyssenterie (omschreven ngising gêtih); volg. Wk. ook niet tot rijpheid komen en hard worden, alleen v. d. pisang.
mijèn
zie piji.
mejan
zie maejan.
mêjana
KN. 1. matig, middelmatig, niet meer dan gewoon (Skr. madhyama, middelste; vrg. sêdhêng); vgl. madyama. - 2. mêjana, en mêjanani, iemand gering achten, minachten, met minachting, vernederend behandelen (Skr. awajñâna, minachting) DN. I, 4, L. 212, K. 20, 75, 76.
majani
zie waja.
mêjani
zie ujani.
mijèni
zie bij wiji.
majênun
S., zie junun.
majar
majari, en majarake, zie bij jar, KN. majar, een term bij het kěplèk spel, als de vier opgeworpen

--- 2 : 514 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
duiten allen met de bruine of witte zijde naar boven komen te liggen, vgl. somah, BV. en dhudha. - majaran, majar-kans, onderscheiden in unggul °, boven-majar- en asor °, onder-majar-kans Wk., zie verder ald. - majarake, zijn geld op majar, zetten Wk.
majêr
KN. onvruchtbaar, van een beest dat geen jongen krijgt of een vogel, die geen eieren legt (vrg. gabug); volg. Wk. v. e. kêbo, of sapi.
majir
zie bij wajir. volg. Rh. ook zva. majêr
mijêr
KN. trillen en beven R. n. N. 21, zva. kumitir, R.? zie kêjêr.
mijir
zie bij ijir.
mujur
en mujurake, zie bij ujur.
mojar
zie bij ujar.
mijêrah
1. zie bij ejrah. - 2. KN. dwingen, noodzaken G.
majêrbi
zie wali.
majik
KW. raadplegen G. - majikan, zie bij wajik.
mêjak
of mêjêk. mêjaki, enz. zie bij wêjak.
mijiki
KI. zie bij wisuh.
majakan
KN. naam van een boom (vlg. de Clercq Quercus infectoria L.), waarvan de vrucht (een soort van galnoot met doornachtige schil) gebruikt wordt tot medicijn (en om de tanden zwart te maken, vrg. jaha, G., CP.).
majad
KN. natuurlijk, evenredig, in evenredigheid met iets anders, er bij voegend, eigenaardig (waarschijnlijk het Ar. [Arab], doorgang, passage; passend, betamend, voegzaam, gevoegelijk), zva. marwat, vrg. patut, en layak. majade, of samajade, Tj. I, 73, het zou natuurlijk zijn, dat enz. samajade, of ing samajade, op een gepaste wijze, behoorlijk PL. II, 80. kèhe ora majad, onnatuurlijk veel, meer dan men met waarschijnlijkheid zou kunnen verwachten S., vgl. ora jamak, BG. 216. langkung saking majad, boven verwachting, onnatuurlijk Bab. Jo. I, 847; ook schatten? Bab. Jo. I, 539: prandene wong Mataram nora kandhêga dèn majad drêsing mimis kadi udan ... yèn dèn majad kala prang wiwitan wong Mataram tumpêsan.
mujud
mujudi, en mujudake, zie wujud.
mojid
KN. zva. modar, (Bagělen?) KB. 65.
mujadah
(? Ar. [Arab] ernstige aanwending van moeite, strijd met iemand of iets Bab. Jo. I, 1413. - mujadahi, iets bestrijden, een lust, aandoening enz., overwinnen of weerstaan AS. 41 (vrg. ambadali).
majas
I. KN. uitnemend scherp en van goed sterk staal, van gereedschap dat bij het gebruik geen schaarden krijgt. - II. oneigenlijk, niet werkelijk, niet wezenlijk (Ar. [Arab], overdrachtelijk, oneigenlijke wijze aan spreken). Vrg. makiki, JR.
majusèni
zie majusi.
majasta
KW. zva. woh maja, Wk.
mujisat
(Ar. [Arab] de gave van wonderen v. d. B. in Enc. II, 535a.
majusi
KN. aanporren, aanporder, bv. bij een twist, door de eene partij tegen de andere gelijk te geven en zoo meer op te zetten (Ar. [Arab], een Magiër, sterrenwichelaar, toovenaar; Isk. 3: agamane °) JR.; volg. Wk., de duivel, de opstoker. - majusèni, opstoken, aanhitsen.
mijil
en mijilkên, zie bij wijil.
majali
KW. zva. mrucut, Wk.
mêjaji
KN. ongeveer zva. pêngaji, eenige waarde, van eenige waarde; ook of mêjajèni, zva. ngajèni, of murwati (dimêjaji, enz. pass). barang kang mêjaji, iets dat eenige waarde heeft. wong ora mêjaji, iemand die voor het uiterlijk geen aanzien heeft; dien men voor het uiterlijk voor niet veel zou houden WW.
mijêjêr
KW. zva. salonjor, ngadêg anjêjêr, Wk. zva. nyatu, nyênyuda, W.
mujya
KW. zie muja, of muji.
majum
zie êjum.
maja-muju
of muja-muju, KN. ben. van een medicinale droogerij.
majêg
majêgi, majêgake, pamajêg, en pamajêgan, zie bij ajêg.
mêjêgi
KN. het voorhoofd schilderen G.
majibi
en majibake, zie bij wajib.
majang
majangake, zie bij wajang, en pajang.
majêng
K. zie bij arêp, I., aju, payu, en adhêp. - majêngi, zie bij payu, en ajêng. - majêngakên, zie bij aju, en bij payu.
mêjang
en pamêjang, zie bij wêjang, en bij pêjang.
mêjing
mêjing-mêjing, zie wêjing.

--- 2 : 515 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mijang
zie bij wijang.
mujang
KN. als pandeling dienen voor een schuld (van wujang, zie ald. zva. bujang). Vlg. Rh. als bujang (bediende) dienen. - mujangake, iemand als pandeling laten dienen; voor een schuld als pandeling dienen JZ. I, 61. - pamujang, het dienen als pandeling. - mujangan, tot pandeling, als pandeling JW. 13. - pamujangan, pandeling JBr. 402, pandelingschap JW. 13.
mujung
zie bij ujung.
majangi
en majangake, zie bij wajang.
maya
KW. zva. samar, wayangan, (ontbr. W.) en maeka, Wk., maar ook zva. padhang, bêning, suci, en luwih, (C. 2061, bl. 57a) Wk., JZ. II (Skr. mâyâ, bedrog, begoocheling der zinnen, illusie; ook het schijnbaar, onwezenlijk bestaan van al het zinnelijke, gepersonificeerd als een godin, de gemalin van Brahma en de onmiddellijke oorzaak der schepping); helder, doorschijnend (ook ka °, usik ° ? Bab. Jo. I, 1224); betooverend schoon. maya-maya. ijo maya-maya, doorschijnend groen, bv. van de aderen door de huid WP., RS. susu °, zva. susu mêntêr-mêntêr. - kêmayan, KW. zich onzichtbaar maken. aji kêmayan, een toovergebed waardoor men zich onzichtbaar maakt, zva. aji limunan, ook zva. guna pangasih, tooverformulier in het alg. in Waj. I, 102 (zonder aji, Waj. I, 95). Vlg. Wk. kêmayan, KW. zva. kaluwihan, ngluwihi, bêgja.
mayi
KN. alas mayi, nm. v. h. bosch Krěṇdhå-Wahånå in Suråkěrtå, waar volg. het bijgeloof geesten wonen Wk. (? Skr. nomin. mâyî, betooverd).
mayu
zie ayu.
mayo
1. zie ayo. - 2. KN. een oogziekte bij vrouwen, zooals door gebrek aan kraamzuivering. - mayonên, aan die ziekte lijden ZG. XII, 312.
miya
KW. zva. ngêndhoni, Wk., zie wiya.
moyo
zie oyo.
mayuh
zie bij wayuh.
miyah
zie wiyah.
mayan
KW. zva. sangsaya, Wk.
mayun
zie bij ayun.
mayana
KW. zva. sumêdhêng, ulah, ngluwihi, Wk.
mayunaddha
KW. zva. sukur, Wk.
mayantya
KW. zva. bêcik, Wk.
mayar
KN. verligt, minder zwaar vallend, draaglijker van alles wat zwaar, drukkend of moeielijk is LB. 144, 148, ook van leed en van een ziekte AS.; verligting Bab. Jo. I, 305. mayar-mayar, er goed, knapjes uitzien gew. v. e. vrouw Wk. - mayarake, iets verligten. ligter, gemakkelijker of draaglijker maken S., Dj. M. 1867, 5, 32, vgl. titig.
mayor
Holl. KN. majoor.
miyar
KN. miyar-miyar, helder, zuiver vooral van een roode of gele kleur Rh.; volg. Wk. zeer dun, als doorschijnend van dunheid enz. Wk., vgl. klêmir. - miyari, en miyarakên, K. zie bij ămba.
miyur
KN. slap, buigzaam, zooals bv. een dunne sabel, of een dunne tak van een boom; fig. besluiteloos, weifelend. miyar-miyur, freq. gedurig veranderen, besluiteloos zijn enz. Wk., vrg. menyar-menyor.
muyar
of moyar, KN. onsamenhangend, verward, bv. van een verhaal; ook fig. van het hart, vgl. buyar, Wk.
meyor
zie eyor.
mayira
KW. zva. cacing, ngucira, Wk.
mayura
zie manyura.
mayuk
soms ook mayung, KN. voorover hangend of gebogen, voorovergaan van een oud man; WW. wellicht mayug, zie ayug.
miyak
zie bij wiyak, en bij piyak.
muyêk
zie uyêk.
mèyèk
KN. (grondw. èyèk) zva. dhèyèk, Wk. mèyèk-mèyèk, KN. met inwaarts gebogen lenden of rug waggelend gaan Wk., zwoegen onder het dragen van een last AS. (vrg. ngiyêg-iyêg, en meyog) GL. 30, DN. I, 162.
miyaka
KW. zva. ambuka, Wk. (? conjunct. v. miyak).
mayokake
zie payu.
mayakkên
slechte spelling voor mahyakkên, zie wahya, N. 126.
mayak-mayak
KN. ruim voldoende, overvloedig van eten, hetz. als mayag-mayag? Rh., volg. Wk. tamelijk voldoende, in gepaste mate.
mayid
zva. mayit.
myat
zie miyat.
mayat
zie bij ayat.
mayit
Ar. [Arab], KN. een doode, een lijk (zva. jisim) JZ. II.

