Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga)

Judul
1. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918. Kategori: Arsip dan Sejarah > Galeri
2. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 01: Deel I Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
3. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 02: Ha-HaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
4. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 03: HaRa-HaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
5. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 04: HaSa-HaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
6. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 05: HaDha-HaMa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
7. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 06: HaGa-HaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
8. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 07: Na). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
9. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 08: Ca). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
10. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 09: Ra). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
11. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 10: Ka-KaRa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
12. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 11: KaKa-KaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
13. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
14. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 13: Da). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
15. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 14: Ta-TaLa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
16. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 15: TaPa-TaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
17. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 16: Sa-SaKa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
18. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 17: SaDa-KaPa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
19. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 18: SaDha-SaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
20. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 19: Deel II Voorrede). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
21. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 20: Wa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
22. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 21: La-LaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
23. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 22: LaLa-LaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
24. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 23: Pa-PaCa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
25. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 24: PaRa-PaSa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
26. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 25: PaWa-PaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
27. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 26: Dha). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
28. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 27: Ja). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
29. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 28: Ya-Nya). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
30. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 29: Ma). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
31. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 30: Ga-GaWa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
32. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 31: GaLa-GaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
33. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 32: Ba-BaTa). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
34. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 33: BaSa-BaNga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
35. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 34: Tha-Nga). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
36. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 35: Bijvoegsels en Verbeteringen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
37. Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 36: Aanteekeningen). Kategori: Bahasa dan Budaya > Kamus dan Leksikon
Citra

Pencarian Teks:

Lingkup pencarian: teks dan catatan-kakinya. Teks pencarian: 2-24 karakter. Filter pencarian: huruf besar/kecil serta diakritik diabaikan; mengakomodasi variasi ejaan, termasuk [dj : j, tj : c, j : y, oe : u].

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kap
Holl. kap van een rijtuig (vrg. thonthor).
kop
kop-kopan, zie bij kokop.
kapa
of kêkapa, KW. zva. ulês, sasab, lurub, larab, kambil, tunggangan, tiba, supaya, Wk. KN. een Javaansche zadelbok (cêkathakan) zonder boog van voren, met of zonder [zon...]

--- 1 : 509 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...der] overtrek, vgl. kêpuh, Wk. - ngapani, daarmeê opzadelen Wk. KW. of ngêngapani, zva. nglurubi, nglarabi, Bab. Jo. I, 295 en ngambili (ontbr. Wk.). - kapa-kapa, KW. zadel G. Adipati Raja Kapa-kapa, naam en titel, door Daniswårå aan Běgjå gegeven bij zijn aanstelling tot ěmban. layang kapa-kapa, naam van een boek dat gezegd wordt door dien Adipati geschreven te zijn.
kapi
1. KW. zva. kêthèk, (Skr. kapi). kapindra, apenvorst (Skr. Kapîndra, een naam van Hanuman). kapiwara, zva. kêthèk prajurit. Verder kapi, zva. kapati, sêmu, sêngadi, Wk. - 2. kapi (ontbr. in dezen zin bij Wk.) of kampi, zva. gonjing, en obah, vgl. Skr. kampita, in een trillende beweging gebracht (vrg. kampit). - 3. KW. en KN. een voorvoegsel om een hoogen trap of graad uit te drukken: sterk, erg, heel, wat te veel; bv. kapikudu, sterke drang tot iets. kapitêmên, heel nauwgezet; met een ernstig verlangen bezield BG. 477; volg. Wk. overdreven oprecht. kapinêng, voor kapiênêng, erg stilzwijgend. kapidhuwur, N. kapinginggil, K. wat te hoog. kapilare, KN. kinderachtig (wat te veel kind) JZ. II; volg. Wk. kapi, in deze samenst. zva. sêmu, mèmpêr, gelijk een kind (kumlare, een kind willen schijnen, zich onnoozel houden. kalarèn, of kalarènên, te veel kind). kapiasêm, om een anders wil lijden Rh. kapirangu, zie bij rangu. kapiandhêm, zie bij andhêm. Volg. Wk. met aanhechtsel ên = kami, bv. kapitênggêngên, voor kamitênggêngên. Voor kapiandêl, ook wel kapiandêlên. - 3. KN. de bloem van de kapas.
kapu
KW. zva. pugag, Wk. KN. de wolachtige veêren van een pas uitgebroeden vogel? vgl. cendhol, 2. trusug, suri. Kapu-kapu, stokoud; of kumapu-kapu, en kumrapu? wolachtig van veederen, zoo wit als kapuk? boomwol Wk.
kêpu
KN. rond, niet met hoeken of punten; rond van den kop van een kat of tijger, ook wel van een rond en bol aangezicht van een mensch; stomp met afronding van een hoek.
kêpe
ke[p = sakarêpe, de N., en Walbeehm, dial. van Japårå.
kipa
en kipa-kipa, WP. 18. KN. door beweging van het lichaam, of met sterke gebaren, een afkeuring, weigering of ontkenning uitdrukken LB. 139; BS. 31.
kipu
of kêkipu, KN. zich op den grond koesteren, op den grond liggen te woelen en met de vlerken te klappen, zoodat er een holte in gemaakt wordt van een vogel of kip, vgl. kodhor, fig. ergens veel zijn, op zijn gemak blijven, zich niet laten verontrusten, zva. dhidhis. - pakipon, door vogels in den grond gemaakte uitholling CP.; of pakiponan, ook kiponan, de plaats, waar een vogel zich op den grond zit te koesteren, of waar iemand gaarne plakt Wk.; Waj. II, 37.
kipe
zie ipe.
kupa
KN. nm. v. e. snoeperij Wk.
kupi
KN. een vierkante flesch, kelderflesch (Skr. kûpî, flesch) B. v. B. 88.
kupu
KN. vlinder, kapel. ° mibêr ngidêri kudhupe, BG. 344. arukêt kaya kupu tarung, van worstelenden DW. proza 185, L. 214. Ben. bij het kadhělé gewas: ontloken zaadlobben SG. inêb kupu tarung, dubbele luiken of deuren. lawang kupu tarung, vleugeldeur, porte-brisée. èngsèl kupu, zie bij èngsèl. kupu brambang, een groote dagvlinder MR. I, 70; vgl. ênthung. kupu jaran, een groot soort van nachtvlinder, een atlas Wk. kupu gajah, nm. v. e. uiltje of nachtvlinder, zie verder Wk.
kèpi
zie bij impi.
kopa
KW. zva. tăngga, G.
kopi
1. zva. kupi. - 2. Holl. KN. koffie (vrg. kahwa). wit kopi, koffieboom. wedang kopi, aftreksel van gekookte koffiebladen (vrg. bubuk). - ngopi, een land met koffie beplanten, voor de koffieteelt gebruiken; volg. Rh. koffiedrinken. - pakopèn, ook kopèn, (of kêbon kopi, naar het Mal.?) koffieplantage, koffietuin.
kapêh
KW. zva. papan, Wk.
kêpah
KN. ngêpah, kauwende uitzuigen, bv. suikerriet K. 3, 6. Vrg. sêpah, en kêmah. wowohan ... kinêpah, BG. 256. - ngêpahake, iets, dat uitgekauwd is, uitspuwen, zva. nglêpèh. - kêpahan, uitgespuwd kauwsel Wk.
kêpuh
(of kêpoh, Wk.) KN. 1. zadelknop, de knop of punt vóór aan (de vóorboog van Wk.) een

--- 1 : 510 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
Javaansch zadel Tent. 52 (en het kopje daarvan aan het overtreksel Wk.), vgl. antup, 2. - 2. de met een plooi vóór het lijf neêrhangende slip van een dòdòt Dj. M. 1866, 37, 4. - 3. zie kêpoh. gantung kêpuh, geheel verkreukeld om het lijf hangen van iemands kleeren, door ze lang aan het lijf gehad te hebben S.; JZ. II; Prěg. R.; volg. Wk. geen verschooning of verwisseling hebben, slechts dat bezitten wat men draagt.
kêpèh
= klêpèh.
kêpoh
of kêpuh, (zie ald.) en verk. poh, KN. naam van een grooten in het wild groeienden boom, Sterculia foetida L., nat. fam. der Sterculiaceae Fil. met bijna vierkante bladen. lênga kêpoh, olie van de vrucht, waarmee de kleine kinders van de boschbewoners gewreven worden bij gebrek aan kokosolie. ngron-ngron poh, zie ron. kaya didadah lênga kêpoh, spr. voor ruw en onbeschaafd van manieren als een boschbewoner JZ. II.
kopah
KN. kopah-kopah, van iets nat zijn, gew. nat van bloed, bv. van een vrouw na de kraam of bij de menstruatie.
kopoh
KN. natte veil, doek, lap of lapje Tj. I, 517, om de neervallende vonken bij een brand te blusschen, of om te verkoelen (bv. een vechthaan) en te betten of af te betten, zóo schoon te vegen enz. C. 2196, bl. 122; zie kocor. - ngopohi, met een kopoh, blusschen; den kop van een haan als boven wasschen Wk. - kopohan, het kleed dat eene vrouw bij hare bevalling aan heeft; ook zva. kopoh, Wk.
kapuhan
KW. zva. kêkês, W., T. 14a, C. 2061, bl. 45b.
kapiandhêm
zie bij andhêm.
kapan
zie bij apa.
kapèn
zie bij ape.
kepon
KW. 1. zva. karepotan, (vermoeid, afgemat G.) BG. 512. In Tj. II, 643 tyas suh kepon, zie èpu. - 2. kepon, ngepon, ergens waar men zich gaarne ophoudt als vastgenageld of vastgeplakt zijn, lang op een plaats blijven plakken Wk. Bl. CP. 272: ngepon botên karsa mêdal, (vrg. kepor, ngepor). - 3. mas kepon, KW. zva. mas ênom. Zie ook èpu.
kopèn
zie bij opèn, en kopi, - pakopèn, zie bij kopi.
kapana
KW. zva. kapan, (WS. 116) kaelokan, Wk.
kopana
KW. zva. bathang, Wk.
kêpène
zie bij karêp, onder arêp, II.
kiponan
zie kipu.
kapenak
N. zie bij enak. - kapenakan, K. zie bij anak. en bij enak.
kaponakan
N. zie bij anak.
kapinêng
zie bij kapi, 3.
kapanco
KN. zva. kaciwa, Wk.
kapencut
zie pencut.
kapindra
zie kapi.
kapinta
voor kapita, en dit voor kampita? Bl. CP. 265; Bab. Jo. I, 1495: kapintèng driya.
kapintên
K. zie bij pir.
kapundhung
KN. naam van een boom, Pierardia racemosa Bl., nat. fam. der Euphorbiaceae, die best timmer hout levert en zuurzoete vruchten heeft. Vlg. Ks. daarentegen een Baccaurea Lour. van dezelfde familie; hout goed voor pakkisten.
kapênujon
zie bij tuju.
kêpinjal
ook pinjal, KN. vloo van een hond of kat (vrg. gurêm, caplak, tuma, kamêrki); ook spatjes, die van op den grond neêrvallend water in 't rond spatten. - ngêpinjal, als een vloo doen; wippend op en neêr bewegen van wagens in den strijd CS.; bij sprongen, bij tusschenpoozen. ° dina, een dag overspringende? Isk. 212; ophouden v. iem. die gaat; tusschen den maat invallen (Tj. I, 554,13) Rh.; onder het loopen sprongen maken; met staccato's spelen, het tegenovergestelde van banyu mili, Wk.; aanhoudend, gedurig; uitgieten, uitstorten; golven die elkander opvolgen G.
kapri
kara kapri, een soort kara, zooals onze erwten.
kapêr
KN. witte uiltjes met een jeukerige stof bedekt. walang kapêr, een soort van kleine groene, grauwe insecten Wk.; ook klapêr? Wk.
kafir
(Arab [Arab]) KN. een ongeloovige (van ieder die geen Mohammedaan is); ongeloovig zijn, ongeloof RP. 70 (vgl. musrik). kapir rowang, een ongeloovige die met de geloovigen in vriendschap leeft Wk. - kapiran, zie pir.

--- 1 : 511 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kapur
1. KN. uier, vooral van koeien en buffels; het inwendige, sponsachtige gedeelte van uiers of vrouwenborsten, de melkvaten Wk., vgl. susu, zwezerik; dit sate kapur? Wk. kapur supitan, vetachtige deelen tusschen de klauwen Wk. - 2. Ml. kalk. kapur Wêlănda, krijt. kapur barus, kamfer.
kêpêr
zva. kèpèl, 2? Wk.
kipêr
1. (Tj. I, 620) dial. v. kèpêr, Holl. keper. - 2. nm. v. e. visch Wk. - 3. ngipêr, met de rug van de vlakke hand een slag geven Rh.
kupêr
KN. kupêran, de gaten in de oorlellen open, zonder suwêng, of uwêr, laten Wk., vgl. J.
kufur
zva. kafir, (Ar. [Arab], het ongeloovig zijn, ongeloovigheid) v. d. B.
kèpêr
zie kipêr. KW. zva. kapencut, aling-aling, simpên. - ngèpêr, zva. nyimpên, Wk. KN. een obj. met de rug van de opene hand slaan, zva. ngèpèt. - kèpêran, elkander zóo slaan; om zulk een slag in een kinderspel, waar de verliezer van den winner zulk een slag krijgt Wk.
kepor
KN. herh. moeite hebben om met iem. te wedijveren, met moeite te worstelen hebben, met iets te doen of in een zaak; zwaar te kampen hebben, scharrelen; met moeite voort kunnen (van oude menschen R.), vrg. cepor, ketol, kadhungsang. - ngepor, plakken, lang op een plaats blijven; zva. kepon, enz.
kofar
zva. kafir, (Ar. [Arab], coll. mrv. van [Arab]).
kofêr
of kopor, Holl. koffer. - kopêran, in den vorm v. e. koffer, bv. v. e. lopak, Wk.
kapura
zie bij ima.
kaprah
KN. zva. lumrah, N. limrah, K. algemeen, gewoon, in algemeen gebruik BG. 124. kaprahe, de mode; gewoonlijk ora kaprah, (tan kaprah jalmi, BG. 172) niet algemeen, zonderling, ongemeen BTDj. 494, buitengewoon, vgl. jamak, adat.
kêproh
(en kêmproh, R.) KN. onzindelijk op zijn lijf en kleêren van iemand, die zijn kleêren bemorst, vuile kleêren aan heeft en zich niet behoorlijk verschoont; morsen (vrg. koproh, en kêthuh). Ook zva. klêpèh.
kiprah
ook gidrah, en gibrah, KN. uit blijdschap, joligheid, met handen en voeten allerlei bewegingen maken, vooral door gehuppel, vlg. Rh. bep. bij het plotseling vernemen van een of andere tijding, van schrik, van verwondering enz.; v. e. paard steigeren. - kaliprah, enz. freq.
koproh
KN. slordig, niet net en proper, vooral van kleeding en woningen, het tegenovergestelde van risig, (vrg. gêproh, en glubud); ook zva. kêproh, niet vies zijn van vuiligheid, vgl. koplok, 2. Wk.
kaparah
KN. nm. v. zeker inlandsch lijnwaad Wk.
kêprèhpun
MD., zie bij kadi.
kêparan
zie bij paran, 3.
kapurancang
KN. Spaansche ruiters Waj. I, 170. - ngapurancang, aan Spaansche ruiters gelijk van groote tanden (BG. 560: waja lir kapurancang) en zware knevels, vgl. copros. Ook met samengevouwen handen en over elkaar gekruiste vingers voorover gebogen staan, op de hurken zitten enz. uit eerbied KB. 126, Waj. I, 158, 333. - ngapurancangi, iets van Spaansche ruiters voorzien.
kapurănta
KN. bleekrood, volg. and. oranje, vgl. dadu. Ook naam van een bloem (KW. Wk.). jênang °, voor "gloeiende lava" ben v. d. hel der Buddhisten, vgl. kawah, êndhut, enz. Wk.
kapirare
zie bocah.
kapiran
zie bij pir.
kêprak
KN. klanknab. v. h. geluid zooals door de klep- of klaphoutjes, die aan de buitenzijde van de wayangkist hangen, en waarop de dhalang met den voet of met de cêmpala, slaat, om de maat aan te geven aan de gamělanspelers, of ook wel om het gedruisch van een gevecht voor te stellen; ook een plankje of een kistje waarop men met een stuk hout bij den dans de maat slaat Wk.; ook klaphoutjes in een boom, daar men met een touw aan trekt, om vogels te verjagen (vrg. kêpyak, en koprak). - ngêprak, die klaphoutjes slaan ML. 35, zie ook J. dikêprak, verwensching Waj. II, 158.
kêpruk
KN. het geluid van aan stukken vallend of geslagen aardewerk of een aan stukken geslagen kokosnoot; ook iets dat gebezigd wordt om iets te bersten te slaan (vrg. kêprok). - kumêpruk [kumêpru...]

--- 1 : 512 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...k], zulk een geluid geven BS. 44. - pating kalêpruk, kêprukan, freq. Men. VIII, 67, 79. - ngêpruk, te bersten slaan of gooien als boven. sidikêpruk, verwensching A. 35, Waj. II, 158. - ngêpruki, mrv. Waj. I, 34. - ngêprukake, met iets, zooals een steen, iets te bersten slaan of gooien ML. 245.
kêprèk
KN. klanknab. ongeveer zva. kêprak, maar van dunner houtjes of derg.; ook gering, gemeen, slecht. - ngêprèk, machteloos, zonder uitwerking, ongeveer zva. cabar.
kêprok
KN. zva. kêplok, klets, geklets, een klanknabootsend woord voor een kletsend door kloppen veroorzaakt geluid, zooals van op een waschbank geklopt waschgoed; (van het weigeren van een vuursteen te M. in TBG. XXV, 264, 310); ook het geluid van een harde veest WR.; ook WJ. met de handen kletsen, in de handen klappen (vrg. ook kêpruk). kêprok bokong, zich op de billen kletsen WP. jêruk kêprok, naam van een soort van jěruk. - ngêprok, zva. ngêplok. - ngêproki, WJ. zva. ngêploki, A. 50, WP.
koprak
gew. goprak, ook gopyak, KN. klanknab. v. klaphoutjes in een boom gehangen, waaraan nu en dan getrokken wordt om vogels te verjagen (vrg. kêprak, en koplok, 1.). - ngopraki, enz. vogels als boven verjagen Wk. - ngoprak-oprak, zie bij oprak.
kaprêt
KN. 1. koprat-kaprêt, vlug en levendig, met rijzing en daling van toon en onder veel beweging van het spreken v. e. vrouw Wk. - 2. ngaprêt, kort en dun v. e. snor Rh., kort, niet de vereischte lengte hebben v. iets dat slap hangt als hoofdhaar, een kleed e. derg., plat v. vrouwenborsten; slap en kort hangen Wk., vgl. kamprèt, 2. kopèk.
kaprèt
KN. koprat-kaprèt, bewegelijk, rusteloos v. e. vrouw, die veel tingkah's heeft; vrg. lewa, Rh.
kiprat
= ciprat.
koprot
KN. uitspatten, gudsen vooral v. bloed (B. 156) Rh.
kaparat
KN. een scheldwoord: deugniet! of godlooze vent! (Ar. [Arab], coll. mrv. v. [Arab], zie kafir).
kiparat
(Ar. [Arab]) verzoening v. d. B. Ook zich bekeeren; een soort aflaat best. in 3 mud, rijst en eenige duiten enz. Wk.
kapurit
KN. nm. v. e. zeevisch Wk. - kapuritên, KW. zva. kamigrêgêtên, Wk.
kaprês
KN. klanknab. v. h. geluid v. h. uiteenspatten v. e. voorwerp dat geschoten of geworpen wordt op iets hards. - kumaprês, zoo uiteenspatten Tj. I, 991.
kaprès
of gabrès, KN. bevuild, bemorst van de knevels of baard of den mond, tengevolge van eten of drinken. - ngaprès, hetz. BG. 140.
kêpras
of gêbras, KN. klanknab. v. h. geluid dat door snijden voortgebracht wordt, bv. zooals bij ons de zeis op het gras, zva. pancas, scheren, gelijk afsnijden, bv. een levende haag; met een pacul gelijk schoffelen v. stronken, struik- of rietgewas Wk. - ngêpras, afsnijden, gelijk scheren v. struiken enz. als boven; fig. iem. afsnauwen Wk. (° lambemu, Waj. I, 66).
kêpros
KN. klanknab. v. h. dof geluid veroorzaakt door een houw, bv. op een pisangstam. - kumêpros, zulk een geluid geven Tj. III, 308.
kupras
= gubras, Wk.
kèprès
zva. kaprès, doch in minder mate Men. VII, 539.
kopros
KN. met ruige, dikke, zware, de bovenlip geheel bedekkende knevels, vgl. rongkob, loyop, japrat, lèmèt. (van baard en knevels ongekamd, ongeknipt, niet opgemaakt R.); van 't aangezicht ruig, vol met haren begroeid van de neus van binnen met lange haren begroeid J., vgl. copros.
kapirwan
KW. zva. kapindhon, C. 2061, bl. 27b.
kopral
Holl. korporaal. - ngoprali, als korporaal dienst doen bij Wk.
kapriye
of kêpriye, N. zie bij kadi.
kaprabon
zie prabu.
kapering
zie bij iring.
kêparang
= kêparan, bij paran, 3.
kêparèng
voor kêpara ing, zie para, IV.
kapirangu
zie bij rangu.
kêprungon
zie bij rungu.
kapêk
KW. verstikt; (KN. aan één oor doof zijn G.).

--- 1 : 513 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kapuk
KN. de wol van de vrucht van den Raṇdhuboom R., volg. Wk. heet te Sålå de ongezuiverde (voor spinkatoen) gew. kapas, en de van pitjes gezuiverde (bv. voor lamppitjes) kapuk, de wol van de randhu: kapuk randhu, de wol v. d. wilde randhu: kapuk randhu alas, de wol v. d. widuri: kapuk widuri. jambu kapuk, een soort dj. flauw v. smaak en van binnen wolachtig Wk. iwak kapuk, naam van een riviervisch Gr. L. - ngapuk. als boomwol zoo wit. BG. 327: putih mêmplak °.
kapok
KN. afschrikt van iets, door het onaangename of het kwade gevolg, dat men er van ondervonden heeft; er een afschrik van hebben of krijgen, of afgeschrikt worden, om iets weêr te doen Gr. L.; het afgeleerd hebben, zoodat men er berouw van heeft en het niet weer wil doen PL. I, 174, JZ. II. Bab. Jo. I, 946: tobat ° kawus. kapok lombok, kapok, als van lombok, d. i. zoolang als het brandende gevoel in den mond duurt, dus maar tijdelijk Wk. kapok ranti, wangs. voor mari-mari yèn wis mati, een geveinsd, niet oprecht berouw toonen Rh. - ngapoki, afschrik hebben van, en daarom iets laten Wk. - ngapokake, maken, dat iemand een afschrik van iets krijgt, iemand iets afleeren, door hem de kwade gevolgen er van te doen ondervinden of door hem te kastijden S. - kapokan, ligt (spoedig) afgeschrikt zijn Wk.
kêpak
kumêpak, zie bij kupak.
kêpik
KN. naam van een plat, ruitvormig, vliegend insect, dat een onaangenamen stank van zich geeft; zie ook pik.
kêpèk
een langwerpig valies van dik leêr, of een langwerpige sluitmand van bamboe en bekleed met tapas arèn, gew. voor kleeren met een deksel R., PL. I, 162; zie ook ZG. XXVII, 274. guru kêpèk, een guru, die altijd in zijn kêpèk, zit, waar bij zijn boeken bewaart, een kamergeleerde? Wk.
kêpok
KN. naam van een soort van pisang. ° taun, ° urang, ° ambon, ° awu, ° sukun, ° cèlèng, en ° ijo, namen van verschillende soorten.
kipik
KW. wolk G., een kleine wolk? vgl. sisik, Wk.
kupak
KW. zva. gêlas, sorot. - kumupak, kumêpak, zva. jumêgur, BS. 336 van het geschut. (Het wordt ook verklaard door wêrata, G.).
kèpèk
ook kèpès, KN. plat, nog niet gevuld zijn van jonge kårå-boonen, ook v. pisang, vgl. kopos. kèpèk, ook de naam v. e. platte, kleine soort waděr Wk.; en ben v. e. toestand v. h. kadhělégewas: de zaadhulsels zijn zichtbaar SG.
kopèk
als een zak neêrhangen (vgl. gambèr) van de groote platte borsten van een vrouw (vlg. Rh. een neerhangende borst). Ook nm. van een manggasoort JZ. I, 277. karang °, désaland, waar geen sawah's zijn ER. III, 200? terong °, nm. v. e. soort terong, Waj. II, 34. kopèk iyan, (Rěmb.) nm. van een Jav. spook, dat kinderen wegvoert en die onder haar groote borsten verbergt te M. in TBG. XXV, 289. - ngopèk, op een kopèk, gelijken; aan de borst hangen van een kind, ook er mee spelen.
kopok
KN. stinkende uit het oor vloeiende stof door ziekte. kopok liman, naam van een sterk riekend parfum, volg. somm. = kasturi, KB. 105. - ngopoki, die kwaal veroorzakend. - kopokên, die kwaal hebben.
kêpikne
N. zva. kêpene, of cikne.
kapêkan
zie bij pêk.
kop-kop
kop-kopan, zie bij kokop.
kapti
zie bij apti.
kapat
zie bij pat.
kapit
zie apit.
kaput
= thithil, de N.
kêpêt
KN. een waaier (van siwalan-bladeren ZG. XVIII, 148) om zich te verkoelen, zooals een Chineesche of Europeesche waaier van papier of veêren, anders kipas, genoemd (vrg. ilir, tipas, en kêbut) dhuwit kêpêt, duiten, waarop het wapen gestempeld is in een schild, dat de vorm heeft van zulk een waaier. kêpêt mega, eign. van een vrouwelijke Butå. - ngêpêti, met een kěpět waaien, verkoelen JZ. II. - kêpêtan, zich daarmeê waaien; ook ben v. e. bathikan Wk.
kipat
ook kakipat, KN. een snelle (schrikachtige [schrik...]

--- 1 : 514 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...achtige] Wk.) beweging met een hand of voet maken, om iets, dat er aan zit, er af te slaan, met kracht van zich afslingeren, vgl. kirab, fig. zich van een zaak afmaken; iets van zich afgooien, het ontkennen. - ngipat, iets wegstooten BTDj. 57; BG. 306: kinipat ... kasingsal tiba lumah. - ngipatake, van zich afslingeren; uit de weg stooten DN. I, 261, vgl. babit, kirab, eene vrouw verstooten, zonder zich er van te laten scheiden, vgl. kèwèr.
kiput
makiput, KW. zva. ngêncêngi, Wk.
kupat
KN. rijst gekookt in een klein vierkant zakje van kokos-, bamboe-, suikerriet- of pandhan-bladen. (Ook de zakjes zelf heeten kupat, ZG. XXXI, 25. Zie verder nog ib. X, 72, MR. I, 68, en Wk.). Bij het rampokken van tijgers wordt te Suråkěrtå het hoofd van dat gedeelte van den kring, daar een tijger doorgebroken is, tot schande met een zeker aantal kupats rijst beboet S. sablah °, nm. v. e. bathiksel CP. - ngupat, kupat maken; rijst tot kupat maken. - kumupat, zva. kumêtan, v. d. jagung, een hoogere graad van rijpheid dan mata ula, vgl. matal, gumarit, Wk. - kupatan, kupatvormig v. diamanten; volg. and. vorm v. e. ring met een platronden steen Wk.
kèpèt
KN. de staart- (vóor-, onder- of Wk.) buikvinnen van een visch (vrg. sirik, siwar, en patil). kèpèt-kèpèt, de ooren bewegen, schudden met de ooren, zooals de honden doen, ook het hoofd schudden? van daar ongenegen, afkeerig Wk.; ook zva. kopat-kapit, kwispelend zich heen en weêr bewegen van de staart van een beest en een waaier, daar men meê waait. - ngèpèt = ngèpêr. - kopat-kapitan, het zeer druk hebben onder heen en weer gaan, ook van iem. die niet weet wat het eerste te doen Wk. (vrg. mobat-mabit, en kobat-kobèt).
kopèt
KN. na een ontlasting of waterloozing zich den aars of het schaamdeel niet of nog niet gewasschen hebben (vrg. cewok, pèpèr). - ngopètake, van iem. zeggen, dat hij in dat geval verkeert. - kopetan, met ongereinigde aars of schaamdeel zijn Wk.
kapita
KW. zva. kampita, AD. bl. 53, JZ. II, 268; een ander zie bij pita.
kêpati
zie bij ati, II.
kupita
KW. zva. anggit, of gupita, JZ. II.
kaptin
Holl. kaptein (vrg. kapitan).
kapitan
kpitn\ Port. capitano, kapitein (vrg. kaptin). kapitan mur, of kapitan êmur, Capitano môr (major), titel van den vlootvoogd bij de Portugeezen; oude benaming van den Opperlandvoogd van Ned. Indië S.
kopat-kapit
zie bij kèpèt.
kapitut
zie tut.
kapitan
kpitTn\ zie bij apit, en zva. kpitn\ kapitan.
kêpatos
zie bij ati, II.
kaptya
zie apti.
kapatihan
zie bij patih, en ati, II.
kapitênggêngên
zie tênggêng.
kapotangan
zie bij utang.
kapas
(Prâkṛt-uitspr. van Skr. karpâsa, katoen PK.) KN. jujutan, K. katoen van den katoenheester, spinkatoen (vrg. kapuk, en widuri). kapas Wêlănda, Gossypium religiosum L. (komt voor in Kědhu, en wordt meest als lampkatoen gebruikt MR. I, 57). kapas Jawa, G. indicum L., beide nat. fam. der Malvaceae Fil. kapas gaga, kapas taun, en kapas nori, soorten van katoenheesters. - kapasan (Banyuw.) Mallotus, nat. fam. der Euphorbiaceae Ks.; (of pa °) een katoen-plantage; ook nm. v. e. zeer kleinen vogel met een wit kopje, in vorm gelijk, maar veel kleiner dan een glathik, vgl. bondhol, Wk.
kapês
KN. kapês-kapês, sponsachtig B. 581, vrg. klapês, en gabês, Wk.
kêpis
KN. een vischmandje, halfrond, aan de ééne kant plat, en met een klapdeksel, door de visschers met een band om het lijf of om den hals gedragen, om er de gevangene visch in te doen, vgl. kêmbu. pundhak °, zva. pundhak brojol, Asm S. I, 214.
kêpus
= kêmpus, zie êmpus.
kêpos
of kopos, voos van vruchten; vooral v. boonen Wk., vgl. kropos, en tropos.
kipas
ML. KN. een Chineesche of Europeesche

--- 1 : 515 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
waaier, om zich te verkoelen, anders kêpêt, volg. Wk. een waaier van gevlochten bamboe in vorm = kêpêt, vgl. ilir, en tipas. Ook om 't vuur aan te wakkeren ZG. XXXVI, 114.
kèpès
KN. plat, niet gevuld, bv. v. e. zak Rh., zie kèpèk.
kopès
zie opès.
kopos
zie kêpos.
kipsao
Chin.? een grof aarden potje, een soort koffiepotje Wk.
kapêsan
zie bij apês.
kapesing
zie ising.
kapwa
zie kapya.
kepwan
zie kepyan.
kapwaya
zie kapya.
koplo
KN. met lange hangende ooren van een hond Rh., Waj. I, 97. koplo-koplo, dik en pappig van het aangezicht Wk. Volg. Rh. onnoozel, dom.
kapal
1. KN. knoest, uitwas aan een boom, eelt, vereelt G., een vereelte plek boven aan de binnenzijde v. h. voorbeen v. e. paard, vgl. katèl. 3.; likdoorn, ook mata iwak. - ngapal, vereelten, vereelt Wk. (vrg. patah, punuk, en iwak). - 2. nm. v. soorten van woekerplanten. - 3. Ml. vaartuig, schip (Europeesch getuigd). prau kapal, N. baita kapal, K. een zeeschip S. - 4. K. van jaran, en zie apal, en kèpèl.
kapil
zie apal.
kêpêl
KN. iets, dat tot een bal in de vuist samengedrukt is Wk. sa °, zooveel als in de gebalde hand of vuist gevat kan worden (vrg. gêgêm, en têkêm). sêga sakêpêl, ean grootere of kleinere bal in de hand of vuist samengedrukte rijst. nyakêpêl, elk één kěpěl BTDj. 235. Vgl. puluk. Vlg. SG. is kêpêl, een afstandsmaat bij 't planten van padi (de vuist met de duim ingetrokken). Ook naam van een boom en de zuurzoete vrucht daarvan: Cynometra ramiflora L., nat. fam. der Papilionaceae. Vlg. Ks. is kêpêl, in midden Java de Stelechocarpus Bl., nat. fam. der Anonaceae, en hoort de naam kêpêl, voor Cynometra thuis bij Cilacap en in Z. Běsuki. kêpêl gêdhang, stukjes pisang met meelbeslag in kluiten met olie gebraden, een soort van limpang-limpung. - ngêpêl, iets in de vuist kneden, samendrukken BTDj. 98; in de geslotene hand of vuist houden; BG. 285: tansah kinêpêl-kêpêl astanya, fig. in zijn macht, onder zijn beheer, hebben; beheeren, ook zva. mêjanani, Waj. I, 30. - kêpêlan, wat tot een bal met de hand samengedrukt wordt PL. I, 221; een bal samendrukking? Wk. - pakêpêl, geschenk, dat eenige dagen vóór de voltrekking van een huwelijk door de ouders aan hun hoofden gezonden wordt, bestaande in ongekookte rijst, kokosnoten, kippen enz. Gegoeden, of die den rang van mantri hebben (sommigen Wk.), geven daarbij buffels ER. II, Bijl. 70. Vgl. tonjokan.
kèpèl
1. (in kapal-kèpèl, zie bij jaran). Vlg. de N. wordt kèpèl, als K. van jaran, in geheel midden-Java gebruikt. - 2. KN. volg. and. kapal, de twee eerste dikke blaadjes, zaadlobben van een uitgeschoten plantje, vgl. kêpêr. - ngèpèli, (volg. and. ngapali) de onderste bladen v. e. tabaksplant wegplukken, zva. ngosèri, Wk.
kapala
KW. zva. sirah, JZ. II; of kêpala, KN. Mal. hoofdman, opperhoofd, overste (Skr. kapâla, de schedel); vrg. lurah, en têtindhih. kapala dhistrik, ambtstitel in Yogyå. ° janggol, ° cuthak, ° paseban, ° trup, vroegere ambtstitels R. en T. Zie nog ER. I, 95; III, 98, 191, 206, 209, 237, 240 enz. kapala ngarsa, wangs. voor woh krai, [rai] JZ. II, 272. kapala °, of rai sarung, zie bij rai. kapala, ook zva. tumpang, de beste in zijn soort, vgl. pêncir, tunggul. de kop v. e. weddenschap Wk., zie buntut, vgl. tomprang. - ngêpala, zich aan het hoofd (onder een hoofd WP., Wk.) stellen, de baas spelen, als hoofd of mandoer bij iets zijn (vrg. ngêkul). - ngêpalani, als opperhoofd het opzicht hebben over, als overste het bewind voeren over Bl. CP. 247. - ngapalakake, iem. onder een hoofd, of iem. aan het hoofd plaatsen; als hoofd erkennen als boven Wk.
kapila
KW. zva. putih, Wk. (Skr. kapila, taankleurig, rossig). KN. met een kol aan de kop en soms tevens met witte pooten van een buffel Rh.
kèplèh
of koploh, KN. hangend van de ooren van een beest J.