--- 2 : 516 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
miyat
of umiyat, en myat, KW. zva. andêlêng, of ningali, (verk. van lumiyat, of, even als liyat, van de grondvorm iyat, vrg. ingat).
miyut
KN. met den top zwiepen, zooals een kokosboom, van vruchten vol en in menigte aan een boom zitten, hem daaronder doen buigen. miyut-miyut, aanhoudend heen en weer zwiepen, vgl. yod.
mayuta
KW. zva. kumilat, Wk.
miyata
en miyatani, zie bij wiyata.
myus
zie umyus.
miyos
miyosi, en miyosan, KI., zie bij wêtu.
meyos
KN. ben. van een ziekte bij kinderen, bestaande in blaren op den buik of rug. - meyosên, daaraan lijden Wk.
mayasuta
KW. zva. Bathara Surya, (Skr. Mâyâsûta, Mâyâ's zoon, een naam van den Buddha).
mayalalit
KW. zva. kilat, Wk.
miyup
KW. zva. niyup, nyêbul, Wk. (verkort. v. tumiyup).
mayaya
KW. zva. ngèmpêr, Wk.
mayuyung
miyuyung, zie wayuyung.
miyum
KW. zva. mèsêm, Wk.
mayam-ayam
zie ayam.
mayag
KN. dik, vet G. mayag-mayag, opgepropt vol, van den buik.
muyêg
zie oyêg.
miyagi
voor niyagi, PL. I, 223, vgl. de N. en Walb. dial. v. Japårå.
meyog
KN. herh. voorovergebogen en waggelende onder het gaan door de zwaarte v. e. last, vgl. mèyèk, Wk.
miyagah
zie wiyagah.
mayug-mayug
zie ayug.
moyag-mayig
zie bij oyag.
miyagêmi
zie anggo.
muyab
zie bij uyab.
myang
1. KW. zie mwang. - 2. myang, ook miyang, N. in de spreektaal van verschillende gewesten (oudere vorm voor PK.) mênyang, anders nyang, WP.
mayang
1. KN. bloesem van de Areca of betelpalm. samayang, een tros van de pinang gezegd; vrg. tundhun, janjang, en manggar, zie kêmbar. - 2. KW. zva. pancing, Wk., JZ. II (volgens anderen zva. rusak). - 3. zie bij wayang. - 4. zie bij payang, vgl. banting, 2. - kamayang, KW. zva. kapancing, (volgens anderen zva. kaluwihan), spr. zie bij wiguhan, JZ. II. - mayangi, zie bij wayang. - nyêndhal mayang, iem. met een ruk, zooals met een hengel, van de aarde in den hemel ophalen van de godheid R., iem. voor zijn tijd bij levenden lijve van de aarde wegrukken; wellicht in den bloei des levens (mayang, fig. genomen) AS. 132; volg. Wk. ook iets zonder voorafgaande waarschuwing plotseling, als met een ruk, wegnemen. - mayangake, zie bij wayang. - kêmayangan, KW. zva. angluwihi, kapasangyogi, en bêgja, (volgens G. achtervolgd; op de hielen gevolgd worden). bêgja kêmayangan, spr. KN. een uitroep: wat een groot geluk! wat een gelukkig geval! en zoo wel enkel kêmayangan, RL. 21b, 22a.
mayêng
zie bij ayêng.
mayung
zie mayuk, T. 2b en mayungi, zie bij payung. - kamayung, zva. gamayang, vgl. JZ. II.
mayong
zva. mangu. mandhêg °, (Waj. II, 24) Rh.
miyang
WP., zie myang, 2.
muyang
zie uyang.
muyêng
muyêngi, muyêngake, zie bij uyêng.
meyong
zie eyor.
moyang
1. zie bij poyang. - 2. ratu moyang, zva. ratu nistha, tegenover ratu satriya, B.
miangkuhi
miyangkuhake, zie angkuh, II.
mayangkara
een bijnaam van Hanoman (? Skr. bhayangkara, schrikwekkend). KW. wêwayangan, G. zva. mulad-mulad, W.
miyungyung
= mayuyung.
moyang-moyong
KN. telkens met zijn boeltje verhuizen JR.
mayangga
mayăngga, KW. zva. wêwayangan, Wk.
miyăngga
KW. zva. buron banyu, Wk.
miyanggo
KW. leguaan G., vrg. slira, en mênyawak, (Skr. wyangga, kikvorsch); schrijffout voor miyăngga?
myanggêp
KN. zva. nganggêp.
myanga
KW. zva. anyirap, Wk.
mayangan
zie payang.
manyi
KW. zva. rahsa, vgl. mani.

--- 2 : 517 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
manyu
KW. zva. tulus, Wk.
manyan
mvn\ KW. zva. dhangan, Wk.
manyirup
KW. zva. ngidêri, Wk.
minyak
mivk\ Ml. menyak, KW. zva. lênga, Wk.
manyang
zie anyang.
manyêng
KW. zva. mubêng, Wk.
manyungnyang
A. = manyunyang.
mama
zie bij papa.
mami
KW. voornaamwoord van de eerste pers. als object, en als bezitt. voornaamwoord Wk. (vrg. kami), vgl. KS. 78, Fi. 20.
mamu
zie amu.
mimi
KN. 1. naam van een soort van krab, gelijkende op de Moluksche, met een cirkelvormige schaal en stijve, puntige, driekantige staart, waarvan het mannetje en wijfje doorgaans op elkander geklemd zitten (alleen het wijfje en de eitjes worden als lekkernij gegeten); en mimischaal, als medicinale droogerij (vrg. mintuna); spr. voor nauwe verkleefdheid, gehechtheid, van man en vrouw: kadya mimi lan mintuna, JZ. II; ook zóo BG. 470, doch B. 370 lir mimi saparane kanthèn. kêmbang mimi, nm. v. e. lijnwaad Wk. - 2. zie êmi, 2.
muma
KW. zva. sukêt mati, G.
mumu
KW. zva. asih, G.
meme
zie bij pe.
mumuh
mamah-mumuh, zie pamah.
memehan
zie bij pe.
momohan
zva. momohan, zie bij moh.
mamin
KW. zva. barêng, Wk.
mêmani
zie bij wani.
mamundhyat
KW. zva. anggubêl, Wk.
mêmanton
zie wantu.
mamaca
KW. zva. têtumbak, Wk., vgl. waca.
mamaca-udrasa
KW. zva. nangis, Wk.
mamacala
KW. zva. mêmindha, amalih, Wk.
mamar
KN. schemeren van de oogen, zoodat men niet duidelijk zien kan (verk. van sêmamar, zie bij samar). - sêmamar, zie bij samar, ook zva. sumêlang. - kumlamar, van het gemoed, onzeker, weifelend Men. VII, 7.
mimir
KN. roode uitslag op de huid R.; volg. Wk. zva. gudhig, schurft; volg. Rh. ligt scheuren van goed, ligt brekend, breekbaar, vgl. mumur.
mumur
KN. zva. kumur-kumur, BG. 454, DW. proza 67, Bab. Pas. 32.
momor
momori, momoran, zie onder wor.
mamrih
zie bij purih.
mêmarih
KN. iemand terechtwijzen, zooals bij een twist (vrg. mêlèh) GR.
murak
pamurakan, zie urak.
mêmarta
mêmarti, mêmartos, zie bij warta.
mamaratwa
KW. zva. manganggo? Wk.
mamrês
KW. zva. mêrês, Wk.
mamuryat
KW. zva. andudut, Wk.
mamrêm
zie rêm.
mamring
KW. zva. sêpi bangêt, KN. somber: somberheid van een plaats; ook fig. in diepe zwijgende treurigheid (vrg. nyênyêd, en surêm).
mèmrèng
KN. 1. galig van weefsel, dat hier en daar doorzichtig is JZ. I, 129; vrg. mimir. - nyêmèmrèng, zva. mèmrèng, 1. JZ. I, 129, vgl. klêmir, gêmbring, bêbrêt. - 2. naam van een fabelachtig beest, naar men zegt, een langharig soort van hertebeest (kidang, Wk.), RP. 27; ook van een spook, dat de gedaante van een orang-utan zou hebben R.? mèmrèng mas, een beest van goud, dat de gedaante van een buffel zonder horen heeft en tot de rijkssieraden van den Susuhunan behoort G.
mamurung
mêmurung, zie wurung.
mamak
KW. zva. lamur, picak, KN. mamak-mumuk, in het wild, onbezonnen Wk.; in het blinde rondtasten, op de bof praten, vrg. amuk, mumuk, enz. 2. TD. zva. bapa, of bapak.
mamuk
zie bij amuk.
mêmak
KN. zva. kêtêl, dicht van het haar, nl. niet borstelig, doch als men er op drukt zacht als dons Wk. RS. 570: remane panjang ° awilis.
mêmêk
zva. mêmak, WP.
mimik
KN. een muggesoort, anders dan muring, of mrutu, Wk.
mumuk
zva. mamak, een gebrekkig gezicht hebben, slecht zien JZ. II; volg. Wk. = mamak, blind, gew. fig. dom, ziende blind; onbeschaamd, willekeurig; Rm. 429: busuk mumuk. budhug mumuk, van eten en slapen zijn hoofdwerk maken Wk. mamak-mumuk, mumak-mumuk, fig. blind, bv. voor zijn eigen gebreken Rs. 178.

--- 2 : 518 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mèmèk
zie bij pèk.
momok
zva. bobok, II, Rh.
mêmeka
zie bij weka.
mêmêd
zva. mêmêt. mêmêd bundêr-bundêr, (PL. II, 179) volkomen rond R.
mumud
KN. tot pap, week als pap of brij (worden, verweeken Wk.) RP. 116.
mêmêdi
en mêmêdèni, zie bij wêdi.
mêmêdos
en mêmêdosi, K. zie bij wêdi.
mamèt
en mamèti, zie bij pèt.
mêmêt
KN. uiterst, zoodat het uit is, zoodat het niet verder of sterker kan (van pêt, vgl. gêmêt), tot het uiterste, zoodat men niet meer, verder of sterker kan, zoo hard als men kan, bv. loopen enz. (Bab. Jo. II, 11: ° binuru), zoo diep als men kan denken. mêmêt amipit, volkomen aaneensluiten WP. cangkriman mêmêt, een onoplosbaar raadsel AS.
mumêt
zie bij umêt.
mèmèt
enz., zie bij pèt. - mèmèti, KN. aandrang hebben om een ei te leggen, bv. van een kip; fig. onrustig heen en weer loopen Waj. II, 301.
momot
momoti, momotake, en momotan, zie bij mot.
mêmêtuh
mêmutuh, zie wutuh.
mamitahwa
KW. zva. anggagulang, Wk., vgl. tau.
mamituhwa
KW. zva. mituhu, Wk.
mamiti
zie bij amit.
mimiti
mimitake, zie onder wit.
memuti
zie onder eling.
mêmês
KN. week, zacht, mollig op het gevoel, niet taai van leer, vleesch, brood Wk. (vgl. kiyal); fig. liefelijk van taal (vrg. lêmês, pêpês).
mimis
KN. geweer- of kanonkogel BS.; ook kleiballetje voor een blaaspijp JZ. II (vrg. pisêr). mimis kidang, grooter dan panambur, loopers. ° kêncêng, geweerkogel. ° kêndhangan, een lange soort kogel. ° jantung, puntkogel. Zie nog masbun. - ngêmimis, of angmimis, als een kogel. lir mimis, als mimis, zoo vlug? Bab. Jo. I, 627: ° ambêk budinya. - mimisi, v. e. mimis, voorzien of tot mimis, gebruiken. - mimisên, zie his.
mèmès
zie bij pès.
momos
poët. kêmomosên, KN. in ongerustheid verkeeren R.; volg. Wk. een blijvende vrees voor iets hebben, een schrik blijven houden BS. 454.
mamasa
KW. zva. mêmêgat, kaya, Wk.
mamasah
KW. zva. ninggal, Wk., vgl. pasah.
mamêsur
KW. zva. ambêlêr, Wk.
mumasalat
Ar. [Arab], onderlinge gelijkheid, gelijkheid van het een met het andere S.
mamwarisakên
KW. zva. masajakake, Wk.
mamiweka
KW. zva. ajêjagongan, Wk.
mamwalilwa
KW. zva. ambalithuk, Wk.
mêmêl
= momol, Tj. v, 167.
momol
KN. zacht, malsch van vleesch, vleezig Wk., AS. 14, vgl. gamol.
mêmêla
zie êla, 2.
mêmpuh
zie êmpuh.
mèmpêh
KW. zva. wasis, Wk.
mêmpan
zie bij êmpa.
mêmpên
zie bij êmpên.
mèmpên
KW. zva. ngêjum, Wk.
mumpuni
1. KN. heerschen, beheerschen (vrg. mêngku, en mêngkoni). - 2. KW. zva. nyêrambahi, nyêdayani, volkomen meester zijn, volkomen bedreven in een wetenschap BS. 505, DN. I, 90 (misschien van êmpun, vrg. putus).
mampir
en mampiran, zie bij ampir.
mêmpur
KN. poederachtig. putih °, poederachtig wit Bab. Jo. I, 1224, Rh., vrg. pupur, kapur.
mèmpêr
zie bij èmpêr.
mamprang
KW. kwalijk nemen, gebelgd zijn G. KN. onmiddellijk revange gaan vragen van iemand die beleedigd is (waarschijnlijk voor mak prang, van mak, en prang) R.
mamprung
KN. wegsnellen, met een vaart wegvliegen (ook van iemand te paard), wegsnorren, voorbijsnellen KB. 13, 111 (van prung, waarschijnlijk voor mak prung, R.), vgl. sêmprung.
mampêt
en mampêtake, zie bij ampêt.
mêmput
KW. zva. kêmput, Wk.
mampus
zie bij ampus.
mimpês
zie bij impês.
mêmpis-mêmpis
zie bij êmpis.
mamapwa-mapwani
KW. zva. ngeman-eman, Wk.
mumpal
zie umpal.

--- 2 : 519 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mêmplak
zie êmplak.
mumpluk
zie bij umpluk.
momplok
of momplok-momplok, KN. goed in het vleesch, welgerond van iemands lichaam, poezelig, mollig meestal van vrouwen Rh.
mumpyar
zva. mompyor, vrg. mubyar, bij ubyar, Tj. I, 21.
mompyor
KN. schitterend van kleeding, juweelen enz. Tj. I, 46; volg. Wk. keurig in alles wat men draagt.
mêngmpêng[5]
KN. op zijn hoogst, op zijn best, in zijn volle kracht; op het drukst van een werk (vrg. prêmpêng). Men zegt ook pênging gawe, zva. mêmpêng ing gawe, zoodat pêng, het grondwoord is. wayahe mêmpêng, hij is in de kracht (of volle bloei) van zijn leven. lagi mêmpêng ing wayah, juist in de kracht van zijn leven. dèrèng mêmpêng ing diwasa, DW. 146. srêngenge mêmpêng, de zon in haar volle kracht. wanine mêmpêg, hij is vol moed, vgl. mêpêk. - pamêmpêng, KW. de juiste tijd.
mêmping
zie bij êmping.
mimpang
zva. mumpang, 2. Rh.
mimpêng
KW. middelmatig G.? wellicht mêmpêng.
mumpang
1. KW. zva. numpang, en ngundha, Wk. - 2. KN. de winner zijn bij een weddenschap Tent. 2, R.? mumpangkara, spr. voor tegenspreken, zich verzetten tegen de uitspraak van de overheid, de wetten van den Vorst overtreden JZ. II, Bl. PS. 135 (vrg. numpangi bicara) en zie pampang.
mumpung
1. zie bij pungpung. - 2. KW. vermetel G.
memeyan
zie bij pe.
mamayar
KW. zva. ambayar, Wk.
mamêyik-mêyik
KW. zva. nglulur-nglulur, Wk.
mamêm
KW. zva. ngingkêmi, araning gêgodhongan, Wk.
mambu
zie bij ambu.
mimba
of memba, KW. 1. zie bij emba. - 2. KW. zva. mêtu, (vgl. KA. 26, RL. 2b) zie wimba.
mambah
zie ambah.
mimbêh
mèmbêh, zie imbuh.
mimbuh
en mimbuhi, zie bij imbuh.
mămbra
KW. zva. ămba, Wk., vgl. ămbra.
mimbar
zie bij imbar.
mambara
zie ambara.
mambiriskên
KW. zva. nacahake, Wk., vgl. wilis, I.
mambak
zie ambak.
mambêk
zie bij ambêg.
mumbuk
zie bij umbuk.
mombak
zie ombak.
mambat
zie ambat.
mambêt
K. zie bij ambu.
mêmbat
zie bij êmbat.
mêmbut
zie êmbut.
mambêta
KW. zva. kaduk, Wk.
mambil
zie ambil.
mêmbal
zie êmbal.
mumbul
zie bij umbul.
mumbluk
zie bij umbluk.
mambyalakên
KW. (met omzetting) zva. ambalèkake, Wk.
mambêg
zie bij ambêg.
mêmbêg
zie êmbêg.
mambêng
en mambêngi, K. zie bij alang.
mêmbang
KW. ontluiken (van de grondvorm êmbang, waarvan ook kêmbang, PK.)
mimbang
KW. zva. tirah, Wk., vgl. mimba, 2.
mumuthuk
KW. zva. rampak, Wk.
mamang
zie mangmang. Ook Bant. Jav. voor paman, R. en T.
mimang
1. KW. zva. kuna, sangsaya, bingung, salang-surup, gingsir, angkêr, Wk. - 2. (oudj. mingmang) KN. benaming van de waringinwortel, die van onderen weer loten schiet Wk., of volgens anderen boomwortels die in den grond verward dooreen gegroeid zijn JR. (Men gelooft, dat de oyod mimang, dengeen, die er op weg over heenstapt, bingung, maakt, zoodat hij de weg niet meer weet. Ook wordt er de bovennatuurlijke kracht aan toegeschreven om iemand, die hem als kêndhit, draagt, voor alle gevaren te behoeden Wk., Waj. II, 120, JZ. II. Men begraaft hem ook wel tot beveiligingsmiddel vóór een huisdeur JR.). kaya anglangkahi oyod mimang, spr. alsof iem. over de oyod mimang, (een denkbeeldige wortel) is heengestapt, v. iem. die zijn weg denkt te vervolgen, maar telkens weer op dezelfde plaats terugkomt, als het ware aangetrokken door de kracht van dien wortel Rh.
momong
momongan, en pamomong, zie bij mong.
mamungat
KW. zva. anggugat, Wk.

--- 2 : 520 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
maga
KW. zva. ngêntèk, mlanggrang. gew. kêmaga, T. 38b, KN. niet naar wensch geslaagd; niet geheel gaar geworden door koken; ook incompleet; verder zich in zijn verwachting bedrogen vinden, zie moga. Zoo ook magasesa, (van sesa, 1.), bv. olèhe amatèni magasesa, hij heeft hem niet geheel ter dood gebracht Wk.
magê
KW. zva. sumêlang, Wk.
mêga
KW. zva. ambuka, Wk., vgl. wênga.
miga
KW. zva. nyingkiri, ontbr. W. - migan, id. Wk.
migo
KW. zva. sisip, Wk.
muga
N. mugi, K. een redewoord tot uitdrukking van een bede, biddend verzoek of biddende wensch: ik bid u, wees zoo goed! (zie de gramm. en WG. 80, 90, 92). Zoo ook met nadruk kang muga, ingkang mugi, en meer dringend muga-muga, of kang muga-muga, en mugi-mugi, of ingkang mugi-mugi.
mugi
K. zie muga.
mega
KN. wolk, de wolken JZ. II (Skr. megha). mega mêndhung, regenwolk; ook benaming van een melodie op de gamělan, en van Chineesch aardewerk met blauwen rand, en van een hoogen berg in het westen van Java. Kyai Megatara, naam van een beambte of bediende in de Kraton. - megan, grijsachtig blauw met zwarte strepen aan de vleugels van tamme duiven.
moga
KW. zva. ngêntèk, mêntah, sumêdhêng, amrih, ya ta, wit, awit, wiwit, miwiti, pasrah, têka, bangêt, luwih, upama, mêngku, nalika, Wk., vgl. KA. 1. KN. te vergeefs, zonder effect, op niets uitloopend (Skr. moga). Zie over dit woord KS. 91, WS. 112, 197. - 2. KW. naam van een onbekend wapentuig, zie samoga. - 3. naam van een soort van ceintuur of gordel G. - 4. zva. gawe, G. - 5. zva. kêbo, G. olèhe arêp ngobong bata moga, van zijn willen steenen bakken is niets gekomen. moga dinêlêng, aan het gezicht onttrokken, niet te zien (bv. door dikken nevel). - amoga, zva. moga. ook onschendbaar, bv. van den Koning of Gouverneur-generaal (Skr. amogha, onfeilbaar, niet missend) R.
mêgahi
en mêgahake, zie bij wêgah.
muga angkara
KW. zva. murka, Wk., vgl. angkara.
mugan
KW. zva. mangan, Wk., vgl. boga, I.
mugên
KN. zva. mungkul, wêkêl, volg. and. ook zva. mudhêng, Wk.
magina
KW. zva. migunani, Wk.
migêna
KW. zva. nusahake, Wk., RL. 34b; vgl. wigna.
miguna
en migunani, zie bij wiguna.
migênuni
KW. zva. mirêmbugi, Wk.
meganănda
zie beganănda.
miganda
KW. zva. ngambêti, Wk. (Wk.?), vgl. gănda.
mogantên
KW. zva. bisa, putus, pantês, Wk.
megantara
KW. zva. mega wrata, Wk. KN. wit schimmel, kleur van een paard Rh., zie megan, bij mega.
migantaka
= anyingkiri pati, JZ. II (miga + antaka).
magandhah
KW. zva. abêgja, Wk.
magir
zie agir.
mêgar
zie bij êgar.
mugêr
zie ugêr.
maguro
KW. zva. umung, Wk.
magori
KN. naam van een kostbaren steen, nl. ° suleman, en ° kêling, Tj. BG. 35, Wk.
mugara
KW. zva. gada, gitik, Wk.
mugari
en pamugari, I. KW. zva. ambandhêm, en ugêr-ugêr, Wk. - 2. KN. het opperbeleid voeren. - pamugari, KN. leider, bestierder, die de leiding van iets heeft, het opperbeleid voert BTDj. 534, Bab. Jo. II, 102. - mugarèni, en mamugarèni, van iets de leiding en het bestier hebben.
mêgrog
KN. zich half openen van een bloem (vrg. mêgar) G.; volg. Rh. mêkrok, zie êgrok.
magurugăngsa
KW. zva. gamêlan tambaga, Wk.; zie echter maguru bij guru.
mêgok
mêgok-mêgok, voor mogok-mogok, onbeweeglijk, als een paal zitten Tj.
migêk
zie mugêg.
mugêk
zie mugêg.
magakit
KW. zva. anggêgêt, Wk. (Wk.?).
mogak-magik
zie ogak.
magada
KW. zva. kasusu, Wk. (Wk.?), vgl. gadgada.
migut
KW. zva. anggêtêm, Wk. KN. migut,