--- 1 : 516 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kapiluh
zie luh, Bab. Jo. I, 431.
kaplak
KN. 1. (plat) oud, bejaard Wk., vgl. gêrang. - 2. ngaplak, zonder borstkleedje zijn, met ongedekte borsten, vgl. ngonthèl. Wk. - 3. ngaplak, zich door eenige kort op elkander volgende slagen met de vlakke hand laten hooren v. d. kêndhang, bv. tot sein, dat er een rondtrekkende dansmeid is; ook zich reppen of dadelijk klaar te gaan waarheen het hart wil Wk.
kaplok
kaplokan, S., zie bij kêplok.
kêplak
KN. 1. hars van boomen, sandrak Dj. M. 1866, 50, 1. - 2. (klanknab. van een geluid minder dof dan kêplok); een klanknab. v. e. klap met de vlakke hand of met iets, dat plat en hard is; hard, vast, compact, als tot een vaste massa geslagen van iets dat zacht behoort te zijn, bv. de grond, vgl. adhuk, bangkak, padhêt, ook van jadah, dodol, enz. en Javaansche suiker. - kumêplak, dof klinken, als lood, en van daar hard Men. VII, 146; zulk een geluid geven als men met een pacul of mes er aan raakt. - pakêplak, nm. v. e. vroegere belasting in Bagělen ER. II, bijl. 68.
kêpluk
KN. 1. volg. Wk. klanknab. v. e. vuistslag of klap; (ongev. zva. kêplok, maar doffer). - ngêpluk, zulk een geluid geven Tj. II, 330, vgl. gapluk. - 2. ngêpluk, van slapen houden, een slaapkop zijn, vgl. lembon, eig. slapen waar men neer valt? - 3. karêpluk, voor carêpluk, happen van capluk. Men. VIII, 87.
kêplèk
KN. de klank zooals van een zachten slag, met de vlakke hand; een kleêr- of beddeklopper van dooreengevlochten riet JR.; volg. Rh. gêblèg (vrg. kêplok); vlak, effen aan de poot, zonder sporen van hanen = pupuh, van vechthanen; een spel met 3 duiten, dat door de gemeene Javanen gespeeld wordt, kruis of munt. De duiten worden aan de eene kant met witte kalk of anders gemerkt en dan omhoog gegooid, terwijl gewed wordt, op welke kant zij zullen vallen (vgl. kênthing, sampak, dhudha, enz.); dat spel spelen; volg. Rh. ook dobbelen, hazardspelen in het algemeen. ° udêl, voor den bijslaap uitoefenen. - kumêplèk, een geluid geven als boven. - ngêplèk, iets slaan als boven; iets op de palmen liggend opheffen, vgl. mundhak, ambau, Wk. - ngêplèkake, met iets op iets slaan, dat het kletst; voor een ander de duiten bij het kěplèk-spel opwerpen. - kêplekan, op het kěplèk-spel betrekking hebbende, ook = pakêplekan, kěplèk-baan of-partij LB. 147. wong dhêmên mênyang ° ngaji dadi saradhadhu, ronselaars schieten nl. inlanders wel eens speelgeld voor Wk.
kêplok
KN. klanknabootsend woord voor een eenigszins dof of hol geluid, zooals van een steen, die tegen iemands hoofd gesmeten wordt WP., Tj. IV, 415; ook wel ° tangan. Vgl. ° bokong, of ° pupu, en van handgeklap, in de handen klappen (vrg. kêprok) JZ. II. - ngêplok, kleeren of linnen op een bank of iets anders kloppen om te wasschen, vgl. manting, en ngêpyukake, ook zva. nabok, v. tabok, Wk.; op iets kloppen met de vlakke hand, zooals op een klomp deeg J. - kumêplok, raak, juist getroffen, bv. van iemands voorspelling Tj. III, 534. - ngêploki, in de handen klappen tegen of bij; door handgeklap toejuichen of aanmoedigen Tj. II, 163; bij een dans met handgeklap de maat slaan S. - ngêplokake, iets bv. kleederen bij het wasschen ergens op slaan. - kêplokan, of kaplokan, (gebr. kêkaplokan) iets (fig. iemand), daar altijd op geklopt wordt, klopblok; iemand die altijd klappen krijgt of oploopt, ook zva. pakêplokan, de bank, of iets anders, daar kleêren op geklopt worden om ze te wasschen: klopbank.
kèplèk
1. een trommelvormig instrument kleiner dan de dhodhog, en grooter dan de trèntèng, ZG. XVI, 80. - 2. lam of slap neerhangen van de armen, zooals door ziekte, vrg. kèplèh, Rh.; volg. Wk. gering, gemeen, niet geacht. - ngèplèkake, iem. houden voor gering enz. Wk.
koplak
KN. 1. rammelen, bv. van een noot of vrucht, waarin de pit zich bij het schudden hoorbaar beweegt Wk.; klotsen, bv. van water in een pot of het water in een rijpe klapper, vrg. kocak, klonthongan, budhêg, ook van een bedorven ei R. - 2. zva. kêprak. - 3. rustplaats, stalling voor de lastdieren der handelaren op reis, karavansera, vgl. koplok, 2. Wk.
koplok
KN. 1. een soort van vogelverschrikker van in tweeën gespleten bamboe die bij schudding

--- 1 : 517 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
(door aan een touw te trekken Wk.) geluiden geeft SG., vgl. koprak. - ngoplok, als een koplok, bv. geluid geven, vgl. moplok, bij plok, GL. 15; volg. Wk. trillen, beven van vrees. - 2. de standers of staande palen van een beestenstal en van een brug, waarin de dwarshouten (palang) vastzitten of doorloopen JR., vgl. koplak. - 3. naam van een mutsje of kalotje door kinderen gedragen JR. - 4. oud en smerig van kleederen, vgl. koproh, kapak? Wk.
kêplas
zie plas.
kêplese
zva. kêplèsèd, zie bij plèsèd.
kapulaga
KN. kardamom of kardemon, een ronde trosvrucht, zoo groot als onze kers: Amomum Cardamomum L., nat. fam. der Zingiberaceae.
koplong
= bodho, de N.
kapalang
K. ook kapambêng, nm. van een inlandsch ambtenaar ZG. XVII, 237; XXXVIII, 126, 127.
kêpe
ke[pP ya : kêpe, nu, goed dan! (Rěmb.) verkort. van karêpe, te M. in TBG. XXV, 269.
kopap
KW. zva. kukus, G.
kapapang
KW. zva. kaot, Wk., vgl. papang.
kapidhondhong
KN. naam v. e. gěṇdhing en v. e. bathiksel Wk.
kapadhil
KN. zva. kaparat, (Tj. II, 433) Wk.
kapodhang
KN. naam van een vogel met gele veêren, zoo groot als een duif, de Jav. wielewaal, Oriolus Horsfieldii v. M., DW. proza 39. Zie ook pari jatha. BG. 65: kuning ... lir °.
kapêjêng
of kêpêjêng, ongeveer zva. kêpati-pati, in een zenuwachtigen of krampachtigen toestand geraken van erg schreien of lachen, ook van een sterke begeerte (vrg. kêjêng); tot zenuwachtig of krampachtig stijf wordens toe, zeer erg, in hooge mate, geweldig enz. van begeerte of afkeer Wk.
kapya
kapwa, en kapwaya, KW. zva. sami, sêdaya, punika, (Bab. Jo. II, 129?) Wk. en rampak, (zeer naar iets verlangen G.) KS. 78, WS. 107, BJK. 164 (oudj. kapwa).
kopya
KW. algemeen bekend G.
kapaya
KW. zva. kapara, kaduk, Wk. KN. (geneesk.? de Clercq) ben. van de Carica Papaya L., nat. fam. der Papayaceae, een boom die geneeskrachtige eigenschappen bezit; de onrijpe vruchten worden als groente gebruikt.
kêpiye
verk. van kêpriye, zie bij kadi.
kupiya
KN. Holl. copie, afschrift; ook minuut, concept v. e. brief, schuldbewijs, contract enz.
kipyah
KN. kipyah-kipyah, zva. kiprah-kiprah, in Tj. I, 529 van iem. die de kêmpyang, druk en jolig slaat, vgl. ook kipa-kipa. In Bab. Jo. I, 587 ngêpyah, en even zoo 1416 in de bet. v. "steigeren" dartelen of iets derg.
kopyah
KN. een kalot, zooals door Maleiers en priesters gedragen wordt onder den tulband; de Chineezen en Arabieren dragen ook kopyah, van eenigszins anderen vorm (Ar. [Arab], Ital. cuffia). Ook een kindermutsje ZG. XX, 283. ° gambas, een kopyah, van fijn gevlochten rotan, zóo fijn, dat zij van gambas, schijnt te zijn. ° bathokan, id. in den vorm v. e. klapperdop, beiden gew. door priesters gedragen; vgl. kêthu. - ngopyahi, iemand een kopyah opzetten JZ. II.
kêpoyuh
zie bij uyuh.
kepyan
of kepwan (dit laatste de oorspr. oudj. vorm) KW. zva. kewuhan, Bab. Jo. I, 346, 678, karepotan, en kalêson, T. 12a, RL. 23a.
kêpyar
KN. sêga (sêkul) kêpyar, ook tumpêng °, rijst, die achtereen in de dandang gekookt wordt, zonder geklutst te worden (ngaru) en daardoor droog en rul blijft, zooals die voor een offerhande gekookt wordt. jarak kêpyar, een jaraksoort, die verbouwd wordt, om er olie van te maken, in onderscheiding van de jarak pagêr, anders jarak Cina, of jarak gundhul, waarvan een geneeskrachtige olie gemaakt wordt, die uitwendig gebruikt wordt. kêpyar, ook nm. v. e. pisang-soort JZ. I, 277. êndhog °, een rul ei, een boertige uitdrukking voor têmbêlèk, kippedrek. - kumêpyar, of kêmêpyar, niet gebonden van gekookte rijst, als de korrels te droog zijn om aan elkander te kleven (het tegenovergestelde van gêmolong); van spreken: duidelijk, zoodat men woord voor woord kan verstaan Wk. ook zva. kumêpyur? (in Rs. 19 ook kalêpyar, wegens het rijm voor kalêpyur?).
kêpyur
KN. klanknabootsend woord voor het geluid

--- 1 : 518 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
van uit elkander spattend (of tegen iets aan spattend R.) water of zand: gespat; gesprenkel, het spattend zich verbreiden; ook van lichtvonken het uit of van elkander spatten (vrg. pyur-pyur, ciprat); fig. van het hart, voor ontsteltenis of schrik (vrg. kagèt, en kêjot); ook kleine ondersteuning in iems. behoeften Wk.; ook benaming van een soort gestreept lijnwaad (met sprenkels). - pating kalêpyur, overal uiteenspatten (of tegenaan spatten R.); ook van het spatten van lichtvonken in het oog bij een slag of stoot. - kumêpyur, (een spattend geluid geven R.); uit of van elkander spatten (van vonken Bab. Jo. I, 402), verbrijzeld en tot gruis worden, zooals een porceleinen bord, dat op de steenen valt; fig. van het hart, voor ontstellen, vgl. sumyur, ° ulat biyas, BG. 56. - ngêpyuri, besprenkelen, besproeien, bestrooien; iem. met kleinigheden bijstaan, ondersteunen Wk., vgl. nyirati (volg. Wk. hiervan verschillend) bajong. - ngêpyurake, iets (ergens) op sprengen; met iets sprengen of sprenkelen. - kêpyuran, elkander besprenkelen, bestrooien enz.; ook wat daartoe dient; fig. ondersteuning Wk.
kupyur
KW. zva. gumyur, Wk.
kopyor
KN. een soort vogelverschrikker = koplok, maar van in vieren gespleten bamboe. pêlêm °, een soort van fijne, zeer sappige mangga, waterig van substantie Wk. êndhog °, een ei, waarvan de dooier geheel door het wit geloopen is. krambil °, zeer gezocht soort van kokosnoten waarvan het vleezige gedeelte klontert, ongeveer z. a. geschifte melk, en met suiker gegeten een lekkernij uitmaakt Rh. sêmăngka °, een sappige watermeloen.
kapyuk
KN. geklets of geklots tegen iets aan; tegenaan kletsen of klotsen; bv. van golvend water of zand, zva. kêpyur, doch bij dit laatste is het water meer verspreid Wk. (vrg. pyuk, kêpyuk, gapyuk). pipis °, nm. v. e. lekkernij, best. uit meel, kokosmelk en Jav. suiker. jago °, een vechthaan, die als men hem opneemt een klotsend geluid maakt, een gezocht soort. - ngapyuk, een obj. met water of zand kletsend gooien, vgl. sêmpyok, gêpyok. - ngapyuki, aankletsen tegen intr. van natte eetwaren BG. 158; nat maken met een klets water. - ngapyukake iets tegen iets aan doen kletsen of klotsen.
kêpyak
KN. zva. kêprak, krapyak, meer bep. klanknab. van de beweging van velen, die aan het werk zijn; (kletterend geratel, zooals van een wagen W.); luidruchtig, levendig, goed aan den gang (het luidruchtigste, levendigste, drukste tijd stip, zva. prêmpêng, Wk.). kuli °, ER. III 196; van een werk of feest JR., vrg. rame, algemeen bekend, ruchtbaar Wk.; gemeen, slecht van een paard of mensch. - ngêpyak, zva. ngêprak. - kinêpyakan? C. 2151, bl. 213b. - ngêpyakake, algemeen bekend maken Wk.; ook iem. een gemeen, onwaardig enz. mensch noemen Wk.; met luidruchtigheid doen JR.; volg. Rh. velen aan het werk zetten, iets door velen laten doen. - kêrapyak, of krapyak, zie boven.
kêpyuk
KN. geklets van water (vrg. pyuk, en kapyuk). - ngêpyuk, het water raken. - ngêpyuki, iets nat maken. - kalêpyuk, het geluid van het neêrplassen van water, dat met eenig geweld uit een pot of kom gestort wordt.
kêpyok
KW. ngêpyok, iets met een kwast bekletsen of besmeren, bv. met kalkwater (vrg. kêpyuk). - ngêpyoki, mrv. een muur witten JR., vgl. kopyok.
kopyok
KN. een spel met duiten; waarbij die in de twee op elkander geslotene handen geschud worden. - ngopyok, iets ergens in of tusschen schudden, omschudden, door elkander schudden; ook door middel v. e. kwast of iets derg. met waterachtig smeersel of saus bevochtigen.
kafiyat
Ar.? KN. nut, voordeel, goede uitwerking. - ngafiyati, nut enz. geluk-aanbrengend Wk.
kêpyang
zie kêmpyang.
kapama
KN. behoorlijk verzorgd, van alles behoorlijk voorzien zijn; vgl. kopèn, karêtèn, Wk.
kapigunan
zie bij guna.
kêpithing
zie pithing.
kapang
KN. 1. hoefijzer-, halfcirkelvormig Wk. kêpung kapang, om een tafel zitten BG. 221 (116: kapang, alleen) vgl. nog têpung. in gebogene rijen tegenover of evenwijdig achter elkander R. (vrg. bapang). kapang-kapang, de beide armen gebogen vooruitstrekken,

--- 1 : 519 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
als om iemand om den hals te vallen; ook geheel alleen, of zonder bediende gaan, zóo GB. II, 55; G. - makapang, poët. = kapang. - 2. (Mal. id. paalworm) waterwurmen of slakjes, die onder aan de vaartuigen vastzitten en het hout verteren; vgl. kupang, Wk.
kaping
zie ping.
kapung
KW. zva. punggêl, jodho. - mangapung, ngapung, zva. munggêl. - kapungan, zva. punggêlan, jodhon, Wk.
kêpang
zie kêpung.
kêpêng
= jêbêng, of tamèng, Rh.
kêping
KW. zva. kimpès, pisêk, gèpèng, kêbèt, Wk. KN. mager, met weinig vruchten v. e. padi-aar SG.
kêpung
N. kêpang, K. een kring vormen, in een kring zitten of staan. ° mubêng ngubêngi, BG. 293 (vrg. têpung). - ngêpung, ngêpang, iets omringen, omsingelen BTDj. 46, rondom insluiten; belegeren (vgl. wakul) JZ. II; om een schotel in een kring zitten, aanzitten aan een maal, vgl. ambêng, sidhêkah, hajat, JZ. I, 266. - kêpungan, kêpangan, met elkander aanzitten aan een maal, vgl. kondangan (een maaltijd). - pakêpung, pakêpang, beleg van een plaats, die belegerd wordt, ook meer bep. de affaire kêdhawungan, Wk. - pangêpung, pangêpang, het omringen enz.; belegering.
kiping
KW. zva. pinggir, Wk. KN. de zijde van den bak van een wagen S.; de vleugel van een leger in slagorde. - makiping, (poët. = akiping) de vleugel v. e. leger uitmaken; op de flank.
kupang
KW. zva. puluh, dhuwit, Wk. KN. een soort van kleine mossel (vrg. kapang, 2. kêrang, en kijing); een tiental RW. (volgens G. vierhonderdtal; in B. 903 = 200?). Oudj. kupang een muntstukje KO. 29, 30.
kupêng
KN. dicht in een kring aanééngesloten (vrg. kêpung); bv. baris kupêng, en kupêng kêpung, ook naar boven en met de punten dicht naar elkander toe gebogen van de horens van rundvee, vgl. kudhik, dhaplang, dhamplak, dhungkul, de uiterste rand van iets, zooals van een pot of ton. kakupêng? en kinupêng, omsloten, rondom ingesloten. - ngupêngi, omsingelen, rondom insluiten Wk.
kuping
KN. talingan, KI. karna, of kêrna, KW. oor JZ. II, Tj. Sěngk. 2. kuping macan, tijgeroor, nm. v. e. kruid met fluweelachtige blaadjes door Chineezen gebruikt tegen oorpijn Wk., vgl. kraca. sipat kuping, sipat karna? (in de gedaante van een oor) spr. voor te viervoet (ventre à terre) loopen WR., JZ. II; ook fig. doorslaan, doordraven Waj. I, 91. B. 359 van vasten hard, streng. - kupingan, oor of handvatsel van levenlooze dingen, zooals het oor van een pot, het handvatsel van een mand.
kepang
KN. dicht vlechtwerk van dun gesneden en van de tumpi, ontdane bamboe, voor beschotten, manden enz.; ook voor de paarden van de reyog: jaran °, Waj, II, 46 of jaran èbèg, Rh. ° rubuh, een wijze van gêdhèg, te vlechten CP.
kèpèng
Kn. naam van een oude munt, een penning of halve duit; ook wel voor geld in 't algemeen; OJ. zva. igar, en sêkèpèng, zva. sigar. (Vrg. kèthèng).
kopang
slechte schrijfwijze voor kupang.
kopong
KN. leêg, loos, zonder pit of kern van noten of vruchten JZ. II (vrg. kothong, aos, tropos). V. e. mensch: een leeghoofd, domoor Wk.
kadha
KN. naam van een zeevisch, gelijkende op een kleine blanak, of baars Rh. Zie kada, Wk.
kadhi
KW. zva. kadi, I. Wk.
kadho
KN. teruggehouden worden van een voornemen Waj. II, 347. kadho-kadho, in beraad staan, in tweestrijd zijn met zich zelf omtrent iets dat men voor heeft. ° tyas ingwang, BG. 283 (waarsch. van dho, twee). kadho, ook zva. kadung.
kêdhi
KN. geen maandstonden hebbend, en dus onvruchtbaar van een vrouw. wong kêdhi, een kween KO. 34. vgl. gabug, majêr. kombang kêdhi, naam van een soort van bij Prěg. 10.
kêdhu
nm. v. e. residentie op Java. jêruk ° nm. v. e. jěruk-soort uit Kědhu? JZ. I, 277, BG. 229.
kudhi
KW. zva. mungkir, G. KN. een zwaar kapmes met een buik en een krom puntig bovenstuk, ongeveer de vorm hebbende v. e. vogelbek BTDj. 58 (vrg. wadung, bêndho, gobang, berang, parang, luke) JZ. II. - ngudhi, met een kudhi, werken, kappen; zie bij kujang.
kudhu
KN. naam v. e. boom welks wortel dient om

--- 1 : 520 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
katoen rood te verven JZ. II, nl. Morinda citrifolia L. nat. fam. der Rubiaceae. Ks. hiervoor kêmudhu, en kudhukras (Mad. en Sěmar.); van de onsmakelijke vrucht (pace) wordt zekere gekruide drank gemaakt (sumêlak) voor reconvalescenten Wk. - ngudhu, katoen rood verven met kudhu.
kedhe
KN. linksch van iemand, die bij voorkeur de linkerhand gebruikt (vrg. kèri, 2. kidhung). - ngedhe, iets bij voorkeur met de linkerhand verrichten; fig. zva. ngiwa, slinksche wegen gaan.
kodhi
KN. snees, twintigtal (Tamil en Telugu kôdhi PK.). sêkodhi, twintig stuks van kleedingstukken en stukken lijnwaad, van huideṇ en van vellen Javaansch papier. - kodhèn, bij de twintig stuks, bv. verkocht worden; ook van iets dat slecht in zijn soort is, en, zooals wij zeggen, bij het dozijn verkocht wordt, bv. van een zadel en een paard. wong kodhèn, een onbeduidend, gemeen mensch, vgl. blocok, anggon.
kêdhih
of kêdhèh, kêdhing, en kêthih, KN. kêdhah-kêdhih, (of ° kêdhèh) kêdhang-kêdhing, en kêthah-kêthih, iets het minst, in een ontkenning niet het minste, bv. BG. 100 in een eenzamen tuin: dene botên wontên °, (vrg. kêdhik, en ithik). Zie ook kêrih.
kêdhèh
zie kêdhih.
kêdhah-kêdhih
zie kêdhih.
kodhun
zie udhun.
kodhèn
zie kodhi.
kadhana
KW. zva. jalêr, Wk., vgl. kadhini.
kadhini
KW. zva. èstri, Wk. C. 2061, bl. 14b. KN. kadhana-kadhini, of gadhana-gadhini, KN. een jongen en een meisje van twee kinderen (een broertje en een zusje) Wk.
kêdhintên
zie kêdhiri.
kêdhindhing
KN. naam van een boom en zijn hout J., vgl. dinding, Albizzia Durazzini, nat. fam. der Leguminosae Ks.
kêdhondhong
= kêdhongdhong.
kudhandhangan
zie bij dhandhang.
kadhar
of kêkadhar, in de open lucht slapen of kampeeren (vrg. kèdhèr) BS. 5, Bab. Jo. II, 227.
kêdhèr
KW. gevoel van niet bestand te zijn, te kort schieten in een gevecht R., vgl. dhar-dhèr, bij dhèr. kêdhèr-kêdhèr, kalêdhèr, zie lèr.
kèdhèr
of kêkèdhèr, KN. in de opene lucht gaan om frissche lucht te scheppen van een herstellende zieke of iemand, die veel in huis zit (vrg. kadhar, kènjèr, klèncèr). - ngèdhèr, hetz. - ngèdhèri, zich vertoonen aan, bv. om iems. aandacht te trekken, hem te trotseeren enz. Wk.
kodhor
of kakodhor, KN. v. e. vogel met staande veêren erg. zitten om doorstraling van lucht tusschen de vederen te hebben, vgl. bêdhodhok, kipu.
kêdhiri
KN. kêdhintên, KD. naam van een residentie op Java.
kadharang-dharang
kadhèrèng-dhèrèng, zie dharang, dhèrèng.
kadhak
zie walang, I.
kêdhik
zie bij thithik, op thik.
kêdhuk
KN. 1. een zak van buffelhuid waarin de oliekoopers de olie doen, of het bekleedsel van buffelhuid in de mand van de olieverkoopers, waarin de blazen met olie liggen, vgl. thekor. - 2. iets waarmeê men uitgraaft, uitkrabt, uitschraapt enz. (vrg. ngêruk, cidhuk, en dhudhuk). kêdhuk cèkèr, het uitgraven en uitkrabben; fig.? JZ. I, 85. kêkêdhuk, uitgraven. - ngêdhuk, iets uitgraven, uithalen, uitschrapen, bv. liwêt, of aardappelen JZ. II; een begravene opgraven, vgl. ngadhuk. - ngêdhuki, mrv. BG. 203; iets opgraven. - 3. (Pasur. - Těnggěr) voor enthong, ZG. XXIX, 368.
kêdhok
KN. 1. vak, groot afgedijkt vak van sawah- of těgalveld, vrg. kothak, (Pasur. - Těnggěr) vallei ZG. XXIX, 368. - 2. dikke pupur, ook grins, momaangezicht, gewoonlijk naar de gelijkenis van een best J.; het aan gezicht onkenbaar maken door het met wit te besmeren en gebaren te maken; een als een pop aangekleede schepper van een klapperdop (irus, of siwur), waaraan met kalk oogen, neus en mond gemaakt worden, ni thowok, genoemd, die onder het zingen in de maneschijn op een mat aan een band van weêrskanten vastgehouden wordt, totdat hij in beweging komt, zoodat men zelf moeite heeft den band vast te houden; een bijgeloovig kinderspel. - ngêdhok, gelijk een kědhok; zich door het dik besmeren van het aangezicht onkenbaar maken; met een grins voor het aangezicht voor een beest

--- 1 : 521 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
spelen; v. d. grond inzakken, lager zijn dan de omringende plekken, vgl. lêdhok. Ook slechts een klein gedeelte v. zijn sawahveld bewerken als sarat, ter voorkoming van kapit ing taun, zie apit, een afgedamd vak zijn van een sawah; en een veld tot een kêdhok, bedijken of afdammen. Zie nog ER. III, 201. - kêdhokan, afgedamd; afgedamd vak; in vakken, vaksgewijs.
kidhik
poët. zva. kêdhik. Zie ook de N.
kudhik
of kodhik, KN. v. d. horens v. buffels: slechts aan de punten een weinig (vgl. kêdhik) krom, doch overigens van de wortels af genoegzaam evenwijdig; smal, nauw van gaping v. d. snavel v. e. vechtwartel (gêmak).
kèdhèk
KN. ngèdhèk, ngèdhèki, kedhekan, voor ngodhok, enz. (de onderste) blaadjes v. e. betelplant plukken (J.) Wk.
kodhik
zie kudhik.
kodhok
KN. 1. een kikvorsch JZ. II (vrg. cebong, prêcil, kongkang, bangkong, kintêl, kênthus, enz.). kodhok ijo, groene kikvorsch, die door de Chineezen gegeten wordt. ° bêngkêrok, landkikvorsch (met een ruw vel?), padde Wk. ° ula = klabang ayam, pasah °, J. = pasah kêpêl, zie undhuk. lêmari °, naam van een klein kastje, langwerpig rond, op een voet, ongeveer vier voet hoog JR., vgl. glêdhêg. ° ngorèk, naam van een gěṇdhing op de gamělan saléndro, bij rampog, gespeeld ZG. XVI, 85, 86. Bab. Jo. I, 249 bij het gevecht van Jåkå Tingkir met den buffel; als oorlog-sein ib. 1103. - ngodhok, een plat woord voor te voet gaan of reizen. - 2. ngodhok, eenige sirihblaadjes staande weg (als een kòdhòk? op de hurken, zie dhodhok, niet op een ladder) van den rank afplukken; vgl. echter J. Vlg. de N. = lumaku dharat, utawa : golèk rusuh[1] kang mêntas dipèki (Těgal). - ngodhoki, gedurig bij beetjes mrv. - kodhokan. suruh °, sirih zóo geplukt Wk., vgl. pipik.
kadhuku
(W. ki °) KW. zva. ngrêgêmêng, Wk.
kadhakar-kadhakar
of kathèkèr-kathèkèr, scharrelen, moeielijk loopen, voortgaan, volg. Wk. = kêdhakal.
kadhêkês
KN. het heen en weder schuiven met zijn achterste op de plaats waar men zit, gelijk een welgemanierd Javaan doet, alvorens iets te zeggen tot een voornaam persoon; ook uit ongeduld. - ngadhêkês, dicht bij iemand aanschuiven, nader bij hem zitten gaan. - ngadhêkêsi, om iem. of iets die schuivende beweging maken, iem. zóo naderen of zich van hem verwijderen. - kadhêkêsan, pass. en aanhoudend in die beweging zijn; het dicht bij iemand aanschuiven of naast hem zitten gaan met eenig doel (vrg. dhêkês, en dhêsêk).
kêdhakal
zie gêdhakal.
kêdhukang
of kêdhokang, zie dhukang.
kadhat
KW. zva. têlangke, towong, Wk.
kadhèt
Holl. cadet, jonker GB. XIV, 171; ook zakkenroller Wk.
kadhot
of kedhot, (plat) zva. kalah, verliezen Wk.
kêdhut
of gêdhud, KN. dik en grof van inlandsche katoenen stoffen, tegenover mori, Rh.; vrg. kadut, en bêgêdhud. - kêdhutan, of kêdhudan, geweven katoen tot de grove soort behoorende.
kêdhot
of sukêt kêdhot, KN. een soort van taai, lang, biesachtig gras, waarvan men groffe matten of de ondervoering van fijnere matten maakt JR. - kêdhotan, onkwetsbaar Bab. Jo. I, 592 (vrg. têguh, en timbul). aji kêkêdhotan, een toovergebed om zich onkwetsbaar te maken ZG. I, 132.
kadhaton
of kêdhaton, zie dhatu.
kadhatyan
KW. zva. kadhaton.
kadhas
KN. een herpetische uitslag van de huid, de ringworm. - kadhasên, de ringworm hebben.
kudhis
KN. naam van een soort van huidziekte Bab. Jo. I, 1008.
kadhese
(in A. 52 slecht gespeld kadhese) zva. kalah, kalindhih, Rh.
kêdhasih
of kudhasih, KN. naam van een aschgrauwen vogel, een soort van zwaluw, een onheilspellende vogel in Kawi cucur, genoemd; vlg. Wk. gelijkende op de prêkutut, maar met een langen hals (Cuculus flavus Horsf. ook gen. pêli busik, in de wandeling Piet van Vliet Rh.). Volgens sommigen

--- 1 : 522 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
is het de naam van het mannetje van den ěmpritgantil, wiens eentoonig (en weeklagend? ° ngasi-asih,[2] BG. 225) geluid voor erg onheilspellend gehouden wordt. Ook is de uitgang van zijn slag zoodanig, dat hij daarnaar zeer wel cucur, van cur, genoemd kan zijn (vrg. têdhasih). - ngêdhasih, bij tusschenpoozen v. handgeklap of gejuich; BG. 192: ° sênggake, Rs. 107.
kêdhusang
zva. kêdhungsang.
kadhawa
kêdhawa (ook wel gêdhawa? Tj. II, 558 of brênggi) naam v. e. vogel, een soort groene duif: Columba aenea Horsf.
kadhuwêk
of kathuwêk, KN. ngadhuwêk, enz. een obj. geheel alleen voor zich in beslag nemen; schertsend bv. v. d. bruidegom als hij zich na de ceremonie bij de ontmoeting zich dadelijk met zijne bruid verwijdert Wk.
kodhowok
KW. zva. brewok, Wk.
kadhuwêt
of kêthuwêt, KN. beweging met de hand of handen, zooals bij het aankleeden; poët. v. e. spin bij het maken van zijn web; ook fig. wat er in iems. hart omgaat K. 4, 51. - ngadhuwêt, enz. die beweging maken. - kadhuwêt-kadhuwêt, enz. kadhuwêtan, enz. freq. veel beweging met de hand of handen maken, vgl. kathuwêl, kadhuwêng. - ngadhuwêtake, enz. de hand of handen als boven bewegen Wk.
kêdhawul
= kêthawul.
kêdhuwêl
zie kêduwêl.
kadhawang
KN. ngadhawang, zweven zooals een vrouw doet Wk. - ngadhawangi, iem. in het oog houden, op iem. letten; vgl. manuk, platuk, jangkung, awang, en sawang.
kadhawung
KN. 1. naam van een grooten boom (Parkia intermedia Hassk., nat. fam. der Mimoseae Fil., en van de daaraan groeiende boonen, die gebrand tot een wind brekend middel gebruikt worden. Wangs. kadhawung gung, voor pête. Ook ben. v. e. dorp bij Surakěrtå, waar de hulptroepen v. d. Vorst van Yogyå in het jaar 1717 post vatten, die deelnamen aan de belegering van den kraton te S. - ngadhawung, als een kadhawung-boom, nl. langrond. - kêdhawungan, ovaal (lopak-lopak ° Tj. III, 394); de affaire voornoemd bij het dorp Kadhawung, zie pakêpung. - 2. ngadhawung, stil of stom voor zich heen zien v. weemoed, mistroostigheid Rh. (wellicht een lang gezicht zetten als een kadhawung?).
kadhuwêng
en kathuwêng, KN. zwenk, draai, zwaai als bij den dans, vgl. kadhuwêt, ook zva. kluwêr. - ngadhuwêng, enz. een draai enz. maken als boven. - ngadhuwêngake, iets, bv. het lichaam, een draai enz. doen nemen.
kêdhawangan
= padhawangan.
kadhal
KN. een soort van groote, groene grashagedis of tuinhagedis KO. 22 (vrg. cêcak, kongkang); een versiersel van koper aan weêrskanten van de staartriem van een rijpaard BG. 148. kadhal mènèk, benaming van de wijze waarop jongelui in het gevolg van voorname Javanen het haar dragen, van achteren ineengedraaid en met de punt naar boven door middel van een kam op het bloote hoofd vastgemaakt. ° ijo, of ° ijonên, er groen uitzien als een kadhal, v. e. wapen dat niet met goed gevolg gewasschen is (koloh). - ngadhal, als een tuinhagedis, langs den grond snorren v. e. pijl Wk.; kruipen, bv. van een gewonde. ngadhal mêtêng, als een bezette tuinhagedis, d. i. in het midden dik en aan de beide einden dun uiteenloopend, bv. van een pilaar, vgl. ênggik, en mucuk bung, bij pucuk. - kadhalan, naam van een visch, van een vogeltje CP., en van een onkruid, waarvan de knolwortel en bladen uiterst prikkelend en brandend in den mond zijn JR. Vlg. de Clercq zeer waarsch. Atylosia scarabaeoides Bnth., nat. fam. der Papilionaceae. Zie Fil. n°. 3126. kadhalan, of kêkadhalan, op de wijze van een kadhal, gehurkt gaan uit eerbied, of zooals een hansworst een kadhal, wel eens nadoet Wk.; Men. VIII, 80 om ongemerkt te kunnen vluchten.
kidhal
KD. van kèri, in kanan kidhalipun, WP. 252 en zie bij sidhal.
kedhal
KN. brabbelen van iemand die sommige letters niet goed uitspreekt, beter cedhal, of celad, zie ald. (vrg. pelo).
kodhol
KN. kêkodhol, op eenigen afstand achterna loopen om op het spoor te blijven. - ngodhol, iemand op eenigen afstand volgen om te zien, waar hij blijft Bab. Jo. II, 143; BTDj. 375, 560; vgl. kadhawang, kinthil.

--- 1 : 523 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kadhêle
kêdhêle, of gadhêle, en verk. dhêle, KN. kêdhangsul, en dhêkêman, KD. (vlg. de N. in geheel midden-Java als K. in gebruik) naam van een peulvrucht, zwartachtige erwten of linzen, daar de témpé en soya, ook tahu, 3. enz. van gemaakt wordt, Soya hispida Mönch., nat. fam. der Papilionaceae. - ngadhêle, enz. den vorm hebben v. e. kadhělé-boontje v. d. oogappels, bv. v. d. wayangpop Bålådéwå. - kadhêlèn, enz. een kadhělé-tuin; ook nm. v. e. plant Wk.
kêdhali
ook dhali, (of gudhali, R.) KN. zwaluw; ook naam van een boom, nl. Stereospermum Cham. nat. fam. der Bignoniaceae Ks.
kadhêlèn
zie kadhêle.
kudhilan
kădhilan, zie odhil.
kêdhap
KW. zva. kêdhèp, cahya, larap, clorot, gêbyar, Wk. (vrg. kêlap). - kumêdhap, zva. gumêbyar, lumarap, cumlorot, Wk. KN. wenking, fig. van het hart, als het in beweging geraakt, en niet rustig blijft: popeling. kêdhap-kêdhap, in aanhoudende beweging zijn. botên kêdhap-kêdhap tingal kula, mijn oog heeft nooit gewenkt, ik heb het steeds voor oogen gehouden JBr. n°. 60, vgl. kêdhèp. kêdhap kilap punapa, wat ontgaat den blik? d. i. Uw blik ontgaat niets. BTDj. 109 zonder kêdhap, zva. borong punapa, met kêdhap, blijkens WP. 120 hetzelfde. kêdhap kilap, of ° ing wong, ook kêdhap kilating wong, iems. blik en oogopslag, d. i. iems. stemming op het oogenblik, die zich in zijn blik uitdrukt; bv. ora angon °, op die stemming geen acht weten te geven Wk. sakêdhap, K. sêdhela, N. een oogwenk, in een oogenblik BTDj. 21. Zoo ook sakêdhap netra, BTDj. 494, Gr. L. 165. sakêdhap-sakêdhap, sêdhela-sêdhela, ieder oogenblik. mangke sakêdhap, straks, op 't oogenblik! wacht even! sami sakêdhap, padha sêdhela, op 't zelfde oogenblik, nu op 't oogenblik. BTDj. 47: ing sakêdhap punika ugi, op dat zelfde oogenblik. - ngêdhap en kumêdhap, KN. wenken, popelen van het hart; (ook op den wind liggen v. e. vlieger Wk.). - ngêdhapi, huiveren, het hart voelen popelen van iets; ook zva. ngicipi, v. icip. - karêdhap, RL. 30b, poët. zva. karêlap, zie kêlap.
kêdhèp
of kêjèp, KN. kêjêp (volg. and kêdhap, Wk.) KI. knipping van de oogen; blik; lonk; volg. Wk. ook met de oogen (eens) knippen Waj. I, 216; BG. 308: akêjêp, L. 42: mical kêdhèp jangkêp kumêdhèp kaping sanga, (vrg. kêdhap, en kêlip); ook fig. oogenblik. ngitung °, van een hoogst zwangere vrouw, die elk oogenblik hare bevalling kan te gemoet zien; zva. "de minuten tellen". sakêdhèp netra, of sakêdhap netra, zie bij kêdhap, KN. zva. sakêdhepan, zie ben. kêdhèp-kêdhèp, enz. met de oogen telkens knippen. - kumêdhèp, kumêjèp, kumêjêp, enz. knippen, blikken JZ. II. kumêdhèp kaca, Ars. 6a en ° têsmak, (van de oogen zelve BTDj. 526) met het blikken van een spiegel, of van brilleglazen; d. i. zonder blikken, als met glazen oogen, staren van iemand die opgetogen is van verwondering BTDj. 526. ° tampah, BG. 83 moet hetz. bet. - ngêdhèpi, ngêjèpi, ngêjêpi, enz. iemand met de oogen toeknippen, met de oogen een wenk geven Bl. CP. 260; iemand toelonken. - ngêdhèpake, enz. de oogen schielijk doen sluiten en onmiddellijk weêr openen Wk.; iem. aanblikken BTDj. 465, Waj. II, 123. - kêdhepan, enz. elkander met de oogen een wenk geven enz. sa °, in een oogenblik Wk., Bijdr. 4e R. II.
kudhup
KN. een nog gesloten bloesemknop BG. 224, 344 (volg. somm. het omkleedsel v. d. bloemknop, vgl. tlakup, angkup); in de knop staan (vrg. kuncup, en karuk). ° cêpaka, ° gambir, nm. v. pieksoorten en een bathiksel. ° turi, turibloesem; ook nm. v. e. bathiksel, en van het koperen beslag aan de punt v. e. sabelscheê in den vorm v. e. turibloemknop. - ngudhup, gelijk een nog gesloten bloesemknop. ° turi, met een gekrulde punt van het metalen beslag van een sabelschêe als boven; van gekrulde athi-athi, Prěg. 56; Men. VIII, 345; Waj. II, 427. ngudhup turèni, een sabelschêe v. e. kudhup turi, voorzien; van de gevouwen handen bij een sěmbah ngudhuping bakung, Sri T. 687.
kèdhêp
zie bij idhêp.
kadhêpêk
of kathêpêk, en sadhêpêk, kadhêpês, (ook gêdhêpêk, Waj. I, 218) kathêpês, KN. het geluid dat veroorzaakt wordt als iemand

--- 1 : 524 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
plotseling op den grond gaat zitten (en de beenen onder het lijf vouwt) B. 239. sila ° zóo gauw op den grond gaan zitten in tegenwoordigheid van een hoog personage (vrg. dheprok, en makidhupuh).
kêdhaplang
of kudhaplang. ngêdhaplang, (Sul.) ngudhaplang (Waj. II, 17) = andhaplang, zie bij dhaplang.
kadhèdhèr
(gadhèdhèr, BG. 34) KN. het (met eenige sierlijkheid of deftigheid breed uitgespreid of met een slip S.) laag off slepend af- of neerhangen van een běběd of tapih e. derg. - ngadhèdhèr, zóo neerhangen; met de vleugels omlaag van een vogel, als hij wil gaan strijken, of van een hen met kiekens, als zij kwaad is.
kadhodhor
kathothor, KN. het slordig om het lijf zitten, om de beenen fladderen enz. van kleeren enz. (zva. kathèthèr); loszitten, bv. v. kapsel? van een buikband (vgl. kadhèdhèr).
kêdhampalan
of kêdhêmpalan, zva. gêdhêmpalan.
kadhêmên
zie bij adhêm.
kadhêgêl
= gadhêgêl.
kêdhogan
zva. gêdhogan.
kadhang
KN. soms. somtijds KA.; licht, wellicht; gew. têrkadhang, BTDj. 589 (waarschijnlijk van adhang, vrg. gajêg) ook têkadhang, en têkadhing. kadhang-kadhang, en kadhang-kadhing, bij wijlen, nu en dan. kadhangkala, KN. kadhangkawis, KD. somtijds, somwijlen. - kadhangan, gew. têrkadhangan, wat men soms of bij wijlen heeft of vindt of doet JZ. I, 2.
kêdhing
en kêdhang-kêdhing, zie kêdhih.
kêdhung
KN. kolk, draaikolk, diepe plaats in een rivier JZ. II. - ngêdhung, als een kêdhung, bv. diep zijn, ook naar een kêdhung, gaan, bv. v. e. kaaiman.
kidhung
KN. onhandig, stijf, niet prigêl. Vgl. widhung, kedhe, sigug, enz. - kidhungan, nog ongeoefend, bv. v. e. danseres. ° widhung kêpati, BG. 447.
kudhung
KN. sluier, iets om het hoofd meê te bedekken JZ. II (al wat een inlander boven zijn hoofddoek draagt ZG. XX, 407); zich sluieren, het hoofd bedekken (vrg. tudhung); in de padi cultuur, het dekken van uitgebrachte plantjes en eene groeiwijze van padi SG.; de oogen half gesloten hebben door het hangen der bovenoogleden, zooals bij Chineezen veel voorkomt, ook nevelachtig v. d. oogen, nl. met vlekjes in de oogappels Wk. Ook wordt kudhung, gezegd van de eikel, als die geheel door de voorhuid gedekt is Rh. kêkudhung, of kudhung, tot sluier enz. hebben, ook fig. dekmantel Gr. L. 115; tot middel van bescherming gebruiken? Wk., Bl. CP. 277. akêkudhung, zich verschuilen achter? JZ. II, 239. kudhung sarung, (hoofdsluier GJ.) met een sarung, tot kudhung, (volg. Rh. dus gek, want dat doet niemand). - ngudhungi, iemand het hoofd omsluieren of bedekken. - ngudhungake, met iets zich omsluieren. - pakudhung, of pikudhung, middel om zich het hoofd te dekken; schriftelijke waarborg tegen gerechtelijke vervolging. Layang pikudhung karampungan, een aan partijen (den triomfant? Wk.) uitgereikt afschrift van een rechterlijke uitspraak. dhuwit pikudhung, het geld dat voor zulk een afschrift, alsook voor een layang buran, betaald wordt.
kodhêng
KN. het niet begrijpen kunnen, in de war en verlegen geraken met iets, dat men niet begrijpen kan; er niet wijs uit kunnen worden; voor een oogenblik als suf, of de kluts kwijt zijn. ° rasaning ati, Gr. L. 109; door verwarring of verstrooiing van gedachten aan iets niet denken. andadèkake kodhênging ati, ten hoogsten bevreemden. - ngodhêngi, iets onbegrijpelijk vinden, niet begrijpen of verklaren kunnen WR.; volg. Rh. ongeveer zva. ngodhêngake, iemand kodhêng, maken, onbegrijpelijk voorkomen.
kadhangkrang
of kêdhangkrang, KN. het in een trotsche (in het oog vallende aanmatigende? Wk. eig. krom, achteloos?) houding op een verheven plaats (met de handen op de dijen R.) zitten. - ngêdhangkrang, zóo zitten of gaan zitten Men. VIII, 82; Tj. I, 9; PJ. II, 276; BG. 38; Bab. Jo. II, 76, 467.
kadhingkring
KN. ngadhingkring (als een meester Wk.) werkeloos, op zijn gemak zitten.
kadhungkrung
KN. ngadhungkrung, in een gebogen houding zitten, vgl. nyikruk.
kadhèngkrèng
en kadhêngkrêng. ngadhèngkrèng, enz. zva. ngêdhangkrang, maar bep. eene hoogere plaats innemen, die iemand niet toekomt BG. 452, Rh. - ngadhèngkrèngi, enz. eene plaats als boven innemen Wk.
kadhongkrong
KN. ngadhongkrong, in een gedwongen, voorovergebogen en bespottelijke houding zitten, zóo op de hurken zitten met de armen op de knieën.

--- 1 : 525 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kêdhangsul
zie kadhêle.
kadhungsang
(of kadhusang, R.) KN. pating °, of pating kadhêmpal, of kadhampal, met moeite voortgaan, voortscharrelen van velen. kadhungsang-dhungsang, zva. kasurang-surang, of = kadhungsangan, kadhêmpalan, enz. met moeite voortscharrelen, voortsukkelen BG. 138, Bab. Jo. I, 812; tegen moeilijkheden worstelen BG. 282; met inspanning van krachten onder tobben en sloven naar een doel streven; (iemand vervolgen Bab. Jo. II, 11) vgl. gêdhêmpalan.
kêdhongdhong
KN. naam van een zeer hoogen, grooten boom, Evia amara, nat. fam. der Spondiaceae (Fil.; vlg. Ks. Spondias L. (Evia) nat. fam. der Anacardiaceae) levert een soort gom; de (langwerpig ronde Wk.) vrucht is frisch van smaak (zoo groot als een appel en zuurzoet v. smaak Wk.); van de jonge vruchten wordt rujak gemaakt (ook wit kuda, of wit jaran, gen.; de laatste naam komt vlg. Ks. toe aan de Polyscias Forst. (Eupteron) nat. fam. der Araliaceae); van een andere soort Odinagummifera Bl. (Fil.) dient het hout om wayang golek en zadelbokken (cakathakan) van te maken. ° ri, zie kèngkèng, 2.
kudhangdhangan
zie bij dhandhang.
kadhangan
zie adhang.
kadhangastra
of kaladhangastra, naam van een pijl.
khaji
zie haji, V.
kaju
TP. zva. awad, Rh.
kêji
KN. naam van een plant (geneeskrachtig kruid Wk.) Tj. II, 608 en B. 850; bij Fil. Kejih, Ebermayera subpaniculata Hassk., nat. fam. der Acanthaceae? de bladen worden gegeten als lalab.
kêju
KN. stijf of stram van vermoeidheid van een lid of de leden van het lichaam door te lang in éen zelfde houding te blijven, zooals van de vingers door lang schrijven; fig. van het hart, moê van iets worden, zoodat het begint te vervelen; zich vervelen (vrg. kêjêng, kaku, kiyu, dhèngkèl). - kêjon, spoedig stijf enz. worden als boven.
kuji
KW. zva. kanthong, (Pers. [Arab], een reservoir). - kujian, zva. kanthongan, Wk.
kèju
Port. queijo, kaas. ngiris °, BG. 156.
koja
Pers. [Arab] (khojah) titel, overeenkomende met dien van Syeich bij de Arabieren. KN. een Moor, Mohammedaan uit Hindostan JZ. II; een koopman-schacheraar? Wk. - pakojan, de wijk van de Koja's.
khojah
(ook kojat, KB. en ojat, WP., BG. 138). KN. gepraat; verhaal BTDj. 365; mededeeling; onderricht. kojahe wong tuwa-tuwa, BG. 317, 524 (Ar. [Arab], vertoog, betoog). - ngojahi, onderrichten WP., iem. (iets) vertellen. - ngojahake, verhalen van.
kajèn
zie bij aji, IV.
kêjèn
KN. kouter, ploegijzer, ploegschaar ZG. XVIII, 184; volg. SG. bep. als deze aan de singkal. bevestigd is met twee ijzeren punten (vrg. lanjam, en gatho); ook de klem van een bamboezen dakrib op den benedenhoek van een dak WW.; volg. Rh. de houten pen, die tusschen de usuk, wordt gestoken en de êmpyak, draagt; volg. Wk. het zijvlak v. e. limasan, of joglo, dak, zie verder Wk. Zie nog bij waja.
kêjon
zie kêju.
kujana
KW. zva. buta, durjana, Wk. (Skr. kujana, slechtaard).
kejani
KW. zva. lutung, Wk.
kijènên
zie iji.
kajêntaka
zie jantaka.
kajar
KN. naam van een plant, die tot geneesmiddel dient, de niet eetbare wilde senthe, Remusatia vivapara Schott, nat. fam. der Aroïdeae. Ook kêkajar, PL. II, 134. kajar anggrik, nm. v. e. woekerplant Wk., zie anggrèk.
kêjar
KW. zva. bêdhag, Wk.
kêjêr
KN. de fladdering met de vlerken van een vogel die vliegt G.; ook naam van een klein soort van kapelletje of uiltje JR.; volg. Rh. een groote kapel, grauwbruin van kleur (vrg. êmbyak, en rêmbyah). kêjêr, of kêkêjêr, (met de vlerken fladderen of klapwieken); klapwiekend op dezelfde plaats in de lucht blijven hangen of zweven, vgl. kliyang. ° ibêring manuk, BG. 85; ook van een visch vinnen en staart bewegende op dezelfde plaats in het water blijven. kêjêr, ook trillen van de wenkbrauwen B. 369. - ngêjêri, om of op iets als boven zweven of fladderen.
kojur
zie bij ujur.
kojor
KW. zva. kuwu, en bètèng mubêng, Wk.

--- 1 : 526 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
KN. kutha kojor, een vesting, versterkte, ommuurde plaats Wk., Bl. CP. 161; lang, uitgestrekt (vrg. kojur, kêjojor). gula arèn sêkojor, een pakje van een zeker aantal koekjes arèn-suiker, in een langwerpig pakje op elkander gelegd JR.; volg. Rh. ook zva. kêjêng.
kajrihan
zie wêdi.
kojar-kajir
zie kacir.
kojrat
zva. kodrat.
kajriyan
= kajrihan, zie bij wêdi.
kêjik
zie krêjik.
kèjèk
gew. kêkèjèk, KN. trippelen, dansen van blijdschap; de voeten trillend bewegen Tj. III, 667; ook wel stampvoeten Wk., vgl. èjèg, (radeloos zijn, zich niet weten te helpen; door bewegingen van het lichaam zich verlegen toonen G.).
khajat
of hajat, 1. (Ar. [Arab]) behoefte, benoodigdheid, begeerte, verlangen, wensch; ook benaming van het gebed te middernacht, anders (volg. Wk. salat °) tahjud, of tasjut, genoemd. - 2. hajat, Ar. [Arab], geschenk, offer, offerhande (vrg. ambêng, en sidhêkah) ER. III, 331. hajat dalêm, de offerhande van den Vorst, zie bij jati, II. - ngajati, 1. iets met voordacht doen, vgl. niyat, sêdya. - 2. een sidhekah of slamêtan, geven. - ngajatake, iets begeeren, verlangen of wenschen. dikajatake, pass. - khajatan, of hajatan, offermaal; een - houden, geven; vgl. ambêngan, têpungan, sajèn, enz. - pakhajatan, pajatan, (bijeenkomst der Wk.) personen die aan een offermaaltijd deelnemen, ook zva. khajatan. Zie echter ZG. X, 24.
kêjut
KN. zva. kêdut, en vrg. kêjèt, en kêjot. - kumêjut, zva. kumêdut, en kumêjot.
kêjèt
KN. stuiptrekking, bv. v. e. stervende (vrg. kêjot, en kacêpêng). kêjèt-kêjèt, stuiptrekkingen krijgen; zieltogen.
kêjot
KN. trillende, krampachtige beweging van de zenuwen aan één van de zware deelen van het lichaam, zooals aan de dij of de bil. kêjut, aan een der kleine deelen v. h. lichaam, bv. de lip, het oor, het ooglid enz., vgl. kêjuwit, bij juwit. beiden: klopping van het hart Bl. CP. 103; ontsteltenis, schrik; ontstellen, schrikken (vrg. kêjut, kêjèt, kêdut, en kagèt). - kumêjot, of kumêjut (sarira makêjot, BG. 514) zich trillend en krampachtig bewegen als boven. ° padoning lathi, BG. 285; ontstellen, schrikken enz. - ngêjotake, iemand doen ontstellen, verschrikken.
kijat
KN. ontkenning; ontkennen, bv. iets te hebben of ontvangen te hebben (vrg. selak). - ngijati, iets ontkennen; loochnen (verloochnen).
kojat
zie ojat, kojah, volg. Rh. ook zva. misuwur, vermaard, beroemd, berucht enz.
kajiwandana
zie kajiwadana.
kajiwadana
of kajiwandana, KW. zva. kêpupu, (ontbr. W.) of wel geveld, gesneuveld, of van het leven beroofd (Skr. djîwâdâna, levenloosheid, onmacht).
kêjal
KN. kêjal-kêjal, gedurig weggaan of weg willen gaan; rusteloos, gejaagd Wk.
kojèl
KN. kojèl-kojèl, zich slangachtig heen en weer bewegen, spartelen v. e. aal, paling, enz., vgl. ogèl.
kajalantara
zie jalantara.
kêjêp
zie kêdhèp. KW. zva. arêm, mêrêm, turu, arip, Wk. Vgl. Juynb. 176.
kêjèp
zie kêdhèp.
kêjujur
zie bij ujur, en jujur.
kêjojor
(of gêjojor, G. sajojor, Wk.) zva. kêjujur, KN. uitgestrekt, stijf uitgerekt van de armen of beenen (vrg. kojor). - ngêjojor, nyajojor = ngajujur, zie bij jujur.
kajujung
of sajujung, en kajojong, of sajojèng, enz. zva. kajojor, sajojor, enz. Wk.?
kêjêm
KW. zva. mêrêm, Wk., LB. 127, vgl. kêjêp.
kujum
zie nujum.
kajumut
KN. ngajumut, langzaam en voorzichtig gaan, bv. in den donker Wk. - kajumutan, freq. voortsukkelen als een oude man Tj.
kujamas
zie kramas.
kujumaya
KW. zva. kasor. kujumayakên, zva. ngasorake, Wk.
kajiman
zie bij jin.

--- 1 : 527 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kajêg
kajêge, zie gajêg.
kajog
zie jog.
kêjogan
zie bij jog.
kajang
KN. aanéén gehechte of -geregene drooge bladen van de gěbang of andere palmsoorten (volg. Wk. pandhan êri), om iets in te pakken, tot bekleeding van de wanden van bamboezen huizen, tot sluiting van een gaanderij, en tot andere einden. ° uran-uran, de losse kajang. kajang sirah, KI. zie bantal, T. 55b. kajang tawang, wangs. voor wingit [langit] JZ. II, 262. - ngajang, iets met kajang bekleeden; ook kajang maken, bladen tot kajang aanéén rijgen JR. - ngajangi, van kajang, voorzien BG. 180, daarmeê bekleeden; ook een prau, v. e. kajangan, (kajang dak) voorzien Wk. - kajangan, een schuifdak v. kajang, over een prau, uit twee vleugels bestaande enz., zie Wk. (vgl. ampok). ° gajah, het grootste schuifdak aan het voorgedeelte eener prau. - pakajangan, het kampeeren in een tijdelijk Wk. verblijf van bamboe en kajang voor den rijksbestierder en een regent op de alun-alun opgeslagen, bij plechtige gelegenheden in de kraton, die langer dan één dag duren, zooals bij het huwelijk (installatie Wk.) of het overlijden van den Vorst of kroonprins, vgl. tugur, BTDj. 451. - makajangan, in een pakajangan zijn verblijf nemen of houden; ook als een kajangdak v. d. vorm v. lippen Men. VII, 156?
kajêng
K. zie arêp, en kayu.
kêjang
KN. zva. diya-diniya, het niet eens zijn, vgl. rêjêng.
kêjêng
KN. verstijfd, krampachtig gespannen (Waj. II, 72) van armen of beenen enz., zoodat men die niet buigen kan, bv. van de beenen door lang met onder geslagen beenen te zitten; ook stijf blijven door een wond na de genezing (vrg. kêju, en kêpêjêng); van een lichaamsdeel onderhevig aan zulk een verstijving, en zich houden of men kêjêng, is Wk.
kijing
1. KN. naam van een soort van rivier-mossel (vrg. ece, sumpil, kêrang, en kupang). - 2. N. of KN. sêkaran, en pasêkaran, K. of KI. graftombe (grafzerk of grafteeken Wk.), bij aanzienlijken bestaande uit langwerpige stukken hardsteen of hout, soms van lof- of bloemwerk voorzien, die op elkander gestapeld liggen; anders bestaande uit een middelstuk van hout en een aan ieder einde plat rechtopstaand stuk, têngêr, (? maejan, Wk. BTDj. 557; Bab. Jo. II, 22: maesan) genoemd, dat het onderscheid van geslacht aanduidt, daar dat voor mannen boven een ronde of spitse verhevenheid heeft, voor vrouwen vlak is of een gleuf heeft. Deze stijlen zijn veelal omgeven en tegen omvallen gesteund door een vierkant raam van op zijn kant staande en aan 't einde door elkander heen stekende planken, mêngku rah, genoemd (bij Wk. eenigszins anders) vgl. cungkup, kubur. - ngijingi, nyêkari, van zulk een kijing, voorzien Wk. (In Tj. IV, 203 sinêkar, bijgezet).
kujang
in Banyumas zva. kudhi, Rh. (Wk. KW. zva. tulus).
kojong
KN. de holle tot een bakje gevormde handpalm met naar boven gehoudene vingers JZ. II; ook een tentje of stolp van bamboe of rotan met gaas overtrokken, om over iets heen te zetten, bv. over een klein kind tot afwering van muggen of vliegen, vgl. krodhong, cadhong. Sêkojong, een holle hand vol BG. 401; meer dan sacêkothokan, een ruwe maat voor drooge waren; ook voor de kleinste rijstmaat SG.; vgl. nog cêkothok, en jimpit.
kya
1. KW. zva. ingsun, ontbr. Wk. (vrg. ku, aku). - 2. KN. verkorting van kyai, even als ki, bv. kyapatih, zva. ki patih. zie ook kyana. - 3. kya-kya, bij het besturen v. buffels: tegen den linker buffel om rechts om te draaien! rechts af! zie hêr.
kyo
KW. zva. sira (vrg. ko) G. en W.
kaya
1. N. zie kadi. - 2. KW. zva. kuwat, en kakuwatan, Wk., vgl. KO. 19. - 3. KN. verdienste, wat men door vlijt verdient Wk.; middelen tot onderhoud; wat de man als bêrkat, van een slamêtan, meêbrengt, bepaaldelijk voor de vrouw bestemd Wk.; kleederen en preciosa aan de vrouw geschonken zouden er niet toe behooren; (goed, goederen G.); gegoed, bemiddeld (vrg. rosa, sugih); ook wat voordeel geeft (vgl. kaskaya) en tot middel van onderhoud sterkt (vrg. kauntungan), en wat de man tot onderhoud aan zijn

--- 1 : 528 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
vrouw geeft (vrg. rêjêki); (ook geschenk G.). gunakaya, zie bij guna. kêkaya, hetz. BTDj. 107, G. rajakaya, zie bij raja. Als Tj. Sěngk. is kaya = 3 G. ngayani, voordeel gevend tot middel van onderhoud; zijn vrouw de middelen tot onderhoud geven, vgl. nipkah. ngêngayani, BTDj. 40; (ook schenken, begunstigen G.). - pakaya, zva. kaya, middelen tot onderhoud; inkomsten Rh.
kayi
KW. zva. sumêdhêng, nyêdhêng, tumaruna, Wk.
kayu
N. kajêng, K. hout JZ. II, en boom KA. (vrg. wit, uwit); goederen, die in huisraad, preciosa, wapens enz. bestaan, tegenover godhong. kayu dang, brandhout, keukenhout. kayu taun, langlevende groote boomen als randhu alas. kêpoh, nyamplung, enz., of ook dito vruchtboomen, vgl. kitri taun, (jarig hout. Zoo noemt men hakhout dat voor brandhout gekapt wordt, en ook gekweekte vruchtboomen en hout er van, waarschijnlijk zoo genoemd in tegenstelling van den pisang-boom R.). kayu daya, nuttig hout of geboomte, met uitzondering van den jati-boom; meubelhout JR.; PL. I, 185; II, 167. (kayu nom, hout van jonge boomen R.). kayu tai, naam van een stinkend hout, v. d. Saprosma arboreum Bl. (vlg. Ks. Celtis, nat. fam. der Urticaceae) dat geraspt of geschraapt tot geneesmiddel en zalf dient MR. II, 15. kayu kunir, ° lapis, ° lêmpaung, ° lanang, andere soorten van hout voor geneesmiddel. kayu bakar, brandhout. kayu urip, of kayu tangan, naam v. e. heester Euphorbia Tirucalli L., die een vergiftig, voor visschen bedwelmend vocht bevat (Fil.) Waj. I, 7. Zie ook Ks. kayu apu, N. kajêng apu, K. naam van een rivierkroos, Pistia Stratiotes L., nat. fam. der Aroideae Fil. dat op drijvende groene rosetten gelijkt MR. II, 56; en roset tot versiering op iets. ngayu apu, den vorm hebben v. kayu apu, Tj. III, 11. kinayu apu, met rosetten Men. IX, 324; BG. 239. adoh bebalang kayu, (of ° kayune) verder af is een geworpen stuk hout, d. i. heel dicht bij, of kort ophanden, vgl. Waj. I, 56. walang kayu, zie walang, I. - ngayu, ngajêng, met houthakken den kost winnen, waarvoor gew. pangupajiwane adol, of amèk, of golèk kayu, Wk. - ngayoni, ngajêngi, voorhet hout zorgen, het bij iets benoodigde hout leveren Wk., vgl. uyah. - kayon (oudj. kaywan KS. 99) of kêkayon, en kajêngan, of kêkajêngan, BTDj. 58 geboomte JZ. II; ook kayon, KN. zva. gunungan, bij de Wayangvertooning. sidhêm kayon, stil is 't geboomte, men hoort geen geruisch; bladstil. Bab. Jo. I, 373: sirêp °, op een paseban.
kiya
= kya, 3.
kiyu
KN. vermoeid, stijf of stram, gew. van de armen of handen (vrg. kêju) markiyu, Men.
kiye
zie bij ka.
kuya
KW. zva. kayu, buru, pindha, adhang. - pakuya, zva. undhagi, Wk. kuya-kuya, KN. iemand smadelijk wegzenden, verdrijven G. - nguya-nguya, of nguya-uya, overal vervolgen, nazetten, jacht maken, verjagen.
keyo
KN. naam v. e. Chineesch spel (dat iets van het dominospel heeft). Tj. I, 498: ° ting karupyuk.
koyo
ook koyuk, Chin.? nm. v. e. wond brekende pleister bij de Chineezen.
kyèh
zie kèh.
kayah
KN. ngayah, geen onderscheid maken; allen gelijk en op dezelfde wijze behandelen, over éen kam scheren; in het wilde, bv. grijpen of wegnemen Waj, II, 57. Het wordt als KW. verklaard door anggayuh, en ngawur, Wk. (een ander zie bij ayah).
kayuh
KW. zva. rangkul, C. 2061, bl. 69a; T. 6a; BS. 497; ukêl, en gayuh, Wk. KN. een geheel, niet aangesneden stuk of rol katoen, een stuk lijnwaad, genoegzaam voor twee běběds of twee buizen (vrg. kêbar). Zie ook ZG. XX, 391. lawe sêkayuh, een streng van vijf ada (elke ada, van 5 êlêr) en dus van 25 (sêlawe) wielsomgangen, vgl. likas. - ngayuh, KW. zva. ngrangkul, BS. 46, Par. 120 en ngukêl, Wk. KN. tot geheele stukken of rollen maken, bij 't geheele stuk verkoopen J. (een streng garen opwikkelen R.); en iets in commissie te verkoopen hebben uit de tweede hand, van een andere bakul (vrg. èbèr, kêmpit); ook = gayuh, o. a. BG. 379: cahyane ° wiyati. Tj. II, 646; VII, 335. Ook pagaaien, vgl. ml. měngayuh. - ngayuhi, mrv., ook aan iem. (iets) te verkoopen geven als boven. -

--- 1 : 529 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
ngayuhake, pagaaien met; iets te verkoopen geven als boven. - ngoyah-ngayuh, van hier wat, van daar wat nemen om zoodoende een goede verhouding in het geheel te brengen, vgl. corak-caruk, Wk. - ngoyah-ngayuhake, met iets zóo te werk gaan Wk.
kiyih
KN. kiyih-kiyih, glimmen van veel zweet Rh. Vrg. kinyih.
koyah
KN. 1. nm. v. e. lekkernij, een soort van satru. - 2. een groote soort van klappertjes Wk., vgl. taoyah.
kyai
kiyai (ook wel kae, G.) KN. een vereerende betiteling van deftige of fatsoenlijke (en dan ook wel van jongere) mannen van jaren (zie verder R. en T.); ook bepaald van een volbloed Chinees (in onderscheiding van babah). Vrg. kyana, vóór eigennamen en andere titels veelal bij verkorting ki, (vrg. kaki). Volg. Wk. grootvader (deftiger dan kaki), ook voor oudoom, vader, oom, of in het algemeen tegenover een man wegens het eerwaardige of deftige van zijn positie. Kyai Trunadăngsa, of Ki Trunadăngsa, Trunå-dångså. kyai sudagar, de koopman, of koopman! kya lurah, of ki lurah, mijn chef. Men zegt ook bij verkorting bv. ki regol, voor ki juru regol. Ook zegt men wel ki gugat, (ki' nggugat) voor kang ênggugat, de aanklager. ki ginugat, de aangeklaagde. kyai guru, dorpsgeestelijke, zva. modin. ZG. XVIII, 8. ° sadana, broeder van Nyai Sri. ° buyut, ° gêdhe nabi yèn, ° gêdhe sumurnya, ° owartali, ° êmpuh, nm. van goede geesten, behalve de eerste ZG. XXIII, 9. - ngyai, of ngiyai, een man met kyai, betitelen. Vgl. nyai, of nyi.
kiyai
zie kyai.
kuyaha
KW. zva. duraka, Wk.
koyuhan
zie uyuh.
kayualakakên
KW. jaloersch op iemand zijn G. - ngayuwalakake, onmeedoogend tegen iem. te werk gaan G., verongelijken, mishandelen. In pass. di(dipun) kayuwalakake, verongelijkt, onmeedoogend mishandeld worden Lakon. JZ. II, 111: dikayualakake, niet duidelijk verklaard met disangarake, disarang. Tegen J.'s afleiding (van ayu, en ala) is de passieve vorm met ka een bezwaar.
kyan
KW. zva. mangkana, radèn, Wk.; vgl. rakyan.
kayên
KN. nm. v. e. wilden boom Wk.
kayun
1. KW. zie bij ayun. - 2. khayun, KN. levend, de levende van God (Ar. [Arab]). Zoo Allah kang asipat khayun, S.
kayon
zie bij kayu.
koyan
KN. last, een gewicht van 27 tot 30 dhacin of pikul. - koyanan, bij lasten, bij het last. kêkoyanan, zware lasten kunnen dragen G.
kyana
en rêkyana, KW. zva. kyai, bv. kyana patih, BG. 16, KB. 55, WP. 11 of rêkyana patih.
kiyanat
(Ar. [Arab] v. d. B.) KN. trouweloosheid, verraad.
kiyêr
KN. half gesloten van de oogen, ten gevolge van een gevoel of gewaarwording of organisch gebrek, ziekte of uit gevoeligheid voor sterk licht. kiyêr-kiyêr, blikoogen Prěg. 24, de oogen bij herhaling en aanhoudend ten halve sluiten, ook van verrukking en opgetogenheid, bv. bij een aangenaam gevoel of smaak, vgl. kincêr, kèdêr, kudhung, kiyip. - ngiyêr, verlekkerd zijn op een of ander, eig. de oogen zóo toeknijpen, bv. bij het eten van iets zuurs of iets schadelijks, maar er toch wegens de aangename gewaarwording niet af kunnen blijven, vgl. kabelan, nyam-nyamên. Ook zijn gang maar blijven gaan, zich aan geen vermaning storen, vgl. kiyêng, dimêr, Wk.
keyor
een stok van kernhout, wat zeldzaam is. Hij maakt onkwetsbaar en den vijand weerloos ZG. XXXII, 354.
koyor
zva. kothot, (bij Wk. eenigszins verschillend).
kyartana
zie krêtana.
kayuk
ngayuk, zva. ngayah, bij kayah, Wk.
kiyêk
= piyêk, zie bij pyêk.
kiyik
KN. een jonge duif (vrg. dara).
kiyuk
KN. iets van een ander wederrechtelijk en zonder het hem te vragen voor zich nemen, in bezit nemen, of er zich meester van maken; de grenzen van zijn bevoegdheid overschrijden; inbreuk maken op de rechten v. e. ander Wk.; vgl. ngrayuk, nyahak.