--- 2 : 521 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
zich moeielijk bewegen, van een wezen dat dik en zwaar is, zooals bv. een butå. migut-migut, freq., vgl. ugêt, ingut, Wk.
mugêt
zie ugêd.
mêgatruh
KN. naam van een zangwijze.
magêtan
KN. naam van een afdeeling in de res. Madiun op Java. - kêmagêtan, het Magětansche; zie nog WG. 190.
megos
zie egos.
magasa
KW. zva. musthika, Wk.
magasesa
zie bij maga.
magawe
en magawèkake, zie bij gawe.
magawan
zie bagawan.
magaway
KW. zva. magawe, Wk. (in 't oudj. andere spelling, zie Kern in Bijdr. 6e R. VII, 267).
magêl
magêli, magêlake, zie wagêl.
magol
= megol, C. 2196, bl. 152.
megol
zie egol.
mogèl
zie ogèl.
mogol
KN. maar half gaar van aardvruchten, zooals aardappelen; niet tot rijpheid gekomen van een voornemen of beraad (vrg. madas, magal), niet geslaagd Tj. III, 564, Wk.; volg. Rh. zich verzetten tegen, ongev. zva. mogok.
mêgilan
zie bij gila.
magilya
KW. zva. minglar, Wk.
moglèng
zie bij oglèng.
magêlêng
KN. stijf volhouden, bij zijn stuk blijven, zich niet laten overtuigen of raden, een stijfkop zijn, stijfzinnig (vrg. andêlurung) JR.
magêp
KW. zva. anggêg, Wk., kanggêg, W.
mêgap
KN. mêgap-mêgap, naar den adem snikken of snakken, kort en snel met moeite ademhalen, zooals van iemand die uit zijn adem geloopen heeft, in zenuwachtige toestanden, als een stervende of als een visch op het drooge (vrg. mênggèh-mênggèh, en êgap).
magam
zva. nglimpe, Wk.
magêm
zie bij anggo.
mag-mêg
klanknab. van het herhaaldelijk grijpen of pakken Tj. I, 30, zie mal-mol.
magag
KN. aarzelen, niet goed durven Tj. II, 521. - kêmagagên, BG. 48.
magog
zie mogok.
migêg
KN. niet van zijn plaats voort kunnen; zóó migag-migêg, Tj. I, 17, langs een weg, die verstopt is; volgens G. ontsteld, verwonderd (vrg. wigug, en mugêg). migêg-migêg, van groote ontsteltenis bewegingloos blijven.
mugêg
KN. mugêg-mugêg, ook mugêk-mugêk, en mugag-mugêg, (zie ugêg) aanhoudend op dezelfde plaats zich blijven bewegen en niet voort kunnen komen Gr. L. 165, ook met zijn bod maar altijd op dezelfde hoogte blijven (vrg. migêg); volg. Rh. bet. migêg, en mugêg, ook wel migêk, en mugêk, meestal herh. hetz. nl. zich op dezelfde plaats blijven bewegen.
magêgêh
KW. zva. nglênggêr, putêran, Wk.
mogag-magig
KN. waggelen, niet goed vast staan of zitten, bv. van een paal, tand; schudden op zijn grondvesten Tj. III, 53?
magang
KN. op weg iem., die naar de pasar gaat, opwachten om van hem een koopwaar, vooral rijst, op te koopen Rh.?; naar een betrekking staan; met het oogmerk om een betrekking of postje te krijgen, bij een invloedrijken ambtenaar zonder loon dienstwerk doen; iemand die met dat oogmerk bij een invloedrijken ambtenaar in dienst is; als magang dienen (vrg. panakawan). magang carik, een adspirant (of sollicitant) klerk. wadana magang, nm. v. e. ambtenaar in Yogyåkěrtå R. en T. - magangi, om iets als magang dienen, naar iets adspireeren Bab. Jo. I, 101. - magangake, tot magang, maken; ook voor iem. (iets) opkoopen van naar de pasar op weg zijnde kooplieden Rh. - magangan, of pamagangan, verblijf of zitplaats der magang's. pamagangan, zva. pangadhangan, plaats waar men zich posteert om menschen af te wachten die naar de pasar gaan, en bv. hunne rijst op te koopen Rh.; ook naam van een paṇdhåpå in het midden van het plein tusschen de tweede en derde poort ten zuiden van den Kraton van den Susuhunan; verder magangan, als magang dienst nemen of in dienst zijn.
magêng
KW. zie bij gêng.
mêgung
zie gung.
migung
= megung.
megung
KW. zva. ora pêgat. aywa megung, K. 3, 47? zva. aja nyimpang, niet ontwijken, ontgaan, ontkomen; ook zva. obah, BG. 546

--- 2 : 522 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
bumi ° vgl. menggung. KN. zva. nikung, een bocht maken; zich om- of afwenden B. 560 (niet in Wk.). malang-megung, heen en weer draaien, dwars over den weg; volg. Wk. deels dwars, deels schuins, door elkander, overhoop, ordeloos ergens liggen, tegen alle orde en regel in.
mugangkara
KW. zva. murka, Wk., vgl. muga angkara.
mubah
Ar. [Arab], gemeen goed, iets waarop allen even veel recht hebben KT., S. (vlg. v. d. B. in Enc. II, 541b: geoorloofde handelingen); volg. Rh. verstaat een Javaan onder dat woord: ora ana kêdadeyane, van het een of ander waarvan niets komt of terecht komt.
mobah
zie bij obah.
mabahaya
KW. zva. ambêboyong, Wk. (Wk.?)
mabên
K. zie bij madu. - mabêni, en mabênakên, zie onder adu.
mabun
zie bun.
mibra
KW. zva. pados, G.
mubra
KN. mubra-mubra, van alles in overvloed hebben, bv. panguripane mubra-mubra, in weelde baden? BG., niet in Wk. (vrg. bra) zie mubru.
mubru
KW. zva. bêlabur, balèbèr, KN. volg. Wk. KW. rijk in overvloed, bv. van een oogst, v. kleeren enz. Tj. I, 907. - mubra-mubru, BG. 16 = ora kêkurangan, JZ. II. Ook mabra-mubru, Tj. I, 589.
mabur
zie bij bur.
mibêr
zie bij bur.
mibur
zie bij bur.
mubur
zie ubur.
mubarang
zie samubarang, JBr. 346.
mabuk
zie abuk.
mabad
KW. zva. ambabid, nyabêt, Wk., en zie babad.
mubadir
Ar. [Arab] v. d. B. (ook ngubadir, GL. 44), verspillend, verkwistend; ook verk. badir, vruchteloos, zonder gevolg, voor niet verspild, van pogingen of van werk, dat niet beloond of geteld wordt; volg. W. ook zva. eman, en owêl, volgens G. berouw, spijt. - mubadirake, geld of goed verkwisten, verspillen, verdoen (vrg. ngêbrèh, en ngobrot-obrot) KT.
mabat
KW. zva. nyabêt, Wk., vgl. mabad.
mubat
KW. zva. dhukun, (? vgl. Ml. obat) ngobat, niyup, Wk.
mobit
en mobat-mabit, zie bij obit.
mobèt
zie bij obèt.
mubtada
KN. zva. kajarag, (Ar. [Arab], begonnen, aangevangen) KT. 196.
mobat-malêbit
KW. zva. mobat-mabit, Wk.
mabul
zie abul.
mubal
zie bij ubal.
mabluk
KN. geheel met wit (of grijs- Wk.) achtig wit stof (zooals meel of asch) bestoven, geheel wit uitgeslagen of begroeid, geheel vergrijsd, geheel wit in den bloei (vrg. mublak); zie sumambêl wijèn, bij sambêl.
mublak
KN. zva. mabluk, J., volg. Wk. gelijkmatig wit geblanket of van nature inlandsch (geheelachtig) blank; spierwit v. h. haar; zich overal geel of geelachtig wit vertoonen v. h. padigewas of v. d. dami, (vrg. mêmplak); ook zva. mubal, van een vlam; volgens G. glans, schijnsel.
mubulung
KW. zva. ngruwat, Wk. (Wk.?).
moblong-moblong
KN. vol en schoon (blank Wk.) van gelaat van een vrouw R. n. N. 304: ook van een vrouw die zich uit coquetterie sterk geblanket heeft BG. 94.
mubyar
mubyarake, zie bij ubyar.
mobyor
zva. mubyar, bv. van door goud en edelgesteenten schitterende kleeding PL. I, 32, vrg. mumpyar, en mompyor, JR.
mabyung
zie bij byung.
mubyung
zie bij ubyung.
mabang
zie abang.
mubêng
zie bij ubêng.
mathi
zie bij athi, en malathi.
muthu
zie munthu.
methe
KN. methe-methe, een dikke uitstekende buik hebben, zooals v. e. zwangere vrouw? niet in Wk., vgl. èthèh.
motha
1. zie potha. - 2. grof doek, zeildoek, zva. gêblêg, (Skr. pota, doek) KB. 71, PL. I, 59.
mathinthing
of mathingthing, zie thingthing.
mathunthung
of mathungthung, zie thungthung.
mêthanthang
mêthangthang, of muthangthang, zie thangthang.
mêthènthèng
of mèthèngthèng, zie thèthèng.
mathak
1. zie pathak. - 2. KN. kuluk °