--- 1 : 530 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kiyèk
of piyèk, een geluid = kiyêk, enz. doch iets helderder.
keyok
piyok, of peyok, KN. het geschreeuw van een kip, die gegrepen, door een kat aangevallen of gepikt wordt; ook van een haan, die overwonnen is en het verloren heeft in een kampgevecht; fig. van menschen, het verloren hebben, in een gevecht, spel enz.; (ook naam van een wilde oneetbare monsterpeulvrucht, die aan een boom van middelbare grootte groeit JR.). - ngeyok, een kip doen schreeuwen, door ze bv. te knijpen of te drukken. - keyokan, dikwijls verliezen Wk.
koyuk
zie koyo.
koyèk
= kêthèk (Pacit.) maar in Sålå = (wong) arahan, de N.
kuyaka
nm. van de kleermakersvogel T., v. d. T.
koyok
zie bij oyok, en kroyok.
kayeka
kayèki, kayèku, in poëzie voor kaya ika, kaya iki, kaya iku.
kiyi-kiyi
kuyu-kuyu, en kuyus-kuyus, KN. zweeten, bezweet door in de zon te werken, loopen enz. Wk.
kayid
KN. denkelijk zva. kait, in de Mal. bet. van haak, fig. restrictie? voorwaarde Wk.
kyat
KW. zva. misuwuring rat, BG. 34, 491; misschien Skr. khyâti, vermaardheid, zie KS. 40) ngumum, santosa, Wk., Wiw. dj. 1 en kiyat. kyat ing aran, zva. kocap, of misuwur ing nama, wangs. voor kasumba, [kasumbaga] JZ. II, 268.
kayut
KN. ongeveer zva. gayut. - ngayut, iets aan iets anders vastbinden, zoodat het touw om beiden gewonden wordt; vgl. êrut, bij het éene werk een ander, tweede nemen. Ook omvatten, omstrengelen; zich verbinden of zich vereenigen met; zich vasthouden aan Bab. Mat. I, 74. - ngayuti, aan iets iets anders binden; tot zich nemen, verzorgen. Ook vastbinden; vastbinden aan; zich verbinden of zich vereenigen met BTDj. 547. - ngayutake, een object erg. tegen aanbrengen, aanhangen, erg. meê vereenigen; zie ook ayut, en Bijdr. 4e R. I, 525; III, 153. - kayutan, obj. den.; vgl. èmbèl-èmbèl. akrab °, een aangetrouwd familielid, mitra °, een vriends-vriend. dhayoh °, een door een genoodigde meegebrachte gast. - ngoyat-ngayut = ngoyah-ngayuh, zie bij kayuh.
kiyat
KN. stijf, onbuigzaam; stijf op zijn stuk staan (DW. 152 makyat); stevig, sterk, krachtig, vermogend, rijk (vrg. kaku, kuwat, en sêntosa). - ngiyatake, caus. een zaak stijf volhouden JZ. II, 166; volg. Wk. een zaak sterker maken, bv. door bewijzen. ngiyat-ngiyatakên, KD. van nguwat-nguwatake, zich vermannen, met een ander wedijveren wie iets sterker of stijver heeft, bv. een schietboog, of wie standvastiger enz. is Wk.
kyatarta
KW. zva. kuwat, baud, Wk.
kayas
KN. ben. van een vergif voor honden, bestaande uit lugut, volg. Wk. ook uit vijlsel van găngsa, (dat evenwel volg. Rh. gew. daarnaar gångså genaamd wordt), rattekruid (warangan) of iets derg.
kiyas
1. Ar. KN. regelmatig, naar de regel of in overeenstemming met de wet of het recht (Ar. [Arab], redeneering, betoog uit de analogie, vergelding volgens de analogie). ° ing sarak, Bab. Jo. I, 881. - ngiyas, vooruit zeggen, als met de waarheid meest overeenkomende gissing, hoe iets is of zijn zal Wk. - 2. KN. ontkennen, loochnen, of gedeeltelijk ontkennen, om iets tot verlichting van zijn schuld weg te redeneeren, ook het veinzen, voorwenden enz. - ngiyasi, veinzen, bedekt houden; bedekken, verbergen.
kayasa
KW. zva. sêpêt, Wk. (Skr. kaṣâya, samentrekkend van smaak).
kuyus-kuyus
zie kiyi-kiyi.
kayawa
KW. zva. kajaba, Wk. (jawa oudj. buiten).
kaywan
KW. zva. kayon, Wk. (ook oudj.).
kayal
Kn. 1. een soort van hakmes met een lang hecht en eenigszins gebogen aan de punt; volgens anderen een soort van speer om visschen te steken, vgl. oyol, cêmpuling. - 2. gew. kêkayal, voedsel zoeken in de bosschen in tijden van schaarschte, vgl. krapa. - kayalan, of kêkayalan, zwerven, een zwervend leven leiden (vrg. ngalambrang); ook tobben, zich aftobben, moeite hebben, zich er niet door kunnen redden, daar de krachten te kort schieten, vgl. kadhalan.

--- 1 : 531 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kayol
KW. zva. mêndêm, Wk.
kiyal
KN. taai, elastiek Waj. II, 427, gespierd; ook zva. kaku, stijf; fig. v. h. gemoed ongeduldig, het ben worden enz. vgl. pêgêl, v. e. schorre stem: rada °, Tj. I, 279? (vrg. alot, bij lot.
kyalah
KW. zva. gonjing, Wk.
kiyip
KN. herh. dikwijls knipoogen v. iemand, die een zwak gezicht heeft, vgl. kiyêr, liyêp, enz.
koyup
zie uyup.
kayapriye
zie bij kadi, I.
kayyan
KW. zva. kayon, of kêkayon.
kêyuyun
zie bij yun.
kayuyus
KN. ngayuyus, in den regen uitgaan, op weg zijn, vgl. yêyês. volg. and. ook zva. kayuyusan, gejaagd en onder tobben in de weêr zijn (in den regen of niet) bv. om den kost te zoeken Wk.
kayayaban
KN. onbescheiden bij iemand aan huis komen en alles bezichtigen, zva. yab-yaban, vrg. iyab, sayab.
kiyam
KN. het beproefd worden; proef; het blijken bij de proef. - ngiyam, beproeven; vrg. coba, jajal.
kuyam
KN. kuyam-kuyam, ongemanierd, onbeschoft JR., vgl. kuyang.
kiyamat
Ar. [Arab], KN. de opstanding der dooden, de jongste dag; zie bij kubra. dina kiyamat, ook de tijd van Mohammed's opstaan als profeet RP. 6, 43; v. d. T.
kayoman
zie bij ayom.
kiyambak
zva. piyambak, zie ook iji.
koyag
zie oyag.
kayang
1. ook kêkayang, zich achterover buigen K. 16, 34? kêkayang, het lichaam van vreugde schudden G.; met het hoofd achterover en vooruitgestoken borst onder het lachen of van blijdschap, zooals Umar Måyå in de Ménak Wk. lumaku kayang, of kayang rambat, in een achterovergebogen houding op handen en voeten kruipen met den rug naar den grond (bij het êgos, spel; fig. v. e. geurmaker Tj. IV, 89), vgl. andul. - ngayang, in een achterovergebogen houding naar het doel werpen bij het êgos, spel. ngayang rambat, het doel in een houding als boven naderen en daarnaar werpen. - ngayang-ngayang, gedragen wordende zich gedurig achterover werpen, gelijk een dwingend kind, vgl. layang, dhêngklak, Wk. - 2. inspanning van krachten, krachtsvermogen. ing sakayangmu, zoover uw krachten reiken Wk. - ngayang, zijn krachten inspannen; met inspanning iets verrichten BG. 279, K. 3, 35. kinayang, met alle macht (gedaan). ngayang-ngayang, KN. zva. ngaya-aya, zie aya, uit alle macht, bv. schreeuwen, van kinderen GJ. ? zie vkl. bij kayang, 1. - kayang, alles nemen wat voor de hand is. kayang-kayang, in overvloed alles opkoopen voor een feest GR. - kayangan, plaats waar iets in overvloed te vinden is? (een ander zie ben.). - ngayangan, in het ontelbare, in het oneindige G.; buitengemeen, buitengemeen veel, in overvloed v. vruchten BG. 316; Rs. 26; Tj. I, 47, 142. - 3. angayang, zva. aling-alingan, en ngawis (nganyang) JZ. II.
kiyêng
KN. vast, hard, bv. van vleesch van het lichaam Tj. I, 526; Wk.; vgl. kêngkêng. fig. volhardend van aard Rh. - ngiyêng, aanhouden, bv. van geween Asm. S. I, 8, 11a; ook zva. ngiyêr, en dimêr, zijn gang blijven gaan.
kiyung
KW. zva. ubêng. - ngiyung, zva. mubêng, Wk.
kiyong
of keyong, een waterslak (een Ampullaria-soort Veth) grooter dan kraca, die zich in moerassen en sawahs ophoudt; zie kul. De schelp wordt dikwijls als waterbakje in een vogelkooi gebruikt MR. I, 36. - kiyongên, klierachtig of builachtig huidgezwel, zooals bij buffels en paarden voorkomt (opene spatten Wk.; leggers? Rh., vgl. uci-uci.
kuyang
KW. zva. aso, kêkayon, Wk. KN. naam van een wilden boom. (Vlg. Ks. Sund. nm. v. e. ficus-soort; vlg. de Clercq Cassia Mimosoides, nat. fam. der Papilionaceae; zie Fil. n°. 3157).
keyong
zie kiyong. tutup °, ben v. recht opgaande zijgevels van een omah kampung, gew. van kepang, gemaakt RI.; vrg. caluring.
kayangan
zie hyang.
kuyêngan
zie uyêng.
kanyêp
KW. zva. sêmu, Wk.
kênyêp
kevep\ KW. zva. pandêng, pêndêng, pêsu, pêlêng, panjaluk. - kumênyêp, zva. mandêng, Wk.

--- 1 : 532 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kam
KN. aftreksel van aluin met galnoot bij het bereiden van leer gebruikt om er een grijsachtig witte kleur aan te geven, als die van Europeesch lederwerk. - ngêkam, leer daarmeê bestrijken Wk.
kêm
KW. zva. kêndho, en ngloko. - ngêkêm, iets. zooals de vingers tot een vuist, samentrekken; van een tijger, de uitgestoken nagels samentrekken (vrg. têkêm, en gêgêm). dikêkêm, passief Dj. M. 1866, 31, 3; R.; stam ook van cangkêm, enz.
kum
of êkum, KN. het in het water liggen, zijn of staan, bv. om te weeken, schoon te worden of uit te trekken, vgl. cêlup, cêm-cêm. - kungkum, met het lijf in het water zitten, om zich te verkoelen of te baden. - ngêkum, iets in het water doen, leggen of zetten; bv. bamboe om ze duurzamer te maken, te weeken zetten; weeken door indompeling, soppen; ook de voeten of handen in het water houden. ° sikil, een voetbad nemen. kinum, pass. JZ. II. - angum, poët. in het water gaan zitten KB. 176, RP. 134; in het water doopen. - ngêkumi, mrv. van ngêkum, en in iets, bv. in een pot, iets in het water doen of zetten. - kum-kuman, of kungkuman, wat in het water gelegd of geweekt wordt. - paêkuman, of pangêkuman, iets waarin men iets in het water laat liggen, bv. een waschkuip.
kom
zie kaum.
kama
KW. lust, liefde, begeerte, verlangen JZ. II. - ngama, zva. nyakarêp, Wk. KN. het mannelijk zaad (Skr. kâma, hetz., en eign. van den God der liefde, den Cupido der Indiërs. Vrg. rasa, nutfah, pêjuh, en mani). kamajaya of kumajaya, eigenn. van den God der liefde. kama salah, bijnaam van Bathårå Kålå. sakama-kama, KW. naar lust, naar verkiezing Waj. II, 282; G.; van heilige visschen: wus kina makuna, Tj. v, 238.
kami
1. KW. zva. aku, T. 45a (Sd. hetz.; Ml. wij, ons, met uitsluiting van de persoon, tot wie men spreekt. Vrg. mami, en kita) KS. 78, WS. 134. - 2. KN. een voorvoegsel in een aantal woorden, van dezelfde beteekenis naar het schijnt, als kapi, II.
kêmu
KN. (of kêkêmu, JZ. II) gurah, (volg. Wk. ook kurah, of kêmbêng) KI. mondspoeling; den mond spoelen WP. 140, ook kêkêmu, gêgurah, enz. - ngêmu, iets in zich bevatten, eig. van vloeistoffen, waarvan iets van binnen opgevuld of opgezwollen is; fig. iets in zich bevatten, omvatten; vol van iets zijn, inwendig iets bij zich hebben, zonder dat het zich openbaart; koesteren (vrg. kêmbêng);ook de rand of zoom van iets vullen, omzoomen G. ngêmu banyu, water in zich bevatten; waterachtig; van water zwangere wolk. BG. 444: lir jalada ngêmu riris, B. 71: ngêmu waspa, vol van tranen; oneig. v. handen: ngêmu rah, DW. 152. ngêmu gêtih, opgeloopen of opgezwollen van bloed, wanneer het ergens onder de huid verzameld is Waj. II, 337. mega angêmu teja, een wolk door het licht van de zon of maan verlicht WP. 59; volg. Rh. een regenwolk waar de zon door schijnt, en een regenboog gevormd wordt. ngêmu rasa, een zin of bedoeling hebben, die niet duidelijk uitgedrukt is; een geheime bedoeling hebben JZ. II, 192. ngêmu wadi, id. Bab. Jo. II, 16. ngêmu rasa têlu, drieërlei zin hebben, drie beteekenissen in zich bevatten van een woord. ngêmu lara, een ziekte onder de leden hebben. ngêmu sêkêl, (° susah, of ° prihatin) inwendig bedroefd (bezorgd of bedrukt) zijn of ° runtik. - boos zijn BG. 504 of ° watir, - beducht zijn Bab. Jo. II, 126; een mondspoeling gebruiken voor of tegen. (ngêmu têmbung, binnensmonds praten R.). - ngêmoni, anggurahi, (ngêmbêngi, Wk.) iemand iets tot mondspoeling geven; den mond met iets spoelen. - ngêmokake, anggurahake, (ngêmbêngake, Wk.) iets tot mondspoeling (geven of) doen dienen; (iets in den mond doen), den mond spoelen met BG. 153, L. 133. - pagurah, (Men. VII, 522 ngampil ° waja, of wadhah pagurah, Men. VIII, 88) wat de mondspoeling bevat; (ook de mondspoeling). - kêmon, gurahan (of kêmbêngan, Wk.) iets, waarmeê men den mond gespoeld heeft Wk.
kima
KW. zva. angêt, Wk. KN. groote zeeschelp of hoorn, en het weekdier, dat er in huist. kima iwak, een groote platte of opene schelp. kima gêlung, een groote dichte schelp of slakke hoorn. kima tapa, een groote schelp- of hoornslak op het gebergte, die tapa, doet, volgens het bijgeloof, en een groot onheil voorspelt, als die weer plotseling naar zee wijkt JR., vgl. bukur.

--- 1 : 533 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kuma
een verouderd voorvoegsel van ongeveer dezelfde bet. als kami, bv. in kumawani, kumasura, DW. 155.
kêmah
KN. ngêmah, knabbelen, aan iets knabbelen, (iets opknabbelen R.), kauwen, uitkauwen K. 3, 6; tusschen de tanden vermalen als een prooi (vrg. kêpah, mamah); iets kauwen en het weêr uitspuwen, ook aan iets knauwen en er meê spelen, zooals bv. een jonge hond met een lap. - ngêmahi, mrv.; ook kieskauwen. - ngakêmah, poët. = ngêmah. kinakêmah, pass.
kumêh
KW. zva. cêkêl, pêgêl, Wk.
komoh
KN. kêtan °, kětan met saus Tj. IV, 265, ook wel zva. klomoh.
kaman
KN. begraafplaats; denkelijk een verk. v. makaman, zie makam, Wk.
kamini
kamine, komini, KW. zva. wadon, Wk. (Skr. kâminî, minnares).
kamuna
KW. zva. lanang, Wk.
kamunihan
KW. zva. pêpingitan, kasimpênan, Wk.
kumini
zie bij nini.
kêmanon
zie ton.
kumanak
1. gew. kêmanak, KN. naam van een soort van kleine bekkens bij de gamělan's van de Bědhåyå (van anak) B. v. B. I, 100? ZG. XVI, 111. - ngêmanak, daarop gelijkende? van welgevormde kuiten Waj. I, 427. - 2. zie anak.
kêmanigan
KN. door iets op prijs te houden later verplicht zijn het tegen een minderen prijs te verkoopen, dan waarvoor geboden was; ook v. d. goederen zóo voor een minderen prijs verkocht (moeten) worden (eigl. voor een derde minder? v. tiga).
kêmuning
AS. 249 of kumuning, zie bij kuning.
kamandanu
zva. kamandhalu, en waarschijnlijk verbastering hiervan WP. 15.
kumêndur
Holl. kommandeur. kaya ° angajawa, DW. proza 97 voor trotsch.
kamandaka
of komondaka, en kamadaka, (kåmåndåkå) KW. en KN. verzinsel, verdichtsel; verzonnen, bv. v. e. verdichten brief Bab. Jo. II, 434 (Skr. kâmandaka, werk of leer van Kâmandaki, den auteur, zooals voorgegeven wordt van de Nîtiçâstra, d. i. de Politiek, een Macchiavelli; zoodat men het door Macchiavellisme zou kunnen vertalen PK.). wayang kamadaka, verzonnen wayangfiguren? Prěg. 10; v. e. man en vrouw, een minnend paar, waarmede de dhalang bedoelt kamajaya, en zijne vrouw Dèwi Ratih. Ook is kamandaka, de naam der proza-redactie v. d. Tantri v. d. T. - ngamandaka, ngomondaka, ngomandaka, of ngamăndaka, BG. 401 (ngomadaka, intrigueeren? Bab. Jo. II, 412; Men. IX, 211) KN. verzinnen, verdichten; voorwenden, liegen, zich voor iets uitgeven; iem. bedriegen, er in laten loopen, zva. ngloropakên. Bab. Jo. I, 350, 353. wong °, een bedrieger, misleider (wong juru °, een leugenaar R.). ratu °, iemand die zich valschelijk uitgeeft en voordoet als een Vorst. kongkonan °, een afgezant, die komt spionneeren Rh. - pangamandaka, het verzinnen enz. BG. 132, vgl. sandi. limpad °, daarin doorslepen.
komondaka
zie kamandaka.
kumandêl
zie andêl II.
kumêndam
zie kumêndhan.
kêmantèn
en têmantèn, zva. pêngantèn, zie anti.
kumintêr
zie bij pintêr.
kumêntrog
zie êntrog.
kamantyan
zie bij ati, II.
kêmandhah
Holl. kommando. Vlg. Wk. van garnizoen veranderen, of ergens post gaan vatten of bevel gaan voeren. - ngêmandhah, kommandeeren, zijn kommando geven KB. 89, 167. - ngêmandhahake, ergens in garnizoen plaatsen, post doen vatten Wk.
kumêndhan
ook kumêdam, Wk. Holl. kommandant. - ngumêndhani, enz. over iets kommandant zijn, als kommandant het bevel voeren PL. II, 126.
kamandhanu
verbast. van kamandhalu, Par. 13, 15, passim.
kamandhalu
naam van het levenswater of levend of onsterfelijk makend water, dat bewaard werd in de pot asthagina, volgens de Manik-måyå (Skr. kamaṇḍalu, een pot voor water of drinknap van kluizenaars) T. 30b.
kêmandhang
of kumandhang, KN. weergalm; echo Waj. II, 126, vgl. gandhang. - ngêmandhang, enz. weergalmen van de stem. pasare °, de markt weêrgalmt van de stemmen der menschen, vgl. tumawon, BG. 263 swara sumêlèt °.

--- 1 : 534 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kumêndhung
zie mêndhung.
kamandhungan
zie andhung. kori °, BTDj. 476.
kêmanjon
zie kanjo.
kêmênjing
KN. naam van een wilden boom. Vlg. Ks. kêmêjing, a. Garcinia Linn. nat. fam. der Guttiferae (Sěmar-Banyum.). b. Canthium Lam. nat. fam. der Rubiaceae (midden-Sěmar.).
kêmanyu
KN. ngêmanyu, lichtblauw verven (van katoenen stoffen, niet van gestreept goed). - kêmanyon, zoo geverfd (Tj. I, 646) Wk.
kamênang
KW. zva. patrap, Wk.
kamining
KW. zva. mrinding, Wk.
kamonung
KN. nm. v. e. wilden boom Wk.
kumucak
zie bij kocak.
kumêcêl
zie bij pêcêl.
kumacèlu
zie bij cèlu.
kamar
KN. Holl. kamer. - kamaran, een kamer gelijken; een compartiment B. v. B. I, 119; Bijdr. 4e R. I, 522; de kamer in den loop v. e. geweer Wk.
kamor
zie bij wor.
kumar
KW. zva. ngambar, Wk.
kumur
KN. kumur-kumur, geheel vergruisd; ook geheel aan flarden van een kleed, vgl. mumur. Ajur kumur-kumur, geheel tot gruis, bv. gestampt; geheel vermorseld enz. zva. ajur. mati °, BG. 197, Bab. Jo. I, 1422.
kemar
KN. (Ar. [Arab]) ezel, woudezel (vrg. kuldi). jaran kemar, een muilezel (vrg. bihal).
kamari
KN. Ar. [Arab], maan. lintang °, nm. v. e. ster der eerste grootte; vgl. johar, Wk.
kamura
KW. zva. mega. Vgl. ima (kapura).
kêmara
of kumara, KW. zva. kumandhang, ênggon, en manon, Wk.; Vlg. G. zva. musthika. zóo of = kumala, BG. 96 v. e. schoone vrouw. kumaraning dyah sajagat kabèh. KN. ingeving van het gevoel, een stem in het binnenste LK. 100; volgens anderen een stem, die een doode laat hooren (verschijning van een doode G. Misschien van het Skr. mara, een doode, een bewoner van het doodenrijk PK.); ook licht dat sommige slangen 's nachts van zich geven (het. Mal. kumala ular?).
kêmiri
ook miri, 1. N. dherekan, DW. 157 (of pidêkan, Rh.) K. een rondachtige noot v. d. Aleurites triloba Forst., nat. fam. der Euphorbiaceae met een zeer harde schil, die tot de Javaansche kruiderijen behoort JZ. II; ook wordt daarmee geknikkerd, of wel de eene op de andere geslagen (hiertoe dient de kêmiri jêndhul) en gewed, welke de hardste is; hij wiens noot breekt, verliest het spel, dat genoemd wordt adu kêmiri. ° Wêlănda, amandel. ° adon, of ° pidak, zie bij idak. - kêmirèn, (Cilac.) Hernandia L., nat. fam. der Lauraceae Ks. - 2. de enkel van den voet JR.; vgl. polok.
kumara
1. zie kêmara. - 2. KW. zva. kumala. sang kumaraning rum, DW. 147, vgl. kêmara, KW.
kumaru
KW. zva. kumudu, Wk.
kamraos
zie kêmrakas.
kêmaron
zie karu.
kêmeron
of kumeron, zie bij keron.
kumèrèn
zie iri.
kamaronan
KN. nm. v. e. bijzonder fatsoen v. capil.
kamirurus
ongebr. kamirurusên, poët., kamilurusên, Prěg. 49, AS. of kamlurusên, KN. van schrik bevangen, zie lurus.
kamêrki
of kêmrêki, ook mrêki, KN. fijne witachtige diertjes aan de hoornwortels v. e. buffel; ook zva. gurêm, een heel kleine kippevloo (vrg. kêpinjal).
kumarêkêt
zie bij krêkêt.
kêmrakas
of verkort mrakas, KN. kamraos, KD. (RI.) of wêsi °, blik of van blik WW.
kamuritên
kêmuritên, of kumuritên, KN. het geduld verliezen (vrg. kaku ing ati) AS. 182.
kumrêtêg
en kumarêtêg, zie bij kêtêg.
kumarutug
zie bij krutug.
kumratab
KN. ontbladeren G., vgl. krètèg.
kumrus
KW. zva. anggêrus, Wk.
kimarsi
naam van een verdicht of fabelachtig dier, dat, naar men zegt, op een ezel gelijken zou RP. 27, vgl. kemar.
kumrujak
zie rujak.
kumarêsêk
zie bij krêsêk.
kumrujug
zva. gumrujug, zie bij grujug.
kêmarogan
KN. nw. v. e. slingerplant (B. 496) en de bitter smakende vrucht er van, die geconfijt wordt Wk., vgl. ancak.

--- 1 : 535 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kumrêbut
KN. zva. kumrêbêt, fladderen, door fladderen gedruisch maken van ruime kleeren WP. 478.
kêmarang
1. KW. zva. kumandhang, Wk. - 2. KN. gevlochten jong kokosblad, bij wijze van een bord gebruikt bij een bruiloftsfeest en offermaaltijden Tent. 29.
kêmarung
KN. de zachte venijnige doorn of stekels van de gěmbili en gěmbolo enz. JZ. II. Tj. II, 550 voor de planten zelf?
kêmrunggi
KN. naam van een wild slingergewas, met vruchten (klici) als kleine noten GR.
kumrăngga
KN. in zekeren graad van gaarheid zijn van iets, dat gekookt of gebraden wordt Wk.
kamuk
acc. pass. van amuk.
komuk
zie bij umuk.
kamikir
soort van bloem; zie ZG. XXIX, 377.
kamakara
zie mangkara.
kamikêkêlên
zie bij kêkêl.
kumkuma
KW. naam van een soort van welriekend hout, waarmee gewierookt wordt, misschien wel zva. kunir, of zva. het Skr. kungkuma, saffraan.
kuma-kuma
of koma-koma, KN. consideratie, gematigdheid, vgl. têpa, ukur.
kum-kuman
zie bij kum.
kêmod
KN. kêmod-kêmod, of êmod-êmod, zva. cêkot-cêkot.
kumêd
zie bij kêt.
kumud
1. weeke kern of melkachtige zelfstandigheid die in de van klappermelk bereide saus bovendrijft. ° ing dêgan, de nog weeke kern van een kokosnoot; vgl. mod, Wk. - 2. of kumut, KN. kumud-kumud, enz. zva. klumud-klumud, enz.
kumuda
KW. zva. kêmbang tunjung, Wk.; T. 51a, RL. 14a (Skr. kumuda, de witte waterlelie). rêtna kumuda, KN. benaming van een beschildering van een èbèg, op een blauw veld, voor mantri's en daar beneden. kumuda amrik, wangs. voor kêmangi, [wangi] JZ. II, 272.
kamadaka
zie kamandaka.
kêmaduan
dial. = kêmladheyan, Rh., vgl. paduan.
kamidilêp
en kamidilêpên, zie bij dilêp.
kumadama
KW. zva. nistha, en kanisthan, (Skr. adhama, laagste, laag, gemeen) vrg. dama. KN. sterk verlangen, begeeren. - ngumadana, KN. van een kind wenschen, dat het dit of dat worden zal R.; vgl. dama, zich voor zeer gering (zeer onbeduidend, niet knap BJ.) houden.
khamat
KN. de aanhef van een gebed; den aanhef van een gebed uitspreken (waarschijnlijk verbastering van khamad, Ar. [Arab], lof). Zie nog ZG. XXVII, 292. Vlg. Veth, Java I, 640 is kamat, het Ar. [Arab], vgl. adan.
kamot
zie bij mot.
kêmat
KW. zva. gêndam, kawicaksanan, kaluwihan, Wk. KN. zwarte kunst, goochelarij, tooverstuk. tukang °, of juru °, goochelaar. èlmu °, tooverkunst BTDj. 433 of èlmu sikir, zie over kêmat, in Men. Bijdr. 1880, 586. - ngêmat, goochelen, tooveren, betooveren, begoochelen Bab. Jo. I, 1077, aftooveren, aftroonen, bv. iemand zijn goed, vgl. tuju, tênung, têluh, sulap, jantur.
kêmit
KN. (saos, of caos, KI.) nachtwacht (de vrije nachtwacht voor de veiligheid, die elk burger voor zijn geld kan hebben; daar tungguk, ambtshalve wacht voor fatsoenlijker gehouden wordt, zegt men beleefdheidshalve voor kêmit, ook tungguk, Wk.); de nachtwacht houden. (In oudj. en ook wel later: wacht in 't algemeen BJK. 168). kêmit bumi, N. kêmit siti, ook saos siti, K. tot de kaparak, behoorende geringe beambten van den Vorst, die beurtelings in den omtrek van de kraton's nachts de wacht moeten houden en de plaats schoon houden. Ook is hun werk de rijkssieraden buiten te brengen en de poorten te openen en te sluiten WP. 89; JZ. I, 83; vgl. klanthung, jaga, ayêr. tawon kêmit, zie bij tawon. - makêmit, mangêmit, KW. zva. rumêksa, ngandêl, Wk. - ngêmiti, iets of iem. des nachts bewaken als nachtwacht, ook de nachtwacht van iem. overnemen. - ngêmitake, iem. als kêmit, de wacht doen houden, of voor zich doen waarnemen. - kêmitan, wachtdienst, wachtbeurt. - kumêmit, KW. zva. rumêksa. - pakêmit, KW. zva. andêl-andêl, Wk. - pakêmitan, een wachtplaats of wachthuis voor een nachtwacht. Zie verder nog. BJK. 168 en Bijdr. 6e R. I, 79.