--- 2 : 523 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
nm. v. e. witte muts van door stijven en glanzen doorschijnend gemaakt wit katoen, door den Susuhunan, de Pangéran's, Riyå's en hoofdambtenaren gedragen in groot tenue bij officieele gelegenheden; zulk een mag ook de bruigom op zijn trouwdag dragen, vgl. kanigara, Wk.
mathuk
zie êthuk.
mêthuk
van pêthuk, zie papag.
muthêk
zie uthêk.
muthik
KN. een klein soort hak- of kapmes Rh., zie uthik.
methok
zie ethok.
muthakil
Ar. (?) KN. begeerlijk, baatzuchtig, inhalig, naar zich halen (vrg. baciwid, en surakah, 2) JR.; volg. Rh. een tegenstribbel aar, een dwarsdrijver.
mêthêt
zie bij pêthat.
mathis
KW. zva. manis, dhèmês, Wk. meestal van het spreken, van de taal, manieren, innemend, ook ongeveer zva. dhamis, Rh.
mathethah
KN. bolrond van de buik? Tj. II, 653; vrg. methe-methe, pêthethah.
mêthangkrok
zva. malangkrong, zie pangkrong.
mêthangthang
muthangthang, of mêthanthang, zie thangthang.
mêthingthing
mêthungthung, zva. mêthinthing, enz., zie thingthing, enz.
mang
KW. zva. ing, Wk.?; en verkort. van samang.
mêng
KW. zva. amung, nuju, bangêr, Wk. KN. zva. mar, Wk.
ming
zie bij ping, en bij mung.
mung
1. ook wel ming, N. amung, ook wel aming, KN. namung, of anamung, ook wel naming, of anaming, K. amêng, KW. en KD. (LB. 175) alleenlijk, alleen maar, enkel, niet meer dan, slechts (vrg. muhung, en nging, anging, of nanging). naming, gew. anaming, in de spreektaal ook veel voor nanging, of ananging, doch S. (en voor wondene, of dene). botên amung, of botên namung, en botên amêng, (volg. R. een uitdrukking beantwoordende aan lire layang, in het N.) alleenlijk, het is alleen maar, menigvuldig in brieven om te zeggen dat men niets te schrijven heeft dan alleen het volgende; ook wel botên langkung, en botên punapa, in het N. ora ngêjaba amung. - ngamungake, of ngêmungake, KN. ook wel ngamingakên, K. (R. n. N. 156) bij of tot iets of iemand alleen zich bepalen RP. 41; iets alleen betreffen, dikwijls te vertalen: alleen maar, uitsluitend BTDj. 80, 571. - 2. of êmung, zie ald.
mèng
KW. zva. ing, Wk. (° ma + ing).
mong
1. (oudj., vgl. RK. 19) KW. zva. macan, JZ. II, ook ° tuna, ° luput, Men. IX, 356 (vrg. bij arima). - 2. mong, gew. among, KW. zva. nandhang, ulah, KN. aan iets zich wijden of zijn zorgen wijden, met iets zich bezig houden, aan iets zich overgeven JZ. II. wong among dagang, iemand wiens zorg of bezigheid de handel is, een handelaar. among sasmita, of cita sasmita, zijn werk maken van (iemands) teekenen, d. i. wezenstrekken, uitdrukking of beweging, om daaruit zijn zin, aanleg, bedoeling enz. op te maken, of om uit het een of ander geluid of teeken waar te zeggen, vgl. pirasat, Wk. among rêsmi, (° raras, of ° lulut) minne plegen. among kingkin, aan smart (bittere droefheid) zich overgeven. among tani, en among wingit, zie bij tani, en bij wingit. among praja, Rijksvoogd, eign. van den tijdelijken hoofd-jěkså bij de Pradåtå; vgl. R. en T. 54. - ngêmong, iemand zijn zorg en oplettendheid wijden; voor iemand alle zorg en attentie hebben; een kind oppassen; volg. Wk. iem. zijn voogd of mentor leiden, hem dienen, ter wille zijn; ook verbloemde uitdr. voor huwen v. e. man JLW. 16. kaêmong, BTDj. 57, BG. 126: wêlas dene tan ingêmong ibu rama. diêmong, of dimong, in poëzie ook winong, pass. - ngêmongake, imd. onder eens anders leiding stellen. winongakên, poët. voor kaabdèkake, Wiw., Wk. - momong, of mongmong, een kind of kleinkind oppassen en verzorgen BTDj. 40, 79; iemand, die bestier of leiding noodig heeft besturen en het oog op hem houden; (volg. WW. dimomong, ook) winongwong, pass. momong sarira, zva. ulah awak, voor zijn of haar lichaam zorgen; zorg dragen voor haar toilet van een vrouw; alleen voor zich zelf zorgen, vooral van een vrouw, die ongetrouwd blijft, v. e. man WP. 130. - momongan, iemand over wien men het bestier en toezicht heeft of het toezicht en bestier te houden heeft; iemands bestiereling BG. 457; pupil JZ. II. sing duwe momongan, die (hem) onder zijn toezicht heeft, die als hoofd of patroon over hem staat. - pamomong, of pamongmong, zorg, verzorging; oppasser, verzorger, of oppaster, gouverneur [gou...]

--- 2 : 524 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
[...verneur], gouvernante van een kind; knecht of meid voor kinderen? Wk. abdi °, BG. 370 (syn. met êmban, Bab. Jo. I, 1414).
mangê
(oudj. mangö, zie bij mangu) en mangên, KW. zie angên.
mangu
(oudj. mangö) KN. in bedenking staan blijven; in zijn binnenste aarzelen, weifelen, onzeker zijn wat men denken moet, doen zal of te wachten heeft; twijfelmoedig; mijmeren WP., JZ. II; en zva. rangu-rangu, (zie bij rangu). bale mangu, of bale mangu kêpatihan, ook paseban mangu, of paseban mangu kêpatihan, naam van de paṇdhåpå vóór de woning van den Rijksbestierder en van de rechtbank, die daar gehouden werd en waarin de Rijksbestierder zelf rechtsprak, vgl. PL. I, 192, 196, 221. (Ook wordt de wachtkamer binnen de poort van de vorstelijke begraafplaats te Kadilangu zoo genoemd). kori mangu, naam van een poort onder aan de trappen ten zuiden van de Sitînggil in vroeger tijd JZ. I, 36, PL. II, 9. Tegenwoordig wordt de kori brajanala, ook wel zoo genoemd.
mange
KW. zva. dhewe, Wk. (Wk.?).
mango
KW. zva. nalăngsa, Wk.
mênga
mêngani, en mêngakake, zie bij wênga.
mêngi
KN. aamborstig, aamborstigheid, als de luchtpijp bij de ademhaling piept met het geluid van ngi, BG. 39 ° ngangsur, vgl. BTDj. 99 (vrg. ampêg).
minge
maminge, zie inge.
mungu
zie wungu, gugah, en tangi.
mengo
zie engo.
mèngèh
mèngèh-mèngèh, zva. mangah-mangah, maar minder roode, een zacht roode kleur hebben Rh.
manguhuh
zie uwuh.
manghèr
zie hèr, II.
manghrik
zie hrik.
manghurkên
zie hur.
manghrêt
mangrêti, zie hêrêt.
minghrêti
KW. zva. mamatuti, Wk., vgl. rêti.
manghrapi
KW. zva. nglironi, nêmpuhi, Wk.
mangahis
zie his.
minghêl
KW. zva. nglirik, Wk.
manghêb
zie hêb.
mangah-mangah
mongah-mangih, zie bij angah.
mangên
zie mangê. - mangêni, KN. zie bij wangên.
mangun
mêmangun, en pêmangun, zie bij wangun.
mungoni
mungokake, van wungu, zie tangi, en wungu.
mangunah
of maonah, KN. de macht van iemand die op alles een middel weet om zich helpen (ook wel door bovenmenschelijke middelen), bv. van een gevangene, die, hoe ook opgesloten of volg. Wk., G. geboeid, toch wel middel weet om los te komen BG. 194 (Ar. [Arab], hulpmiddel; Pers. maunah, ook macht, vermogen).
mangênèni
zie bij kêna.
mangunêng
mzunN_ KW. 1. in beweging brengen G. - 2. droefheid, hartzeer (vrg. unang, en onêng). - 3. KN. naam van een bloem W., zie mangunêng.
manguncarana
zie ucarana.
manguncupi
zie ucup.
manginti
KW. zva. ngèsthi, Wk. (Wk.?).
manguntur
KW. zva. panunggul, en lêmah dhuwur, Wk. (waarschijnlijk samenstelling met verkorting van mangun batur). panggung manguntur, KN. een van den grond verheven opene zitplaats, zooals onze muziektenten B. v. B. 25. bangsal manguntur tangkil, naam van een dergelijke zitplaats van den Vorst op de groote feesten, ten noorden tegen de bangsal-witånå gebouwd en met watu cêndhani, bevloerd PL. II, 8. mangunturniti, naam van een gebouw in het voorhof van de Surålåyå. manguntur sela, RL. 13a, waarsch. = manguntur tangkil.
manganturan
KW. zva. gênturan, Wk. (Wk.?).
manguntit
KW. zva. ngoncat-ancit, Wk.
mangantap
KW. zva. ngrangsang, Wk. (Wk.?).
mangindhati
KW. zva. nginggati, Wk.
manganyuk
(W. manganyak) KW. zva. nuntun, Wk.
mêngên-mêngên
KW. zva. dolan-dolan, kacaryan, Wk., vgl. amêng.
mangunêng
mzun_ KW. zva. kêmbang bakung, Wk.
mangro
zie onder ro.
mangêr
zie hêr.
mangir
KN. geelachtige balletjes van allerlei soort van kruiden bereid, waaronder vooral kurkema, waarmee men zich onder het baden wrijft, en die als zeep schuimen Wk. BG. sabun lan mangir. Vgl. Ml. langir, al wat dient om inz. het hoofd te reinigen, vooral een s. v. welriekende bast.

--- 2 : 525 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mingêr
en mingêrake, zie bij ingêr.
mungar
mungari, zie ungar, II.
manguri
zie hur.
mangrah
zie arah.
mangroh
zie bij roh, II.
mungarani
zie ungar.
mangurnakên
KW. zva. ambayawarakake, Wk.
mangrintung
(W. mangrantung) KW. zva. anggantung, Wk. (Wk.?).
mangarnawa
mangèrnawa, zie bij arnawa.
mangrandha
KW. zva. ngrantun, Wk.
mangarêk
KW. zva. nyêlak, ngrakêt, Wk.
mangradoni
KW. zva. ngladèni, Wk. (Wk.?).
mangrês
zie arês.
mangarsa
KW. zie bij arêp, I.
mangaras
KW. zie bij ambung.
mangurus
KW. zva. ngêbrèh, Wk.
mangraswaddhari
KW. zva. ngrêsula, Wk. (Wk.?).
mangrwakitani
KW. zva. angguyubi, Wk. (Wk.?).
mangarwat
KW. zva. ngrêbut, Wk.
mangrêpwakara
KW. zva. nêmbung, Wk. (Wk.?).
mangrêmpir
KW. zva. nglêmpit, Wk. (Wk.?).
mangrêmpwakên
KW. zva. mêcahake, Wk.
mangurambat
KW. zva. mrambat, Wk.
mangar-mangar
KN. gloeien van het aangezicht, of in het aangezicht gloeien, ten gevolge van zonnehitte of drank, of drift PJ., ook blozen van schaamte of toorn Rh. (vrg. mangah-mangah, en mungur-mungur) AS.
mungêr-mungêr
KN. inwendig boos zijn.
mungur-mungur
KN. gloeien of rood worden in het aangezicht door ongesteldheid Bab. Jo. I, 725, of zooals door te veel gebruik van sterken drank enz. PJ. IV, 36, RP. 146 (vrg. mangar-mangar); volg. Rh. schuimbekken.
mèngèr-mèngèr
KN. rood zijn van de lippen Tj. NP. 192.
mangrungkubi
KW. zva. ngandhêmi, Wk., vgl. ngrungkêbi, bij rungkêb.
mangka
KW. zva. mangkana, mêngko, Wk.
mangke
K. zie mêngko.
mêngku
mêngkoni, en pamêngku, zie bij wêngku.
mêngke
MD., zie mêngko.
mêngko
(in de spreektaal ook êngko, en ko) N. mangke, K. mêngke, MD., mangkin, KW. (mêngkin, WP. in de spreektaal MD. en K.) een redewoord om een eerst aanstaande tijd te beteekenen: aanstonds, zoo metéén, met een oogenblik, op het oogenblik (à l'instant); ook van nu af aan en thans; als uitroep: wacht! (vrg. rêke, en mêngkono). ing mêngko, enz. thans. samêngko, of ing samêngko, ook wel ing samêngkone, enz. op het oogenblik, tegenwoordig, thans. ing măngsa mêngko, thans Wk. mêngko sore, aanstaande avond, d. i. van avond. mêngko sasi, mêngko tanggal, aanstaande nieuwe maan Wk. ing sore mêngko, dezen avond: enggal mêngko, zoo even. mêngko sêdhela, zoo aanstonds; ook wacht even! ° êngkas, wacht nog een oogenblik! dalasan mêngko, tot heden toe. sadina mêngko, heden ten dage. dunya mêngko, de aanstaande (toekomende) wereld? G., tegenwoordige tijd; deze wereld. mêngko-mêngko, strakjes over een oogenblik; wacht nog even! wat later, bij latere gelegenheid.
mingka
zie wingka.
măngka
KN. 1. zva. minăngka, BTDj. 110, Tent. 54. - 2. een voegwoord om het volgende als een ander geval met een genoemd geval te verbinden: en het geval is (of was), en nu is (of was) het geval; en nu, en dan, en (met nadruk), vooral om in een conditioneelen volzin met een ondersteld geval nog een ander geval als bijkomende omstandigheid te verbinden; maar ook wel om in den hoofdzin van een conditioneelen volzin uit te drukken wat dan het geval is (zie de gramm.). Ook ing măngka, kang măngka, en mangkane, met meer nadruk, vooral in de spreektaal Gr. L. 158, 159.
mangak
zie angap.
manguk
zie anguk.
mingêk
zie ingêk.
mêngkuh
zie angkuh, I.
mingkuh
zie ingkuh.
mungkah
KW. zva. mêkar, Wk., RL. 25a.
mangukuh
en mangukuhan, zie bij kukuh.
mingêkah
K. zie bij kukuh, en KW. zie ingêk.
mingkail
zie mikail.
mangkin
mêngkin, zie mêngko.
mangkana
poët. mangkono, of mêngkono, N. mangkotên, mengkotên, of mêkotên, MD., mangkatên, mêngkatên, of mêkatên, K., op die wijze, zóó, alzoo, zoodanig; zulk; zulke; zóo? ei zóo! en mangkene, of mêngkene, N.