--- 1 : 536 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kimat
zie bij umat, II. en kumat.
kumat
zie bij umat, II. terugkomen, zich weêr verheffen van een kwaal, waaraan iemand bij vlagen lijdt. - kumatan, kimatan, bij vlagen gedurig terugkomende v. e. kwaal, of gedurig daaraan lijdende; ook ongestadig, buiig v. iemand.
kumêt
zie bij kêt.
komêt
zie bij umêt.
komot
KN. komot-komot, bevuild, bemorst met iets.
kemutan
zie eling.
kamitêtêp
KN. nm. v. e. klein insect dat een brandende jeukte op de huid veroorzaakt Wk.
kêmatus
volg. Kal tering, vgl. bêngkring. ° tinja, een vrouwenziekte, chronische buikloop ZG. XII. ° rah, chronische bloedvloeiing, gew. na de bevalling JR., volg. Wk. nm. eener ziekte. ° lambe, voor veel van praten houden.
kamutusan
KW. zva. kaputusan, Wk.
kamituwa
zie bij tuwa.
kamitolihên
zie bij tolih.
kamatya
kamatyan, zie ati, II.
kamitigan
zie bij têlu.
kamitegan
zie bij tega.
kamitênggêngên
zie bij tênggêng.
kamas
= têrang, in Sålå = pinto, de N.
kamus
KN. toebereide, getouwde huid, volg. Wk. een soort zacht leer, zeemleer, waarmede een Eur. zadel gew. overtrokken wordt (vrg. kulit, en wêlulang). - ngamus, leer touwen.
kêmis
(Arab. [Arab]), KN. naam van den vijfden dag van de week, Donderdag. Zoo ook dina Kêmis. - ngêmis, bedelen op Donderdagavond, onder het reciteeren van een gebed (donga), door de santri's, zoo het heet, tot bekostiging van de olie voor de lampen in de pěsantren's (vrg. priman). Zie nog ZG. XIII, 227.
kumis
1. of komis, Ml. kumis, knevels. - 2. commies, kantoorschrijver.
kumisi
Holl. commissie, onderzoek J.; ook = ngumisi, inspecteeren.
khamsin
het Pinksterfeest (Ar. [Arab], eig. het feest van den vijftigsten dag).
kamisandhanên
zie bij săndha.
kêmasan
zie bij mas.
kumisaris
Holl. commissaris BTDj. 513, 514, 517; JZ. I, 259, 260, 261.
kamisasat
zie bij sasat.
kamisosolên
zie bij sosol.
kamisêsêgên
zie bij sêsêg.
kamsol
= sikut, de N.
kamisapu
KW. zva. numpangake, nguncupake, Wk.
kamisêpuh
zie bij tuwa.
kimawon
kemawon, zie bae, en bij kewala.
kumawarak
voor kumrawak, K. 19, 8.
kumawani
zie bij wani.
kumwata
KW. zva. mêrêm, Wk.
kamiwêlasên
zie bij wêlas.
kimlo
ook kimblo, KN. naam v. e. Chineesche kost, een soort soep. anak °, een scheldwoord: hoerekind! volg. Wk. boertig: een aterling.
kamal
KW. zva. asêm, Wk., GL. 22. Wangs. BG. 98. KN. ingezouten van eieren. bêkamal, vgl. bêkasêm, BG. 38. - ngamal, eieren inzouten (vrg. asin, ngasin) PL. I, 71. ngamal sikil abuh, een gezwollen been met fijn gestampte metselsteen met zout vermengd als geneesmiddel bestrijken. ° jago, de pooten v. e. vechthaan daarmede bestrijken om de schubben hard te krijgen Wk.
kêmêl
ook thêmêl, KN. koud, kil, klam van de huid of van de kleederen (tegenover kumrisik) bv. door strek zweeten; samenklevend; het leng in meel, rijst enz., als die kleverig samenhangt JR., het tegenovergestelde van pêra, (vgl. dhêmêl, kêkêl, en gêmbêl).
kêmil
KN. de haarkronkel aan de wangen v. e. paard, een slecht teeken Rh. (volg. Wk. aan het kakebeen). - kêmilan, het eten, dat een aap in zijn wangen bewaart Wk., de wangzak v. apen. - ngêmili, v. apen, bij beetjes uit dien voorraad eten; ook bv. v. kinderen, die wat lekkers hebben Wk.; vgl. êmil, (eig. zva. mommelen?).
kêmul
KN. singêb, (of singêp, Wk.) KI. iets waarmee men het geheele lichaam bedekt of inwikkelt, deken, mantel; omhulsel, dek, los dek over iets. ° ngumpul nèng guling, BG. 398 (vrg. rimong, en krukub); eig. akêmul, enz. zich dekken

--- 1 : 537 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
met, zich wikkelen in iets JZ. II. - ngêmuli, nyingêbi, een obj. v. e. kêmul, voorzien KS. 120; ook fig. iem. beschermen Rh. - ngêmulake, iets tot kêmul, bezigen. - kêmulan, singêban, tot deken of dek hebben; toegedekt; onder een dek, deken of mantel WP. 162.
kumêl
KN. (zva. ngloko, van het vleesch van een mensch R.); van het gemoed beklemd, somber, volg. Wk. ook zva. kêmêl, zóo Bab. Jo. I, 1334 ° angatisi. (en zva. lungsêt, G.); ook niet spraakzaam Rh. - kumêlan, ligt somber, verdrietig enz. zijn. - kêkumêlan, afgedragen kleeren G.
kêmale
KW. wild. maesa °, een wilde buffel BS. 573; volg. Wk. een centaurus; vgl. danu.
kêmalo
KN. klabêt, KD. naam van een hars van verschillende kleuren, daar krisscheden mee verlakt worden (vrg. ambalo, sampang). - kêmalon, kabêtan,[3] verlakt van een krisschede. kêmalon abang, rood verlakt.
kumala
1. zie bij kala, I. - 2. KN. (ook komala, Wk.) karbonkel, een kostelijk, denkbeeldig edelgesteente, van een bijzonderen luister AS. 52; vgl. ZG. XIX, 52. (Het wordt verklaard door musthika, en intên, musthikaning kang bumi, kumalaning buwana, BG. 144). kumalasari, zva. intên kêmbang, topaas. - 3. naam van een welriekend hout, waarschijnlijk een soort van Aloëhout (Skr. kumâra, de aloëplant). - 4. KW. zva. sêkar tunjung, ontbr. W. (Skr. kamala, lotus, waterlelie). Ook zva. pradapa (Skr. kuṭmala) Wk. - ngumala, als een kumala, Waj. II, 13; AS.; Rm.
komala
zie kumala, Wk. Oudj. ook teeder RK. 3, vgl. bij kala, I.
kêmluhung
v. luhung, zie bij angur.
kêmalon
zie kêmalo.
kumalancang
zie bij lancang.
kumêlănda
zie bij Wêlănda.
kumlêndhêng
KN. loopen van veel menschen bij elkander op een plaats B. v. B. I, 52 (eig. in de lengte zich uitstrekken, vgl. kumêndhêng). Een ander zie bij klêndhêng.
kêmlandhingan
KN. naam van een groote spinnekop, tuin- of boomspin, zwart en geel gestreept, met een lang achterlijf, somtijds een halven vinger lang. De webdraden zijn geelachtig en vrij sterk (vrg. kala, III, katèl, en kêmăngga), in de TP. ook garanggati, geheeten. jaring, (of omah) kêmlandhingan, een spinneweb. - 2. naam van een boom (ook kolontara, en solontara, Wk.) waarvan de boonen (als pête, ruikende Wk.) bij de samběl gegeten worden (bij gebrek aan pěte ZG. XXIX, 365). Ks. kent kêmlandhingan, of ° gunung, (bergstreken v. Midden-Java) Albizzia Durazzini, nat. fam. der Leguminosae, en een andere kêmlandhingan, Leucaena Bth. van dezelfde familie.
kumlunthung
en kumlunthus, KN. verwaand, onbescheiden, wanneer men bv. uit betweterij iem. in de rede valt Wk. vgl. kumênthus.
kamilurusên
zie bij kamirurus.
kêmlaka
KN. naam van een wilden boom, die een trosvrucht heeft, in kleur en grootte niet ongelijk aan onze witte druif. Van het hout worden groffe houtskolen gemaakt. Vlg. Ks. Phyllanthus L., nat. fam. der Euphorbiaceae. Volg. Kal gelijken de bruine vruchten veel op vijgen en worden gaarne door kidang's gegeten, vandaar de sprw.: măngsa kidang ora doyana °, zie K. 10, 4.
kumalikih
of kumlikih, KN. veel beloven, mild in beloften; volg. and. trotsch, opgeblazen, zva. sumakeyan, Wk.; zich voordoen als iemand die veel weet of kan R.
kêmlakarên
KN. ongemak hebben van een overladen maag, zooveel gegeten hebben, dat men er benauwd van is of bijna van stikt, meer dan kamilêgên (vrg. kamlêkêrên, sêbah, cêgèh).
kamlêkêrên
(v. kami, en lêkêr? Wk.) KN. verstikt van een ei dat uitgebroeid, maar waarin het kuiken gestorven is, vgl. wukan, bungkêr, en van zaad dat uitgeloopen, maar waarvan de kiem dood gegaan is JR.; ook fig. v. e. plan (in de geboorte) gesmoord; onbetaald v. e. loon enz., tegenover netês, vgl. ook kamidilêpên, Wk.
kamilikatên
zie bij likat.
kumalit
zie cilik
kumalot
zie bij lot.
kêmlowa
TD. = mênowa.
kumlawe
zie bij awe.
kumlewa
zie bij ewa.
kamladhakan
KN. de halfrijpe tamarindevrucht Waj.

--- 1 : 538 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
II, 68, als de vrucht niet meer aan de schil gehecht is. tai °, drek, die er zóo uitziet Wk., vgl. cêmpaluk.
kêmladheyan
of kêmadheyan KT. 106. KN. naam van een parasietgewas, dat aan boomtakken groeit en volg. J. soms bloemen en vruchten voortbrengt JZ. II (vrg. simbar, kajar, kêmanuwan, enz.); vgl. paduwan, en padhuwan. Vlg. de Clercq: Dendrophtoë lepidosa Bl., nat. fam. der Loranthaceae, zie Fil. n°. 3676.
kamalya
KW. zva. kêcut, zie kamal, Wk.
kamalagi
KW. zva. asêm, Wk. (vgl. kamal).
kamilêgên
zie bij lêg.
kêmlethon
zva. kaledhon.
kumlungkung
of kumalungkung, RP. 132. KN. ingebeeld, verwaand, trotsch, opgeblazen; ingebeeldheid. lumancang, kumini °, Bab. Jo. I, 664 (vrg. gumêndhung).
kampi
KW. zva. gonjing, dhawah, ebah, kasaruwe, Wk. (Skr. misvatting van kampita?).
kèmpi
zie bij impi.
kampuh
1. zie ampuh. - 2. KI. zie dodot, JZ. II.
kêmpêh
KW. zva. kêmbêng. - kumêmpêh, KW. zva. kumêmbêng, buntu, sêkêl, sumpêg, Wk.
kumpah
KW. zva. wutah, Wk.; vgl. Ml. tumpah.
kumpêni
of kumpni, ook kompani, Wk. KN. Holl. compagnie, d. i. 1. de voormalige O. I. Compagnie en het Nederlandsche Gouvernement. 2. volk van de Compagnie, Hollanders, Europeanen. 3. een compagnie soldaten BS., militair, militaire dienst. wong °, een Gouvernements dienaar of onderdaan, ook een militair, militairen.
kompra
of kumpra (komprå) KN. een gemeen mensch, iemand van de laagste klasse Wk. (vrg. urakan) lir wong ° ambêlasar tanpa gawe, BG. 289, BTDj. 426, RP. 116.
kampir
en kampiran, zie bij ampir.
kêmpar
= gêrèh pèthèk, de N.
kêmpor
KN. ngêmpor, schreeuwen, vgl. gêmbor, ook de rook uitblazen, niet inslikken bij het rooken; vgl. êmpis, abul. Pating kalêmpor, overal schreeuwen of dampen als boven; Tj. I, 495 van rookenden.
kompur
komfur, Holl. komfoor (vrg. anglo, en kêrên).
kompèr
kompèrên, een schimpwoord tegen iemand, die in het een of ander te kort schiet, kort van begrip is enz. Waj. I, 34, CP. bankbreukig, gefailleerd Wk., vgl. kêmplang.
kêmproh
zie kêproh.
kamipurun
zie bij wani.
kamprèt
KN. 1. een soort kleine vleermuizen (met een staartje Wk.) met een dubbele neus Rh.; zie lawa. De kamprèt, leeft van vruchten, de lawa, van insecten. - 2. plat en hangend van vrouwenborsten, vgl. kopèk, kaprêt, Wk.
kêmpros
KW. zva. gabug, KN. spr. van iemand wiens taal of beloften niet waar zijn, en geen geloof verdienen; blufferig JZ. II. - ngêmpros, leugens vertellen; opsnijden, winderig spreken, bluffen.
kêmprang
KN. klanknab. voor het geluid als porceleinen of metalen voorwerpen vallen. - kumêmprang, dat geluid maken.
kêmprung
of kêmprong, KN. klanknab. v. h. geluid v. h. slaan in het rijstblok (lêsung, volgens Wk. in deze bet. alleen kêmprong); luidruchtigheid, gedruisch, bv. van twistenden, vgl. gêmbrong. - kêmprongan, op een luidruchtige wijze Wk.
kumprung
KN. onnoozel; dom, van weinig doorzicht; onhandig, onbekwaam KT. 108, GL. 30, vgl. cubluk.
komprang
wijde tot op de enkels reikende broek v. d. T.
komprèng
KN. een jong hert (vrg. mênjangan).
kampak
KN. 1. groote bijl (vrg. wadung). - 2. roover, een troep roovers, die bij nacht met geweld inbreken (met bijlen?) en rooven of stelen, in kleiner troep, dan die kècu, genoemd worden R. (vrg. kroyok). In den Oosthoek (en aan het noorderstrand R.) van Java, heeten kampak, zij, die te Sålå kècu, genoemd worden, vgl. ZG. XXII, 142. - ngampak, met een kampak hakken of kappen; des nachts inbreken en roof plegen. - ngampaki, mrv.? BTDj. 593. - kampakan, obj. den., en spoor of teeken door een kampak, veroorzaakt Wk.
kumêpak
zie kupak.
kêmpit
KN. ngêmpit, iets onder den arm houden, dragen, nemen of steken BG. 237, RP. 77.

--- 1 : 539 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
angêmpit sirahing putra, bij een omhelzing DW. proza 177; iemand in den arm hebben, naast zich op het bed WP. (volg. Wk. een ongeoorloofde minnehandel hebben met een vrouw, vgl. gandhèng); volg. Rh. eig. dragen met de arm tegen het lijf gesloten, want ook ° sikil, bet. de beenen gesloten houden (volg. Wk. ook iets tusschen de dijen houden om de handen vrij te hebben); en iets van iemand in commissie ontvangen om te verkoopen, iets voor iemand te verkoopen hebben van een bakul S. (vrg. ngayuh, bij kayuh, en ngèbèr) JZ. II. - ngêmpiti, mrv., ook iets te dragen of in commissie geven aan. - ngêmpitake, iets te dragen of te verkoopen geven (aan iemand als boven). - kêmpitan, obj. den.; wat iemand in commissie te verkoopen heeft; ook K. van indhing, (stam pit, waarvan ook pipit, gapit, enz.). Ook op een erf bijwonende bloed verwanten ER. III, 74, 85.
kêmput
KN. geheel en al, van het ééne einde (uiterste punt Wk.) tot het andere, bezet, bv. met troepen; geheel en al, van alle zijden, aanééngesloten van een omheining of omsingeling; (geheel afgewonden van een streng garen R.) vrg. muput. - ngêmput, soms voor kêmput, Wk. (geheel omsingelen GR.). - ngêmputi, iets geheel bedekken, bv. een tafellaken de tafel; iets geheel omvatten, omsingelen Wk. - ngêmputake, iets, bv. een ringmuur, geheel gesloten maken.
kêmpot
KN. scheef, niet haaksch, uit den haak van een zijde van een voorwerp vergeleken met de andere zijden JR.; volg. Rh. een holte of deuk; vlg. Wk. aan de eene of andere zijde ingedeukt, ingevallen, ingezonken, bv. v. e. deurpost. jagung ° een miswassen (niet geheel gevulde) jagungvrucht, die men bv. kan indeuken Wk.; en ingevallen wangen hebben door magerheid of tandeloosheid (vrg. kêmpong).
kimput
KN. met de beenen dicht aaneen gesloten van Javaansche vrouwen, gew. uit schaamte, vandaar ook beschaamd (Asm. S. I, 66); Rh.; ook zva. kêlimput, zie limput, Wk.
kampita
KW. ook kapita, BS. 44 zva. gonjing, molah, en kagèt kang bangêt, schudden; in schudding of sterke beweging gebracht; hevig ontsteld of verschrikt BS. 44; hevige gemoedsbeweging; sidderen, beven (Skr. kampita, in schudding gebracht, bewogen). Vrg. kapita, en kapi, 2. - prakampita, sterke schudding; daverend geluid; hevige ontsteltenis; vervaarlijk RP. 73. BG. 277, 546: bumi ... jumlêgur °, (vrg. prakêmpa).
kêmpis
zie bij êmpis.
kêmpus
zie bij êmpus.
kêmpès
of kimpès, KN. slinken, plat of dun worden, bv. van een blaas, gezwel of zak; geslonken (vrg. kêmpong, en kingsèp). - ngêmpèsake, iets doen slinken enz.
kimpès
zie kêmpès.
kêmpos
het geblaas, dat een karbouw of koe met den neus maakt Wk. kêmpas-kêmpos, (Rěmb.) geluid van 't snuiven van een baṇtheng te M. in TBG. XXV, 310. - ngêmpos, zulk een geblaas maken. - ngêmposi, zulk een geblaas maken tegen; jegens iem. zijn belofte niet nakomen Wk.; stam pos, zie ald. - kêmposan, zie êmpus.
kampil
KN. 1. een zak. dhuwit sêkampil, een zak geld; vgl. kimpul, kompol, kandhi, karung. - ngampili, in zulk een zak doen. - kampilan, zak, gwl. van biezen of vezelen van boomschors, z. a. de gewone geldzak, ook een kleine rijstzak Wk.; in zakken, bij zakken. - 2. kampilan, schenkel van een beest G. (dit vlg. Rh. wêdidang), vlg. sampil.
kampul
of kimpul, KN. kampul-kampul, op en neêr drijven, hier en daar gaan, maar nergens terecht komen of hulp vinden Wk., vgl. kumambang. - krampul, krimpul, freq. karêmpul, Tj, II, 567. - kumampul, of kêmampul, enz. vlottend op het water drijven; vlotten gaan, vlot worden; (ook stuiten, er niet in- of doorgaan, bv. van een hakmes of bijl, daar men mee hakt S.). - krampulan, enz. nu eens boven dan weêr onder water drijven, zva. kampul-kampul, Wk.
kêmpal
zie kumpul.
kêmpêl
zie kumpul, ook zva. dhêmpel.
kêmpul
KN. naam van een kleine gong Tent. 48, JZ. II (zie kincur). kêmpul cilik, wangs. voor mong, [kêmong] Waj. I, 441; II, 550.

--- 1 : 540 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kimpul
KN. 1. naam van een aardvrucht Colocasia antiquorum, nat. fam. der Aroideae, soort van aardappel, die gegeten en verbouwd wordt (vrg. kênthang) JZ. II. - 2. een linnen reistasch, die aan een band over den eenen schouder hangend gedragen wordt, bv. om sirih of geld in te doen (vrg. kampil, kompol, 2. cangklong, krêdhu). - 3. zie kampul.
kumpul
KN. kêmpêl, PL. I, 59 en kêmpal, KD. volg. Wk. het laatste K. te zamen, samen bij elkander; verzameld, vereenigd, vergaderd; ook in overeenstemming. pikire °, hun gedachten zijn in overeenstemming Wk.; samenleven JBr. 172, JZ. II (vrg. dhêmpêl, kêmbul, klumpuk, en krompol). kêmpêl manahipun dados satunggal, ze werden eens van zin BTDj. 53. kumpule, het totaal, bedrag enz. - ngumpul, ngêmpêl, zich verzamelen, samen vergaderen; zich met anderen samen vereenigen AS. 199 (zich als tot een klomp aaneenhechten) tot een groep enz., zva. nglumpuk, doch ngumpul, gew. v. menschen Wk., BG. 398; tot éen worden. - ngumpuli, zich bij iem. aansluiten, met hem of zijn gevoelen instemmen. - ngumpulake, ngêmpêlakên, doen of laten verzamelen; samen bijeenbrengen; twistenden e. derg. bij elkander brengen, verzoenen Wk. - kumpulan, of kêkumpulan, en kêmpêlan, of kêkêmpêlan, met een ander of met elkander samen zijn (in de desa: bij anderen inwonenden, z. a. oude lieden, jonggehuwden en nieuwelingen ZG. XXVIII, 32); omgaan met anderen; verzameling, gezelschap, omgang, troep van menschen, ook bijeenkomst ER. III, 193. - pakumpulan, pakêmpêlan, verzamelplaats, vergadering; in een vergadering bijeen zijn AS. 161; verkeering. omgang, verzameling enz.; troep van menschen.
kempol
KN. been, kuit, kuiten, als KI. dikwijls wêntis, Wk. sa °, als maat BG. 346, vgl. sapupu. (vrg. kentol, sentol).
kompal
KN. ngompal, arm, behoeftig zijn; vgl. gombal. - kompal-kompal, in een behoeftigen toestand verkeeren. - krompal, ook krêmpal, met pating °, overal met scheuren en lappen. - ngrompal, enz. zva. ngompal. - pangrompal, enz. behoeftigheid, armoede Wk.
kompol
KN. 1. zie krompol, J. - 2. een zak van bagor, daar men rijst, kacang of aardappels in doet (zva. kimpul 2) doch grooter Wk. om inkoopen op de markt in te doen? volg. Rh. ook koperen duiten, vandaar sa °, een zak koper, gew. f 25.
kimplah
KN. kabbeling van water. kimplah-kimplah, kabbelen, zva. kilah-kilah.
kamplèng
= anggar, de N.
kamplong
zie cirak, en kalang, 1.
kêmplang
KN. 1. ook kêmplong, klanknab. van een slag op een houten voorwerp; fig. bedrog, oplichterij. - ngêmplang, iem. knuppelen Wk.; schulden maken en ze niet uitbetalen Wk., iem. op die wijze benadeelen, teleurstellen; fig. iem. bedriegen, oplichten, vgl. gabrul. - kêmplangan, aan zulke (eerlijke) schelmerij gewoon, een bankroetier, vgl. kompèrên. - 2. het in de zon gedroogd worden, vgl. klanthang, ook nm. van een lekkernij. - ngêmplang, hard in de zon droogen. kêmplang, bereiden. - 3. ook = kêmpyang, Wk.
kêmplung
KN. herh. vol water, vgl. komplang, met water opgevuld van den buik (klanknab. naar het klokken v. h. water? vgl. cêmplung).
kêmplong
(zie kêmplang) KN. het slaan of kloppen van geweven katoen, nadat het gesteven (nyêkuli) is, op een dikke plank, vóórdat het gebathikt wordt, en van de schors van de glugu, om er papier (dêluwang) van te maken; ook naam van een soort van gamělan van hout, in Bagělen bij de danseressen in gebruik S. JZ. I, 307. Tj. II, 328 ting karêmplong rame swarane kang madung. - ngêmplongi, op iets kloppen als boven v. M. 12. - pakêmplongan, de houten hamer, waarmede men als boven klopt Wk. - kêmplongan, een breede dikke plank, waarop katoen geklopt en Javaansch papier bereid wordt.
kimplêng
KN. herh. zva. kilêng-kilêng, of komplang-komplang, glimmen, weerschijnen v. vloeistoffen in een diepte, bv. water in een put, als de lucht er zich in spiegelt Wk.
komplang
en komplang-komplang, KN. kabbelen van water of andere vloeistoffen PL. I, 31; R;

--- 1 : 541 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
herh. plassig, bv. v. een plaats waar veel water staat Tj. I, 384 (ana sêndhang °, BG. 217?), of van jangan, waarin te veel saus is; ook de saus tegenover de groente, vgl. kilah-kilah, kimplêng-kimplêng, enz.; ook komplang, onvervuld, vacant, bv. van een děmangschap LB. 72; wat liggen blijft, waar niet meer aan gewerkt wordt van een werk. Tj. III, 296; van een erf ER. I, 159. In deze laatste bet. volg. Rh. eig. komplong, zie lompong, en vrg. lowong. - komplangan, wat onvervuld enz. blijft, vacature Wk.
komplong
zie bij kêmplong.
kumapalang
zie alang.
kampyak
zie ampyak.
kêmpyang
volg. Rh. het instrument onder kêmpyung, opgegeven (komt o. a. voor in Tj.). Of kêpyang, een soort van bonang gêdhe, ZG. XVI, 80, 110. Ook is kêmpyang, nm. van een spel ZG. XXVII, 288. Volg. Wk. nm. v. e. muziekinstrument, dat bij de gamělan sěkatèn behoort; ook die zijde van een Jav. trom, waarvan de slag hoog van toon is, vgl. bêm. Goed kunnen praten, slag van spreken hebben; vgl. gandhang, gêmbyang. - ngêmpyang, op de kêmpyang, spelen. - ngêmpyangi, met de kêmpyang, accompagneeren, iets meê doen, om het maar aan den gang te houden, bv. een spel, om geen spelbreker te zijn Wk.; BG. 156, om gasten tot eten aan te moedigen.
kêmpyung
KN. naam van een muziekinstrument bij de mónggang (en pelog, Rh., ZG. XVI, 110) dat op een bonang gelijkt; twisten, kibbelen. - ngêmpyung, op de kêmpyung, slaan. - ngêmpyungi, met een kěmpyung accompagneeren; fig. twistenden of ontevredenen aanzetten, door zijn instemming te kennen te geven Wk.
kampung
KN. een omheind erf van woningen S., JBr. 245; een wijk ER. III, 187; en bijzonder fatsoen van gebouwen, namelijk met recht opgaande gevels (zie keyong, en vrg. limasan); ook wel een lange paringgitan, tusschen de påndhåpå en het woonhuis Jav. Br. 246, Wk. omah kampung, een huis of gebouw van dat fatsoen JBr. 420, KT. 65; ook een huis van geringen in een wijk, in onderscheiding van de huizen van de hoofden, die meer afgezonderd staan. kopi kampung, kampung-koffie, koffie in de kampungs gekweekt, anders pàgěr-koffie genoemd; zie nog bij omah. - (kêkampungan, R.) of pakampungan, de kampung's of wijken van een plaats PL. I, 66, 102.
kêmpung
KN. de onderbuik, nl. boven tusschen de liezen van een mensch (vrg. puyuhan, bij uyuh).
kêmpèng
KN. de zijde boven de heup, volg. Wk. gew. lêmpèng, ook een (volg. Rh. holte gevormd door een) vooruitstekende punt of uithoek, bv. van een klip of rots.
kêmpong
KN. ingevallen wangen hebben door tandeloosheid; tandeloos; dun van buik v. e. paard, dat geen voeder genoeg heeft, vgl. lêmpèd. plat v. e. beurs en derg., vgl. kêmpès, Wk. (vrg. nog kêmpot, en ompong).
kêmadha
KN. de rand van een bathiksel CO., gew. aan een hoofddoek, zakdoek of borstkleedje, vgl. sèrèt. Zie pêngadha, en madha.
kêmidhi
Holl. komedie Waj. II, 171. - kêmidhèn, komediegebouw, komediespelen Wk.
kêmudhi
kumudhi, zie mudhi.
kêmadhuh
KN. karbouweblad, naam van een plant, Laportea Gaudich., nat. fam. der Urticaceae KS., die een brandende jeuking veroorzaakt JZ. I, 274. (Ks. noemt nog ° kêbo, ° brunya? ° sapi, en ° kidang). tunggak °, scheldwoord PJ. IV, 137 (vlg. JZ. II = tilasan maru utawi satru). - ngêmadhuh, gelijk een karbouweblad G.; een beest met karbouwblad prikkelen; een buffel, die tot vechten met en tijger aangeprikkeld moet worden met water, daar karbouwebladen in afgetrokken zijn, begieten R.
kêmadhèh
zie kêmadheyan.
kamudhahan
KW. zva. rahmat, Wk., vgl. murah.
kêmadheyan
zie kêmladheyan (de N. kêmadhèh, vgl. Walbeehm, dial. van Japårå).
kêmadhing
= gêmadhing, zie gadhing.
kêmodhong
of kêmondhong, KN. nm. v. zekere tooverkunst; vgl. gêndam. - ngêmodhong, betooveren Wk.
kameja
Port. camisa, hemd; ook wel voor meja, tafel KB. 7. klambi kêmeja, een hemd of een overhemd.
kêmajon
1. zie aju. - 2. voor kêmanjon, zie kanjo, Bl. CP. 153.

--- 1 : 542 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kamijara
KN. gew. ben. (Wk.: KW.) v. d. sêre, (Tj. II, 608) Rh.
kamajaya
of kumajaya, zie bij kama.
kêmêjing
zie kêmênjing.
kêmojing
nm. van een eetbare vrucht JZ. I, 276.
kamajêngên
zie aju.
kêmayu
of kumayu, zie bij ayu.
kamiyahan
KW. zva. kamurahan, Wk.
kêmayan
zie bij maya.
kumyus
KW. zva. molah, W., RL. 33a, T. 13b, uitbreken van zweet BTDj. 526, zweeten, druipnat v. zweet, sterk vloeien van het zweet Wk., Bijdr. 4e R. I, 524, 525; II, 508; III, 150. Vgl. gumrobyos.
kamayang
en kêmayangan, zie bij mayang.
kamayung
zie bij mayung.
kumêm
KW. zva. kêju, Wk.
kêmumu
KN. nm. v. e. wilden boom Wk.
kêmampo
zie bij ampo.
kêmêmping
zie bij êmping.
kêmamang
of kumamang, KN. nm. v. e. vuurkwijlenden boozen geest, vgl. antu.
kêmaga
zie maga.
kamagan
of kêmagan, KW. zva. kêmarogan, Wk. KN. benaming van een gamělan, die alleen bestaat uit de rěbab, gěndèr, kěthuk, kěnong en gong, terwijl de kròmòng en saron weggelaten worden Rh.; vgl. gadhon, bij gadho, Wk.; zie maga, en kêmaga.
kêmagêtan
zie bij magêtan, G.
kêmêgilan
(G.) of kumêgilan, zie bij gila.
kamba
KW. zva. sorot. - kamban, zva. kasorotan, Wk.
kambi
zie ambi.
kambu
1. N. zie bij ambu. - 2. KN. in menigte uit een gat komen vliegen en zich verspreiden, zooals van bijen; uit elkander stuiven; naar alle kanten de vlucht nemen; vgl. byung. - 3. ook zva. kambuh, Wk.
kêmba
KW. zva. suda, Wk. KN. (flauw; flauw, laf van een kost; flauw, wat geen belang inboezemt R.); niet met vorige graagte, belangstelling, lust enz. iets doen, zien, hooren, eten enz. Wk., verflauwen BTDj. 673 (BG. 490: aja °, onverflauwd!); met flauwheid, koelheid en onverschilligheid; niet met lust; flauwtjes, met traagheid; flauw worden van iets, bv. van het aanhooren van een laf verhaal, of van alles wat iemand begint te vervelen (vrg. cêmplang, cêblèh, kumlewa, bosên, taluh, enz.). ° uwang, praatzuchtig, nl. onvoldaan van niet te kunnen spreken over een geliefd onderwerp BG. 138; ook snoepachtig; volg. Wk. uit verveling behoefte gevoelen aan werk voor de kaken; bv. om te snoepen, te vertellen, te praten, onverschillig wat, als het maar diene om den tijd te dooden; BG. 138: kêmba uwang sabêdhug yèn tan ngrasani sêdhepa Sang Pamadya. kêmba-kêmba, min of meer onverschilligheid gevoelen; zóó zóó, lauwtjes, niet recht van harte Wk.; vgl. taha-taha, kaba-kaba, met min of meer tegenzin iets doen JBr. 309. - ngêmba, iets beu zijn, van iets met tegenzin zich afkeeren JR.
kêmbi
KN. een kleine kêmbu. Lir kodhok sakêmbi, als kikkers in een kêmbi, nl. zoo dicht opgestapeld (AS.) Rh.
kêmbu
KN. een kleine tumbu, een luiermand; volg. Wk. een soort van langwerpige mand, en een cilindervormige visch korf, die de visschers met kruisnet op den rug gebonden hebben JR.; zie kêpis. sakêmbu, eenstemmig, eenhartig Wk.
kumba
KW. zva. gênthong, jêmbangan, wêwadhah, gêdhong, en êndhas, (BS. 601, Men. VII, 373). ° carana, zva. prada binabar, Wk. KN. gelijk van grootte en gedaante; twee dingen van dezelfde soort GR. (en de kaken van een beest G.); ook eign. van een Butå (Skr. kumbha, een pot; een knobbel boven aan het voorhoofd van een olifant T. 29a; een eign. van den neef van Râwaṇa, als Râkṣasa beschouwd). ngadu kumba, twee dingen van dezelfde soort tegen elkander stooten, of twee gelijke personen tegen elkander laten kampen GR.; volg. Rh. de twee hoofden van zijn tegenpartij tegen elkaar bonsen, zooals Wrěkodårå doet, als hij door twee butå's wordt aangevallen C. 2196, bl. 65; BG. 280 v. twee buffels. Ook tusschen broeders en zusters of man en vrouw stoken Wk. Kumbakarna, eign. v. d. jongeren broeder van Rawånå (Skr. Kumbhakarṇa). Kumbayana, eign. van Dronå in zijn jeugd (Skr. Kumbhayoni, één van de namen van Droṇa PK.). kumba-kumba, - eign. v. e. zoon van Kumbåkarnå (Skr. Kumbha). Ook zijn Kumba-kumba [...ku]

--- 1 : 543 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...mba], of Kumbarawa, en Wanikumba, of Kumbarawi, (Bab. Jo. I, 971) de namen van twee stukken geschut op de alun-alun te Suråkěrtå (Skr. Nikumbha, eign. v. e. zoon v. Kumbhakarṇa, broeder v. Kumbha PK.); v. geschut dat buldert: lêr[4] rêdi Kumba? Bab. Jo. II, 226, 270.
kumbi
KN. ontkennen, loochnen, bedekt of geheim houden, het tegenovergestelde van balaka, WP. 275 (volg. Rh. niet de volle waarheid zeggen, iets verzwijgen BB. 270); vrg. mungkir, selak, kikib. - ngumbèni, iets ontkennen, loochnen, verborgen houden (ook zva. ngombèni, van ombe).
kumbu
KW. zva. sêdhêngan, Wk. KN. nm. v. e. lekkernij v. kacang met suiker. - ngumbu, kumbu, maken, v. iets kumbu, maken. - ngumboni, mrv. Wk.
kambah
zie bij ambah, en KW. zva. kawuwuhan, Wk.
kambuh
KN. weêr terugkomen van een vorige ziekte; weêr instorten van iemand die pas hersteld is; fig. weêr tot een vorig kwaad terugkeeren of vervallen KB. 71. - ngambuhi, instorting veroorzakend, bv. van iets, dat men eet Wk. - ngambuhake, een ziekte weêr doen terugkomen; iemand weêr doen instorten enz., vgl. angot.
kumbah
KN. een wasscher, gew. juru kumbah, zva. juru masuh, of juru mutih, volg. Hindoesch begrippen gerekend tot een verachtelijke klasse der maatschappij, vgl. sarakah, BS. 464, en zie padarakan. - ngumbah, iets, zooals kleeren (ook tamarinde MR. I, 89) wasschen; BTDj. 39: luiers spoelen; iets met water schoonmaken, ook bv. de beenen van een paard wasschen (het paard zelf wasschen heet guyang) BTDj. 464, Tj. I, 935: ° tangan, eig. misuh. ook door middel van water zuiveren BvB. 137, JZ. II (vrg. masuh, kurah, kuras, girah). ° wong, iem. door een eed zuiveren, vgl. ambrêsihi, en zie supata, imbar. - umbah-umbah, zva. ngumbah, (in Tuban S.). - ngumbah-umbah, het een en ander wasschen, aan het wasschen zijn. - ngarumbah, zva. ngurambang, zich op het water laten drijven? vgl. kambang, Tj. III, 335. - ngumbahi, mrv. - kumbahan, het gewasschene of te wasschene BvB. 137 enz.; waschwater, zuiveringseed Wk. - pangumbahan, plaats om te wasschen of te zuiveren, waschtobbe enz.
kumbuh
ongebr. kumbuhan, KN. een geschoten wild, nog levend of ook dood (volg. and. in het laatste geval sarah); een op het drooge geraakte visch; een door het vechten met een buffel vermoeide tijgr, die daarna gerampokt wordt; ook van iemand die door waken of feestvieren afgemat is; (verergering, verslimmering; en weêr instorten, zva. kambuh, G.).
kamban
zie ămba, en kamba.
kambon
zie bij ambu.
kêmbên
KN. 1. kasêmêkan, of sêmêkan, KI. borstkleed, een lange breede strook, daar de vrouwen de borsten meê bedekken. ° dara muluk, een soort bathiksel (Tj. I, 181). - ngêmbêni, nyêmêkani, iemand een borstkleed aandoen. - kêmbênan, KN. ngagêm kasêmêkan, KI. een borstkleedje aan hebben Wk., vgl. ambên. - 2. de gespikkelde veêren aan de borst van een gěmak.
komban
KW. zva. kèlês, Wk.
kambana
KW. zva. alang-alang, Wk.
kêmbar
KN. elkander gelijk zijn of gelijken Prěg. 6, vgl. kancuh, dhampyak, jumbuh, bij elkander passen of voegen door gelijkheid, gew. van twee, maar ook wel van velen; paar wegens gelijkheid, paar van twee gelijken; weêrga van iemand of iets; tweelingen van hetzelfde geslacht (vrg. kêbar, timbang, tandhing, en pasang). ° sêlasih, tweelingen van verschillend geslacht, wellicht zoo genoemd omdat de sêlasih, veel heeft van de kêmangi, maar alleen in kleur verschilt Rh. kêmbar gantung, tweelingen, waarvan de een eenige dagen vroeger dan de ander ter wereld gekomen is Wk. kêmbar jalu, een term bij het hanengevecht, als de stalen spoor van den haan aan de natuurlijke gebonden is, vgl. sale, cuwe, batang. Kêmbar (of gagar) mayang, twee trossen bloemen en bladen (van allerlei soort, waaronder mayang d. i. pinangbloesems Wk.) die bij een bruiloftsoptocht vooruit gedragen worden. kêkêmbar voor kêbar, JBr. 365; volg. Wk. met een ander een paar uitmaken, gelijkvormig zijn, zva. madha rupa. - ngêmbar, iemand of iets tot een gelijk paar maken met een ander WP. - ngêmbari, bij iets een gelijke of weêrga bijvoegen; aan iemand als tegenpartij of

--- 1 : 544 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kampioen zich overstellen, om met hem te kampen BTDj. 100, 525; WP. 496; KA. 15? ngêmbari jurit, wangs. voor kamlandhingan [nandhingi] JZ. II, 276. - kêmbaran, weêrga; paar van twee gelijke, maar niet juist bij elkander behoorende, voorwerpen BG. 314, WP. 490. Wangs.: dara muluk sakêmbaran = sajodho, en upaya kinêmbar rupa = pêpatah, CS.
kêmbur
KN. naam v. e. zeevisch Wk.
kombor
KN. wijd, slobberig, meer dan gewoon wijd van iemands kleêren, vooral van de pijpen en mouwen (vrg. glombyor, en klombroh). - ngombor, zva. ngopoh, nat maken, met water begieten, bv. tot verkoeling J.; een paard met gehakt gras en water (slobber?) voeren. - komboran, obj. den.; ook gehakt gras met water en zemelen, gabah, roode rijst enz. tot voer voor een paard.
kumabruk
zie bij bruk.
kêmbirit
zie cêmpirit.
kimburuan
kemburuan, KW. zva. butarêpan, Wk. (van oudj. kimburu, zie Brandes Proefschr. 48, 97, 105).
kambiring
KW. zva. wingwang, Wk.
kambèk
zie ambi.
kombak
zie ombak.
kambat
zie ambat.
kambêt
zie ambu.
kèmbèt
zie èmbèt.
kumbas
KW. zva. jêmbangan, Wk.
kambil
1. en ngambili, KI. zie abah-abah, AS. 142. - kambilan, en prabot kambilan, KI. van prabot abahan, zadeltuig, paardentuig, vgl. Tent. 52. - 2. = krambil, de N.
kambul
KN. ngambul, met de horens in den grond woelen, of tegen een boom of paal schuren; van een vrouw, die in hevigen toorn met alles gooit, alles onderste boven gooit of breekt. ngambul nangis, Waj. II, 376; zie gambul, en ambul. Een ander zie kêmbul.
kêmbêl
zie êmbêl.
kêmbul
KW. en kambul, zva. lawan. - ngêmbul, zva. nglawan. - makêmbulan, zva. tandhingan, lawanan. - pakêmbulan, zva. patandhingan, palawanan, Wk. KN. vereenigd; gezamenlijk met een ander of anderen. kêmbul mangan, BG. 240 samen, aan één tafel of uit één schotel of van éen bord eten (vrg. kumpul, tunggal, barêngan, tarambul, enz.). kinêmbul dhahar, van dengeen, met wien men te zamen eet L. kêmbul ing gawe, hetzelfde werk met een ander hebben, zoodat wanneer de een er niet is, het door den ander verricht moet worden. ° nyambut gawe, hetz. doch ook op dezelfde plaats werken, terwijl ieder zijn eigen werk heeft Wk. kêmbul pikir, eenstemmig denken. - ngêmbuli, zich met iem. vereenigen om gezamenlijk iets te verrichten; iem. bij staan, helpen in het werk; ook weêrstaan, zva. ngêmbari, of nglawani, iem. te gelijk met velen aanvallen WP. 360. - kêmbulan, kameraad, met wien men gezamenlijk iets doet (vrg. rowang); met een ander of met elkander gezamenlijk, kameraadschappelijk iets doen.
kombul
zie umbul.
kambala
KW. zva. ăntakusuma, Wk.
kumbala
1. KW. kroes, gekroesd van het hoofdhaar Prěg. 10. - 2. KI. van jenggot, AS., volgens GJ. van brêngos, Tj. I, 9; Rs. 100, Waj. II, 318. gêmbala sinunggar-sunggar, BG. 287. Raja Kumbala, waarschijnlijk zva. Jayakusuma, (zie bij kusuma) eig. vorstenbloem T. 56a, RL. 57b, kombola? (Skr. kumbhalâ, naam van een bloem, anders muṇdhitikâ, van muṇdhita, en dit van muṇdha, kruin PK.). De Dhalangs gebruiken de uitdrukking: ingkang kapundhi kados Raja Kumbala, voor die met den hoogsten eerbied ontvangen wordt; vlg. Rh. Kumbala, nog naam van een zwabbervormig wapen, bestaande uit een kwast met knoopen Waj. - ngumbala, gelijk knevels; knevels dragen G.
kumbali
ML. terug, weêrom. kumbali sora, of kumbali sura, KW. onbeleefd zijn in het spreken G. voor kabali sora? Wk. Vrg. diksura.
kêmblak
KN. ben. v. e. dans bij de santri birahi in zwang ZG. 1872, 241.
kamboja
zie sêmboja.
kêmbaya
zie kombaya.
kumbaya
KW. zva. jun, en jêmbangan, Wk. (vrg. kumba); en zie kombaya.
kombaya
KN. WP. zva. gêmbaya. In Tj. I, 599 kumbaya, dit of kêmbaya, wellicht de ware spelling.
kumbayana
KW. zva. kumbaya, Wk.

--- 1 : 545 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kambang
KW. zva. kêmbang, êkar, mêkar, mêgar, panunggul, timbul, kumambang, anjrah, (T. 53b?) Wk. KN. het drijven, het boven water komen JZ. II; wat drijft, op het water drijft; dobber van een vischtuig; het onderste gedeelte, onderlaag van vlottend houtwerk Wk.; vlot, drijvend van een vaartuig tegenover kandhas. watu kambang, puimsteen. bale kambang, een paviljoen of lusthuis op een vijver BG. 84, vgl. rambang. kambang-kambang, dobberen; fig. twijfelachtig, twijfelmoedig; bedrieglijk, valsch. - ngambang, zich boven water vertoonen, boven water komen; ook zich weder vertoonen van iem. na lang wegblijven, en zich tot de bevoegde autoriteit wenden over eene zaak Wk.; flauw op den grond zijn afgedrukt van sporen (Rěmb.) te M. in TBG. XXV, 303. - ngambangake, iets op het water doen of laten drijven PL. I, 60. - kumambang, boven of op het water drijven, fig. zva. nyarah, Tj. IV, 371; Men. IX, 200; zich naar anderen voegen; ook niet vast, weifelend van hetgeen men zegt, toonloos, zie ènthèng, Wk.; Waj. I, 293. mas °, naam van een zangwijze MR. II, 78. Ook een soort van kip ZG. XXVII, 22. ° sanggar, een soort van haan ZG. XXVII, 224. - kambangan, iets dat boven of op het water drijft; en KD. van bèbèk, eend. nusa °, naam van een eiland aan de zuidkust van Java BTDj., o. a. 590, voor Bali, vgl. Bab. Jo. II, 75. - pating kurambang, bij kumbah. en ngrumbang, WP. zva. ngrambang, zie rambang, Wk. - kumrambang, zva. kumambang, op het water drijven Wk. - kurambangan of krambangan, spartelend (ook wel met de vleugels, bv. van een kip) zich boven water houden, bv. van een menigte menschen, die zich door zwemmen half boven water houden WP. 482.
kambêng
kambêngan, zie bij alang, kalang, en bêndung.
kambing
Ml. een geit (vrg. gèmbèl).
kambong
KN. naam van een zeevisch? Gr. L. (vrg. kêmbong).
kêmbang
N. sêkar, K. bloem, bloesem (de Javanen weten niet bepaald het onderscheid tusschen dit woord en karuk, Wk.); bloesem hebben, bloeien van een plant. kajêng sêkar, (N. kayu kêmbang, gebruikl.?) n. v. e. boom = kananga (Cilac.) Ks. volg. Wk. cěpåkå-hout. kêmbang damar, de verkoolde kop op een lampepitje Rh. (dit volg. Wk. kêmbang waru, zie waru), de kwasten van de ole-ole, Wk. (vrg. mêkar, mêmbang). kêmbang api, Ml. (soms ook ° gêni, K. sêkar latu) vuurwerk, als vuurpijlen enz. main °, ook main api, zich met het afsteken van vuurwerk vermaken, vgl. udan mas, Wk. kêmbang, vlg. Rh. ook zva. anakan, rente. kêmbang lambe, de bloem van de lippen der menschen, iemand die op aller lippen is Gr. L. 156, WR.; ook v. e. zaak, die het onderwerp is der dagelijksche gesprekken; en iems. geliefkoosde uitdrukking of lijfdeuntje Wk., vgl. pasrèn, bij sri. ook de ben. v. twee naast elkander staande haarkronkels op den voorwang van een paard, een slecht teeken Wk. sêkar kêdhaton, de bloem (het sieraad) van het hof. kêmbang sapasang, twee gezusters, vgl. ugêr-ugêr lawang. kaya kêmbang sataman, DW. proza 180 van een door het aantal aanzienlijke personen schitterende audientie. ° paseban, BG. 36 intên kêmbang, topaas. kêmbang karang, zee gewassen, die op koraalsteenen groeien JR., volg. Rh. ook spons. kêmbang kapas, benaming van een bijzonder bathiksel. sakêmbang, (så-kěmbang) ben. van de sa. mamiring sakêmbang, ben. van het letterteeken a. kêkêmbang, sêsêkar, bloemen in den ruimsten zin van het woord, bloemen en bloemheesters; fig. het sieraad van iets BG. 137, Waj. II, 230 (kakêmbang, KN. Wk.); de kiem, wortel van iets; en het beginsel van iets, dat er als vrucht uit voortspruit Bab. Jo. I, 44; JZ. I, 91. - ngêmbang, nyêkar, als een bloem; en wit katoen verven of kleuren, door het bij gedeelten in de verf te doen, naar gelang van de kleuren, die men er aan geven wil, zooals wit, rood of paars met groen omboord, wit met zwart, geel met paars enz. (in den regel alleen gebathikte borstkleedjes (kêmbên) en hoofddoeken (ikêt) voor bruid en bruidegom; het middenvak wordt wit gelaten om te kleuren) vgl. sindur, Wk.; ook bloemen brengen naar graven en derg. ZG. 1866, 37; v. lustigen (ook strijdlustigen) in Bab. Jo. I, 509, 1059: lir sinêkar? ngêmbang maèsi, zie ebor. - ngêmbangi, (bloemen voortbrengen, bloemen dragen G.); van bloemen voorzien, met geurige bloemen bestrooien, bv. kleederen als men ze opbergl, vgl. ukup, voor de bloemen zorgen v. e. die dat op zich neemt voor e. of a. feest Wk., vgl. ngayoni, bij kayu

--- 1 : 546 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
of ngêngêmbangi, KN. als voorteeken iets belooven, voorspellen? Wk. beter de kiem, wortel enz. zijn van Rm. 40. - sumêkar, naam van een van de zangwijzen, die têngahan, genoemd worden. - kêmbangan, sêkaran, als boven geverfd, gekleurd; geverfd katoen of kleed; ook kêkêmbangan, sêsêkaran, BTDj. 36 gebloemte; bloemwerk; met bloemen of bloemwerk; bloemperk. kêmbangan, KN. naam v. e. grassoort met een driehoekige steel. sêkaran, en pasêkaran, KI. van kijing. Zóo sêkaraning (of pasêkaraning) pasarean.
kêmbêng
KD. van kêmu, zie ook de N. KN. ergens besloten blijven, geen uitweg hebben, gew. fig. v. zaken, die onafgedaan blijven? Wk. - ngêmbêng, inhouden, vol water zijn, van water zwanger zijn van donkere wolken (vrg. kêmbong); (eig. vol zijn van en dan?) zijn inwendige drift inhouden, met moeite bedwingen; de tranen, die in de oogen komen met moeite inhouden, vgl. kêmu. een klank, die met een andere samengesmolten is, in zich bevatten, bv. wagrèng (voor wagra ing) ngêmbêng aksara ing, het woord wagrèng, bevat het woordje ing, in zich JZ. I, 346. ° raos kalih, twee beteekenissen hebben JZ. II, 144. - kêmbêng-kêmbêng, zwellen van de oogen door tranen Wk. (vgl. kêmbêng). ° prakara, zaken onafgedaan laten Wk. - kumêmbêng, of kumêmbêng waspanipun, met nauwelijks bedwongen tranen, met tranen in de oogen RP. 120, AS. 165; van de tranen zelve JZ. II, 283 = opwellen van tranen in de oogen Wk.? vgl. mêtêng.
kêmbung
KN. opzetting v. d. buik door wind of te veel drinken Rh.; ook naam v. e. zeevisch Rh.
kêmbong
KN. (volg. Rh. zva. kêmbêng, maar van grooter hoeveelheid water) water bevatten, van water doortrokken zijn; het water houden, als het niet afloopt (vrg. kacêmbong, kêmbêng). kêmbong-kêmbong, (ook ngêmbong, Tj. II, 521) zwellen van tranen, van de oogen, die hoe langer hoe voller van tranen worden. - ngêmbong, plantsoen onder water zetten; iemand volop te drinken geven, volop van iets of van alles voorzien Wk. (vrg. cangar, gêmbong). - kêmbongan, overdadig drinken L. 252.
kumbang
TP. zva. kidul, van den wind GL. 65; en zie kombang.
kombang
of kumbang, (ook oudj. KS. 16) KN. een soort van zeer groote, bruinzwarte hommel, die in het hout nestelt en het invreet BTDj. 44, JZ. II, grooter dan tawon dhas. nglaring kombang, of lir kombang, zoo bruin en glimmend zwart, als de vlerken van een hommel van tanden. macan kombang, de zwarte (hommelkleurige) tijger of panter: Felis parvus. kombang kêbo, een zwarte hommel Prěg. 10. kombang mara, naam van een gěṇdhing. - ngombang, of ngumbang, gelijk een hommel; en brommen, knorren, brullen als een tijger; ook fig. - ngumbangi, G. ngumbang-ngumbangi, of ngombang-ngombangi, aanhoudend op iemand brommen, beknorren JR., zie umbang.
kamang
KW. zva. cêmplang, Wk.
kêmêng
KN. pijnlijk krampachtig gevoel v. e. der ledematen, zooals bij rheumatisme, vgl. pêgêl. ZG. XII, 313 (en dat prikkelend gevoel, dat men de slaap noemt Rh.); onafgedaan blijven van rechtszaken R., wellicht verward met kêmbêng?
kêmèng
KN. fijn en doordringend van de stem Wk.
kêmong
KN. een soort van kleine gong, zva. kromong? - ngêmong, op de kêmong, spelen Wk.
koming
KN. 1. zich op den grond rollen, zooals een paard, oneig. Bl. CP. 8. - 2. TP. klein blijven, niet groot worden van gewas JR. KN. jambe koming, nm. v. e. klein soort v. betelnoot; ook koming, een klein membrum virile, klein geschapen, vgl. kicing, bij Wk.
kêmangi
KN. naam van een struik (beter kruid: Ocimum sanctum L., nat. fam. der Labiatae de Clercq. Zie Fil. n°. 4998) met welriekende bladen, die bij de spijsbereiding gebruikt worden, zie kêmbar. alang-alang kêmangi, een soort van lang welriekend gras, dat van zelf in de lucht trilt. wong (of lanang) kêmangi, een vreesachtig mensch, een bloodaard JZ. II.
kêmangkunêgaran
zie bij pangku.
kumingsun
zie bij ingsun.
kêmanggi
KN. een groene ronde tuinspin, kleiner dan macanan (vrg. kêmăngga).
kêmăngga
KN. een heel groote spinnekop, huisspin (vrg. kêmanggi, kêmlandhingan) omah kêmăngga, spinneweb; ook zva. katèl, 2. T. - kêmanggan, de hoofdstengel met zijn kleinere stengels er om heen, waaraan een trosje koffievruchten hangt; en een ventilatieraam, waar in het midden

--- 1 : 547 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
een roset is, naar de overeenkomst in vorm met een groote spin Wk.
kêmanggang
of kumanggang, zie bij panggang.
kèmêngan
zie èmêng.
kug
zie ukug, en urkug. Vgl. kung.
kaga
KW. zva. manuk, (Skr. khaga) T. 25b, BS. 150. ° pati, de vogelvorst, arend, Garudhå (Skr. khagapati); ook nm. v. e. slagorde. kagendra, (Skr. khagendra) kageswara, (Skr. khageçwara) kaganata (Skr. khaganâtha) zva. kagapati.
kagu
KW. zva. kau, Wk.
keguh
KN. te bewegen, onstandvastig, veranderlijk; wankelmoedig; bewogen worden, van een voornemen afgebracht worden; gevangen, verleid worden door list of vleierij Dj. M. 1866, 27, 4. ora keguh, niet te bewegen; onverzettelijk blijven (vrg. kagiwang, kagol). - ngeguhi, iemand hinderen in een of ander, bv. in een voornemen (van een voornemen afbrengen). - ngeguhake, iets doen wankelen, iemands voornemen doen veranderen. - keguhan, licht van plan veranderen Wk.
kagana
KW. zva. têtindhih, kinawasa, Wk.
kagendra
zie bij kaga.
kagak
KN. zich in staat gevoelen of achten om iets te kunnen doen (vrg. kuwawa); zie verder de N.
kagok
KW. poort (ontbr. W.) KN. onvolkomen, tusschen beiden in, half, ten halven, middelslag DW. 157, vgl. tanggung. wayang °, wayang-poppen, die te klein zijn om groote, en te groot om kleine genoemd te worden. wong °, iemand, wiens taal Javaansch, doch maar half zuiver is, zooals iemand van Bagělen RL. 14b. wandu °, een semi-hermaphrodiet Wk. ° kasatriyan, ben. v. e. wijze van de dòdòt te dragen, waarbij die van voren tot aan de knieën hangt. ° katunon, nm. v. e. padisoort Wk. ° Madura, nm. v. e. zekere melodie.
kegok
KN. verkeerd, zich vergissen; van enggok? vgl. legok, Wk.
kagèt
KN. kagyat, (oudj. en) poët. schrikken, van iets schrikken BTDj. 3, verrast worden PL. I, 64, of ook vreemd opzien of ophooren; verrassing; plotseling, onverwacht, zoodat men verrast wordt (vrg. kêjot, kagum, en jola. grv. gèt). gawe °, doen schrikken, verrassen. (kinagèt, poët. onverhoeds overvallen?). - ngagèti, gew. ngagèt-agèti, BG. 239 of ngêgèt-êgèti, AS. 108, ngagèt-gèti, Waj. II, 369; schrik aanjagend BG. 62, verschrikkelijk. - ngagètake, doen schrikken; plotseling of onverwacht doen plaats hebben PL. I, 144; schrikwekkend; schrikbarend. - kagetan, schrikachtig WP. 161, BG. 39, zie rajug. - gèt-gètên, B. v. B., M.
kegut
of kenggot, KN. ongebr. zva. katon, Wk.
kageswara
zie bij kaga.
kagwam
KW. zva. katêkêm, Wk.
kagol
zie agol.
kogêl
KN. deernis krijgen, begaan zijn met iets (iem. Bl. CP. 237; Bab. Jo. I, 872: ° wêlas); iets niet over zijn hart kunnen verkrijgen; het jammer vinden om iets in de waagschaal te stellen of prijs te geven, het gevoel hebben van iets te willen sparen of ontzien enz. Wk.; deernis of dat gevoel als boven. - kogêlan, kogêl, van aard zijn Wk. (vrg. eman, kolu, wêlas, en ora tega) DN. I, 40, 52, 532.
kogèl
zie ogèl.
kagyat
zie kagèt.
kagam
KW. zva. kêlimpe, Wk.
kagêm
zie bij anggo.
kagum
KN. in den slaap schreeuwen door een akeligen droom en daarvan wakker worden of niet; een schrik behouden v. e. of ander, en zóo door zenuwachtigheid bij het hooren van den naam reeds wegloopen, ook zva. anggundam, van schrik, vrees of afschuw Wk., BTDj. 659? verschrikt worden, als iemand de schrik om het hart slaat; met schrik ontwaken, zooals door een droom KB. 176, R. (vrg. kagèt). - ngagumi, (volg. Wk. wegens iets in zijn droom schreeuwen; schrikken voor als boven) en ngagumake, iemand hevig doen verschrikken, den schrik om het hart doen slaan, in den slaap doen schreeuwen.
kogug
KN. zva. ora kolu, iets niet door de keel kunnen krijgen enz. Wk. (eig. hokken, stokken, vgl. o. a. pogok, migêg); tegenzin, walging enz. hebben tegen iets of om iets te

--- 1 : 548 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
doen, bv. tegen eten of drinken (of tegen te voet gaan AS.? W. in dezen zin wêgah, Wk.). - kogugan, kogug, van aard zijn Wk.
kogang
= kawagang, zva. kaconggah.
kogung
zie bij ugung.
kagêngan
Kråmå-vorm van kagungan, zie duwe, JBr. 190.
kagungan
van gung, KI. zie duwe. KN. zie bij gung.
kub
KW. zva. kêmput, Wk.
kaba
1. KW. zva. karêp, bungah, en gajêg, Wk. - 2. KN. zie bij aba. - kaba-kaba, 1. KW. zva. gajêg-gajêg, (vreugde, scherts, kortswijl G.). - 2. KN. (oudj. kawa-kawa WS. 81) gegeneerd; van het hart wankelmoedig, ongerust BG. 482 (vrg. taha-taha, kêmba-kêmba, mêlang-mêlang).
kabê
KW. zva. kainan, Wk.
kabo
zie kêbo.
kêba
KN. zak van gevlochten biezen of gěbang-bladen (vrg. kadut, en karung) ZG. XVIII, 134.
kêbu
zva. kêmbu.
kêbo
ook wel kabo, (in Bagělen) N. maesa, of mesa, K. buffel JZ. II (Ml. karbau; Skr. mahiṣa). Komt als titel? vóor eigennamen evenals kuda, en macan, voor, o. a. in de Panji, WP., en volg. Wk. thans nog bij militairen van het corps patang puluh, te Sålå. kêbo pucung, zie pucung. wong kêbo, landbouwers in het bezit van vee, vgl. sukun, ER. III, 205. kêbogiro, een bijzonder luidruchtige wijze van gamělanspel, gew. bij aankomst of vertrek der genoodigden gespeeld Rh. kêbo ganggang, hetzelfde in Banyumas; ook in de Wayang bij den marsch van krijgsvolk, niet van reuzen, vgl. jangkrik genggong, de maat is dan langzaam (kêndho, niet kêncêng) Wk. ° lajêr, ° têki, ° dhèndhèng, ° dhêngên, nam. v. fatsoenen van krissen. ° lamus, ben. van zeker inl. lijnwaad. maesa langit, naam van een van de zangwijzen, die těngahan genoemd worden MR. II, 37. maesa bayangan, naam van een Kawische zangwijze JZ. I, 335; Waj. I, 401, 449, 476. kêbo gêrang, naam van een riviervisch. kêbo mênggah, een bijzonder fatsoen van een halssieraad, dat door kinderen gedragen wordt. kêbo bukur, zie undur-undur. kêbo jêrum, een model van huizen ZG. XIX, 119. kêbo kobong, gestolen buffels, die door de politie aangehouden worden ZG. XXII, 142. pandhita kêbo mati, een p. van stomme onderwerping ZG. IX. 339. taun kêbo, zie maesa. - ngêbo, KN. als een buffel, buffelachtig, ongevoelig als een buffel JZ. II; onverschillig daarheen leven, niets anders doen dan eten en drinken. ° pêlèn, v. een ruziemaker, wiens haan altijd koning kraaien moet Wk., Bab. Jo. I, 1060. - kêboan, N. maesan, K. wat op een buffel gelijkt, iets in de vorm van een buffel gemaakt; een spaarpot in die vorm, vgl. celengan, tot een buffel gebruikt worden (van iem. dien men niet ontziet en om elke kleinigheid slaat Wk.) Bab. Jo. I, 1191; ook als men op handen en voeten kruipt en een kind op zijn rug laat rijden Waj. II, 459.
kuba
KW. zva. têpus, Wk.
kabèh
N. (oudj. ook kabaih) sêdaya, K. (in poëzie ook sahadaya) BG. 411. sêdantên, KD. (volg. Wk.: MD.) alles, alle, allen; ook wel van twee voor beide; geheel (vrg. kèh, en bèh). kabèh-kabèh, sêdaya-sêdaya, in alles, wat het ook wezen mag. awake kabèh, zijn heele lichaam. sêpuluh kabèh, alle tien. ing omah pêga kabèh, in 't huis is alles rook, alles vol rook. sakabèhe, of kabèhane, sadantênipun, sêdayanipun, alles (of allen) te zamen, gezamenlijk; in 't geheel. - ngabèhi, nyadantêni, nyêdayani, alles zijn, alleen voor alles gelden. ° gawe, alles zijn voor alle werk, d. i. algemeen toezicht over alle werk voeren, of alle werk alleen verrichten, of van alle werk verstand hebben Wk.; alles verrichten; in alle kundigheden thuis zijn; van alle gerechten eten. ngabèhi, of ngabèhi, in zamenst. verk. bèhi, KN. In Sålå een ambtelijk praedicaat uitsluitend voor kliwon, en panèwu. In Yogyåk. id. staande tusschen răngga, en dêmang. In midden-Java praedicaat van Regentszonen; in O.-Java een op zichzelf staande adellijke titel. Tot 1824 was het onder tumênggung, en adipati, een praedicaat van Regenten R. en T. pangeran °, zie bij pangeran. - ngabèhake, enz. alles in zijn geheel er onder begrijpen. tot iets doen strekken Wk., alles te zamen nemen, over éen kam scheren? Bl. CP. 300, Bab.

--- 1 : 549 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
Jo. I, 861. - kabehan, of bèh-behan, sadantênan, sadayanan, om alles, om zooveel als er is, dobbelen Wk. - pangabehan, of pangabeyan, KN. het gebied van den Pangeran-ngabèï.
kaban
KW. zva. kaalingan, kaambalan, Wk.
kêbên
KN. nm. v. e. wilden boom Wk.
kêbèn
= cikbèn, de N.
kêbon
KN. kubon, KA. poët., (oudj. kubwan KO. 19) hof of tuin achter of bezijden een huis, ook wel zva. buritan, Wk. tuin, plantage. kêbon alas, wilde hof, een niet aangelegd gedeelte van de kêbon, WP. 502, ook een ongeregelde koffie-plantage, die zonder dhadhap-boomen, en niet met geregelde afstanden van den eenen boom tot den anderen, in bosschen of zoogenaamde woeste gronden wordt aangelegd. kêbon wanan, BTDj. 277? kêbon kopi, Mal. KN. een koffieplantage, koffietuin, Jav. pakopèn. Zie nog ER. I, 11, 12. Dial. kêbon = lurung, zie de N. en Walbeehm, dial. van Japårå. - ngêbon, zich in den hof (of lusttuin taman) bevinden Wk. (wellicht gezegd van de vrouw die zich daar wegens ongenoegen bevindt; zie het caus.); een kêbon, aanleggen. ngêbon-êbon, zich gedurig in den hof ophouden; ook een tuin in verschillende perken afdeelen. kinêbon-kêbon bundêr, met ronde perken aangelegd BvB. 53. - ngêbonake, of ngubonake, een vrouw (wegens ongenoegen) buiten het huis in den hof afzonderlijk laten wonen. kinêbon, poët. zva. kinêbonake, BS. 20, B. 896. kinubon. Bab. Jo. I, 1402. - kêbonan, moestuin bij een huis, al is het juist niet achter het huis PL. I, 51, II, 51. - pakêbonan, tuingrond achter 't huis, en zva. kêbonan.
kubon
zie kêbon.
kêbincih
zie kabiri.
kubra
kubra, of kobra, Ar. [Arab], het vr. van [Arab], grooter, grootst. dhendha °, een boete, die wegens een woord, waarvan de dader onbekend is, aan de bevolking van de désa, waar de moord gepleegd is, wordt opgelegd. kubra, TP. volg. Rh. v. e. zaak spaak loopen. (kiyamat °, de groote opstanding, in tegenstelling van de kleine ([Arab]), waarmee de zondvloed bedoeld wordt v. d. T.).
kobra
zie kubra.
kabar
KN. 1. zie abar. - 2. kabar, of khabar, (Ar. [Arab]), zva. warta, wat men verneemt door het zeggen van de menschen of door meêdeeling; tijding, nieuws, bericht, gerucht; het gerucht zegt, dat ... - pakabar, zva. pawarta. - pakabaran, ook wel kabaran (een ander zie ben.) en pikabaran, bericht, tijding; rapport, rapporten JBr. 166, 168; PL. I, 108; II, 38; loopend, algemeen gerucht; volgens algemeen gerucht Wk.
kabir
1. Ar. [Arab], groot, aanzienlijk. - 2. Ar. [Arab], voorbijgaande. ngalang kabir, de voorbijgaande (tegenwoordige) wereld, in tegenoverstelling van ngalam sahir, de blijvende wereld, de eeuwigheid.
kabur
zie bij bur.
kabor
KN. naam v. e. gěndhing Wk.
kêbar
KN. dubbel, uit twee afzonderlijke stukken van gelijke uitgebreidheid bestaande, te zamen genoeg voor éen dodot, of twee bêbêd, (eig. hetz. als kêmbar, en vrg. kayuh, tangkêp, lirang). Zóo lampit sakêbar, een paar rotanmatten van dezelfde grootte. lawon sakêbar, twee stukken heele lappen inlandsch wit katoen. walulang °, twee stukken, heele lappen huiden Wk. - kêbaran, bij dubbele stukken als boven; ook zva. lirangan, of zva. kêmbaran, weêrga; ook v. e. lap sawah, even groot als een andere, die als zijn weêrga beschouwd wordt.
kêbur
KN. omgeroerd G. (vrg. udhêg). - ngêbur, iets omroeren AS. 47, 60, als gebluschte kalk met zand, zoodat het onderste boven en het bovenste onder komt (lir jênang kinêbur, BG. 423). BG. 278 kawah lir kinêbur, door elkander geroerd. - kêburan, omgeroerd; het omgeroerde; fig. ruchtbaar, ook zva. pakêburan, of pangêburan, een werktuig voor ngêbur.
kibir
(Ar. [Arab]), KN. groot zelfvertrouwen, hoogmoedig en vermetel vertrouwen op zich zelf; groot zelfvertrouwen hebben BTDj. 641, Bab. Jo. II, 126 (vrg. riya, têkabur, sumungah) AS. 59.
kubur
(Ar. [Arab]), meerv.) KN. BTDj. 52 pasarean, KI. graf (vrg. kaluwat, jarat, makam [maka...]