--- 2 : 526 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mangkètên, mêngkètên, of mêkètên, MD. mangkatên, mêngkatên, of mêkatên, K. (mangkana, ook poët. voor mangkene, zie Waj. I, 76) op deze wijze, dus, aldus, dusdanig; zulk, zulke; (aanwijzend voornaamwoord van hoedanigheid, van kana, kono, en kene, of 'ngkånå, 'ngkónó en 'ngkéné, voor ing kana, enz.). kaya mêngkono, zulk een. yèn mêngkono, als het zóo is; dus (met nadruk). yèn mêngkono: dadi, ... als het zóo is, dan ... dus, bijgevolg. yèn ora mêngkonoa, als het niet zóo was. mêngkono mau, of mêngkono uga, en dat wel, intusschen, evenwel. mêngkono manèh, zoo wederom, desgelijks. rêmbugku mêngkêne, mijn raad is deze, mijn voorstel is dit. mêngkono-mêngkene, zus of zoo; dit of dat. lungguh ngisor mêngkono, zóo maar omlaag (op den grond, niet op de ambèn) zitten of gaan zitten. sêdulur mêngkono, zulke broeders (of vrienden) als wij zijn. mêngkono, enz. ook ter bepaling van de soort, evenals iku, enz. zie Gramm. 51, 198, C. wong urip mêngkono, (of ° mono) de levenden; en zóo tot nadruk: kenging mêkatên kenging, het kan, of het kan wel, (maar enz.). samangkana, KW. zva. mêngkono. - mangkonokake, enz. op die wijze doen. mangkènèkake, enz. op deze wijze doen Wk.
mangkene
zie bij mangkana.
mangkono
zie bij mangkana.
mêngkene
zie bij mangkana.
mêngkoni
zie bij wêngku.
mêngkono
zie bij mangkana.
mêngkanak
zie kanak.
mêngkènèk
zie kènèk.
mêngkonok
zie bij konok.
mangkir
dial. = cangkir, de N.
mêngkêr
mêngkêri, en mêngkêrakên, zie bij ukur.
mingkar
zie ingkar.
mingkur
KN. mingkur-mingkur, zich onwillig toonen door telkens den rug toe te keeren, vrg. ungkur, Rh.
mungkar
KN. 1. verwaten, verwaten slecht, onmenschelijk Bab. Jo. II, 369, 475, AS. 119 (Ar. [Arab], niet erkend, verworpen, slecht, enz.); vgl. nakir. - 2. vooruitgaan, voorspoed hebben, bv. met iemands handel (vrg. mukar) JR., zich uitbreiden, zich vermenigvuldigen van iems. bezittingen, vee enz. Rh.
mungkir
of munkir, ook wel mukir, KN. ontkennen, loochenen, niet erkennen, volg. G. verloochenen (Ar. [Arab], niet erkennend, verloochenend). Vrg. kijat, kumbi, selak, singlar. - mungkiri, (gewl. mukiri, WG. 57) iets ontkennen; iemand niet erkennen, bv. voor zijn kind GR.; iem. of iets verloochenen Wk.; pass. diungkiri, gewl. diukiri, WG. 57. - pamungkir, het ontkennen enz.
mungkur
mungkuri, en mungkurake, zie bij ungkur.
mangkara
KW. 1. onbestaanbaar, onmogelijk G. (vrg. lêngkara) of ka °, BG. 350, 354, 355; T. 32b: kamakara, vgl. KA. bl. 37. - 2. mangkara, of makara, zva. urang sêgara, ook naam van een windu. warsa ° = taun urang, kreeftejaar, zóo wordt het jaar genoemd dat op Zaterdag aanvangt Wk. (Skr. makara, naam van een fabelachtig zeemonster, dikwijls afgebeeld met den kop en de voorpoten van een antilope en het lijf en den staart van een visch; ook naam van het sterrebeeld de steenbok). mangkarabyuha, naam van een slagorde (vrg. supiturang).
mingkara
KW. zva. nyimpang, Wk. (? conj. van mingkar).
mangkrih
zie kêrih.
mêngkurah
zie bij kijing.
mangkrak
KN. 1. woeden, razen; of makrak, K. 11, 35, zie krak. - 2. mangkrak, de handen in de zijden, of ook één hand in de zijde, zetten, een houding van kwaadheid en dapperheid aannemen; ook veel gejoel maken, bv. van veel vroolijke menschen GR.
mangkruk
en mangkruk-mangkruk, zie bij angkruk.
mingkrik
zie bij angkrik.
mungkrêt
zie bij ungkrêt, (eig. ungkrêd, Rh.).
mangkuryyas
KW. zva. manthelas, Wk., vgl. kuris.
mangkurêb
of mêngkurêb, zie bij kurêb.
mingkrang
zie ingkrang.
mèngkrèng
KN. 1. gew. herh. scheef zitten met éen knie omhoog en leunende op de hand of elleboog; vrg. mingkrang, bij ingkrang, JR.; op den rand van iets zijn, zoodat er gevaar bestaat voor afvallen; op den rand van iets zitten, bv. met de beenen kruiselings onder het lijf en met de billen op den rand van een bank of den vloer eener pěṇdhåpå; vgl. gawing,

--- 2 : 527 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
ook wel op den rand van een mat, vgl. ongkang, inggring, Wk. - 2. TP. zva. lombok.
mongkrong
zie ongkrong.
mangkak
vuil, vuil wit; vaal, taankleurig van huidkleur; ook vuil door vuil op het lichaam Asm. S. I, 214.
mangkok
KN. kom, groote of kleine kom PL. I, 38 (vrg. bokor, tuwung, pinggan, cowèk, en cangkir).
mêngkak
zva. mêkak, zie pêkak? Bab. Jo. I,1307, II, 430.
mêngkêk
KN. vast, onbewegelijk, ergens als vastgenageld zitten Wk., vgl. jathok.
mêngkik
zie bij ênggik.
mêngkuk
= ambêngkuk, T. 55a.
mungkuk
zie wungkuk. mungkuk-mungkuk, zie mungkug-mungkug.
mungkok
zie mukok.
mengkok
zie bij engkok.
mongkok
naam van een gěṇdhing; en zie bij ongkog.
mingêki
KW. zva. menggaki, Wk.
mangaksih
Wk. zva. mêgat sih, Wk.
mingkêd
zie bij ingkêd.
mungkad
zie bij ungkad.
mengkod
en mengkad-mengkod, zie bij engkod.
mangkidi
zie bij wangkid.
mangkat
zie bij en onder. angkat.
mangkut
zie angkut.
mengkot
zie bij engkod.
mangkatên
K. mangkètên, mangkotên, zie mangkana.
mêngkatên
K. mêngkètên, mêngkotên, zie mangkana.
mangkoti
zie bij wangkot.
mangkas
KW. met drift iets verrichten G. (vrg. akas). mangkas-angkas, zie angkas.
mangkis
zie bij wangkis.
mêngkis
zie bij êngkis.
mingkis
zie bij wingkis.
mingkus
zie bij ingkus.
mungkus
zie bij wungkus.
mangkawa
zie bij wangkawa.
mangkêl
KN. zva. magêl, zie bij wagêl, en wangkêl.
mungkal
zie bij wungkal.
mungkul
KN. zie bij ungkul.
mengkol
mengkolan, zie bij engkol.
mangkala
KW. zva. ing nalika.
mongklèh
zie ongklèh.
mingklik
Waj. II, 80, zie mingkrik, bij angkrik.
mangkali
zie bij wangkal.
mangkili
zie bij wangkil.
mangkêlang
zie wangkêlang.
mingkup
zie bij ingkup.
mangkya
KW. zva. mangke, zie mêngko.
mangkyak
KW. zva. mangku, Wk. (Wk.?).
mingkêm
zie bij ingkêm.
manguk-manguk
zie anguk.
mimak-minguk[6]
zie bij inguk.
mingkêg
KN. mingkêg-mingkêg, zich moeielijk voortbewegen Rh.
mongkog
en pamongkog, zie bij ongkog.
mingkug-mingkug
zie ingkug.
mungkug-mungkug
ook mungkuk-mungkuk, KN. volg. Rh. koren, kokhalzen, van iem. die moet braken. atine mungkag-mungkug, van misselijkheid, zijn hart draaide hem in zijn lijf om Men.; BG. 409: atine ênêk amungkuk. misselijk, onpasselijk (vrg. mukok).
mêngkab
zie bij êngkab.
mungkab
zie ungkab.
mangkothok
zie bij konok.
mangking
zie bij wangking.
mêngkang
en pamêngkang, zie bij wêngkang.
mangdi
KW. zva. nglayang, niyup, Wk.
mingid
KN. mingid-mingid = mingit-mingit, zie wingit.
mangadu
KW. zva. anggodha, Wk., vgl. adu.
mangidêm
KW. zva. andhêkêm, Wk.
mangêt
zie angêt.
mangut
KN. naam van een riviervisch, een soort wadêr, ben. van een spijs van die visch gemaakt? OJ.
mingit
zie bij pingit. - mingit-mingit, zva. mingid-mingid.
mingut
zie bij ingut.
mungat
KW. zva. nyêrêg, Wk.
mingêt-ingêt
zie ingêt.