--- 1 : 550 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...m], pêndhêm, cungkup, kijing). - ngubur, iemand begraven BTDj. 78. - kuburan, of pakuburan, KN. BTDj. 44, pasarean, KI. grafstede, begraafplaats.
kebar
KN. wat iemand of iets zich toont of vertoont te wezen; uiterlijke schijn; proef; vgl. coba, kiyam, pangabar. - ngebar, iets probeeren, hoe het zich kennen laat. - ngebari, iemand (iets) vertoonen, ten toon spreiden, uitkramen AS. - ngebarake, iets vertoonen, ten toon spreiden, uitkramen RP. 68. - kebaran, zva. pinton, een staaltje of proef van kracht K. 8, 11; vgl. èbèr.
kèbêr
zie bij bur.
kebur
zie bur.
kobar
zie obar.
kobêr
KN. 1. tijd hebben tot iets JZ. I, 104; iemand gelegen komen (vrg. kaur, dhangan). - ngobêri, tot iets de tijd nemen G.; tijd gevend, tijd latend voor (Men. VIII, 113). - ngobêrake, maken dat men tijd voor iets heeft, tijd voor iets vinden. - kobêran, altijd tijd hebben, gereed zijn iets te doen Wk. - 2. zva. tambar. bêras kobêr, of ° tambar, middelsoort rijst, tusschen wuluh, en putih, in Wk.
kabiri
of kêbiri, ook wel gêbiri, N. kêbincih, gêbincih, K. gesneden, gelubd, ontmand. jaran °, een ruin. sapi °, een os. wêdhus °, een hamel. jago (of ayam) °, kapoen. - ngêbiri, ngêbincih, lubben, ontmannen BTDj. 551, ook door insnijding den groei van iets bevorderen, bv. v. e. boom Wk.
kabaran
KW. zva. kagegeran, T. 44a, 47b, kaliwat, Wk.
kabruk
zie bruk.
kabak
of kablak = kêbak, met de vlerken, slaan, zie nog blak, Waj. II, 473.
kêbak
of kêbêk, RP. 139, ook wel kêbêg, KN. vol (° isi, BG. 237), gevuld; vol zijn JZ. II (vrg. ibêk, en êbêg. De stam is bêk, of bak. Vrg. ook pênuh); fig. v. iems. hart of geest: vol, overstelpt v. droefheid (kêkêbêkên, L. 202), ook groothartig, eerzuchtig v. e. die niet gaarne de minste wil zijn in moed, mildheid of bekwaamheid, en veel wetend Wk. kêkêbak, of ngêbak, met de vlerken slaan, zooals een haan die wil kraaien. - ngêbaki, of ngêbêki, iets vullen BTDj. 44; vol maken, opvullen, opproppen; een ruimte geheel vervullen, ook van een geluid, zoodat het overal gehoord wordt, en van bloemengeur PL. II, 152. - krêbak, of krêbêk, het geklok of borrelend geluid van een onder water gehoudene kruik, kan of flesch, als die vol loopt. - ngrêbak, of ngrêbêk, iets zoo vol laten loopen. - ngrêbêkakên, id. JZ. II, 103. - klabak, of klêbêk, zie boven.
kêbêk
zie kêbak.
kêbuk
KN. 1. de long, longen van viervoetige dieren, waarvan paru, gemaakt wordt, vgl. maras, en limpa. - 2. nm. v. e. werktuig, waarop de kěmirinoten of sawopitten, die men onder weddingschap stuk slaat door middel van een daaraan bevestigd stuk bamboe (plèplèd) op elkander geknepen worden gehouden Wk., vgl. pidak, bij idak. - ngêbuk, op iets zachtjes met de vlakke hand kloppen. - kêbuk-kêbuk, freq. (zich) zachtjes met de vlakke hand kloppen, meestal op een zacht lichaam, zooals de buik. ° wong mêtêng, een zwangere vrouw op de buik slaan, d. i. v. e. machthebbende zijn ondergeschikte willekeurig behandelen Waj. II, 432. - ngêbuki, mrv., bv. e. hoofdkussen (bantal) dat plat geworden is zóo opschudden, vgl. oyog. - ngêbukake, met iets, bv. de hand, als boven slaan of kloppen. - kêbukan, dat waarop als boven geklopt wordt; ook slag als boven toegebracht Wk. Zie ook buk. - 3. dik, zwaar, meestal van vechthanen Wk.
kubêk
zie bij ubak.
kubuk
KN. 1. gelijk in lengte en breedte, vierkant Tj. II, 365; Wk. (volg. Rh. eng, nauw, bv. v. e. sarung). - ngubukake, caus. de twee overstaande hoeken, bv. v. e. hoofddoek, op elkander leggen, om te zien of die vierkant is Wk. - 2. naam v. e. spel met duiten of pitjes, even of oneven; dat spel spelen. - pakubukan, wat daarbij gebruikt wordt om de duiten of pitjes te bedekken, bv. een schaal van klapperdop Wk.
kobok
(of kêkobok, Wk.) KN. in het water gestoken of hangen van een hand of voet Bab. Jo. I, 314, en fig. ook wel van een

--- 1 : 551 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
neerhangenden tak (vrg. krobok, of krobyok, kacêlêp). - ngobok, in het water hangen enz. als boven. ngobok-obok, met de handen of voeten in het water plassen JR. - ngoboki, in het water de hand of den voet steken om die te wasschen. - ngobokake, de hand of den voet als boven in het water steken. - kobokan, het waschwater als boven. dhuwit °, het geld in een kom met water gedaan, waarin de vroedvrouw bij het verleenen van hulp gedurig haar handen wascht, welk geld voor haar bestemd is Wk.; ook zva. pangobokan, een kom van glas of metaal, daar men de vingers of handen in afspoelt, vingerkom, vgl. panyewokan, bij cewok.
kabikana
KW. zva. konangan, Wk.
kubud
KN. aan iets gehecht zijn, van iets houden. - ngubudi, iets toegedaan zijn, liefhebben. - ngubudake, van iets doen houden Wk.
kabat
kakbat, of Kakbah, Ar. [Arab], naam van den tempel te Mekka. Kabatullah, of Kabatollah, de tempel van God.
kabêt
zie abêt.
kabut
zie bij but.
kêbat
1. N. rikat, en enggal, KN. vlug, gauw, gezwind, spoedig. kêbat-kêbat, wat gauw, met grooten spoed (voorbarig Wk.). kêbat-kêbat, kliwat, sprkw. voor in groote haast zijn doel voorbij loopen ZG. XXXIX, 98. - ngêbatake, N. (iemand haasten R.); bespoedigen; maken, dat iets vlug gedaan wordt. - kêbatan, vlug, op een vlugge wijze of met spoed, gedaan. - 2. ngêbat, KN. iets, zooals een schotel, afwisschen, afvegen met een doek; iets weg-, af-, droogvegen, afslaan, bv. stof; fig. iem. afzetten uit een betrekking; ook iets wegrukken. ° nyawa, zva. nyêndhal, A. 58. kinêbat tuwuhira, zijn leven is weggevaagd.
kêbêt
(stam bêt) KN. geklap van de vleugels, het uitslaan van de vleugels of het met de vleugels klappen van een vogel. kêkêbêt, (v. vleermuizen BG. 225) of kêbêt-kêbêt, aanhoudend met de vleugels klappen, klapwieken RP. 39. kêkêbêt, de kleederen, die men aan heeft, uitschudden, uitslaan, vgl. kablak, kirab. - ngêbêti, slaan, klappen, uitschudden enz. als boven tegen Wk. - ngêbêtake, iets, zooals een doek, schuddende uitslaan. ngêbet-ngêbêtake, met iets als met de vleugels klappen Men., W. - kumêbêt, zva. kêbêt, met de vlerken slaan Wk.; of kêmêbêt, en zva. kumrêbêt, van een jongen vogel, zoo oud zijn dat hij begint te klapwieken of te fladderen. - krêbêt, gefladder, gewapper enz., zooals van een vleermuis, een vaandel, kleed of zeil, daar de wind achter komt, vgl. srêbêd. B. 592: ° ing wadya. - kumrêbêt, door gefladder of geflabber gedruisch maken, en zie bij kumêbêb. - ngrêbêt, zva. kumrêbêb. - ngrêbêti, iemand langs of voorbij fladderen, tegen iem. iets doen fladderen. - ngrêbêtake, iets doen fladderen. - krêbêtan, al fladderend, een fladderend geruisch maken Wk.
kêbut
(stam but) KN. alles of allen weggevlogen; weg; geheel verdwenen, zoodat er niets of niemand overblijft; allen weggaan of vertrekken Bab. Jo. II, 88, 138; KB. 90, 166; AS. 237; als uitroep: weg! BTDj. 654: bidhal kêbut, (kêbut, wordt ook genoemd grond waarop geen hout maar alleen glagah staat); ook een waaier om muggen of vliegen te verdrijven en een stoffer Wk. (vrg. kêbêt, kêpêt, en tepas). ° badhak, zie badhak. kêbat-kêbut, met iets als een waaier heen en weer slaan K. 1, 13. ° bobat, een kêbut, v. paardenhaar. ° sêrat nanas, id. van ananasgaren, (zie ook badhak). ° lancur, een stoffer van de staartveeren v. e. haan. kêbut-kêbut netra, geheel uit het oog verloren. kêkêbut, zva. kêkêbêt. - ngêbut, iets met zulk een waaier of iets derg. wegslaan, wegwaaien, verjagen (uitkloppen of uitschudden; niets over of in laten; geheel en al van iets gezuiverd G.). KW. vertrekken, op reis gaan. - ngêbuti, mrv. met een waaier bewaaien K. 1. 17; Prěg. 9; bv. tot verkoeling, of om imd. van vliegen vrij te houden enz. BG. 513, of om wind te maken G., JZ. II. - ngêbutake, iets uitschudden, uitslaan Bab. Jo. I, 152; allen laten vertrekken, doen verdwijnen, zoodat er niemand achterblijft, zva. ngêbêtake. - kumêbut, wind makende het geluid but voortbrengen, door een slag met de vlerken, door vliegen,

--- 1 : 552 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
met een waaier enz.; met zijn velen wegvliegen, de plaat poetsen Wk. (zva. kumêbêt, en wegvliegen van een vogel R.). - kumrêbut, zva. kumrêbêt, WP. 215.
kêbèt
KN. vel of blad (folio) papier met een telwoord er voor, vgl. kaca. ook een blad van gezaagd hout, d. i. een plank; ook een stuk wit linnen ZG. IV, 160. sakêbèt dadi, éen half vel, nl. als deel van een ingenaaid boek. sakêbèt bakal, éen los vel om ingenaaid te worden Wk. - ngêbèt, de buitenste zijde van een balk afzagen, vgl. gêbing, rimbas. - kêbetan, bij vellen of bladen; de bladen van een boek, in onderscheiding van den band DN. I, 110.
kubut
KN. geheel bedekt, gew. v. h. hoofd tot de voeten, of met uitzondering van de voeten, hetzij liggende, zittende, staande of gaande Wk., GB. II, 28; Prěg. 8. Vgl. mujung, kudhung.
kobèt
zie bij obèt.
kobot
zie klobot.
kabotan
zie bij bot.
kêbas
zie J.; volg. Wk. in OJ. ngêbasi, zva. ngêbuti.
kêbês
en kalêbês, kalêbus, en kalêpus, KN. nat, doornat van iemands kleêren (vrg. kêpèh, klêpèh, en klucut). - ngêbês, enz. in het nat gaan, moedwillig door den regen of door het water gaan. - kêbêsan, enz. met natte kleederen, doornat Wk.
kobis
KN. kool (Eng. cabbage? Vrg. kul).
kabêsmèn
zie kobong.
kêboan
zie bij kêbo.
kabwêt
KW. zva. kabuwang, Wk.
kabal
KW. zva. têguh, timbul. - kabalan, zva. timbulan, Wk.
kabul
1. (Ar. [Arab], aangenomen, verhoord; verhooring Bl. CP. 177; vgl. istijab, têrus. aanneming van een koop KT. 184 (zie bij ijab, en vrg. tarima). - kabulan, dikwijls verhooring vindende, bv. v. iems. gebed. - 2. bedorven, muf van rauwe rijst door te lang bewaren Wk.
kabèl
ongebr. KN. ngabèli, verlekkerd zijn op K. 9, 9; Wk.; volg. Rh. den lust opwekkend. - kabelan, op iets verlekkerd zijn; iets zoo lekker vinden, dat men er niet van uitscheiden kan Wk.; volg. Rh. dat, waarop men belust, verlekkerd is; vgl. doyan, kênyam.
kêbal
KW. zva. tilas. - pakêbalan, zva. patilasan, Wk.
kêbêl
KW. zva. kêdhotan, kandêl. - makêbêl, zva. ngandêl, Wk.
kêbul
KN. rook, wasem, damp Wk.; volg. Rh. het dampen, walmen, opstijgen van rook, damp, (stof Waj. I, 45); stam bul (vrg. kukus, sumuk, en pêga). - kumêbul, rooken, dampen, opstijgen van rook of damp; uitdampen; als een rookwolk; in een zwerm zich bewegen of komen opdagen (vgl. brubul), bv. van sprinkhanen RP. 139 en vliegende witte mieren BvB. 45, van troepen krijgslieden Men. VII, 359. - ngêbuli, iets berooken met het een of ander, bewasemen; in de opstijgende damp en derg. houden, bv. van opium boven de lamp Tj. v, 28. - ngêbulake, met iets berooken; rook, wasem enz. uitblazen, vgl. sêbul, iets laten uitdampen Wk.
kubul
KN. de buis in het membrum virile G.
kabuli
KN. rijst met schapenvet en kruiden klaar gemaakt (eig. Mal. volg. Rh.) van de Arabieren afkomstig Wk.
kêblaèn
of kêbilaèn, zie bilai.
kablak
zva. kêbak, en zie klabak, (ook wel akêkablak); met de vlerken klappen als een haan die kraaien wil Wk., vgl. blêk, fig. snoeven, pochen Wk., ook = sumbar. - ngablaki, met de vlerken klappen enz. tegen, zva. ngêbêti, ook zva. nyumbari.
kêblak
(of kêblêk) KN. naam van een boozen geest, in de gedaante van een vleermuis, die zich door een geklap als met de vlerken laat hooren (vrg. kêbak, of kêbêk).
kêbluk
KN. 1. een dof geluid of slag, vgl. blug. kumêbluk, zulk een geluid maken. - ngêbluk, met zulk een geluid slaan of kloppen, bv. deeg; bij het maken van suiker de gekookte kilang, dik kloppen. - ngêbluki, zva. ngêbuki bantal, zie kêbuk. - 2. lui, traag, koppig van een trek- of lastdier Gr. L. 143; van een paard dat in weerwil van slagen niet voort wil Wk., vgl. singgêt, ook vadsig van een mensch AS., zva. tambêng, Wk. (vrg. kêpluk, ngêpluk, en kêsèd).

--- 1 : 553 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
keblat
(Ar. [Arab]). KN. de hemelstreek, daar Mekka in ligt en waarheen de Mohammedanen bij het gebed hun aangezicht richten. ° ing masjid manut kakbah, BTDj. 48; ook hemelstreek, de richting van de hemelstreek waarin een plaats ligt Waj. I, 28; koers? ib. II, 281. keblat pat, de vier windstreken BG. 558, R. n. N. 19. ki keblat, de Zwarte steen ZG. XIII, 178, 223. - ngeblat, gehoorzamen; eig. met het gezicht naar Mekka gekeerd zijn; vgl. madhêp.
kablasa
KW. van het spoor afwijken, afdwalen; afgedwaald (vrg. blasak, en blasar) G.
kubalan
zie ubal.
kablêgan
zie bij blêg.
kablong
KN. (plat) het verliezen, de minste zijn. - kablongan, dikwijls verliezen, de minste zijn Wk.
kêbapan
zie bij bapa.
kabêjan
zie bij bêgja.
kabya
KW. zva. kabèh, Wk.
kêbayan
KN. bode, ordonnans; naam van een beambte, wiens voorname werkzaamheid bestaat in het dienen als bode; dorpsbode ER. III, 84, 208, 209, 213, 241, 247 - 251; zie ook R. en T. en KO. 18. manuk °, zie bij krêdha. mantri °, het hoofd van de kabayan. - ngêbayani. kêbayan, zijn over; ook wel zva. nuwani, het toezicht of beheer hebben over Tj. I, 704.
kabyak
KN. ngabyak, overal rondloopen, bv. om iets te zoeken, zva. krabyak, enz.
kêbyak
enz. zva. kêbyok, enz.
kêbyuk
enz. zva. kêbyok, enz., ook zva. gêpyuk, of gêpyok.
kêbyok
KN. iets dat slap, buigzaam is, als men er meê slaat, bv. een zakdoek; vgl. gêpyok. - ngêbyok, iets (Bab. Jo. I, 1240: iem.) slaan met iets derg. Wk. - ngêbyoki, mrv. DW. proza 66, 143. - ngêbyokake, met iets derg. slaan; ook iets, bv. een gebathikt kleed, wasschen door herhaald indompelen en doorhalen; vgl. lorod, kêplok.
kêbayak
(Bab. Jo. I, 1224: kêmbayak) Pers. [Arab], Mal. kabaya. KN. kabaai ZG. XXI, 4; PL. I, 13.
kabyakan
zie bij byak.
kabyaktan
zie bij byakta.
kabyatan
KW. zva. kabotan.
kêbêg
zie kêbak.
kababan
zie bij abab.
kabong
Kn. van iets niet meer kunnen eten, door er te veel van gegeten te hebben Wk.
kubêng
kobêng, zie bij ubêng.
kobong
1. N. zie bij obong. - 2. KN. gordijn, behangsel om een ledikant; slaapsteê met gordijnen G.; vlg. Rh. klein afgeschoten vertrekje, slaapkamertje in een Jav. huis; gew. kobongan, Gr. L. 152, BTDj. 88, BG. 465, of pakobongan, ledikant met behangsel; het staatsiebed in het midden op den achtergrond van het huis bij een welgestelden Javaan (vlak tegenover den ingang) waarvan gew. alleen door bruid en bruidegom gebruik gemaakt wordt (vrg. krobongan, pajêgan, 1. bij ajêg, pajang); ook een soort van praalzetel (tent Wk.) van wit katoen in de Surambi, waar de Vorst op zijn dhampar zit, op garěběg in de maand Mulud van het jaar Dal JZ. I, 269. ° agêng, het vorstelijk staatsiebed (pronkbedsteê, waaronder een ander staat, dat meer van een ledikant heeft Wk.) dat slechts weinige dagen na het huwelijk gebruikt wordt G. - ngobong, in een vertrekje als boven verblijven Rh.
kêbêngèn
zie wêngi.
katha
KW. zva. tutur, akèh, Wk., vgl. kata, kathah.
kathu
zva. kêthu.
kêthi
KN. honderdduizental (Skr. koṭi, tien millioen). sakêthi, ook voor onuitsprekelijk, bv. ° sangêt pênuwun kawula. - nyakêthi, elk honderdduizend BJR. 105. - kêthèn, of kêkêthèn, honderdduizenden, bij honderdduizenden; ontelbaar; een ontelbare menigte.
kêthu
KN. een priestermuts of kapje met of zonder doek als tulband omwonden; zulk een kapje zit in den tulband van een Arabier Wk.; een muts door asceten in den ouden tijd gedragen (kêthune sang rêksi, BG. 408), ongeveer zva. sênik. Zie verder MR. I, 10, 40; ZG. IX, 344, XIII, 219, XX, 411, XXVII, 279; v. e. bergtop door de eerste stralen der zon beschenen heet het BG. 265: kadya kêkêthu esthane. - kêthon. tudhung °, een tudhung, met een kapje of bodem Wk.

--- 1 : 554 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
kitha
zie kutha.
kutha
N. kitha, K. vesting, burcht, kasteel JZ. II; steenen ringmuur, vest of burgwal rondom een stad of kampung; stad JR., vgl. pagêr bata, capuri, baluwarti, (Skr. kuṭa. Vrg. bètèng). kitha dhusun, PL. II, 62, 63, 78 tegenover ° loji? kutha mas, ° ing Mataram, verbloemde uitdr. voor de cunnus DW. proza 7. kêkutha, kêkitha, een kutha, bouwen, zich in een kutha, vestigen, zijn burcht of hofzetel hebben BTDj. 67. - kutha, gelijk een burcht. ° waton, zich in zijn eigen huis verschansen, halstarrig weigeren zich over te geven of aan het opontbod van de overheid te voldoen van een weerspannige Bab. Jo. I, 1060; JZ. II. - nguthani, ngithani, een kutha, bewonen; van een kutha, voorzien; ergens zijn hofzetel vestigen of houden; (zich tegen iets verzetten WP.).
kuthi
KW. zva. pagêr, Wk.
kuthu
KN. de vuist met den duim tusschen den wijsvinger en middelsten vinger gestoken, zooals bij het cêngguring, spel. - nguthu, de hand tot zulk een vuist maken Wk., vgl. bithi.
kothi
KW. zva. kêthi, Wk.
kathah
K. zie kèh.
kêthih
zie kêdhih.
kêthuh
of kêthoh, ook ngêthuh, KN. vuil, morsig, slordig v. e. mensch (vrg. kuthah, lêtuh, cêmêr, rêgêd, en crobo).
kuthah
1. KN. bemorst (akuthah rah, BTDj. 43); zich met iets bemorsen of bezoedelen GR. (vrg. kurah, kêthuh, en gubras). - 2. KW. zva. golongan, Wk., JZ. II, of hetz. als kutha.
kuthuh
KW. zva. lalêr, (of misschien hetz. als kutu). - nguthuh, zva. nglalêr, Wk. KN. onbeschaamd; zich onbeschaamd gedragen JZ. II. wong nguthuh, of ° kuthuh, een schaamteloos, gemeen mensch, vgl. glubud.
kothèh
KN. bemorst, bevuild. kakothèh, zich bemorsen. - pakothèh, geld dat na de bevalling betaald wordt aan den huisbaas of aan zijne vrouw, als eene vrouw ergens logeerende daar bevallen is; ook een belasting aan den eigenaar v. d. grond, waarop een trekbeest toevallig een poot breekt en geslacht wordt Wk., vgl. kuthah.
kêthaha
KN. hebzuchtig, begeerig, inhalig, geldgierig, schraapzuchtig; hebzucht, geldgierigheid, schraapzucht DN. I, 413; II, 161 (vrg. surakah, murka, loba). - ngêthahani, iets schraapzuchtig begeeren, schraapzuchtig enz. zijn jegens Wk.
kêthèn
zie bij kêthi.
kêthon
zie kêthu.
kathêr
KN. ngathêr, drillend hangen of slingeren; maakt loopen nl. met een zoo hangend schaamdeel Wk.
kathir
zie thir.
kêthêr
KN. 1. huiverig, bevreesd (vrg. kêtêr, kêthur, en thêr); vlg. Wk. = kêtêr, vlg. Rh. = kithêr. - 2. vuiligheid, vuilheid, vgl. kothor, Wk.
kêthur
KN. het gekor van een gěmak, als die bang is voor haar tegenpartij; zulk een gekor maken; bevreesd zijn (vrg. kêthêr). - ngêthuri, dat geluid maken (tegen?) als teeken van vrees Rh.
kêthèr
KN. het geluid als v. e. gebersten metalen of aarden pot; niet helder klinken v. e. stem; het gekir v. e. duif Wk.
kithêr
of kilêr, herh. KN. slijmerig, bv. v. eiwit of water waarin randhu, bladen uitgeperst zijn enz. Wk., vgl. klawêr.
kèthèr
KN. te kort komen; ten achteren zijn met een werk, of werkzaamheden; achterstallig in het opbrengen van pacht, vgl. tunggak, walêd, kowan, towong, têndhan. - ngèthèr, ten achteren blijven, achterstallig blijven. - ngèthèrake, caus. met iets ten achteren blijven; iets uitstellen. - paketheran, gew. ketheran, achterstaan Wk., vgl. kathèthèr.
kothor
Mal. kotor. KN. vuil. - ngothori, bevuilen.
kuthira
KW. zva. pasêr, Wk.
kathorang
KN. ngathorang, vruchteloos, mislukt, verkeerd enz., vgl. jugar, Wk. tapanira tanpa kardi °, B. 128.
kathèrèng-thèrèng
KN. met veel moeite te worstelen hebben; met moeite zich staande houden, zie thèrèng.
kathak
een kleverige zelfstandigheid in de keel van visch, waarvan lijm gemaakt wordt, vandaar vischlijm Wk.; en zie rambak.
kathik
1. KN. naam van een groene duif, ook ijoan, of joan, gen. MR. I, 93. - 2. N. zva. kambi, en nganggo, in den zin van met, daarbij; vrg. kanthi, ook met bevreemding waarom?

--- 1 : 555 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
JZ. I, 151; BG. 442 hoe zoo? zva. dene, dikwijls te vertalen met: dat! Waj. II, 105, of het hoeft niet, het komt niet te pas Wk. - ngathik, KN. of N. zva. nganthi, ook vertrouwelijk omgaan met; ook in de spreektaal zva. kathik. kinathik, tot vertrouwd gezel genomen, met wien men vertrouwelijk omgaat, intiem Waj. II, 4. mitra °, boezemvriend. - pakathik, (ook ° ngarit, BTDj. 96) TP. zva. pêngarit, (Bab. Jo. I, 1473 ten getale van duizenden als weerbare mannen), vrg. gamêl, (in WP. juru kathik). Zie ook KA. 14. - makathik, als gàměl dienen.
kathèk
KN. bung °, scheut of jonge loot, die even boven den grond uit den stam van bamboe of suikerriet uitschiet, vgl. trubus, sêmèn, uitschieten; (ook kardoes of schuine klos tot steun van een dwarshout, vrg. siku, R.); en de kromhouten van een kleine prahu. kathèk karbil, zie bij karbil, JR.).
kathok
KN. een wijde korte broek tot boven of aan de knieën, zooals de geringe Javanen gewoonlijk dragen. ° kayu? Bab. Jo. I, 748 (vrg. sruwal); ook een metalen plaatje dat bij meisjes vóor de schaamdeelen hangt; zie verder ZG. XX, 288, 403; een plat stuk was en vitriool als pleister op een wond gelegd; ook een stuk klatergoud (grènjèng) of een stuk dun geslagen blad koper voor hetzelfde doel. In poëzie: een metalen plaat. - ngathok, niets meer dan een kathok, aanhebben, vandaar arm, berooid; ook op een wond zulk een pleister of blad koper binden Wk. - ngathoki, van een kathok, voorzien Men. VII, 274? - kathokan, zulk een broek aanhebben of dragen JZ. I, 98.
kêthak
KN. een geluid (als de slag van een stuk hout op iets hards Wk.) dat een niet heel groot stuk hout of steen maakt, als het tegen een ander dergelijk geslagen wordt (vrg. thak); ook taai van suiker, die nog niet volkomen gefabriceerd is JZ. II; eig. gula kêthok, Wk.; vlg. Rh. de aan de pan klevende korst of het aanzetsel van de jěnang. Volg. Wk. vuil van door koking tot olie bereide kokosnoten, dat bovendrijft en gegeten wordt, vgl. blondho, voorts de droesem van tot olie bereide kacang, die ook gegeten wordt, vgl. bungkil, en het vuil van gesmolten bathik-was. In Těgal kêthake = karuhane, de N. - kumêthak, (of kêmêthak) een geluid maken als boven en zva. tumêguh, JZ. II, W. verwaand, blufferig; volg. Wk. zva. kumaki.
kêthêk
KN. een geluid met de tong tegen 't gehemelte, dat men maakt om een paard aan te sporen of om kippen te roepen; ook een kerf in een kerfstok. - kêthêkan, KI. van janggut. - kalêthêk, zva. klêkêd, (Tj. I, 314, 884) Rh.
kêthik
KW. de nagels korten, en (KI. van tatah) de vier middelste boventanden laten afvijlen (vrg. kêthok, tatah, en pangur). KN. 1. ngêthik, iemand in het geheim een wenk (met de oogen) geven, iemand informeeren, waarschuwen, in 't geheim met iemand iets afspreken S. - ngêthiki, mrv. - kêthikan, of kêkêthikan, met een ander of met elkander heimelijk een afspraak maken S., volg. Rh. meestal in een kwaden zin. Waj. II, 519: ° basa. - 2. ook klanknab. van getik, bv. van een kleine hamer op een ijzeren aanbeeld.
kêthuk
KN. 1. naam van een koperen muziekinstrument bij de gamělan, in de vorm van een kleine gong, en op een kruis van touw in een houten stelling liggend ZG. XVI, 10; JZ. II; volg. Wk. ketelvormig, iets kleiner dan kênong, en iets grooter dan bonang. - ngêthuki, met de kêthuk, accompagneeren; fig. op alles ja! of hm! zeggen. - 2. wantrouwen, wantrouwig, voornamelijk van een man, die zijn geld en kleeren zelf bewaart en ze niet toevertrouwt aan zijn vrouw JR., vgl. cupar.
kêthèk
KN. aap JZ. II (vrg. wanara), Macacus cynomolgus, vlg. Horsf. brachypteryx montana. udan °, zie udan, en wewe. ° nyandêr, wijze van een hoofddoek om te doen CP. - kêthekan, wat op een aap gelijkt, een nagemaakte aap, bv. ° lêmpung, v. klei Wk. kulambi ° = kulambi sikêpan. de N.
kêthok
KN. een geluid als de slag van een bijl op een blok; afsnijding of afkapping van ledematen, bv. van een hand wegens diefstal (vrg. tugêl, kêthik, tatas, en pagas). ° rambut, zich het haar korten of laten korten, vgl. papal. layang panguwasa °, een macht brief aan afgevaardigden om een onwillige voor de rechtbank te brengen [bren...]