--- 2 : 528 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mangetan
zie bij wetan.
mèngêti
en pamèngêt, K. zie bij eling.
mangêt-mangêt
zie bij angêt.
mingêt-ingêt
zie ingêt.
mangsi
1. KN. inkt JZ. II (Skr. masi); ook het zwarte vocht van den inktvisch (iwak nus), ook zwartsel Rh. - minangsi, met inkt of zwartsel zwart gemaakt. - mangsèn, met mangsi, zwart gemaakt, bv. van knevels; en (eig. pêmangsèn) inktkoker DN. I, 497. - 2. K. zie măngsa, III.
mungsa
zie musa.
mungsi
KN. 1. karwijzaad, een medicinale droogerij Tj. II, 563, JR.; volg. Fil. Anethum graveolens, anijszaad. - 2. KW. zie ungsi.
măngsa
of ook masa, I. KN. tijd van of voor iets, bv. tijd van eten, etenstijd, regentijd, jachttijd enz.; getijde, jaargetijde, seizoen, moeson JZ. II (Skr. mâsa, maand, twaalfde gedeelte van een jaar); Tj. Sěngk. 6. Het natuurlijke zonnejaar wordt door de Javanen voor den landbouw verdeeld in twaalf jaargetijden, waarvan de drie eerste măngsa katiga, de drooge moeson, de vijfde, zesde en zevende măngsa rêndhêng, genoemd worden, - benamingen, die evenwel ook in ruimeren zin genomen worden voor twee seizoenen, ieder van zes mångså's, zoodat daarmee het jaar in twee seizoenen verdeeld wordt; zie verder MR. II, 23, 42. sabên kalamăngsa, AS. 223 of sabên măngsa, met de termijn van elk half jaar, telkens als met het half jaar na de feesten in de maanden Mulud en Ramělan de pacht gestort moet worden. pêndhak kalamăngsa, om het half jaar S.; zie ook bij kala, I. wis rong măngsa iki, al deze twee (halfjarige) termijnen, seizoenen. măngsa panèn, de oogsttijd. măngsa awoh, de tijd van vrucht geven (van boomen en plantsoen). wis tutug ing măngsa, tot de tijd (van bevalling) gekomen van een zwangere. Bab. Jo. II, 176: sarêng sampun mangsaning dina, hetz. BG. 48. măngsa kala, tijd van nood of tegenspoed, vgl. kala, III. wis măngsa, al voldragen van een vrucht (wêtêngan). durung măngsa, ontijdig. wis mangsane, het is nu de ware tijd. măngsa patbêlas, op den veertienden (van de maan). mangsane wong mangan, de tijd dat de menschen eten. mangsane, mangsanipun, (in de spreektaal Wk.) als voegwoord wanneer; (S., voor) samăngsa, of ing samăngsa, en samangsane, N. samangsanipun, K. sêmaos, of sumaos, KD. (dial. sinasa? vgl. echter sênaos, bij nadyan) zoo wanneer. samăngsa-măngsa, ing samăngsa-măngsa, samăngsa-mangsane, of ing samăngsa-mangsane, ten allen tijde, zoo dikwijls als, al wanneer maar. BTDj. 524: op den geschikten tijd, wanneer ook? vgl. kapan-kapan. - mêmangsan, bij tijden, van tijd tot tijd, bij buien. - kamăngsa, vóor den tijd ter wereld komen v. e. volwassen vrucht, bv. een zevenmaandsch kind; ook niet goed geslaagd, bv. v. rijst, die niet drooggaar gekookt is; v. vruchten rot of verdroogd vóor dat zij rijp zijn; van een kind vóor de geboorte reeds een kwaal hebben Wk. II. KN. verslinden, opvreten van wilde dieren en butå's, eten van dieren BG., JZ. II. dimăngsa, en minăngsa, passief. mêmăngsa, hetz. met onbepaald object JZ. II. arsa ° angêlih, B. 312. - mangsan, of mêmangsan, iets dat verslonden wordt of te verslinden is; prooi (Skr. mâṅsa, vleesch). III. ook wel mangsi, K. (IS. 10) mantos, KD. met volg. Jussief: het is niet denkelijk, niet wel denkelijk, het zal wel niet zijn, dat ... JZ. II. măngsa mangana uwong, hij zal wel geen menschen eten Gr. L. en zie daar passim măngsa bodhoa, verhaal v. Gus Jědhig. kowe măngsa ora sumurupa, het zal je wel niet onbekend wezen. IV. KW. zva. sêdhêng, matig G. (? Skr. masa, maat). madumăngsa, KN. naam van een lekkernij, een soort van koek (eig. matig zoet). raosing manahipun kados dipun soki madumăngsa, hij gevoelde zich alsof zijn hart met aangenaam zoet overgoten werd RP. 128. Zie echter maduwăngsa, bij madu.
mangos
zie os.
mêngês
KW. zva. ngèsthi, Wk., C. 2196, bl. 13. KN. gitzwart, bv. zwart gemaakte tanden.
mingas
KW. zva. ngiras, Wk.
mingis
KW. zva. kêtingal, konus, KN. 1. gedeeltelijk ontbloot, voor een gedeelte zichtbaar, bv. van de borsten van een vrouw (vrg. ungil), ook zva. mêncingis, even met de punt er uitkomen; te voorschijn komen; fig. zich openbaren, bv. goede of lichtgevende gedachten in een somber

--- 2 : 529 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
gemoed K. 5, 73; en zie bij èngès, vgl. kengis, pringis.
mengas
KW. zva. mengo, malengos, Wk., RL. 33b, 52b.
mèngês
KN. wielen, dwarrelen, bv. van water of van wind (vrg. mulêk) GR.; en zie èngês.
mèngès
zie èngès.
mengos
zie bij engos.
mangsah
zie bij angsah, en bij pasah, I. - mangsah pati, zie maswapati.
mangsêh
zie bij angsah.
mangsuh
of mangsoh, KN. zva. mangsah, van angsah, WP.
mêngsah
K., zie mungsuh.
mungsuh
(oudj. musuh) of musuh, WP. N., mêngsah, of mêsah, K. vijand, tegen wien men te strijden of te kampen heeft, vijand in een strijd; volg. Wk. ook mededinger (vrg. satru). anggung mungsuh, zie anggung. mungsuh, of amungsuh, iemand tot vijand hebben, tegen iemand te strijden hebben, iemand bevechten BTDj. 5, JZ. II. - mungsuhi, een vijand bevechten A. 44. - mungsuhan, of mêmungsuhan, en mêngsahan, AS. 5 of mêmêngsahan, samen vijand zijn, in vijandschap leven met iemand; vijandschap; volg. Wk. ook met elkander concurreeren. - manungsuh, en manêngsah, vijandig tegen iemand gezind zijn G.
mangasêh
KW. zva. ngumbah, Wk., zie bij asah.
mangsèn
zie mangsi, 1.
mingsra
mingsri, zie misra.
mingsêr
zie bij ingsêr.
mungsêr
zie ungsêr.
mungsir
zie usir.
mangsra-mangsru
zie sru.
mangsuk
zie bij asuk.
mingsêk
zva. mingsêg.
mangsad
KW. zva. nanêm, JZ. II, W.
mangsud
I. KN. een gelukkige of gewenschte uitwerking hebben, gelukkig slagen; gelukkig volbracht of voltooid; gelukkig, bv. van een echtvereeniging (Ar. [Arab], geholpen (door de Godheid) in het gelukkig bekomen van iets, door Gods gunst gelukkig) WPR., en zie J. - II. vertrouwelijk, familiaar. met iemand of iets goed bekend, gemeenzaam zijn Wk.; gemeenschappelijk Bab. Jo. I, 334, Bl. CP. 143? Vgl. ook Bab. Jo. I, 538: mangsut, sampun ngantos salaya sarênga °.
mingsêd
zie bij ingsêd.
mangsit
mangsiti, en pamangsit, zie bij wangsit.
mangistu
zie èstu.
mangswahakên
KW. zva. ngêmpakake, Wk.
mangswatkên
KW. zva. ngêsotake, Wk.
mangaswasoca
KW. zva. araup, Wk.
mangsil
KN. het gesponnen garen, dat zich om de kisi, tot een kluwen (ungkêr) gewonden heeft, als een hoeveelheid. sêmangsil, een kisi vol. Vlg. Wk. is mangsil, dat garen van het spinnewiel afnemen, vgl. nukêl. - mangsilake, het rolletje katoen (pusuh), dat men bezig is te spinnen, ten einde spinnen om daarna de ungkêr, af te nemen, of met het rolletje katoen de ungkêr, afspinnen Wk.
mangsul
mangsuli, en mangsulake, zie bij wangsul, en walik. - mangsulakên, zie bij bali.
mingsêl
KN. gew. herh. Wk. goed in het vleesch zitten, welgedaan; van een visch, vol kuit zitten Rh.
mingsil
zie bij misil.
mangslup
zie angslup.
mingslêp
zie bij ingslêp.
mangsup
KW. zva. lumêbu, ontbr. W. (vrg. mangsuk, bij asuk).
mangasêpi
zie asêp.
mangsyapati
zie maswapati.
mèngsêm
zie èsêm.
mangsêg
zie angsêg.
mingsêg
zie bij ingsêg.
mungsabihat
KN. iets dat duister is, dat iemand in de war brengt, zoodat men niet weet wat men er van maken moet (Ar. [Arab] of [Arab]; bv. surasane têmbung iku agawe mungsabihat, van den zin van die uitdrukking weet men niet, wat men er van maken moet R.
mungwa
KW. zva. rawat, Wk.
mongwa
zie bij wawa.
manguwuh
zie bij uwuh.
manguwan
zie uwa.
mangowankên
zie uwa.
mangiwir
KW. zva. anjèwèr, Wk., vgl. wiwir.
mangwang
zie bij wawang.
mungwung
zva. muwung, zie bij wuwung.

--- 2 : 530 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mongwong
zie wong.
mangli
KN. têbu °, ben. van een groot soort suikerriet Rh.
mungli
zie wungli.
mangèl
zie angèl.
mungal
1. KN. zie bij ungal. - 2. K. zie bij uni, II. mungal-mangil, zie ben.
mungêl
K. zie bij uni, II.
mungil
zie ungil.
manglah
KW. zva. nglarani, Bab. Jo. I, 834, mancah, en zie bij kêlah.
manglih
K. zie bij mangro, onder ro, en bij ngêlih, II.
mangluh
zva. angluh.
mangulah
zie olah.
mangilèn
K. zie bij kulon.
mangulon
zie bij kulon.
mangolan-olan
zie bij ula.
manglar
KN. 1. zie lar, I. - 2. zva. minglar, en singlar, G.
manglêr
zie anglêr.
minglar
zie bij inglar.
mangalèr
K. zie bij lor.
mangalor
zie bij lor.
manglukwari
KW. zva. nguculi, Wk., vgl. lukar.
mangilwani
zie ilu.
manglwabari
KW. zva. ngluwari, Wk.
manguluwung
KW. zva. gumrênggêng, Wk.
mangalêlah
KW. zva. ngalah, Wk.
minglêp
zie bij inglêp.
mangulyahi
KW. zva. ngulihi, Wk.
mangalyal
KW. zva. ngarit, Wk. (Wk.?).
manglayang
KW. zva. bangêt, Wk.
mungal-mangil
KN. (BP. II, 46) volg. Rh. beter mongal-mangil, niet vast op zijn plaats, bewegelijk; fig. besluiteloos, weifelen, zie bv. bij ungil.
minglêb
zie bij inglêp.
manglung
KN. voorover; zich voorover buigen, bv. om naar iets te zien of te luisteren BG. 220; de takken gebogen uitsteken van een boom; met den gebogen top uitsteken, bv. v. e. berg Tj. IV, 354 (van anglung, zie bij lung); ook het bovenlijf voorover buigen v. e. klein kind dat opgenomen wil worden Wk. manglung gulune, (° jaja, BTDj. 465) den hals gebogen vooruitsteken Prěg. 70; van steden zich onderwerpen Waj. I, 136.
manglong
zva. manglung, PL. II, 57. manglong-manglong, volg. Rh. voor een deur of venster staan kijken of uitkijken.
mènglèng
KN. zie ènglèng, (vrg. manglung).
mangap
zie bij angap.
mingip
zie bij ingip.
mungup
zie bij ungup.
mangipi
zie impi.
mangapak
KW. zva. anjog, Wk.
mangapuyi
zie apu.
mangidhukus
KW. zva. asidhakêp, Wk., vgl. sadhêkus.
mangajakake
zie waja.
mangjigjig
KW. zva. anjojog, Wk.
mangjanggala
KW. zva. ngrêksa, Wk.
mangaya
KW. zva. ngusung, Wk.
mangyasani
zie aès.
mangaywari
KW. zva. ngayoni, Wk.
mangimani
KW. zva. anggêmèni, Wk., vgl. eman.
mangmuk
zie bij amuk.
mangamak
KW. zva. ngampat, Wk.
mangimwakimwak
KW. zva. ngipuk-ipuk, Wk., zva. ngicuk-icuk, W., vgl. imuk.
mangimul-imul
KW. zva. andarung, ngajap-ajap, Wk.
mangèmpên
zie impên.
mangmang
of mamang, KN. twijfelachtig, onzeker, ongerust, nog niet vertrouwen (vrg. mêlang-mêlang, en mimang).
mongmong
en pamongmong, zie bij mong.
mangga
KW. zva. têgêg, ngêntèk, pêlêm, (Skr. kâmângga) saengga, santosa, (vgl. manggêh, 2).
manggi
KW. zva. jangji, Wk., vgl. ubanggi.
manggu
KN. manggu-manggu, ook mangga-manggu, besluiteloos; volg. Wk. mangu-mangu.
minggu
1. Ml. Zondag (Port. Domingo). Vrg. Ahad, Zondag houden, niet werken, stil zitten Rh. minggu, ook week van 7 dagen WG. 304. - minggon, KN. Zondagsch. - 2. KW. zva. mênêng, Wk., BS. 329.
măngga
1. verk. van sumăngga, Gr. L.125, 126 (zie bij săngga). - 2. KW. (oudj. angga) zva. têgêg, ngêntèk, anggawêr, pisan, KN. den moed hebben iets te doen G., in staat zijn, om iets te doen (vrg. wani) L. 312. - manggan, stout van aard, van iemand die tot alles den moed heeft W.

--- 2 : 531 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
manggêh
1. KN. zva. banjur. - 2. KW. zva. panggêh.
mangguh
KW. zva. manggih, K. zie bij têmu.
manggoh
zva. mangguh.
mênggah
1. zie bij pênggah. kêbo °, zie kêbo, G. - 2. K. zie bij ungguh.
mênggèh
KN. mênggèh-mênggèh, hijgen, snel ademhalen, bv. van vermoeidheid (vrg. mêgap-mêgap, en mênggah-mênggah).
minggah
K. zie bij unggah.
minggêh
KW. zva. ngungak, mangu, ngrêmbaka, Wk.
munggah
zie bij unggah.
mungguh
1. zie bij ungguh. - 2. KW. zva. ana, in mungguh ing, KN. munggwing, munggwèng, mungging, of munggèng, JZ. II, poët. zva. ana ing, of anèng. Zoo ook bv. nèng sela gêgila[7] mungguh.
manggan
zie bij măngga.
manggèn
manggèni, en manggènakên, K. zie bij ênggon.
manggon
manggoni, en manggonake, zie bij ênggon.
minggun
KN. zie bij sigun.
minggon
zie bij Minggu.
manggêndêng
KW. zva. nuntun, Wk., vgl. gèndèng.
manggindhêh
KW. zva. anggendhong, Wk.
manggar
KN. de bloesem van de kokosboom (vrg. mayang), vgl. ZG. XXIV, 121. kêmbang manggar, naam v. e. bathiksel Wk.
mênggêr
KN. 1. zich tot een hoogte of als een heuvel verheffen van den grond, hooge grond, het tegenovergestelde van lêdhok, (vrg. tênggêr, munggur, gênêng). - 2. zonder zich te verroeren op een plaats blijven staan G.
munggur
KW. zva. mênggêr, G.
manggaruni
KW. zva. anggrundêli, Wk.
manggrong
KN. manggrong-manggrong, zva. mangkrong, zie pangkrong, zich groot, hoog en dik vertoonen (vrg. jênggorong), bv. manggrong-manggrong kaya gajah, R.
minggring
zie inggring.
mênggik
zie bij ênggik.
minggêk
KW. zva. wangkid, Wk., en zie enggak.
menggok
en menggak-menggok, zie bij enggok.
manggut
zie anggut.
minggat
zie bij inggat.
munggut-munggut
zie bij ugut.
manggis
KN. naam van een zeer smakelijke boomvrucht (Garcinia Linn., nat fam. der Guttiferae), die een dikke van binnen purper- of karmijnroode schil heeft, waarin zich zoete vleeschachtige witte partjes bevinden: de manggistan. manggis kuning, wangs. voor maleca, [kaleca] Bab. Pas. IV. - ngêmanggis, of ook enkel manggis, gelijk een manggistan, nl. gelijk de kleur van haar schil. lambe manggis karêngat, lippen als ingesnedene manggistan, voor purperroode lipjes Waj. II, 427. - manggisan, versierselen in den vorm van manggis, bij wijze van charivari aan de punt van de zakdoek gedragen Rh., vrg. kênarèn, zie kênari. volg. Wk. nm. v. d. spijkertjes waarmede de ringen (robyong, simpar, en kowangan) op den zadelbok bevestigd zijn.
menggos
= mengos, zie engos. Tj. en egos.
manggistha
manggisthami, manggusthami, KW. zva. manggis, Wk. (oudj. manggusta Bijdr. 3e R. VI, 25).
manggwa
zie ungguh, II.
manggêwah
KW. zva. dandan, Wk.
munggwing
munggwèng, KW. zie mungguh, 2.
munggwingan
KW. zva. ubêng-ubêngan, Wk.
mênggêl
KW. zva. nêngkêl, Wk.
manggul
KN. 1. zie panggul. - 2. gekruide, dikke meelsaus bij rijstepap gegeten (jênang) Wk.
munggul
zie bij unggul.
menggal
zie bij enggal.
manggala
KW. zva. wiwitan, pêngarêp, panggêdhe, Bab. Jo. II, 86, prajurit rosa, gajah, BG. 42, en urang, JZ. II (Skr. manggala, heil-spellend, gelukkig, gunstig; en plechtige opening, d. i. aanvang van een geschrift KS. 35). manggalagita, naam van een Kawische zangwijze JZ. I, 335. - manggalani, zva. miwiti, en mangarêpi. - pra manggala, zva. manggala. - subamanggala, zie boven.
manggêp
zie anggêp.
mênggêp
KW. zva. asri, (C. 2061, bl. 47a), sêmbada, pantês, T. 55b, jangkêp, zóo? DW. 141, nglimputi, Wk. KN. niet meer praten, den mond houden R.
mangugya
KW. zva. ngumbar, Wk.
manggyala
KW. zva. gara-gara, Wk.
manggung
zie bij anggung, panggung, en panggêng.

--- 2 : 532 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma): Citra 1 dari 1
mênggung
zie bij tumênggung.
munggang
zie monggang.
mungging
WP. 261, munggèng, zie mungguh, 2.
menggung
KW. zva. gênjot, en kantrog, Wk.
monggang
of munggang, KN. benaming van een wijze van op de gamělan te spelen, zooals wanneer de Vorst in staatsie buiten komt en bij het tournooispel BTDj. 72, Wk.; ben. van een gamělanstel, bestaande uit drie gong's en twee stellen bonang's, ieder op éen rij, en een groote têtêg, of bêdhug, (wellicht carabalèn) Rh., ZG. XVI, 108. PL. II, 30: găngsa monggang mungêl. Zóo ook Bab. Jo. II, 296: mungêl găngsa munggang, en AS. 271; volg. Rh. behoort bij het tournooispel de sêkatèn.
mangêb
mangêbi, zie hêb, angêb.
mangibuhi
zie imbuh.
mangêbun
zie bun.
mangabêt
zie abêt-abêt.
mangabiwada
mangabiwadha, zie abiwaddha.
mangêbêl
KW. zva. andalèwèr, Wk.
mêngbya
KW. zva. nyambi, nêmbe, ngêbyuki, Wk.
mangang
KN. niet toereiken om iets te omspannen of te omvademen (volg. Wk. gapen, niet aan elkander sluiten bij omspanning of omvatting Wk., vgl. mangap, en T. 18a, 41b) van de hand of de beide handen of armen GR., niet geheel kunnen omvatten of bevatten? van een ruimte Tj. III, 219; fig. niet ten volle, niet geheel durven B. 797, Rh.
mangêng
KW. zva. mênggah, Wk.
manging
KW. zva. susah, Wk.
mêngêng
1. KW. zva. ambrêngêngêng, Wk. en kombang. lalêr °, zie lalêr. - 2. KN. duister, geheimzinnig, moeielijk te ontcijferen Wk. KW. zva. samar.
minging
KN. een aangename geur verspreiden, zooals bloemen (vrg. ngambar) G., Waj. II, 227.
mungang
zie bij ongang.
mungêng
KW. zva. mungsêng, Wk., T. 39b.
mèngèng
KN. zijdelings kijken, om zich heen zien Rh.; verder poozen, van iets dat men doet eenige oogenblikken afgaan om iets anders te doen (vrg. lèrèn). ora nganggo mèngèng sêdhela, zonder zich een oogenblik tijd tot iets anders te gunnen Wk.
mongang
mongangi, zie bij ongang.
mangèngèh
= mrêngèngèh, v. prêngèngèh, Men. VIII, 136.
mangungkung
KW. 1. zva. ngungkung, (van kungkung). - 2. droefheid; boetedoening G. (van kung, 4 misschien wel voor mangunkung).
mêngèngès
zva. mrèngès, v. prèngès, Tj. IV. 17.
mangungsir
zie usir.
mangangswa
KW. zva. ngangsu, wisuh, Wk.
mangangsyasoca
KW. zva. arêraup, Wk.
mangingwani
KW. zva. ngingoni, Wk.
mêng-amêngan
KI. zva. amêng-amêngan, (zie bij dolan); ook zva. kêlangênan.
mangangge
en manganggèni, K. zie bij anggo.
manganggul
KW. zva. ngukuhi, nangkis, Wk.
manginggil
K. zie bij dhuwur.

 


mulwa. (kembali)
mulwa.
tunjung. (kembali)
tunjung.
mawongan. (kembali)
mawongan.
sêmbada. (kembali)
sêmbada.
mêmpêng. (kembali)
mêmpêng.
mingak-minguk. (kembali)
mingak-minguk.
gêgilang. (kembali)
gêgilang.