--- 1 : 556 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...gen], met machtiging om hem des noods af te maken (en dan zijn afgesneden ooren aan de overheid te brengen). sakêthok cilik, en sakêthok gêdhe, naam van oude muntstukken ter waarde van vier en van acht duiten JR. gula kêthok, zie bij kêthak. paukuman kêthok, onthoofding als straf, nadat de veroordeelde de doodstraf ondergaan heeft Wk. dhuwit kêthok, nm. v. e. koperen muntstuk in vroeger tijd Wk., vgl. benggol. - kumêthok, een geluid geven als boven. - ngêthok, iets doorhakken, doorkappen, doorbreken, doorsnijden, afsnijden, afhouwen, afbreken, afknippen (bv. een nagel); hout kappen PL. II, 67, 68, 117 (vgl. nyigar, nugêl). ° rêga, den naasten prijs van iets bepalen, vgl. matês, Wk.; ook een mat of zeer gevoel in de beenen hebben, tengevolge van veel loopen, vgl. pêgêl. lêsu ... lupa ... ° balung lir kinêrig, BG. 414. - ngêthoki, mrv. en iemand (iets) afsnijden. KN. mapali, K. het haar snijden, knippen of scheren. ° suwiwi, of ngêthok lar, kortwieken. - ngêthokake, caus. snijden voor imd. TBG. XXV, 291. - kêthokan, afgehakt stuk PL. I, 53, 218; een onthoofde; afhouwing, onthoofding, als een publieke vertooning; vgl. kisasan, als verwensching zva. galgenaas! Wk., Prěg. 90 (ook sidikêthok?). - pangêthokan, hakmes; de plaats, waar vroeger de misdadigers onthoofd, of bun rechterhand en rechtervoet afgesneden werden Wk.
kuthik
zie uthik.
kuthuk
KN. een jonge kip, kuiken (of uthuk-uthuk); ook een tot de rijkssieraden (Bab. Jo. II, 79) van den Vorst behoorende, met zijde overtrokkene kokosdop, dienende om te rooken door middel van een pijp, die lataran genoemd wordt, en afkomstig is, naar men zegt, van Sultan Agung G.; volg. Wk. een tabaksdoos aan de hoeken en in het midden met goud beslagen, die tot de insigniën van den Vorst behoort; volg. and. de doosjes of potjes van de sirihkist die tot de insigniën behoort; vgl. gagragan. (Ook naam van een plant met scherpe dorens, lange takken, kleine bladen en kleine gele bloemtrosjes JR.). - nguthuk, een kuiken mak maken, door het van de hen te scheiden en dikwijls in de handen te nemen en te voeren; volg. Wk. ook van iems. kuikens met zijn toestemming een of twee nemen; en bij het rooken van opium de tike, in de hand houden en na elken haal er een stukje van tot een pilletje draaien en in de pijp stoppen. vgl. ngothong. - kuthukan, obj. den., en de tike.
kothak
KN. een kist of kistje, waarvan het deksel met een rand om de kist sluit en er afgenomen kan worden (vrg. pêthi) ZG. XVIII, 150, XXVI, 18; ook (vierkant) vak van een rak of bak; ruit op gekleurde stoffen, en perk of vak van rijst- of těgalveld, kleiner dan kêdhok. kothak wayang, kist daar de wayangpoppen in bewaard worden. kothak kuluk, houten kistje voor een kuluk, behoorende tot de onderscheidingsteekenen van de jongere zonen van den Vorst en van de ambtenaren tot een Mantri toe. kothak-kothak, geruit, met vakjes. - ngothak-ngothak, iets bv. een rak of bak in vakjes verdeelen Wk., BvB. 130; 59? - ngothaki, iets, bv. sawahveld, in vakken verdeelen; vgl. nyithak, anggalêng-galêng. - kothakan, (vierkante doos; vakje; al wat op een kothak, gelijkt R.); in vakken afgedeeld, vaksgewijs, zva. kêdhokan, Wk.
kothèk
KN. zeker sein door op het rijstblok met de alu, te slaan, bij dorpelingen, vgl. gêndhong, bendrong, Wk. - kothekan, KN. met zijn velen op de maat in het rijstblok slaan of stampen, zooals uit vermaak bij maanlicht of bij een maansverduistering; vrg. gejog.
kothok
N. zie bij konok. - ngothok, KN. iets, zooals lijm, met weinig water op het vuur zetten of smelten JR.; amfioen koken, soms ironisch voor ngliwêt, vgl. ngindêl, Wk.; metaal. was of smeer smelten JR. (vrg. ngluluh, en nglêbur). - pangothok, het smelten; smeltsel JR. - kothokan, kooksel van amfioen, ook zva. pangothokan, wat dient om in te smelten; smeltoven JR.; koperen kopje om amfioen in te koken.
kathuka
KW. zva. pêdhês, vlg. Wk. zva. asin, (Skr. kaṭuka, scherp van smaak, zooals mosterd).
kathêkêr
KN. 1. naam van de bloem der Salak, ook kêndhêkêr. - 2. ongev. zva. klêkêd, dit zva. krêkêt, Wk. door een beweging te kennen geven,

--- 1 : 557 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
dat men een of ander doen wil. - ngathêkêr, van een kip die zit te broeien en in het nest krabbelt; fig. aanhoudend op dezelfde plaats blijven en iets verrichten, iets knutselen Rh.; aan iets ijverig zonder ophouden werken; gezet en driftig doorwerken. - kathêkêran, driftig, te vurig; met overmatige blijdschap te werk gaan JR., volg. Wk. zva. klêkêdan = in een gejaagden toestand van onzekerheid zijn, op heete kolen zitten.
kêthêkur
KN. gekoer van een doffer (vrg. kêru-kêru). - ngêthêkuri, koeren tegen het wijfje.
kêthikar
of kêthekar, KN. drukte en beweging onder het gaan. - kêthikaran, enz. onder het loopen met de voeten maaien Rh.; volg. Wk. aanhoudend met veel beweging en haast voortscharrelen; vgl. kadhakar-kadhakar.
kêthikir
enz. zva. kathêkêr, 2. Wk.
kêthukur
KN. ngêthukur, gebogen langzaam voortgaan, zooals een zieke enz.
kêthekar
zie kêthikar.
kathêkrêk
zie kathêprêk.
kêthèkèr-thèkèr
= kadhakar-dhakar.
kêthak-kêthak
KW. zva. lak-lakan, Wk.
kêthak-kêthik
KN. geklikklak, getik, altijd met het een of ander bezig zijn Wk.
kathak-kithikan
zva. athak-ithikan, zie ithik.
kathèkèl
KN. kathekelan, zva. krekelan.
kêthakal
KN. interjectie voor het klimmen in een boom en derg. Rh. - kêthakal-kêthakal, of kêthakalan, zva. kadhakal, enz.; met moeite voortgaan of naar iets streven.
kêthakêl
kuthakêl, KN. nguthakêl, K. 16, 35 met moeite of om strijd iets trachten te verkrijgen, zie kêthakal.
kêthêkul
KN. ngêthêkul, onverdeeld en rustig zich met éen zaak bezig houden, vgl. mungkul, Wk.
kathêkluk
zie bij wêdani, 2.
kathêklik
KN. klanknab. v. h. gaan op Jav. klompen (thèklèk, of gamparan). kathêklak-kathêklik, klik klak! dat geluid maken Wk.
kêthit
KW. zva. kaparat.
kethot
zie kelot.
kothot
KN. het taaie zoogenaamde haar of geelhaar in vleesch, zooals koevleesch, ook koyor, genoemd; peesachtig, taai v. vleesch, volg. JR.
kêthawe
zie awe en thawe.
kathuwêk
= kadhuwêk.
kêthuwik
of kêthuwil, KN. ngêthuwik, enz. iets met de handen of vingers aanraken, aanstooten. - kêthuwik-kêthuwik, enz. overal met de handen aankomen, gedurig iets aanraken enz.; onrustig zijn met de handen, ook. v. h. hart, wanneer men bv. brandt om iets te zeggen, of van den mond die met moeite zwijgt Wk., vgl. glidhig.
kêthuwêt
= kadhuwêt.
kêthuwit
= kruwil.
kathuwêl
KN. de draaiende beweging van de armen en de pols bij het tandhakken (Tj. III, 431). - ngathuwêl, die beweging maken, vgl. kêduwêl, kadhuwêt, klawe.
kathuwil
KN. ngathuwil, iets met den vinger naar zich toe schuiven of halen enz. = kêthuwik, enz.
kathuwèl
KN. meest herh. omslachtig en daardoor onduidelijk praten Rh. Zie kêthawèl.
kêthawul
KN. kêthawul-kêthawul, gebrekkig spreken, handelen Rh., ook kêdhawul.
kêthawèl
of kêthuwèl, KN. herh. hoe gebrekkig en stamelend ook spreken. - kêthawelan, enz. onophoudelijk veel spreken of praten; vgl. kaduwul, Wk.
kêthiwil
KN. ngêthiwil, een gebrekkigen, onvolkomen telgang hebben v. e. paard Rh.
kêthiwul
KN. 1. eigl. kênthiwul, ben. v. e. muziekinstrument dat met de kěnong overeenkomt, maar gehangen wordt, even als de gong gebruikelijk bij de monggang. ngêthiwul, daarop slaan; ook schaamteloos, zonder eergevoel, vgl. imul. - ngêthiwuli, met de kêthiwul, accompagneeren; tegenover iemand of iets schaamteloos enz. zijn Wk. - 2. naam van een gebak Wk.
kêthuwil
zie kêthuwik.
kêthuwèl
zie kêthawèl.
kuthawèl
KN. kuthawèl-kuthawèl, of kuthawelan, aanhoudend met de handen grijpen of toetasten.
kathuwêng
zie kadhuwêng.
kêthawêng
(volg. Rh. beter kêthuwêng) halve maan, cirkelvorm [cirkel...]

--- 1 : 558 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
[...vorm], kring, dien iets vormt. - ngêthawêng, een kring vormen; halve maan- of cirkelvormig zijn, vgl. kawêng, klowong.
kathil
BTDj. 3, ook wel kanthil, (R. n. N. 115) KN. rustbank of rustbed BG. 398, gew. met zitting van gevlochten rotan (Tamil kaṭṭil, Tělugu kathil PK.). Vrg. ambèn. In Těg. ook = bandhusa, de N. anam kathil, een vlechtwijze van rotanzittingen met achthoekige mazen. - ngathil, op die wijze rotan vlechten, iets, bv. een zitting, zóo vlechten.
kêthil
= gêthil.
kêthul
KN. stomp, bot BG. 524; fig. van iemands bevatting (botterik). atine kêthul, stomp, onbevattelijk van begrip. - ngêthulake, stomp maken; vgl. têmpak, pêpêr.
kêthèl
KN. ngêthèl, aanzetsel van allerlei vuiligheid hebben; geweven katoen in jarakolie en loog wasschen, opdat de olie er indringe; vet, vuil, smerig van iems. lijf of kleêren; aan iets verkleefd, d. i. verslaafd zijn (volg. Rh. kêthelan); een lichtbruine vloeistof uit jarakolie, loog en fijngemalen jirak, waarin garen, katoen of zijde gedoopt en met de handen doorgewerkt worden, om ze later met kudhu, rood te verven GR. - ngêthèl, een kleed vuil maken G.; verslaafd zijn. - ngêthèli, goederen, die rood geverfd zullen worden, vooraf in de kêthèl, of beter kêthelan, zetten en kneden JR. - kêthelan, obj. den. JBr. 85, en de vloeistof zelf Rh.
kithal
KN. gebrekkig in de uitspraak; niet vloeiend of onwelluidend van woorden of stijl. Een lettergreep te veel of te weinig hebben, en daardoor niet in een vers passen JZ. II, 262. Vrg. kedhal, stijf, niet handig bij het bespelen v. muziekinstrumenten Rh.; bij het pareeren Men. IX, 247; niet los, niet elegant in beweging Wk.
kuthila
KW. zva. kêthèk, C. 2061, 27b (een zeer verdachte verklaring; Skr. kuṭila, krom, slinksch, valsch PK.); volg. Rh. zva. wêgig. ° pas, zva. kêthèk ingon, Wk.
kuthilêm
of kothilêm, KW. zva. kuthila, in het spr. kothilêm dhusthêm, en kothilêm aculikêm prabêm atri dhusthêm culika kuthilêm durgamêm, JZ. II. In die sloka's bet. het ook volg. Wk. aap, fig. valschaard.
kêthilang
BG. 345 of kuthilang, (guthilang, Tj. I, 204) KN. naam van een kleinen vogel met zwarten kop en grauwe veêren, de Turdus haemorrhous Horsf.
kêthilêng
kuthilêng, of kêtilêng, KN. naam van een boom en van de zwarte eetbare vrucht daarvan; volg. Wk. in vorm gelijk de carême, en allen met suiker gegeten. Ks. ook laban °, Vitex L., nat. fam. der Verbenaceae; zie laban.
kêthap
KN. kêthap-kêthap, zich geheel in de verte vertoonen Waj. I, 347; zoo klein en beweeglijk, dat men het nu en dan uit het oog verliest Wk. Zoo ook katon °. - pating karêthap, overal geheel in de verte zóo te zien zijn Waj. II, 26.
kêthip
KN. 1. klein van iets dat blinkt, glinstert als een oog, glimmende knoop en derg., ook van een mensch, fig. gering; duiveltje, kleine sétan. (wang) kêthip, een klein muntstukje, nam. een zilveren dubbeltje (vrg. kêlip, ece). kêthip siji, éen dubbeltje. sakêthip, zooveel als de waarde v. éen dubbeltje, vgl. uwang, Wk. kêthip-kêthip, zva. kêthap-kêthap, maar van kleinere voorwerpen. - karêthip, zva. karêthap. - 2. knipoogen, de oogen gedurig open en dicht doen Bl. CP. 256, Bab. Jo. I, 633 (vrg. kêdhèp). - kumêthip, knipoogen, en zva. kumêlip, Tent. 44. - ngêngêthip, zva. ngêngêlip. - pakêthip, tijd van schaarschte van levensmiddelen Wk., zie cêklik.
kêthop
KN. kumêthop, met de oogen knippen van iemand die groote oogen heeft. - karêthop, freq. enz., vgl. kêlop. - pakêthop = pakêthip.
kuthip
= kêthip, Waj. II, 455; en KW. zva. bajang, nistha, Wk.
kathèprèh
ongeveer zva. klèprèh.
kêthoproh
KN. ngêthoproh, slordig en flodderend zijn van kleederen aan het lijf Wk., vgl. klombroh.
kathêprêk
of kathêkrêk, KN. klanknab. v. d. hoefslagen v. e. paard onder het trippelend dansen, vgl. kêthoprak, sirig. - ngathêprêk, enz. zulke slagen maken Wk.
katheprak
KN. een groote hoop van drek, uitwerpsel, e. derg. - ngêtheprak, gemeen voor

--- 1 : 559 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
zijn behoefte doen, vgl. ngêbrok, en ergens op zijn achterste plaats nemen Wk. - ngêthepraki, erg. zijn behoefte doen, zóo neêrvallen Wk.
kêthêprèk
kêthêplèk, KN. ngêthêprèk, enz. zwak v. e. slag, die niet goed aankomt Wk., flauw, krachteloos.
kêthoprak
KN. het geluid van galoppeerende of rennende paarden (vrg. kathêprêk); ook naam van een muziekinstrument, dat vanzelf geluid geeft, in de Manik-måyå.
kathêpêk
KN. het geluid van trippelende of trippelend dansende paarden (vrg. kêthoprak); ook zva. kadhêpêk, Wk.
kathêpês
zie kadhêpêk.
kathêpus
zie bij katêpus.
kathipêl
zie katipêl.
kêthapêl
(kêthêpêl, Tj.) of kuthapêl, KN. ngêthapêl, enz. zich met armen en beenen of met de beenen alleen vastklemmen aan een of ander. - kêthapêlan, enz. zich zóo aan elkander vastklemmen.
kêthêpêl
zie kêthapêl.
kêthipil
kuthipil, KN. ngêthipil, enz. een lichten telgang hebben, trippelend gaan v. e. paard, vgl. ithik, Wk., zie kêthiwil.
kuthapêl
zie kêthapêl.
kuthipil
zie kêthipil.
kêthêplèk
zie kêthêprèk.
kêthêplok
KN. het geluid v. h. loopen v. menschen op straatsteenen: klotsen, stappen M.; v. h. doffe geluid v. vallen v. vruchten: plof! Rh.
kêthiplak
1. naam v. e. soort v. vischfuik, vgl. wuwu, bêngkêng, Wk. - 2. of kêthèplèk, KN. zva. katiplak, bediende voor het gemeenste of geringste werk. - ngêthiplakake, enz. iem. als een kêthiplak, behandelen of er voor uitmaken, hem zulk werk laten doen Wk., vgl. pêgajag.
kêthiplik
KN. ngêthiplik, trippelen Wk.
kêthupluk
KN. ngêthupluk, zich erg. stil houden, nestelen; ook bv. iem. stilletjes bij zich te huis houden.
kêthèplèk
zie kêthiplak.
kêthiyu
KN. ngêthiyu, zva. anjêlênggut, of mungkul. tuna °, schade lijden door geen voordeel te hebben voor zijn onafgebroken bezig zijn aan een werk, moeite voor niet hebben Wk.
kêthuyuk
KN. ngênguyuk, of kêthuyukan, gebogen, met gebogen rug zijn, bv. v. ouderdom Tj. IV, 367. kêthuyuk-kêthuyuk, zóo gebogen daarheen gaan.
kêthêm
KN. een bankschroef; smids-nijptang. - ngêthêm, iets in de bankschroef zetten; met de nijptang vasthouden JR.; zie rêgêm, tanggêm.
kêthimik
= kêthumuk, maar van kleiner passen, pas voor pas, langzaam voortgaan, vgl. kadhimik.
kêthumuk
KN. kêthumuk-kêthumuk, langzaam, voetje voor voetje gaan, zooals door ouderdom of ten gevolge v. ziekte.
kathêmil
vgl. kathimik, en kadhêmêk, zie cêmil.
kêthugur
KN. thêthugur, ergens op een hoop, opgestapeld liggen, zoo bovenmate veel, dat het een hoop vormt, zva. ngunjung-unjung.
kuthagara
torentje (Skr. kûṭâgâra).
kathêthêr
het rillen, bibberen van koude, het inwendig bang zijn, zie kêtêr.
kêthathar
KN. zva. kêthèthèr. - kêthatharan, berooid.
kêthuthur
KN. ngêthuthur, krom, gebogen staan of zitten, bep. v. zieke vogels Rh., volg. Wk. gekromd, met een gebogen rug zitten, vgl. kêthuyuk.
kêthèthèr
Kn. berooidheid, nooddruft, verachterde, behoeftige, ellendige toestand, waartoe iemand ververvallen is. pating kêthèthèr, overal verspreid, niet behoorlijk op zijn plaats, in onverzorgde verwaarloosde toestand zijn van menschen en zaken; ongeredderd van een ongeredderden boel, van slordig opgemaakt haar van een vrouw, en van slordig om het lijf hangende kleêren enz. (waarsch. van kèthèr). - ngathèthèr, berooid, arm enz. zijn. - kêthetheran, in berooiden, armoedigen enz. toestand verkeeren, het een of ander te kort komen en daardoor met iets, dat men begonnen is, blijven steken en in ongelegenheid komen, gebrek lijden; ontredderd, door gejaagdheid in de war geraakt Bab. Jo. II, 10, niet aan alles denken, hier dit, daar dat vergeten Wk., zoodat men met iets klaar komt Gr. L. 143. BTDj. 642: slordig, er ongeredderd

--- 1 : 560 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
uitzien; in verslingerden, verspreiden, verwaarloosden toestand zijn; slordig zitten van kleêren; op een slordige, achtelooze wijze toegaan Wk.
kêthothor
KN. wijd en ruim van kleêren. - ngêthothor, los van een verband, een buiksingel, een buikband, bindsel enz. Zie ook kadhodhor.
kêthathêl
KN. meest herh. belemmerd, ongelijk in zijn bewegingen, niet vlot, met horten en stooten.
kathing
KN. herh. met iets kleins in de hand van den heen en weer slingerenden arm gaan; vgl. lembehan, kathung, bij athung, Wk.
kathung
KW. zva. ina, cacad, awon, kirang, cugag, (W. alleen beide laatste). kinathung-kathung, miskend Rm. 323. KN. een gebrek hebben, voorn. een lichaamsgebrek; eenigszins gebrekkig; iets anders doen voorkomen, dan men het meent, vgl. kuthung. Een ander zie bij athung. - sakathung. nyakathung, tegen iem. samenspannen om hem te benadeelen, bv. door valsch spelen, vgl. sakait, sayom.
kêthêng
Kn. kêthêng-kêthêng, standvastig, onverzettelijk blijven weigeren Wk., vgl. kênthêng, Bab. Jo. I, 56.
kithing
KN. kromme, scheef vergroeide vingers hebben Waj. I, 34. ° ali-ali, v. iem. van wien men niets kan krijgen, evenmin als een ring te trekken van een kromme vinger.
kithung
KW. zva. kau, Wk.
kuthung
KW. zva. pincang, Wk. KN. verminkt, afgeknot v. d. duim of vinger of een der teenen, vgl. buntung, bujêl, pruthul, van een arm zonder hand, van een hand of voet zonder vingers of teenen. tangan kuthung, stomparm of stomphand. - kuthungan. kulambi kuthungan, korte buis of kiel (met kraag) zonder of met korte mouwen ZG. XXI, 3.
kèthèng
KN. 1. naam van een oude Javaansche munt: penning, ook of sèthèng = sigar. halve duit (vrg. kèpèng). kori sêkèthèng, (in poëzie ook kori sayatra, en kori sadêmi) penningpoort, poort aan de grenzen van de hoofdplaats, waar tol geheven werd; de hoofdingang van een stad of dorp. Zoo ook sêkèthènging kutha, en enkel sêkèthèng, bv. sêkèthèng kêdhiri, WP. 256, 257. te Suråkěrtå is sêkèthèng, of kori °, de naam van een poort, waarmeê men van de westkant op de alun-alun komt. Vlg. Rh. heet lawang sakèthèng, het voorportaal of de vestibule van de woning van een regent of voornamen inlander, waarin men door een soort hoofd- of eerepoort komt. - 2. KN. ngèthèng-ngèthèng, iets in zijn onderdeelen, elk onderdeel afzonderlijk beschouwen Wk.
kothong
KN. ledig; ijdel, zonder zin of beteekenis, zinledig, een ijdele klank (vrg. kopong). bêdhil kothong, een ongeladen geweer tegenover ° mêtêng. mrêcon °, BG. 271; zoo ook kêmiri °, JZ. II. wong kothong, een onnoozele Wk. (ledig vat?), vgl. kopong.
kang
1. KN. verk. v. kakang. - 2. kang, of kêng, in deftigen stijl ook wel ingkang, ook sang, vooral in de spreektaal, en alleen in de spreektaal dhing, N. ingkang, ingkêng, of ikêng, soms ook wel kang, K. een aanwijzend vrnw., waarmee met nadruk gewezen wordt op het volgende in tegenstelling van iets anders of van het tegenovergestelde; ook als betrekkelijk vrnw. die, dat; soms ook daar; en als KI. zva. het bezittelijk vrnw. van de derde persoon. ingkang rama, de vader of zijn vader, en zoo ook wel vóor enkele woorden, die een vertrouwelijke betrekking aanduiden, als saudara, mitra, êmban, abdi, en dezulken die een beleefdheid of nederigheid uitdrukken, bv. ingkang tabe, ingkang sêmbah. kang (of sing) bêcik, goed, met nadruk. aja sing sang prabu dèwi, laat staan Prabu Dèwi (zelve) AS. 193. ingkang lêpat, die of hij die ongelijk heeft. sing ana ing burimu iku apa, hetgeen daar achter u is, wat is dat? apa sing °, wat is het, dat (daar enz.). sing lanang, de man tegenover sing wadon, de vrouw. kang duwe, de eigenaar; vóor een werkwoord wijst sing, of kang, op den bedrijver. sing matèni, de moordenaar enz.; en als modale Imperatief zva. bv. kang prayitna, voorzichtig! AS. 116, dibêcik. kang iki, N. ingkang punika, K. zoo dan, nu dan. kang saiki, N. ingkang sapunika, K. tegenwoordig, met nadruk. ingkang wau, JBr. n°. 22. Zoo ook (niet sing) kang sêrta, of ingkang sêrta, en dat met, en daarbij tevens BTDj. 386. kang saupama, bijaldien. ingkang mugi, ik bid dat ... ing nêgari ngriku, ingkang botên gadhah pitêpangan, in dat land, daar hij geen kennis had. ingkang pêngandika, KI. zva. pêngadikanipun, WP.
kêng
zie kang.

--- 1 : 561 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
king
(Rěmb.) sprkt. voor saking, te M. in TBG. XXV, 189, 193, 262 enz.
kung
1. KN. klanknab. v. d. heldere klank v. e. bêndhe, kêmpul, e. derg., ook. kungkung, zulk een herhaald geluid, vgl. cêngkung, en mung. kung, of ukung, helder (zie boven) v. h. geluid v. e. pěrkutut. Vgl. kuk, of kug, soms ukuk, of ukug, zie boven, vgl. nog ungkur, urkug, urtêkung, urtêkug, en katêka. kungkung = ungkung. - ngungkung, zie bij ungkung, en kungkung, het geluid van een bangkong, (vrg. ukung). - 2. TP. verk. van jungkung, bv. nunggang kung. - 3. grondv. van têkung, bêngkung, en pêngkung, en verk. van manêkung. - 4. kung. en akung, KW. zva. susah, prihatin, prihatin marang wong wadon, sêngsêm, en kasêngsêm, smoorlijk verliefd BG. 72; C. 2061, bl. 60a. kung lulut, kung langêng, zva. sêngsêm. - makung, zva. mêgêng, Wk. Zie ook KS. 96, WS. 187. - kukungan, het voorwerp daar iemand smoorlijk op verliefd is. - kungkung, zie beneden.
kèng
en kong, KN. klanknab. v. e. enkelen schreeuw v. e. hond als hij geslagen wordt of zoo, het eerste v. e. kleinen, het laatste v. e. grooten hond. kèngkèng, zie ben.
kong
of êkong, KN. een waterkom, verb. v. ons kom? Tj. II, 573 en Rs. 217; een ander zie bij kèng.
kongah-kangih
of kongah-kangèh, WP. (ook wel kongkah-kangkih, Tj. I, 45? als een tol) KN. zich heen en weêr draaien en wenden, zooals van een zieke, die rusteloos woelt, of een kind dat door heen en weêr te draaien een blijk van onwil geeft (zich aan een behandeling onttrekken wil); in B. 369 van een vrouw, die niet van de coïtus wil weten. - kongah-kangihan, liggen of zitten te draaien en te wenden WP. 139. Ook klagen, jammeren? BS.
kangên
zie bij angên.
kangin
kanginan, zie bij angin.
kungcur
KW. zva. mancur, Wk.
kingêr
kèngêr, zie bij ingêr.
kangêrènên
zie ri.
kangka
KW. zva. krudha, Wk.
kungku
KW. zva. gilig, Wk.
kongak
zie ungak.
kongkih
zie bij ukih.
kongkah-kangkih
zie kongah-kangih.
kangkên
KW. voor iets aangezien worden of kunnen doorgaan, gelijk? (BJ.) CS. Vrg. ku, 3.
kingkin
of kinkin, en kingking, (T. 19a) KW. en KN. moeite, smart. brăngta °, minnepijn BG. 207 (Fr. peine); in moeite (en peine), bezorgd, bedroefd; fig. yayah baskara makingkin, Men. IX, 90; ook benaming van de zangwijze Asmårådånå (vrg. kung, 4. en sêdhih). Zie ook KS. 29, 30.
kèngkèn
kongkon, en zoo voorts, zie bij kon.
kangkana
kêngkana, kêkana, of gêlang (of binggêl) kana, KN. benaming van een dikke gouden met bloemwerk versierde bracelet van jonge prinsen (Skr. kangkaṇa).
kangkat
zie bij angkat.
kingkit
KN. naam van een limoen Triphasia trifoliata Dc., nat. fam. der Aurantiaceae, zoo groot als een kleine knikker en eenigszins scherp van smaak, die gebruikt wordt in gebak of in suiker geconfijt wordt Fil.
kungkal
kongkal, zie ungkil.
kongkulan
of kungkulan, zie bij ungkul.
kangkam
KN. ben. v. e. soort sabel (Bab. Jo. 1037 khakam) Wk.
kungkum
zie bij kum.
kangkang
KW. zva. branggah, Wk., T. 51a.
kangkung
KN. naam van een kruipgewas, Ipomoea reptans Poir., nat. fam. der Convolvulaceae, dat op of bij het water groeit en als groente gegeten wordt Fil.; volg. Rh. ook klanknab. v. h. gekwaak v. kikvorschen (vrg. kungkang, en bangkong). sêkar kangkung, naam van een soort van gebathikt AS. itil °, een lange uitgerekte clitoris, als een kangkungsteel Wk. - kangkungan, plaats waar kangkung groeit; naam van een drassig veld ten oosten en westen van de Gladhag te Suråkěrtå, dat met kangkung beplant wordt.
kêngkêng
KN. stijf, onbuigzaam, bv. van rupsharen ZG. XXXII, 240; veerkrachtig sterk, bv. v. e. karwats, stevig ook v. e. huis dat loodrecht en vierkant staat; verstijven (vrg. kaku, kukuh, kêncêng, en kêjêng). Ook fig., bv. kêngkêng ngarani, stijf blijven beweren JZ. I, 131. - kêmêngkêng, half volwassen v. bladeren SG. zie klêngkêng. - ngêngkêngi, volharden in of bij iets. - pakêngkêng, een stevige paal R.; volg. Wk. stijfheid,

--- 1 : 562 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
het in een stijve toestand zijn. - makêngkêng, als een stevige paal R., volg. Wk. stijf zijn, niet los in zijn bewegingen Wk., bv. te paard zitten.
kingkang
KN. kumingkang, zva. tumindak, mingsêr, zich van de plaats begeven (Tj. III, 707), verroeren.
kingking
zie kingkin.
kungkang
zie kongkang.
kungkung
KN. ergens op een bepaalde plaats moeten blijven; kamer- of huisarrest hebben J. - ngungkung, iemand binnen een bepaalde ruimte, over den tijd ergens bij zich aan huis houden Wk., vgl. ngurung. beletten om uit te gaan, ergens opgesloten houden Dj. M. 1867, 30, 5; huisarrest geven BG. 197: măngsa wèha mêtu-mêtu ... sun kungkung, vgl. Bl. CP. 151. Vgl. ngukung, bij ukung. - mêkungkung, en mêrkungkung, zie beneden.
kèngkèng
1. naam v. e. heester, Lasiolepis Bennettii Planch., nat. fam. der Simarubaceae Fil. - 2. (zie kèng) klanknab. van het gekef of geblaf van een kleinen hond; een keffert, fig. een schreeuwleelijk v. e. kind? Wk. - ngèngkèng, keffen, blaffen; fig. aanhoudend om iets vragen, iets toeroepen; spr. kêdhondhong ri sun wastani, angèngkèng kaya matia, (kêdhondhong ri = kèngkèng). Vgl. nog klèngkèng.
kongkang
of kungkang, KN. nm. v. e. groote waterkikvorsch RP. 145. kadhal kungkang rêsmèng ranu, BG. 401; volg. Rh. meer bepaald in hoogere streken gew. kodhok °, (vrg. kangkung, bangkong) en zie ngungkang.
kongkong
KN. een streng zijden garen.
kèngêtan
K. zie bij eling.
kêngès
zie èngès.
kèngês
zie ingês.
kengis
KW. een weinig open, open voor het gezicht T. 13a, BG. 140, vgl. mingis.
kèngès
zie bij èngès.
kongas
zie bij ungas, Prěg. 3.
kangsi
1. N. zie bij anti. - 2. KW. zva. jangji, en rakêt. - makangsi, zva. awor, rakêt, Wk. KN. kangsèn, met elkander afspreken, een overeenkomst met elkander treffen Bab. Jo. I, 401; zich met elkander verbinden tot iets. Zoo ook kêkangsenan, KB. 51, 38.
kongsi
1. N. zie bij anti. - 2. Chin. woonhuis van een Chineeschen pachter; maatschappij, compagnie, het kantoor of woonhuis (v. d. agent) v. e. compagnie, te Sålå het huis van het hoofd der Chineezen. kongsi gêdhe, het woonhuis van den Chineeschen hoofdpachter. - kongsèn, zoo heeten in Rěmbang de sawah's in gemeen bezit ER. I, 60. griya °, een huis dat aan een vereeniging of genootschap behoort. Zie nog ER. II, 148.
kangsèn
zie bij kangsi.
kongsèn
zie kongsi.
kangsar
zva. kandhas (in de Katuranggan) in de uitdr. baya kangsar.
kèngsêr
zie bij ingsêr.
kangsrah
of kèngsrèh, KN. niet vrij hangen; slepen van een kleed; den grond raken; ook klangsrah, Waj. II, 66; Tj. N. P. 158. Daarentegen ZG. XX, 400: op den voet hangen, doch den grond niet raken, zooals een fatsoenlijke inlander gaarne de běběd draagt. Vgl. angsrok, kaclêp, klambrèh.
kongsul
of kungsul, KN. verdraaid, verzwikt, verstuikt; fig. bedorven, verbroddeld; waarschijnlijk samentrekking van kuwangsul. Vrg. kèngêr, bij ingêr, KB. 31.
kingsèp
Kn. slinken, geslonken van een gezwel of zwelling, zva. (een anagram van Wk.) kimpès, of kêmpès, JR.
kongsêb
zie bij ungsêb.
kongsèng
KN. heen en weêr roering met een lepel, van iets dat in een pan gebraden of gebrand wordt, zooals koffieboonen, vgl. korang-karèng, garang, gorèng, enz. - ngongsèng, iets zóo heen en weêr roeren; en volg. JR. een mes of zoo iets, door het op een hard voorwerp heen en weêr te strijken en om en om te draaien, aanzetten (vrg. kosèk). kongsengan, een aanzetsteentje.
kangwa
KW. zva. luwung, Wk.
kangwong
KN. bekend, bekend zijn met Waj. II, 353; te huis zijn; zie kawong.
kèngêl
zie ingêl.
kangelan
zie bij angèl.
kangjêng
zie bij jêng.
kungjêng
zva. kunthing, Wk.
kangge
kanggo, zie bij anggo.
kanggonan
zie ênggon.
kanggêk
KN. stuiten, staan blijven, steken blijven;

--- 1 : 563 ---

Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, Gericke en Roorda, 1901, #918 (Bagian 12: KaPa-KaNga): Citra 1 dari 1
v. e. wagen: ° tan lumampah, BG. 213; fig. geen gevolg hebben; (het gevoel van een verhindering of teleurstelling ondervinden KB. 23, R.); vrg. kandhêg, bij andhêg, kagol.
kenggot
zie kegut.
kanggêp
zie bij anggêp.
kanggêg
zva. kanggêk. ° dangu botên mawi ngandika, Bl. CP. 235. ° gènipun nêpsu, BTDj. 526.
kinging
zie kêna.
kengang
KN. middelmatig; zoo, zoo, passabel.
kenging
zie bij kêna.
kongang
1. KW. zva. katon. KN. in de verte zich aan het oog voordoen Wk. - 2. kunnen, in staat zijn RL. 5b (vrg. kuwawa, en kenging, bij kêna). N. kuwawi, K. in staat zijn, vgl. kogang.
kêngangrang
zie bij rang.
kangungrungan
zie bij rungrung.

 


suruh. (kembali)
suruh.
ngasih-asih. (kembali)
ngasih-asih.
klabêtan. (kembali)
klabêtan.
lir. (kembali)
lir.